CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005512] Bijlage 3 behorende bij 23bb005509 over Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019

Gemeenteraad 7 september 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het beleidskader ‘Rotterdam voor iedereen. Samen sterk tegen armoede’ als kader voor het armoede en schuldenbeleid 2023-2026.25.005 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeenteblad 2019 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019

De directeur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling, gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 van de Participatiewet; overwegende, dat het college het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet kan worden verstrekt en geweigerd en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit:

1.

Algemene bepalingen

1.1 Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: - ALO-kop: de verhoging van het kindgebonden budget, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget; - AOC: de alleenstaande oudercompensatie als bedoeld in hoofdstuk 9; - draagkracht: het gedeelte of restant van het inkomen en vermogen dat wordt gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen; - draagkrachtruimte: het deel van het inkomen en vermogen waarover de draagkracht wordt berekend, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt naar draagkrachtruimte in het inkomen en draagkrachtruimte in het vermogen; - draagkrachtloos inkomen: het grensbedrag tot welke hoogte er geen sprake is van draagkrachtruimte in het inkomen; - draagkrachtpercentage: het percentage van de draagkrachtruimte dat als draagkracht wordt aangemerkt; - draagkrachtregime: geheel van regels over het vaststellen van draagkrachtruimte en draagkrachtpercentages met betrekking tot de draagkracht uit inkomen; - eigen verklaring: een door het college beschikbaar gesteld formulier waarop belanghebbende op voorgeschreven wijze invult hoe de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en babyuitzet is besteed; - inkomen: het inkomen of bijzonder inkomen, bedoeld in artikel 31, eerste lid en tweede lid, onder c van de wet voor de persoon jonger dan 27 jaar en de artikelen 32

en 33 van de wet;

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 1

-

-

jongmeerderjarige: persoon in de leeftijd van 18 tot 21 jaar; middelen: alle vermogens- en inkomensbestandsdelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet; Rotterdampakket: de zorgverzekering VGZ Rotterdampakket, niet zijnde het Rotterdampakket Compact; toeslagpartner: de persoon, bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; vermogen: het vermogen, bedoeld in artikel 34 van de wet; wet: de Participatiewet; woning: een zelfstandige woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, wasen kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld, alsmede een woonwagen op een erkende standplaats of een woonschip; woonkosten: kosten verbonden aan een al dan niet eigen woning.

1.2 Reikwijdte Het bepaalde in deze beleidsregels heeft uitsluitend betrekking op artikel 35 van de wet. 1.3 Advisering 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen indien dat voor het vaststellen van de noodzaak of de hoogte van de bijzondere bijstand aangewezen is. 2. De aanvrager verleent desgevraagd zijn medewerking aan het onderzoek dat nodig is voor het advies. 3. Het college vraagt in ieder geval deskundigenadvies aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor: a. dieetkosten; b. extra warmtekosten; c. waskosten en kledingslijtage. 4. Het vragen van een deskundigenadvies kan, in afwijking van het derde lid achterwege blijven als: a. het jaarlijks terugkerende kosten betreft en 1°. het overduidelijk is dat de situatie sinds het laatste deskundigenadvies niet is gewijzigd, of 2°. wanneer herbeoordeling door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst in een voorgaand advies niet is geadviseerd; b. de medische noodzaak op een andere wijze is vastgesteld en de kosten bovendien lager zijn dan € 240,-, tenzij het naar verwachting gaat om een meerjarige verstrekking; c. de aanvraag op andere gronden, dan de grond waarvoor deskundigenadvies gevraagd zou worden, wordt afgewezen.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 2

2.

Algemene uitgangspunten

2.1 Voorliggende voorziening Het college merkt een lening bij de Kredietbank Rotterdam niet aan als een voorliggende voorziening. 2.2 Noodzakelijke kosten van het bestaan 1. Onder de noodzakelijke kosten van het bestaan wordt verstaan: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op het minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. 2. De kosten beheer persoonsgebonden budget voor bewindvoerders zijn geen noodzakelijke kosten, tenzij de aanvrager aantoont dat in diens specifieke geval de keuze voor Zorg in Natura niet mogelijk is. 2.3 Bijzondere omstandigheden Voor de volgende kosten geldt geen reserveringsplicht: a. dieetkosten; b. waskosten; c. kledingslijtage; d. bewindvoerderskosten. 2.4 Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt, onverminderd de toepassing van artikel 48 van de wet, om niet verstrekt, tenzij anders bepaald. 3.

De aanvraag

3.1 Indienen aanvraag 1. De aanvraag om bijzondere bijstand kan uitsluitend worden ingediend door middel van het hiertoe door het college beschikbaar gestelde formulier. 2. Een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend voordat de kosten opkomen of worden gemaakt. 3. Het college kan van het tweede lid afwijken, indien: a. de kosten zijn gemaakt of opgekomen vóór de datum van aanvraag met dien verstande dat: 1°. de nota’s niet ouder mogen zijn dan 3 maanden; 2°. de kosten niet langer geleden dan 6 maanden voor de datum van de aanvraag zijn gemaakt of opgekomen; b. het college nog kan vaststellen dat de kosten zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35 van de wet; c. de kosten, met uitzondering van de kosten bedoeld in artikel 5.2, 6.1, eerste lid en 8.5, nog niet zijn voldaan. 4. In afwijking van het tweede en derde lid kan het college de bijstand, bedoeld in artikel 9.1 verstrekken vanaf 3 maanden voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend, voor zover in die periode werd voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 9.1. Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 3

5.

4.

In afwijking van het vorige lid geldt voor de aanvraag om bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de huur bij verblijf in detentie dat deze niet eerder wordt ingediend dan de datum waarop belanghebbende daadwerkelijk in detentie verblijft en niet later dan 2 maanden na de datum waarop het verblijf in detentie is aangevangen. Kosten in verband met wonen

§ 1 Woonkostentoeslag en verhuisplicht 4.1 Woonkostentoeslag huurders 1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een woonkostentoeslag als de Wet op de huurtoeslag niet als passende en toereikende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. 2. Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan huurders aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. 3. In afwijking van het eerste lid kan het college bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende die een woning huurt met woonkosten boven de van toepassing zijnde maximaal subsidiabele huurgrens als de woonkosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. 4. De bijzondere bijstand wordt verleend voor een periode van ten hoogste 12 maanden. 5. Indien de belanghebbende zich in voldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven zonder dat dit heeft geleid tot het verkrijgen van een passende woning of woonruimte, kan de woonkostentoeslag worden verlengd in het geval de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en een maximumtermijn van 24 maanden nog niet is bereikt. 6.

