[23bb005512] Bijlage 3 behorende bij 23bb005509 over Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019
Tekst van het document
Nummer 127 pagina 26
3. Indien binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit vermogen vast op basis van de draagkrachtruimte uit vermogen die eerder nog niet met het recht op bijzondere bijstand kon worden verrekend. 11.5 Incidentele en periodieke verstrekkingen 1. Indien het college incidentele bijzondere bijstand verstrekt, dan wordt de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode voor zover mogelijk in één keer verrekend. 2. Indien het college periodieke bijzondere bijstand verstrekt, dan wordt eerst de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode geheel verrekend. 3. Het college wijst de aanvraag om periodieke bijzondere bijstand af indien de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke periodieke kosten per maand minder bedragen dan de vastgestelde draagkracht. 12.
Slot- en overgangsbepalingen
12.1 Bevoegdheid college In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. 12.2 Overgangsrecht 1. De Beleidsregel bijzondere bijstand Rotterdam 2018, zoals die luidde voor de vaststelling van deze nieuwe beleidsregel, blijft van toepassing op aanvragen om bijzondere bijstand die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregel zijn ingediend. 2. Indien een draagkrachtperiode, die doorloopt tot na 1 oktober 2019, reeds is vastgesteld, blijft de toegepaste draagkrachtberekening van toepassing, tenzij het een nieuwe aanvraag betreft die op of na 1 oktober 2019 is ingediend. 12.3 Inwerkingtreding Beleidsregels 2019 en intrekking Beleidsregels 2018 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 oktober 2019. 2. De Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2018 worden ingetrokken. 12.4 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 27
Aldus vastgesteld op 24 september 2019. Het college van burgemeester en wethouders, namens deze:
A.G. Coenen, Directeur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling
Dit gemeenteblad is uitgegeven op 25 september 2019 en ligt op dins-, woens- en donderdagen van 9.00 tot 13.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Wachtruimte Timmerhuis, Halvemaanpassage 1 (trap op, melden bij Informatiebalie) (Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 28
Inhoud
1.
Algemene bepalingen ................................................................. 1 1.1
Begripsbepalingen ..................................................................... 1
1.2
Reikwijdte.................................................................................... 2
1.3
Advisering ................................................................................... 2
2.
Algemene uitgangspunten ........................................................ 3 2.1
Voorliggende voorziening .......................................................... 3
2.2
Noodzakelijke kosten van het bestaan .................................... 3
2.3
Bijzondere omstandigheden ..................................................... 3
2.4
Vorm bijzondere bijstand ........................................................... 3
3.
De aanvraag .................................................................................. 3 3.1
4.
Indienen aanvraag ..................................................................... 3 Kosten in verband met wonen .................................................. 4
§ 1 Woonkostentoeslag en verhuisplicht .......................................... 4 4.1
Woonkostentoeslag huurders ................................................... 4
4.2
Woonkostentoeslag woningeigenaren ..................................... 5
4.3
Vaststellen hoogte woonkostentoeslag woningeigenaren ..... 6
4.4
Verhuisplicht ............................................................................... 6
4.5
Verhuisplicht: voorwaarden huurders....................................... 7
4.6
Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren ........................ 8
§ 2 Verhuiskosten en inrichtingskosten ............................................ 9 4.7
Verhuiskosten algemeen ........................................................... 9
4.8
Duurzame gebruiksgoederen.................................................... 9
4.9
Babypakket ................................................................................. 9
4.10 Babyuitzet ................................................................................. 10 § 3 Overige kosten in verband met wonen ..................................... 10 4.11 Personenalarmering................................................................. 10 4.12 Aware-systeem ......................................................................... 10 4.13 Doorbetaling huur verblijf in detentie...................................... 10 4.14 Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling............................ 11 § 4 Bijstand aan jongmeerderjarigen............................................... 11 4.15 Jongmeerderjarigen ................................................................. 11 5.
Kosten van medische aard ...................................................... 12 5.1
Extra kosten wassen en kledingslijtage ................................. 12
5.2
Extra warmtekosten ................................................................. 13 Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 29
5.3
Dieetkosten ............................................................................... 13
5.4
Kosten na aanschaf gehoorapparaat ..................................... 13
5.5
Maaltijdvoorziening .................................................................. 13
5.6
Alternatieve relatiebemiddeling............................................... 14
5.7
Bijzondere bijstand bril of contactlenzen ............................... 14
5.8 Kosten eigen bijdragen uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak ................................... 15 6.
Eigen bijdragen .......................................................................... 15 6.1
Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten ................... 15
6.2
Eigen bijdrage kinderopvang .................................................. 16
6.3
Eigen bijdrage zorgverzekeringswet ...................................... 16
7.
Reiskosten .................................................................................. 16 7.1 Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden ......................................................................................... 16 7.2
Reiskosten Bijzonder Leerlingenvervoer ............................... 17
7.3
Reiskosten (partieel) leerplichtige kinderen .......................... 18
8.
Overige kostensoorten............................................................. 18 8.1
Legeskosten ............................................................................. 18
8.2
Kleding en schoeisel ................................................................ 19
8.3
Meerkosten dierenarts hulphonden ........................................ 19
8.4
Uitvaartkosten........................................................................... 19
8.5
Kosten bewindvoering ............................................................. 19
8.6
Kosten verblijf buitenland scholieren...................................... 20
8.7
Schulden ................................................................................... 20
8.8
Overbrugging ............................................................................ 21
9.
Alleenstaande Oudercompensatie (AOC) ............................ 22
10.
Bestedingscontrole kosten inrichting en babyuitzet ......... 24
10.1 Bestedingscontrole bijzondere bijstand ................................. 24 10.2 Terugvordering bijzondere bijstand ........................................ 24 11.
Draagkrachtregels ..................................................................... 25
11.1 Algemene beleidsuitgangspunten .......................................... 25 11.2 Draagkrachtperiode inkomen en vermogen .......................... 25 11.3 Draagkracht en inkomen ......................................................... 26 11.4 Draagkracht en vermogen ....................................................... 26 11.5 Incidentele en periodieke verstrekkingen .............................. 27 12.
