CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb006753] Bijlage behorende bij 23bb6752 - definitieboekje collegetargets geactualiseerd 2023

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 26 oktober 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken22.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onder het target vallen alle te starten zelfstandige woningen, die tot stand komen via nieuwbouw, optoppen door het bouwen van woningen op een bestaand gebouw, transformatie (functieverandering van niet-wonen naar wonen) en vernieuwbouw (grootschalige schilrenovatie van bestaande woonpanden tot nieuwe woningen, waarbij de woningen ten behoeve van de renovatie worden onttrokken, de woningen die ontstaan na de renovatie worden daarbij als nieuwe woningen op de woningmarkt aangeboden) De grenzen van de prijsklassen zijn bepaald in de vastgestelde woonvisie, inclusief de jaarlijkse indexeringsafspraken, de prijsklassen worden jaarlijks geactualiseerd in de feitenkaart prijsklassen. De datum waarop de feitelijke starthandeling van de bouwwerkzaamheden plaatsvindt, bepaalt in welk jaar de woning meetelt. Als feitelijke starthandeling wordt voor nieuwbouw aangehouden, een eerste paal of een eerste andere constructieve handeling zoals het slaan van een damwand of de startbouw die op project is afgesproken naar de kopers en is gedefinieerd voor dat project in de woningborg of SWK afspraken. Indien er geen fundering noodzakelijk is voor de nieuwbouw geldt de eerste handeling van het bouwwerk op de nieuwe locatie. Voor transformatie en of renovatie wordt aangehouden het starten van de eerste verbouwingswerkzaamheden aan het betreffende pand.

Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd De beschikbaarheid van voldoende (bouw)locaties is essentieel om de doelstelling te kunnen realiseren. Indien de gemeente zelf het initiatief neemt om een locatie uit te werken, dan spreken we

22

van de actieve rol van de het ontwikkelproces, zoals bijvoorbeeld in M4H of de Rijnhaven, Maar er zijn ook locaties waarbij een marktpartij of een corporaties, op niet gemeentelijke gronden woningbouw ontwikkelen. In deze gevallen spreken we van een faciliterende gemeente rol. Om bouwlocaties met de juiste programmering uit te werken in lijn met de gemeentelijke doelstellingen zet de gemeente daarbij zowel privaatrecht als publiekrecht in. Behalen van de opgave wordt gerealiseerd door het begeleiden en initiëren van de planvorming, het prioriteren van de mogelijke bouwplannen, het binden van voldoende investerend, ontwikkelend en bouwend vermogen aan de opgave door bijvoorbeeld marketing en door het voeren van accountmanagement naar de partners die de bouwproductie daadwerkelijk gaan realiseren. Gezien de uitdagende marktsituatie, de noodzaak om door te blijven bouwen ook als de marktsituatie complexer wordt, en de noodzaak tot bijsturing zodat voldoende betaalbare woningen worden gerealiseerd is het maken van nieuwe afspraken met de bouwsector in een vernieuwd bouwakkoord nodig. Samen met de Rotterdammers Rotterdam groeit snel en daarmee verandert ook de woonomgeving en werkomgeving van bestaande Rotterdammers snel. Goede participatie en betrokkenheid van de bestaande rotterdammers is daarom essentieel om de groei van de stad in het huidige tempo te kunnen blijven realiseren.

Waarom kiezen we in dit target voor een bandbreedte? Voor het realiseren van het target is Rotterdam afhankelijk van andere partijen; zo bouwen we de woningen niet zelf en zijn bijdragen vanuit Rijk en gemeentelijke begroting noodzakelijk voor onrendabele investeringen in gebiedsontwikkelingen. Bovendien zijn macro economische ontwikkeling (zoals economische ontwikkelingen, stijgende bouwkosten, etc.) van invloed op ontwikkelingen in de woningmarkt. Vandaar de keuze voor een target met bandbreedte tussen 14.000 en 16.000 woningen. Inzetten van privaatrechtelijke en publiekrechtelijke sturing. Sturing op de woningbouw en de onderliggende programmering vindt zowel privaatrechtelijke als een publiekrechtelijke plaats. De bouw van de woningen zelf wordt volledig door marktpartijen en corporaties gerealiseerd. Publiekrechtelijk zorgt de gemeente voor het opstarten van voldoende gebiedsontwikkelingen, via het vaststellen van visies en masterplannen, de afgifte van omgevingsvergunningen, voor eventueel benodigde wijzigingen van het planologisch kader en maakt de gemeente afspraken met woningbouwcorporaties in prestatieafspraken.

Privaatrechtelijk maakt de gemeente afspraken over de vergoeding van door de gemeente te maken kosten voor het project, maar ook over de te realiseren programmering, met partijen in anterieure overeenkomsten, gronduitgiften en overige bijbetalingen over de kosten voor het plan. Per locatie wordt bekekenen welke mix van privaatrecht en publiekrecht moet worden ingezet om de gemeente doelstellingen te realiseren. Extra sturing op betaalbaarheid De betaalbaarheid van woningen in Rotterdam staat onder druk, dit komt enerzijds omdat door de schaarste de woningprijzen in de afgelopen jaren flink zijn opgelopen, anderzijds omdat de kostprijs van een woning vaak hoger ligt dan de prijs die voor een betaalbare woning kan worden betaald. De Rotterdamse woningmarkt vraagt daarom om een sterke sturing vanuit de gemeente en een vernieuwing van de Rotterdamse Woonvisie die in de komende periode zal worden uitgewerkt. De actieve rol bij nieuwe bouwprojecten zal worden versterkt om de gewenste programmering nu en in de komende jaren ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Het college heeft daarbij 25 miljoen euro gereserveerd om de onrendabele investeringen van betaalbare woningen af te kunnen dekken.

Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde Er is geen nulmeting voor dit target, het gaat immers om het vanaf 01-01-2022 tot 31-12-2025 tellen van alle nieuwe woningen die zijn gestart met de (ver)bouw door nieuwbouw, transformatie en

23

vernieuwbouw. Voor de bouwproductie wordt aangesloten bij hele jaartallen, de bouwproductie wordt immers per jaar gemeten. Daarom start de meting op 01-01-2022 en eindigt deze op 31-12-2025. Gemiddeld betekent dit het starten van 3.500 – 4.000 woningen per jaar, maar de daadwerkelijke te starten aantallen per jaar kunnen fluctueren. De eindwaarde is gesteld op 31-12-2025.

Mijlpaal

2022, nulmeting (01-01-2022)

2023 (31-122022

2024 (31-12-2023)

2025 (31-12-2024)

2026/einde collegeperiode (31-12-2025)*

0

3.500 -4000 ( 20% sociaal-35% Midden)

7.000 - 8000 (20% sociaal35% Midden)

10.500 – ( 20% sociaal35% Midden))

14.000 – 16.000 (20% sociaal35% Midden)

Realisatie *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025 Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Voortgangsmeting van de target vindt plaats via het monitorsysteem van nieuwbouwwoningen, BoPro van het cluster Stadsontwikkeling. Dit systeem ondersteunt de programmering van de woningbouwopgave aan de ene kant en monitort daarin de daadwerkelijke startbouw en de onderliggende programmering. De startbouw wordt bijgehouden door het doen van fysieke waarnemingen. Betaalbare woningen tellen mee, indien is aangetoond dat deze op moment van startbouw in het betaalbare segment worden gerealiseerd. De aangetoonde prijs kan daarbij worden bepaald op basis van een vastgestelde verkoopprijs of verhuurprijs zoals, danwel via een overeengekomen afspraak met de ontwikkelende partij over de in het project te realiseren programmering, indien deze (of een deel van deze) verkoop of verhuur prijzen, nog niet zijn vastgesteld.