Indien de belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin. 7. In het geval het college bijzondere redenen vaststelt kan de bijzondere bijstand met ten hoogste 12 maanden worden verlengd. De bijzondere bijstand wordt dan in de vorm van een lening verstrekt omdat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de wet. 8. Indien belanghebbende 6 maanden voor de peildatum, bedoeld in de Wet op de huurtoeslag een woning huurt waarvoor geen passendheidsverklaring wordt afgegeven en hem dat in het kader van de voorzienbaarheid te verwijten valt, handelt het college de aanvraag af overeenkomstig het zesde en zevende lid.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 4

9. Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand van de belanghebbende jonger dan 23 jaar af indien de woonkosten hoger zijn dan de toepasselijke maximaal subsidiabele huurgrens, tenzij: a. de woning is toegewezen op basis van een eerder hoger inkomen; of b. belanghebbende samenwoonde met een persoon met een hoger inkomen en die samenwoning in ieder geval op het moment van de aanvraag is beëindigd. 10. In afwijking van het vierde lid eindigt het recht op bijzondere bijstand voor de belanghebbende, bedoeld in het negende lid, die de leeftijd van 23 jaar bereikt, per de datum waarop aanspraak ontstaat op huurtoeslag. 11. De bijzondere bijstand genoemd in het zevende en achtste lid wordt als lening verstrekt. 4.2 Woonkostentoeslag woningeigenaren 1. Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan woningeigenaren aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. 2. Het college kan bijzondere bijstand verlenen indien de woonkosten lager zijn dan de toepasselijke maximaal subsidiabele huurgrens en sprake is van noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. 3. Het college kan bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende met woonkosten boven de maximaal subsidiabele huurgrens voor een periode van ten hoogste 12 maanden. 4.

Indien de belanghebbende zich in voldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven zonder dat dit heeft geleid tot het verkopen van de eigen woning of het verkrijgen van een passende woning of woonruimte, kan de woonkostentoeslag met ten hoogste 12 maanden worden verlengd in het geval de kosten (nog steeds) voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en de maximumtermijn van 24 maanden nog niet is bereikt. 5. Indien de belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van belanghebbende of diens gezin. 6. In het geval het college bijzondere redenen vaststelt kan de bijzondere bijstand met ten hoogste 12 maanden worden verlengd. De bijzondere bijstand wordt dan in de vorm van een lening verstrekt omdat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de wet.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 5

4.3 Vaststellen hoogte woonkostentoeslag woningeigenaren 1. Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand aan woningeigenaren worden bij het bepalen van de woonkosten, met uitzondering van de toepasselijke basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, in aanmerking genomen: a. de hypotheekrente, niet zijnde de aflossing van de hypotheek of de premie van een spaar- of beleggingshypotheek; b. de hypotheekrente als voorfinanciering van de subsidie volgens de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984; c. de onroerend-zaakbelasting voor zover het de aanslag betreft van het eigendom; d. de erfpachtcanon; e. de waterschapslasten over het eigendom voor zover geen kwijtschelding is verleend; f. de afvalstoffenheffing voor zover geen kwijtschelding is verleend; g. de opstalverzekering; h. de rioolheffing; i. andere zakelijke lasten die op de onroerende zaak drukken waaronder de noodzakelijke administratiekosten voor een vereniging van huiseigenaren tot een maximum van € 12,67 per maand; en j. een forfaitair bedrag voor normale periodieke onderhoudskosten met een maximum van € 532,- per jaar. 2. Indien belanghebbende de woning gedeeltelijk bewoont en de woonkosten niet zijn gesplitst, dan stemt het college de hoogte van de bijzondere bijstand naar rato af op die kosten. 3.

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de voorlopige teruggaaf of nog te verkrijgen teruggaaf van de BelastingdienstToeslagen.

4.4 Verhuisplicht 1. Het college kan aan de bijzondere bijstand die wordt verstrekt in de vorm van een woonkostentoeslag nadere verplichtingen verbinden in de vorm van de verhuisplicht. Deze verplichting is gericht op het zoeken en accepteren van een passende woning of woonruimte. Van de woningeigenaar kan in dat kader ook verwacht worden dat de eigen woning te koop wordt aangeboden. 2. Het college legt de verhuisplicht op indien de woonkosten hoger zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, tenzij: a. belanghebbende of een persoon uit diens huishouden gehandicapt is en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de handicap;

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 6

b. bij belanghebbende sprake is van door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale of medische gronden waardoor verhuizen niet kan worden gevergd; c. belanghebbende op het moment van de aanvraag jonger is dan 21 jaar; d. aan belanghebbende algemene bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening in verband met een krediethypotheek, tot het moment dat het kredietplafond is bereikt; e. belanghebbende als zelfstandige wordt aangemerkt die gedurende een korte periode algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 2, eerste lid, onder a en b van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. 3. Indien en zolang het college de verhuisplicht niet oplegt, is de bijzondere bijstand niet aan de maximale termijn, bedoeld in artikel 4.1, vierde en vijfde lid en 4.2, derde en vierde lid, gebonden.

4.5 Verhuisplicht: voorwaarden huurders 1. Van de belanghebbende die een woning huurt en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd, bedoeld in artikel 4.1 eerste lid van deze beleidsregels wordt in ieder geval verwacht dat belanghebbende: a. binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand een urgentieverklaring aanvraagt bij Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond; b. zich binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand inschrijft als woningzoekende bij Woonnet Rijnmond en deze inschrijving handhaaft gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; en c. in de periode van bijstandsverlening aantoonbare activiteiten verricht om een passende woning of woonruimte te zoeken en te accepteren. 2. Onder aantoonbare activiteiten wordt in ieder geval verstaan minimaal twee reacties per maand op passende woningen bij Woonnet Rijnmond of op de particuliere markt. 3. Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan: a. met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens; b. die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van belanghebbende; en c. die niet geconcentreerd zijn in één bepaalde wijk maar zich bevinden in de verschillende wijken en plaatsen binnen en buiten de gemeente Rotterdam. 4.

