CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb006753] Bijlage behorende bij 23bb6752 - definitieboekje collegetargets geactualiseerd 2023

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 26 oktober 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken22.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

42

•

•

•

Sportbedrijf Rotterdam heeft blijvende aandacht voor de groep ouderen en het realiseren van passend aanbod. In 2022 heeft het Sportbedrijf de levensfase 'gepensioneerde' geselecteerd als één van de focusgroepen in 2022. We verzamelen samen met Sportbedrijf Rotterdam inzicht in de diversiteit en in de verschillende behoeften van ouderen rond het sport- en beweegaanbod en hoe zij gestimuleerd kunnen worden om te blijven of te gaan sporten of bewegen. Met dit inzicht worden sport- en beweegaanbieders uitgedaagd om passend aanbod op te zetten. We communiceren actief over passende mogelijkheden voor ongeorganiseerd sporten en bewegen voor de (diverse) doelgroep ouderen. Van het ommetje in de wijk tot wandelen, fietsen, nordic walking et cetera. We werken samen met anderen domeinen om ouderen te bereiken en tot sporten en bewegen te stimuleren. Daarbij sluiten we aan op de acties uit het ouderenbeleid, specifiek het programma Rotterdam Ouder en Wijzer. We maken gebruik van de gebiedsgidsen ‘Actief in de wijk’ om ouderen te informeren over beweegactiviteiten en sportvoorzieningen bij hen in de buurt.

Mensen met een beperking • We geven uitvoering aan de aanbevelingen van het onderzoek naar sport en bewegen onder mensen met een beperking met als doel het sportaanbod passender voor hen te maken. Sportsupport zet zich hiervoor in vanuit het programma ‘Sport op Maat’. Voor 2023 heeft Sportbedrijf Rotterdam de levensfase 'gezondheidsbeperkt’ geselecteerd als één van de focusgroepen. • Samen met PGW&Z subsidiëren we SportMEE (structureel) om mensen met een beperking te ondersteunen bij het vinden van een passende sport, zodat zij structureel gaan sporten of bewegen. Kwetsbaren • Voor de groep die niet tot nauwelijks beweegt, de veelal kwetsbare Rotterdammers, zoeken we nadrukkelijk de verbinding met andere domeinen om hen naar sporten en bewegen te begeleiden. De uitvoering vindt plaats in de vorm van diverse projecten en programma’s zoals Fietskoers 2025, Kom op naar buiten!, Beweegcoach, Beweegplus en ‘Relax dit is Rotterdam’. • We sluiten aan bij de ontwikkeling van de wijkpreventieketen zoals beschreven in Gezond010: het akkoord. Sporten /bewegen is een middel om gezondheidsdoelen te behalen. We werken samen met relevante maatschappelijke partners in de wijk om meer mensen te begeleiden naar passend sport- en beweegaanbod, onder meer binnen de aanbestedingen voor welzijn. Wijken • Met de aanpak Lekker Fit werken we aan een gezonde leefstijl op scholen en in de wijken.

Hierbij bereiken we de ouders van jonge kinderen via kinderdagverblijven en basisscholen. • Met de Wijkaanpak in samenwerking met gezonde leefstijlcoalities stimuleren we gezonde leefstijl bij kinderen in pilots vanaf oktober 2022. Sportaanbieders • We voeren het Actieprogramma Verenigingen uit. Met dit programma willen we sportverenigingen vitaler te maken en ze toerusten om aan de veranderende vraag te voldoen en in te spelen op de behoeftes van jongeren. Ook ondersteunen we sportaanbieders zoals stichtingen, ZZP-ers, maatschappelijke ondernemers, kleine informele groepen en individuele ongeorganiseerde sporters. Onderdeel van het Actieprogramma Verenigingen vormt het ‘Living Lab Esport voor de vereniging van de toekomst’, waarmee de aantrekkelijkheid van verenigingen voor jongeren wordt versterkt. • We promoten en stimuleren een veilig en positief sportklimaat bij alle sportaanbieders. Anders georganiseerd sporten Met ons urbansportbeleid stimuleren we het ongeorganiseerde vrije sporten in de openbare ruimte. Dit is een vorm van sporten die tijdens de Corona lockdowns populairder werd. We onderzoeken hoe we deze sporters kunnen faciliteren om hun sport te blijven beoefenen en te laten groeien. •

We gaan in gang zetten dat sportterreinen gefaseerd openbaar worden in daluren.

43

Bijdragen aan Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG) SDG 3: Gezondheid en welzijn: sport en bewegen draagt bij aan vitale, fitte Rotterdammers. SDG 5: Vrouwen en mannen gelijk: met een veilig sportklimaat zetten we actief in op een sociaal en pedagogisch veilig klimaat om te sporten en bewegen voor iedereen ongeacht geslacht, geaardheid of herkomst. Ook stimuleren we een meer gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in diverse onderdelen van de sportinfrastructuur. SDG 7: Duurzame en betaalbare energie: voor alle sportvoorzieningen is verduurzaming een uitgangspunt. SDG 11: Veilige en duurzame steden: de vele sportvoorzieningen, sportmogelijkheden en een beweegvriendelijke openbare ruimte dragen bij aan de leefbaarheid van Rotterdam. SDG 17: Partnerschap voor de doelen: zowel binnen de gemeente met diverse domeinen (zoals zorg, onderwijs, werkgelegenheid, armoede) als daarbuiten met partners in de uitvoering gaan we actief verbindingen aan om samen onze doelen na te streven en bij te dragen aan de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2022, nulmeting (peildatum)*

