[23bb005369] Eindrapport Energietoeslag
Tekst van het document
En daarna, na de cursus, ga ik nog een opleiding doen en dan terug naar werk.” – Respondent 5 [deze respondent is een aantal jaar geleden naar Nederland verhuisd en wil de taal graag beter leren] Een deel van de respondenten geeft aan dat zij vanwege fysieke en/of mentale gezondheidsklachten (tijdelijk) niet (hebben) kunnen werken. Sommigen van hen zijn bezig met voorzichtig re-integreren op de arbeidsmarkt. Eén respondent geeft aan dat de gemeente helpt bij de re-integratie. “Zij [de gemeente] helpen me en ik heb twee maanden de tijd om er langzaam weer in te komen. Want ik kan natuurlijk niet van nul uur gelijk naar acht uur per dag. Dat gaat niet.” – Respondent 4
26
Energietoeslag
Andere respondenten geven aan dat zij wel willen werken, maar dat het lastig is voor hen om een baan te vinden, bijvoorbeeld vanwege hun leeftijd. “Op mijn leeftijd [61 jaar] is het moeilijk om aan een goede baan te komen (…)” Interviewer: “Zou u wel weer willen werken dan?” Respondent: “Ja dat wil ik. In de boekhouding lukt het niet meer voor mij. Maar een leuk bijbaantje parttime.“ – Respondent 11 Ook voor partners van respondenten is het niet altijd gemakkelijk om een baan te vinden. “En ja, dat is eigenlijk, want hij [partner] heeft ook allemaal ideeën wat hij wil in z'n leven, dus hij, ja, hij vindt het maar niks om fabriekswerk te gaan doen, want dat heeft hij een tijdje gedaan. Maar nee, dat vond hij niet leuk. Maar ja, alle andere leuke banen moet je wel Nederlandse taal hebben.” – Respondent 7 Het merendeel van de respondenten was (zeer) gemotiveerd om een baan te vinden of om meer uren te werken. “Ja, want ik moet er gewoon weer onder de mensen. Ik houd namelijk van werken. (…) En dat heb ik mijn hele leven gedaan. En thuiszitten is niks voor mij.” – Respondent 4 Verder werkten een aantal respondenten parttime of als zelfstandig ondernemer. Bron van inkomen Respondenten die meededen aan een interview verschillen in hun bronnen van inkomen. Drie respondenten geven aan dat hun inkomen enkel bestaat uit hun salaris.
Voor de overige respondenten geldt dat het inkomen opgebouwd is uit een salaris/pensioen en een uitkering of enkel uit één of meerdere uitkeringen zoals een (gezamenlijke) bijstandsuitkering of AOW. Veel respondenten ontvangen daarnaast huur-, zorg-, en/of kinderbijslag. Een aantal respondenten krijgt hulp van instanties, zoals Veritas of de Kredietbank Rotterdam, om hun inkomen te beheren. Sommige respondenten staan onder bewind vanwege schulden; anderen hebben vanwege persoonlijke omstandigheden hulp bij hun budgetbeheer gevraagd. Respondenten die onder bewind staan ontvangen wekelijks een budget waarmee zij hun boodschappen en overige zaken (exclusief vaste lasten) moeten regelen. Het te besteden budget varieert per respondent van 50 tot 100 euro per week. “Mijn financiële dingen worden geregeld door [organisatie], omdat ik daar moeite mee heb dus. (…) elke maand betaal ik wel een bedrag daarvoor, maar dan regelen hun mijn rekeningen eigenlijk, vanwege dat ik er geen stress over hoef te maken en zo. Ik heb moeite met stress opbouwen.” – Respondent 1 Interviewer: “En dat inkomen, dat gaat natuurlijk dus naar bewindvoering en u krijgt elke maand [een bedrag], of…?” Respondent: “Elke week… (…) 90 euro. (…) En we moeten natuurlijk, ja, ik moet het dan natuurlijk delen, dus mijn man (…) hij neemt dan 40 en ik heb dan 50.” – Respondent 7
Energietoeslag
27
Soort woning en woonlast Veruit de meeste huishoudens (93%) wonen in een huurwoning. We vroegen de respondenten naar de
Figuur 3.7
netto huur die ze maandelijks betalen, dus als de huurtoeslag op de huur in mindering is gebracht. In de onderstaande figuur staat de huur in klassen per gezinstype weergegeven.
Netto huur naar huishoudenssamenstelling
100% 800 euro of meer
90% 80%
700-800 euro
70% 600-700 euro
60% 50%
500-600 euro
40% 400-500 euro
30% 20%
300-400 euro
10%
<300 euro
0% Alleenstaand
Eenoudergezin
Paar zonder kinderen Paar met kinderen
Alleenstaanden betalen de laagste huren: bijna 60% betaalt niet meer dan 500 euro per maand. De huishoudens met kinderen betalen de hoogste huren: van de eenoudergezinnen betaalt ruim 40% 600 euro of meer, terwijl dit bij de tweeoudergezinnen bijna 60% bedraagt. In de onderstaande tabel worden de verschillen wat duidelijker door de gemiddelden per gezinstype en Tabel 3.3
inkomensklasse. De tweeoudergezinnen betalen verreweg de hoogste gemiddelde huur. De huishoudens met een inkomen tot 120% betalen met een gemiddelde van € 507 euro iets meer dan de huishoudens met een inkomen vanaf 120%, die een gemiddelde huur van € 492 per maand hebben.
Gemiddelde netto huur per maand per huishoudenstype en inkomensklasse tot 120%
120-140%
Totaal
Alleenstaand
€ 476
€ 463
€ 474
Eenoudergezin
€ 522
€ 542
€ 524
Paar zonder kinderen
€ 536
€ 497
€ 528
Paar met kinderen
€ 592
€ 633
€ 595
Anders
€ 557
€ 541
€ 555
Alle huishoudens
€ 507
€ 492
€ 505
N=
2.981
443
3.424
*) van 12 huishoudens met een huurwoning bleef de huur onbekend
28
Energietoeslag
De huishoudens met een koopwoning hebben een gemiddelde netto hypotheeklast van 337 euro per maand. Dit relatief lage gemiddelde wordt veroorzaakt door de relatief lage gemiddelden bij Tabel 3.3
huiseigenaren vanaf 55 jaar, die een groot gedeelte van hun hypotheek zullen hebben afgelost. Dit is te zien in de onderstaande tabel.
Gemiddelde netto hypotheeklast per maand per leeftijdsklasse en inkomensklasse tot 120%
120-140%
Totaal
<27
€ 780
27-45
€ 484
€ 647
€ 513
45-55
€ 438
€ 498
€ 446
55-65
€ 387
€ 371
€ 383
65-75
€ 250
€ 299
€ 263
75+
€ 130
€ 208
€ 162
Alle huishoudens
€ 339
€ 332
€ 337
183
64
247
N=
€ 780
*) van 3 huishoudens met een koopwoning bleef de hypotheeklast onbekend
Resultaten interviews: woning en buurt Soort woning Het merendeel van de respondenten die deelnamen aan een interview heeft een huurwoning. Sommigen huren particulier, anderen hebben een sociale huurwoning. Voor verschillende respondenten is de huur toegenomen in 2022. Meerdere respondenten geven aan dat ze de huur (te) hoog vinden: “Ik kom dan ongeveer op €800 per maand uit. Nou, dat vind ik heel veel voor zo'n klein huisje [27 vierkante meter].” – Respondent 4 “Nee, dat [de huur] is veranderd. Mijn huur is drie keer verhoogd dit jaar, ik weet niet hoe dat mogelijk is, dat moet ik ook gewoon met de juridisch loket gewoon echt gaan over hebben.” – Respondent 13 “[Over de hoogte van de huur] Ja, soms denk ik van: ik wil het niet betalen, de huur. Maar dan moet het wel.” – Respondent 14 Eén respondent gaf aan een koophuis te hebben, maar hier spijt van te hebben vanwege de stijgende energiekosten: “Als ik had geweten wat er allemaal aan zat te komen op gebied van energie, had ik het nooit gekocht” – Respondent 10 De meeste respondenten hebben een appartement of studio in een (ouderen)flat of portiekwoning. Eén respondent gaf aan een appartement in een rijtjeshuis te hebben. Verder hadden respondenten een benedenwoning of een twee-ondereen-kapwoning. Mening over de woning De meeste respondenten geven in de interviews aan dat zij tevreden zijn met hun woning.