Het college maakt het geheel van concrete voorwaarden dat aan het recht op bijzondere bijstand wordt verbonden bekend door middel van de beschikking.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 7

4.6 Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren 1. Van de belanghebbende die eigenaar is van een woning en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd wordt in ieder geval verwacht dat hij: a. de woning zelf bewoont; b. binnen 1 maand na toekenning van de bijzondere bijstand de eigen woning te koop aanbiedt via een erkende makelaar die zorgdraagt dat op de geëigende wijze wordt geadverteerd en deze aanbieding handhaaft gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; c. de vraagprijs van de woning zodanig vaststelt dat die in redelijke verhouding staat tot de waarde van de woning; d. in de periode van bijstandsverlening alles nalaat wat de verkoop van de woning zou kunnen belemmeren. 2. Onder een redelijke vraagprijs wordt in beginsel verstaan de WOZwaarde van de woning met een procentuele opslag van 20%, uitgaande van de waarde, genoemd in de meest recente WOZ-beschikking. Daarvan kan op verzoek van de aanvrager worden afgeweken als blijkt dat die waarde niet in overeenstemming is met de marktwaarde van de woning. 3. Nadat de koopovereenkomst is gesloten, wordt van belanghebbende in ieder geval verwacht dat hij: a. binnen 1 maand na ondertekening van de koopovereenkomst een urgentieverklaring aanvraagt bij Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond; b.

zich binnen 1 maand na ondertekening van de koopovereenkomst inschrijft als woningzoekende bij Woonnet Rijnmond; en c. in de resterende periode van bijstandsverlening in de vorm van een woonkostentoeslag aantoonbare activiteiten verricht die gericht zijn op het vinden en accepteren van een passende woning of woonruimte. 4. Onder aantoonbare activiteiten worden in ieder geval verstaan ten minste twee reacties per maand op passende woningen bij Woonnet Rijnmond of op de particuliere markt. 5. Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan: a. met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens; b. die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van belanghebbende; en c. die niet geconcentreerd zijn in één bepaalde wijk maar zich bevinden in de verschillende wijken en plaatsen binnen en buiten de gemeente Rotterdam. 6. Het college maakt het geheel van concrete voorwaarden dat aan het recht op bijzondere bijstand wordt verbonden bekend door middel van de beschikking. Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 8

§ 2 Verhuiskosten en inrichtingskosten 4.7 Verhuiskosten algemeen 1. Als verhuiskosten worden aangemerkt: a. eerste maand huur; b. administratiekosten; c. waarborgsom; d. transportkosten. 2. De hoogte van verhuiskosten, met uitzondering van de transportkosten, wordt vastgesteld op basis van de feitelijke kosten. 3. De bijzondere bijstand voor de kosten van de waarborgsom wordt in de vorm van een lening verstrekt. 4.8 Duurzame gebruiksgoederen 1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen wordt vastgesteld aan de hand van de prijzen als opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand voor een volledige in- of herinrichting van de woning wordt vastgesteld aan de hand van de globaliseringstabel als opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels. 4. Het college bevordert de aanschaf van tweedehands duurzame gebruiksgoederen door de belanghebbende voorlichting te geven over de omvang van de aflossingsperiode en op welke wijze de duurzame gebruiksgoederen aangeschaft kunnen worden. 5. De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt. 6.

In afwijking van het vorige lid kan het college de bijzondere bijstand om niet verstrekken indien de belanghebbende, die is toegelaten tot het wettelijk schuldhulpverleningstraject, voldoet aan de voorwaarden van dat traject en het verstrekken van bijzondere bijstand in de vorm van een lening het slagen van het traject in gevaar brengt. 4.9 Babypakket 1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een babypakket. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2. Onder de kosten van een babypakket worden verstaan de aanschaf van: a. luiers; b. hemdjes; c. een badje; d. een kruik; e. een matrasje; f. een dekbedje; g. lakentjes;

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 9

h. een babydraagzak; en i. een zeiltje. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de richtprijs als opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels. 4. De bijzondere bijstand voor een babypakket wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt. 4.10 Babyuitzet 1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de babyuitzet. Indien de kosten betrekking hebben op het eerste kind van de ouder gaat het college er in ieder geval van uit dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2. Onder de kosten van een babyuitzet worden verstaan: a. een box; b. een kinderstoel; c. een combi kinder- en wandelwagen; d. een babyledikant; en e. een commode. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de richtprijs als opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels. 4. De bijzondere bijstand voor de babyuitzet wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt. § 3 Overige kosten in verband met wonen 4.11 Personenalarmering 1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van noodzakelijke personenalarmering. 2. Slechts de kosten van het abonnement en de eenmalige aansluitkosten komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. 4.12 Aware-systeem 1.

Het college kan uitsluitend bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van het Aware-systeem, indien de daarvoor bestemde indicatiecommissie een indicatie stelt waaruit de noodzaak blijkt. 2. De bijzondere bijstand wordt voor ten hoogste één jaar toegekend en kan met één jaar worden verlengd indien de indicatie-commissie dat noodzakelijk acht. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit: a. de maandelijkse huurkosten gedurende de in het tweede lid genoemde termijn; b. de eenmalige installatiekosten ter hoogte van € 50,- en een eenmalige borgsom ter hoogte van € 50,-. 4. De bijzondere bijstand voor de eenmalige waarborgsom wordt in de vorm van een lening verstrekt. 4.13 Doorbetaling huur verblijf in detentie 1. Het college kan aan een belanghebbende die als alleenstaande wordt aangemerkt en huurder is van een woning of een kamer bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de huur indien: Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 10

a. belanghebbende in Nederland in detentie verblijft; b. de periode van detentie ten minste 1 en ten hoogste 12 maanden bedraagt; c. in de 5 jaren voorafgaand aan de aanvraag niet eerder bijzondere bijstand in verband met de doorbetaling van de huur bij verblijf in detentie is verstrekt; en d. voor de doorbetaling van de huur een positief advies is uitgebracht over het aanhouden van de woning. 2. De bijzondere bijstand, bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt gedurende ten hoogste 6 maanden en kan eenmaal worden verlengd met ten hoogste 6 maanden. 3. Indien na de datum van het besluit tot verlening van bijzondere bijstand op grond van dit artikel bekend wordt dat de totale periode van detentie meer dan 12 maanden bedraagt, beëindigt het college de toegekende bijzondere bijstand met ingang van de eerste dag van de volgende maand na het bekend worden van de detentieduur. 4. De bijzondere bijstand wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt. 4.14 Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling 1. Het college kan aan een belanghebbende die als alleenstaande wordt aangemerkt en tijdelijk verblijft in een instelling vanwege medische of sociale omstandigheden bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten indien het aanhouden van de woning noodzakelijk is. 2. Onder de vaste lasten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan: a. de huur; en b.

de kosten van het vastrecht voor gas, water en elektra. 3. De periode waarvoor het college bijzondere bijstand kan verlenen bedraagt ten hoogste 12 maanden. 4. De noodzaak van het aanhouden van de woning, bedoeld in het eerste lid, wordt vermoed aanwezig te zijn indien belanghebbende de hoge bijdrage is verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg met een maximumduur van 3 maanden vanaf het moment dat belanghebbende de eigen bijdrage voor het eerst verschuldigd was. § 4 Bijstand aan jongmeerderjarigen 4.15 Jongmeerderjarigen 1. Het college kan aan een jongmeerderjarige bijzondere bijstand verlenen indien de noodzakelijke algemene kosten van het bestaan meer bedragen dan de voor hem geldende norm omdat: a. de jongmeerderjarige zelfstandig woont; en b. voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op zijn ouders, omdat: 1 . de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 11

2.