2023 (peildatum)**

2024 (peildatum)***

Mijlpaal

% wekelijkse sporters

% wekelijkse sporters

% wekelijkse sporters

2025/einde collegeperiode (peildatum dec 2025)**** % wekelijkse sporters

realisatie

Wekelijkse sporters: 62%

Wekelijkse sporters: 63%

Wekelijkse sporters: 64%

Wekelijkse sporters: 68%

* Seizoen 2021/22: (gemiddelde van metingen over november 2021 en april 2022 ** Seizoen 2022/23: (gemiddelde van de metingen over nov 2022 en april 2023) Beschikbaar medio juli 2023 *** 2023/24 (gemiddelde van metingen over november 2023 en april 2024) Beschikbaar medio juli 2024 **** Seizoen 2024/25 (gemiddelde van metingen over november 2024 en april 2025) Beschikbaar medio juli 2025 Eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025 Nulmeting: De nulmeting bestaat uit het gemiddelde van de november meting 2021 en de aprilmeting uit 2022. In deze nulmeting speelt een coronaeffect door: In 2020 is vanwege Corona de sportdeelname gedaald. In 2022 was die nog niet onder alle leeftijdsgroepen hersteld. Sportdeelname onder de jongsten en oudsten is het meest gedaald tijdens Corona en daarna het minst hersteld. Maatregelen om sportparticipatie te verhogen zullen daarom naast de speerpunten uit de sportnota speciale aandacht hebben voor deze groepen. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Welke bron/systeem van informatie, hoe wordt gemeten en hoe vaak en wanneer is de meting beschikbaar? De Sportdeelname Index (SDI) van NOC*NSF is het meetinstrument waarmee we de wekelijkse sportdeelname meten. Hiervoor wordt 2x per jaar een vragenlijst afgenomen onder een panel van Rotterdammers. Met dit onderzoek kunnen we uitspraken doen die betrouwbaar zijn op stads- en

44

gebiedsniveau. De SDI wordt elk jaar afgenomen over de maanden april en november. Om seizoensinvloeden zoveel mogelijk te voorkomen wordt over deze beide uitkomsten het jaargemiddelde berekend. 

Uitvoering vindt twee keer per jaar plaats: in mei en december met vragen over de maanden april en november. Voor het meten van het collegetarget maken we in plaats van een jaargemiddelde van de maand april en november in het betreffende jaar een ‘seizoensgemiddelde’. Dit is het gemiddelde van april uit een bepaald jaar en november uit het daaraan voorafgaande jaar.  Uitvoering vindt plaats bij netto circa 2800 personen uit de 14 gebieden.  Aantal respondenten: 14 gebieden x 200 waarnemingen, netto n = 2800 respondenten per meting  Uitvoering van de metingen vindt plaats bij personen van 5 tot en met 80 jaar;  Sportdeelname wordt uitgevraagd volgens de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek (RSO). Dit is een gestandaardiseerde vragenlijst om de frequentie, sporttak, sportvorm, organisatievorm en accommodatiebenutting van grote bevolkingsgroepen in kaart te brengen, ook voor gemeenten en provincies.7  Respondenten zijn afkomstig uit vier bronnen, namelijk NIPObase (1), het panel van onderzoeksbureau Kantar, het gemeentepanel (2), beheerd door de gemeente Rotterdam, een bestaand bestand met respondenten afkomstig uit het Basisregistratie Personen (BRP) (3) en wanneer nodig aangevuld met een nieuwe steekproef van respondenten uit het BRP (4).  Voor de analyse worden personen gewogen op geslacht, leeftijd, regio en etniciteit.

Rapportage en verantwoording In welke rapportage/monitor wordt aan wie gerapporteerd (raadscommissie, raad, ..) In welk P&C document is een maatwaarde beschikbaar (1e, 2e herziening, jaarverslag) Hoe en aan wie wordt in de tussentijd gerapporteerd als geen meetwaarde beschikbaar is: kwalitatief Eindverantwoording: welke meetwaarde wordt daarvoor gebruikt, uit welke rapportage/monitor? Voor tussentijdse rapportages kunnen de seizoensgemiddelden van 2022/23 en 2023/24 gebruikt worden. Deze cijfers zijn jaarlijks medio juni beschikbaar. Voor de nulmeting kan het seizoensgemiddelde van 2021-2022 gebruikt worden, voor de eindverantwoording die van 2024/25.

7 Richtlijn voor sportdeelname onderzoek (RSO) | Onderzoeksbeschrijvingen SCP | Sociaal en Cultureel

Planbureau

45

Economie, haven, ondernemerschap, toerisme en cultuur 13. Collegetarget Bedrijfsruimte De doelstelling voor deze collegeperiode is voldoende bedrijfsruimte door te zorgen dat de omvang m² bedrijfsruimte gelijk blijft aan het huidige niveau Portefeuillehouder: wethouder Simons Begrotingsprogramma: Stedelijke Ontwikkeling SDG: # 11 Duurzame steden en gemeenschappen: Iedere Rotterdammer moet toegang hebben tot werk dat past bij zijn/haar vaardigheden (SDG 11). Dit stimuleren we door voldoende en gevarieerde bedrijfsruimte te behouden, zowel op formele stedelijke bedrijfslocaties (zie Nota Bedrijfsruimte 2019) als in de wijk. Zo voorkomen we dat een grote groep Rotterdammers in de toekomst geen passend werk in de nabijheid van hun woning kan vinden bij voorkeur in sectoren die belangrijk zijn om onze stad draaiende te houden. Doelstelling: voldoende bedrijfsruimte door te zorgen dat de omvang m² bedrijfsruimte gelijk blijft aan het huidige niveau De doelstelling is om de komende vier jaar te zorgen dat de voorraad bedrijfsruimte in de gemeente Rotterdam buiten het havengebied tenminste gelijk blijft aan het huidige niveau. Dat wil zeggen: het totaal areaal neemt niet af. Deze ambitie is niet puur kwantitatief.