Hiervoor worden verschillende redenen genoemd, zoals weinig geluidsoverlast, de locatie van de woning, een fijne huurbaas/eigenaar, een gevoel van thuiszijn en leuk contact met de buren. ”Dat contact met de buren is heel leuk hoor. (…) En het is ook wel zo dat we elkaar helpen. (…) We hebben wel goed contact met elkaar. We gaan niet bij elkaar op de koffie. Dat niet. (…) want…, we hebben beneden een grote zaal. En dan doen we af en toe feestjes. Of lunchen.” – Respondent 4
Energietoeslag
29
De respondenten die niet tevreden zijn met hun woning geven aan dat dit met name komt door gebreken aan de woning, zoals oude en kapotte meubels, lekkages en slechte isolatie. Deze problemen zijn vaak moeilijk op te lossen vanwege geldgebrek of vanwege de aard van het huurcontract (e.g. restricties in wat men met de woning mag doen). Ook worden problemen met de verhuurder ervaren als belemmerend voor het woonplezier. “[Over slechte isolatie] Ik hoor… Ik weet alle routines van de bovenste mensen [bovenburen]. Wat boven mij woont. Op welke tijd staat de stofzuiger? Op welke tijd staat de wasmachine? Op welke tijd gaan ze naar het werk? (…) [Wat vindt de respondent hiervan?] Een beetje vervelend, ja. Want ik wil niet interfereren met de mensen van boven.” – Respondent 5 “[Over slechte isolatie] Dus dan, heb je dan elke keer van die condens op het raam, en dan krijg je ineens schimmel. We hebben dat in de badkamer ook en ja, en m'n kleine die is constant aan het hoesten…” – Respondent 7 Voor één respondent brengt de woning zelfs gevoelens van schaamte teweeg: “En soms krijg ik bezoek en dan vind ik het erg dat mijn huis niet zo goed is. De stoelen zijn niet goed, dus ik heb weinig contact met andere mensen. Bijvoorbeeld als ik een vriendin uit Duitsland op bezoek krijg, dan krijg ik stress.” Interviewer: “Is het dan dat u zich een beetje schaamt voor uw huis?”.
Respondent: “Ja precies” – Respondent 11 Mening over de buurt Het merendeel van de respondenten die meededen aan een interview geeft aan dat zij tevreden zijn met de buurt. Rust in de buurt en de nabijheid van natuur worden vaak als reden genoemd. Het hebben van fijne/gezellige buren wordt ook als pluspunt benoemd. De respondenten die deels of helemaal niet tevreden zijn met hun buurt geven aan dat dit voornamelijk komt door criminaliteit in de buurt waardoor men zich niet of minder veilig voelt. Ook gebrek aan gezelligheid/faciliteiten en drukte/geluidsoverlast worden als minpunten van de buurt benoemd. “Oh, de dealers komen. (…) in de dag, in de speeltuin, waar de kinderen spelen. Ik vind het echt erg, ja, dat kan niet. (...) Daarom ben ik een beetje… Ik wil niet… mijn zoon ziet deze dingen. Poef, poef. Mama, pistool, piew, piew, piew. Ja, dat is jammer.” – Respondent 5 “Elke keer is er wel politie hier in de flat en ze hadden, laatst hadden ze iemand opgepakt omdat hij drugs aan het dealen was, en met wapens en zo. Maar ja, ik heb wel een kleine die ook op de galerij speelt.” – Respondent 7 “Als ik nu naar werk ga dan zitten ze [kinderen] te vragen: ‘mama, mag ik naar buiten?’. Maar dat mogen ze niet van mij. (…) Ik vind het niet zo veilig en dan worden ze boos op mij van: ‘ja, we mogen niks.’ Maar ik vind het echt eng.
(…) je ziet vermiste kinderen, je ziet kinderen die worden misbruikt, kinderen die elkaar steken.” – Respondent 14 Alle respondenten die hun buurt als onveilig beschouwen geven aan dat zij graag zouden willen verhuizen, maar dat dit niet mogelijk is vanwege hun financiële situatie. Sommige respondenten geven aan dat zij om andere redenen willen verhuizen, zoals het dichter bij familie wonen, het willen wonen in een specifieke buurt, of voor de eigen lichamelijke veiligheid/comfort.
3.2
De energierekening
Om het energiegebruik in beeld te kunnen brengen, werd allereerst gevraagd naar soort energiegebruik en soort contract. We geven de beantwoording weer over beide metingen. In de onderstaande grafieken is te zien dat veruit de meeste respondenten gas en elektriciteit gebruiken; de overige huishoudens gebruiken alleen elektriciteit. Dit laatste percentage ligt in de tweede meting iets hoger. Als het gaat om het soort contract, heeft in de tweede meting 44% een variabel tarief en 34% een vast tarief. Bijna een kwart van de
30
respondenten geeft aan niet te weten of zij een vast of variabel contract bij de energieleverancier heeft. Dit laatste percentage is wel gedaald in vergelijking met de eerste meting. Laten we deze respondenten buiten beschouwing, dan zien we dat het percentage huishoudens met een variabel contract licht steeg van 55% in de eerste meting naar 57% in de tweede meting. Tenslotte is 40% van de huishoudens aangesloten op blokof stadsverwarming.
Energietoeslag
Figuur 3.8
Soort energiegebruik en soort contract
Soort contract
Soorten energie
Blok- of stadsverwarming
28%
23%
32%
34%
40%
44%
60%
60%
40%
40%
Meting 1
Meting 2
77%
80%
Meting 1
24%
21% Meting 1
Meting 2
Ik weet het niet
Meting 2
Ja
Ik heb een vast contract Alleen elektriciteit
Gas en elektriciteit
Ik heb een variabel contract
Gemiddeld betalen de respondenten volgens eigen opgave 186 euro per maand aan energie. Daarmee ligt het gemiddelde hoger dan in de eerste meting, toen het 165 euro bedroeg. In de onderstaande grafiek staan de gemiddelde naar soort contract over twee metingen. De huishoudens met een vast contract betalen duidelijk Figuur 3.9
Nee
minder per maand. De stijging van het termijnbedrag in de periode tussen beide metingen ligt bij beide contractvormen rond de 10%. Doordat de gemiddelde stijging hoger ligt bij de respondenten die niet weten welk contract ze hebben, komt de gemiddelde stijging over alle huishoudens uit op 13%.
Gemiddeld termijnbedrag naar soort contract over twee metingen
€ 203 € 189
€ 185 € 163
€ 161
€ 186 € 165
€ 146
Variabel contract
Vast contract Meting 1
Een gemiddeld termijnbedrag van 186 euro is, als we dit vergelijken met de gemiddelde verbruiksgegevens in Rotterdam volgens het CBS, bescheiden. Op basis van het gemiddelde gebruik betaalde een Rotterdams huishouden met een huurhuis in oktober 2022 329 euro per maand. Dat betekent bijna een verviervoudiging van de kosten van energie in vergelijking met oktober 2020,
1
Weet niet welk contract
Alle huishoudens
Meting 2
toen het gemiddelde nog 90 euro bedroeg. 1 Het verschil met de uitkomst in ons onderzoek kan met verschillende factoren te maken hebben. Op de eerste plaats is het aandeel huishoudens met stadsverwarming in onze onderzoeksgroep relatief groot (40% bij een Rotterdamse gemiddelde van 20%). We zagen eerder dat huishoudens met stadsverwarming gemiddeld lagere
Zie voor een berekening van het verbruik en de gemiddelde energierekening voor alle Rotterdamse huishoudens bijlage D
Energietoeslag
31
kosten hebben. Daarnaast heeft ruim een derde van de huishoudens nog een vast tarief; bij deze huishoudens werken de hogere tarieven nog niet door in de maandelijkse energierekening. Tenslotte zijn de gemiddelden van CBS gebaseerd op alle Rotterdamse huishoudens, terwijl de onderzoeksgroep bestaat uit huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum. We mogen ervan uitgaan dat deze groep gemiddeld kleiner woont, waardoor het verbruik in de regel lager zal zijn. CBS-cijfers laten zien dat woningen met een oppervlakte tot 75 m2 een lager dan gemiddeld energieverbruik hebben. In de eerste meting zei 40% van de respondenten met een vast contract niet te weten wanneer het contract afloopt. In de tweede meting is dit percentage gedaald naar 26%. Van de respondenten die
Figuur 3.10
het wel weten, zegt 55% dat het contract nog in 2023 afloopt. Van de overige 45% loopt het contract in pas na 2023 af. Desgevraagd zegt 69% van de respondenten in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek meer te zijn gaan betalen voor energie. 15% geeft aan dat het termijnbedrag niet is veranderd, terwijl 5% zegt minder te zijn gaan betalen (zie de figuur hieronder). Het betekent dat een veel groter aandeel dan in de eerste meting te maken heeft gehad met hogere energielasten: toen zei nog 45% meer te zijn gaan betalen, en zei 40% dat de energietermijn onveranderd was. De percentages zijn vergelijkbaar voor de beide inkomensklassen.