3.

4. 5.

5.

2 . de jongmeerderjarige redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken. De jongmeerderjarige kan zijn onderhoudsrecht in ieder geval niet te gelde maken indien: a. de jongmeerderjarige ouderloos is; b. de ouders onbereikbaar in het buitenland wonen, dan wel anderszins onbereikbaar zijn; c. de jongmeerderjarige buiten het gezinsverband van de ouders is geplaatst in het kader van verlengde jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of Jeugdstrafrecht; d. de jongmeerderjarige niet verantwoord nog langer bij de ouders kan wonen; of e. de jongmeerderjarige de zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt tezamen met de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 20 van de wet niet meer dan de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 21 van de wet. Het recht op bijzondere bijstand wordt in ieder geval beëindigd met ingang van de datum waarop de 21-jarige leeftijd wordt bereikt. Indien het college bijzondere bijstand verstrekt aan de jongmeerderjarige wordt geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot verhaal, bedoeld in artikel 62 van de wet. Kosten van medische aard

5.1 Extra kosten wassen en kledingslijtage 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor extra waskosten en extra kosten van slijtage van kleding of schoeisel, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2. Onder deze kosten worden de kosten verstaan die zich voordoen wanneer vanwege een medische oorzaak meer slijtage van de kleding, schoeisel of beddengoed dan wel extra bewassing noodzakelijk is ten opzichte van wat gebruikelijk is. 3. Indien uit het deskundigenadvies blijkt dat een medische noodzaak voor extra was- en slijtagekosten aanwezig is, wordt het bestaan van meerkosten vermoed. 4. Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast aan de hand van de door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst gehanteerde categorieën en bijbehorende kosten: a. categorie 1 € 133,-; b. categorie 2 € 230,-; c. categorie 3 € 306,-; d. categorie 4 € 408,-; e. categorie 5 € 510,-; f. categorie 6 € 561,-.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 12

5. Voor kinderen tussen de 4 en 15 jaar bedraagt de bijzondere bijstand 75% van de genoemde bedragen. 5.2 Extra warmtekosten 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verstrekken voor extra warmtekosten, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke meerkosten. 2. Hieronder worden de kosten verstaan die zich voordoen wanneer uit een deskundigenadvies blijkt dat er op medische gronden een hogere woningtemperatuur noodzakelijk is dan wat gebruikelijk is. 3. Het daaruit voortkomende hogere verbruik is het verschil tussen het werkelijke verbruik, zoals opgenomen in de meest recente jaarafrekening van de leverancier, en het gemiddelde verbruik per jaar conform de Nibud-prijzengids. 4. Het college stelt het bedrag aan bijzondere bijstand vast als de hoogte van de kosten van het hogere verbruik. 5. De bijzondere bijstand wordt eenmaal per jaar verstrekt. 5.3 Dieetkosten 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor dieetkosten indien belanghebbende om medische redenen is aangewezen op een bepaald dieet en de kosten van dat dieet meerkosten met zich meebrengen. 2. Het college stelt het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van een deskundigenadvies. 5.4 Kosten na aanschaf gehoorapparaat 1.

Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten die verbonden zijn aan een aangeschaft gehoorapparaat indien het betreft: a. een nazorg- of onderhoudscontract; of b. reparatiekosten die: 1°. niet onder reguliere garantie van het gehoorapparaat vallen; of 2°. niet worden vergoed door de fabriek, leverancier of zorgverzekeraar. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand per gehoorapparaat bedraagt voor een nazorg- of onderhoudscontract met een looptijd van ten hoogste vijf jaar en voor reparatiekosten ten hoogste € 85.-. 5.5 Maaltijdvoorziening 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de meerkosten van een maaltijdvoorziening indien de noodzaak wordt vastgesteld op basis van een deskundigenadvies. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de Nibud-prijzengids.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 13

5.6 Alternatieve relatiebemiddeling 1. Onder alternatieve relatiebemiddeling worden diensten verstaan in de vorm van intiem lichamelijk contact. 2. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van alternatieve relatiebemiddeling indien: a. belanghebbende woonachtig is in een instelling of niet woonachtig is in een instelling maar wel begeleiding krijgt van een erkende instelling voor ambulante hulp- en dienstverlening voor mensen met een handicap; b. belanghebbende een indicatie heeft van een behandelend specialist voor het hebben van een dergelijk contact vanuit therapeutisch oogpunt; en c. de diensten door een daarvoor gespecialiseerd bureau worden geleverd. 3. Het recht op bijzondere bijstand wordt vastgesteld op ten hoogste 1 dienst per maand en de hoogte van de bijzondere bijstand voor een dienst bedraagt ten hoogste € 103,-. 4. De bijzondere bijstand wordt betaalbaar gesteld op basis van betaalbewijzen. Indien dat niet mogelijk is, kan worden volstaan met een verklaring van de instelling waar belanghebbende verblijft of de geïndiceerde behandeling van ontvangt. 5. Bij elke vervolgaanvraag om bijzondere bijstand stelt het college opnieuw vast of een indicatie bestaat als bedoeld in het tweede lid onder b. 5.7 Bijzondere bijstand bril of contactlenzen 1.

