[23bb005369] Eindrapport Energietoeslag
Tekst van het document
39%
50% 75%
80%
61%
51% 25%
20% Meting 1
Meting 2
Meting 1
tot 120%
120-140%
De energietoeslag is voldoende
De energietoeslag is niet voldoende
In beide metingen zijn de beoordeling van het rondkomen en de hoogte van het termijnbedrag van de energierekening de belangrijkste voorspellers voor de beantwoording van de vraag of de respondent de Energietoeslag voldoende vindt of niet. In de onderstaande figuur is te zien dat hoe slechter de Figuur 3.26
Meting 2
beoordeling van het rondkomen is, hoe negatiever de beoordeling van de hoogte van de Energietoeslag. Het relatief grote aandeel ontevredenen onder de groep die heel gemakkelijk rondkomt in de laagste inkomensklasse, wordt veroorzaakt door het kleine absolute aantal van deze groep.
“Is de Energietoeslag voldoende om de hogere energieprijzen op te vangen?” naar de eigen beoordeling van rondkomen met het inkomen
100%
50% 25%
Meting 1
Niet
Heel moeilijk
Moeilijk
Redelijk
Gemakkelijk
Heel gemakkelijk
Niet
Heel moeilijk
Moeilijk
Redelijk
Gemakkelijk
0%
Heel gemakkelijk
Kunt u rondkomen?
75%
Meting 2
Is de Energietoeslag voldoende? Energietoeslag is voldoende
48
Energietoeslag is niet voldoende
Energietoeslag
Door de respondenten een aantal stellingen voor te leggen, is gepeild wat volgens de respondenten de invloed van de Energietoeslag is op het rondkomen. Allereerst legden we drie stellingen voor aan de respondenten die zeggen (heel) gemakkelijk of redelijk rond te kunnen komen: •
•
“Alleen met de Energietoeslag lukt het mij om rond te komen”
•
“Met de Energietoeslag is het gemakkelijker geworden om rond te komen”.
De beantwoording van de stellingen in beide metingen staat weergegeven in de onderstaande grafiek.
“Ook zonder de Energietoeslag lukt het mij om rond te komen”
Figuur 3.27
Invloed van de Energietoeslag op het rondkomen, op basis van drie stellingen *
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Meting 1
Meting 2
Ook zonder toeslag rond Helemaal eens
Eens
Meting 1
Meting 2
Alleen met toeslag rond Niet eens/niet oneens
Oneens
Meting 1
Meting 2
Met toeslag gemakkelijker rond Helemaal oneens
*) Bij respondenten die zeggen (heel) gemakkelijk of redelijk te kunnen rondkomen.
Het aandeel respondenten dat zegt ook zonder toeslag rond te kunnen komen, is enigszins gestegen. Dit correspondeert met de ontwikkeling in de tweede stelling: iets minder respondenten zijn het (helemaal) eens met de stelling dat ze alleen met de toeslag rond kunnen komen. Ook het aandeel respondenten dat zegt met de toeslag gemakkelijker rond te kunnen komen, is enigszins gestegen. In beide metingen zien we dat hoe hoger de energierekening is, hoe minder respondenten zeggen ook zonder de toeslag rond te kunnen komen. Vervolgens legden we twee stellingen voor aan de respondenten die (zeer) moeilijk of niet kunnen rondkomen van het inkomen: •
“Ook met de Energietoeslag vind ik het moeilijk om rond te komen”
Energietoeslag
•
“Met de Energietoeslag is het gemakkelijker geworden om rond te komen”.
In de onderstaande grafiek staat de beantwoording van de stellingen over twee metingen. We zien dat het percentage respondenten dat het ook met de toeslag niet lukt rond te komen, enigszins daalde. Tegelijkertijd steeg het percentage dat met de toeslag gemakkelijker rondkomt. Ook hier zijn de verschillen echter klein. Nog steeds zegt rond 80% van de respondenten die moeilijk of niet rondkomen, dat het ook met de toeslag moeilijk is. En nog steeds zegt een minderheid van 31% met de toeslag gemakkelijker rond te kunnen komen. Ook hier zien we de invloed van de hoogte van het termijnbedrag: hoe hoger de energierekening, hoe vaker de respondenten het ook met de toeslag moeilijk vinden om rond te komen.
49
Figuur 3.28
Invloed van de Energietoeslag op het rondkomen, op basis van twee stellingen *
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Meting 1
Meting 2
Ook moeilijk rond met toeslag Helemaal eens
Eens
Niet eens/niet oneens
Meting 1
Meting 2
Met toeslag gemakkelijker rond Oneens
Helemaal oneens
*) Bij respondenten die zeggen (heel) moeilijk of niet te kunnen rondkomen
Resultaten interviews: rondkomen Moeite met rondkomen De meeste respondenten geven aan in de interviews dat hun huidige inkomen nét voldoende is om van rond te komen, maar er zijn ook verschillende respondenten die hun huidige inkomen als onvoldoende beschouwen. Slechts een enkeling van de respondenten geeft aan prima rond te kunnen komen van het huidige inkomen en geen extra geld nodig te hebben. Respondenten die hun inkomen als nét voldoende of onvoldoende beschouwen, benoemen de stijgende prijzen van boodschappen en zorg- en energiekosten als voornaamste reden voor het bemoeilijkte rondkomen. “We krijgen steeds minder boodschappen voor hetzelfde geld.” – Respondent 1 “Interviewer: “Zou u zeggen dat het u in het algemeen lukt om rond te komen? Met uw huidige inkomen?” Respondent: “Ja, dat denk ik wel. Maar omdat de energieprijzen, boodschappen - alles is duurder geworden - heb ik er wel meer moeite mee.” – Respondent 9 “[Op vraag of respondent goed kan rondkomen] Nee, m’n huur is bijna 7 [700] en nu gas en licht ook bijna 7 (…) en de kinderen hebben heel vaak trek om te eten na schooltijd. Ja, boodschappen zijn duur geworden, het is zo op.” – Respondent 14 Ook maken onvoorziene kosten het soms lastig om goed rond te komen. Een onverwachtse rekening of een apparaat dat kapotgaat en plots vervangen moet worden (e.g. wasmachine, telefoon) kunnen het rondkomen bemoeilijken.
“Ja, soms dan red ik het gewoon niet met het maandbedrag. Ja, omdat er onvoorziene dingen zijn [bijvoorbeeld kapotte auto]. (…) Tot nog toe heb ik dat opgelost zeg maar door mijn spaargeld op te souperen. En ja, daar komt op een gegeven moment natuurlijk ook een einde aan, dan heb ik dat spaargeld niet meer.” – Respondent 9 Voor één respondent is de druk uit de sociale kring om mensen uit het herkomstland financieel te moeten bijstaan de grootste structurele kostenpost: “Weet je, als je uit een arm land komt, en je leeft hier… (…) mensen uit dat arme land, zij denken dat je een erg geweldig leven leeft (…), dus ze verwachten wat financiële hulp van jou. (…) En dan wordt het moeilijker voor je om je eigen rekeningen te betalen” – Respondent 12 [vertaald vanuit het Engels]
50
Energietoeslag
Houding tegenover financiële situatie Uit de interviews blijkt dat meerdere respondenten van mening zijn dat zij niet mogen klagen over hun eigen financiële situatie ondanks dat ze het niet breed hebben. “Ik wil niet klagen [over de bijstandsuitkering] want dat zou eigenlijk niet eerlijk zijn. (…) Want ja, het is toch wel dat je kan leven, je kan eten, je kan je huur betalen.” – Respondent 4 “Maar dat geld is nu inmiddels op, dus als je zegt ervaar je het als voldoende, nee, want wij hebben in principe… Ik heb voor mijn pensioen heb ik al pensioengeld op moeten maken, begrijp je? (…) En wij zitten nog in een bevoorrechte positie, omdat we dat [spaarpotje] toevallig hadden, maar als je enkel van een bijstand leeft en je woont ook nog in een huurhuis, is het onmogelijk. Dat is echt onmogelijk.” – Respondent 10 Gevolgen voor het dagelijks leven Tijdens de interviews blijkt dat respondenten die moeite hebben met rondkomen hier veel van merken in hun dagelijks leven. Zo geven veel respondenten aan dat zij continu afwegingen maken over welke uitgaven ze moeten prioriteren. “Nou, ik ga altijd meestal zitten, ik ga echt zitten nadenken: ‘heb ik dit nou echt nodig of heb ik het niet nodig? Heb ik het nou echt, echt, echt nodig?’ Als ik echt op uitkom dat ik het echt, echt nodig heb, dan ga ik het echt halen maar dan” – Respondent 7 “Bijvoorbeeld mijn fornuis is nu kapot.