Slot- en overgangsbepalingen ................................................ 27
12.1 Bevoegdheid college ............................................................... 27 Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 30
12.2 Overgangsrecht ........................................................................ 27 12.3 Inwerkingtreding Beleidsregels 2019 en intrekking Beleidsregels 2018............................................................................. 27 12.4 Citeertitel ................................................................................... 27 Bijlage 1: Overzicht van kostensoorten waarop het draagkrachtregime, bedoeld in artikel 11.3 tweede tot en met vierde lid van toepassing is (de staffel-regeling) ............................................ 32 Bijlage 2: Overzicht van kostensoorten waarop het draagkrachtregime, bedoeld in artikel 11.3, vijfde lid van toepassing is (100%-regeling) .................................................................................. 33 Bijlage 3: Prijslijsten als bedoeld in Hoofdstuk 4................................ 34 Artikelsgewijze toelichting beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 .................................................................................... 38
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 31
Bijlage 1: Overzicht van kostensoorten waarop het draagkrachtregime, bedoeld in artikel 11.3 tweede tot en met vierde lid van toepassing is (de staffel-regeling) Kostensoort
Draagkracht Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Aware-systeem 11.3 lid 2 tot en met 4 Bijzondere Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel reiskosten 11.3 lid 2 tot en met 4 Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Dieetkosten 11.3 lid 2 tot en met 4 Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Extra warmtetoeslag 11.3 lid 2 tot en met 4 Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Kinderopvang 11.3 lid 2 tot en met 4 Kleding beddengoed Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel en waskosten 11.3 lid 2 tot en met 4 Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Kleding en schoeisel 11.3 lid 2 tot en met 4 Medische Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel behandelingen 11.3 lid 2 tot en met 4 Meerkosten Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel dierenarts 11.3 lid 2 tot en met 4 hulphonden Uitneembare volledige prothetische Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel voorzieningen voor 11.3 lid 2 tot en met 4 de boven- of onderkaak Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Bril of contactlenzen 11.3 lid 2 tot en met 4 Eigen bijdrage Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel zorgverzekering 11.3 lid 2 tot en met 4 Medische Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel voorzieningen 11.3 lid 2 tot en met 4 Leges- en Percentage van de draagkrachtruimte volgens
artikel vertaalkosten bij 11.3 lid 2 tot en met 4 gezinshereniging Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Rechtsbijstand 11.3 lid 2 tot en met 4 Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Uitvaartkosten 11.3 lid 2 tot en met 4 Verhuis- en Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel herinrichtingskosten 11.3 lid 2 tot en met 4 Percentage van de draagkrachtruimte volgens artikel Griffierecht 11.3 lid 2 tot en met 4
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 32
Bijlage 2: Overzicht van kostensoorten waarop het draagkrachtregime, bedoeld in artikel 11.3, vijfde lid van toepassing is (100%-regeling) Kostensoort Draagkracht Overbrugging
100% van de draagkrachtruimte
Woonkostentoeslag
100% van de draagkrachtruimte
Doorbetaling vaste lasten
100% van de draagkrachtruimte
AOC
100% van de draagkrachtruimte
Bijstand voor jongmeerderjarigen
100% van de draagkrachtruimte
Schulden
100% van de draagkrachtruimte
Bijstand voor schuldsanering
100% van de draagkrachtruimte
Woningontruiming
100% van de draagkrachtruimte
Onverzekerde ziekenhuisopname
100% van de draagkrachtruimte
Brandschade
100% van de draagkrachtruimte
Bijstand voor bewindvoering
100% van de draagkrachtruimte
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 33
Bijlage 3: Prijslijsten als bedoeld in Hoofdstuk 4 Prijslijst woninginrichting Stoffering
Prijs
Vloerbedekking (tapijt),
€ 14,-
4 m breed, per strekkende meter vinyl (zeil) keuken, 2 m
€ 7,-
breed, per strekkende meter behang per rol
€ 4,-
lakverf per liter
€ 5,-
muurverf per liter
€ 1,20
gang- en deurmat
€ 2,-
Meubilair/ diversen
Prijs
Keuken
Prijs
tafel 4-6 persoons
€ 100,-
keukengerei,
€ 100,-
stoelen per stuk
€ 29,-
compleet met servies, bestek, waterkoker en koffiezetapparaat
fauteuil
€ 50,-
Koelkast
€ 139,-
zitbank
€ 169,-
salontafel
€ 29,-
gaskookplaat
€ 79,-
tv-meubel
€ 20,-
elektrische kookplaat
€ 151,-
boekenkast
€ 35,-
wasmachine excl. Aansluitkosten
€ 249,-
dressoir/vitrinekast
€ 100,-
kapstok
€ 10,-
stofzuiger
€ 50,-
strijkplank
€ 18,-
Pannenset
€ 30,-
strijkijzer
€ 10,-
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 34
(wekker)radio
€ 20,-
Keukentrap
€ 18,-
televisie
€ 180,-
gashaard excl. aansluiten
€ 583,-
Schoonmaakartikelen
€ 20,-
Slaapkamer
Prijs
Slaapkamer
Prijs
bedframe 2-persoons
€ 129,-
hang-/legkast:
bedframe 1-persoons
€ 50,-
2 deurs
€ 60,-
3 deurs
€ 69,-
stapelbed
€ 79,-
seniorenbedframe
€ 205,-
lattenbodem per persoon
€ 30,-
matras:
hoeslaken: 1 persoons
€ 6,-
2 persoons
€ 9,-
dekbedovertrek: 1 persoons
€ 8,-
2 persoons
€ 16,-
dekbed: 1 persoons
€ 20,-
2 persoons
€ 45,-
matrasdeken:
€ 8,€ 14,-
1 persoons
€ 60,-
1 persoons
2 persoons
€ 120,-
2 persoons
Duurzame gebruiksgoederen Raambekleding
Prijs
Lampen
Prijs
gordijnrail compleet per meter
€ 4,-
Huiskamerlamp
€ 5,-
overgordijnstof per m2 raamoppervlak
€ 4,-
Slaapkamerlamp
€ 5,-
rolgordijn 60-100 cm breed
€ 8,-
Ganglamp
€ 4,50
rolgordijn 100-140 cm breed
€ 13,-
Keukenlamp
€ 4,50
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 35
Badkamerlamp
€ 5,-
Staande lamp
€ 13,-
Globaliseringstabel Aantal personen
Stoffering
Inrichting
Totaal
1 persoon, kamerbewoner
€ 257,-
€ 1.180,-
€ 1.437,-
1 persoon
€ 631,-
€ 1.975,-
€ 2.606,-
2 personen, echtpaar
€ 631,-
€ 2.232,-
€ 2.863,-
2 personen, geen echtpaar
€ 952,-
€ 2.232,-
€ 3.184,-
3 personen, echtpaar
€ 952,-
€ 2.490,-
€ 3.442,-
3 personen, geen echtpaar
€ 1.274,-
€ 2.490,-
€ 3.764,-
4 personen
€ 1.274,-
€ 2.747,-
€ 4.021,-
5 personen
€ 1.559,-
€ 3.040,-
€ 4.599,-
6 personen
€ 1.784,-
€ 3.298,-
€ 5.082,-
€ 225,-
€ 257,-
€ 482,-
meer personen, per persoon extra
Prijslijst baby artikelen Babyartikelen Prijs Babyartikelen Babypakket incl. matrasje € 275,- Combi/kinder- en wandelwagen Box (met vlonder) € 59,- Babybad/ledikant Kinderstoel € 12,- Commode
Gemeenteblad 2019
Prijs € 220,€ 35,€ 80,-
Nummer 127 pagina 36
Prijslijst kleding Herenkleding broek overhemd trui pyjama jas onderkleding kamerjas
Prijs € 45,€ 19,€ 32,€ 15,€ 81,€ 15,€ 20,-
Totaal aanschaf kleding
€ 340,- + eventueel schoeisel € 58,-
Dameskleding jurk rok blouse trui broek pyjama jas onderkleding kamerjas
Prijs € 41,€ 35,€ 14,€ 32,€ 45,€ 15,€ 81,€ 25,€ 20,-
Kinderkleding Maximale vergoeding kleding kinderen is € 190,- + eventueel schoeisel € 29,-. Schoeisel dames heren kinderen
Prijs € 58,€ 58,€ 29,-
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 37
TOELICHTING Algemeen deel Artikelsgewijze toelichting beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 Artikel 1.1 Begripsbepalingen Draagkracht Draagkracht is het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de aanvrager moet gebruiken om zelf in de kosten te voorzien waarvoor recht bestaat op bijzondere bijstand. Om toe te komen aan de verrekening van draagkracht, moet dus eerst zijn vastgesteld dat de kosten zich daadwerkelijk voordoen, in het individuele geval noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden (zie o.a. CRVB:2007:BA0163). De draagkracht wordt vastgesteld op een percentage van de draagkrachtruimte. De regels over draagkracht zijn opgenomen in hoofdstuk 11 van deze beleidsregels. Er kan zowel sprake zijn van draagkracht uit inkomen, als van draagkracht uit vermogen. Draagkrachtruimte Hier is het begrip draagkrachtruimte gedefinieerd. Zoals aangegeven bij onderdeel l, is de draagkracht waarmee rekening wordt gehouden vervolgens een percentage van de aanwezige draagkrachtruimte. Draagkrachtloos inkomen Om de eventuele draagkrachtruimte in het inkomen te bepalen, moet de hoogte van het inkomen duidelijk zijn waarbij nooit sprake is van draagkracht. Dat wordt aangeduid als draagkrachtloos inkomen. Draagkrachtregime Voor draagkracht uit inkomen gelden verschillende draagkrachtregimes.