Ontwikkeling van het termijnbedrag in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek
9% 2%
11%
12% 3%
5%
9% 4%
Dat weet ik niet
16%
15% 45%
39%
Het termijnbedrag is lager
Het termijnbedrag is hetzelfde
71%
69% 45%
45% Het termijnbedrag is hoger
Meting 1
Meting 2
Meting 1
tot 120%
Meting 2 120-140%
Gemiddeld ging het termijnbedrag van de huishoudens die meer gingen betalen met rond de 90 euro omhoog. De variantie is aanzienlijk, en loopt van 2 tot 700 euro
Tabel 3.4
Gemiddelde stijging van het termijnbedrag in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek, per inkomensklasse over twee metingen tot 120%
32
per maand. In de onderstaande tabel staat een overzicht per inkomensklasse over beide metingen.
120-140%
Alle huishoudens
Gem.
Min
Max
N=
Gem.
Min
Max
N=
Gem.
Min
Max
N=
M1
€ 99
€2
€ 504
738
€ 92
€6
€ 604
107
€ 98
€2
€ 604
845
M2
€ 88
€2
€ 700
943
€ 77
€2
€ 410
167
€ 87
€2
€ 700
1.110
Tot.
€ 93
€2
€ 700
1.680
€ 83
€2
€ 604
275
€ 91
€2
€ 700
1.955
Energietoeslag
Om de variantie wat duidelijker in beeld te brengen, is de stijging van het termijnbedrag in de onderstaande grafiek ingedeeld in klassen. De grafiek maakt duidelijk dat in beide inkomensklassen rond een derde deel tot
Figuur 3.11
50 euro meer is gaan betalen; nog eens een derde ging tot 100 euro meer betalen. Bij het overgrote deel ging het termijnbedrag met niet meer dan 150 euro omhoog.
Stijging van het termijnbedrag in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek (geclassificeerd voor de huishoudens waarvan het termijnbedrag steeg)
2% 7% 8%
4% 8% 10%
5% 6% 7%
18%
9%
17%
17%
19%
1% 7% 8%
4% 8%
7% 5%
>=400 300-400
19%
18%
200-300
30%
35%
30%
32%
150-200
32%
30%
100-150
36%
32%
30%
50-100
36%
33%
31%
<=50 Meting 1
Meting 2
Meting 1
tot 120%
Meting 2
120-140%
Meting 2
Alle huishoudens
Huishoudens met kinderen betalen, bezien over de tweede meting, gemiddeld de hoogste termijnbedragen. De tweeoudergezinnen hebben ook met de hoogste gemiddelde stijging van het termijnbedrag te
Figuur 3.12
Meting 1
maken. Inkomensklasse heeft geen significante invloed op de hoogte van de energierekening. In de onderstaande grafiek staat een overzicht van de gemiddelden per huishoudenstype over twee metingen.
Gemiddeld termijnbedrag per huishoudenstype over twee metingen
€ 300 € 246
€ 241
€ 250 € 207
€ 213
€ 250
€ 207 € 186
€ 200 € 157
€ 190
€ 163
€ 150 € 100 € 50 €0 tot 120% 120-140% tot 120% 120-140% tot 120% 120-140% tot 120% 120-140% tot 120% 120-140% Alleenstaand
Eenoudergezin
Paar zonder kinderen Paar met kinderen Meting 1
Energietoeslag
Alle huishoudens
Meting 2
33
Resultaten uit de interviews: de energierekening Het energiecontract In de interviews geven een paar respondenten aan erg bewust bezig te zijn met de keuze voor de energiemaatschappij: zij hebben gekozen voor de goedkoopste optie of vergelijken ieder jaar de prijzen met elkaar. Een deel van de respondenten (één derde) is echter al jaren trouw aan dezelfde energiemaatschappij. Respondenten vertellen bijvoorbeeld ooit een contract te hebben afgesloten bij een bepaalde energiemaatschappij, omdat dat “het makkelijkste was,” (respondent 1), of omdat “mijn ouders (…) er ook bij [zaten] vroeger,” (respondent 8). De meeste van hen willen of durven niet over te stappen naar een andere energieleverancier. Ze vinden overstappen “te vaag en te onduidelijk,” (respondent 9), hebben weinig vertrouwen in de aanbiedingen van andere energieleveranciers, of kiezen liever voor zekerheid: “Ik heb al sinds ik me herinner Eneco. Dus ik ben ook niet zo'n persoon die makkelijk overstapt. Ze komen heel vaak aan de deur van goedkoop dit, goedkoop dat, maar ik zeg meestal: ik heb geen interesse erin, want ik zit goed zo. En nu hoor je van heel veel mensen die waren overgestapt die juist nou meer moeten betalen, geloof ik.” – Respondent 1 Een enkele respondent heeft slechte ervaringen met het switchen van energieleverancier: de voordelen die werden voorgehouden bleken niet te kloppen.
Een ander kwam erachter dat overstappen nog duurder zou zijn dan blijven bij de eigen energiemaatschappij. Vast of variabel De verdeling tussen respondenten die meededen aan een interview met een vast en een variabel contract is ongeveer gelijk. Van de mensen met een vast contract geven meerderen aan dat dit binnenkort wordt omgezet naar een variabel contract. Niet alle respondenten wisten (zeker) of zij een vast of variabel contract hebben met hun energiemaatschappij. Zo dachten sommigen een vast contract te hebben, terwijl dit variabel bleek te zijn. Een respondent van wie het contract onlangs was omgezet naar een variabel contract, vertelt dat dit kwam als een (vervelende) verrassing: “Ja, en het bleef om de vijf jaar naar vast. En ineens is dit jaar naar variabel. Heb ik ze gebeld waarom. Maar zeiden ze dat door de regels, dat het moest,” (respondent 14). Maandbedrag Meerdere respondenten geven in de interviews aan dat het maandbedrag voor de energierekening (fors) gestegen was in de periode voorafgaand aan de interviews. Het nieuwe maandbedrag dat respondenten betalen aan de energierekening varieert van ongeveer 70 euro per maand tot 560 per maand. De meeste respondenten betalen tussen de 100 een 260 euro per maand. Voor sommigen kwam er een klein bedrag bij, voor anderen was het een verdubbeling of bijna een verdrievoudiging van de kosten.
Een respondent vertelt dat deze stijging veel zorgen en stress opleverde. Het ingeschatte maandbedrag lag veel hoger dan wat de respondent kon betalen: “Ik ging al best snel in een maand omhoog qua termijnbedrag. Ik zei: ik verbruik dit nu niet eens, ik mag nu wel wat meer verbruiken, maar ik kom echt niet aan het bedrag. Maar het bedrag moest wel worden betaald. Dat was wel met de handen in het haar.” – Respondent 2 Inmiddels is de respondent verhuisd naar een woning zonder gas, waardoor de maandelijkse kosten nu veel lager liggen.
3.3 Overheidsmaatregelen om de stijgende energieprijzen te compenseren De context waarin de tweede meting is verricht, verschilt nogal van die waarin de eerste meting werd gedaan. De eerste meting werd voor het grootste deel gehouden in september en oktober 2022: de energietarieven en (bijgevolg) de inflatie bereikten toen
34
bijna hun hoogtepunt, zoals is te zien in de onderstaande grafiek. Vanaf november was er weer een daling van de tarieven te zien, en daarmee ook van de inflatie. Desalniettemin bleven met name de gasprijzen en de inflatie op een relatief hoog niveau.
Energietoeslag
Figuur 3.13
Energietarieven en inflatie in 2022, per maand
€ 3,00
16% 14%
€ 2,50
10%
€ 1,50
8% 6%
€ 1,00
Inflatie in %
Tarieven in euro
12% € 2,00
4% € 0,50
2%
€ 0,00
0%
Gastarief/m3
Elekrticiteitstarief/kWh
Inflatie
Bron: CBS, bewerking OBI
In 2023 werd een aantal aanvullende maatregelen genomen die de koopkrachteffecten van de energietarieven en inflatie moesten dempen. Op de eerste plaats werd een prijsplafond ingevoerd, in de maanden november en december van 2022 voorafgegaan door een bijdrage van twee keer 190 euro door het Rijk, uitgekeerd of verrekend door de energieleverancier. Daarnaast werd het minimumloon (en daarmee de bijstandsnorm) per januari 2023 met 10% verhoogd. In de tweede meting is gepeild in welke mate het prijsplafond (en de compensatieregeling in de laatste maanden van 2022) volgens de respondenten effect heeft gehad op de energierekening, en op de mate waarin zij kunnen rondkomen.