Dan moet ik kiezen om een wasmachine of een fornuis te kopen en toen heb ik een wasmachine gekocht.” – Respondent 11 “Dus vaak, zeg maar, denk ik gewoon dan ga ik een beetje hosselen met geld, dus gewoon (…) in de zin van, als ik gewoon telefoonrekening moet betalen en een andere, zeg maar, dus een andere rekening van een schuld moet betalen, dan ga ik voor de schuld. Dus dan betaal ik helemaal niet gewoon mijn telefoonrekening en dan (…) betaal ik volgende maand, zeg maar, dan wel twee maanden…voor de telefoon.” – Respondent 13 Verschillende respondenten geven aan dat zij zuinig leven en dat ze zichzelf niet of nauwelijks toestaan om leuke activiteiten te doen zoals reizen (e.g. dagtripjes, vakantie) of sporten bij een sportclub, zelfs wanneer deze activiteiten bevorderend zijn voor hun mentale gezondheid. “Nou ja, vaak missen we wel vlees bij het eten, normaal is dat heel lekker. We kunnen niet altijd vlees halen, dat is best wel duur. Dus dat missen we meestal en we hebben ook niet altijd lekkere dingen voor de kinderen, net als chips, dat is niet elke keer dat we dat kunnen halen.” – Respondent 1 “Nou, ik wil gewoon eerlijk zijn. Als je goed met geld om kan gaan kom je er haast mee rond. Maar je moet wel gewoon zeggen van ‘nee, dit doe ik niet’.
[…] Net als mijn tante als ze zegt van ‘zullen we daar en daar naartoe gaan?’ Dan zeg ik ‘lieverd, ik zou het wel willen maar ik kan niet zomaar €30 of €20 van het budget afhalen, dat gaat gewoon niet’. […] Dus ik moet altijd nee zeggen.” – Respondent 4 “Eigenlijk voorheen, wat mij echt heel erg hielp tijdens als ik dus een beetje stress had of zo, dat was het sporten. […] En nu, ja, nu wil ik dat wel weer doen maar ja, ik weet niet, ik doe dat nog niet en ik kan dat sowieso niet. Ja, dat wil ik ook helemaal niet vanuit m’n eigen kosten zo betalen.” – Respondent 15 Respondenten moeten soms geld lenen van familieleden. “[Op vraag of het lukt om elke maand de rekeningen te betalen:] Niet echt, maar ik kan soms bij familie krijgen.” – Respondent 14 “Ik heb soms van mijn dochter kleine bedragen gekregen. En dat heb ik geprobeerd terug te geven. Een tijdje heb ik weinig geld gehad en ik moest wat kopen of er was een verjaardag, of ik moest iets doen, toen kreeg ik geld van mijn dochter.“ – Respondent 11
Energietoeslag
51
Stress De meeste respondenten vertellen in de interviews stress te ervaren vanwege hun financiële situatie. Sommige respondenten ervaren zelfs een verminderde gezondheid vanwege de financiële stress. “Dat dat [stress om financiële situatie] me lichamelijk ook erg heeft beïnvloed. Voornamelijk hier, naar mijn hoofd toe. Continu vast. Ik zat heel vaak vast. Ik kon mijn hoofd niet bewegen. Of het voelde alsof ik continu bakstenen op mijn schouders had zitten. En ook enorme migraines. (…) Ik kwam uiteindelijk bijna in een depressie, omdat ik elke keer... Ik hou van plannen en geordend alles doen, maar dat lukte me niet meer.” – Respondent 2 Een aantal respondenten geeft aan dat zij voorheen stress hadden om hun financiële situatie, maar dat ze dit momenteel niet meer ervaren omdat zij een andere houding tegenover hun financiële situatie aangenomen hebben. “Ik heb zoiets van, voorheen ging ik altijd stressen (…) en ik kreeg gewoon hartkloppingen en allemaal.
En op een gegeven moment had ik zoiets van, ook al stress je, je kan toch niks verhelpen daarmee, dus dan heb ik eigenlijk een beetje, oké, laat het ding gewoon z'n eigen beloop nemen.” – Respondent 7 “[Op vraag hoe de financiële stress verminderd is] Nou goed, acceptatie daarin van, goh, ik zal nooit meer rijk worden, maar dat hoeft ook niet.” – Respondent 10 Ook waren er een aantal respondenten die zowel in het verleden als nu geen stress ervaren om hun financiële situatie. Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid wordt benoemd als een factor die stress vermindert: “Bedankt voor de Nederlandse goede economische rekeningen. Ja. Mensen kunnen geen stress hebben. Iedereen is verzekerd hier. Ik zeg jou… Ik kom uit het buitenland, uit [land in Europa]. Ik weet wat het is om zonder inkomen te wonen. (…) Het sociale systeem hier is echt goed. (…) Je moet niet klagen.” – Respondent 5 Interviewer: “Er is geen aanleiding voor [financiële stress]?” Respondent: “Nee. Als je minder gaat verdienen, krijg je huurtoeslag of zorgtoeslag.” – Respondent 8 Eén respondent geeft aan zichzelf simpelweg niet toe te staan om gestrest te zijn. “Ik sta mezelf niet toe om gestrest te worden.
Want dat is mijn levensspreuk: Ik leef voor de dag” – Respondent 12 [vertaald vanuit het Engels] Zorgen over de toekomst De meeste respondenten geven in de interviews aan dat zij wel eens nadenken over hoe hun financiële situatie in de toekomst gaat zijn. Sommige respondenten maken zich geen zorgen of proberen optimistisch te denken. “Maar ik denk positief. Dit is één tijdelijke periode.” – Respondent 5 Andere respondenten geven aan dat zij (erg) bezorgd zijn om hun toekomstige financiële situatie. “(…) ik maak mij wel zorgen, omdat juist de kosten waar je geen invloed op hebt, of weinig invloed op hebt, zoals energie en zorg, dat die schrikbarend toe blijven nemen.” – Respondent 10 Sommige respondenten willen zelfs liever niet over hun toekomst nadenken. “Ja, daar [de toekomst] maak ik me zeker zorgen over. Want dan denk ik ‘nu is dit allemaal aan de hand, maar wat gaat de toekomst brengen?’. Daar maak ik me echt zorgen over ja.” – Respondent 9 “Ja, daar [de toekomst] wil ik niet over nadenken. (…) Want ik wil ook zo min mogelijk stress hebben want dat is niet goed voor mijn ziekte” – Respondent 4 Een aantal respondenten geeft aan dat zij afwisselend pessimistisch en optimistisch naar hun toekomst kijken. “Dus over de toekomst, het kan links- of rechtsom gaan.” – Respondent 2 “Nou, ik wil, zeg maar, ik heb vertrouwen dat het goed komt.
Wat mij, zeg maar, angstig maakt, is dat ik steeds achter ga lopen, als ik, zeg maar, niet genoeg verdien. Dus daar maak ik mij best wel angstig, want ik wil niet achterlopen.” – Respondent 13
52
Energietoeslag
Voor sommige respondenten wordt het vertrouwen in hun toekomstige financiële situatie positief of negatief beïnvloed door de handelingen van de overheid. De een heeft vertrouwen in steun vanuit de gemeente, terwijl de ander juist onzekerheid ervaart door het overheidsbeleid: “De overheid heeft nooit een beleid waar je dertig jaar op kan bouwen, want over tien jaar is het weer anders, over drie jaar is het weer anders, over vier jaar is het weer anders, over vijf jaar is het weer anders, dus waar moet je je aan vasthouden? Dat geeft wel weer onzekerheid.” – Respondent 10 Betalen energierekening Uit de interviews blijkt dat meerdere respondenten moeite hebben gehad met het betalen van de energierekening in de periode dat de gasprijzen hoog waren. Zij moesten de extra lasten betalen van geld dat eigenlijk bedoeld is voor dagelijkse benodigdheden, zij liepen een tijdelijke betalingsachterstand op, of moesten het maandbedrag in termijnen betalen. Een enkeling kreeg af en toe financiële hulp van familie bij de energierekening, en heeft met de energiemaatschappij afgesproken dat het maandbedrag iets omlaag kon (maar moet nu dus ook erg zuinig omgaan met energie). Voor andere respondenten vormt het betalen van de energierekening geen probleem. Bij een paar van hen komt dit doordat de betaling automatisch verloopt, bijvoorbeeld via de schuldhulpverlening.