Bij alle woningen die in Bopro de status gestart krijgen wordt gecontroleerd of de prijscategorieën die zijn opgenomen in de registratie in overeenstemming zijn met de vastgestelde verkoopprijs of verhuurprijs zoals aangeleverd door de ontwikkelende, verhurende of verkopende partij, of is gepubliceerd op een openbare verkoopsite (zoals bijvoorbeeld Funda of de betreffende project verkoop/verhuur site) of in overeenstemming zijn met hierover tussen partijen gemaakte afspraken in bijvoorbeeld privaatrechtelijke contracten. Indien deze prijscategorie niet kan worden geverifieerd krijgt het de prijscategorie met de status onbekend. Zodra de prijs, op een later moment wel kan worden geverifieerd, bijvoorbeeld als de woningen in verhuur worden genomen, worden de prijscategorieën, met terugwerkende kracht in het jaar van startbouw gecorrigeerd. Er vindt geen berekening plaats. Rapportage en verantwoording Het college rapporteert jaarlijks via de eerste en tweede herziening en jaarverslag over de kwantitatieve en onderliggende programmering van de gerealiseerde bouwproductie. Tevens zal de eindverantwoording worden opgesteld op basis van alle woningen die zijn gestart tussen 01-01-2022 en 31-12-2025.

24

8. Collegetarget Verkeersveiligheid We verbeteren de verkeersveiligheid in Rotterdam door effectieve maatregelen te treffen op de dertig meest verkeersonveilige locaties in de stad Portefeuillehouder: wethouder Karremans Begrotingsprogramma: Stedelijke ontwikkeling SDG: 9. Innovatie en duurzame infrastructuur Doelstelling: specifiek Het verbeteren van de verkeersveiligheid valt onder begrotingsdoelstelling 2.2: Ruim baan voor fietsers en voetgangers. “Jaarlijks de aanpak van de tien meest verkeersonveilige plekken. Opsporing van asociaal rijgedrag en aanpakken van de daders. Voorbereiding op de snelheidsnorm van maximaal 30 km per uur in de stad.” De collegetarget brengt focus aan in de uitvoering van verkeersveiligheidsbeleid door dertig locaties te selecteren waar zich onveiligheid concentreert. De veiligheid wordt verbeterd door gerichte maatregelen te treffen. De effectiviteit van de maatregelen wordt vastgesteld door de effecten in de praktijk te beoordelen. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Met het verbeteren van verkeersveiligheid beogen we het aantal verkeersslachtoffers steeds verder te beperken door het aantal en de ernst van ongevallen te verminderen. Om ongevallen te voorkomen, volgen we een risico-aanpak.

We sporen risicolocaties op op basis van systematische risico-inschatting, daadwerkelijk optredende ongevallen en meldingen van burgers; we pakken maatregelen aan met op de risico’s gerichte maatregelen en monitoren de effectiviteit daarvan. We treffen effectieve maatregelen op de dertig meest verkeersonveilige locaties in de stad. We stellen in de eerste helft van 2023 een lijst op van verkeersonveilige locaties op het gemeentelijke wegennet, op basis van de dan bekende scores op: A. Risico’s in de infrastructuur (inrichting voldoet niet aan ontwerprichtlijnen) en/ of risico’s door te grote drukte en hoge snelheid in relatie met de weginrichting. De weginrichting van wegen en fietspaden toetsen we digitaal aan de richtlijnen van CROW en SWOV. B. Beleving van onveilig verkeersgedrag op basis van een eigen verkeersveiligheidsenquête. C. Locaties waar de afgelopen drie jaar zes letselongevallen hebben plaatsgevonden. Zie de toelichting onder Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens voor een uitwerking en precisering van deze selectie. We actualiseren deze lijst jaarlijks. Ieder afzonderlijk criterium (A, B, C) staat voor 1 punt. Een locatie kan zodoende minimaal één en maximaal drie punten scoren, waarmee een rangorde in mate van onveiligheid ontstaat. Bij de jaarlijkse actualisatie kan deze rangorde door nieuw ingewonnen data worden aangepast.

Bepalend is de plek van een locatie in de rangorde op het moment dat tot aanpak wordt besloten. In de selectie van aan te pakken locaties kan van deze rangorde worden afgeweken op basis van de volgende afwegingen: De locatie is een concentratiepunt van onveiligheid in een groter gebied. Als aanpak op de locatie een bredere uitstraling heeft op de veiligheid in het gebied, kan deze met voorrang worden opgepakt. Afstemming met de omgeving: is aanpak van de locatie haalbaar en wenselijk. Projecten die kunnen worden gecombineerd met andere werkzaamheden of waarvan de voorbereiding al gaande

25

is, hebben voorrang. Anderzijds kunnen de eisen van verkeerscirculatie, overlastbeperking, toekomstig gepland groot onderhoud of bouwplannen veroorzaken dat een locatie beter niet direct kan worden aangepakt. - Technische uitvoerbaarheid en kostenefficiency. Uit de rangorde worden voortdurend nieuwe locaties geselecteerd, die kunnen worden aangepakt. De aanpak van de onveilige locatie wordt bepaald door in de 0 situatie een gestandaardiseerde schouw uit te laten voeren door een extern gecertificeerde verkeersveiligheidsauditor, werkzaam binnen de gemeente Rotterdam. Indien nodig wordt een meting uitgevoerd van snelheid en hoeveelheid van het autoverkeer. Op basis van de schouw en andere data stelt een aangewezen expertteam binnen de gemeente het probleem (dwz. de gesignaleerde risico’s en de oorzaken daarvan) vast en maakt een keuze uit de volgende maatregelen: 1) 2) 3)

Het aanpassen van de weginrichting zodat deze aan de ontwerprichtlijnen voldoet. Het beperken van drukte en/of grote snelheidsverschillen door het verlagen van de hoeveelheid en/of rijsnelheid van het autoverkeer (autoluw-aanpak). Het tegengaan van het gevaarlijke gedrag door een infrastructurele aanpassing, of handhaving op/ beïnvloeding van verkeersgedrag.

De maatregelen zijn effectief gebleken wanneer: -

Risico’s als gevolg van de uitgevoerde maatregelen waarneembaar zijn afgenomen op de betreffende locatie, en/of - De uitgevoerde maatregelen in relatie met het gesignaleerde probleem bewezen effectief zijn conform de wetenschappelijk onderzochte effectiviteit zoals landelijk opgenomen in: Effectiviteitswijzer. Om de effectiviteit vast te stellen wordt een gestandaardiseerde schouw uitgevoerd door een extern gecertificeerde verkeersveiligheidsauditor, werkzaam binnen de gemeente Rotterdam. Er wordt indien van toepassing gebruik gemaakt van door de Effectiviteitswijzer bij de uitgevoerde maatregelen voorgeschreven meet- en analysemethoden. Indien nodig wordt een meting uitgevoerd van snelheid en hoeveelheid van het autoverkeer. Op basis van de schouw en daarbij betrokken data stelt een aangewezen expertteam binnen de gemeente de effectiviteit van de maatregelen onderbouwd vast (1-meting). Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2022, nulmeting (peildatum)

2023 (peildatum)

2024 (peildatum)

Mijlpaal 10 10 realisatie *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025

2025 (peildatum)

2026/einde collegeperiode (peildatum)*

10

Cumulatief 30

Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens De verschillende stappen in het proces worden vastgelegd in rapportages. Voor de begeleiding van het proces en de vastlegging in rapportages, wordt een protocol opgesteld. De inzet van speciaal gekwalificeerd personeel en de toepassing van landelijk vastgestelde normen spelen een belangrijke rol. Locatiedata

26

A De weginrichting toetsen we digitaal aan de richtlijnen van CROW en SWOV voor ‘veilige weginfrastructuur’ en ‘veilige fietspaden’ (kennisnetwerkspv.nl). B De verkeersveiligheidsenquête wordt uitgevoerd op basis van een platform waarop Rotterdammers met ‘prikkers’ locaties kunnen benoemen waar zij onveiligheid beleven en onveilig gedrag waarnemen. Gestart zal worden met beschikbare data uit 2019, waarna deze enquête in 2023 zal worden geactualiseerd. Op basis van de uitkomsten van de enquête, wordt de norm bepaald voor toekenning van een punt in het kader van deze target. C Conform de registratie van ongevallen in het ongevallenbestand BRON van Rijkswaterstaat. De normwaarde van zes letselongevallen is de landelijk en in het gemeentelijk beleid sinds jaar en dag aangehouden ‘black spot’ definitie. Locatiekeuze De lijst met locaties die is opgesteld op basis van de drie criteria, is openbaar. De keuze van de aan te pakken locaties en de wijze waarop de afwegingen hierin worden meegenomen, worden transparant vastgelegd. NB. Het begrip ‘locatie’ start als een concentratiepunt van risico’s, ongevallen en/of meldingen; het wordt de lokalisering van een probleem dat kan worden aangepakt; daarna wordt het een projectgebied, waarbij maatregelen ook buiten de oorspronkelijke risicolocatie kunnen worden genomen.