Compensatie van twee keer 190 euro Het overgrote deel van de respondenten (90%) zegt de twee keer 190 euro in de laatste maanden van 2022 te hebben ontvangen. Daarvan ontving het merendeel de bedragen op de bankrekening, terwijl bij rond 15% het bedrag door de energieleverancier werd verrekend met de energierekening. 4% van de respondenten zegt de bedragen niet te hebben ontvangen. In deze groep zijn jongeren oververtegenwoordigd: een deel van hen zal vanwege inwoning of het delen van een huis niet in aanmerking gekomen zijn voor de compensatie. Daarnaast is niet uit te sluiten dat bij sommigen het bedrag is verrekend met de energierekening, maar dat zij hiervan niet op de hoogte zijn.
Het prijsplafond Desgevraagd zegt 81% van de respondenten op de hoogte te zijn van het prijsplafond; dat betekent dat rond een vijfde naar eigen zeggen niet bekend is met de maatregel. Met name respondenten tussen de 27 en 55 jaar oud zijn minder goed op de hoogte, alsmede respondenten met een inkomen tot 120%. Van deze groep zegt 80% op de hoogte te zijn, tegen 92% van de respondenten met een inkomen tussen de 120 en 140% van het sociaal minimum. Naar de achterliggende oorzaken moeten we gissen, maar het feit dat we in de groep tot 120% een grotere vertegenwoordiging vinden van Rotterdammers met een migratieachtergrond en laag opgeleiden (zie hoofdstuk 1), kan bijdragen aan het minder goed geïnformeerd zijn van deze groep. Van de respondenten die op de hoogte zijn van het prijsplafond zegt 43% niet te weten of hun energieverbruik boven of beneden het prijsplafond ligt; in de vraagstelling werd uitgelegd dat voor het gasverbruik de grens van het plafond ligt op 1200 m3 per jaar, voor elektriciteit op 2900 kWh per jaar. Een niet onaanzienlijk deel van de respondenten lijkt dus niet op de hoogte te zijn van het jaarlijks energieverbruik. Hier zien we geen significant verschil tussen de inkomensklassen, maar wel tussen de seksen: vrouwen blijken minder vaak op de hoogte te zijn van het verbruik in relatie tot het prijsplafond dan mannen.
Van de respondenten die hiervan wel op de hoogte zijn, ziet het verbruik ten opzichte van het prijsplafond er als volgt uit, rekening houdend met het huishoudenstype.
Energietoeslag
35
Energieverbruik in relatie tot het prijsplafond, naar huishoudenstype
51%
17%
60%
71%
76%
29%
19%
12% 5% 10%
Anders
16% Paar met kinderen
Eenoudergezin
12% 32%
Paar zonder kinderen
29%
12%
Huishoudens met kinderen geven vaker aan dat hun verbruik (voor een deel) boven de grens van het prijsplafond ligt. Dit effect zien we nog sterker in de hoogste inkomensklasse. Van de alleenstaanden zegt meer dan 70% in beide inkomensklassen met haar gasen elektriciteitsverbruik onder het prijsplafond te blijven. We zien ook dat het verbruik in relatie tot het prijsplafond de ontwikkeling van het termijnbedrag beïnvloedt. Huishoudens waarvan het verbruik naar
50%
10%
Elektriciteitsverbruik onder de grens/gasverbruik ligt boven de grens (Een deel van) gas- en elektriciteitsverbruik boven de grens
14%
9%
tot 120%
36
33%
67%
Anders
12%
12% Alleenstaand
10%
Gas- en elektriciteitsverbruik onder de grens Gasverbruik onder de grens/elektriciteitsverbruik boven de grens
Paar met kinderen
11%
Alleenstaand
18%
9%
50%
64%
27%
14%
8%
13%
Paar zonder kinderen
46%
17%
27%
29%
Eenoudergezin
Figuur 3.14
120-140%
eigen zeggen (gedeeltelijk) boven het prijsplafond zit, hebben vaker te maken gehad met een stijging van het termijnbedrag. Dat is goed te zien in de onderstaande figuur. Huishoudens waarvan het gas- en stroomverbruik voor een deel boven de grens zit, hadden twee keer zo vaak met een verhoging van het termijnbedrag te maken, dan huishoudens die met hun gas- en stroomverbruik onder de grenzen van het plafond blijven.
Energietoeslag
Figuur 3.15
Ontwikkeling van het termijnbedrag in relatie tot het verbruik en het prijsplafond, naar inkomensklasse
Gasverbruik onder de grens/elektriciteitsverbruik boven de grens
85%
tot 120%
120-140%
Gas- en elektriciteitsverbruik onder de grens
72% 88%
6%
(Een deel van) gas- en elektriciteitsverbruik boven de grens
83%
13%
Ik weet het niet
68%
15% 4%
Gasverbruik onder de grens/elektriciteitsverbruik boven de grens
65%
23%
8%
Gas- en elektriciteitsverbruik onder de grens
70%
17%
6%
Elektriciteitsverbruik onder de grens/gasverbruik boven de grens
75%
(Een deel van) gas- en elektriciteitsverbruik boven de grens
80%
Het termijnbedrag is hoger
Het termijnbedrag is hetzelfde
Dit zien we ook terug in de beantwoording van de vraag in hoeverre de invoering van het prijsplafond ervoor heeft gezorgd dat het huishouden beter kan rondkomen. Huishoudens waarvan het gas- en/of stroomverbruik onder de grens van het plafond blijven, zeggen vaker gemakkelijker rond te kunnen komen door de invoering van het plafond, dan huishoudens
Figuur 3.16
15% 5% 15% 3%
67%
13% 6%
Het termijnbedrag is lager
Dat weet ik niet
waarvan het verbruik (voor een deel) boven de grens uitkomt. Respondenten met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum voelen het effect van het prijsplafond nog wat sterker dan de respondenten in de hogere inkomensklasse. In de onderstaande grafiek staat hiervan een overzicht.
Ervaring van rondkomen in relatie tot het energieverbruik in relatie tot het prijsplafond
Gas- en elektriciteitsverbruik onder de grens
120-140%
14% 7%
Elektriciteitsverbruik onder de grens/gasverbruik boven de grens
Ik weet het niet
Gasverbruik onder de grens/elektriciteitsverbruik boven de grens Elektriciteitsverbruik onder de grens/gasverbruik boven de grens
22% 15%
39%
12% 12%
Gas- en elektriciteitsverbruik onder de grens Gasverbruik onder de grens/elektriciteitsverbruik boven de grens Elektriciteitsverbruik onder de grens/gasverbruik boven de grens
8%
29%
15%
(Een deel van) gas- en elektriciteitsverbruik boven de grens 4% 13% Ik weet het niet
tot 120%
15%
19%
10%
62%
8%
53%
24%
67%
17%
37%
37%
16%
28%
38%
17%
16%
25%
49%
9%
8%
21%
(Een deel van) gas- en elektriciteitsverbruik boven de grens 6% 14% Ik weet het niet 5% 18%
53%
18%
66%
14%
45%
32%
Ja, door het prijsplafond kan ik gemakkelijker rondkomen Het maakt geen verschil Nee, ook met het prijsplafond is het moeilijk om rond te komen Ik weet het niet
Energietoeslag
37
Toch wordt ook duidelijk uit de grafiek dat volgens een meerderheid van de respondenten het prijsplafond er niet voor heeft gezorgd dat ze beter van het inkomen kunnen rondkomen. Over alle huishoudens die op de hoogte zijn van het prijsplafond bezien, zegt 10% beter te kunnen rondkomen door het prijsplafond; ruim twee
Figuur 3.17
derde zegt dat het ook met het plafond moeilijk rondkomen is of dat het geen verschil maakt. Ook hier zien we dat huishoudens met kinderen en huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum vaker aangeven ook met het plafond moeilijk rond te kunnen komen.
Ervaring van rondkomen door het prijsplafond, naar huishoudenstype
tot 120%
120-140%
Anders
100%
Paar met kinderen
17%
67%
Paar zonder kinderen
21%
Eenoudergezin
20%
Alleenstaand
20%
Anders
8%
Paar met kinderen
9%
Paar zonder kinderen Eenoudergezin
21%
Alleenstaand
48%
10%
80% 37%
27%
24%
16%
56%
15%
14% 8%
17%
12%
64% 26%
39%
21%
16%
12% 20%
51%
19%
27%
43%
15%
Ja, door het prijsplafond kan ik gemakkelijker rondkomen Het maakt geen verschil Nee, ook met het prijsplafond is het moeilijk om rond te komen
Tenslotte vroegen we de respondenten aan de hand van twee stellingen in hoeverre ze van oordeel zijn dat de verschillende overheidsmaatregelen (Energietoeslag, twee keer 190 euro en het prijsplafond) voldoende zijn
Figuur 3.18
om de stijgende energieprijzen te compenseren en ervoor zorgen dat het huishouden beter kan rondkomen. In de onderstaande grafiek staat de beantwoording van deze stellingen weergegeven.