Zorgen over de toekomst: energierekening Bij een groot deel van de respondenten die deelnamen aan een interview levert de energierekening stress op 2: “Ja, voor de energie hebben we altijd stress,” (respondent 11). Vooral geruchten/nieuws over de alsmaar stijgende energieprijzen, en de onzekerheid over hoe het in de toekomst zal gaan met de energieprijzen (en regelingen zoals het prijsplafond weer wegvallen) zorgen voor stress: “Ja, ik voelde wel een beetje stress, want ik dacht van: ik zie soms mensen dingen plaatsen [op social media], van hun maandelijkse bedrag is 800 euro en zo”. – Respondent 15 “Maar meer zorgen in die zin van: nu is het deze verhoging, wat is het over twee maanden? Wat is er over drie maanden? Wat is er over een half jaar?” – Respondent 9 “En ik heb dan weer zoiets van maar stel je eens voor dat de energie inderdaad zo hoog gaat worden, dan kunnen we eigenlijk niks meer extra doen. (…) Dan zit je weer in de soort van gevangenis, een beetje dat gevoel, hè” – Respondent 7 Bij een enkele respondent leiden zorgen over de energierekening ook tot spanningen in het gezin: “Ja, ik ben bang dat het [de energierekening] te hoog wordt, dus dan soms schreeuw ik tegen de kinderen van: ‘je zit te lang onder de douche, kom nu eruit.’ Hebben we ruzie thuis.
(…) Ja, vroeger hoefde dat niet, maar nu is het echt wel opletten.” – Respondent 14 Een enkele respondent maakt zich niet zozeer zorgen specifiek over de energierekening, maar over de stijgende prijzen en inflatie in het algemeen. De dagelijkse boodschappen worden bijvoorbeeld steeds duurder. Bij sommige respondenten levert de energierekening minder of geen stress op. Zij houden hun verbruik goed in de gaten, of verwachten onder het prijsplafond te zullen blijven: “Je moet rekenen. Je moet kijken wat je gebruikt,” (respondent 5). Bij een paar respondenten zorgen de verhoogde energieprijzen eerder voor boosheid en wantrouwen richting de energiemaatschappij: “Ik heb het idee dat wij allemaal van alle kanten belazerd worden,” (respondent 9). “Nee, ik maak me geen zorgen maar ik word er wel boos van. (…) Ja, gewoon boos van; nou meneer Eneco, je hebt het weer lekker voor elkaar. (…) net als wat ik al uitlegde; het is gewoon een vies spelletje van de hele wereld.” – Respondent 4
2
Merk op dat de interviews zijn gehouden in het laatste kwartaal van 2022, een periode waarin de gasprijzen relatief hoog waren en veel mensen letten op de energiekosten, ook in verband met de koudere herfst-/wintermaanden. De ervaring en houding van respondenten zouden inmiddels dus veranderd kunnen zijn, bijvoorbeeld door het prijsplafond.
Energietoeslag
53
Jaarlijkse eindafrekening Meerdere respondenten geven in de interviews aan dat zij zich zorgen maken om de jaarlijkse eindafrekening van de energie: “Ik houd m’n hart wel vast,” (respondent 14). Waar je eerst geld terugkreeg bij de eindafrekening, is dit nu juist een kostenpost geworden, aldus een respondent. Een respondent vertelt: “Ik ben echt wel bang: als ik al in 2021 gewoon 500 extra moest gaan betalen, terwijl de kosten toen normaal waren, wat moet ik dit jaar [dan] betalen? Ik ben daar wel bang voor.” – Respondent 13 Ook een andere respondent vertelt dat geruchten over een eventuele hoge jaarafrekening zorgen voor stress, en ‘hoopt’ dat dit goedkomt: “Toen mijn dochter hier bij [ons] was, hebben we natuurlijk extra wassen gedraaid en ze douchte elke dag. Daar gaat toch ook gas en elektriciteit. En de verwarming. Ze had het altijd koud. Komt uit Turkije natuurlijk. Dus dan: ‘oh, het is koud hier. Kachel aan.’ Maar nu gaat die [de Toon-app] weer duimpjes geven, dus dan hoop ik dat het goedkomt.’ – Respondent 1 Een respondent maakt zich zorgen dat het huidige termijnbedrag te laag is, maar redt het financieel gezien ook niet om dit te verhogen en op die manier bijbetalen bij de eindafrekening te voorkomen. Een ander geeft aan een hogere eindafrekening niet te kunnen betalen.
Sommige respondenten maken zich minder of geen zorgen, bijvoorbeeld door de buffer die de energietoeslag nu vormt. Meerdere respondenten zijn bewust bezig met de jaarafrekening. Sommigen hebben een deel van de energietoeslag hiervoor opzijgezet. Anderen verhogen zelf het maandbedrag, om aan het einde van het jaar niet bij te hoeven betalen: “Je kan beter € 1 terugkrijgen dan € 100 betalen,” (respondent 8).
3.5
Manieren van energie besparen
We vroegen de respondenten net als in de vorige meting of ze zelf initiatieven ondernemen om energie te besparen. Bijna alle respondenten (97%) zeggen in beide metingen op één of andere manier op energieverbruik te bezuinigen. In de onderstaande grafiek staat het bezuinigingsgedrag in beide metingen.
54
Het aandeel respondenten dat de verwarming lager zet is onverminderd hoog, en nog wat gestegen. In de andere categorieën wordt in de tweede meting wat minder bezuinigd. Opvallend is dat 48% van de respondenten aangeeft minder vaak te koken. Behalve bij het lager zetten van de verwarming is het aandeel bezuinigingen in de hogere inkomensklasse over het algemeen wat lager.
Energietoeslag
Figuur 3.29
Manieren van het bezuinigen op energieverbruik, per inkomensklasse over twee metingen
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Minder vaak douchen
Minder lang douchen
tot 120% Meting 1
Verwarming lager
Licht later aan Apparatuur niet Minder vaak op standby koken
tot 120% Meting 2
120-140% Meting 1
Andere manieren van besparen
120-140% Meting 2
Bij de andere manieren van besparen worden tal van bezuinigingsstrategieën genoemd. Het vaakst worden genoemd: •
was draaien in de nacht of in het weekend
•
het gebruiken van ledverlichting of spaarlampen
•
het aanleggen van radiatorfolie en tochtstrippen
•
vroeger naar bed gaan
•
kaarsen gebruiken in plaats van lampen
•
dikkere kleding aan of met een deken op de bank dan de verwarming aan
•
radiatorfolie en ander isolerend materiaal aanbrengen
•
laders uit het stopcontact
•
koken voor meer dagen
•
gordijnen overdag dicht
•
minder warm water gebruiken.
Resultaten interviews: verbruik en bezuinigingen Slechte isolatie Uit de interviews blijkt dat bij een deel van de respondenten het huis goed geïsoleerd is, onder andere met behulp van dubbelglas en tochtstrippen. Veel respondenten geven echter aan dat hun huis niet goed geïsoleerd is (of was). “Voordat de energie eigenlijk al omhoogging, was ik al hele tijd aan het klagen, want ik stookte me helemaal kapot in de winter, omdat het maar enkele beglazing is en dan komt gewoon die kou binnen.” – Respondent 7 Respondenten hebben (of hadden) last van tocht, ramen met enkel glas (met condens op de ramen en schimmel als gevolg), deuren die niet goed afsluiten, koude slaapkamers, koude tegels of wonen in een huis met energielabel E. In huis kan het hierdoor oncomfortabel en koud zijn: “Ja, echt koud. Moeten ze te allen tijde slippers aantrekken. Want ik ben altijd ziek (…) altijd. Of mijn neus is dicht of zoals ze zeggen, ik heb het koud, de kinderen ook. Omdat we hier meestal zijn.” – Respondent 3
Energietoeslag
55
“Dat merk ik als ik bijvoorbeeld in de bank zit. Ik heb wel dubbel glas. Maar als de wind erop staat, voel ik het binnen net zo hard waaien als buiten bij wijze van spreken. (…) Ik houd er wel eens een kaarsje bij om te kijken hoe erg het nou is. En dan zie je echt dat dat vlammetje wel flink heen en weer gaat.” – Respondent 9 Ook gebrek aan geld speelt een rol. Zo had een respondent een tijdje geen geld voor gordijnen, waardoor er veel meer kou naar binnenkwam door de ramen: “Nou, ik heb nu pas gordijnen. Dus nu pas denk ik ga ik kunnen weten: is m’n huis wel echt goed geïsoleerd of niet? Want ik heb grote ramen. (…) vorige winter was het best wel heel koud. Vooral de woonkamer. En ja, ik had geen gordijnen dus ik hoop dat ik nu met gordijnen wel…” – Respondent 15 Ten slotte kunnen factoren als schimmel in huis meespelen. Een respondent vertelt dat in een voormalige woning de ramen vaak open moesten staan in verband met schimmel. Hierdoor kon de verwarming niet aan, omdat de kosten dan te hoog zouden oplopen: “In mijn oude woning moest ik met alle ramen open slapen, omdat ik schimmel had in de woning. Het had dan geen zin om de kachel aan te zetten, want ik voelde dan niks. Dus hoe koud het buiten was, dat was hoe ik het binnen in huis had. Ik moest thermokleren aan in bed onder mijn pyjama met extra dekens, want het was echt koud. Mijn handen en voeten werden gewoon blauw.
