[23bb005512] Bijlage 3 behorende bij 23bb005509 over Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019
Tekst van het document
Het spreekt voor zich dat dit mede afhankelijk is van de aard van de familierelatie, dat geldt overigens ook voor de frequentie van de bezoeken die als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt (zie het zesde lid). Het dagelijks bezoeken van een minderjarig kind zal in het algemeen noodzakelijk kunnen zijn, terwijl voor een meerderjarige die in detentie verblijft volstaan zou kunnen worden met een bezoek van 1 keer per maand. Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 54
Aanvullende zorgverzekering en Rotterdampakket Of belanghebbende aanspraak heeft op bijzondere bijstand voor de reiskosten voor het bezoek aan gezinsleden en naaste familieleden die in het ziekenhuis liggen, is afhankelijk van het beschikken over een aanvullende zorgverzekering en of die verzekering de kosten (deels) vergoed. In dat geval geldt het Rotterdampakket als voorliggende voorziening. Het ligt overigens niet voor de hand dat zich in dat geval aanvragen bijzondere bijstand zullen voordoen. In andere gevallen zal de polis van het gezinslid of naast familielid (ook) beoordeeld moeten worden. Het is namelijk meestal zo dat degene die wordt bezocht een vergoeding kan krijgen van de hier bedoelde reiskosten. Derde lid onder a Dit onderdeel heeft betrekking op de reiskosten in verband met het afleggen van bezoeken aan de personen zoals genoemd in het eerste lid die in het ziekenhuis verblijven. Een dergelijk verblijf is naar zijn aard kortdurend waardoor er in principe geen sprake is van structurele kosten (CRVB:2005:AT6294). Dat is slechts anders indien en voor zover het afleggen van die bezoeken langer dan vier weken voortduurt. Het ligt op de weg van de belanghebbende om aan te tonen dat er in de eerste 4 weken reiskosten zijn gemaakt. Vanaf de vierde week kunnen de reiskosten pas in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
Ook indien op voorhand duidelijk is dat de ziekenhuisopname vier weken of meer gaat duren, verstrekt het college in principe pas bijzondere bijstand nadat feitelijk vast staat dat dit het geval is én de kosten vanzelfsprekend gemaakt worden. Daarnaast geldt onverkort dat het reizen van uitsluitend twee zones OV geen noodzakelijke kosten zijn (zie verder het vierde lid). Indien echter meer dan twee zones wordt gereisd, dan komen de volledige gemaakte reiskosten in aanmerking voor bijzondere bijstand. Verder geldt uiteraard ook dat de aard van de relatie en de frequentie van de bezoeken bepalend zijn voor het vaststellen van de noodzaak. Derde lid onder e In dit onderdeel staat de mogelijkheid om reiskosten te vergoeden voor het bezoeken van een gezinslid of naast familielid in het geval van calamiteiten in Nederland. Daaronder worden bijvoorbeeld niet de reiskosten verstaan in verband met het overlijden van een bloedverwant die in het buitenland woonachtig is. Vierde lid Reiskosten die niet meer dan twee zones bedragen zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 eerste lid van de wet. De ratio hiervan is dat deze afstand ook te voet of per fiets kan worden afgelegd. Het is een keuze van belanghebbende daar wel of geen gebruik van te maken. Kosten die voortkomen uit een eigen keuze zijn geen noodzakelijke kosten (vergelijk CRVB:2010:BP0229).
Er geldt een uitzondering in het geval ouders bezoeken afleggen aan hun kind in verband met het verblijf in een instelling op grond van de Jeugdwet of de Wet langdurige zorg. In die gevallen gaat het college uit van de reis van huis naar de instelling en weer terug.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 55
Vijfde lid Voor reiskosten die meer dan twee zones bedragen geldt dat het uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 eerste lid van de wet zijn. Het spreekt voor zich dat ook de eerste twee zones dan voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Dit betekent dat de volledige gemaakte reiskosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Zesde lid Dit lid bepaalt waar het college de hoogte van de bijzondere bijstand op kan baseren. De noodzakelijke bezoekfrequentie bedraagt in principe maximaal twee keer per week. Het college kan daar gemotiveerd van afwijken als bijzondere omstandigheden daar aanleiding voor geven. Die kunnen betrekking hebben op de aard van de relatie. Denk bijvoorbeeld aan een ouder en een minderjarig kind. In CRVB:2012:BV1249 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de reiskosten voor een bezoek aan een gedetineerd kind extra kosten zijn die kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Als hoofdregel geldt het tarief van het OV volgens de 2 de klas rekening houdend met een eventuele kortingskaart. De kosten van een toeslagtrein komen niet voor vergoeding in aanmerking. Zevende lid Als belanghebbende daar om verzoekt kan ook een kilometervergoeding worden verstrekt indien belanghebbende naar oordeel van het college geen gebruik kan maken van het OV.