Beantwoording van de stellingen “Door de verschillende maatregelen van de overheid (energietoeslag, twee keer 190 euro en het prijsplafond) is het gemakkelijker geworden om rond te komen” en “De
Voldoende om energieprijzen te compenseren
Beter rondkomen
verschillende maatregelen van de overheid (energietoeslag, twee keer 190 euro en het prijsplafond) zijn voldoende om de stijgende energieprijzen op te vangen”, naar inkomensklasse
tot 120%
10%
120-140%
6%
tot 120%
6%
23%
120-140%
4%
26%
Helemaal eens
38
37%
31%
40%
Eens
16%
33%
35%
Niet eens/niet oneens
16%
26%
41%
4%
10%
22%
Oneens
6%
7%
Helemaal oneens
Energietoeslag
Rond de helft van de respondenten vindt dat door de overheidsmaatregelen het gemakkelijker is geworden om rond te komen. Tegelijkertijd vindt rond 30% dat de maatregelen voldoende zijn om de stijgende energieprijzen op te vangen. We zien hier weinig verschil tussen de twee inkomensklassen. Vergeleken over de verschillende kenmerken van de respondenten,
valt op dat huishoudens met kinderen significant vaker vinden dat het door de maatregelen niet gemakkelijker is geworden om rond te komen, en ook dat ze onvoldoende zijn om de stijgende energieprijzen op te vangen. Alleenstaande ouders (en daarmee vaak vrouwen) oordelen aan de hand van beide stellingen nog wat negatiever dan de tweeoudergezinnen.
Resultaten van de interviews: energieplafond en korting Tijdens de interviews vertelden de meeste respondenten dat zij hadden gehoord van het energieplafond en van de korting op de energierekening in november en december (van twee keer 90 euro). Voor een enkeling was het duidelijk wat dit precies inhoudt, maar niet voor iedereen: “Ik begrijp echt niks van dat energiegedoe,” (respondent 7). Deze respondenten wisten niet wat de regelingen voor hun eigen situatie concreet zouden betekenen, of wisten niet of ze hiervoor zelf nog iets moesten doen. Zo dacht een respondent dat het energieplafond alleen voor bedrijven was: “Ik heb meer alleen maar van het nieuws gevolgd over al die winkels die er problemen mee hadden. Net zoals slagers en de snackbars, dat die allemaal kapotgaan dus. Voor de rest heb ik eigenlijk niet zo veel voor onszelf nagedacht daarover. Ik wist ook niet dat het voor ons ook was een energieplafond.” – Respondent 1 Een andere respondent had onjuiste aannames over de regelingen: de respondent dacht dat het energieplafond voor haar persoonlijke situatie niets zou betekenen, omdat haar verbruik sowieso laag is. Soms werden beide regelingen soms door elkaar gehaald.
3.4 Aanvraag van de Energietoeslag De onderzochte huishoudens kregen in de eerste drie kwartalen van 2022 de eerste Energietoeslag van 800 euro uitgekeerd. In het vierde kwartaal werd aan de meeste huishoudens ook de aanvullende 500 euro toegekend. Anders dan in de eerste meting hebben de respondenten in de tweede meting dus het volle bedrag van 1300 euro ontvangen. Eerder stelden we op basis van registratiegegevens vast dat aan rond de helft van de ontvangers de toeslag automatisch werd uitgekeerd. Dit spoort met gegevens uit de enquete: 52% van de respondenten geeft aan dat ze de toeslag automatisch op de bankrekening kregen bijgeschreven. Aan de respondenten die de toeslag zelf aanvroegen, stelden we enkele vragen over het aanvraagproces. Deze vragen hebben we alleen in de tweede meting gesteld. We vroegen eerst aan alle respondenten op welke manier ze voor het eerst van de Energietoeslag hadden gehoord. De respondenten konden meerdere antwoorden geven op deze vraag; in de onderstaande grafiek is de beantwoording weergegeven. De brief van de gemeente en de informele kring van familie, vrienden of kennissen blijken de belangrijkste
Energietoeslag
informatiebronnen. Van de andere gemeentelijke bronnen, zoals de website van de gemeente, medewerkers van gemeente of Vraagwijzer, de gemeentelijke website of het promotieteam had alleen de website een substantieel bereik. Ook radio en tv bereikten een substantieel deel van de respondenten. In de categorie ‘anders’ worden relatief vaak de bewindvoerder of social media als informatiebron genoemd. Voor de respondenten in de laagste inkomensklasse was de brief van de gemeente de belangrijkste informatiebron; voor de hoogste inkomensklasse waren familie en vrienden belangrijker. Dit heeft te maken met het feit dat respondenten die de toeslag automatisch kregen toegekend, hiervan via een brief van de gemeente op de hoogte werden gesteld. Respondenten die de toeslag zelf moesten aanvragen kregen deze brief uiteraard niet, en waren aangewezen op andere informatebronnen. Familie en vrienden zijn hiervan verre de belangrijkste, maar ook radio, tv, de website van de gemeente en krant en huis-aan-huisblad spelen een belangrijke rol in de informatie van deze doelgroep.
39
Figuur 3.19
“Hoe hoorde u voor het eerst van de Energietoeslag?”, naar inkomensklasse
Brief van de gemeente
39%
18% 32%
Familie/vrienden 24% 24%
Radio/tv 13%
Website gemeente Krant/huis-aan-huisblad
6%
Anders
7% 6%
Website anders Medewerker Huis van de Wijk
3%
16% 15%
5%
2% 4%
Medewerker gemeente
2% 1%
Medewerker Vraagwijzer
2% 1%
Promotieteam
1% 1%
tot 120%
Van de respondenten die de toeslag zelf aanvroegen, zegt 43% hulp te hebben gehad bij de aanvraag. We zien hier geen verschil tussen de beide inkomensklassen. Wel speelt leeftijd een belangrijke rol: het percentage respondenten dat werd geholpen, stijgt met iedere leeftijdsklasse. Van de jongeren kreeg 15% hulp, tegen 70% van de 75-plussers. Ook hier is de informele kring van familie, vrienden of kennissen de belangrijkste hulpbron: 63% van de respondenten die werden geholpen, kreeg die hulp van hen. Veel minder vaak worden instanties als Huis van de Wijk (12%) of een medewerker van de gemeente (8%) genoemd. Als andere instanties die hulp bieden, worden de bewindvoerder, een welzijnsinstelling of Vluchtelingenwerk genoemd. Van de respondenten die de toeslag zelf hebben aangevraagd, zegt rond een kwart de aanvraag ‘moeilijk’ te hebben gevonden. Een ander kwart vond de aanvraag juist gemakkelijk, terwijl de resterende helft
40
43%
120-140%
het niet uitgesproken gemakkelijk of moeilijk vond. Geen enkel kenmerk van de respondenten, ook leeftijd niet, speelt een significante rol in dit oordeel. Van de respondenten die de aanvraag ‘moeilijk’ vonden, werd meer dan driekwart geholpen bij het indienen van de aanvraag, tegen rond een kwart van de respondenten die de aanvraag niet moeilijk vonden. Gebruik van de Energietoeslag We vroegen de respondenten op welke manier de Energietoeslag werd ingezet. Ruim de helft van de respondenten heeft de toeslag uitsluitend gebruikt om de energierekening te betalen. Terwijl bij de laagste inkomensklasse dit aandeel in de tweede meting nog wat toenam, nam het bij de hoogste inkomensklasse juist enigszins af. Bij beide inkomensklassen zien we een afname van de groep respondenten die de toeslag helemaal niet gebruikt voor de energierekening. In de onderstaande grafiek staat een overzicht van de cijfers.
Energietoeslag
Figuur 3.20
Gebruik van de Energietoeslag, naar inkomensklasse over twee metingen
6%
12%
8%
13%
Niet gebruikt om mijn energierekening te betalen
36% 34%
32%
45%
Voor een deel gebruikt om mijn energierekening te betalen
58%
54%
Meting 1
55%
Meting 2
47%
Meting 1
tot 120%
Meting 2 120-140%
In beide metingen is er een significante relatie tussen de inzet van de Energietoeslag en de hoogte van het termijnbedrag. Hoe hoger de maandelijkse rekening, hoe vaker de respondenten de toeslag uitsluitend gebruiken om de energierekening te betalen. Rond
Figuur 3.21
Alleen gebruikt om mijn energierekening te betalen
driekwart van de respondenten die 300 euro of meer per maand betalen, zet de toeslag uitsluitend in voor de energiekosten. Respondenten die minder betalen, zetten de toeslag vaker ook in voor andere doeleinden.