Voor de meting van effectiviteit wordt weer teruggegrepen op de locatie waar oorspronkelijk de risico’s optraden. 0-meting (probleem en maatregelen) De door de auditor en het team gemaakte afwegingen en gekozen maatregelen worden transparant vastgelegd in een rapportage. 1-meting (effectiviteit) De overwegingen van auditor en team, de waarnemingen die zijn gedaan en data die zij hebben gebruikt en de uitkomst van de afweging worden transparant vastgelegd in een rapportage. Rapportage en verantwoording Gerapporteerd wordt bij de 4-, 8-maandsrapportage en jaarrekening. Naar aanleiding van de jaarrekening 2023 en 2024 wordt een tussenrapportage opgesteld. Hierin worden de afgeronde locaties meegenomen tot aan het moment van opstellen van de jaarrekening (medio januari van het volgende jaar). De eindrapportage bestaat uit een bundeling van de vastleggingen van locatiekeuzen en per locatie de 0-metingen en 1-metingen.

27

Klimaat en energie 9. Collegetarget 25% CO2-reductie We zetten in op minimaal 25% CO2-reductie in 2025 voor het stedelijk gebied, gemeten ten opzichte van 1990. Portefeuillehouder: wethouder Zeegers Begrotingsprogramma: Energietransitie SDG’s: target op 13 – met onderliggend en randvoorwaardelijk 7, 9, 11, 12 & 17. Doelstelling: specifiek Coalitieakkoord 2022-2026 “Eén stad”, onderstreept de inzet van Rotterdam om de aangescherpte landelijke norm van -55% CO2-reductie in 2030 te halen en te sturen op merkbare effecten van ons beleid. Zoals benoemd (p.32 Klimaat en Energie) laten we “de inzet en doelstelling monitoren door DCMR, zodat tijdig kan worden bijgestuurd als de dalende trend onvoldoende doorzet om de landelijke norm van 55% CO2 reductie te halen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheden van het Rijk, de haven en de stad.” De target gedefinieerd: die context van de landelijke doelstelling voor 2030 is vertaald naar een meetbaar stedelijk resultaat voor 2025. Daar waar onze verantwoordelijkheden groter zijn en gemeentelijk beleid directer van invloed is. De target bevat de volgende uitgangspunten: • CO2-uitstoot ‘stedelijk gebied’: Voor alle CO2-uitstoot van Rotterdam gebruiken we de directe (scope 1) uitstoot, ook wel de bronbenadering genoemd.

Voor het berekenen van het aandeel van de stad gebruiken we een combinatie van directe en indirecte (scope 2) uitstoot; de gebruiksbenadering. Zoals de DCMR (Milieudienst Rijnmond) deze jaarlijks vaststelt, conform de internationale IPCC-methode van berekenen van de CO2-uitstoot. Het gaat dan om de volgende onderdelen: a. gebouwde omgeving: CO2 die direct vrijkomt binnen de grenzen van de stad door het verbranden van aardgas bij gebouwen; b. brandstoffen mobiliteit: CO2 die direct vrijkomt binnen de grenzen van de stad door het verbranden van brandstoffen in het vervoer; c. elektriciteitsgebruik mobiliteit: CO2 die indirect vrijkomt door het opwekken van de elektriciteit voor het elektrische vervoer in de stad; d. elektriciteits- en warmtegebruik gebouwde omgeving: CO2 die indirect vrijkomt door het opwekken van de elektriciteit en de stadswarmte voor de gebouwen in de stad. • Percentage t.o.v. 1990: kwantificering van huidige en beoogde situatie. In dit geval hanteren we de CO2-cijfers van 2021 (t.o.v. 1990) als nulmeting. Dat ook in lijn is met de landelijke doelstelling van -55% in 2030 (t.o.v. 1990). 1990 is het internationale ijkpunt door het Kyotoprotocol (1997). Voor de haven zorgen we dat de Rijksambities voor voldoende reductie in 2030 worden ondersteund door onze inzet op innovaties.

We zullen de plannen richting 2030 strak monitoren op daadwerkelijke voortgang en omvang. Ook meten we de jaarlijkse uitstoot van het gehele Rotterdamse grondgebied. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Het Rijk ziet een belangrijke rol voor lokale en regionale partijen in het behalen van de klimaatdoelstelling. De gemeente Rotterdam ziet zichzelf, op die gebieden waar zij bevoegdheden en invloed kan uitvoeren, als regisseur in het behalen van het doel voor het gemeentelijk grondgebied. Daarvoor hebben wij een (begrotings)programma voor de energietransitie opgesteld die richting geeft

28

en de nodige inzet in Rotterdam aanjaagt, financiert en de gemeentelijke plannen onderstreept. Zie ook: Energietransitie | Begroting Rotterdam 2023 In het Klimaat Actieplan Rotterdam komt terug wat er te doen staat en wat wij doen als gemeente om bij te dragen aan de energietransitie in de stad. De inspanningen laten we doorrekenen door de DCMR op CO2-effect, bij de projecten waar dit concreet kan. We sturen actief bij, als nodig ook richting rijk als we de doelen niet dreigen te gaan halen. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde De Rekenkamer moet kunnen vaststellen of aan het einde van deze collegeperiode, de stedelijke CO2-uitstoot minimaal -25% lager ligt dan in 1990. De DCMR kan dit net als in voorgaande jaren toetsbaar inzichtelijk maken.

Mijlpaal

2022, (peildatum) (voorlopige nulmeting 2021: 3,09 Mton) Stedelijke CO2-uitstoot minimaal -10% t.o.v. 1990 (3,09 Mton)

2023 (peildatum)

2024 (peildatum)

2025 (peildatum)

Stedelijke CO2-uitstoot minimaal -15% t.o.v. 1990 (2,92 Mton)

Stedelijke CO2-uitstoot minimaal -20% t.o.v. 1990 (2,75 Mton)

Stedelijke CO2-uitstoot minimaal -25% t.o.v. 1990: (2,58Mton)

2026/einde collegeperiode (peildatum)*

Realisatie *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025 De DCMR verzorgt jaarlijks een rapportage van de Rotterdamse CO2-uitstoot in het voorgaande jaar. Zij kunnen een gebruiksbenadering toepassen voor de stad en deze aanvullend rapporteren binnen het totaal met de haven (energiesector en haven industrieel complex). Dat wil zeggen, de stedelijke voetafdruk van de directe (scope 1) uitstoot van de stedelijke mobiliteit en gebouwde omgeving en indirecte (scope 2) uitstoot van het elektriciteits- en warmtegebruik. Zo kan er enerzijds Rotterdam breed de voortgang naar 2030 in perspectief worden gebracht, terwijl anderzijds de mijlpalen naar de stedelijke target voor 2025 worden uitgelicht. De stedelijke CO2-uitstoot voor 2021 (nulmeting) is door de DCMR berekend op 3,09 Mton (-10% t.o.v. 1990 – 3,44 Mton). De mijlpalen voor de tussenjaren 2022, 2023 en 2024 zijn gebaseerd op de verwachting uit de jaarlijkse monitor en meest recente doorrekening van de DCMR. Voor 2022 houden we -10% aan gezien de verwachtingen van de DCMR over 2022 (najaar 2022); met enige onzekerheid door verminderde impact van COVID-19 en de oorlog in Oekraïne die doorwerken op de cijfers. Op basis van de DCMR-doorrekening van plannen (voorjaar 2023) is een lineair pad en het behalen collegetarget mogelijk, als de plannen daadwerkelijk worden uitgevoerd.