Het tarief van € 0,23 is afgestemd op het tarief, dat de Belastingdienst hanteert wanneer reiskosten worden opgevoerd als aftrekpost voor de Inkomstenbelasting. In voorkomende gevallen wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gebaseerd op de (kortste) reisafstand volgens de ANWB-routeplanner. Alleen reiskosten worden vergoed, dus overige kosten zoals de kosten van parkeren komen niet voor vergoeding in aanmerking. Artikel 7.2 Reiskosten Bijzonder Leerlingenvervoer Tweede lid Reiskosten in verband met Bijzonder Leerlingenvervoer worden altijd aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 eerste lid van de wet, mits de school voldoet aan de kwalificatie speciaal onderwijs en wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. In voorkomende gevallen komen ook de eerste twee OVzones voor vergoeding in aanmerking. Vierde en vijfde lid Deze leden bepalen waar de hoogte van de bijzondere bijstand op wordt gebaseerd. Als hoofdregel geldt het tarief van het OV volgens de 2 de klas rekening houdend met een eventuele kortingskaart. Als belanghebbende daar om verzoekt kan ook een kilometervergoeding worden verstrekt indien belanghebbende naar oordeel van het college geen gebruik kan maken van het OV. In voorkomende gevallen wordt de hoogte van de bijzondere
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 56
bijstand gebaseerd op de (kortste) reisafstand volgens de ANWBrouteplanner. Artikel 7.3 Reiskosten (partieel) leerplichtige kinderen Eerste lid Het kan voorkomen dat (partieel) leerplichtige kinderen niet in aanmerking komen voor bijzonder leerlingenvervoer en toch verder moeten reizen naar het onderwijsinstituut. Om die reden moeten de ouders daar dan kosten voor maken. Bijvoorbeeld omdat het leerplichtige kind niet op het dichtstbijzijnde onderwijsinstituut geplaatst kan worden. In het algemeen kan de bijzondere bijstand gedurende het schooljaar (± 10 maanden) verstrekt worden. Artikel 8.1 Legeskosten Eerste lid Voor asielgerechtigden met BRP-code 26/27 en 33 met document III of IV kan in verband met gezinshereniging wel bijzondere bijstand worden verstrekt. Derde lid Dit lid bepaalt de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen. In het geval van vertaalkosten geldt de voorwaarde dat de vertaling door een beëdigde vertaler moet zijn uitgevoerd. Artikel 8.2 Kleding en schoeisel Eerste lid De kosten van kleding en schoeisel vallen onder de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. In dit artikel zijn een aantal uitzonderingen opgenomen wanneer toch bijzondere bijstand mogelijk is. Tweede lid Dit lid bepaalt de uitzonderingen.
In het geval van detentie kan het zijn dat belanghebbende bijna over geen kleding beschikt. Er moet concreet worden aangegeven welke kleding er nodig is. Beschikt belanghebbende nog wel over enige kleding, dan wordt de hoogte van de bijstand daarop afgestemd. Om de aanvraag voor de onderdelen b. en c. te beoordelen kan het aangewezen zijn dat het college deskundigenadvies inwint. Derde lid In deze situatie vraagt het college geen deskundigenadvies. Artikel 8.3 Meerkosten dierenarts gezelschapsdieren (hulphonden) Algemeen Kosten die verband houden met het bezit van bijvoorbeeld een hond als huis- of gezelschapsdier - waaronder kosten van de dierenarts - behoren tot de algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan (CRVB:2016:318 en zie ook CRVB:2004:AR6217). Het kan echter voor komen dat er toch een Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 57
noodzaak bestaat tot het vergoeden van de noodzakelijke meerkosten van de dierenarts in het geval sprake is van hulphonden. Het ligt niet voor de hand dat het college zelf de medische of psychosociale indicatie kan vaststellen, daarom sluit het college aan bij die hulphonden die op grond van de Regeling Zorgverzekering als zodanig worden erkend. Tweede lid Dit lid bepaalt dat de (reguliere) dierenartskosten die verband houden met de zorg van een huis- of gezelschapsdier niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van diverse inentingen, jaarlijkse controles e.d. Die kosten heeft immers iedereen. Derde lid Het spreekt voor zich dat het college rekening houdt met (gedeeltelijke) vergoedingen die verkregen kunnen worden op grond van andere regelingen. Zo kan bijvoorbeeld een vrijwillige verzekering voor huis- of gezelschapsdieren (een deel van) de kosten vergoeden. Het afsluiten van zo’n verzekering kan niet verplicht worden gesteld. Artikel 8.4 Uitvaartkosten Eerste lid De kosten van de uitvaart vallen toe aan de nalatenschap van de overledene. Indien belanghebbende de nalatenschap vol heeft aanvaard is hij verantwoordelijk voor die kosten. In het geval van meerdere erven dan zijn alle erfgenamen naar rato verantwoordelijk.
Het kan echter enige tijd duren voordat bekend is of de nalatenschap vol wordt aanvaard omdat bijvoorbeeld niet bekend is of er schulden zijn. Tweede lid Het college mag afwijken van het vastgestelde bedrag indien daar gegronde redenen voor zijn. In dat geval kan een hoger bedrag dat is vastgesteld aan bijzondere bijstand worden toegekend. Artikel 8.5 Kosten bewindvoering Sinds 1 januari 2014 is de taakomschrijving van de bewindvoerder uitgebreid (Stb. 2013, 414). Daaraan is toegevoegd dat de bewindvoerder voor de rechthebbende alle handelingen kan uitvoeren die bijdragen aan een goede uitvoering van de taken. Die bestaan in ieder geval uit beheer en beschikking over de onder bewind staande goederen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De noodzaak voor de toekenning van bijzondere bijstand wordt aangetoond door middel van overlegging van de beschikking van de kantonrechter tot deze beschermingsmaatregel. De gemeente kan gedurende de toekenning van de bijzondere bijstand voor bewindvoering op ieder moment aanvullende gegevens opvragen bij de bewindvoerder. Daarbij wordt beoordeeld of de uit de bewindvoering
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 58
voortvloeiende werkzaamheden zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Het is aan de bewindvoerder om aan te tonen dat de uit de bewindvoering voortvloeiende werkzaamheden zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Met betrekking tot schulden heeft de gemeente Rotterdam samenwerkingsafspraken met beschermingsbewindvoerders vastgelegd in een convenant. (https://www.rotterdam.nl/werken-leren/bewindvoerders/) Normatieve doorlooptijd Voor een minnelijke schuldregeling (MSNP) geldt een normatieve doorlooptijd van 36 maanden. Deze doorlooptijd is benoemd in de Gedragscode Schuldregelen van de NVVK. Voor een wettelijke schuldregeling (WSNP) geldt een normatieve doorlooptijd van 60 maanden, waarna er een schone lei is. Alternatief aanbod Gedurende de looptijd van een minnelijke schuldregeling kan de gemeente (in overleg met de klant, KBR en de bewindvoerder) informeren of een andere vorm van schulddienstverlening (budgetbeheer, coaching etc.) passender is in het individuele geval. Artikel 8.6 Kosten verblijf buitenland scholieren In afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verstrekt voor kosten die niet aan Nederland zijn gebonden bepaalt dit artikel anders.