Dat was echt verschrikkelijk. (…) Het heeft ook echt wat gedaan met mijn gezondheid.” – Respondent 2 De gezondheidseffecten van de slechte isolatie in huis worden ook benoemd door een andere respondent: “Dus dan [met enkel glas], heb je dan elke keer van die condens op het raam, en dan krijg je ineens schimmel. We hebben dat in de badkamer ook en ja, en m'n kleine die is constant aan het hoesten, en ja, en dat zijn we nu een beetje aan het uitzoeken van heeft het nou echt te maken met de leefomgeving?” – Respondent 7 Bij sommigen is de situatie inmiddels beter, bijvoorbeeld doordat de verhuurder heeft gezorgd voor verbeterde isolatie, of door een verhuizing. “Toen we hier pas woonden was het een nachtmerrie. Was het echt tocht overal. Maar nu is het goed,” (respondent 1). Ook doen sommigen zelf aanpassingen in huis om de isolatie te verbeteren, bijvoorbeeld door piepschuim of tape bij de ramen te plaatsen tegen de tocht. Een paar respondenten benoemen de meerwaarde van het investeren in isolatiemaatregelen of duurzamere/op de langer termijn goedkopere energiebronnen. Zo vertelt een respondent over isolatiemaatregelen via de verhuurder: “Ja, we hebben toen wel huurverhoging gehad, maar ja dat haal je er weer uit in de energie,” (respondent 1). Een ander zegt: “Misschien mensen kopen de goedkoopste koelkast, €200 de goedkoopste. Maar een energielevel F.
(…) Maar ik nooit deze gedaan. Altijd betere, meer betalen, maar A+.” – Respondent 5 Er zijn respondenten die graag zouden investeren in zaken die op de lange termijn voor energiebesparing kunnen zorgen, maar zij worden hierbij vaak tegengehouden door financiële overwegingen of obstakels. Ze zijn bijvoorbeeld bang de tijdelijk hogere rekeningen niet te kunnen betalen, of kunnen geen lening krijgen. “Ze hebben hier van die zonnepanelen geplaats overal, maar daar hebben wij niet [aan] meegedaan, want dan moesten we per maand extra betalen. Ik zeg: ‘wij kunnen dat niet betalen elke maand.’ Zeggen ze: ‘ja, maar dat ga je misschien wel eruit halen.’ Ja, maar als het niet zo is, dan komen we juist in de problemen. Dus wij hebben daarom nee gezegd.” – Respondent 1 “Vloerisolatie hebben we nodig en wat had ik nu nog meer gevraagd… Oh ja, we willen naar elektrisch koken en ik wil… Eigenlijk wil ik ook zonnepanelen hebben natuurlijk, maar kijk ik wil dat in een keer doen en kijk het nadeel nu is, omdat je zo weinig inkomen hebt, kan je ook geen geld lenen. Hè, zo simpel is het. (…) Alleen het nadeel is, nu wil je het eigenlijk doen, maar nu gaat het niet.
Dan zou het mij veel meer opleveren…” – Respondent 10 Inzicht in verbruik Het grootste deel van de respondenten die deelnamen aan de interviews geeft aan gebruik te maken (of te hebben gemaakt) van tools die inzicht geven in het energieverbruik, zoals een app van de energiemaatschappij. Sommigen doen dit pas sinds de prijzen zijn gaan stijgen: “Ik wil geen verrassing,” (respondent 3), anderen deden dit daarvoor ook al: “Ja, van Oxxio kon ik alles zien aan wat ik verbruikte aan gas en licht, wat ik misschien kon besparen en het verschil van kubieke meter met andere huishoudens. (…)” Interviewer: “Deed je dat altijd al of pas sinds de prijzen zo omhoog zijn gegaan?” Respondent: “Nee, dat deed ik altijd al. Ik ben als student op mijzelf gaan wonen.” – Respondent 2
56
Energietoeslag
“Er staat altijd; u bent lekker stabiel. Goed bezig. Ja, dat weet ik. Maar waarom wil je dan meer geld van me?” – Respondent 4 Respondenten geven aan dat het bekijken van het energieverbruik helpt om bewuster met energie om te gaan en stress tegengaat. Zij kunnen het verbruik aanpassen indien nodig. “We hebben Toon dan en die zegt: nou een duimpje.” – Respondent 1 Sommige respondenten vinden het echter te ingewikkeld. Zo geeft een respondent aan wel inzicht te willen in het verbruik, maar niet te weten hoe dit moet. Een ander vertelt “dat je afgestudeerd moet zijn om de app te begrijpen,” (respondent 6). Sommige respondenten willen wel inzicht in het verbruik, maar geven bijvoorbeeld aan dat de app niet goed werkt, of dat de woningcorporatie geen duidelijk inzicht verschaft. Sommige respondenten die weinig tot geen inzicht in het verbruik hebben proberen het energieverbruik wel alsnog te minimaliseren. Besparingen Uit de interviews blijkt dat de meeste respondenten erg bewust omgaan met energie en proberen hier thuis ook zoveel mogelijk op te besparen. Sommige respondenten probeerden altijd al zuinig met energie om te gaan, anderen doen dit sinds de energieprijzen begonnen te stijgen. “Ja, ik douche minder vaak ja, en mijn vrouw doucht minder lang in ieder geval. Ik ging minder. Normaal douchte ik vier keer per week of zo. En nou misschien maar twee bijvoorbeeld.
Tenzij ik veel gezweet heb, dan ga ik wel douchen. Maar ik zeg al: ik doe bijna niet zoveel en ik zit meestal alleen maar. Dus dan ga ik wel onder mijn armen wassen elke ochtend en avond, maar ik ga niet echt helemaal in de douche.” – Respondent 1 “Maar mijn vriend blijft best vaak bij mij slapen en die doucht heel vaak. Ik moet vaak zeggen: niet langer dan vijf minuten, anders gaat mijn rekening omhoog. Daar let ik dan wel weer op.” – Respondent 2 Gezamenlijk noemen respondenten veel maatregelen die zij treffen om te besparen op energie: De verwarming minder vaak en/of korter aanzetten Niet het hele huis verwarmen De verwarming uitzetten als er warmte van de oven vandaan komt De verwarming helemaal uitzetten Een pellet kachel of elektrische kachel gebruiken Warme kleding dragen in huis Extra dekens aanschaffen Minder vaak en/of korter douchen Douchen met een besparende douchekop Regendouche inruilen voor en normale douchekop Spaarlampen gebruiken Minder lampen aanzetten Erop letten dat het licht uit is als er niemand in de ruimte is Minder vaak koken (en voor meerdere dagen tegelijk) Vaker koken met (recent aangeschafte) elektrische apparaten (zoals airfryer, rijstkoker of magnetron) De gaskraan in de keuken helemaal dichtdraaien Afwisselend met gas of elektrisch koken afhankelijk van de actuele energieprijzen Zelf koken in plaats van een maaltijd buiten de deur (afhalen), of
juist andersom Koken of wassen op uren dat de kosten voor energie lager zijn Erop letten dat de wasmachine helemaal vol is voordat deze aan gaat Een wasrek gebruiken in plaats van een droger Apparaten uitzetten in plaats van op stand-by Energiezuinige huishoudelijke apparaten gebruiken Een extra vriezer uitzetten Investeren in isolerende gordijnen
“Ik heb dan altijd zoiets van; waarom moet je dat [de verwarming] omhoog doen, waarom moet je dat aan gaan zetten? Ik zeg: 'doe gewoon lekker een dikke trui om, doe maar een vestje om je heen'. En dan zegt hij [partner]: 'ja, maar de voeten zijn koud'. Ik zeg: doet hij maar lekker z'n pantoffels aan.” -Respondent 7
Energietoeslag
57
Een respondent geeft aan al zo zuinig te leven, dat ze niet weet waar ze verder nog op kan bezuinigen. Een respondent vertelt ook in de buurt te merken dat bewoners energie proberen te besparen: “Ik zie op de andere kant van de straat. Hé, er zijn mensen daar in de huizen, niemand heeft licht aan. Ik was zo verrast. Oké, wij zijn oké. Maar kleine lampjes om zeven uur ‘s avonds niet meer… geen licht aan. Ik heb het raam, open raam gemaakt. Hé, er zijn kinderen. (…) geen licht maar wel mensen. Iedereen in zijn huis maar niemand licht aan hebben.” – Respondent 5
3.6
Financiële problematiek en (behoefte aan) ondersteuning
Het onderzoek wordt ook gebruikt om in beeld te brengen of er sprake is van financiële problematiek, en zo ja, of de respondenten hierbij ondersteuning krijgen of graag ondersteuning zouden willen. Allereerst is de financiële problematiek in beeld gebracht aan de hand van twee vragen: •
Vindt u het wel eens moeilijk om uw rekeningen te betalen?