Inzet van de Energietoeslag naar hoogte van het termijnbedrag, over twee metingen
100% 90%
Niet gebruikt om mijn energierekening te betalen
80% 70% 60% 50%
Voor een deel gebruikt om mijn energierekening te betalen
40% 30% 20% 10%
Meting 1
Energietoeslag
>=300
300-350
250-300
200-250
150-200
100-150
<100
>=300
250-300
200-250
150-200
100-150
<100
0%
Alleen gebruikt om mijn energierekening te betalen
Meting 2
41
De respondenten die de toeslag ook voor andere zaken inzetten, zegt in meerderheid deze (ook) voor de dagelijkse boodschappen of voor ‘andere uitgaven’ te gebruiken. Onder deze andere uitgaven vallen uiteenlopende uitgaven, die zijn onder te verdelen in: •
Huishoudelijke kosten
•
Energiegerelateerde kosten
•
Gezondheidskosten
•
Betalingsregelingen en schulden
Figuur 3.22
•
Sparen en buffer.
In de laatste rubriek vinden we ook respondenten die een deel van de toeslag opzijzetten om te sparen voor een volgende energierekening of de jaarafrekening. Desgevraagd zei in de eerste meting 35 tot 38% van de respondenten de toeslag geheel te hebben opzijgezet. Dit percentage ligt in de tweede meting wat lager. Het aandeel respondenten dat de toeslag helemaal niet opzij heeft gezet is met name in de hoogste inkomensklasse substantieel gestegen.
“Heeft u de Energietoeslag geheel of gedeeltelijk opzij gezet om hiermee de komende tijd de energierekening te betalen?”, naar inkomensklasse over twee metingen
17% 31%
31%
35%
Niet opzij gezet 45% 34%
41%
35%
35%
29%
Meting 1
Meting 2
38%
28%
Meting 1
tot 120%
Gedeeltelijk opzij gezet
Geheel opzij gezet
Meting 2 120-140%
Resultaten interviews: de Energietoeslag Aanvraag van de Energietoeslag Een deel van de respondenten die meededen aan de interviews heeft de energietoeslag via automatische toekenning ontvangen, anderen moesten de energietoeslag zelf aanvragen. Respondenten die de toeslag via automatische toekenning ontvingen, waren hier van tevoren vaak niet van op de hoogte. Meerdere respondenten wisten van tevoren niet dat zij de energietoeslag kregen, soms ook niet bij de tweede uitkering. Ook dacht een respondent de toeslag zelf te moeten aanvragen. De brief van de gemeente over de toeslag arriveerde soms pas een paar dagen nadat het bedrag was gestort. De toeslag kwam voor deze respondenten als een (fijne) verassing: “Ik kreeg hem automatisch. We wisten nog geeneens wat het was, want we kregen ineens een bedrag op onze rekening gestort.” Interviewer: “Dat is een mooie verrassing dan.” Respondent: “Ja, dat we dachten: waar is dat van? We hebben erover geïnformeerd en toen wisten we waar het van was pas. Dus we hadden er nog geeneens op gelet dat we het zouden krijgen. We kregen het gewoon ineens.” – Respondent 1 “Ik kreeg op een dag… stond er ineens €500 op. Ik zeg tegen mijn man; volgens mij hebben ze een foutje gemaakt. Ik zeg; hoe kan dat nou? Hij ook. Ja, er stond energietoeslag. Dus ik gelijk googelen.
En er stond van; u krijgt… want die brief van de gemeente komt altijd twee dagen later. Want je hebt het al op je rekening staan en daarna komt de brief die het uitlegt. En nou ja, toen begreep ik het.” – Respondent 4
42
Energietoeslag
Dit plotselinge bedrag op de rekening riep bij sommige respondenten een terughoudende reactie op. Zij wisten bijvoorbeeld niet zeker of ze het geld konden/mochten uitgeven. Een respondent vertelt over het moment dat de energietoeslag voor het eerst op de bankrekening te zien was: “Ik hoorde het [over de energietoeslag], maar ik nam het niet serieus (…) Toen zag ik dat in mijn account, ik legde het opzij omdat ik dacht: ‘Oh, wat is dat?’. Omdat ik extra geld krijg, wat ik niet weet. Dan raak ik in paniek [lachend]. Toen heb ik mijn contactpersoon gebeld en hij vertelde het me, en na drie dagen, denk ik, toen kreeg ik er nog een brief over.” – Respondent 3 Als respondenten wel op de hoogte waren van de energietoeslag of informatie hierover hadden ontvangen, kwam dit vaak via het sociale netwerk van respondenten (familie, vrienden of kennissen), soms via de media (het nieuws op televisie of (online) media), en soms via de gemeente (de website/telefoonnummer en brieven van de gemeente), of via de Kredietbank. “En toen van die €500 dat zei een buurvrouw tegen me. Ze zegt: we hebben nog recht op nog een keer €500.” – Respondent 4 Meerdere respondenten geven aan niet te hebben getwijfeld of zij de toeslag zouden aanvragen: “Ik wist het meteen. Ik dacht, zeg maar, ik heb echt wel [een] financiële hulplijn nodig nu,” (respondent 13).
Soms was er wel twijfel of de respondent in aanmerking kwam voor de toeslag. “Nou, ik was wel een beetje aan het twijfelen: heb ik daar wel recht op? Omdat mijn inkomen destijds ook best wel, ja, echt een rollercoaster was. Soms ging ik best wel veel werken en dan kwamen er nog bonussen bij, dus ik maakte mij [daar] ook wel een beetje druk om… Maar soms verdien ik ook helemaal niks bijvoorbeeld, of niet helemaal niks, maar super weinig. (…) Dus ik was wel even aan het twijfelen.” – Respondent 15 De aanvraag van de energietoeslag verliep volgens respondenten soepel; zij vonden de aanvraagprocedures gemakkelijk en liepen hierbij niet tegen moeilijkheden aan. Een respondent denkt wel dat andere mensen - van een wat oudere leeftijd - moeite zullen hebben gehad met de digitale aanvraag: “Ik ken heel veel mensen die hebben nog nooit een computer gezien. Of die weten niet wat een laptop is,” (respondent 9). Gebruik van de energietoeslag Uit de interviews blijkt dat respondenten de energietoeslag op verschillende manieren hebben gebruikt. Sommigen hebben er de (verhoogde) energierekening van betaald of hielden het bedrag achter de hand om er in de maanden daarna de energierekening mee te betalen, anderen hebben de gehele toeslag of een deel opzij gezet (zelf of via de bewindvoerder of Kredietbank), en weer anderen hebben het geld aan andere uitgaven besteed (of combinaties hiervan).
Deze andere uitgaven waren bijvoorbeeld achterstallige rekeningen bij de energieleverancier die met de toeslag konden worden betaald, of overige rekeningen die anders een probleem hadden gevormd. Ook was een respondent er meteen over uit dat de toeslag naar de vaste lasten zou gaan: “Ja, ik denk: als het binnenkomt dan betaal ik al die lasten,” (respondent 14). Sommige respondenten geven aan het geld te hebben besteed aan wat grotere uitgaven: dit waren bijvoorbeeld huishoudelijke apparaten of spullen die aan vervanging toe waren, zoals een kapotte wasmachine of een nieuwe bril. Ook besteedden sommige respondenten de toeslag aan dagelijkse boodschappen (of ‘lekker eten voor de kerst’), die de laatste tijd ook een stuk duurder zijn geworden volgens een respondent. Deze respondent vertelt het bedrag wel opzij te hebben willen zetten, maar dat dit niet gelukt is omdat het geld al snel op ging aan de benodigde dagelijkse boodschappen: “dat [geld van de energietoeslag] is al snel als sneeuw voor de zon verdwenen,” (respondent 4). “Nou, normaal gesproken als ik dan meer… Toen ik meer geld had per maand dan dacht ik van; nou, dat zet ik even opzij op de spaarrekening.