De gemeente Rotterdam vindt het namelijk niet wenselijk dat middelbare scholieren om financiële redenen niet deel kunnen nemen aan een buitenlandse werkweek, vakantiekamp, excursie (of iets dergelijks). Deze financiële redenen hebben te maken met de school die geen (afdoende) spaarregeling of fondsen ter beschikking heeft. Artikel 8.7 Schulden Tweede en derde lid Het treffen van een schuldregeling of het wijzen op de mogelijkheden van een schuldsanering heeft in het algemeen prioriteit omdat deze opties kunnen bijdrage aan een nieuwe start voor de aanvrager. Vierde lid Alleen in geval van zeer dringende reden kan het college overgaan tot bijstandsverlening voor schuldsanering als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in a tot en met c van dit lid. Of het niet verantwoord is de schuldsanering af te wijzen beoordeelt het college op basis van de individuele situatie. Denk bijvoorbeeld aan een te grote druk (belasting) op belanghebbende of als het naar verwachting zal leiden tot het ontstaan van ‘levensbedreigende’ omstandigheden. Vijfde lid De aanvrager om bijzondere bijstand voor een belastingaanslag zal eerst een verzoek tot kwijtschelding in moeten dienen.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 59
Zesde lid De belanghebbende die voor zichzelf alimentatie ontvangt is daarover nog inkomstenbelasting verschuldigd. De hoogte van de (bruto) alimentatie kan daarom meer bedragen dan de toepasselijke bijstandsnorm. Met het ontvangen van de belastingaanslag kan achteraf worden vastgesteld dat het inkomen lager was dan die bijstandsnorm. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt echter nooit meer dan het verschil tussen de belastingaanslag en de (aanvullende) algemene bijstand die het college zou hebben verstrekt. Zevende lid De belanghebbende kan ook een belastingaanslag ontvangen voor verschuldigde heffingsrente. Dit lid bepaalt in welke gevallen het college bijzondere bijstand kan verlenen. Achtste lid In het geval belanghebbende algemene bijstand ontvangt, worden de maandelijks verschuldigde vaste lasten zoals hier genoemd rechtstreeks van de uitkering doorbetaald. Dat geldt ook in het geval de Sociale verzekeringsbank (Svb) de algemene bijstand verstrekt. De gemeente Rotterdam zal hiertoe een verzoek richten aan de Svb. Artikel 8.8 Overbrugging Eerste lid Aanvragen zullen in voorkomende gevallen worden gedaan door belanghebbende(n) die geen uitkering ontvangen van de gemeente Rotterdam. Het moet gaan om situaties die niet aan belanghebbende zijn te wijten en ook niet waren te voorzien.
Tweede lid Dit lid bepaalt wanneer het college bijzondere bijstand kan verlenen, het gaat om cumulatieve voorwaarden. Derde lid In het derde lid wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gemaximeerd qua periode: niet langer dan 9 maanden. Per kwartaal wordt de hoogte van de overbrugging afgebouwd. Vijfde lid In dit lid wordt de mogelijkheid tot overbrugging geregeld die niet het gevolg is van een terugval in het inkomen als bedoeld in het eerste lid. Zesde lid Het niet verstrekken van een overbrugging om niet, staat los van mogelijke noodzaak tot het verstrekken van een overbrugging in de vorm een geldlening. Het is aan het college om dat te beoordelen. Artikel 9.1 Alleenstaande Ouder Compensatie (AOC) Het college kan bijzondere bijstand verstrekken in de vorm van een Alleenstaande Ouder Compensatie (AOC). Dit artikel van de beleidsregels bepaalt de situaties en de bijbehorende (maximale) periode van bijstandsverlening. In het geval de AOC wordt verstrekt geldt de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet (vanzelfsprekend) Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 60
onverkort. Belanghebbende is dan ook verplicht om wijzigingen in de (woon)situatie direct door te geven aan het college. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verhuizing van de toeslagpartner of van belanghebbende zelf. Een wijziging in de situatie kan namelijk tot gevolg hebben dat alsnog recht ontstaat op de ALO-kop. De hoogte van de AOC wordt bepaald door het inkomen van de aanvrager af te zetten tegen de toepasselijke bijstandsnorm, verhoogd met het standaardbedrag van de ALO-kop. Hierbij wordt bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm, in afwijking van andere ‘kostensoorten, wel rekening gehouden met kosten delende medebewoners als bedoeld in artikel 19a van de wet. Zie verder het derde lid van dit artikel. Voor de vaststelling van de hoogte van de AOC kan het inkomen van de eventuele niet-rechthebbende partner in aanmerking worden genomen volgens de systematiek van artikel 32, derde of vierde lid, van de wet. In dit artikel worden verder de begrippen verpleeghuis of verzorgingshuis gebruikt zoals genoemd in artikel 3 van de Awir. Eerste lid Het eerste lid bepaalt welke personen in aanmerking kunnen komen voor de AOC. Daarbij is het van belang dat er geen recht bestaat op de ALOkop. Het betreft belanghebbenden die worden aangemerkt als toeslagpartner. Personen die gehuwd of geregistreerd partner zijn vallen daar in ieder geval onder.