Het college kan aan belanghebbende of het tot zijn laste komende kind die is verzekerd bij het Rotterdampakket bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van een bril of contactlenzen indien: a. de reguliere termijn waarbinnen een vergoeding wordt verstrekt op grond van het Rotterdampakket nog niet is verstreken; b. binnen die termijn een medische noodzaak bestaat voor vervanging; en c. geen vergoeding van de kosten bestaat op grond van een andere regeling. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste de vergoeding die op grond van het Rotterdampakket kan worden verkregen en wordt vastgesteld op basis van de goedkoopst mogelijke adequate oplossing.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 14

5.8 Kosten eigen bijdragen uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage voor uitneembare volledige prothetische voorzieningen voor de boven- of onderkaak indien nog geen vergoeding kan worden verkregen op grond van het Rotterdampakket omdat de aanvrager nog niet: a. wordt toegelaten tot het Rotterdampakket omdat de Regeling wanbetalers op hem van toepassing is; of b. wordt toegelaten tot het Rotterdampakket, anders dan op grond van een te hoog inkomen. 2. Bij de beoordeling van de aanvraag kan het college rekening houden met de mogelijkheid om de kosten uit te stellen tot het moment dat wel een vergoeding op grond van het Rotterdampakket kan worden verkregen, tenzij dat redelijkerwijs niet van de aanvrager kan worden gevergd. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste de vergoeding die op grond van het Rotterdampakket kan worden verkregen. 6.

Eigen bijdragen

6.1 Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand indien aan de belanghebbende een toevoeging is verleend. 2. De kosten voor de eigen bijdrage rechtsbijstand worden vastgesteld op basis van de verschuldigde eigen bijdrage verminderd met de verlaging, bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, die belanghebbende redelijkerwijs had kunnen ontvangen. 3. Indien uit de aanvraag en de bij de aanvraag overgelegde stukken redelijkerwijs blijkt dat de aanvrager door middel van een verzoek tot peiljaarverlegging een lagere eigen bijdrage verschuldigd is, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid om een verzoek tot peiljaarverlegging in te dienen, alvorens op de aanvraag wordt beslist. 4. In het geval de aanvrager dit verzoek niet indient of de termijn voor het verzoek inmiddels is verstreken, stelt het college de noodzakelijke kosten vast op het bedrag aan eigen bijdrage zoals dat verschuldigd zou zijn bij peiljaarverlegging. 5. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor griffierecht, mits belanghebbende gebruik maakt van de mogelijke kortingsregelingen voor griffierechten.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 15

6.2 Eigen bijdrage kinderopvang 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage van kinderopvang op basis van een door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst vastgestelde sociaal-medische indicatie dan wel op basis van een door het Centrum voor Jeugd en Gezin afgegeven indicatie voor extra spelen en leren. 2. Het college kan aan de ouders eenmalig bijzondere bijstand verlenen als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de algemene bijstand wordt beëindigd wegens: 1°. aanvaarding van werk met een arbeidscontract van ten minste 6 maanden; of 2°. het starten van een eigen onderneming of werkzaamheden als zelfstandige zonder personeel; b. een tegemoetkoming is niet eerder verstrekt. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand, bedoeld in het tweede lid bedraagt € 300,-. 6.3 Eigen bijdrage zorgverzekeringswet 1. Het college kan aan een belanghebbende eenmaal per kalenderjaar bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet of de Regeling zorgverzekering. 2. De eigen bijdrage bedraagt per kalenderjaar ten minste € 50,- om voor verstrekking van bijzondere bijstand in aanmerking te komen. 3. Het college verstrekt ten hoogste € 200,- bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage. 7.

Reiskosten

7.1 Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor het maken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten om een gezinslid of naast familielid te bezoeken. 2. Onder gezinslid of naast familielid wordt verstaan: de partner of de eerste of tweede graad bloedverwant van de belanghebbende. 3. Onder uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten worden kosten verstaan in verband met: a. het bezoek aan een gezinslid of naast familielid dat langdurig verblijft in een ziekenhuis, met dien verstande dat het afleggen van de bezoeken langer dan 4 weken voortduurt en waarbij geldt dat alleen reiskosten die na 4 weken worden gemaakt voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen; b. het bezoek aan een gezinslid of naast familielid, dat verblijft in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis als bedoeld in de wet of de Wet langdurige zorg of thuis wordt verzorgd dan wel verpleegd; Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 16

4.

5.

6.

7.

c. het bezoek van de ouders voor het bezoek aan de instelling, niet zijnde een ziekenhuis, waar hun kind verblijft; d. het bezoek aan een gedetineerd gezinslid of naast familielid; e. in verband met calamiteiten bij een gezinslid of naast familielid. Reiskosten die niet meer dan twee zones (OV) bedragen, zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 eerste lid van de wet, tenzij het de enkele reis betreft van de belanghebbende, bedoeld in het derde lid onder c. Reiskosten die meer dan twee zones (OV) bedragen zijn uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 eerste lid van de wet, daaronder begrepen de eerste twee zones. De reiskosten van minderjarige kinderen van de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid kunnen ook voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in beginsel gebaseerd op een bezoekfrequentie van ten hoogste twee keer per week. Daarvan kan het college afwijken rekening houdend met de aard van de (familie)relatie die de belanghebbende heeft met de persoon aan wie de bezoeken worden afgelegd. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het OV-tarief volgens de 2de klasse, niet zijnde een toeslagtrein, rekening houdend met het gebruik van een eventuele kortingskaart.

Indien het college van belanghebbende niet kan vergen dat gebruik wordt gemaakt van het OV, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op € 0,23 per kilometer voor het gebruik van een (eigen) auto.

7.2 Reiskosten Bijzonder Leerlingenvervoer 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor het maken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten in het kader van het Bijzonder Leerlingenvervoer. 2. Het college merkt de reiskosten van Bijzonder Leerlingenvervoer aan als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten indien de school als: a. speciaal basisonderwijs wordt aangemerkt en de reisafstand enkele reis tussen de 3 en 6 km ligt; b. speciaal onderwijs wordt aangemerkt en de reisafstand enkele reis tussen de 3 en 6 km ligt; of c. voortgezet Speciaal Onderwijs wordt aangemerkt en de reisafstand enkele reis 3 km of meer bedraagt; en 1 . geen sprake is van een voorliggende voorziening; 2 . een andere vergelijkbare school dichter bij huis niet aanwezig of mogelijk is; 3 . de leerling al dan niet zelfstandig met het openbaar vervoer naar school reist.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 17

3. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de reiskosten van de begeleider van de leerling als bedoeld in het vorige lid als de leerling: a. onderwijs volgt op de Speciaal basisonderwijs of Speciaal onderwijs; b. jonger is dan 9 jaar; c. blijkens het vervoersadvies van de school uitsluitend onder begeleiding naar en van school kan reizen. 4. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het OVtarief volgens de 2e klasse, niet zijnde een toeslagtrein, en het gebruik van een eventuele kortingskaart. 5. Indien het college van belanghebbende niet kan vergen dat gebruik wordt gemaakt van het OV, dan wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op € 0,23 per kilometer voor het gebruik van een (eigen) auto. 7.3 Reiskosten (partieel) leerplichtige kinderen 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke reiskosten van leerplichtige kinderen indien: a. geen sprake is van bijzonder leerlingenvervoer; en b. geen vergelijkbaar onderwijsinstituut dichter bij huis is waar het leerplichtige kind onderwijs kan volgen. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het OVtarief volgens de 2e klasse, niet zijnde een toeslagtrein, rekening houdend met het gebruik van een eventuele kortingskaart. 8.