(…) Maar met die energietoeslag heb ik eigenlijk… Ja, het is zo snel gegaan dat je dan dacht van; nou, zal ik het opzij zetten? En dan gingen we weer wat boodschappen doen, gingen we dit doen en dat doen.” Interviewer: “Ja, verdween het bedrag gewoon langzaam?” Respondent: “Ja.” – Respondent 4 Enkele respondenten zijn kritisch over hoe sommige anderen het geld van de toeslag hebben gebruikt. Zij benadrukken dat het geld voor de energie bedoeld is. Zo hoorde een respondent dat sommigen van het geld een televisie hebben gekocht, en vertelt hierover:
Energietoeslag
43
“Nou, dat vind ik absurd.” Interviewer: “Waarom vindt u dat absurd?” Respondent: “Nou, daar is het toch niet voor bestemd? (…) Maar ja, er zijn ook mensen die de kachel niet aanzetten, die de verwarming niet aanzetten, want ze willen dat geld eind van het jaar willen ze in de zak hebben. (…) Dus ieder huisje heeft zijn eigen ding, zijn eigen… (…) Ik zou het absurd vinden om een televisie van €1300 te gaan kopen voor dat geld. Want dat geld heb je nodig voor je boodschappen. (…) Als je het goed wil besteden dan kan je dat besteden in wat je meer betaalt elke maand aan je energiekosten. En de boodschappen. En voor mij is dit goed, maar ja, als je mensen hebt die niet eten, of heel weinig eten, die niet koken, en dan kunnen ze dat, dan besteden ze dat ergens anders.” – Respondent 4 Een respondent vindt dat per persoon bekeken zou moeten worden of, en welk deel van de toeslag, echt noodzakelijk is: “Als mensen nu een extreem hoge energierekening hebben, haal dan die € 800 er af, dan valt het mee die energieprijzen. En heeft iemand geen hoge energierekening, dan krijgt hij die € 800 niet. Dat heeft hij niet nodig ook.
(… …) Je kan iedereen wel € 800 geven, maar hebben ze dat dan wel nodig?” – Respondent 8 Mening over de energietoeslag Respondenten zijn tijdens de interviews erg positief en nauwelijks kritisch over de energietoeslag in het algemeen, en benadrukken vooral blij en ‘dankbaar’ te zijn dat zij de toeslag hebben gekregen: “want voor mij is het wel een soort redding geweest,” (respondent 4). “Nou, laat ik vooropstellen, ik vond het een hele royale compensatie die je kreeg. Dat meen ik echt (…). Hè, ik bedoel… Ik denk dat er heel veel mensen… Je hebt altijd klagende mensen, maar ik denk dat er heel veel mensen mee geholpen worden. Ik vond in beide gevallen een hele royale regeling. (…) Ik hoop dat ze het volgend jaar weer doen, (…) het zal heel erg welkom zijn.” – Respondent 10 “Ja. Ik ben zo blij. Echt. Ik heb geen klachten.” – Respondent 5 Sommige respondenten hopen bovendien dat de energietoeslag niet eenmalig was: “De stad zou dit één keer per jaar moeten doen,” (respondent 3); “Zoals ik al zei, zeg maar, ik vind, zeg maar, ik kwam gewoon wel rond, maar het is niet dat ik volgend jaar ook weer rond kan komen zonder...,” (respondent 13). Veel respondenten geven aan dat de energietoeslag hen heeft geholpen om rond te kunnen komen en de stijgende energierekening te kunnen blijven betalen.
Sommigen geven aan dat zij dit pas kunnen beoordelen nadat de jaarlijkse eindafrekening is geweest. “Ja, het heeft me zeker geholpen, ja. Ik ben er echt blij mee. (…) Ja, ja. Daardoor heb ik geen achterstand meer.” – Respondent 14 “Toen ik het grote bedrag kreeg, heb ik hem [energierekening] niet kunnen betalen. Het ging niet van mijn rekening af. (…) Want het geld dat ik over had, dat was mijn leefgeld. Dat was het bedrag wat werd ingenomen door de energie en gas. Dat was wel lastiger, maar die toeslag heeft ervoor gezorgd dat ik een beetje ruimte had. (…) die heb ik op een spaarrekening gezet, zodat ik het echt daarvoor kon gebruiken.” – Respondent 2 “Anders, als ik de toeslag niet had gehad, dan had het van mijn spaargeld afgegaan. En dan had ik dat appeltje voor de dorst voor als mijn wasmachine kapotgaat, had ik niet meer gehad.” – Respondent 9 Een respondent vertelt dat de toeslag heeft geholpen om niet (verder) in de schulden te komen. Dit voorkomt grotere problemen in de toekomst: “Ja, het is zal ik maar zeggen het bestrijden voor… Nou, ik weet niet of ik nu de goede term, terminologie… Dat je voorkomt dat je schuld krijgt. (…) Daarom vind ik het heel goed dat ze dat van tevoren gegeven hebben.” Interviewer: “Ja, precies. Want als u eenmaal schulden heeft dan zijn uw problemen groter zeg maar?” Respondent: “Ja, tuurlijk.
Want als jij bij wijze van spreken, net als een bekeuring, als jij die bekeuring niet betaalt dan krijg je… dan is die bekeuring €100. Betaal je hem niet? (…) Dan wordt die €150, €190. Begrijp je wat ik bedoel? (…) Dit heeft voorkomen dat wij dus in schulden gingen, dat het steeds meer werd.” – Respondent 4
44
Energietoeslag
Een deel van de respondenten is tevreden over de hoogte van de energietoeslag. Zij vinden het bedrag genoeg, en zelfs ‘veel’, ‘hoog’ en ‘royaal’. Ook vertelt een respondent dat de toeslag als een ‘verassing’ kwam en dat elk bedrag dan welkom is. Meerdere respondenten geven aan blij te zijn met elk bedrag dat ze zouden krijgen. Zo zegt een respondent: “Alle centjes voor mij is gewoon goed. Ik ben echt blij. Ook als 1 euro…[zou krijgen]. (…) Ik moet zeg maar niet verwachten om zo veel te krijgen, want ik moet blij zijn met een beetje. (…) Ook al was het 50 of zo.” – Respondent 14 Een ander geeft aan geen hoger bedrag te verwachten, omdat er veel mensen zijn over wie het beschikbare geld verdeeld moet worden: “Ik weet dat het bedrag niet groter kan, want iedereen moet iets krijgen,” (respondent 12, vertaald vanuit het Engels). En weer een ander vertelt: “We hebben meer geld nodig en we hopen dat we meer geld krijgen. Maar ik verwacht niet dat de gemeente alles voor mij betaalt,” (respondent 11). Sommige respondenten geven aan nog niet goed te kunnen beoordelen of de toeslag hoog genoeg is, omdat dit nog afhangt van de jaarlijkse eindafrekening, waarvan zij de hoogte nog niet weten. Een ander deel geeft echter aan dat de energietoeslag niet toereikend is, ondanks dat de energietoeslag hen zeker heeft geholpen.
Een respondent vat het mooi samen: “Aan de ene kant denk ik: het is zeg maar in verhouding met de stijgende prijzen te weinig. En aan de andere kant denk ik van: je krijgt het maar hè?” (respondent 9). Het bedrag is volgens hen niet hoog genoeg op de langere termijn. Ook denken zij dat het niet hoog genoeg is voor anderen mensen die in een net andere situatie zitten dan zijzelf. “Als ik het nu bekijk voor mijn situatie, dan heb ik maar voor twee, drie maanden een hoge rekening moeten betalen. Maar als ik in dit huis was gebleven, dan had ik het niet gered. (…) Dan was het na twee keer betalen op geweest. (…) dat heeft me het meest gered, dat ik ben verhuisd naar een woning zonder gas. Maar als ik daar was gebleven, vooral met de wintermaanden, tot misschien februari, dan had ik dat niet gered. Dan had ik ook helemaal geen leefgeld gehad.” – Respondent 2 “En dan denk ik van, ik heb nou sinds kort dan mijn pensioen bij mijn AOW, maar voor mensen die alleen AOW hebben is het zeker niet toereikend.” – Respondent 9 Een respondent denkt dat het bedrag ontoereikend is, omdat de prijzen in alle levensdomeinen enorm gestegen zijn. Zo zijn ook de dagelijks boodschappen duurder: “Dus eigenlijk vind ik het te weinig. (…) Voor de energieprijzen. Maar ook, je hebt niet alleen dat. Je hebt ook je dagelijkse boodschappen. (…) Ik kan niet meer doen wat ik een jaar geleden kon doen, deed.