Ook personen die een samenlevingscontract hebben met elkaar worden doorgaans als toeslagpartner aangemerkt, indien zij op hetzelfde adres staan ingeschreven. Het ligt op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er geen aanspraak bestaat op de ALO-kop. In het vierde lid staan groepen belanghebbenden genoemd die in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand. Tweede en derde lid De hoogte van de bijzondere bijstand is gemaximeerd tot het bedrag dat belanghebbenden aan ALO-kop hadden kunnen verkrijgen. De AOC wordt, net als de ALO-kop, per kalendermaand betaalbaar gesteld. De AOC wordt niet als middel in aanmerking genomen bij de verstrekking van algemene bijstand. De eventuele inkomsten van de niet-rechthebbende partner kunnen van invloed zijn op de door de belanghebbende te ontvangen AOC. Immers moet voorkomen worden dat de alleenstaande ouder met een nietrechthebbende partner met inkomsten, door het ontvangen van AOC in een gunstiger positie komt te verkeren dan gehuwden, bestaande uit twee rechthebbende partners. Vierde lid De hoogte van de te verstrekken AOC wordt afgestemd op het eventuele inkomen van de belanghebbende en/of diens partner. Daartoe moet worden vastgesteld wat de relevante bijstandsnorm is. Hierbij zijn § 3.2 en § 3.3 van de wet onverkort van toepassing en geldt artikel 11.1, vierde lid, van deze beleidsregels niet.
Voorkomen moet immers worden dat de ouder die AOC aanvraagt in een gunstiger positie komt te verkeren dan de alleenstaande ouder die de ALO-kop ontvangt van de Belastingdienst. Er wordt wel rekening gehouden met eventuele kosten van delende Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 61
medebewoners als bedoeld in artikel 19a van de wet of verlagingen als bedoeld in de artikelen 27 of 28 van de wet. Vijfde lid, aanhef en onder a Het kan voorkomen, dat de belanghebbende formeel nog gehuwd is of dat er nog sprake is van geregistreerd partnerschap, terwijl de partners feitelijk niet meer bij elkaar wonen. Dan worden de partners toch aangemerkt als toeslagpartners, terwijl er voor de toepassing van de wet sprake is van duurzaam gescheiden leven (artikel 3, tweede lid, onder b van de wet). In deze situatie kan er tijdelijk een AOC worden verstrekt (zie verder het vijfde lid), zodat de partners in staat worden gesteld over te gaan tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed, resp. ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Zo gauw een daartoe strekkend verzoek bij de rechtbank is ingediend, kan alsnog de ALO-kop worden aangevraagd en eindigt het recht op AOC. Duurzaam gescheiden leven moet blijken uit een door beide betrokkenen of door een van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waardoor ieder zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld (CRVB:2013:2053:1271). Niet gewild beletsel kan duurzaam gescheiden leven meebrengen als herstel van de samenwoning niet valt te verwachten (CRVB:2010:BO3524 en CRVB:2011:BP3464).
Er kunnen zich ook situaties voordoen waarin belanghebbenden mogelijk niet duurzaam gescheiden wil leven maar uit de gedragingen van diens (voormalige) partner blijkt dat hij/zij dat wel wil (CRVB:2016:1271). Vijfde lid, aanhef en onder b Wanneer er sprake is van gehuwden of geregistreerd partners, waarbij de partner in detentie verblijft, is er geen sprake van duurzaam gescheiden leven als bedoeld bij onderdeel a. Voor de Belastingdienst/Toeslagen is er in die gevallen sprake van een toeslagpartner, waardoor er geen recht bestaat op de ALO-kop. In tegenstelling tot de situatie zoals genoemd in onderdeel c, kunnen gehuwden of geregistreerd partners niet de inschrijving van de gedetineerde partner laten aanpassen om te bereiken dat men niet meer als toeslagpartner wordt aangemerkt. Om in aanmerking te komen voor de ALO-kop zal de belanghebbende een verzoek moeten indienen tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel over moeten gaan tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De gemeente Rotterdam is van mening dat dit voor de situaties zoals bedoeld in dit onderdeel redelijkerwijs niet kan worden gevergd. De AOC kan dus worden verstrekt zolang deze situatie voortduurt.
Viifde lid, aanhef en onder c In deze situatie is er (a) géén sprake van gehuwden of geregistreerd partners, maar van een andere vorm van toeslagpartnerschap, waarbij (b) de toeslagpartner in detentie verblijft. In dit geval is uitschrijving van het BRP-adres van de gedetineerde toeslagpartner voldoende om het toeslagpartnerschap ongedaan te maken. Op grond van de Wet BRP mag een dergelijke adreswijziging worden verwacht wanneer de detentie (naar verwachting) 2 maanden of langer Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 62
duurt. Daarom wordt hierbij aangesloten door alleen een AOC te verstrekken wanneer de detentieperiode korter duurt dan 2 maanden. De duur van de verstrekking van de AOC wordt uiteraard op de (verwachte) detentieduur afgestemd. Is op voorhand bekend dat de detentieduur 2 maanden of meer zal zijn, dan mag van de aanvrager worden verwacht dat deze zelf actie onderneemt om een adreswijziging te bewerkstelligen. Is de duur van de detentie op voorhand onbekend, dan kan de AOC worden verstrekt voor beperkte tijd; zie hiervoor het vijfde lid. Viifde lid, aanhef en onder d Wanneer er sprake is van gehuwden of geregistreerd partners, waarbij de partner in een verpleeg- of verzorgingshuis verblijft, dan is er geen sprake van duurzaam gescheiden leven als bij onderdeel a bedoeld. Voor de Belastingdienst/Toeslagen is er in die gevallen sprake van een toeslagpartner, waardoor er geen recht bestaat op de ALO-kop. In tegenstelling tot de situatie genoemd in onderdeel e, kunnen gehuwden of geregistreerd partners niet met succes verzoeken om niet meer als toeslagpartner te worden aangemerkt. Om in aanmerking te komen voor de ALO-kop zal de belanghebbende een verzoek moeten indienen tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel over moeten gaan tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
De gemeente Rotterdam is van mening dat dit voor de situaties als bedoeld in dit onderdeel redelijkerwijs niet kan worden gevergd. De AOC kan dus worden verstrekt zolang deze situatie voortduurt. Vijfde lid, aanhef en onder e In deze situatie is er (a) géén sprake van gehuwden of geregistreerd partnerschap, maar van een andere vorm van toeslagpartnerschap, waarbij (b) de toeslagpartner in een verpleeg- of verzorgingshuis verblijft. In dit geval kan met een schriftelijke kennisgeving aan de Belastingdienst/Toeslagen het toeslagpartnerschap ongedaan worden gemaakt. Op grond van gemeentelijk beleid wordt een opname korter dan 3 maanden aangemerkt als een tijdelijke situatie. Daarom wordt hierbij aangesloten door alleen een AOC te verstrekken wanneer de opname in het verpleeg- of verzorgingshuis korter duurt dan 3 maanden. De duur van de verstrekking van de AOC wordt uiteraard op de (behandel)duur van de opname afgestemd. Is op voorhand bekend dat de duur van de opname langer zal zijn dan 3 maanden, dan mag van de aanvrager worden verwacht, dat deze direct een kennisgeving aan de Belastingdienst stuurt. Is de duur van de opname op voorhand onbekend, dan kan de AOC worden verstrekt voor beperkte tijd; zie hiervoor het vijfde lid.