Achterliggend doel is om voldoende beschikbare bedrijfsruimte in de wijken te houden en de kwaliteit en het gebruik van de bedrijfsruimten op industrie- en bedrijventerreinen te verbeteren door in te zetten op “het juiste bedrijf op de juiste plek”. Een belangrijk motief daarbij is dat vooral de praktisch geschoolde Rotterdammers voldoende banen dicht bij hun woning moeten kunnen vinden. We zetten ons hierbij vooral in op twee soorten bedrijfsruimte: Bedrijfsruimte in en nabij de stadswijken, die nodig is om economische functies te huisvesten die: • de wijkeconomie ondersteunen, denk aan de fietsenmaker, loodgieter, autobedrijf, etc. • qua activiteit samen kan gaan met andere functies (wonen, recreëren, horeca?) • qua activiteiten bijdragen aan de economische structuur; • werkgelegenheid bieden verspreid door de stad op korte afstand van de woning. Grootschalige(re) bedrijfsruimte, op redelijke afstand van de woning, gesitueerd op in het bestemmingsplan omschreven industrie- en bedrijventerreinen, bedoeld om onder meer economische functies te huisvesten die: • meer ruimte en mobiliteit nodig hebben voor het bedrijfsproces; bijvoorbeeld verladers, fabrieken, grondstoffenproducenten, • een hogere milieucategorie (3 of hoger) nodig hebben; metaalbewerking, gevaarlijke stoffen, recycling, maakindustrie, etc.

• noodzakelijk zijn voor de distributie en logistiek van goederen in de stad; groothandelsmarkt, sorteercentrum, pakket- en bezorgdiensten. Toelichting Rotterdam groeit, volgens het principe goede groei, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. Daarbij wordt een integrale groei voorgesteld van onder meer: woningen, voorzieningen, werklocaties, groen, maar ook een groei in verduurzaming en digitalisering. Door groeiende vraag naar woningen en andere functies is tegelijkertijd met het saneren van verouderde bedrijfslocaties recent een trend waar te nemen van afname van aanbod en voorraad bedrijfsruimte. Volgens de cijfers uit de gemeentelijke Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) is in de periode 2020-2022 de voorraad bedrijfsruime in het stedelijk gebied met 35.000 m² (gebruiksvloeroppervlakte) afgenomen. Een bedrijfsruimte is daarbij gedefinieerd als: een

46

verblijfsruimte, waarin werkzaamheden overwegend zijn gericht op vervaardiging, verwerking en/of opslag en distributie van goederen (definitie uit Nota Bedrijfsruimte Rotterdam, 2019). De afname lijkt beperkt, maar autonome (niet bijgestuurde) ontwikkeling zorgt op korte termijn voor verdere krimp en creëert een structureel tekort aan (betaalbare) bedrijfsruimte omdat er slechts in zeer beperkte mate mogelijkheden voor nieuwbouw zijn. Door fysieke en functionele veroudering wordt jaarlijks gemiddeld twee procent van de totale voorraad incourant waarna transformatie (herontwikkeling voor een andere functie) of sloop volgt. En dat in een markt waar bedrijven nu al grote moeite hebben om zich in Rotterdam (of regio) te vestigen of uit te breiden. De schaarste aan bedrijfsruimte is volgens diverse makelaars toegenomen, terwijl prognoses aangeven dat de ruimtebehoefte op langere termijn op een hoog peil blijft en het aanbod van ruimte op bedrijventerreinen in de Rotterdamse regio hier niet in kan voorzien. Het beschikbaar houden van bestaande hoeveelheid bedrijfsruimte is essentieel gezien: • de ruimte die nodig is voor bedrijven die kunnen bijdragen aan de circulaire en duurzame transitie in Rotterdam zoals b.v. de maakindustrie; • het behoud van een brede sectorstructuur.

Als we niets doen (en dus niet sturen) wordt Rotterdam een dienstenstad met vooral banen voor theoretisch opgeleiden. De economie wordt eenzijdiger en daarmee kwetsbaarder en minder wendbaar. • Ongeveer 45% (peiljaar 2020) van de werkgelegenheid in Rotterdam behoort tot de ‘beroepsniveau’s 1 en 2’ waar laag tot middelbaar onderwijsniveau vereist is. Een belangrijk deel van deze werkgelegenheid concentreert zich in bedrijfsruimten en op bedrijventerreinen. Rotterdam wil in de toekomst op alle opleidingstypen banen blijven bieden aan Rotterdammers (Goede Groei). Hiervoor is ruimte nodig, op formele stedelijke bedrijfslocaties en in de wijk. • Het behoud van bedrijfsruimte in de toekomst niet vanzelfsprekend is. Zoals geschetst, is het areaal bedrijfsruimte in de afgelopen jaren afgenomen. De verwachting is dat deze ontwikkeling (veroudering en vervolgens transformatie) zich de komende jaren zal voortzetten. Het huidige tekort aan ruimte voor bedrijvigheid leidt ertoe dat de sectorstructuur van Rotterdam versneld verandert. Activiteiten met meer ruimtebeslag worden naar buiten de gemeente gedrukt en het werk in Rotterdam vereist meer theoretisch opgeleiden. Ruimtelijke verdichting leidt er namelijk toe dat kantoorachtige dienstverlening (en hoogwaardige engineering) meer vestigingskansen krijgt dan praktische maakindustrie.