Overige kostensoorten

8.1 Legeskosten 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke legeskosten voor het verkrijgen dan wel verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor de gezinsleden in het kader van gezinshereniging. 2. Het college verleent geen bijzondere bijstand aan belanghebbende voor de kosten van leges in verband met de verblijfsvergunning regulier die belanghebbende moet verkrijgen dan wel moet verlengen of wijzigen. 3. Het college kan in de situaties als genoemd in het eerste en tweede lid bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van: a. inschrijving in de Basisregistratie personen; b. vertaling van relevante officiële documenten door een beëindigd vertaler. 4. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de werkelijke kosten en wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 18

8.2 Kleding en schoeisel 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke aanschafkosten van kleding en schoeisel indien sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijk kosten. 2. Noodzakelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, worden aanwezig geacht indien belanghebbende: a. meer dan 12 maanden in detentie heeft verbleven; b. vanwege een medische oorzaak een grote wisseling heeft ondergaan in het lichaamsgewicht; c. vanwege medische redenen is aangewezen op extra dan wel speciale kleding; d. de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren en hiervan een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 1:28a Burgerlijk wetboek overlegt. 3. Onder de kosten van kleding kunnen ook speciale bh’s en een badpak worden verstaan voor belanghebbenden met een borstprothese. 4. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van richtprijzen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregels. 8.3 Meerkosten dierenarts hulphonden 1. Het college kan aan een belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke meerkosten van de dierenarts indien sprake is van een medische of psychosociale indicatie voor het hebben en houden van de hond (hulphond) waar de aanvraag betrekking op heeft.

2. Onder meerkosten als bedoeld in het vorige lid worden niet de reguliere kosten van de dierenarts verstaan. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijke noodzakelijke meerkosten. Indien een gehele of gedeeltelijke vergoeding voor deze kosten bestaat op grond van een andere regeling, wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt. 8.4 Uitvaartkosten 1. Het college kan aan een belanghebbende die als erfgenaam wordt of kan worden aangemerkt bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke uitvaartkosten voor zover de nalatenschap geen of onvoldoende middelen bevat of nog niet bekend is of dat het geval is of zal zijn. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste € 4.300,-. In aanvulling op dit bedrag kan het college bijzondere bijstand verstrekken voor de mortuariumkosten tot ten hoogste € 750,-. 8.5 Kosten bewindvoering 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten voor bewindvoering.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 19

2. Onder kosten voor bewindvoering als bedoeld in het eerste lid worden verstaan kosten die worden gemaakt op basis van een beschikking van de kantonrechter en verband houden met: a. curatele; b. beschermingsbewind; c. mentorschap. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

8.6 Kosten verblijf buitenland scholieren 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van een verblijf in het buitenland welke verbonden is aan het middelbaar onderwijs, tenzij die kosten al dan niet via fondsenwerving geheel of gedeeltelijk bekostigd kunnen worden. 2. Het AOW- en Jeugdtegoed geldt niet als voorliggende voorziening. 8.7 Schulden 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als gevolg van: a. belastingschulden; b. energieschulden; c. huurschulden; en d. overige schulden. 2. Het college beoordeelt eerst of het treffen van een schuldregeling mogelijk is. 3. Indien het problematische schulden betreft en het treffen van de schuldregeling, bedoeld in het tweede lid niet mogelijk is, wijst het college de aanvrager op de mogelijkheden van een schuldsanering. 4. In het geval een schuldregeling niet mogelijk is en dit belanghebbende niet te verwijten valt, kan op grond van zeer dringende redenen bijzondere bijstand voor schuldsanering worden verstrekt als: a. de hulpverlener een positief advies geeft tot sanering van de schulden; b. een verlenging van de reguliere aflossingstermijn op grond van persoonlijke of gezinssituatie geen oplossing biedt; en c.

afwijzing van de sanering niet verantwoord is gelet op de persoonlijke of gezinssituatie. 5. In het geval van een aanvraag om bijzondere bijstand voor een belastingaanslag dient de aanvrager indien mogelijk een verzoek in om kwijtschelding. 6. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor een belastingschuld als, in geval van alimentatie, hierover nog geen of onvoldoende inkomstenbelasting is betaald. 7. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de verschuldigde heffingsrente als er sprake is van: a. een te lage of geen afdracht van loonheffing; Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 20

b. een te hoge voorlopige teruggaaf voor: 1 . de minst of niet verdienende partner; 2 . de alleenstaande ouder; 3 . de alleenstaande. 8. De bijzondere bijstand wordt rechtstreeks betaald aan de schuldeiser. 9. Het college verbindt aan de bijzondere bijstand voor een energieschuld of huurschuld de verplichting dat deze vaste lasten rechtstreeks van de bijstandsuitkering worden doorbetaald. 10. Het college kan eenmalig aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de betalingsachterstand van de aanvrager bij de zorgverzekering, voor zover dit noodzakelijk is voor de acceptatie van de aanvrager voor het VGZ Rotterdampakket. De leden 2 tot en met 4 zijn niet van toepassing. 8.8 Overbrugging 1. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten ter overbrugging van een niet verwijtbare onvoorzienbare terugval in inkomen. 2. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt: a. bij een verlaging van het inkomen tot onder de toepasselijke bijstandsnorm; b. wanneer de verlaging van het (gezins)inkomen ten minste 25% bedraagt; en c. wanneer de belanghebbende niet over andere middelen beschikt. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de toepasselijke bijstandsnorm over de te overbruggen periode. De bijzondere bijstand bedraagt: a.