Welk regime van toepassing is, hangt af van de kostensoort waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Momenteel gelden er twee draagkrachtregimes, te weten: • de staffel (als bedoeld in art. 11.3, tweede tot en met vierde lid en bijlage 1 bij deze beleidsregels); en • de 100%-draagkracht (als bedoeld in art. 11.3, vijfde lid en bijlage 2 bij deze beleidsregels). Eigen verklaring Met het oog op een meer efficiënte werkwijze en de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende aan wie bijzondere bijstand wordt toegekend wordt voor de bestedingscontrole gebruik gemaakt van de zogeheten Eigen Verklaring. Deze wordt administratief gecontroleerd (zie hoofdstuk 10 van deze beleidsregels). Inkomen Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het college uit van het inkomensbegrip in de wet. Voor de bijzondere bijstand geldt, net als voor algemene bijstand, dat de middelen genoemd in artikel 31, tweede lid, van de wet niet meetellen bij de berekening, met uitzondering van de jonggehandicaptenkorting voor de persoon die jonger is dan 27 jaar. Zie
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 38
hoofdstuk 11 van deze beleidsregels voor de berekening van draagkracht uit het inkomen. Woning Bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor een woonkostentoeslag is het van belang of er sprake is van een zelfstandige woning. De wet bepaalt niet wat onder een woning wordt verstaan, maar wel dat onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen of een woonschip (art. 3, zesde lid, van de wet). Volgens de jurisprudentie wordt met een woning een zelfstandige woning bedoeld die is voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld (CRVB:2015:79). Woonkosten Voor de berekening van de woonkostentoeslag blijven de woonkosten die iemand altijd geacht wordt zelf uit zijn inkomen te moeten betalen (de basishuur), buiten beschouwing. Dat geldt ook voor eigen woningbezitters. Artikel 1.3 Advisering Eerste lid Bij het vaststellen van de noodzaak en/of hoogte van de bijzondere bijstand is het college niet altijd ter zake kundig. In die gevallen heeft het college de bevoegdheid om deskundigenadvies advies in te winnen. Tweede lid Het spreekt voor zich dat belanghebbende zijn medewerking moet verlenen aan het onderzoek (art. 17, tweede lid, van de wet dan wel op grond van art. 55 van de wet). Het is niet altijd nodig dat belanghebbende persoonlijk verschijnt bij de adviseur.
Soms kan de medische noodzaak voor de kosten worden vastgesteld op basis van dossieronderzoek en het raadplegen van een deskundige in de behandelende sector of de huisarts. Daarnaast zal belanghebbende toestemming moeten verlenen zodat de adviseur in staat is volledig advies aan het college uit te mogen brengen. Dat betekent dat niet snel met succes een beroep kan worden gedaan op het zogeheten verschoningsrecht (vergelijk CRVB:2015:955). Derde lid In het derde lid is opgenomen wanneer het college in ieder geval om advies vraagt. Er kunnen zich dus ook andere situaties voordoen waarbij het college deskundigenadvies inwint. Vierde lid In het vierde lid is neergelegd in welke gevallen een advies achterwege kan blijven. Dat is bijvoorbeeld het geval als de medische noodzaak duidelijk is bijvoorbeeld door het vaststellen daarvan door een arts of specialist. Ook kan uit een eerder advies blijken dat een herbeoordeling niet nodig wordt geacht. Verder wordt invulling gegeven aan een doelmatigheidsoverweging (kosten). Uit de genoemde onderdelen blijkt wanneer een advies feitelijk niets toevoegt en daarmee onnodig belastend is voor de belanghebbende.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 39
Artikel 2.2 Geen noodzakelijke kosten Tweede lid De kosten van bewindvoering die verband houden met het beheer van een persoonsgebonden budget (pgb) zijn feitelijk te vermijden door voor zorg in natura te kiezen. Dit betekent dat het geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet (CRVB:2015:1654). Daarbij wordt ook opgemerkt dat in het kader van het trekkingsrecht voor pgb’s de Sociale verzekeringsbank het feitelijk beheer van dat pgb op zich neemt (Jeugdwet, Wet langdurige zorg en Wmo 2015). Er kan uitsluitend bijzondere bijstand worden toegekend voor deze kosten indien de aanvrager aantoont dat in zijn specifieke geval redelijkerwijs geen sprake was van een keuze voor zorg in natura. Artikel 2.3 Bijzondere omstandigheden Op basis van de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep zijn in het tweede lid kostensoorten opgenomen die in ieder geval als incidenteel of periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt (CRVB:2014:3221, CRVB:2012:BW7543 en CRVB:2010:BO4643). Hiermee is dus geen limitatief overzicht bedoeld. Artikel 3.1 Indienen aanvraag Tweede lid Dit lid bepaalt de hoofdregel. In het algemeen geldt dat de aanvraag moet worden ingediend voor het moment waarop, eenvoudig gezegd, de betalingsverplichting voor de betreffende kosten ontstaat (bijv. CRVB:2016:2715 en CRVB:2007:BA6875).