Dit resulteert in de volgende opbouw van -15% in 2023, -20% in 2024 om uiteindelijk uit te komen op -25% in 2025. Omdat de DCMR pas een voorlopig cijfer kan geven van de jaarlijkse uitstoot in de zomer na het betreffende jaar (onderliggende data worden vanaf mei/april aangeleverd), zijn de peildatums en mijlpalen daarop afgestemd. Kleine correcties kunnen in het jaar daarop nog optreden. Om toch tegemoet te komen aan de eindverantwoording over 2025 eind 2025, zal de DCMR een

29

onderbouwde verwachting geven. Deze verwachting over een lopend jaar is betrouwbaar genoeg om met een zekerheidsmarge van 100kton te kunnen vaststellen dat de CO2-uitstoot van 2025 wel of niet minimaal 25% t.o.v. 1990 is afgenomen. Bekende maatregelen in uitvoering en inschattingen op basis van actualiteiten, worden dan door de DCMR doorgerekend en meegenomen. De DCMR zal deze aannames inzichtelijk rapporteren, net als bij de voorgaande collegeperiode. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Welke bron/systeem van informatie, hoe wordt gemeten en hoe vaak en wanneer is de meting beschikbaar? • De DCMR (Milieudienst Rijnmond) verzorgt de jaarlijkse CO2 berekeningen voor Rotterdam stad en haven. Zij gebruikt daarvoor verschillende landelijk beschikbare gegevensbronnen waaronder de landelijke RVO-klimaatmonitor, Emissieregistratie en de jaarlijkse milieujaarverslagen van de grote bedrijven. Contactpersoon: Koldo Verheij (DCMR) koldo.verheij@dcmr.nl • De Rotterdamse CO2-uitstoot in 1990 is in 2008 door het Rotterdam Climate Initiative berekend en toenmalig geverifieerd door ECN. DCMR heeft de scope 2 (gebruiksbenadering) voor de stad dit jaar berekend i.s.m. CE-Delft. • Op basis van inventarisatie concrete reductieplannen van partijen, het Rijk en gemeente, kan de DCMR deze inzet doorrekenen naar een geschat reductie-effect in 2025 en 2030.

De stedelijke plannen worden voor verwachting 2025 meegenomen. Rapportage en verantwoording Eindverantwoording: welke meetwaarde wordt daarvoor gebruikt, uit welke rapportage/monitor? • Stedelijk gebied op minimaal -25% CO2-reductie in 2025 De DCMR (Milieudienst Rijnmond) verzorgt de jaarlijkse rapportage van de CO2-uitstoot in Rotterdam (2021-2022-2023-2024-(verwachting)2025), welke wordt gedeeld met de raadscommissie MHEK. Op deze rapportage komt de verantwoording. • Rotterdamse bijdrage aan de landelijke reductienorm van -55% in 2030 De DCMR (Milieudienst Rijnmond) verzorgt de komende jaren doorrekenrapportages van plannen voor inschatting reductie-effecten in 2025 en 2030, welke wordt gedeeld met raadscommissie MHEK. Hierdoor kan de raad vooruitkijken. Uiteindelijk zal de verwachte stedelijke CO2-uitstoot van 2025 bepalend zijn voor de eindverantwoording van dit college. Zie ook: Verminderen CO2 uitstoot | DCMR

30

Zorg, welzijn en sport 10. Collegetarget woonzorgconcepten In de collegeperiode 2022-2026 realiseren we minimaal 14 Thuisplusflats voor ouderen en starten we met de bouw van nieuwe woon(zorg)complexen voor ouderen, zodat in totaal 24 voorzieningen beschikbaar komen. Portefeuillehouder: wethouder Buijt Begrotingsprogramma: Zorg, Welzijn en Wijkteams SDG: 3. Goede gezondheid en welzijn en 10. Ongelijkheid verminderen Doelstelling: specifiek Het collegetarget richt zich op de ontwikkeling van Thuisplusflats en nieuwe woon(zorg)complexen voor ouderen. Een wooncomplex voor ouderen is een complex dat geschikt is voor ouderen. Dit betekent dat het wooncomplex minimaal rollator toe- en doorgankelijk moet zijn volgens de criteria voor 2 sterren woningen beschreven in het Bouw Advies Toegankelijkheid. Daarnaast moeten de woningen bestemd (gelabeld) zijn voor ouderen en moet er een ontmoetingsruimte aanwezig zijn. Waar mogelijk stimuleren we het toevoegen van deurdrangers om de toegankelijkheid van de woningen nog verder te verbeteren. Bij woningen die bestemd zijn voor ouderen geldt een minimale leeftijdsgrens. Alleen als mensen aan de gestelde leeftijdseis voldoen maken zij kans op deze woningen. De corporatie bepaalt de leeftijdsgrens. Qua definitie van ouderen sluiten we aan op de leeftijdsgrens die corporaties/ontwikkelaars hanteren, variërend van 50+ tot 65+.

De collegetarget is uit te splitsen in twee onderdelen: de ontwikkeling van Thuisplusflats in bestaande seniorencomplexen en de nieuwbouw van woon(zorg)complexen voor ouderen. Thuisplusflats In de bestaande seniorencomplexen willen we in de collegeperiode in minimaal 14 unieke seniorencomplexen, naast de reeds bestaande 6 Thuisplusflats, een Thuisplus-concept realiseren. Begin 2021 zijn, op initiatief van de gemeente, in zes bestaande seniorencomplexen Thuisplusflats van start gegaan. In een Thuisplusflat worden dagelijkse activiteiten georganiseerd voor en door bewoners en is één preferent aanbieder actief die met een vast en herkenbaar team zorg en ondersteuning verleent vanuit de Wmo, Zvw (wijkverpleging) en Wlz (vpt en mpt). Binnen de Thuisplusflat is een nauwe samenwerking tussen de domeinen wonen, welzijn, zorg en ondersteuning. Ingezet wordt op het uitstellen en voorkomen van zorg door vroegsignalering en preventie, o.a. door activiteiten gericht op ontmoeting (tegengaan eenzaamheid) en vitaliteit, en door korte lijnen tussen medewerkers van wonen, welzijn en zorg. Ook wordt ingezet op het tegengaan van de versnippering in de zorg en het groeiende tekort aan beschikbaar zorgpersoneel door in te zetten op één preferent aanbieder in het complex. De huidige zes Thuisplusflats bevinden zich in drie stadsgebieden: Hoogvliet, IJsselmonde en Prins Alexander.

Bewoners, zorgaanbieders en corporaties zijn positief over de huidige Thuisplusflats. Door onderzoeksbureau Obelon is in 2021 een maatschappelijke businesscase uitgevoerd op het Thuisplusconcept. De conclusies zijn positief. Het woonzorg-concept draagt bij aan het welzijn en de vitaliteit van oudere Rotterdammers en aan uitstel of afstel van zorg. Het sluit aan op de enorme opgave rond het scheiden van wonen en zorg en het mogelijk maken om langer thuis te wonen. In het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor ouderen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden de Thuisplusflats genoemd als voorbeeldproject van een unieke samenwerking van zorgorganisaties, woningcorporatie, welzijnspartijen en gemeente om ouderen te ondersteunen om langer zelfstandig thuis te wonen. Bij uitbreiding van de Thuisplusflats zijn een duurzame financiering en domein-overstijgende inzet en samenwerking belangrijke uitdagingen.

31

Criteria Een Thuisplusflat voldoet in ieder geval aan de volgende criteria: Wooncomplex • Het wooncomplex beschikt over een gemeenschappelijke ruimte of ruimtes, waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en activiteiten met elkaar kunnen ondernemen. • Het wooncomplex is gelabeld voor ouderen en de woningen en algemene ruimten zijn minimaal rollator toe- en doorgankelijk (2 sterren, sterrenclassificatiesysteem BouwAdvies Toegankelijkheid). • De woningen in het complex betreffen sociale huurwoningen dan wel een mix van sociale huurwoningen en middenhuur welke worden verhuurd op basis van een huur- dan wel woonzorgovereenkomst. • In het wooncomplex is een huismeester en/of woonconsulent aanwezig. Zorg en ondersteuning • In het wooncomplex is één preferent Wmo-zorgaanbieder actief. • De preferent aanbieder is zowel gecontracteerd voor Wmo-maatwerkondersteuning als voor de Zvw (wijkverpleging) en Wlz (vpt/mpt). • Er is sprake van zorg en ondersteuning aan bewoners door een vast team van medewerkers (herkenbaar en aanspreekbaar). • Er is sprake van structureel overleg tussen vertegenwoordiging vanuit de uitvoering van wonen, welzijn, zorg en ondersteuning, onder regie van de preferent aanbieder (in het overleg worden signalen gedeeld op het gebied van o.a. gezondheid, kwetsbaarheid, eenzaamheid), het overleg vindt minimaal 2x per maand plaats.