(…) Alles is zo duur geworden. Alles is omhooggegaan.” – Respondent 4 Gevraagd naar welk bedrag wel genoeg zou zijn, geeft een respondent de suggestie om een maandelijks bedrag van minimaal 150 euro naar mensen over te maken, om zo elke maand tegemoet te komen aan de hoge kosten. Deze respondent vindt het daarnaast goed dat de toeslag inkomensafhankelijk is, in tegenstelling tot de korting in november en december die iedereen krijgt: “Dan denk ik: de inkomens die het wel kunnen betalen moeten het gewoon betalen, niet ouwehoeren. (… …) Als ik voldoende inkomen had, dan zou ik tegen de gemeente Rotterdam zeggen: hartstikke lief dit aanbod, maar ik heb het niet nodig. Gebruik het voor iemand die het wel nodig heeft.” – Respondent 9. Eén respondent zou graag willen dat de gemeente een ‘soort energiebureau’ krijgt - makkelijk toegankelijk - waar mensen terecht kunnen met vragen over de stijgende energieprijzen: “Een totaal overkoepelende organisatie die je bij de hand neemt en die zegt, dit is het, dit gaat het kosten. Dan heb ik ook nog een duurzame energielening voor u en die kunt u aanvragen, dan krijgt u dit, hoeft u geen rente, maar wel aflossing te betalen. Dat je bij de hand genomen wordt: en ik begrijp best dat het voor jonge mensen een stuk makkelijker is, want die zijn heel makkelijk op internet en dat soort dingen allemaal, maar als je ouder wordt…” – Respondent 10
Energietoeslag
45
Communicatie over de toeslag kon beter Een aandachtspunt dat duidelijk naar voren komt in de interviews is dat de communicatie over de energietoeslag vanuit de gemeente beter had gekund. Zoals benoemd waren veel respondenten die de toeslag via automatische toekenning ontvingen hier van tevoren vaak niet van op de hoogte. Ook wist een deel van de respondenten van tevoren niet dat zij de energietoeslag kregen. Als respondenten wel op de hoogte waren of informatie hadden ontvangen, kwam dit vaak via het sociale netwerk van respondenten (familie, vrienden of kennissen), en soms via de (online) media (het nieuws op televisie). Slechts in enkele gevallen ontvingen zij informatie over de toeslag via de gemeente zelf (de website/telefoonnummer of brieven van de gemeente). Respondenten zeggen hierover: “Nou, ik vond wel dat er meer reclame voor gedaan moest worden. (…) Ik heb geen één keer gewoon reclame gezien.” – Respondent 13 “Ja nou, ik vind eigenlijk niet dat heel veel mensen ervan wisten. Ik heb het zelf tegen mijn zus gezegd en tegen mijn moeder en nog zo’n vrouw die ik ken. (…) En ik wist het eigenlijk niet als het niet voor mijn begeleider was. Maar ja, niet iedereen heeft een begeleider tegenwoordig.” – Respondent 15 Sommige respondenten geven aan dat zij wel goed op de hoogte waren, en tevreden zijn over de informatievoorziening: “Qua informatie vond ik het best duidelijk.
Over, ook met posters, nieuws, was het best duidelijk hoe of wat mensen konden verwachten,” (respondent 2). Eén respondent wijt het gebrek aan informatie vooral aan zichzelf: “Ja, maar dat is ook een beetje mijn eigen schuld, want ik lees niet echt veel in de krant en ik kijk ook niet heel veel tv. (…) Ik hoor het meestal van mijn moeder of zo, maar die zie ik ook niet elke dag. Het is ook een beetje mijn eigen schuld. Ik had meer kunnen weten erover als ik meer tv zou kijken, denk ik wel ja.” – Respondent 1 Een respondent raadt een duidelijke(re) informatievoorziening op papier aan, omdat vooral sommige ouderen moeite zullen hebben met de digitale aanvraag. Ook sommige andere respondenten vertellen dat zij de informatie het liefst via de post zouden ontvangen. Eén respondent geeft de voorkeur aan de mail. “Ja, want wat ik belangrijk toch blijf vinden, is dat bijna alles tegenwoordig digitaal gaat. En het kost wel een hoop papier en het is ook milieuvervuilend en het kost ook energie. Maar ik vind als de mensen gewoon daar een briefje over krijgen, de mensen waar het om gaat, dat ze gewoon zwart op wit kunnen lezen wat de bedoeling is. En welke weg ze moeten bewandelen om aan die toeslag te komen.” – Respondent 9 Respondenten benoemen nog enkele kleine aandachtspunten.
Zo vertelt een respondent dat de informatie over wanneer het tweede bedrag zou worden overgemaakt, op de website van de gemeente onduidelijk was. “Op de site staat dat deze regelmatig zou worden bijgewerkt, maar dat gebeurde niet,” (respondent 6). Ook liet de uitbetaling volgens een respondent wat lang op zich wachten; een ander geeft juist aan dat de toeslag netjes op tijd kwam.
Rondkomen en de rol van de Energietoeslag Om een beeld te krijgen van de rol die de Energietoeslag speelt in het rondkomen van het huishouden, stelden we de vraag in hoeverre de respondent er over het algemeen in slaagt rond te komen van het huishoudensinkomen. Uit de onderstaande figuur blijkt dat het percentage respondenten dat (heel) gemakkelijk of redelijk kan rondkomen, in de tweede meting substantieel is gestegen. Dit is in beide inkomensklassen het geval,
46
maar het effect is in de laagste inkomensklasse het sterkst. In die klasse steeg het aandeel huishoudens dat (heel) gemakkelijk of redelijk kan rondkomen met 18 procentpunt, terwijl deze stijging in de hoogste inkomensklasse 11% bedraagt. Het percentage huishoudens dat heel moeilijk of niet kan rondkomen daalde in de laagste inkomensklasse met 12 procentpunt, in de hoogste klasse met 9 procentpunt. In de onderstaande grafiek staat hiervan een overzicht.
Energietoeslag
Figuur 3.23
“In hoeverre lukt het u over het algemeen om rond te komen?”, naar inkomensklasse over twee metingen 6%
3%
5%
18%
12%
1% 9%
27%
28% Niet
32%
31%
Heel moeilijk 37%
Moeilijk Redelijk
54% 43%
Gemakkelijk
50%
Heel gemakkelijk
28% 4%
2% Meting 1
Meting 2 tot 120%
Meting 2 120-140%
Ondanks deze positieve ontwikkeling hebben respondenten met een inkomen tot 120% het nog steeds moeilijker met rondkomen dan de respondenten met een inkomen daarboven. Van de huishoudens met een inkomen tussen 100 en 120% van het sociaal minimum zegt 52% moeillijk of niet rond te komen, tegen 38% van de groep met een hoger inkomen. Een regressieanalyse wijst uit dat naast de hoogte van het inkomen, leeftijd en de hoogte van het termijnbedrag de belangrijkste factoren zijn die de beoordeling van het rondkomen bepalen. Als het gaat om de leeftijd, zien we dat respondenten tussen de 27 en 55 jaar veel vaker
Figuur 3.24
7%
1% Meting 1
zeggen (heel) moeilijk of niet rond te kunnen komen dan respondenten boven die leeftijd. Omdat leeftijd sterk correleert met het huishoudenstype, zien we tegelijkertijd dat huishoudens met kinderen er minder goed in slagen rond te komen dan kinderloze huishoudens. Financiële problemen zien we dus vaker terug in de leeftijdsfase dat er opgroeiende kinderen in huis zijn. Ook bij de huishoudens met kinderen is de ontwikkeling tussen de twee metingen positief, maar het aandeel dat moeilijk of niet rondkomt blijft relatief hoog. Dat is te zien in de onderstaande grafiek.
“In hoeverre lukt het u over het algemeen om rond te komen?”, naar huishoudenstype over twee metingen (alleen de antwoordcategorieën “(heel) moeilijk en niet”)
90% 80% 70% 60% 50% Niet
40%
Heel moeilijk
30%
Moeilijk
20% 10% 0% M1
M2
Alleenstaand
Energietoeslag
M1
M2
Eenoudergezin
M1
M2
Paar zonder kinderen
M1
M2
Paar met kinderen
M1
M2
Anders
47
We vroegen vervolgens aan de respondenten of ze de Energietoeslag voldoende vonden om de hogere energieprijzen op te vangen. Het aandeel respondenten dat de toeslag voldoende vindt, is in de tweede meting substantieel groter dan in de eerste meting, zoals is te zien in de onderstaande grafiek. Een verklaring hiervoor kan zijn dat in de periode van de
Figuur 3.25
eerste meting alleen de eerste 800 euro was uitgekeerd, en in de periode van de tweede meting ook de aanvullende 500 euro. In de grafiek is ook te zien dat de ontwikkeling in beide inkomensklassen vergelijkbaar is. Respondenten in de hogere inkomensklasse vinden in beide metingen vaker dat de toeslag voldoende is.
“Vindt u de energietoeslag voldoende om de hogere energieprijzen op te vangen?”, naar inkomensklasse over twee metingen (alleen de antwoordcategorieën “(heel) moeilijk en niet”)