Vijfde lid, aanhef en onder f In het geval dat er sprake is van een niet-rechthebbende partner in de zin van de wet, zal er (in de meeste gevallen) ook sprake zijn van een toeslagpartner. In de praktijk zal het gaan om partners die niet gelijk worden gesteld met een Nederlander als bedoeld in artikel 11 van de wet.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 63
Vijfde lid, aanhef en onder g Wanneer belanghebbende de woning deelt met diens ouder of meerderjarig kind (die geen partner heeft in de zin van de Awir) en beide personen 27 jaar of ouder zijn, dan is er ook sprake van toeslagpartnerschap. Is één van beiden jonger dan 27 jaar of betreft het een stiefouder en –kind, dan kan er geen sprake zijn van toeslagpartnerschap. Vijfde lid, aanhef en onder h Het begrip (toeslag)partner is ruim. Elke meerderjarige medebewoner die niet valt onder de hierboven beschreven categorieën, kan worden aangemerkt als toeslagpartner. Het kan dan gaan om een inwonende bloedverwant in de tweede of hogere graad; of om een vriend(in) of kennis. Zesde lid algemeen Er is geen wettelijke verplichting om een AOC te verstrekken. Desondanks heeft de gemeente Rotterdam beleid vastgesteld om een gemis aan ALOkop te compenseren met de AOC. Hierbij geldt dat het alsnog recht krijgen op de ALO-kop van de Belastingdienst, de gewenste situatie is. De AOC wordt daarom in beginsel slechts tijdelijk verstrekt. Alleen in een aantal specifiek benoemde situaties kan de AOC in beginsel voor onbepaalde tijd worden verstrekt. Zesde lid, aanhef en onder a Zie de toelichting bij het vierde lid onder a. De periode van de bijstandsverlening op grond van dit onderdeel is gemaximeerd.
De gemaximeerde termijn is bedoeld om de partners voldoende tijd te geven om een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed in te dienen dan wel een verzoek om het geregistreerd partnerschap te ontbinden. Daarna ontstaat alsnog recht op de ALO-kop. Wanneer belanghebbende niet of niet tijdig overgaat tot het indienen van een dergelijk verzoek, kan dat nooit leiden tot een verlenging van de periode waarover de AOC kan worden verstrekt. Een kortere periode kan uiteraard wel als de situatie tussentijds wijzigt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat het jongste kind 18 jaar wordt of de ALO-kop binnen de termijn van drie maanden alsnog wordt toegekend. Zesde lid, aanhef en onder b Zie de toelichting bij het vierde lid onder b. Indien en zolang er sprake is van feitelijke detentie van de partner en er geen voornemen is om een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed in te dienen dan wel het geregistreerd partnerschap te ontbinden, bestaat er (bij ongewijzigde omstandigheden: blijvend) aanspraak op bijzondere bijstand in de vorm van een AOC. De AOC wordt telkens voor zes maanden toegekend. Aan het eind van die periode wordt beoordeeld of de situatie ongewijzigd is. In dat geval kan de AOC wederom voor zes maanden worden toegekend. Voor de situaties in dit onderdeel geldt in principe dus geen totale gemaximeerde periode.
Staat op datum aanvraag vast, dat de detentieperiode minder dan zes maanden bedraagt, dan wordt vanzelfsprekend alleen voor de feitelijke verwachte detentieperiode bijzondere bijstand verstrekt. Het partnerschap kan in theorie tussentijds ongedaan worden gemaakt, wanneer de partner Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 64
een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het geregistreerd partnerschap indient. Uiteraard eindigt daarmee het recht op AOC. Zesde lid, aanhef en onder c Zie de toelichting bij het vierde lid onder c. Aanvullend: de volgende drie situaties zijn hier denkbaar. - Wanneer op voorhand bekend is dat de detentie langer duurt dan 2 maanden, bestaat er geen recht op AOC. In dat geval mag worden verwacht dat de adreswijziging direct wordt doorgegeven c.q. een adresonderzoek wordt aangevraagd. - Wanneer de detentieperiode ten tijde van de aanvraag bekend is en in totaal korter duurt dan 2 maanden (gerekend vanaf de ingangsdatum van de detentie), bestaat er recht op AOC tot en met de einddatum van de detentie. - Een specifieke situatie is dat de detentieduur ten tijde van de aanvraag niet bekend is en op dat moment ook nog niet langer duurt dan 2 maanden. In dat geval bestaat er recht op AOC tot maximaal 2 maanden vanaf de ingangsdatum van de detentie. Het kan voorkomen dat er reeds 2 maanden zijn verstreken sinds de start van de detentieperiode, zonder dat er sprake is van een uitspraak waarin de uiteindelijke detentieperiode is vastgesteld. In dat geval heeft de ontvanger van de AOC waarschijnlijk nog geen tijd gehad om zodanige actie uit te zetten dat er alsnog recht op de ALO-kop ontstaat (zoals het aanvragen van adresonderzoek).