Welzijn • In het wooncomplex is een dagelijks aanbod (minimaal 5x per week) van activiteiten op gebied van gezondheid, vitaliteit en ontmoeting. Dit kan aanbod zijn van de zorgaanbieder, van de welzijns- of beweegaanbieder en van bewoners zelf, maar kan ook een combinatie zijn van voorgaande. Realiseren • Een Thuisplusflat is gerealiseerd na de ingangsdatum van de overeenkomst. Dit wordt getoetst aan de hand van de door de gemeente en zorgaanbieder getekende Thuisplusflatovereenkomst en de aanbestedingsdocumenten (zie rapportage en verantwoording). Nieuwbouw We starten met de bouw van nieuwe woon(zorg)complexen voor ouderen Woon(zorg)complexen in nieuwbouw • Het gaat om nieuw te realiseren woningen/woongebouwen gebouwd en bestemd voor ouderen. De woningen zijn nultraps woningen die met een rollator bezoekbaar zijn. Hiervoor moeten de woningen aan de eisen voldoen zoals omschreven in het Bouw Advies Toegankelijkheid of vergelijkbare keurmerken, namelijk • De entree, de woonkamer, het toilet, de keuken, de slaapkamer en de doucheruimte bevinden zich op de begane grond of zijn met een lift of een stoeltjeslift bereikbaar • Drempels zijn maximaal 20 mm hoog en hellingen zijn flauw. • De vrije doorgang is nooit smaller dan 800 mm. • Ook moet er in het complex een ontmoetingsruimte aanwezig zijn zodat bij oplevering zorg en welzijn aan het woonconcept verbonden kunnen worden.

• Het moet daarbij gaan om een wooncomplexen van minimaal 20 woningen. • Onder het target vallen alle te starten zelfstandige woningen bestemd voor ouderen, die tot stand komen via nieuwbouw, optoppen door het bouwen van woningen op een bestaand

32

gebouw, transformatie (functieverandering van niet-wonen naar wonen) en vernieuwbouw (grootschalige schilrenovatie van bestaande woonpanden tot nieuwe woningen, waarbij de woningen ten behoeve van de renovatie worden onttrokken, de woningen die ontstaan na de renovatie worden daarbij als nieuwe woningen in de markt gezet). Realiseren • Het gaat om start bouw, deze wordt opgenomen in BOPRO. Dit is de datum waarop de feitelijke starthandeling van de bouwwerkzaamheden plaatsvindt. Als feitelijke starthandeling wordt voor nieuwbouw aangehouden, een eerste paal of een eerste andere constructieve handeling zoals het slaan van een damwand. Indien er geen fundering noodzakelijk is voor de nieuwbouw geldt de eerste handeling van het bouwontwerp op de nieuwe locatie. Voor transformatie en/ of vernieuwbouw wordt aangehouden het starten van de eerste verbouwingswerkzaamheden aan het betreffende pand. In BOPRO is opgenomen om hoeveel woningen het gaat of het om nieuwbouw of transformatie gaat en of het voor senioren is. De realiserende partij (corporatie of ontwikkelaar) wordt gevraagd om een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de woningen voldoen aan de gestelde criteria.

Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Naast de reeds bestaande 6 Thuisplusflats, willen we in minimaal 14 bestaande seniorencomplexen een Thuisplus-concept realiseren gedurende de collegeperiode. Thuisplusflats: Er zijn nu 6 Thuisplusflats. We willen dit aantal uitbreiden met minimaal 14 en daarmee uitkomen op een totaal van 20 Thuisplusflats. In overleg met corporaties en zorgaanbieders worden de Thuisplusflats verder inhoudelijk doorontwikkeld. Vanuit gemeentelijk opdrachtgeverschap wordt ingezet op een spreiding over de gebieden in de stad. De inzet is om in zoveel mogelijk van de 14 stadsgebieden een Thuisplusflat te realiseren, waarbij voorwaardelijk is dat er voor dit concept een geschikt wooncomplex aanwezig is, dat voldoet aan de genoemde criteria en waarin een haalbare en duurzame financiële businesscase mogelijk is. We spannen ons tevens in om samen met de zorgverzekeraars (Zvw) en het zorgkantoor (Wlz) te komen tot domein-overstijgende samenwerking (inhoudelijk en financieel). De gemeente is initiator van de Thuisplusflats en stimuleert de omvorming van bestaande seniorencomplexen naar Thuisplusflats door een aanbesteding in de markt te zetten. De gemeente stelt de kaders waaraan de Thuisplusflats moeten voldoen en stuurt hierop. Ook stuurt de gemeente op het aantal nieuwe Thuisplusflats.

De gemeente is financier en opdrachtgever van het concept en stuurt na de gunning van de opdracht op de kwaliteit en uitvoering van de Thuisplusflats volgens de overeenkomsten. Tevens faciliteert de gemeente een uitwisseling tussen de gecontracteerde en betrokken partijen door periodieke overleggen. Ook werkt de gemeente vanuit beleid aan de doorontwikkeling van het woonzorg-concept. We starten met de bouw van nieuwe woon(zorg)complexen voor ouderen Inzet vanuit de samenwerking binnen het Langer Thuis Akkoord en met SO Woon(zorg)complexen in nieuwbouw • Alle beoogde woonconcepten in de nieuwbouw zijn al in voorbereiding aangezien de ontwikkeling van nieuwbouw 7 tot 10 jaar nodig heeft. Het stadium van de voorbereiding verschilt per projectplan. Het doel is dat in deze collegeperiode ook daadwerkelijk de bouw start. • Het gaat om een breed spectrum aan projecten/ plannen; van sloop/nieuwbouw, optoppen, transformatie, aanpassen bestaand vastgoed en geheel nieuwe locaties. • Cluster Stadsontwikkeling spant zich in voor de realisatie van woon(zorg)concepten in nieuwbouwprojecten (inclusief garanties dat het gebouwd wordt voor en bewoond door senioren).

33

•

Daarnaast stimuleren en faciliteren we welzijn/zorgconcepten van aanbieders en partners van het Langer Thuis Akkoord zodat na oplevering ook zorg- en welzijn worden toegevoegd.

De gemeente heeft in alle projecten/plannen een rol. Deze rol verschilt per project/plan, voorbeelden zijn: het afgeven van vergunningen, het wijzigen van het bestemmingsplan, het opstellen van een nota van uitgangspunten, het opstellen van een tender, een adviserende of faciliterende rol, het maken van afspraken met de bouwsector en de corporaties over locaties en aantallen en het aanjagen/stimuleren, versnellen van projecten/plannen. Dat nieuwe (woon)zorgcomplexen al in voorbereiding zijn, wil niet zeggen dat daarmee verzekerd is dat realisatie daadwerkelijk plaats vindt of zonder grote vertraging plaatsvindt. Zeker gezien de huidige marktomstandigheden is extra inspanning is nodig om daadwerkelijke realisatie concreter te maken dan wel vertraging te voorkomen. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2022 (peildatum 3112-2022)

2023 (peildatum 2024 2025 2026/einde 31-12-2023) (peildatum 31- (peildatum 31- collegeperiode 12-2024) 12-2025) (peildatum)*

Mijlpaal** 0 3 16 24 Realisatie Q4 Q4 Q4 Q4 *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025 ** Aantallen zijn cumulatief Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Welke bron/systeem van informatie, hoe wordt gemeten en hoe vaak en wanneer is de meting beschikbaar? • •

•

Thuisplusflat: realisatiecheck op basis van de Thuisplusflat-overeenkomsten en de aanbestedingsdocumenten. Woon(zorg)concepten nieuwbouw: via het monitorsysteem van nieuwbouwwoningen, BoPro van het cluster Stadsontwikkeling. Dit systeem ondersteunt de programmering van de woningbouwopgave aan de ene kant en monitort daarin de daadwerkelijke startbouw en de onderliggende programmering. De start bouw wordt bijgehouden door het doen van fysieke waarnemingen (1e paal/ slaan damwand). Voor transformatie en/of vernieuwbouw wordt aangehouden het starten van de eerste verbouwingswerkzaamheden aan het betreffende pand. Een nulmeting is niet nodig. Er worden 24 woon(zorg)concepten gerealiseerd.