Dit is een structurerend mechanisme dat voortkomt uit de dynamiek tussen productiviteit en grondprijzen. Bij schaarste aan ruimte gaan grondprijzen omhoog waardoor bedrijfsruimten niet betaalbaar blijven. Ruimte extensieve bedrijvigheid, waar vaker kansen liggen voor praktisch geschoold werk, krijgt daarmee steeds minder kans in de stad. Dit heeft gevolgen voor de Rotterdamse beroepsbevolking. Voor een deel van de praktisch opgeleide Rotterdammers zal het gevolg zijn dat de arbeidsmarktkansen verschuiven naar de regiogemeenten, vooral waar het beroepen gerelateerd aan productie, bouw of logistiek betreft. Of zelfs daarbuiten, want het is maar zeer de vraag of de regio deze ruimtevraag kan of wil accommoderen. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Het behalen van het collegetarget is ambitieus. Rotterdam is afhankelijk van goede samenwerking met andere partijen en het target wordt behaald door de inzet op een scala aan ingrepen en instrumenten. Zo realiseren we meestal de bedrijfsruimte niet zelf; dit is in principe het werkveld van marktpartijen. Daarnaast is het aanbod van bedrijfsruimte onderdeel van een regionale structuur omdat economie niet ophoudt bij de gemeentegrens zodat samenwerking met regiogemeenten (MRDH), Provincie en Rijk voor de hand ligt. Als lokale overheid zijn we echter wel sturend en faciliterend in gebiedsontwikkelingen.

Hierbij kan zowel privaat- (o.a. uitgiftecontracten) als publiekrechtelijk (o.a. bestemmingsplannen) gestuurd worden. Om al deze inspanningen te stroomlijnen wordt een actieplan opgesteld.

47

Het actieplan bedrijfsruimte is in september 2023 gereed en gaat in op: 1. De stedelijke schuifpuzzel die nodig is om balans te krijgen in de bedrijfsruimte voorraad. Dit is onder het credo “het juiste bedrijf op de juiste plek”. 2. Het opbouwen van een monitor en rapportage op bedrijfsruimten. 3. Het onderzoeken en uitwerken van te hanteren instrumentarium Er wordt in het actieplan bij alle onderdelen rekening gehouden met de inbreng en afhankelijkheid van stakeholders en een inschatting gemaakt van de benodigde middelen. Het college kan verschillend instrumentarium inzetten om de gestelde mijlpalen te behalen. Dit instrumentarium wordt in het actieplan nader uitgewerkt. De inzet van het instrumentarium kan op verschillende manieren bijdragen aan de doelstelling, in onderstaande volgorde: 1. Beperken van het onttrekken van ruimte waar bedrijvigheid gevestigd is/zich kan vestigen bij herontwikkeling; - door het niet verlenen van medewerking aan een bestemmings- of functiewijziging. 2. Stimuleren van efficiënter gebruik van ruimte waar bedrijvigheid gevestigd is/zich kan vestigen, waardoor de voorraad toeneemt - door op bedrijventerreinen een minimale millieucategorie verplicht te stellen. 3. Stimuleren van toevoeging van ruimte waar bedrijvigheid zich kan vestigen; door bij grote gebiedsontwikkelingen in te zetten op minimaal 10% toevoeging van bedrijfsruimte. 4.

Versnellen van de realisatie van plannen voor toevoeging van ruimte waar bedrijvigheid zich kan vestigen – door prioriteit te geven aan gebiedsontwikkelingen waar bedrijfsruimte al in planvorming is opgenomen. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde 2022, nulmeting (01-01-2022)

2023 (31-122022

2024 (31-12-2023)

2025 (31-12-2024)

2026/einde collegeperiode (31-12-2025)*

Mijlpaal

4.248.765 m²

4.248.765 m²

4.248.765 m²

4.248.765 m²

4.248.765 m²

Realisatie

4.248.765 m²

-

-

-

-

Bij het uitvoeren van de nulmeting is geïnventariseerd hoe groot de autonome ontwikkeling in de komende collegeperiode is. Dit gebeurt op basis van reeds gemaakte harde en zachte planafspraken (op basis van input van de afdeling gebiedsontwikkeling). De planafspraken betreffen zowel gebiedsontwikkelingen waarin bedrijfsruimte verdwijnt als ook waar wordt toegevoegd. Het betreft plannen en de uitvoering is afhankelijk van veel factoren (o.a. vergunning en financiering). Het onderstaande overzicht is daarmee een indicatie voor de ambitie en haalbaarheid van het target. Hierbij dienen nog de volgende opmerkingen gemaakt te worden: • Er is vaak sprake van samenhang: vrijwel altijd is eerst sprake van onttrekking (sloop bestaand vastgoed) voordat toevoeging van nieuwbouw gerealiseerd wordt. Gemiddeld zal het 2 jaar duren voordat een bedrijfsruimte teruggebouwd is na de sloop. In de tussenliggende periode is daardoor een afname van de voorraad terug te zien in de BAGcijfers. Niet zelden worden bouwplannen nog aangepast aan gewijzigde marktomstandigheden, waardoor er minder of zelfs geen bedrijfsruimte wordt teruggebouwd. • De cijfers voor onttrekking zijn harder dan cijfers voor toevoeging. Onttrekking vindt veel plaats op locaties waar de druk op alternatief programma groot is. Bij nieuwbouw geldt dat ruimtelijke procedures nog gevoerd worden en vertraagd kunnen raken.