Daarom mag de AOC in dit geval worden verstrekt tot het eind van de kalendermaand waarin de detentieperiode de duur van 2 maanden heeft bereikt. Uiteraard geldt dat alleen mits de detentie op dat moment nog voortduurt; beëindiging van de detentieperiode vóór het einde van de kalendermaand leidt tot beëindiging of intrekking van het recht op AOC. Zesde lid, aanhef en onder d Zie de toelichting bij het vierde lid onder d. Indien en zolang sprake is van feitelijk verblijf in een verpleeg- of verzorgingshuis van de partner en er geen voornemen is om een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed in te dienen dan wel het geregistreerd partnerschap te ontbinden, bestaat er (bij ongewijzigde omstandigheden: blijvend) aanspraak op bijzondere bijstand in de vorm van een AOC. De AOC wordt telkens voor maximaal 6 maanden toegekend. Aan het eind van die periode wordt beoordeeld of de situatie ongewijzigd is. In dat geval kan de AOC wederom voor 6 maanden worden toegekend. Voor de situaties in dit onderdeel geldt in principe dus geen totale gemaximeerde periode. Staat op datum aanvraag vast dat de duur van het verblijf in het verpleeg- of verzorgingshuis minder dan 6 maanden bedraagt, dan wordt vanzelfsprekend alleen voor de feitelijke (verwachte) periode van opname bijzondere bijstand verstrekt.
Het partnerschap kan in theorie tussentijds ongedaan worden gemaakt, wanneer de partner een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 65
geregistreerd partnerschap indient. Uiteraard eindigt daarmee het recht op AOC. Zesde lid, aanhef en onder e Zie de toelichting bij het vierde lid onder e. Situaties als bedoeld in dit onderdeel zijn in beginsel begrensd tot 3 maanden, opdat het verzoek om niet meer als partner in de zin van de Awir te worden aangemerkt bij de Belastingdienst/Toeslagen kan worden ingediend. Het indienen van een dergelijk verzoek heeft een verplichtend karakter en moet tijdig, binnen 4 weken na de aanvraag, worden gedaan. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan voor een langere periode aanspraak op bijzondere bijstand bestaan. Het college beoordeelt dat op grond van de individuele situatie. Zesde lid, aanhef en onder f Zie de toelichting bij het vierde lid onder f. Voor deze situatie is de periode van bijstandsverlening gemaximeerd. Het uitgangspunt van de AOC is immers dat deze tijdelijk wordt verstrekt. Het past daarbij niet om in deze situatie de AOC voor onbepaalde tijd te verstrekken. Zesde lid, aanhef en onder g Zie de toelichting bij het vierde lid onder g. Wanneer de belanghebbende en een eerstegraads bloed- of aanverwant als toeslagpartners worden aangemerkt, is de periode van bijstandsverlening niet gemaximeerd. De gemeente vindt het van belang dat dit gezinsverband niet behoeft te worden doorbroken vanwege financiële redenen.
De leeftijdsgrens van 27 jaar vindt zijn grondslag in artikel 3, lid 5 van de Awir. Zesde lid, aanhef en onder h Zie de toelichting bij het vierde lid onder h. Wanneer er sprake is van een meerderjarige medebewoner die niet onder één van bovenstaande categorieën valt, is de maximumduur van de verstrekking 3 maanden. Deze periode kan de belanghebbende gebruiken om zijn situatie aan te passen en bijvoorbeeld een commerciële relatie aan te gaan met de medebewoner. Zevende lid In het vijfde lid is bepaald gedurende welke periode de AOC maximaal kan worden verstrekt. Daarnaast is in het achtste lid van artikel 3.1 van deze beleidsregels vastgelegd dat de AOC met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Het zesde lid is opgenomen om duidelijk te maken of de periode waarover de AOC met terugwerkende kracht is verstrekt, van invloed is op de totale maximumduur waarover de AOC kan worden verstrekt. Dat is alleen voor doelgroep c en e het geval. De maximumperiode als bedoeld in het vijfde lid begint voor deze doelgroepen dus te lopen vanaf de gehanteerde ingangsdatum, óók wanneer de toekenning met terugwerkende kracht plaatsvindt. Dat kan in de praktijk betekenen dat er alleen een verstrekking over een periode voor de aanvraagdatum plaats vindt en er op de meldings-/of aanvraagdatum zelf geen recht meer bestaat op AOC.
Voor de overige doelgroepen geldt, dat de maximumperiode als genoemd in het vijfde lid pas begint te lopen vanaf de meldings-/of aanvraagdatum voor de aanvraag AOC.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 66
Achtste lid Voor een belastingschuld in verband met terugvordering van de ALO-kop kan bijzondere bijstand worden verstrekt, mits werd voldaan aan de voorwaarden voor het recht op AOC. Er wordt geen bijstand verstrekt, wanneer de belastingschuld door eigen toedoen is ontstaan, bijvoorbeeld wanneer het duidelijk had moeten zijn, dat er geen recht (meer) bestond op de ALO-kop. Artikel 10.1 Bestedingscontrole Eerste en tweede lid De bestedingscontrole van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en babyuitzet is een administratief proces dat wordt gedaan met behulp van de Eigen Verklaring (EV, zie begripsbepaling in deze beleidsregels). De belanghebbende aan wie bijzondere bijstand is verstrekt moet de EV binnen de bepaalde termijn op voorgeschreven wijze inleveren maar hoeft daarbij geen aankoopbewijzen toe te voegen. Derde lid Hoewel het overleggen van aankoopbewijzen niet verplicht is, betekent dit niet dat de aankoopbewijzen niet bewaard hoeven te worden. Er geldt een bewaarplicht van 12 maanden. Dit is van belang als de bestedingscontrole aanleiding geeft tot een mogelijke terugvordering van de toegekende bijzondere bijstand. Vierde lid Het kan voorkomen dat het college, bij een (gegrond) vermoeden van misbruik of oneigenlijk gebruik, op andere wijze overgaat tot het vaststellen of de bijzondere bijstand is besteed waarvoor deze is toegekend.