Rapportage en verantwoording Thuisplusflats In welke rapportage/monitor wordt aan wie gerapporteerd (raadscommissie, raad, ..)? • Over de Thuisplusflats wordt gerapporteerd in de raadsmonitor Zorg, welzijn en jeugdhulp en mogelijk een nog te ontwikkelen rapportage/monitor. In welk P&C document is een meetwaarde beschikbaar (1e, 2e herziening, jaarverslag)? • Jaarverslag en/of tweede herziening. Hoe en aan wie wordt in de tussentijd gerapporteerd als geen meetwaarde beschikbaar is? • Via de Raadsmonitor bij de voortgangsrapportage Heel de Stad, jaarverslag en/of tweede herziening. Eindverantwoording: welke meetwaarde wordt daarvoor gebruikt, uit welke rapportage/monitor? Een Thuisplusflat is gerealiseerd na de ingangsdatum van de overeenkomst:

34

•

•

De criteria met betrekking tot het wooncomplex zijn randvoorwaardelijk. Voorafgaand aan de gunning, in de selectiefase, vindt de toetsing plaats of een complex voldoet aan de criteria en in aanmerking komt om een Thuisplusflat te worden. Deze criteria zijn opgenomen in de aanbestedingsdocumenten. De criteria met betrekking tot zorg en ondersteuning en welzijn worden vastgelegd in de Thuisplusflat-overeenkomst en de bijbehorende werkafspraken. Beide documenten worden getekend door de zorgaanbieder en gemeente.

Woon(zorg)complexen in nieuwbouw Het college rapporteert jaarlijks via de eerste en tweede herziening en jaarverslag over de kwantitatieve en onderliggende programmering van de gerealiseerde bouwproductie. Tevens zal de eindverantwoording worden opgesteld op basis van alle woningen die zijn gestart gedurende de collegeperiode. Monitoring vindt plaats in BOPRO waarin wordt bijgehouden wanneer start bouw is, om hoeveel woningen het gaat, of deze bestemd zijn voor ouderen en de verklaring van de ontwikkelende partij dat de woningen voldoen aan de overige gestelde criteria.

35

11. Collegetarget Jeugdpreventie Vanaf 2023 ronden jaarlijks gemiddeld 5000 kinderen en jongeren (en/of hun ouders/verzorgers) een goed onderbouwde of bewezen effectieve preventieve jeugdinterventie af Portefeuillehouder: wethouder Achbar Begrotingsprogramma: Zorg, Welzijn en Wijkteams SDG: Goede gezondheid en welzijn (nr. 3) Doelstelling: specifiek Doelstelling vanuit het beleidsplan Heel de Stad is: “De jonge generatie Rotterdammers groeit op zonder achterstand (kansrijk, veilig, gezond)” Collegetarget jeugdpreventie is: “Vanaf 2023 ronden jaarlijks gemiddeld 5000 kinderen en jongeren (en/of hun ouders/verzorgers) een goed onderbouwde of bewezen effectieve preventieve jeugdinterventie af.” Definities: Preventieve jeugdinterventie Een preventief individueel traject, gezinstraject, ouder-kindtraject of groepstraining die: - gericht is op kinderen, jongeren en/of hun ouders/ verzorgers - bijdraagt aan het: o Versterken van sociaal-emotionele vaardigheden en het voorkomen en terugdringen van psychosociale problematiek bij kinderen en jongeren o Versterken van opvoedvaardigheden bij (aanstaande) ouders/verzorgers o Voorkomen en terugdringen van middelengebruik en gaming bij kinderen en jongeren o Versterken van vaardigheden en bieden van steun aan kinderen van ouders met een psychische aandoening, verslaving of licht verstandelijke beperking Kinderen en jongeren (en/of hun ouders

/ verzorgers): Dit collegetarget bestaat uit de deelnemers aan tientallen verschillende preventieve jeugdinterventies die gesubsidieerd worden op basis van het subsidiekader Jeugdpreventie Rotterdam ‘Versterken en Voorkomen’ en de bijbehorende subsidieregeling. Sommige van deze interventies richten zich op kinderen of jongeren, andere interventies richten zich op gezinnen of ouders/ verzorgers. In de subsidieregeling jeugdpreventie Rotterdam 2023 wordt de doelgroep als volgt gedefinieerd: a) jeugdigen tot en met 17 jaar en hun ouders woonachtig in de gemeente Rotterdam; b) jeugdigen tot en met 17 jaar die voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs volgen aan een school in Rotterdam, niet in Rotterdam woonachtig zijn, en hun ouders; c) jeugdigen tot en met 22 jaar die, ongeacht hun woonplaats, onderwijs volgen aan een school in Rotterdam en verdovende middelen gebruiken; of d) ouders van ongeboren jeugdigen vanaf 12 maanden voor de bevalling voor zover subsidie voor opvoedvaardigheden wordt verstrekt. Al deze verschillende soorten deelnemers tellen op tot het aantal van 5000. Daarbij wordt als volgt geteld: - Een gezin dat deelneemt aan een gezinsinterventie telt mee als 1 - Een kind-ouderpaar dat deelneemt aan een ouder-kindinterventie telt mee als 1 - Een kind of jongere dat deelneemt aan een individueel traject of aan een groepstraining telt als 1

36

-

Een ouder / verzorger die deelneemt aan een individueel traject of een groepstraining telt als 1 Bij universele interventies die gericht zijn op een hele klas of een hele school, gaan we uit van het aantal kinderen of jongeren dat bij de start van de interventie in die klas of op die school zat.

Per interventie gaat het daarbij om unieke deelnemers, maar binnen het aantal van 5000, zijn dubbelingen niet uit te sluiten. Soms heeft een kind/jongere/ouder een extra interventie nodig. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat een professional, tijdens een training voor het versterken van sociaalemotionele vaardigheden voor de hele klas, signaleert dat een kind meer hulp of training kan gebruiken. Het kind wordt dan bijvoorbeeld aangemeld voor een individuele interventie op het gebied eenzaamheid of een ouder-kindtraining op het gebied van sociale vaardigheden. Hetzelfde kind telt dan 2x mee in de 5000, 1x voor de klassentraining en 1x voor de extra training waar hij/zij naar doorverwezen is. . Goed onderbouwd of bewezen effectief: Om de effectiviteit van interventies te kunnen beoordelen, maken we gebruik van landelijke databanken voor effectieve interventies zoals die van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) en Movisie.4 Zij hebben commissies van experts die methodiekbeschrijvingen en effectmetingen beoordelen en een ‘label’ over de mate van effectiviteit toekennen aan een interventie. Een complete lijst van landelijke databanken voor effectieve interventies is als bijlage opgenomen in de subsidieregeling jeugdpreventie Rotterdam Versterken en Voorkomen. In sommige databanken, zoals die van Movisie, komt ook het niveau ‘goed beschreven’ voor.

Interventies die slechts ‘goed beschreven’ zijn, tellen we niet mee voor dit collegetarget. Alleen wanneer (theoretisch) aannemelijk is dat een interventie werkt, wordt die meegeteld. Het gaat dan om interventies met de labels ‘goed onderbouwd’, ‘effectief volgens eerste aanwijzingen’, ‘effectief volgens goede aanwijzingen’ en ‘effectief volgens sterke aanwijzingen’. Een nadere toelichting op de vereisten van deze niveaus is te vinden in een gezamenlijke publicatie van landelijke kennisinstituten ‘Erkenning van interventies – Criteria voor gezamenlijke kwaliteitsbeoordeling 2019-2022’5 NB; De erkenning van de preventieve interventies moet iedere 5 jaar hernieuwd worden. Dit speelt voor een flink aantal interventies die meetellen voor het collegetarget. Gedurende de herbeoordeling blijven de interventies in de landelijke databank staan en tellen ze mee voor het collegetarget jeugdpreventie. Dit geldt bijvoorbeeld voor deze interventie: Stevig Ouderschap | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl). De ervaring leert dat herbeoordelingen vrij lang duren, maar dat ze meestal niet leiden tot het verwijderen van een interventie uit de databank. Wel leiden herbeoordelingen vaak tot een aanpassing in het erkenningsniveau: dus van ‘goed onderbouwd’ naar ‘bewezen effectief volgens eerste aanwijzingen’ of andersom. Dit is afhankelijk van de meest actuele effectonderzoeken naar de interventies.