•
Lost u maandelijks af op een schuld of betalingsregeling?
respondenten dat (bijna) nooit betalingsproblemen heeft, steeg enigszins. Toch zegt ook in de tweede meting rond 60% van de respondenten in de laagste inkomensklasse (heel) vaak of regelmatig betalingsproblemen te hebben. In de hoogste inkomensklasse bedraagt dit aandeel 55%. Het percentage huishoudens met een aflossing is in vergelijking met de vorige meting nauwelijks veranderd. Van de respondenten met een inkomen tot 120% heeft de helft een maandelijkse aflossing, tegen rond 30% van de respondenten met een inkomen tussen 120 en 140%.
In de onderstaande figuren staat de beantwoording over de twee metingen weergegeven. Het aandeel
Figuur 3.30a/3.30b
Betalingsproblemen en aflossingen Betalingsproblemen
4%
5%
6%
19%
Maandelijkse aflossing
23%
8%
33%
37%
50%
50%
36% 41% 38% 16%
12%
12%
15%
12%
9%
Meting 2
Meting 1
Meting 2
22%
Meting 1
tot 120% Heel vaak
58
Vaak
Bijna nooit
Meting 1
Meting 2
tot 120%
120-140% Regelmatig
31%
34%
20%
29%
Meting 1
Meting 2
120-140%
Nooit
Energietoeslag
Het vóórkomen van betalingsproblemen laat logischerwijs een sterk verband zien met rondkomen: huishoudens met betalingsproblemen komen veel minder vaak rond. De huishoudens met betalingsproblemen hebben daarom dezelfde signatuur als de huishoudens die moeilijk rondkomen:
Figuur 3.31
respondenten tussen de 27 en 55 jaar en (daarmee) huishoudens met kinderen hebben vaker moeite om hun rekeningen te betalen. Leeftijd is, net als in de vorige meting, de sterkst voorspellende factor voor het vóórkomen van een aflossing. Dat is duidelijk te zien in de onderstaande grafiek.
Het vóórkomen van aflossingen op schulden en/of betalingsregelingen naar leeftijdsklasse over twee metingen
70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% M1
M2 < 27
M1
M2 27-45
M1
M2 45-55
Desgevraagd zegt 42% van de respondenten in één of meer vormen ondersteuning te krijgen bij hun geldzaken. Dit percentage is identiek in beide metingen. Ook toont in beide metingen geen enkele achtergrondvariabele een significant verband met de vraag of een huishouden ondersteuning ontvangt of niet. Respondenten de moeilijk kunnen rondkomen of betalingsproblemen hebben, krijgen dus niet vaker ondersteuning dan respondenten bij wie dit niet het geval is. Ook soort en hoogte van het inkomen speelt geen rol. Opvallend is wel dat veruit de meeste ondersteuning van familie of vrienden komt, en pas daarna van een bewindvoerder of instanties als de Kredietbank Rotterdam of een
Energietoeslag
M1
M2 55-65
M1
M2 65-75
M1
M2 75+
welzijnsorganisatie. Respondenten in de hoogste inkomensklasse zeggen vaker geen hulp te ontvangen, maar zeggen ook vaker hulp te krijgen van familie of vrienden. In de volgende grafiek staat het percentage respondenten dat hulp ontvangt per inkomensklasse, en bij wie of welke instantie. In de categorie ‘anders’ worden verschillende instanties en organisaties genoemd die hulp bieden, zoals het Wijkteam, woonbegeleiders, Wmo-begeleiders, de Voedselbank en Vluchtelingenwerk. Daarnaast geven veel respondenten hier aan dat ze zelf hun financiële zaken regelen en proberen financiële problemen te voorkomen.
59
Figuur 3.32
Hulp bij geldzaken per inkomensklasse over twee metingen
Geen hulp Familie Vrienden Bewindvoerder Kredietbank Rotterdam Welzijninstelling W&I Huis van de Wijk Vrijwilligersorganisatie Buren Hulpteam Geldzaken Kerk of moskee Collega('s) School kinderen Werkgever Anders 0% Tot 120% Meting 1
10%
20%
30%
Tot 120% Meting 2
We vroegen aan alle respondenten of ze (meer) ondersteuning zouden willen ontvangen bij financiële zaken of op een ander gebied. In de onderstaande figuur is te zien dat het percentage respondenten dat (meer) hulp zou willen hebben in de periode tussen beide metingen is gedaald. In de tweede meting zegt rond een vijfde van de respondenten in de laagste inkomensklasse Figuur 3.33
40%
120-140% Meting 1
50%
70%
120-140% Meting 2
behoefte te hebben aan (meer) hulp, tegen 4% van de respondenten in de hoogste inkomensklasse. Respectievelijk een kwart en een vijfde van beide inkomensklassen zeggen ‘misschien’ ondersteuning nodig te hebben. We zien hier geen verschil tussen de respondenten die op dit moment wel of geen ondersteuning ontvangen.
Behoefte aan hulp bij geldzaken of op een ander gebied per inkomensklasse over twee metingen
53%
59% 72%
27%
77%
24% 21%
20%
18%
Meting 1
Meting 2
Ik zou (meer) hulp willen krijgen
19%
8%
4% Meting 2
Meting 1
Tot 120%
60
60%
120-140% Misschien
Op dit moment geen hulp nodig
Energietoeslag
De ondersteuningsbehoefte is groter als er sprake is van betalingsproblemen of als de respondent moeilijk zegt rond te komen. Dat is duidelijk te zien in de volgende figuur. In de twee linker staven is te zien dat van
Zou u (meer) hulp willen krijgen bij uw geldzaken?
Figuur 3.34
de respondenten die ‘vaak’ of ‘heel vaak’ moeite hebben hun rekeningen te betalen, een relatief groot aandeel ‘misschien’ of zeker (meer) hulp zou willen krijgen.
Behoefte aan hulp bij geldzaken of op een ander gebied naar ervaring van betalingsproblemen
33%
41%
Nee, ik heb op dit moment geen hulp nodig
62% 83%
84%
Misschien
31% 34%
Ja, ik zou (meer) hulp willen krijgen 24%
36% 25%
Heel vaak
Vaak
14%
14%
Regelmatig
3% Bijna nooit
7% 11% Nooit
Vindt u het wel eens moeilijk uw rekeningen te betalen?
Het betekent dat het profiel van huishoudens die vaker betalingsproblemen hebben -een inkomen tot 120%, leeftijdsklasse van 27 tot 55, huishoudens met kinderen- dichtbij het profiel komt van huishoudens
Figuur 3.35
die vaker zeggen (meer) hulp te willen hebben. In de onderstaande grafiek is te zien dat bij alle huishoudenstypen de behoefte aan hulp in de tweede meting kleiner is, behalve bij de tweeoudergezinnen.
Behoefte aan hulp bij geldzaken of op een ander gebied naar huishoudenssamenstelling (1e en 2e meting)
45% 60%
40%
42%
Nee, ik heb op dit moment geen hulp nodig
28%
23%
Misschien
32%
34%
Ja, ik zou (meer) hulp willen krijgen
57%
65%
69%
70%
31% 26%
15%
27%
22% 14%
17% 24%
16%
15%
22% 8%
1e meting 2e meting 1e meting 2e meting 1e meting 2e meting 1e meting 2e meting Alleenstaand
Energietoeslag
Eenoudergezin
Paar zonder kinderen
Paar met kinderen
61
De respondenten die aangeven (meer) hulp te willen, geven desgevraagd ook aan waarmee ze geholpen willen worden. De belangrijkste onderwerpen die daarbij worden genoemd komen overeen met de eerste meting: •
Meer financiële ondersteuning
•
Meer informatie over de inkomensondersteunende maatregelen
•
Ondersteuning bij financiële administratie
•
Besparingsadviezen voor energieverbruik, maar ook bij de dagelijkse boodschappen
•
Ondersteuning bij de vervanging van duurzame gebruiksgoederen, zoals koelkast of wasmachine
•
Ondersteuning bij schulden of betalingsachterstanden.