• De inschatting is alleen gebaseerd op grotere gebiedsontwikkelingen waarover gesprekken worden gevoerd met marktpartijen.

48

Grote gebiedsontwikkelingen Boezembuurt (Boezembocht-zuid / Nieuw Kralingen) Loswal de Bonnen (Hoek van Holland) Merwehaven (M4H) Rijnhaven + Katendrecht Piekstraat-Persoonshaven (westzijde, excl Hunter Douglas) Nassaukade (Upfield)

Onttrekking (in m²)

Toevoeging (in m²)

Saldo (in m²)

20.000

8.000

-12.000

65.000 39.000

175.000 15.000 10.500

175.000 -50.000 -28.500

30.000

10.000

-20.000

28.000 182.000

5.000 223.500

-23.000 41.500

Het positieve saldo bij de grote gebiedsontwikkelingen wordt naar verwachting tenietgedaan door de vele kleine transformaties in het stedelijk gebied en op gemengde bedrijfslocaties. De rekenregel in het vastgoed is dat jaarlijks 2% door fysieke en/of functionele veroudering incourant raakt. Op de Rotterdamse voorraad van 4,2 miljoen betekent dit over de periode van 4 jaar 336.000m² (dit is inclusief bovenstaande grote gebiedsontwikkelingen van 182.000m²). Zonder vervanging op de kleinere locaties dreigt de voorraad te krimp met 112.500m² in de periode 2022-2026. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Voor het meten van het collegetarget bedrijfsruimte wordt gebruik gemaakt van de gegevens in de BAG (basisadministratie adressen en gebouwen). De BAG is de officiële en gemeentelijke databron voor het meten van het target. De feitelijke meting vindt plaats op peildata 1 januari 2022 en 1 januari 2026. Om de voortgang op het target te monitoren zal op 1 januari van elk tussenliggende jaar een uittreksel uit de BAG gehaald worden. Gemeten wordt het in gebruik zijnde metrage bedrijfsruimte dat geregistreerd staat op de functie industrie.

Het collegetarget richt zich op de stedelijke economie en is daarom exclusief havengebied (met uitzondering van de Sluisjesdijk waar stedelijke functies voorzien zijn in de toekomst), alle objecten binnen het uitgelichte gebied op de kaart worden daarin meegenomen.

Rapportage en verantwoording Het college rapporteert jaarlijks over de voortgang van het target door toe- en afname van bedrijfsruimte in beeld te brengen. In de hoofdrapportage wordt ook op gebiedsniveau gemonitord over de balans tussen enerzijds onttrekking en toevoeging en anderzijds de ontwikkeling van

49

arbeidsplaatsen per gebied. Dit geeft inzicht in en argumentatie voor te nemen besluiten en inzet van instrumentarium.

50

Bestuur, organisatie en financiën 14. Collegetarget Tevredenheid Concerndienstverlening We willen dat aan het eind van de collegeperiode 2023-2026 minder Rotterdammers ontevreden (≤6) zijn over hun contact met de gemeente Rotterdam. In 2025 is het percentage Rotterdammers dat ontevreden is over hun contact met de gemeente met 30% gedaald ten opzichte van 2021 Portefeuillehouder: wethouder Struijvenberg Begroting, programma: Programma Dienstverlening SDG: 16. Vrede, veiligheid en sterke publieke diensten Doelstelling: specifiek We willen dat aan het eind van de collegeperiode 2023-2026 minder Rotterdammers ontevreden (≤6) zijn over hun contact met de gemeente Rotterdam. In 2025 is het percentage Rotterdammers dat ontevreden is over hun contact met de gemeente met 30% gedaald ten opzichte van 2020. Uitwerking • De nulmeting is de gemiddelde realisatie van het jaar 2020. In dit jaar was 84,9% van de Rotterdammers tevreden over het contact met de gemeente (algemene tevredenheid). 15,1% was ontevreden. Deze nulmeting is de basis voor de mijlpalen voor de komende jaren. • “Tevreden” betekent een rapportcijfer van gemiddeld een 7 (van de 10) of hoger. Ontevreden betekent een rapportcijfer van gemiddeld een 6 (van de 10) of lager. • De tevredenheid over het contact wordt gemeten en gerapporteerd op de indicator Algemene (on)tevredenheid.

Deze wordt per contactoptie gemeten en de score is een gemiddelde van de scores per contactoptie (zie ook punt 4). Het einddoel (30% daling) is gekoppeld aan deze indicator. • De tevredenheid meten we vooralsnog op de volgende 1stelijns contactopties* o Telefonie**: het gemeentelijke telefoonnummer 14 010; o Publiekslocaties*** voor producten en diensten van de Frontoffice Burgerzaken. • De tevredenheid wordt continu gemeten met behulp van de NPS-methode (Netto Promoter Score). •

Om de controleerbaarheid van de collegetarget zuiver te houden zullen, gedurende de collegeperiode, enkel de metingen op de twee hierboven benoemde contactopties worden gebruikt voor de collegetarget. Echter, het college onderschrijft dat inwoners en ondernemers van de gemeente Rotterdam ook via andere contactkanalen de gemeente kunnen benaderen. En dat tevredenheid daarover ongeacht de contactoptie van groot belang is. Daarom zal apart van de collegetarget ook nog – wanneer haalbaar en wenselijk – worden gerapporteerd op andere 1stelijns contactopties. Zoals, bijvoorbeeld: • • •

Website: de gemeentelijke website Rotterdam.nl Chat: alle (concernbrede) producten en diensten die via dit kanaal worden aangeboden en gaan worden aangeboden. Digitale Balie: alle (concernbrede) producten en diensten die via de Digitale Balie worden aangeboden en gaan worden aangeboden.

Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd Het programma Dienstverlening 2018-2022 en de daaropvolgende opgave Dienstverlening 20232026 vormen de basis voor het realiseren van bovenstaande ambitie. Hierin zijn de volgende acties opgenomen: 1. De infrastructuur rond het klantcontact wordt beter gemaakt. Dat wil zeggen: makkelijk, betrouwbaar, dichtbij en voor iedere Rotterdammer is er een manier die werkt en past. Zo

51

wordt bijvoorbeeld geïnvesteerd in een kwaliteitsverbetering van de 1e lijns telefonische dienstverlening. 2. De dienstverlening wordt verbeterd door ervaringen van Rotterdammers te gebruiken om te leren hoe dienstverlening beter kan of beter moet (bijv. met behulp van analyse klantsignalen en invoering signaalmanagement); 3. Er wordt voor gezorgd dat het hele concern op dezelfde wijze werkt aan goede dienstverlening en dat medewerkers de juiste vaardigheden en competenties hebben om uitvoering te geven aan deze dienstverlening. Alle onderdelen van de gemeentelijke organisatie dragen bij aan het target. Cluster Dienstverlening heeft hierbij een regierol op deze concerndienstverlening en stuurt op het realiseren van de target. De collegetarget zorgt ervoor dat Rotterdammers aan de basis staan over hoe we onze dienstverlening aan stad en wijk aanbieden. De focus ligt niet enkel op het verhogen van de gemiddelde tevredenheidsscore maar juist dat de feedback die wordt verkregen bij de lage scores, wordt aangegrepen om de noodzakelijke en gewenste verbeteringen door te voeren. Dit is belangrijk, want de eerstelijns dienstverlening moet er zijn voor alle Rotterdammers. Met deze basisdienstverlening op orde, werken we aan meer vertrouwen in gemeente en overheid. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde In de begroting 2024 is de nulmeting opgenomen.

De verwachte mijlpalen en de eindwaarde zijn: • • • •

In 2022: De Δ van het percentage ontevreden Rotterdammers (≤6) is afgenomen met -4%. In 2023: De Δ van het percentage ontevreden Rotterdammers (≤6) is afgenomen met -7%. In 2024: De Δ van het percentage ontevreden Rotterdammers (≤6) is afgenomen met -20%. In 2025: De Δ van het percentage ontevreden Rotterdammers (≤6) is afgenomen met -30%.

Dit is cumulatief. Het groeipad (of krimppad) is zo vormgegeven dat het rekening houdt met de verwachte resultaten van de nieuwe opgave Dienstverlening en de doorontwikkeling van de concerndienstverlening. In de PenC producten zal, naast de mijlpalen, verantwoord worden op tussentijdse resultaten en vorderingen (de periodieke scores over de tevredenheid van Rotterdammers). Zie onderdeel ‘rapportage en verantwoording’.

Indicatoren % Rotterdammers dat tevreden is over het contact met de gemeente op de volgende aspecten: Target daling Δ Ontevredenheid Realisatie Δ Ontevredenheid Algemene tevredenheid (ontevredenhei d)

2020 (peildatu m1 januari 2021)

2022 (peildatum 1 januari 2023 (jaarrekening ))

2023 (peildatum 1 januari 2024 (jaarrekening ))

2024 (peildatum 1 januari 2025 (jaarrekening ))

2025 (peildatum 1 januari 2026 (jaarrekening / eindverantwoordin g))

n.v.t.

-4%

-7%

-20%

-30%

85,5% (14,5%)

86% (14%)

87,9% (12,1%)

89,4% (10,6%)

n.v.t. 84,9% (15,1%)

52

We meten de algemene (on)tevredenheid, van alle hierboven benoemde 1ste lijns contactopties. De cijfers van de verschillende kanalen worden samengenomen om de target overzichtelijk te houden. De realisatie wordt afgerond op hele procentpunten gepresenteerd. In de rapportage wordt de realisatie op de target (tekstueel en/of cijfermatig) nader geduid met de realisatie op de tevredenheidsscores op de aspecten (tijdigheid, duidelijkheid en vriendelijkheid). Daarnaast kunnen ook de afzonderlijke scores op de verschillende contactkanalen waar het goed/niet goed gaat, gebruikt worden bij deze duiding. Dit is afhankelijk van de informatiebehoefte van de raad. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens Bron. De methode Netto Promotor Score (NPS) vormt de basis voor de tevredenheidsmetingen. De klanttevredenheidsmetingen vormen een spiegel en inspiratiebron om klantgericht te verbeteren en innoveren. Berekening NPS begint met een (relevant) contactmoment met de klant. Na het contactmoment krijgen klanten de mogelijkheid om een korte vragenlijst in te vullen*. Deze wordt waar mogelijk zo kort mogelijk gehouden om het responspercentage hoog te houden. Klanten kunnen hierbij antwoorden van 0 (zeer onwaarschijnlijk) t/m 10 (zeer waarschijnlijk). Dit is de internationale standaard. Een klant heeft 14 dagen de tijd om de vragenlijst in te vullen.