Derde lid Dit lid bepaalt dat het college kan afwijken van de hoofdregel. Er kan op grond van dit lid met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verstrekt, mits de kosten niet langer geleden dan 6 maanden voor de aanvraag zijn opgekomen én de nota’s niet ouder zijn 3 maanden. Het college beoordeelt of de aanvraag op tijd is ingediend aan de hand van de factuur. Voor het recht op bijzondere bijstand moet het college nog wel de noodzaak van de kosten kunnen vaststellen én of het om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten gaat. Vijfde lid In afwijking van de hoofdregel bepaalt dit lid wanneer de aanvraag om bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de huur bij verblijf in detentie wordt ingediend. De belanghebbende zal de aanvraag dus na aanvang van de detentieperiode moeten indienen echter wel binnen een periode van 2 maanden na de ingangsdatum van detentie. De ratio hiervan is dat na 2 maanden sprake zal zijn van een betalingsachterstand die als schuld wordt aangemerkt. En voor schulden mag op grond van artikel 13 eerste lid onder g van de wet geen bijstand worden verstrekt.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 40
Artikel 4.1 Woonkostentoeslag huurders Eerste lid Als hoofdregel geldt dat de Wht als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening wordt aangemerkt (CRVB:2011:BT1740). Ook in geval de rekenhuur te hoog is geldt de Wht als voorliggende passende en toereikende voorziening (CRVB:2016:77). De Wht kan niet in alle gevallen als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt omdat de huurtoeslag bijvoorbeeld wordt verstrekt met ingang van de eerste van de maand (CRVB:2014:1945). De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningssystematiek van de Wht. Vijfde lid Als hoofdregel geldt dat de bijzondere bijstand (in het geval de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens) voor maximaal 24 maanden kan worden toegekend. Het college kent steeds voor maximaal 12 maanden toe. Belanghebbende kan na afloop van de periode waarvoor bijzondere bijstand is verstrekt een nieuwe aanvraag indienen. Het college zal bij de nieuwe aanvraag moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Is dat het geval, dan kan het college de bijzondere bijstand verlengen (toekennen), totdat de maximale periode van 24 maanden is bereikt. Daarnaast legt het college wederom de verhuisplicht op onder toepassing van artikel 55 van de wet.
Die bestaat er onder meer uit dat belanghebbende zijn inschrijving als woningzoekende moet handhaven. Zevende lid Dit lid bepaalt de hoofdregel in het geval belanghebbende zich niet of niet voldoende heeft gehouden aan de zogeheten verhuisplicht. Het college is bevoegd de aanvraag om verlenging af te wijzen op grond van artikel 15 van de wet (CRVB:2016:77 en CRVB:2011:BT1740). In de hier genoemde uitspraken hanteert het college, volgens de CRvB, buitenwettelijk begunstigend beleid. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die als bijzondere redenen kunnen worden gekwalificeerd. Bijzondere redenen Hoewel er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van de verhuisplicht, kan er een grond zijn om de aanvraag om verlenging van de woonkostentoeslag niet af te wijzen indien bijzondere redenen daartoe aanleiding geven. Belanghebbende kan desgevraagd of uit eigen beweging een beroep doen op bijzondere redenen. Het college heeft de plicht om belanghebbende te bevragen naar bijzondere redenen. Belanghebbende zal een beroep op bijzondere redenen nader moeten onderbouwen. Het college kan bij de beoordeling van de aanvraag ook feitelijk tot de conclusie komen dat hier (impliciet) een beroep op wordt gedaan. Het moet in voorkomende gevallen gaan om specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin die het college vaststelt.
Daarbij zijn twee situaties te onderscheiden. Belanghebbende (of diens) gezin zijn: Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 41
1. bekend bij andere hulpverlenende instanties, waar ondersteuning is of zal worden toegekend of op korte termijn wordt toegekend of opgestart; 2. nog niet bekend bij andere hulpverlenende instanties, terwijl ondersteuning naar verwachting een oplossing zal bieden voor de aanwezige problematiek. Ad. 1 Bij situaties als bedoeld onder 1. kan gedacht worden aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject, een aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Het niet honoreren van de aanvraag zou in voorkomende gevallen onredelijk kunnen zijn omdat het college daarmee de noodzaak van de (te bieden) ondersteuning zou miskennen of (de voortzetting, dan wel het welslagen van) die ondersteuning juist ondermijnen. In deze situatie kan het college de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening onder toepassing van de reguliere verhuisplicht. Let wel, deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject betekent niet dat het college de bijzondere bijstand niet als lening zou mogen verstrekken. Verder worden, naast de reguliere verhuisplicht, extra nadere verplichtingen verbonden aan de bijzondere bijstand, namelijk dat belanghebbende zich in voorkomende gevallen houdt aan de voorwaarden die verbonden (kunnen) zijn aan de hier bedoelde ondersteuning. Dat gebeurt dan ook onder toepassing van artikel 55 van de wet.
Bij een volgende aanvraag om woonkostentoeslag (verlenging) zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(n) is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere redenen. Ad. 2 Bij de situaties bedoeld onder 2. zou gesteld kunnen worden dat belanghebbende, gelet op diens specifieke problematiek, de weg naar de hier bedoelde ondersteuning (nog) niet heeft kunnen vinden. Daaronder kan bijvoorbeeld ook een beroep op cliëntondersteuning van MEE Rotterdam Rijnmond worden verstaan. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het hier gaat om situaties waarin het zich niet houden aan de voorwaarden van de verhuisplicht wel aan belanghebbende te verwijten is. Bij de bedoelde problematiek kan gedacht worden aan personen die een beperkte sociale steunstructuur hebben en een gering vermogen tot eigen regie voeren vanwege het hebben van beperkingen. Denk bijvoorbeeld aan personen met een licht verstandelijke handicap, niet aangeboren hersenletsel of GGZ-problematiek. Het afwijzen van de aanvraag zou bijvoorbeeld tot gevolg kunnen hebben dat een huurschuld ontstaat die mogelijk tot uitzetting zal leiden. In deze situatie kan het college ook de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening en daar tevens de voorwaarde aan de verbinden dat belanghebbende nader te bepalen ondersteuning zoekt.
Dat gebeurt dan onder toepassing van artikel 55 van de wet. Deze verplichting is aanvullend op de reguliere verhuisplicht die aan de bijzondere bijstand wordt verbonden. Bij een volgende aanvraag om Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 42
woonkostentoeslag zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(n) is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere redenen. Achtste lid Is de huurder binnen een half jaar voor de peildatum huurtoeslag verhuisd naar een woning waarvan de rekenhuur hoger is dan de aftoppingsgrens, dan vraagt de Belastingdienst-Toeslagen advies aan dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting of de betreffende woning als 'passend' kan worden aangemerkt. Als deze 'passendheidsverklaring' negatief is, dan zal de huurtoeslag geweigerd worden. In dat kader speelt de voorzienbaarheid van het duur wonen een rol bij de beoordeling. De hoge woonkosten kunnen weliswaar als noodzakelijk worden gekwalificeerd maar vloeien gelet op de voorzienbaarheid niet voort uit bijzondere omstandigheden. Negende en tiende lid Personen jonger dan 23 jaar met of zonder kinderen, die een woning bewonen met een rekenhuur boven de toepasselijke maximum huurgrens, komen niet in aanmerking voor huurtoeslag. Het college is bevoegd om de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 15 van de wet (CRVB:2011:BT1740). Een uitzondering geldt in de situaties genoemd in het negende lid.
Indien de huur onder de algemene maximum huurgrens van de Wht ligt, kan een woonkostentoeslag worden toegekend op basis van de berekening van de gewone huurtoeslag voor personen ouder dan 23 jaar. De woonkostentoeslag op grond van het negende lid eindigt zodra de persoon de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, per welke datum de aanspraak op huurtoeslag ontstaat. Artikel 4.2 Woonkostentoeslag woningeigenaren Eerste lid Dit lid bepaalt dat het college bij het verlenen van een woonkostentoeslag aan eigen woningbezitters aansluit op de systematiek van de Wht. Uit CRVB:2014:4242 blijkt dat de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college voor de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag in redelijkheid heeft mogen aansluiten bij het systeem van de Wht. Ook voor woningeigenaren geldt dat zij niet te duur moeten blijven wonen (CRVB:2012:BX1676). Tweede lid Aangenomen kan worden dat, bezien van uit de systematiek van de Wht, de te hoge woonkosten voor woningeigenaren niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten aangemerkt hoeven te worden. Net als bij huurders kan daar toch een uitzondering voor gelden. De bijstandsverlening is in voorkomende gevallen wel beperkt tot een maximale periode. Vierde lid Het college zal bij de opvolgende aanvraag moeten beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht.