Soms kiest een interventie-eigenaar er echter voor om de interventie niet te laten herbeoordelen door de landelijke databank en wordt de interventie verwijderd uit de databank. In dat geval telt de interventie niet meer mee voor het collegetarget. Dit is nu bijvoorbeeld aan de orde bij deze interventie Ik kies voor zelfcontrole | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl). Afronden

Voorbeelden van landelijke databanken zijn te vinden op Databank Effectieve jeugdinterventies | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl) en Databank Effectieve sociale interventies | Movisie 5 Notitie-Criteria-erkenning-2019-2022-herziene-uitgave.pdf (movisie.nl) 4

37

Een interventie wordt als afgerond beschouwd wanneer de deelnemer aan minimaal 80% van de onderdelen van de interventie heeft deelgenomen (bijvoorbeeld aan minimaal 8 van de 10 bijeenkomsten van een opvoedcursus).6 Bij interventies waar geen sprake is van een vast aantal of gemiddeld aantal onderdelen wordt een interventie als afgerond beschouwd wanneer de deelnemer minimaal 75% van de vooraf gestelde ondersteuningsdoelen heeft behaald. Het gaat hier bijvoorbeeld om langlopende interventies met huisbezoeken die in aantal aansluiten op de hulpvragen van ouders of kinderen. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Via het subsidiekader jeugdpreventie Versterken en Voorkomen, subsidiëren we organisaties die goed onderbouwde en bewezen effectieve preventieve jeugdinterventies uitvoeren. Het jeugdpreventiebeleid levert op basis van het Factorenmodel Jeugd een bijdrage aan de doelstelling uit Beleidsplan Heel de Stad 2021-2026 om de jonge generatie Rotterdammers kansrijk, gezond en veilig op te laten groeien. Het Factorenmodel Jeugd is ontwikkeld door de gemeente Rotterdam en het Nederlands Jeugd Instituut (NJI). Het model laat zien welke beschermende en risicofactoren van belang zijn bij de ontwikkeling van kinderen en jongeren.

De belangrijkste beïnvloedbare factoren uit dit model zijn gebruikt als subsidiethema voor de Subsidieregeling Jeugdpreventie Rotterdam: Versterken en Voorkomen. De gemeente subsidieert individuele trajecten, gezinstrajecten en groepstrainingen (interventies) voor het: - Versterken van sociaal-emotionele vaardigheden en het voorkomen en terugdringen van psychosociale problematiek bij kinderen en jongeren - Versterken van opvoedvaardigheden bij (aanstaande) ouders/verzorgers - Voorkomen en terugdringen van middelengebruik en gaming bij kinderen en jongeren - Versterken van vaardigheden en bieden van steun aan kinderen van ouders met een psychische aandoening, verslaving of licht verstandelijke beperking Binnen de subsidieregeling wordt zo veel mogelijk ingezet op goed onderbouwde en effectieve interventies. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2023 (peildatum)

2024 (peildatum)

2025 (peildatum) *

2026/einde collegeperiode (peildatum)*

Mijlpaal 5000 5000 5000 5000 realisatie *Let op! de laatste waarde die beschikbaar komt tijdens deze collegeperiode is de meting over de eerste helft van uitvoeringsjaar 2025, waarvan de tussentijdse verantwoordingen uiterlijk per 1 juli 2025 worden ingediend door de jeugdpreventie-aanbieders. Deze tussentijdse data uit 2025 worden geëxtrapoleerd om tot een eindcijfer over kalenderjaar 2025 te komen. De extrapolatie wordt gebaseerd op historische data van een aantal grote jeugdpreventie-aanbieders. Daarbij wordt gekeken hoe de halfjaarrapportage zich in de afgelopen paar jaar verhield tot de eindrapportage. In het jaar 2026 is het wel de ambitie om 5000 afgeronde interventies te behalen, maar over dit

6 Specifiek voor interventies die uit 4 bijeenkomsten bestaan geldt dat een interventie als afgerond beschouwd

wordt wanneer de deelnemer aan minimaal 75% van de onderdelen van de interventie heeft deelgenomen (dus 3 van de 4 bijeenkomsten van een cursus).

38

uitvoeringsjaar kan niet binnen deze collegeperiode worden verantwoord i.v.m. het ontbreken van meetwaarden op het moment van verantwoorden. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Bron en betrouwbaarheid gegevens De jaarlijkse eindrapportages van jeugdpreventie-aanbieders vormen de informatiebron om de gestelde target te kunnen monitoren. De gesubsidieerde aanbieders leveren hun verantwoordingen aan conform artikel 13 en 14 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014. Dit betekent dat de jeugdpreventieaanbieders een inhoudelijke en financiële verantwoording aanleveren en afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag een accountantsproduct: -

een assurancerapport met beperkte mate van zekerheid aangaande de inhoudelijke subsidieverantwoording bij een verleende subsidie vanaf €50.000 tot €200.000 die op basis van prestatierealisatie wordt vastgesteld. een assurancerapport met redelijke mate van zekerheid aangaande de inhoudelijke subsidieverantwoording bij een verleende subsidie vanaf €200.000 die op basis van prestatierealisatie wordt vastgesteld; een beoordelingverklaring aangaande de financiële subsidieverantwoording bij een verleende subsidie vanaf €50.000 tot €200.000 die op basis van de gerealiseerde lasten (en de daarmee gerelateerde baten) van de subsidiabele activiteit(en) wordt vastgesteld; of een controleverklaring aangaande de financiële subsidieverantwoording bij een verleende subsidie vanaf €200.000 die op basis van de gerealiseerde lasten (en de daarmee gerelateerde baten) van de subsidiabele activiteit(en)wordt vastgesteld;

Er is naar verwachting in 2023 één jeugdpreventie-aanbieder die minder dan €50.000 subsidie krijgt, maar wel een substantiële bijdrage levert aan het collegetarget. Met deze aanbieder zal een vervangende controlemethodiek worden afgesproken in de verleningsbeschikking. De extra tussentijdse rapportage die in 2025 wordt opgevraagd bij de jeugdpreventie-aanbieders zal niet voorzien zijn van een assuranceverklaring. De betrouwbaarheid van deze rapportage kan echter beoordeeld worden op basis van de betrouwbaarheid van de eindrapportages over 2023 en 2024, die wel door een accountant zijn gecheckt. De rapportages worden aangeleverd via een uniform rapportage- en monitoringsformat (in excel). In dit format is onder andere opgenomen uit hoeveel bijeenkomsten een interventie bestaat en aan hoeveel van die bijeenkomsten iedere deelnemer heeft deelgenomen. Doordat in de subsidiebeschikking en in het rapportage- en monitoringsformat gedefinieerd is dat het succesvol afronden van de interventie overeenkomt met een aanwezigheid van 80%, zal de accountant deze definitie ook hanteren voor het afgeven van de assuranceverklaring. In het rapportageformat per aanbieder staan alle preventieve jeugdinterventies die die aanbieder biedt. De gegevens over iedere interventie worden op een eigen tabblad genoteerd.

Voor de monitoring van het collegetarget worden alleen de gegevens over de goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies uit de rapportageformats van de aanbieders gefilterd en in een totaaloverzicht gezet. Beschikbaarheid gegevens Deze eindrapportages worden ingediend bij de vaststellingsaanvragen voor de subsidies per 1 april na afloop van het realisatiejaar. De tussentijdse rapportage in 2025 wordt ingediend per 15 juli 2025. Overzicht en berekening De benodigde informatie uit de eindrapportages van de aanbieders wordt handmatig in een exceloverzicht gezet. Er is op dit moment geen geautomatiseerd systeem voor beschikbaar.