Zowel volledig ingevulde als gedeeltelijk ingevulde vragenlijsten worden meegenomen. ‘Gedeeltelijk ingevuld’ betekent dat een respondent wel antwoord heeft gegeven op de algemene NPS-vraag die impact heeft op de collegetarget, maar één of meerdere andere vragen niet heeft ingevuld. Die vragen hebben geen impact op de collegetarget. Op basis van de score die is gegeven, worden klanten verdeeld in drie groepen: • •

•

Mensen die een 6 of lager scoren (detractors). Dit zijn ontevreden klanten (burgers, bedrijven, bezoekers). Mensen die een 7 of een 8 geven (passives). Dit zijn tevreden klanten (burgers, bedrijven, bezoekers). Zij ervaren een voldoende basisdienstverlening, in overeenstemming met wat ze verwachten. Mensen die een 9 of een 10 geven (promoters) Dit zijn erg tevreden klanten (burgers, bedrijven, bezoekers). De verwachting van de dienstverlening die ze hebben, wordt overtroffen.

De NPS wordt berekend door het percentage Promoters (klanten die een 9 of 10 geven) te verminderen met het percentage Detractors (klanten die een 6 of lager geven). Beschikbaarheid gegevens. NPS ondersteuning en implementatie wordt verzorgd door ExPoints. Via een dashboard worden vrijwel real-time de scores bijgehouden. Iedere nacht wordt het dashboard van Expoints geüpdatet. Dagelijks staan de nieuwste reacties dus in het dashboard. *Aan mensen die telefonisch contact met de gemeente hebben, wordt eerst toestemming gevraagd of zij mee willen doen aan het klanttevredenheidsonderzoek. Rapportage en verantwoording Rapportage geschiedt in elk P&C document. Daarin wordt gerapporteerd en verantwoording afgelegd. In de tussentijd houdt cluster Dienstverlening een regierol op de voortgang van de collegetarget. In de eindverantwoording wordt voor algemene (on)tevredenheid de percentuele verandering (delta-t (Δ)) van het percentage ontevreden Rotterdammers gerapporteerd t.o.v. 2020. We rapporteren en verantwoorden op deze collegetarget zodat we 1) als gemeente laten zien dat de gemeente de meningen van Rotterdammers serieus neemt en daarop wil acteren en 2) om

53

transparantie te creëren richting raad, stad en wijk over de staat van de dienstverlening. We nemen de mens (burger) als maatstaf voor de beoordeling van onze dienstverlening. Het lage vertrouwen in de gemeente schept de basis om de hierboven benoemde target met gegronde redenen op te nemen als collegetarget: basisdienstverlening (op orde) speelt een belangrijke rol als het gaat om het vertrouwen in de gemeente terugwinnen.

54

15. Collegetarget Wijk aan Zet Het college realiseert (in deze collegeperiode) naar het oordeel van de wijkraad 75% van de acties die opgenomen zijn in de wijkplannen. Portefeuillehouder: wethouder Simons Begrotingsprogramma: De acties uit de wijkplannen vallen in principe onder de bestaande middelen/begroting van de desbetreffende onderdelen van de gemeentelijke organisatie. SDG: 16.7. Ontvankelijke, inclusieve, participatieve en representatieve besluitvorming op alle niveaus garanderen Doelstelling: Door de raad vastgestelde doelen, resultaten en acties in de wijkplannen. Het gaat om maximaal 5 lange termijn doelen, oftewel ER-doelen, welke per wijk jaarlijks worden uitgewerkt in concrete acties, resultaten en doelen in het jaaractieplan (welke deel uitmaakt van een wijkplan). De 75% heeft betrekking op de acties uit de jaaractieplannen van de 39 wijken. Doelstelling(en) uit het begrotingsprogramma Met deze target wordt een bijdrage geleverd aan meerdere doelstellingen uit de verschillende programma’s. Met welke inspanningen wordt de doelstelling gerealiseerd In de huidige bestuursperiode stellen de wijkraden samen met de gemeentelijke organisatie en het wijknetwerk een wijkakkoord op. Een wijkakkoord raakt alle beleidsterreinen, dit kan variëren van groen tot veiligheid.

Dit betekent dat het wijkakkoord een grote diversiteit aan doelen, resultaten en acties kan hebben die (kunnen) leiden tot het verbeteren van de verschillende opgaven in de wijk. Tegelijkertijd raakt dit de gehele gemeentelijke organisatie. Om het collegetarget te behalen is het van belang dat goed wordt samengewerkt tussen de verschillende beleidsterreinen, en dat de organisatie en het college integraal, wijkgericht en responsief werken. Naar verwachting zullen de doelen, resultaten en acties van de wijken ook bijdragen aan de realisatie van andere collegetargets. Het wijkakkoord bestaat uit het wijkplan en afspraken over participatie bij stedelijke opgaven. Het wijkplan bestaat uit een wijkvisie en een jaaractieplan. In de wijkvisie komen o.a. aan bod: behoeften en wensen vanuit de wijk, relatie met coalitieakkoord of collegeprogramma en stedelijke programma’s, toekomstbeeld, strategie met opgaven (met resultaten) en een meerjarenplanning. In het jaaractieplan worden de beoogde resultaten uitgewerkt in concrete acties. Een wijkplan komt tot stand in gesprekken tussen de wijkraad, het wijknetwerk en de gemeentelijke organisatie. Zij formuleren met elkaar de belangrijkste doelen/opgaven voor de wijk en gaan met elkaar in gesprek welke acties het meeste bijdragen aan het realiseren van deze doelen.