Is dat het geval, dan kan het college de bijzondere bijstand met maximaal 12 maanden verlengen Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 43
(toekennen), totdat de maximale periode van 24 maanden is bereikt. Daarnaast legt het college wederom de verhuisplicht op onder toepassing van artikel 55 van de wet. Vijfde lid Dit lid bepaalt de hoofdregel in het geval belanghebbende zich niet of niet voldoende heeft gehouden aan de zogeheten verhuisplicht. Het college is bevoegd de aanvraag om verlenging af te wijzen (CRVB:2015:1689). De aanvraag wordt in voorkomende gevallen afgewezen op de grond dat geen sprake (meer) is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de wet (CRVB:2016:2652 en CRVB:2012:BX1676). Er kunnen zich omstandigheden voordoen die als bijzondere redenen kunnen worden gekwalificeerd. Bijzondere redenen Omdat de beoordeling van de bijzondere redenen voor huurders en eigen woningbezitters niet verschilt, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4.2, zesde lid, van deze beleidsregels. Zesde lid Indien de bijzondere redenen worden vastgesteld, dan kan het college de bijzondere bijstand verlengen met maximaal 12 maanden, totdat de maximale periode van 24 maanden is bereikt. De grondslag om de bijzondere bijstand in de vorm van een lening te verstrekken berust op artikel 48, tweede lid, onder b van de wet. Daarnaast legt het college wederom de zogeheten verhuisplicht op onder toepassing van artikel 55 van de wet.
Artikel 4.3 Vaststellen hoogte woonlasten woningeigenaren Derde lid De voorlopige teruggave inkomstenbelasting wordt op grond van artikel 32, eerste lid, van de wet als inkomen toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Het college betrekt deze bij de berekening van de bijzondere bijstand en brengt deze in mindering op de totale woonkostentoeslag (CRVB:2014:2384). Artikel 4.4 Verhuisplicht Eerste lid Het college heeft op grond van artikel 55 van de wet een discretionaire bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Deze verplichtingen strekken in dit geval tot vermindering of beëindiging van bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag maakt het college in principe gebruik van deze bevoegdheid omdat betrokkenen, in relatie tot de hoogte van hun inkomen, niet te duur mogen wonen. Dat geldt voor huurders (CRVB:2016:190 en CRVB:2016:77) maar ook voor ook woningeigenaren (CRVB:2013:1957 en CRVB:2014:4242). Waar de zogeheten verhuisplicht op is gericht is in dit lid algemeen omschreven en voor huurders en woningeigenaren nader uitgewerkt in respectievelijk artikel 4.5 en 4.6 van deze beleidsregels. Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 44
Tweede lid Zijn de kosten hoger dan de maximaal subsidiabele huurgrens, dan geldt als hoofdregel dat de verhuisplicht wordt opgelegd. Hierop zijn wel een aantal uitzonderingen. Tweede lid aanhef en onder a In deze situatie gaat het om aanpassingen van de woning die bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015 of daaraan voorafgaande wetgeving zijn aangebracht. De Wet op de huurtoeslag (Wht) kent in deze situatie ook afwijkende regels. Tweede lid aanhef en onder b In de situatie genoemd in dit onderdeel zal het college deskundigenadvies moeten inwinnen. Tweede lid aanhef en onder d Na het bereiken van het zogeheten kredietplafond beoordeelt het college of belanghebbende naar verwachting voor langere tijd op algemene bijstand zal zijn aangewezen. Is dat het geval, dan legt het college de verhuisplicht op. Dat is overigens in overeenstemming met het complementaire karakter van bijstand. Daar past het in stand houden van eigen woningbezit niet bij. Tweede lid aanhef en onder e Voor zelfstandigen als bedoeld in dit onderdeel is alleen een woonkostentoeslag zonder verhuisplicht mogelijk in combinatie met een uitkering in het kader van het Bbz 2004. De verhuisplicht geldt dus wel voor zelfstandigen die hun bedrijf beëindigen.
Derde lid Omdat de bijstandsverlening in het geval van de verhuisplicht is gemaximeerd, wordt benadrukt dat zolang de verhuisplicht niet is opgelegd er geen gemaximeerde periode geldt. Artikel 4.5 Verhuisplicht: voorwaarden huurders Eerste lid aanhef De inhoud van de verhuisplicht heeft betrekking op een inspanningsverplichting die van de belanghebbende gevergd mag worden. Het gaat immers om verplichtingen die in de praktijk strekken tot beëindiging van woonkostentoeslag. Het eerste lid spreekt over ‘in ieder geval’. Dat wil zeggen dat het college in het individuele geval ook bevoegd is om andere concrete zaken in de beschikking te benoemen die binnen het bereik van de verhuisplicht vallen (zie ook lid 4). Eerste lid aanhef en onder a en b Om in aanmerking te komen voor een passende woning of woonruimte zal belanghebbende de twee concrete activiteiten moeten verrichten die onder a. en b. staan genoemd. Daarbij geldt gedurende de gehele periode van bijstandsverlening (maximaal 24 maanden) dat belanghebbende de inschrijving als woningzoekende in die periode handhaaft. Eerste lid aanhef en onder c De voorwaarden van de verhuisplicht strekken zich vanzelfsprekend uit over de gehele periode van bijstandsverlening, met dien verstande dat de nadere verplichtingen pas kunnen gelden nadat het besluit bekend is Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 45
gemaakt (zie vierde lid van dit artikel). De verplichting bestaat er in ieder geval uit dat belanghebbende zijn inschrijving als woningzoekende handhaaft. In die periode van bijstandsverlening zal belanghebbende zich verder aantoonbaar moeten inspannen. Tweede en derde lid Het tweede lid geeft concreet invulling aan wat in ieder geval onder de activiteiten wordt verstaan. Zeker niet onredelijk is om twee reacties per maand op woningen te verlangen. Het derde lid omschrijft wat onder een passende woning moet worden verstaan. Aantoonbaar en verifieerbaar De activiteiten moeten aantoonbaar en voor het college verifieerbaar zijn zodat het college daar uit af kan leiden of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Dat is van groot belang indien belanghebbende opnieuw een aanvraag voor de woonkostentoeslag indient. Passende woning of woonruimte Ook is vereist dat op passende woningen of woonruimten wordt gereageerd. In eerste instantie is daarbij de hoogte van de woonkosten van belang. Die moet vanzelfsprekend lager zijn dan de maximale huurgrens. Verder heeft het criterium ‘passend’ betrekking op de gezinssituatie. Afhankelijk daarvan kan een kleinere of andersoortige woonruimte, dan die belanghebbende wenst, in de ogen van het college toch passend zijn. Reageert een alleenstaande alleen op eengezinswoningen wordt dat niet als passend aangemerkt.