Resultaten interviews: financiële ruimte en schulden Wat is nodig om comfortabel rond te komen? Tijdens de interviews geven zowel respondenten die hun inkomen als nét voldoende beschouwen, als degenen die hun inkomen als onvoldoende beschouwen, aan dat zij meer geld nodig hebben om comfortabel rond te kunnen komen. Hoewel de precieze definitie van comfortabel rondkomen per respondent verschilt, zijn er een aantal aspecten die vaak benoemd worden zoals: 1) minder stress om geldzaken; 2) onvoorzien kosten kunnen dekken; 3) meer financiële ruimte om af en toe zichzelf en/of de familie te trakteren op wat extra’s en 4) niet continu uitgaven te hoeven prioriteren. Voor sommige respondenten zouden een paar tientjes extra per maand voldoen om hun rondkomen comfortabel te maken, maar voor respondenten die structureel per maand geld tekortkomen liggen deze bedragen hoger (200-400 euro). “Als we 25 euro per week extra zouden hebben voor de boodschappen, dan zou dat wel een heel stuk mooier zijn.” – Respondent 1 “[Op vraag hoeveel geld de respondent tekortkomt:] Per maand, soms kom ik echt wel 300, 400 te kort.
(…) soms betaal ik zeg maar de huur ietsje later en dan de andere maand weer andere dingen later.” – Respondent 14 Eén respondent verwacht ook nog na zijn pensioen te moeten werken om comfortabel rond te komen: “Dus ik denk dat mijn pensioendatum, mijn echte pensioendatum, pas ergens in de 70 wordt. […] om het daardoor weer wat comfortabeler te hebben. […] maar ik denk dat je sowieso als 65-plusser, of 66-plusser het iets comfortabeler wil hebben, dan moet je gewoon blijven werken.” – Respondent 10 Sparen Meerdere respondenten geven tijdens de interviews aan dat zij graag willen sparen, met name om een noodpotje te hebben voor onverwachte uitgaven. “Ik probeer altijd €100 apart te zetten. Dat is voor de zwarte dagen. Altijd €100 euro moet je apart proberen. En daarna van de rest te leven.” – Respondent 5 “Nou ja, voorheen wordt inderdaad, vorig jaar was mijn koelkast inderdaad kapot, en (…) ik dacht inderdaad: je moet een potje hebben dat je tenminste, laat maar zeggen, wat spaart voor iets” – Respondent 7 Hoewel sparen belangrijk wordt gevonden, is dit voor veel respondenten niet haalbaar doordat zij na aftrek van de vaste lasten weinig tot geen geld overhouden. De stijgende kosten van de vaste lasten (energierekening, zorgrekening) en boodschappen worden als voornaamste belemmering voor het sparen benoemd.
“Hoe kan ik met deze uitkering ook sparen voor deze spullen? (…) dat [sparen] lukt niet en in deze tijd wordt alles duurder.” – Respondent 11
62
Energietoeslag
“[Op vraag of respondent geld overhoudt om te sparen] Nee, ik probeer het altijd wel. Want voor de rest… we zijn geen mensen die veel geld uitgeven voor andere dingen of zo, want dat gaat gewoon niet.” – Respondent 4 Voor sommige respondenten die onder bewind staan is het niet in handen hebben van hun eigen budgetbeheer ook een factor die geld sparen lastig maakt, omdat er maar weinig geld opzij kan worden gezet: “Het [budgetbeheer] maakt het ook heel lastig om zo snel te sparen, want ik krijg maar 200 euro [per maand] zeg maar (…). Dan kan ik ook niet verder sparen of iets, of sneller sparen. En ik moet dan geen dingen willen, nodig hebben of zo, weet je wel.“ – Respondent 15 Eén respondent geeft aan per maand ongeveer €400,- tot €500,- over te houden om te sparen, maar hier de noodzaak niet van in te zien en dit daarom niet te doen. “[Op vraag of respondent spaart] Nee. Waarom moet ik sparen? (…) Ik leef nu. De kinderen hebben het goed.” – Respondent 8 Schulden Een groot deel van de respondenten geeft tijdens de interviews aan schulden te hebben (gehad). Dit kunnen schulden zijn met betrekking tot de huurkosten, de zorgkosten of -verzekering, het terug moeten betalen van (kinderopvang/huur-/zorg-) toeslagen, maar ook betalingsachterstanden bij de energiemaatschappij. Een paar respondenten hebben een studieschuld. Soms zijn schulden inmiddels afgelost.
Een respondent geeft aan dit zo te willen houden: “Ik ben boekhouder, dus ik wil alles in orde hebben, ook met een laag inkomen,” (respondent 11). Bij anderen loopt er nog een betalingsregeling. De rest van de respondenten heeft geen schulden. Bij sommige respondenten ontstond de schuld doorpersoonlijke omstandigheden die niet altijd door de respondent beïnvloed konden worden. Zo vertelt een respondent dat een schuld ontstond doordat de uitbetaling van de ziektewet te laat binnenkwam, waardoor de huur niet betaald kon worden. Deze respondent vertelt dat het hebben van een schuld tot veel stress leidde: “Want ik heb daar stress van als ik weet dat ik… Net als toen met die huur wat ik niet kon betalen. Nou, vreselijk. Ik vond dat vreselijk. (…) Ik kon er niet van slapen. (…) Want op een gegeven moment zat ik zo’n beetje elke dag te huilen. Van onmacht.” – Respondent 4 Hulp bij schulden Een deel van de respondenten geeft in de interviews aan hulp te ontvangen bij hun schulden. Zij krijgen dit in de vorm van bewindvoering of via budgetbeheer van de Kredietbak Rotterdam. Bij sommige respondenten gaat dit gepaard met gevoelens van schaamte of onzekerheid. “Maar ik had zoiets van, nou, niet dat het trots is eigenlijk, een beetje meer schaamte, want ik bedoel van (…) het is gewoon werk dat ik heb gedaan [bewindvoering].
(…) Dus ik hoor het eigenlijk gewoon beter te weten.” – Respondent 7 “Ik had wel in het begin echt heel erg moeite met bijvoorbeeld bellen en het geld vragen als ik echt nodig had. Dus dan zat ik echt serieus twee dagen gewoon zonder eten (…). Omdat ik destijds [dacht], ze zullen denken van: oké, ze heeft al schulden, ze wil nu geld, ze wil gewoon extra geld. (…) Eigenlijk gewoon een beetje bang of zo, een beetje onzeker was ik dan gewoon.” – Respondent 15 De meesten hebben echter geen hulp bij hun schulden. Een paar respondenten geven aan hier ook geen behoefte aan te hebben. Sommigen hebben bijvoorbeeld wel een betalingsregeling, of zaten in de schuldsanering, maar krijgen hier verder geen hulp bij: “Nee, ik betaal alles zelf. (…) Ja, nee, niemand. Wie zou dat moeten [doen]?” (respondent 4). Naar voren komt dat respondenten het belangrijk vinden hun schulden af te kunnen lossen: “Ja, ik heb zoiets: schuld is schuld en dat moet prioriteit hebben denk ik altijd.” – Respondent 9 Overige hulp bij financiën Los van hulp bij schulden, ontvangen (of ontvingen) meerdere respondenten hulp bij hun financiële zaken, zo blijkt uit de interviews. Zoals eerder benoemd krijgt een aantal respondenten hulp van instanties, zoals Veritas of de Kredietbank Rotterdam, om hun inkomen te beheren.