75% van de verlaging gedurende ten hoogste de eerste 3 maanden; b. 50% van de verlaging gedurende ten hoogste de daaropvolgende 3 maanden; c. 25% van de verlaging gedurende ten hoogste de daaropvolgende 3 maanden. 4. De bijzondere bijstand is een belaste uitkering en wordt om niet verstrekt, tenzij belanghebbende over de betreffende periode een beroep kan doen op een socialezekerheidsuitkering. In dat geval wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een lening verstrekt. 5. Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen ter overbrugging naar een eerstvolgende betaling wegens een terugval in inkomen en het ontbreken van middelen vanwege een verlating, echtscheiding of verhuizing naar de gemeente Rotterdam vanuit een andere gemeente. 6. Het college kan de bijzondere bijstand, bedoeld in het vorige lid om niet verstrekken of in de vorm van een lening.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 21

9.

Alleenstaande Oudercompensatie (AOC)

1. Het college kan aan de alleenstaande ouder van 18 jaar of ouder bijzondere bijstand verstrekken voor zover: a. diens inkomen lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm, verhoogd met het maximumbedrag van de ALO-kop omgerekend naar een maandbedrag; en b. hij niet in aanmerking komt voor de ALO-kop, omdat hij een toeslagpartner heeft. 2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op het verschil tussen: a. de toepasselijke bijstandsnorm, verhoogd met het maximumbedrag van de ALO-kop enerzijds; en b. het eigen inkomen anderzijds, waarbij onder inkomen mede wordt verstaan een bijstandsuitkering. 3. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt echter niet meer dan de ALO-kop omgerekend naar een maandbedrag. De AOC wordt maandelijks betaalbaar gesteld. 4. In afwijking van artikel 11.1, zevende lid, gelden bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm onverkort de paragrafen 3.2 en 3.3 van de wet. 5. De alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand indien: a. hij gehuwd is of sprake is van geregistreerd partnerschap en diens partner bewust en gewild duurzaam elders verblijft dan waar belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft; b. hij gehuwd is of sprake is van geregistreerd partnerschap en diens partner in detentie verblijft; c.

hij een samenlevingscontract heeft of op andere gronden door de Belastingdienst is aangemerkt als toeslagpartner, waarbij de partner in detentie verblijft en: 1°. de detentieduur onbekend is; of 2°. indien de detentieduur reeds bekend is, maar deze korter is dan twee maanden; d. hij gehuwd is of sprake is van geregistreerd partnerschap en zolang diens partner is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingshuis; e. hij een samenlevingscontract heeft of op andere gronden door de Belastingdienst is aangemerkt als toeslagpartner en: 1°. diens toeslagpartner verblijft in een verpleeg- of verzorgingshuis; 2°. belanghebbende nog geen schriftelijke kennisgeving heeft ingediend bij de Belastingdienst met de strekking niet langer als toeslagpartner te willen worden aangemerkt; en 3°. de duur van het verblijf in het verpleeg- of verzorgingshuis onbekend is, dan wel indien de duur van het verblijf in het

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 22

verpleeg- of verzorgingshuis bekend is, deze korter is dan 3 maanden; f. diens partner wordt aangemerkt als niet-rechthebbende partner als bedoeld in artikel 24 van de wet die niet over inkomen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken; g. sprake is van hoofdverblijf met een bloed- of aanverwant in de eerste graad in dezelfde woning en beiden de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt; h. sprake is van een andere meerderjarige medebewoner dan bedoeld onder a tot en met g en geen sprake is van een commerciële relatie met die medebewoner. 6. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken als bedoeld in het vijfde lid aanhef en: a. onder a voor ten hoogste drie maanden; b. onder b voor ten hoogste 6 maanden, waarna een nieuwe aanvraag kan worden ingediend, die wederom voor ten hoogste 6 maanden kan worden toegekend, waarbij geldt dat de bijstand uiterlijk wordt verstrekt tot en met de dag waarop de detentie eindigt; c. onder c: 1°. tot het eind van de kalendermaand waarin de detentie 2 maanden of langer duurt indien er op het moment van de aanvraag nog geen einddatum van de detentie bekend is; 2°. voor ten hoogste twee maanden indien de detentieduur op voorhand bekend is en ten hoogste 2 maanden bedraagt; d.

onder d voor ten hoogste 6 maanden, waarna een nieuwe aanvraag kan worden ingediend, die wederom voor ten hoogste 6 maanden wordt toegekend, waarbij geldt dat de bijstand uiterlijk wordt verstrekt tot en met de dag waarop het verblijf in het verpleeg- of verzorgingshuis eindigt; e. onder e: 1°. tot het eind van de kalendermaand waarin het verblijf in het verpleeg- of verzorgingshuis 3 maanden of langer duurt indien er op het moment van de aanvraag nog geen einddatum van het verblijf bekend is; 2°. voor ten hoogste 3 maanden indien de duur van het verblijf in het verpleeg- of verzorgingshuis op voorhand bekend is en ten hoogste 3 maanden bedraagt; 3°. indien de Belastingdienst-Toeslagen op grond van een tijdig ingediend en daartoe strekkend verzoek belanghebbende blijft aanmerken als partner in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, terwijl het verblijf in het verpleeg- of verzorgingshuis voortduurt, kan de bijzondere bijstand na 3 maanden worden voortgezet en telkens voor 6 maanden worden toegekend totdat de situatie zich wijzigt en er alsnog recht ontstaat op de ALO-kop; f. onder f voor ten hoogste 3 maanden; Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 23

g. onder g voor ten hoogste 6 maanden, waarna een nieuwe aanvraag kan worden ingediend, die wederom voor ten hoogste 6 maanden kan worden toegekend tot het moment dat de situatie zich wijzigt en er alsnog recht ontstaat op de ALO-kop; h. onder h voor ten hoogste 3 maanden. 7. Een toekenning van de alleenstaande ouder compensatie over een periode voorafgaand aan de aanvraagdatum op grond van het achtste lid van artikel 3.1, heeft geen gevolgen voor de maximumduur van de verstrekking, bedoeld in het voorgaande lid tenzij de belanghebbende valt onder één van de doelgroepen zoals genoemd in het vierde lid onder c of e. Valt de belanghebbende onder een van deze twee doelgroepen, dan wordt de periode waarover de alleenstaande ouder compensatie kan worden verstrekt vanaf de aanvraagdatum, verminderd met de periode waarover op grond van het achtste lid van artikel 3.1 reeds bijzondere bijstand is verstrekt in de vorm van een alleenstaande ouder compensatie. 8. Wanneer de over een voorgaand kalenderjaar verstrekte ALO-kop door de Belastingdienst wordt teruggevorderd, kan er bijzondere bijstand voor de betreffende belastingschuld worden verstrekt, voor zover de belanghebbende in die periode voldeed aan de voorschriften zoals genoemd in het eerste tot en met het vierde lid.