Voor gehuwden met kinderen of alleenstaande ouders ligt dat anders. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat minderjarige kinderen tot een bepaalde leeftijd een slaapkamer delen. Dus het alleen reageren op (hele) grote eengezinswoningen zou ook voor hen door het college als niet passend (kunnen) worden aangemerkt. Aanbod Daarnaast heeft het criterium passend betrekking op het concrete aanbod waarop moet worden gereageerd. Beperkt belanghebbende de aantoonbare activiteiten tot bijvoorbeeld slechts één wijk in Rotterdam, dan is dat in het algemeen niet passend. Verwacht wordt dat ook op woningen in andere wijken of buiten Rotterdam wordt gereageerd. Daarbij kan het college ervan uitgaan dat maximaal 25% van de woningen waarop is gereageerd, binnen hetzelfde postcode(cijfer)gebied of specifieke wijk mag vallen. Of wordt voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht zal het college moeten beoordelen aan de hand van de vraag of: 1. is gereageerd op voldoende woningen (aantal); en 2. gedurende de gehele periode van bijstandsverlening is gereageerd; en 3. is gereageerd op passende woningen. Vierde lid Omdat nadere verplichtingen niet van rechtswege gelden moet het college de verplichting bij besluit opleggen en tevens aangeven welke concrete activiteiten van belanghebbende worden verlangd. Daarbij worden ook de
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 46
gevolgen aangegeven als de verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen en belanghebbende dat te verwijten valt. Artikel 4.6 Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren Eerste lid aanhef De inhoud van de verhuisplicht bij eigen woningbezitters heeft, net als bij huurders, ook betrekking op een inspanningsverplichting die door het college van de belanghebbende gevergd mag worden. Het gaat immers om verplichtingen die in de praktijk strekken tot beëindiging van woonkostentoeslag. Het eerste lid spreekt over ‘in ieder geval’. Dat wil zeggen dat het college in het individuele geval ook bevoegd is om andere concrete zaken in de beschikking te benoemen die binnen het bereik van de verhuisplicht vallen. Eerste lid aanhef en onder a, b en c In de verhuisplicht bij de woonkostentoeslag aan de eigen woningbezitters zit de verplichting besloten om de eigen woning te koop aan te bieden. Daar zal belanghebbende als eerste voor moeten zorgen (onder a). De makelaar behoort daarbij via de geëigende kanalen de woning aan de markt aan te bieden. Totdat de woning daadwerkelijk is verkocht zal belanghebbende alles moeten nalaten wat aan die verkoop in de weg kan staan. Denk bijvoorbeeld aan het weghalen van het bord of posters waarmee de woning te koop wordt aangeboden of het belemmeren van bezichtigingen door belangstellenden. Er zijn uiteraard meer voorbeelden te bedenken.
Tweede lid Het spreekt voor zich dat de vraagprijs van de woning redelijk moet zijn: in verhouding tot de waarde van de woning (zie ook eerste lid onder b). Wat een redelijke vraagprijs is valt op voorhand niet te zeggen. Als uitgangspunt hanteert het college de WOZ-waarde met een opslag van 20%. Afwijking hiervan kan op goede gronden worden geaccepteerd. Het zal dan doorgaans om een hogere marktwaarde gaan waarop de belanghebbende zich beroept. Denk bijvoorbeeld aan een woning die gelet op een (recente) verbouwing of bijzondere voorzieningen meer waard is dan de WOZwaarde met een opslag van 20%. Als belanghebbende van mening is dat de vraagprijs hoger kan zijn dan de WOZ-waarde met een opslag van 20%, ligt het op zijn weg om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld met een taxatieverslag, waarvan de kosten voor rekening van belanghebbende komen. Het kan zijn dat het vragen van een onredelijke prijs de verkoop van de woning bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Derde lid aanhef Strikt genomen is de koopovereenkomst tot stand gekomen op het moment dat beide partijen (kopen en verkoper) deze hebben ondertekend. Daarbij wordt opgemerkt dat daarna nog bedenktijd geldt voor de (potentiële) koper, alsmede mogelijke ontbindingsclausules. Vanaf het moment dat is ondertekend, zal belanghebbende direct moeten omzien naar passende,
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 47
vervangende woonruimte. De verdere voorwaarden van de verhuisplicht, het zorgen voor vervangende woonruimte, gelden vanaf dit moment. Derde lid aanhef en onder a en b Om in aanmerking te komen voor een passende woning of woonruimte zal belanghebbende de twee concrete activiteiten moeten verrichten die in onderdeel a. en b. staan genoemd. In tegenstelling tot bij huurders geldt voor woningeigenaren dat de activiteiten gericht op het verkrijgen van een passende woning of woonruimte pas gelden nadat de (ver)koopovereenkomst is getekend. Derde lid aanhef en onder c Deze voorwaarden van de verhuisplicht strekken zich vanzelfsprekend uit over de resterende periode van bijstandsverlening, met dien verstande dat de nadere verplichtingen pas kunnen gelden nadat het besluit bekend is gemaakt (zie zesde lid van dit artikel). In die periode zal belanghebbende zich dus aantoonbaar moeten inspannen. Vierde lid Voor nadere toelichting, zie de toelichting bij artikel 4.5, tweede en derde lid. Zesde lid Omdat de in dit kader bedoelde nadere verplichtingen niet van rechtswege gelden moet het college de verplichting bij besluit opleggen en tevens aangeven welke concrete activiteiten van belanghebbende worden verlangd. Daarbij worden ook de gevolgen aangegeven als de verplichtingen niet of onvoldoende worden nagekomen en belanghebbende dat te verwijten valt.
Artikel 4.7 Verhuiskosten algemeen Algemeen In principe heeft iedereen recht op zelfstandige huisvesting. De kosten, die dat met zich meebrengt, zijn algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Dit zijn kosten met een voorzienbaar karakter. Dat wil zeggen dat verhuis- en (her)inrichtingskosten uitsluitend in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Daarvan kan sprake zijn bij een niet voorziene verhuizing op grond van een medische of sociale noodzaak. Het college stelt daarvoor de noodzaak van de verhuizing vast, alsmede de periode waarin de verhuizing voor belanghebbende voorzienbaar was. De Wmo 2015 kan voor de wet gelden als een voorliggende toereikende en passende voorziening. Dat is onder meer voor verhuiskosten het geval. Ondervindt de belanghebbende bijvoorbeeld beperkingen in het normale gebruik van de woning (zelfredzaamheid) waardoor de verhuizing noodzakelijk is, dan wordt de Wmo 2015 als voorliggende voorziening aangemerkt. Kan belanghebbende krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst aanspraak maken op een tegemoetkoming in verhuiskosten door de werkgever, dan geldt dat als voorliggende voorziening. Ook kan de Regeling Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 48
minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie gelden als voorliggende voorziening. Op grond van deze regeling kan een tegemoetkoming worden verkregen. Eerste en tweede lid Het gaat in dit artikel om kosten die direct verband houden met de verhuizing. Het gaat om de kosten van de eerste maand huur en de (volledige) kosten in verband met het aangaan van de huurovereenkomst (administratiekosten of waarborgsom) en de met de verhuizing gemoeide transportkosten. Deze kosten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat het voorzienbare kosten zijn waarvoor de reserveringsplicht geldt (CRVB:2014:3407 en CRVB:2016:898). Het college zal dan ook eerst de noodzaak van de verhuizing moeten vaststellen. In het geval belanghebbende verhuist naar een passende woning omdat aan hem de verhuisplicht is opgelegd, staat de noodzaak van de verhuizing in ieder geval vast. Opgemerkt wordt dat daarmee niet zonder meer het recht op bijstand vaststaat. De belanghebbende die zijn eigen woning heeft verkocht kan daardoor bijvoorbeeld over in aanmerking te nemen middelen beschikken. Daarnaast dient vastgesteld te worden of de noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Artikel 4.8 Duurzame gebruiksgoederen Vierde lid Het college hecht er aan goede voorlichting te geven.