Hierbij beoordeelt de gemeente of het mogelijk is om deze (uit bestaande middelen) uit te voeren. De wijkraad stelt het concept vast. De concept wijkplannen worden voorgelegd aan het college en vastgesteld door de raad, als onderdeel van de P&C cyclus in 2023. Met de vaststelling van de voorjaarsnota worden de bijgevoegde wijkplannen definitief vastgesteld. Wordt er voor de uitvoering van de wijkplannen aanvullend budget beschikbaar gesteld, dan wordt dit toegevoegd aan de begroting van de desbetreffende clusters. Zij ontvangen hiermee de impliciete opdracht om de desbetreffende actie(s) uit te voeren. De jaaractieplannen van 2024 en 2025 gaan mee met de P&C cyclus van dat jaar.

55

Dit target focust zich op de acties die een bijdrage leveren aan het te realiseren resultaat/doel en daarmee de opgaven die onderdeel zijn van dat doel. Nulmeting, mijlpalen en eindwaarde Nulmeting (ultimo 2023) .

2024 (ultimo)

2025* (ultimo)

Mijlpaal 75% 75% 75% realisatie *eindwaarde beschikbaar bij eindverantwoording: december 2025

2026/einde collegeperiode (peildatum) nvt nvt

Medio 2023 worden de wijkplannen vastgesteld door de gemeenteraad. De jaaractieplannen van 2024 en 2025 gaan mee met de P&C cyclus van dat jaar. De wijkraad stelt elk jaar een jaaractieplan vast8, waarin de acties en resultaten per doel staan. Het maximaal aantal doelen per wijk is 5, het maximaal aantal resultaten per doel is 3 en het maximaal aantal acties per resultaat is 3. Elke 4 maanden ontvangt de wijkraad hierover een voortgangsrapportage (bij 4, 8 en 12 maanden). Het einddoel van het target is om bij de derde meting (eind 2025) 75% van alle unieke acties uit de jaaractieplannen 2023, 2024 en 2025 behaald te hebben. Dit betekent dat alle acties uit de jaaractieplannen over de jaren 2023, 2024 en 2025 voor alle 39 wijkraden worden meegenomen. Om te beschikken over een zo actueel mogelijk beeld wordt in 2025 ipv een 8-maandsrapportage eenmaal een 10-maandsrapportage opgesteld. Bron, berekening en beschikbaarheid gegevens De doelen, resultaten en acties uit de jaaractieplannen worden vastgelegd in -het voor de gemeente ontwikkelde- DigiWap. Op basis hiervan wordt drie keer per jaar een voortgangsrapportage (4, 8 en 12-maanden) opgesteld. Daarin wordt door de gemeentelijke organisatie aangegeven wat is afgerond, wat nog loopt en welke prognose wordt afgegeven voor de realisatie van de acties binnen dat jaar.

Dit betreft een kwalitatieve meting, waar wordt gemeten aan de hand van een stoplichtenmodel. Het stoplichtenmodel kent vier kleuren: - Groen voor de acties, resultaten en doelen die naar het oordeel van de wijkraad volledig behaald zijn

8 onder voorbehoud van vaststelling door de Raad

56

-

Oranje voor de acties, resultaten en doelen die nog niet helemaal gehaald zijn (wordt alleen gebruikt bij de 4- en 8-maandsrapportages ten behoeve van de monitoring) Rood voor de acties, resultaten en doelen die naar het oordeel van de wijkraad niet behaald zijn in dat jaar Wit voor de acties, resultaten en doelen waarvan de status onbekend is/nog niet gestart zijn (wordt alleen gebruikt bij de 4- en 8-maandsrapportages ten behoeve van de monitoring)

Bij de bepaling van het percentage worden bij alle eindrapportages (12-maandsrapportage in 2023 en 2024, 10-maandsrapportage in 2025) alle behaalde acties (hebben de kleur groen) afgezet tegen het totaal aantal acties (kleuren groen en rood). In 2023 wordt dat voor alle acties uit het jaaractieplan 2023 gedaan. In 2024 wordt dat voor alle acties uit de jaaractieplannen 2023 en 2024 gedaan (dus cumulatief). In 2025 wordt dat voor alle acties uit de jaaractieplannen 2023, 2024 en 2025 (t/m de 10-maandsrapportage 2025) gedaan. Rapportage en verantwoording De 4-, 8- en 12-maands rapportages worden besproken met de wijkraad, het Wijk MT en het rayonberaad waarbij de wijkraad de eindrapportage (12-maandsrapportage) in 2023 en 2024, 10maandsrapportage in 2025) uiteindelijk vaststelt. De 12-maands voortgangsrapportage wordt elk jaar geaccordeerd door de gemeenteraad en wordt, tezamen met het wijkverslag wat de wijkraad maakt, meegenomen in de jaarrekening van de gemeente Rotterdam. De 12-maandsvoortgangsrapportage van 2025 wordt niet meegenomen in dit collegetarget, aangezien dit te laat is om mee te nemen in het verantwoordingsproces. Hier wordt -per uitzonderinggekozen om een 10-maandsrapportage te maken ipv een 8-maadsrapportage. Obv deze rapportage wordt de eindwaarde bepaald.

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1e31a0eb-e0cf-4a1a-8b50-3a799e219d1e