Dat kan bijvoorbeeld via het opvragen van de aankoopbonnen of door middel van een (onaangekondigd) huisbezoek. Daarbij zal het college het subsidiariteitsbeginsel en proportionaliteitsbeginsel in acht moeten nemen. Artikel 10.2 Terugvordering Eerste lid Het college is in principe bevoegd om tot terugvordering over te gaan van de verstrekte bijzondere bijstand indien belanghebbende de Eigen Verklaring niet of niet tijdig overlegt. Het college stelt belanghebbende wel eerst door middel van het bieden van een hersteltermijn in de gelegenheid om alsnog aan zijn verplichting te voldoen. Wordt ook binnen de geboden hersteltermijn geen gehoor gegeven aan dit verzoek, dan kan het college overgaan tot intrekking en bij gevolg daarvan tot terugvordering van de eerder toegekende bijzondere bijstand. Tweede lid aanhef en onder a Is door het college vastgesteld dat de bijzondere bijstand niet volledig is besteed voor het doel waarvoor deze is toegekend, dan kan het college overgaan tot herziening van het niet verantwoorde deel en bij gevolg daarvan tot terugvordering van de eerder toegekende bijzondere bijstand (vergelijk CRVB:2015:2851). Daarbij moet onderscheid worden gemaakt naar verstrekkingen op basis van de globaliseringstabel (volledige Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 67
inrichting) en verstrekkingen voor een concreet duurzaam gebruiksgoed zoals bijvoorbeeld een wasmachine. Tweede lid aanhef en onder b Is door het college vastgesteld dat de bijzondere bijstand is besteed voor een ander doel waarvoor deze is toegekend, dan kan het college overgaan tot herziening/intrekking en bij gevolg daarvan tot terugvordering van de eerder toegekende bijzondere bijstand (CRVB:2015:2851). Derde lid Terugvordering van (een deel van) de toegekende bijzondere bijstand is slechts aan de orde indien uit de Eigen Verklaring blijkt dat de bandbreedte van 10% (tot maximum bedrag) wordt overschreden. In voorkomende gevallen ligt het op de weg van belanghebbende om desgevraagd aankoopbewijzen te overleggen van de overige 90% van de toegekende bijzondere bijstand zodat het college op juiste wijze kan overgaan tot herziening/intrekking van het toegekende recht en bij gevolg daarvan tot eventuele terugvordering van de bijzondere bijstand. Voorbeeld ter illustratie Stel: de globaliseringsbedragen zijn € 1.975,00 voor duurzame gebruiksgoederen en € 631,00 voor stofferingskosten, samen € 2.606,00. Belanghebbende besteedt slechts € 400,00 aan stoffering maar de overige € 2.206,00 wordt correct uitgegeven aan duurzame gebruiksgoederen.
Ook hier geldt dan dat het de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende is of hij meer wil uitgeven aan duurzame gebruiksgoederen of juist aan stoffering. Indien de € 2.606,00 volledig is besteed aan duurzame gebruiksgoederen en/of kosten van stoffering (ongeacht de onderlinge verdeling), is terugvordering dus niet aan de orde. Tevens wordt niet opnieuw beoordeeld of het bedrag dat om niet / in de vorm van een geldlening is verstrekt, achteraf gezien correct was. In dit voorbeeld is slechts € 400,00 uitgegeven aan stoffering en € 2.206,00 aan duurzame gebruiksgoederen, maar dit betekent niet dat de geldlening vervolgens wordt verhoogd. In het omgekeerde voorbeeld (belanghebbende besteedt juist meer aan stoffering en minder aan duurzame gebruiksgoederen) is het gevolg evenmin dat de geldlening wordt verlaagd. De gewijzigde besteding is in die zin de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende. Wordt in dit voorbeeld minder dan € 2.506,00 besteed aan duurzame gebruiksgoederen en kosten van stoffering, dan is de bandbreedte overschreden, en zal het verschil tussen verstrekking en het (correct) bestede bedrag moeten worden teruggevorderd. Het spreekt voor zich dat wanneer alleen bijzondere bijstand is verstrekt voor stofferingskosten, deze bijzondere bijstand niet mag worden besteed aan inrichtingskosten.
Vierde lid Terugvordering van (een deel van) de toegekende bijzondere bijstand is slechts aan de orde indien uit de Eigen Verklaring blijkt dat de bijzondere bijstand is besteed voor een ander (concreet) doel dan waarvoor deze is verstrekt.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 68
Artikel 11.1 Algemene beleidsuitgangspunten Zesde lid Op voorhand kan niet worden gezegd welke kosten belanghebbende uit (een inkomen te hoogte van) de bijstandsnorm moet of kan voldoen. Het college heeft daarbij enige beoordelingsvrijheid (zie bijvoorbeeld CRVB:2009:BJ8150 en CRVB:2010:BN7953). Het Landelijk Overleg Cliëntenraden (LOC) berekent de waskosten die een bewoner van instelling verschuldigd kan (lees: mag) zijn. Zevende lid Voor de draagkrachtberekening geldt de toepasselijke bijstandsnorm. Dit lid bepaalt echter dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet bij de berekening van de draagkracht niet van toepassing is. Ook gelden de eventuele verlagingen wegens de woonsituatie of het als schoolverlater worden aangemerkt niet. Achtste lid Bij het bepalen van de draagkracht gaat het college uit van de inkomsten en het vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit komt overeen met de omschrijving die de wetgever hanteert in artikel 31, eerste lid van de wet. Dit betekent ook dat in het geval er periodiek bijzondere bijstand wordt verstrekt van wisselende hoogten, de vastgestelde draagkracht nog steeds wordt verrekend. Het college is bijvoorbeeld ook bevoegd om bij de berekening van de bijzondere bijstand rekening te houden met de fictieve tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang (CRVB:2013:2131).