Omdat de bijzondere bijstand in het algemeen in de vorm van een lening wordt verstrekt is het van belang dat belanghebbenden zich nog beter realiseren dat deze bijstand ook moet worden terugbetaald. Eenvoudig gezegd: hoe lager de bijzondere bijstand hoe sneller deze kan worden terugbetaald. Naast het financiële aspect wordt voorlichting gegeven over de wijze waarop de tweedehands goederen gekocht kunnen worden. Zesde lid Het college zal moeten vaststellen dat het slagen van het wettelijk schuldsaneringstraject in gevaar komt voordat kan worden overgegaan tot de verstrekking van bijstand om niet. Artikel 4.9 Babypakket De kosten van een babypakket vallen onder algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan en moet daarom in beginsel bestreden worden uit het eigen inkomen. De reserveringsplicht is van toepassing op deze kosten. Onder een dekbedje mag ook worden verstaan een dekentje. Artikel 4.11 Personenalarmering In het geval van een medische noodzaak komen de kosten voor vergoeding in aanmerking op grond van de Zorgverzekeringswet. Voor personenalarmering in verband met ouderdom, kan bijzondere bijstand
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 49
worden verstrekt. Thuiszorg of een andere aanbieder kan de alarmeringsapparatuur leveren. Artikel 4.13 Doorbetaling huur verblijf in detentie Eerste lid In afwijking van artikel 13, eerste lid onder a, van de wet kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een alleenstaande voor de doorbetaling van de huur van een woning of een kamer. De eigen woningbezitter is uitgesloten van bijstandsverlening. Verder geldt de voorwaarde dat de detentie in Nederland wordt uitgezeten gelet op het territorialiteitsbeginsel. Daarnaast geldt dat de detentieperiode meer dan 1 maand moet bedragen. Het college beoordeelt of er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot bijstandsverlening. Voor de volledigheid wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 3.1, vierde lid, van deze beleidsregels (indienen aanvraag). Voorts is bepaald dat slechts eens per 5 jaar bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Onderdeel b schrijft voor dat er een positief advies moet zijn voor het aanhouden van de woning. Het advies van Team Detentie en Re-integratie is daarbij leidend. Daarvan kan het college slechts met redenen omkleed afwijken. Het ligt voor de hand dat daarvan een terugkoppeling wordt gegeven. Tweede lid De periode waarin het college bijzondere bijstand kan verlenen is begrensd. Op voorhand staat echter niet altijd vast hoe lang de detentieperiode zal zijn.
Ook kan het voorkomen dat er meerdere vonnissen worden uitgesproken. Verder is het zo dat bij de vaststelling van de periode rekening moet worden gehouden met de voorwaardelijke invrijheidstelling. De periode van het voorarrest wordt ook meegeteld bij de vaststelling van de detentieperiode. Artikel 4.14 Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling Eerste lid Bij de beoordeling of er recht kan bestaan op bijzondere bijstand is het van belang of er in de woning personen (blijven) wonen in het geval belanghebbende tijdelijk wordt opgenomen in een instelling. Is dat niet het geval, dan zal de noodzaak van de doorbetaling van de vaste lasten worden beoordeeld. Daarbij speelt de tijdelijke aard van de opname een belangrijke rol maar ook de hoogte van het inkomen. Is de norm bijvoorbeeld omgezet naar de zak- en kleedgeldnorm als bedoeld in artikel 23 van de wet zal duidelijk zijn dat van dat inkomen de vaste lasten niet betaald kunnen worden. Derde lid Dit lid bepaalt de maximale periode van bijstandsverlening. In die gevallen kan niet meer gesproken worden van een tijdelijk karakter. Het ligt voor de hand dat belanghebbende permanent in een instelling zal verblijven op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 50
Vierde lid Uit dit lid blijkt al meer dat de aard van het verblijf in de instelling permanent zal zijn. Zodra belanghebbende de hoge bijdrage is verschuldigd is de periode van bijstandsverlening beperkt tot ten hoogste 3 maanden. Artikel 4.15 Jongmeerderjarigen Eerste lid Voor jongmeerderjarigen die (bijzondere) bijstand aanvragen geldt dat zij eerst een beroep moeten doen op de ouders die met het ouderlijk gezag belast zijn. Daaronder worden ook stiefouders verstaan. Die zijn namelijk tot 21 jaar onderhoudsplichtig voor hun kinderen. Het kan voorkomen dat de ouders slechts deels aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen omdat de middelen niet toereikend zijn. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt daar dan op afgestemd. Tweede lid In dit lid is bepaald wanneer het college er in ieder geval van uit gaat dat de jongmeerderjarige zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(s) redelijkerwijs niet te gelde kan (of hoeft) te maken. Hiermee is geen limitatief overzicht beoogd. Artikel 5.1 Extra kosten wassen en kledingslijtage De meerkosten van waskosten en kledingslijtage (ook schoeisel) kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, mits de noodzaak middels een (medisch) advies is vastgesteld. Dergelijke meerkosten kunnen bijvoorbeeld het gevolg zijn van incontinentie, het veelvuldig gebruik van medisch noodzakelijke zalf of het gebruik van een prothese.
Artikel 5.2 Extra warmtekosten In het algemeen zijn warmtekosten algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Er kan een noodzaak voor hogere warmtekosten zijn, indien daar een medische noodzaak voor is. Belanghebbende kan een aandoening hebben waardoor de eigen lichaamstemperatuur niet op peil kan worden gehouden. In die gevallen zijn de meerkosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Of er meerkosten als gevolg van een medische noodzaak zijn moet in eerste instantie blijken uit het medisch advies. De adviseur kan de noodzaak aangeven voor een bepaalde omgevingstemperatuur en in welke ruimten die vereist is. Het hoeft dus niet in alle gevallen te gaan om de hele woning. Het spreekt voor zich dat als de hogere warmtekosten betrekking hebben op een slecht geïsoleerde woning, deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen (CRVB:2013:1126 en CRVB:2012:BW9868). Artikel 5.3 Dieetkosten Aan de hand van een deskundigenadvies wordt vastgesteld of de kosten die zijn verbonden aan een dieet noodzakelijk zijn en meerkosten met zich meebrengen. Wordt voldaan aan deze twee voorwaarden, dan worden de Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 51
(meer)kosten van dat dieet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten aangemerkt. Artikel 5.4 Kosten na aanschaf gehoorapparaat De kosten voor een gehoorapparaat komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Belanghebbende kan echter na de aanschaf van een gehoorapparaat een nazorgcontract voor onderhoud en reparatie afsluiten. Die kosten komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Het spreekt voor zich dat als enige kosten onder de garantiebepalingen vallen, het op weg van belanghebbende ligt daar naar volle vermogen een beroep op te doen. In het eerste lid is daarom bepaald dat kosten in dat verband niet in aanmerking komen voor vergoeding. Het tweede lid bepaalt de gemaximeerde vergoeding per gehoortoestel. Artikel 5.5 Maaltijdservice Iedereen heeft kosten in verband met zijn maaltijdvoorziening, die moeten dan ook bestreden worden uit het eigen inkomen. Voor de meerkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Die meerkosten kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld de bezorgkosten. Artikel 5.6 Alternatieve relatiebemiddeling Tweede lid Of bijzondere bijstand voor deze kosten kan worden verstrekt wordt bepaald aan de hand van een aantal criteria. Een van de belangrijkste, ook voor de beoordeling van de verlengingsaanvraag is of er indicatie bestaat voor deze diensten (vergelijk CRVB:2013:736).