Energietoeslag
63
Respondenten krijgen daarnaast ook hulp in de vorm van overige regelingen vanuit de gemeente, budgetbeheer, bijdrages van familie, vrienden of partner (in de vorm van spullen, geld, of hulp bij administratieve zaken), of advies vanuit het wijkteam. Sommigen hebben in het verleden weleens financiële hulp gekregen van familie, maar ontvangen dit momenteel niet meer. Meerdere respondenten geven aan geen (extra) hulp te willen of hoeven ontvangen. Zo zou een respondent zich bezwaard voelen bij financiële hulp van familie. Een ander vertelt: “Ik vind de mensen die ik heb nu wel genoeg, anders moet ik te veel rekening houden met wie ik wat heb verteld. Het wordt te veel voor mij. Dus ik vind dat wel voldoende.“ – Respondent 2 Andere respondenten benadrukken dat zij graag zelfstandig en onafhankelijk willen zijn qua financiën en dus geen hulp (van buiten de familie) willen ontvangen. “Nou, weet je wat ik vind? Ik vind zo lang als je dingen zelf op kan lossen en je creatieve dingen kan bedenken, zonder ergens bij een instantie aan te kloppen, dan moet je dat altijd doen.” – Respondent 9 Sommige respondenten geven aan wel meer financiële hulp te willen ontvangen, bijvoorbeeld van de gemeente. Ook het verhogen van toeslagen en uitkeringen wordt genoemd.
Een respondent geeft echter aan hulp vanuit de gemeente lastig te vinden door alle regels en beperkingen die er gelden en doordat de respondent ook niet altijd op de hoogte is van de regelingen die er zijn. Een ander zou willen dat de gemeente de huurprijzen beter reguleert en hoopt op een hogere energietoeslag. Overige hulp algemeen Naast deze financiële hulp, vertellen sommige respondenten tijdens de interviews nu hulp te krijgen vanuit de Voedselbank, of advies te ontvangen van het wijkteam. Aan de respondenten is ook gevraagd of zij meer hulp bij overige zaken zouden willen ontvangen en welke vorm daarbij de voorkeur heeft. Genoemd wordt het helpen zoeken naar een woning door de gemeente, (een aantal) gratis OV-kaartjes voor mensen met een bijstandsuitkering en het krijgen van een Energiebox (de dozen waren steeds op bij de distributiepunten) en meer (financiële) hulp en voorlichting voor ouders met een kind met een beperking. Een respondent vindt dat de gemeente meer bekendheid moet geven aan de regelingen die er al zijn. Het lijkt er inderdaad op dat sommigen deze regelingen mislopen. Zo geeft een respondent aan graag een sport te willen doen: de respondent zou willen dat de gemeente hier een ‘potje’ voor had. Ongeveer de helft geeft aan geen behoefte te hebben aan meer hulp. Eén respondent vertelt hierbij: “Nee, maar dat is puur persoonlijk.
Omdat ik iemand ben die gewoon graag zijn eigen boontjes dopt,” (respondent 9). Een ander is tevreden over de al beschikbare hulp: “Nee, ik ben wel tevreden met de gemeente Rotterdam. Is echt heel veel hulp,” (respondent 14).
3.7 Bekendheid en gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen Als het gaat om de ondersteuningsbehoefte, is het ook belangrijk om te weten in hoeverre bestaande inkomensondersteunende voorzieningen bekend zijn en worden gebruikt. In de onderstaande grafiek staat bekendheid en gebruik voor een elftal lokale voorzieningen uitgezet. Omdat er geen significante verschillen zijn tussen de resultaten van de eerste en tweede
64
meting, presenteren we hier alleen de cijfers van de tweede meting. De Rotterdampas, de kwijtscheldingsregeling afvalstoffenheffing en de premiebijdrage ziektekostenverzekering zijn veruit de meest gebruikte en bekende voorzieningen. Dat is niet vreemd, omdat dit ook de voorzieningen met de breedste doelgroepen zijn. Hoewel ook de bijzondere bijstand een brede doelgroep kent, en ook een relatief brede bekendheid geniet, blijft het gebruik achter bij de andere voorzieningen.
Energietoeslag
Figuur 3.36
Bekendheid en gebruik van lokale inkomensondersteunende voorzieningen
Rotterdampas
58%
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
34%
44%
Premiebijdrage collectieve zorgverzekering Rotterdam
33%
31%
32%
38%
20%
Kind of Jeugdtegoed
18%
Bijzondere bijstand
16%
AOW tegoed
13%
31%
56%
Bijzondere bijstand voor energiekosten
12%
34%
54%
Meedoen in Rotterdam
10%
Jeugdfonds Sport Cultuur
10%
21%
60%
30%
52% 47%
70%
33%
57% 84%
Ja heb ik van gehoord, maar nooit gebruikt
In de onderstaande figuur zien we het gebruik van de regelingen in de twee inkomensklassen. Uiteraard wordt het gebruik beïnvloed door recht. Voor de kwijtscheldingsregeling geldt een inkomensgrens van 100% van het sociaal minimum. Voor het Kind- en AOW-tegoed ligt deze op 110%, voor het Jeugdtegoed en de beide Jeugdfondsen op 130%, voor de IIT en de premiebijdrage is de inkomensgrens 130% van het wettelijk minimumloon. Voor de Rotterdampas geldt een gereduceerd tarief voor huishoudens met een inkomen tot 120%, maar de pas is te koop voor alle inkomens. Daarmee is alleen de Rotterdampas beschikbaar voor alle
36%
20%
Witgoedfonds 1% 15%
Figuur 3.37
23%
Individuele Inkomenstoeslag
Ja, gebruik ik of heb ik gebruikt
8%
Nee, niet van gehoord
ontvangers van de energietoeslag. Een gedeelte van de ontvangers met een inkomen tussen de 120 en 140% kan aanspraak maken op de premiebijdrage VGZ, de IIT, het Jeugdtegoed, Meedoen en de Jeugdfondsen. De huishoudens met een inkomen tot 120% kunnen aanspraak maken op alle regelingen, maar alleen voor het gedeelte tot 100% van de kwijtscheldingsregeling. Door deze verdeling van het recht maken huishoudens met een inkomen tot 120% van alle regelingen vaker gebruik. Dat is te zien in de onderstaande tabel.
Gebruik van lokale inkomensondersteunende voorzieningen naar inkomenshoogte
70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
tot 120%
Energietoeslag
120-140%
65
De Rotterdampas is veruit de bekendste regeling. Ook de kwijtscheldingregeling, de bijzondere bijstand en de premiebijdrage VGZ genieten relatief veel bekendheid. Voor een generieke maatregel is de IIT relatief weinig
Figuur 3.38
bekend: minder dan de helft van de respondenten kent de toeslag. De andere regelingen zijn gericht op specifieke doelgroepen. Daar wordt hieronder op ingegaan.
Bekendheid van lokale inkomensondersteunende voorzieningen naar inkomenshoogte
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
Tot 120%
120-140%
In het onderstaande gaan we in op bekendheid en gebruik van de regelingen door de specifieke doelgroepen.
Gebruik Rotterdampas Rotterdampas De Rotterdampas is beschikbaar voor alle Rotterdammers. Rotterdammers met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum kunnen de pas tegen een gereduceerde prijs kopen. Gebruik en bekendheid zijn vergelijkbaar over alle soorten inkomens en inkomenshoogten. Wel hebben huishoudens met kinderen en 65-plussers vaker een Rotterdampas dan andere huishoudens. Dit zal te maken hebben met het feit dat AOW- en Jeugdtegoed beschikbaar worden gesteld via de pas.
Paar met kinderen Paar zonder kinderen
73% 56%
Eenoudergezin
21% 5% 37%
78%
8% 17% 5%
Alleenstaand
55%
36%
9%
Anders
55%
38%
7%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
66
Energietoeslag
Kwijtschelding afvalstoffenheffing Rotterdammers met een inkomen tot 100% van het sociaal minimum hebben recht op een gedeeltelijke kwijtschelding van afvalstoffenheffing. Bij rechthebbenden wordt het bedrag voor 76,5% kwijtgescholden. Vooral door de automatische kwijtschelding is het gebruik en bekendheid onder bijstandsgerechtigden veel hoger dan onder de andere inkomens.
Gebruik kwijtscheldingsregeling Afvalstoffenheffing Bijstand
71%
Ander inkomen
40%
15% 14% 36%
25%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
Premiebijdrage collectieve zorgverzekering Rotterdammers met een inkomen tot 130% van het wettelijk minimumloon krijgen een premiebijdrage van 10 euro per maand als ze deelnemen aan de collectieve zorgverzekering (het Rotterdampakket) van zorgverzekeraar VGZ. Gebruik en bekendheid laten geen significante verschillen zien over inkomenshoogte. Wel zien we ook hier dat bijstandsgerechtigden vaker gebruik maken van de regeling dan de andere inkomens.