Dat belanghebbende ervan afziet deze tegemoetkoming aan te vragen brengt niet mee dat deze voor de toepassing van de wet niet als in aanmerking te nemen middel moet worden beschouwd. Negende lid Aanvragers die zijn toegelaten tot de schuldsanering op grond van de WSNP hebben geen draagkracht. Artikel 11.2 Draagkrachtperiode inkomen en vermogen Eerste lid In afwijking van de algemene regels kan de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht worden verstrekt (zie art. 3.1, derde tot en met vijfde lid van de beleidsregels). De draagkrachtperiode begint altijd met ingang van de eerste dag van de eerste maand waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt Tweede lid In beginsel wordt slechts éénmaal per draagkrachtjaar een draagkrachtberekening uitgevoerd. Er kan echter aanleiding zijn om de vastgestelde draagkracht aan te passen als er zich wijzigingen voordoen in het inkomen of vermogen die een hogere draagkracht tot gevolg zouden kunnen hebben. Ook een wijziging in de gezinsomstandigheden kan aanleiding zijn voor een aanpassing, bijvoorbeeld een huwelijk, echtscheiding of overlijden. In die gevallen ligt het zeker voor de hand dat de draagkracht opnieuw wordt vastgesteld omdat belanghebbende niet Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 69
meer of juist als alleenstaande (ouder) wordt aangemerkt. Indien belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting, wordt de draagkracht over het lopende jaar opnieuw berekend. Wanneer bij de vaststelling van de draagkracht al een inkomenswijziging kan worden voorzien, kan het college de draagkrachtperiode korter vaststellen. Vierde lid Het kan voor komen dat een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode. In dat geval blijft de eerder vastgestelde draagkrachtperiode gelden. Artikel 11.3 Draagkracht en inkomen Het college is bevoegd een differentiatie te hanteren in kostensoorten bij het vaststellen van draagkrachtregels (inkomen). Dat volgt uit de uit de wettekst van artikel 35 lid 1 van de wet en kan worden afgeleid uit jurisprudentie. Bij het hanteren van (gedifferentieerde) draagkrachtregels kan het dus voor komen dat het college heeft vastgesteld dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd weliswaar noodzakelijk zijn én voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, maar toch niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen omdat - op basis van deze beleidsregels - is bepaald dat de kosten voldaan kunnen worden uit het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm.
Het college is slechts vrij te bepalen met welk deel van de (in aanmerking te nemen) inkomsten boven bijstandsniveau en over welke periode de draagkracht in aanmerking wordt genomen. In het huidige beleid is er sprake van twee draagkrachtregimes te weten: • de staffel (als bedoeld in art. 11.3, tweede tot en met vierde lid en bijlage 1 bij deze beleidsregels); en • de 100%-draagkracht (als bedoeld in art. 11.3, vijfde lid en bijlage 2 bij deze beleidsregels). Zesde lid Dit lid schrijft voor hoe het college omgaat met de draagkracht in het geval van nieuwe aanvragen die worden ingediend binnen het vastgestelde draagkrachtjaar. Bij een nieuwe aanvraag binnen een lopend draagkrachtjaar wordt (er van uitgaand dat aan de overige voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand is voldaan) uiteraard gekeken naar het restant van de draagkracht uit inkomen binnen het van toepassing zijnde draagkrachtregime. Met de eerdere aanvraag / aanvragen zal de aanvankelijk voor de draagkrachtperiode vastgestelde draagkracht immers al deels of volledig zijn verbruikt. Zevende lid Zoals eerder aangegeven gelden er twee verschillende draagkrachtregimes bij de vaststelling van draagkracht uit inkomen.
Bij samenloop van kostensoorten die onder bijlage 1 vallen en kostensoorten die zijn genoemd in bijlage 2, moet worden voorkomen dat er meer draagkracht wordt verrekend dan de vastgestelde draagkrachtruimte in het inkomen. Daarom is hier een anticumulatiebepaling opgenomen.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 70
Artikel 11.4 Draagkracht en vermogen Eerste lid Het college is bevoegd om bij de vaststelling van draagkracht uit vermogen afwijkende vermogensgrenzen te hanteren dan de grenzen die gelden voor de algemene bijstand. Daarbij mag onderscheidt worden gemaakt tussen kostensoorten (zie bijvoorbeeld CRVB:2011:BP3443). In het eerste lid is vastgelegd dat de vermogensgrens als bedoeld in de wet wordt gehanteerd. Derde lid Dit lid schrijft voor hoe het college omgaat met de draagkracht in het geval van nieuwe aanvragen die worden ingediend binnen het vastgestelde draagkrachtjaar. Bij een nieuwe aanvraag binnen een lopend draagkrachtjaar wordt (er van uitgaand dat aan de overige voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand is voldaan) uiteraard gekeken naar het eventuele restant van de draagkracht uit vermogen. Artikel 12.2 Overgangsrecht Eerste lid Als uitgangspunt geldt dat het college bij besluiten (aanvraag en beslissing op bezwaar) het regime toepast dat het meest gunstig is voor betrokkene. Als de aanvraag voor 1 oktober 2019 is ingediend en toepassing van de destijds geldende draagkrachtregels gunstiger is voor de aanvrager dan deze (nieuwe) beleidsregels, dan worden dus de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2018 toegepast. Uiteraard geldt dit niet voor besluiten die zijn genomen voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.
Tweede lid Dit lid bepaalt het overgangsrecht voor reeds vastgestelde draagperiodes. Dat wil zeggen dat het college, op grond van de nieuwe beleidsregels over draagkracht, niet terugkomt van deze besluiten. Voor nieuwe aanvragen die op of ná 1 oktober 2019 worden ingediend gelden deze (nieuwe) beleidsregels.
Gemeenteblad 2019
Nummer 127 pagina 71