Dergelijke diensten worden bijvoorbeeld geboden door de Stichting Alternatieve Relatie bemiddeling (SAR). Artikel 5.7 Bijzondere bijstand bril of contactlenzen Indien de aanvrager verzekerd is op grond van het Rotterdampakket, kan hij ook tussentijds bijzondere bijstand krijgen voor de vervanging van zijn bril of contactlenzen. Dit is het geval indien er binnen de in het Rotterdampakket geldende termijn van 3 jaar toch de noodzaak bestaat de bril/lenzen te vervangen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de ogen zo snel voor- of achteruitgaan, dat de sterkte van de glazen niet meer voldoet. Onder een noodzakelijke vervanging van een bril of lenzen wordt bijvoorbeeld een verandering van sterkte van ten minste 0,25 (+/-) verstaan. De wijziging moet blijken uit een pro forma-nota van de opticien of een voorschrift van de oogspecialist. De voorgeschreven sterkte kan worden vergeleken met de eerste aanschaf dan wel vorige vervanging van brillenglazen of lenzen. Het college beoordeelt vanzelfsprekend ook of geen vergoeding kan worden verkregen op grond van een andere regeling. De hoogte van de bijzondere bijstand is in ieder geval gemaximeerd tot de vergoeding die normaal gesproken kan worden verkregen op grond van het Rotterdampakket. Daarnaast speelt de goedkoopst adequate oplossing een
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 52
rol bij de hoogte van de bijzondere bijstand. Zo kunnen in de meeste gevallen nieuwe brillenglazen in het bestaande montuur worden gezet. Artikel 5.8 Kosten eigen bijdragen uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak Dit artikel gaat over de mogelijkheid tot bijzondere bijstandsverlening voor zogeheten gebitsprotheses als bedoeld in artikel 2.7, vijfde lid onder b van het Besluit zorgverzekering. Eerste lid Dit lid bepaalt de voorwaarden op grond waarvan het college bijzondere bijstand kan verlenen. Het gaat om twee situaties waarin de aanvrager nog geen gebruik kan maken van het Rotterdampakket. Tweede lid Er zijn situaties denkbaar waarin de aanvrager op korte termijn zal worden toegelaten tot het Rotterdampakket. In dat geval kan van de aanvrager worden verwacht dat het maken van de kosten wordt uitgesteld. Dat beoordeelt het college aan de hand van de individuele situatie. Artikel 6.1 Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten De eigen bijdrage wordt in principe verlaagd indien de rechtzoekende alvorens een toevoeging aan te vragen gebruik maakt van de rechtshulp (bijv. Juridisch Loket) en in dat kader een diagnosedocument is opgesteld.
De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt in principe niet meer dan de lage eigen bijdrage die zou gelden als de belanghebbende gebruikt gemaakt zou hebben van rechtshulp zoals het Juridisch Loket (ECLI:NL:CRVB:2016:595). Indien belanghebbende door wijziging van diens inkomen in aanmerking kan komen voor een lagere eigen bijdrage rechtsbijstand door het indienen van een verzoek om peiljaarverlegging, stelt het College de aanvrager hiertoe in de gelegenheid. In het geval de aanvrager van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, dan wel indien de termijn voor het verzoeken van de peiljaarverlegging is verstreken, wordt de hoogte van de toe te kennen bijzondere bijstand bepaald als de lage bijdrage, die bij toepassing van de peiljaarverlegging voor de aanvrager van toepassing was geweest. De hoogte van het griffierecht is afhankelijk van de hoogte van inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Artikel 6.2 Eigen bijdrage kinderopvang Eerste lid De GGD kan in voorkomende gevallen een sociaal-medische indicatie vaststellen. De ouder(s) zijn nog wel een eigen bijdrage verschuldigd voor de kinderopvangkosten. Daar kan bijzondere bijstand voor worden verstrekt. Ook het CJG kan een indicatie afgeven voor VVE, namelijk voor extra spelen en leren. Bijzondere bijstand kan verstrekt worden voor de eigen
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 53
bijdrage, uitsluitend voor zover de ouder deze daadwerkelijk is verschuldigd en hier niet op andere wijze is voorzien. Tweede en derde lid Uitgangspunt is dat werk de beste weg is om uit de armoede te komen. Voor ouders is kinderopvang vaak een voorwaarde om te kunnen werken. De hoge kosten van die kinderopvang in de vorm van een eigen bijdrage vormen soms een drempel voor degene met een laag inkomen. De ouder(s) die uitstroomt / uitstromen kan op aanvraag een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. Artikel 6.3 Eigen bijdrage zorgverzekeringswet Het college kan één keer per kalenderjaar bijzondere bijstand verstrekken, voor de eigen bijdrage in het kader van de Zorgverzekeringswet. Hierbij moet het gaan om facturen van (eventueel bij elkaar opgeteld) ten minste € 50. Er wordt niet meer dan € 200 aan bijzondere bijstand verstrekt. Artikel 7.1
Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden
Algemeen Dit artikel bevat de regels voor het verlenen van bijzondere bijstand voor reiskosten die worden gemaakt voor het bezoeken van gezinsleden en naaste familieleden. Daaronder worden verstaan: de partner van de aanvrager of diens eerste of tweede graad bloedverwanten. In het algemeen geldt dat iedereen reiskosten heeft of kan hebben in verband met verplaatsingen die verband houden met het afleggen van bezoeken. Dat zijn algemene voorkomende kosten van het bestaan die niet noodzakelijk zijn in de zin van de wet dan wel niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dergelijke kosten moet iemand in beginsel zelf uit zijn inkomen bekostigen (CRVB:2005:AT6294, CRVB:2014:172 en CRVB:2011:BR4915). Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die meebrengen dat reiskosten noodzakelijk zijn én kunnen voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Indien er sprake is van een voorliggende voorziening die passend en toereikend wordt geacht, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Is belanghebbende beperkt in zijn mobiliteit, dan geldt de Wmo 2015 als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de wet. Is er geen sprake van een voorliggende voorziening dan moeten de kosten, conform artikel 35 van de wet, zich voordoen, noodzakelijk zijn én ook voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.