Deze bijstand wordt niet verstrekt wanneer de aanvrager door eigen toedoen het teveel ALO-kop heeft ontvangen en dat redelijkerwijs had kunnen weten. 10.

Bestedingscontrole kosten inrichting en babyuitzet

10.1 Bestedingscontrole bijzondere bijstand 1. Het college controleert de besteding van de bijzondere bijstand van de inrichtingskosten, met uitzondering van het babypakket, bedoeld in artikel 4.9, op basis van de Eigen Verklaring. 2. De Eigen Verklaring wordt binnen 1 maand na de datum waarop de bijzondere bijstand is toegekend op voorgeschreven wijze ingeleverd bij het college. 3. De belanghebbende is verplicht de aankoopbewijzen 12 maanden na de datum waarop de bijzondere bijstand is toegekend te bewaren en desgevraagd aan het college te overleggen. 4. Het college is bevoegd de bestedingscontrole op een andere wijze uit te voeren dan bedoeld in het eerste lid, indien de individuele situatie daartoe aanleiding geeft. 10.2 Terugvordering bijzondere bijstand 1. Het college kan de bijzondere bijstand voor kosten van inrichting en babyuitzet terugvorderen indien verantwoording door middel van de Eigen Verklaring niet of niet tijdig wordt gedaan. 2. Het college kan de bijzondere bijstand voor kosten inrichting en babyuitzet tevens terugvorderen indien deze: a. niet volledig is besteed voor het doel waarvoor deze is toegekend; b. is besteed voor een ander doel dan waarvoor deze is toegekend. Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 24

3. Het college gaat niet over tot terugvordering van de bijzondere bijstand als bedoeld in het tweede lid, onder a indien uit de Eigen Verklaring blijkt dat de verantwoording afwijkt binnen een bandbreedte van 10% van het toegekende bedrag met een maximum van € 100,-. 4. De eventuele terugvordering, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de toegekende bijzondere bijstand en het bedrag dat volgens de Eigen Verklaring is besteed aan stofferingskosten, duurzame gebruiksgoederen of babyuitzet mits passend binnen de maximale prijsstelling zoals gepubliceerd bijlage 3 bij deze beleidsregels. 11.

Draagkrachtregels

11.1 Algemene beleidsuitgangspunten 1. Het drempelbedrag, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet is niet van toepassing. 2. De individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de wet, en de individuele studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de wet, worden niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht. 3. De AOC, alsmede de ALO-kop worden niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht. 4. Bij de vaststelling van het inkomen blijven de middelen, bedoeld in artikel 31, tweede lid, met uitzondering van onderdeel c, voor de persoon die jonger is dan 27 jaar en het bijzonder inkomen, bedoeld in artikel 33, vijfde lid, van de wet, buiten beschouwing. 5. Het college kan de verschuldigde eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg aanmerken als buitengewone uitgave die van de vastgestelde draagkracht wordt afgetrokken. 6. Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand af indien de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten naar oordeel van het college kunnen worden bekostigd uit de toepasselijke bijstandsnorm of een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. 7. Voor de draagkrachtberekening geldt de toepasselijke bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 of 24 van de wet.

Het college houdt daarbij geen rekening met kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a van de wet of verlagingen als bedoeld in de artikelen 27 of 28 van de wet. 8. Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het college uit van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over het in aanmerking te nemen inkomen of vermogen. 9. Indien en zolang de belanghebbende die is toegelaten tot een wettelijk of minnelijk schuldhulpverleningstraject voldoet aan de voorwaarden van dat traject, wordt geacht dat belanghebbende niet kan beschikken over het inkomen of vermogen. 11.2 Draagkrachtperiode inkomen en vermogen 1. Het college stelt de draagkrachtperiode vast op 12 maanden. De draagkrachtperiode treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste maand waarvoor de bijzondere bijstand wordt verstrekt. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college de draagkrachtperiode voor een kortere periode vaststellen als daar in het individuele geval of op basis van de kostensoort aanleiding voor is.

Gemeenteblad 2019

Nummer 127 pagina 25

3. Een eenmaal vastgestelde draagkracht kan alleen tijdens het draagkrachtjaar worden gewijzigd bij een ingrijpende wijziging in de omstandigheden. Het college beoordeelt dat in het individuele geval. 4. Indien een aanvraag wordt ingediend binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode, dan wordt er geen nieuwe draagkrachtperiode vastgesteld. 5. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten en de resterende draagkracht. 11.3 Draagkracht en inkomen 1. Indien het inkomen lager is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm, bedoeld in artikel 11.1, zevende lid, dan heeft belanghebbende geen draagkracht. 2. Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 1, wordt het inkomen voor zover het gelijk is aan of lager is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm niet aangemerkt als draagkracht. Het draagkrachtpercentage is in dat geval 0%. 3. Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 1, wordt 50% van het inkomen aangemerkt als draagkracht voor zover dit inkomen meer bedraagt dan 110% doch minder dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm. 4. Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 1, wordt het inkomen volledig aangemerkt als draagkracht voor zover dit inkomen meer bedraagt dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm. 5.

Voor de kostensoorten, bedoeld in bijlage 2, wordt het inkomen volledig aangemerkt als draagkracht voor zover dit inkomen meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm. 6. Indien binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit inkomen vast op basis van de resterende draagkracht in die draagkrachtperiode binnen het van toepassing zijnde draagkrachtregime, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, respectievelijk het vijfde lid. 7. Bij samenloop van kostensoorten als bedoeld in bijlagen 1 en 2 van deze beleidsregels binnen dezelfde draagkrachtperiode, kan de te verrekenen draagkracht uit inkomen tezamen nooit hoger zijn dan de in die periode vastgestelde draagkrachtruimte in het inkomen. 11.4 Draagkracht en vermogen 1. Het college merkt het vermogen, voor zover dat meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, volledig aan als draagkracht. 2. Voor zover het vermogen, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de tegoeden op de spaar- en betaalrekeningen van de aanvrager, wordt daarvan ten hoogste eenmaal de toepasselijke bijstandsnorm niet in aanmerking genomen, in verband met de kosten van levensonderhoud voor de maand waarin de aanvraag gedaan is. Gemeenteblad 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=9d5efa73-17e7-4040-84ed-cbf9471a8e09