39

. Rapportage en verantwoording In welke rapportage/monitor wordt aan wie gerapporteerd: In de voortgangsrapportages aan de raad m.b.t. beleidsplan Heel de Stad 2021-2026 en in rapportages m.b.t. de doelenboom bij de begroting. In welk P&C document is een meetwaarde beschikbaar? In de 2e herziening. - De eerste meetwaarde is beschikbaar in de 2e herziening van 2023. Het betreft dan een tussentijdse meetwaarde over de eerste 4 tot 6 maanden van 2023. - De tweede meetwaarde is beschikbaar bij de 2e herziening van 2024. Het betreft dan een definitieve meetwaarde op basis van rapportages met assuranceverklaring per 31-12-2023 (uitvoeringsjaar 2023) en een tussentijdse meetwaarde over de eerste 4 tot 6 maanden van 2024. - De derde meetwaarde is beschikbaar bij de 2e herziening van 2025. Het betreft dan een definitieve meetwaarde op basis van rapportages met assuranceverklaring per 31-12-2024 (uitvoeringsjaar 2024) en een tussentijdse meetwaarde over de eerste 4 tot 6 maanden van 2025.

- De vierde en laatste meetwaarde is beschikbaar bij de eindverantwoording van de collegetargets begin 2026 Hoe en aan wie wordt in de tussentijd gerapporteerd als geen meetwaarde beschikbaar is: Een kwalitatieve rapportage in de voortgangsrapportages over Beleidsplan Heel de Stad 2021-2026 Eindverantwoording: welke meetwaarde wordt daarvoor gebruikt, uit welke rapportage/monitor? Tijdens de eindverantwoording van de collegetargets begin 2026 zal op basis van de tussentijdse rapportages van gesubsidieerde jeugdpreventie-aanbieders (d.d. 1 juli 2025) en een extrapolatie daarvan voor de rest van het kalenderjaar een meetwaarde beschikbaar zijn over het aantal afgeronde trajecten per 31-12-2025 (uitvoeringsjaar 2025).

40

12. Collegetarget Toename sportdeelname We realiseren in de periode 2022-2026 een 10% toename in de sportdeelname Portefeuillehouder: wethouder Faouzi Achbar Begrotingsprogramma: Sport en recreatie SDG: 3. Gezondheid en welzijn SDG 5. Vrouwen en mannen gelijk SDG 7. Duurzame en betaalbare energie SDG 11. Veilige en duurzame steden SDG 17. Partnerschap voor de doelen Doelstelling: specifiek We realiseren in de periode 2022-2026 een 10% relatieve toename in de gemiddelde wekelijkse sportdeelname van Rotterdammers De wekelijkse gemiddelde sportdeelname, inclusief urban sports zal toenemen van 62% in 2021-2022 (het gemiddelde over november 2021 en april 2022) naar 68% in 20242025 (het gemiddelde over november 2024 en april 2025). Definities Wekelijkse sportdeelname 4 of meer keer gesport in de betreffende maand (april of november), inclusief urban sports Doelstelling(en) uit het begrotingsprogramma Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Omschrijving van de beleidstheorie: met welke inspanningen en maatregelen van de gemeente en andere partijen gaan we deze target bereiken? Om sportdeelname te verhogen richten we onze inspanningen zo specifiek mogelijk op verschillende groepen Rotterdammers, zodat: • mensen die sporten, blijven sporten • mensen die gestopt zijn met sporten (b.v.

vanwege Corona, vanwege andere levensfase) weer starten met sporten • mensen die nooit hebben gesport, starten met sporten Groepen die achterblijven in sportdeelname en dus meer inzet vragen zijn 6 tot 12-jarigen, jongeren in het voortgezet onderwijs, ouderen vanaf 65 jaar en mensen met een beperking. Van de 6 tot 12- jarigen en ouderen zijn velen gestopt met sporten door de Coronamaatregelen. Zij sportten in april 2022 nog steeds veel minder dan vóór Corona. Veel jongeren in het voortgezet onderwijs stoppen met sporten bij verenigingen als zij in de pubertijd komen. We werken vanuit onderstaande uitgangspunten: Sportcirkel Voldoende ruimte om te bewegen en te sporten is belangrijk, daarbij dienen er altijd sportfaciliteiten in de buurt te zijn. Met de sportcirkel bedoelen we de sportterreinen die ‘in een cirkel’ tussen de oude stadswijken en naoorlogse wijken liggen. Om sportvoorzieningen voor iedereen binnen bereik te houden werken we samen met Stadsontwikkeling en Stadsbeheer. Want voor sport in de verdichtende stad altijd voldoende ruimte beschikbaar blijven. Levensfasen Om mensen te verleiden hun leven lang te sporten of bewegen is het belangrijk dat het sportaanbod aansluit bij de behoeften die mensen in de verschillende fasen van hun leven hebben. Een verandering in de levensloop, zoals voor het eerst naar school gaan, starten met werken of met pensioen gaan, zorgt dat

41

mensen in een nieuwe levensfase komen en een andere (sport- en beweeg-) behoefte krijgen. Verdere segmentatie zorgt voor nog gerichtere informatie over behoefte en vraag. Beweegidentiteiten Om aanbod passend te maken bij de wensen en behoeften van de Rotterdammers, maken we gebruik van de zogenaamde ‘beweegidentiteiten’. Uit Rotterdams onderzoek blijkt dat drie groepen zijn te onderscheiden in het antwoord op de vraag wat het belangrijkste motief is om te gaan sporten: de uitdagingsgerichte sporter, de sociale sporter en de ervaringsgerichte sporter. Deze beweegidentiteiten hebben elk hun eigen valkuilen waardoor mensen stoppen met sporten. Door met passend aanbod hierop in te spelen, stijgt de kans op plezier in sport en daardoor de sportdeelname. Inclusiviteit We stimuleren inclusief sporten en bewegen, zodat iedereen, ongeacht leeftijd, fysieke of mentale gezondheid, etnische achtergrond, seksuele geaardheid of sociale positie, met plezier en op een veilige plek kan sporten en bewegen. Extra aandacht gaat naar mensen met een beperking, zodat zij gezamenlijk kunnen sporten met mensen zonder beperking, maar indien dit nodig is ook in een aangepaste vorm of omgeving kunnen sporten. Binnen het Aktieprogramma Verenigingen voeren we het Living Lab Esport uit. Een van de kenmerken van dit Living Lab is het inclusieve karakter van esports.

Er vinden specifieke interventies plaats, bijvoorbeeld gericht op mensen met een licht verstandelijke beperking. Motorische geletterdheid Om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor een leven lang sporten en bewegen, dient een persoon over vier belangrijke vaardigheden te beschikken. Ieder van die vier factoren heeft een voorspellende waarde voor een leven lang sporten en bewegen. Internationaal is deze theorie bekend onder het begrip Physical Literacy. We integreren de vier bouwstenen van Motorische geletterdheid in onze aanpak, dit zijn: fysiek vaardig zijn, vertrouwen hebben dat je het kunt, motivatie en plezier en tot slot het op de hoogte zijn van de mogelijkheden om te sporten en bewegen. Inspanningen en maatregelen Kinderen en tieners • Met Lekker Fit! werken we aan een gezonde leefstijl, waaronder sport en bewegen, voor kinderen op basisscholen en kinderdagverblijven. • We zetten actief in op het voorkomen van uitval bij de overstap van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. • Binnen onze tieneraanpak werken we samen met het Sportbedrijf aan innovatieve gymlessen, gebaseerd op beweegidentiteit en meer keuzevrijheid zodat tieners kunnen kiezen voor sport en beweegactiviteiten die bij hen passen. • Side-events rond topsportevenementen worden meer op het voortgezet onderwijs gericht.

• Inzichten, verkregen uit brainstormsessies over aanpak tieners en (social marketing) onderzoeken, nemen we mee in de aanpak Tieners 2022-2026. Deze is eind 2022 gereed. • We onderzoeken de effectiviteit van het Jeugd Sport en Cultuurfonds met als doel tot inzichten te komen om nog meer jeugdigen uit minder draagkrachtige gezinnen mee te laten doen met sport en dans. Volwassenen • We doen aanvullend onderzoek naar de wensen en behoeften van volwassenen die nu nog niet sporten. Op basis van dat behoefteonderzoek werken we aan passend aanbod bij sportaanbieders en de bekendheid van goede mogelijkheden voor ongeorganiseerd sporten. Ouderen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1e31a0eb-e0cf-4a1a-8b50-3a799e219d1e