Gebruik premiebijdrage collectieve zorgverzekering
Bijstand
48%
Ander inkomen
30%
30% 30%
22% 39%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
De Individuele Inkomenstoeslag (IIT) De individuele inkomenstoeslag is beschikbaar voor Rotterdammers tussen de 21 en 65 jaar die minimaal een jaar op een laag inkomen (tot 130% van het sociaal minimum) zijn aangewezen en geen perspectief hebben op inkomensverbetering. Het gaat om een bedrag van 120 euro op jaarbasis. We kunnen met onze gegevens niet al deze voorwaarden toepassen op de onderzoeksgroep, maar kunnen wel bekendheid en gebruik bekijken op basis van het leeftijdscriterium en het inkomenscriterium. Hoewel bekendheid en gebruik dan wat hoger liggen dan in de hele onderzoeksgroep, is de toeslag bij een meerderheid van de 21 tot 65jarigen onbekend. Het gebruik ligt bij de huishoudens met een inkomen tot 120% hoger dan bij de huishoudens met een inkomen tussen de 120 en 140% van het sociaal minimum. Hoewel de toeslag ook is gericht op niet-uitkeringsgerechtigden, ligt het gebruik bij bijstandsgerechtigden duidelijk hoger dan onder niet-bijstandsgerechtigden: 45% van de bijstandsgerechtigden maakt(e) gebruik van de toeslag, tegen 19% van de respondenten met een ander inkomen.
Energietoeslag
Gebruik IIT in leeftijdsgroep 21-65 jaar
120-140%
tot 120%
9%
23%
32%
68%
15%
53%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
67
Meedoen en Jeugdfonds Sport & Cultuur Meedoen en het Jeugdfonds Sport & Cultuur ondersteunen kinderen van 4 tot 18 jaar van ouders met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum. Van Meedoen maakt 27% van de eenoudergezinnen en 32% van de tweeoudergezinnen in onze onderzoeksgroep gebruik. De regeling is bij de helft tot 60% van de ouders onbekend. Van het Jeugdfonds maken juist meer eenoudergezinnen gebruik. Het Jeugdfonds is ook bekender bij de huishoudens met kinderen dan Meedoen in Rotterdam.
Paar met kinderen
45%
Eenoudergezin
19%
60%
36%
18%
23%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
Gebruik AOW-tegoed 75+ 65-75
54%
14%
39%
25%
32% 37%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
Gebruik van Meedoen en Jeugdfonds Sport & Cultuur
Jeugdfonds Sport & Cultuur
AOW-tegoed Het AOW-tegoed is beschikbaar voor AOW-gerechtigden met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. 46% van de respondenten met een AOW in de laagste inkomensklasse maken gebruik van het tegoed. 75-plussers maken vaker gebruik van het tegoed dan respondenten tussen de 65 en 75 jaar. Van deze laatste groep zegt een kwart het tegoed wel te kennen, maar niet te gebruiken. Rond een derde van de 65-plussers met een inkomen tot 120% zegt niet van het tegoed te hebben gehoord.
Gebruik Kind- en Jeugdtegoed van huishoudens met kinderen
Meedoen
Kind- en Jeugdtegoed Het Kindtegoed is beschikbaar voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar in huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. Het Jeugdtegoed is beschikbaar voor kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar in huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum. Onder huishoudens met kinderen in onze onderzoeksgroep geniet de regeling een relatief grote bekendheid. Ruim driekwart van de eenoudergezinnen en rond 65% van de tweeoudergezinnen heeft van het tegoed gehoord. Het gebruik ligt met 60% onder eenoudergezinnen hoger dan onder tweeoudergezinnen. Vooral bij eenoudergezinnen ligt het gebruik onder bijstandsgerechtigden hoger dan onder niet-bijstandsgerechtigden: 67% van de eenoudergezinnen met een bijstandsuitkering maakt gebruik van het tegoed.
Paar met kinderen
22%
Eenoudergezin
32%
Paar met kinderen
32%
Eenoudergezin
27%
30%
30%
19%
16%
48%
38%
49%
57%
Gebruik ik of heb ik gebruikt Van gehoord, maar niet gebruikt Niet van gehoord
68
Energietoeslag
Resultaten interviews: gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen Welke regelingen gebruiken respondenten? Respondenten geven in de interviews aan dat zij gebruikmaken van verschillende gemeentelijke regelingen. Een groot deel heeft de Rotterdampas. Ook kwijtscheldingen (van de afvalstoffenheffing) worden door meerdere respondenten gebruikt. Een paar respondenten gebruiken het Kind- en jeugdtegoed en de premiebijdrage VGZ. Ten slotte maakt een enkele respondent gebruik van de Bijzondere Bijstand of het AOW tegoed3. Informatievoorziening over regelingen Sommige respondenten die deelnamen aan een interview hebben het idee dat ze goed weten welke regelingen er allemaal zijn in Rotterdam. Anderen geven echter aan dat zij niet alle regelingen kennen. “Er zijn potjes zat, maar je moet gewoon de weg weten.” Interviewer: “En dat weet u wel?” Respondent: “Nee.” – Respondent 8 “Want kijk, ik kwam uit een ander land en wij hebben geen dingen voor dit soort…” Interviewer: “Nee, dus dan u wist helemaal niet dat dat er was, dat het bestond?” Respondent: “Nooit gedacht dat er zoveel goede dingen zijn voor de kinderen.” – Respondent 5 Zo was een respondent niet bekend met de bijzondere bijstand, en niet met Meedoen in Rotterdam en het Jeugdfonds Sport & Cultuur, terwijl de respondent hier wel gebruik van zou willen maken: “Ik schrijf het op, stichting Meedoen.
Dat is wel leuk, want mijn zoon wil eigenlijk graag sporten. Hij wil basketbal doen of fitness.” – Respondent 1 Respondenten die wel op de hoogte waren van de gemeentelijke regelingen hadden hier op verschillende manieren over gehoord. De meesten hoorden over de regelingen via familie, vrienden kennissen, of de buren. Sommigen hoorden erover via advertenties in de stad of via de gemeente. Een enkele respondent had hier in het eigen werk ervaring mee gehad of was er bekend mee door in het verleden al eens familieleden te hebben geholpen met de aanvraag van bepaalde regelingen. Het lijkt er dus op dat respondenten informatie over de regelingen nauwelijks via de gemeente ontvangen, maar vooral via hun sociale netwerk. Respondenten hebben verschillende suggesties voor een verbetering van de informatievoorziening. Zo geeft een respondent aan dat het fijn zou zijn als er meer reclame werd gemaakt voor de regelingen, bijvoorbeeld via facebook. Een respondent constateert dat er vroeger nog folders over de regelingen thuis werden bezorgd, terwijl mensen de informatie nu zelf online moeten opzoeken. Een ander geeft aan informatie over regelingen het liefst via de post te ontvangen of via social media: “Ik heb geen tv thuis, dus ik mis dat ook,” (respondent 13).
Positieve ervaringen met regelingen Respondenten zijn tijdens de interviews positief over de aanvraag van de Rotterdampas, die soepel verliep: “Het was simpel. Je moest je salaris opgeven en klaar is Kees,” (respondent 8). Een respondent vertelt dat de aanvraag van allerlei regelingen soepel verloopt. Deze respondent heeft een bijstandsuitkering: hierdoor gaat veel automatisch en stelt de gemeente de respondent ook vaak op de hoogte van regelingen. Aandachtspunten Tijdens de interviews komen er ook verschillende aandachtspunten naar voren wat betreft de gemeentelijke regelingen. Sommige respondenten hebben moeite met de aanvraag van bepaalde regelingen. Zo geeft een respondent aan de aanvraag lastig te vinden, en hierbij daarom hulp te hebben gekregen. Een ander geeft aan niet goed te weten hoe ze een aanvraag moet doen bij Meedoen in Rotterdam en het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Een andere respondent, die de Rotterdampas tegen het gereduceerde tarief wilde bestellen, vertelt dat de aanvraag hiervan niet soepel verliep. Het lukte namelijk niet om dit online te regelen: “Het was niet zo duidelijk op de site dat je persoonlijk naar de gemeente moest gaan om het aan te vragen als je een bijstandsuitkering [hebt]… Want ik zat maar van; ik wil die van die reductie. Dus dat ging niet op de site. (…) Nee, je moet echt daar naartoe.” – Respondent 4
3
Merk hierbij op dat niet alle regelingen altijd aan bod kwamen in de interviews, en het gebruik van de regelingen in wer kelijkheid dus groter kan zijn (bekijk voor het werkelijke gebruik van de regelingen dus (ook) de kwantitatieve resultaten).