CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb005369] Eindrapport Energietoeslag

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 20 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken33.797 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Energietoeslag Een onderzoek naar doelgroep en gebruik van de Energietoeslag in Rotterdam

Onderzoek en Business Intelligence

Colofon Gemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) Onderzoekers:

Anne Hoekstra, Frans Moors, Rob Stevense en Menthe Rijk

Datum:

23 juni 2023

Projectnummer:

8280

Vragen:

onderzoek@rotterdam.nl

Meer informatie:

onderzoek010.nl

Energietoeslag

1

Samenvatting en conclusies In opdracht van de directie Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Rotterdam heeft OBI een onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van de Energietoeslag. Door een bijdrage van stichting De Verre Bergen kon de doelgroep van de toeslag worden verbreed naar huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum. Dit biedt volgens de opdrachtgever een goede mogelijkheid om meer inzicht in te krijgen in de financiële situatie van deze groep Rotterdammers, haar behoeften en eventuele hulpvragen. Daarnaast is er behoefte aan inzicht in de gevolgen van de stijgende energietarieven voor de financiële situatie van de huishoudens, en welke invloed de Energietoeslag hierop heeft. In het kort moest het onderzoek antwoord geven op drie vragen: -

Wat zijn de kenmerken van de doelgroep van de Energietoeslag, en meer specifiek: wat zijn de kenmerken van de huishoudens met een inkomen tussen de 120 en 140% van het sociaal minimum?

-

Wat is het gebruik van de Energietoeslag onder de doelgroep, en welke groepen maken meer of minder gebruik van de toeslag?

-

Hoe wordt de Energietoeslag door de ontvangers ingezet, en wat is het effect op hun financiële situatie?

Energietoeslag te kunnen meten. Daarnaast werd een aantal vragen toegevoegd om de tevredenheid over de aanvraagprocedure te meten. De resultaten van de enquête zijn aangevuld en verdiept met de belangrijkste uitkomsten uit interviews met 15 respondenten. In deze samenvatting worden de belangrijkste uitkomsten van de drie deelonderzoeken besproken. In de afsluitende paragraaf worden de belangrijkste conclusies geformuleerd. De doelgroep van de Energietoeslag De doelgroep van de Energietoeslag (huishoudens met een inkomen tot 140% van het wettelijk sociaal minimum) bestaat volgens gegevens van het CBS uit 81.500 huishoudens (peildatum 1 januari 2021). Rond de helft hiervan heeft een inkomen tot 101% van het sociaal minimum. Rond een derde heeft een inkomen tussen 101 en 120%, nog eens rond een vijfde een inkomen tussen de 120 en 140% van het sociaal minimum. In het eerste hoofdstuk wordt de opbouw van deze drie inkomensklassen vergeleken over de kenmerken leeftijd, sekse, huishoudenssamenstelling, migratieachtergrond, woongebied- en buurt en opleidingsniveau. Daarnaast wordt een vergelijking gemaakt met de huishoudens met een inkomen vanaf 140% van het sociaal minimum. De belangrijkste bevindingen: •

De laagste inkomensklassen onderscheiden zich op de eerste plaats doordat de inkomensbron veel vaker uit een uitkering of pensioen bestaat. De laagste inkomensklasse bestaat voor het grootste deel uit huishoudens met een bijstandsuitkering (48%) of een pensioen (30%). In de twee inkomensklassen daarboven (101-140%) bevinden zich relatief gezien meer werkenden en gepensioneerden.

•

De opbouw onderscheidt zich daarnaast sterk als het gaat om het opleidingsniveau: meer dan de helft van de Rotterdammers met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum heeft geen hogere opleiding dan MBO1. Van de groep tussen de 120 en 140% heeft rond de helft MBO2 of hoger afgemaakt. Het verschil tussen de drie laagste inkomensklassen en de klasse met een inkomen vanaf 140% WSM is groot: van deze laatste heeft 40% een HBO- of

Om deze vragen te beantwoorden, zijn drie deelonderzoeken uitgevoerd: -

-

-

2

Een analyse van de doelgroep van de Energietoeslag aan de hand van microdata van het CBS; Een analyse van het gebruik van de toeslag door gegevens van ontvangers van de toeslag te vergelijken met de kenmerken van de doelgroep volgens de gegevens van het CBS; Een enquête onder de ontvangers van de Energietoeslag. Deze enquête is twee keer uitgevoerd: in eind augustus/eind oktober 2022 en eind maart/eind april 2023. Het herhalingsonderzoek werd uitgevoerd om de effecten van de diverse overheidsmaatregelen, gericht op het mitigeren van de negatieve gevolgen van stijgende energietarieven en inflatie op de financiële situatie van de ontvangers van de

Energietoeslag

wetenschappelijke opleiding afgemaakt, tegen 10% van de laagste inkomensklassen. •

De laagste inkomensklasse kent een relatief groot aandeel Rotterdammers met een migratieachtergrond. Dit hoge aandeel wordt vooral bepaald door de ‘overig’ niet-westerse migranten, waaronder vluchtelingen. De opbouw qua migratieachtergrond van de inkomensklasse 120-140% komt dicht bij de opbouw van alle Rotterdamse huishoudens.

•

In de laagste inkomensklasse vinden we relatief veel alleenstaanden beneden de 65 jaar. In zijn algemeenheid vinden we in de drie laagste inkomensklassen relatief veel alleenstaanden en eenoudergezinnen, en relatief weinig paren.

•

In de lagere inkomensklassen vinden we relatief gezien meer vrouwen. De leeftijdsopbouw van de vier inkomensgroepen loopt niet ver uiteen; wel zien we in de drie laagste inkomensklassen relatief gezien meer 75-plussers.

Gebruik van de Energietoeslag Medio mei 2023 was aan ruim 82.300 Rotterdammers de Energietoeslag uitgekeerd. Dit is een groter aantal dan de omvang van de doelgroep volgens cijfers van het CBS; om verschillende redenen is de omvang van de doelgroep op basis van de CBS-cijfers dan ook niet meer dan een benadering. 44% van de toeslagen werd ambtshalve verstrekt, in veruit de meeste gevallen aan bijstandsgerechtigden. Het gebruik van huishoudens met een inkomen tot 120% ligt mede door dit grote aandeel ambtshalve verstrekkingen hoger dan onder de huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum. Dit beïnvloedt in meer opzichten het profiel van gebruik en niet-gebruik. Omdat 60% van de huishoudens met een inkomen boven de 120% (huishoudens die dus zelf een aanvraag moesten indienen) uit 65-plussers bestaat, maakten 65-plussers minder gebruik van de toeslag. Door hetzelfde effect maakten alleenstaanden minder gebruik dan andere huishoudenstypen: onder 65-plussers vinden we immers relatief veel alleenstaanden. Doordat we in de inkomensklasse tot 120% relatief meer Rotterdammers met een migratieachtergrond vinden, maakten deze ook meer gebruik van de toeslag. Enquête onder de ontvangers van de Energietoeslag In de periode eind augustus/eind oktober 2022 werd een enquête gehouden onder ruim 2.500 ontvangers van de Energietoeslag. In die periode was alleen de

Energietoeslag

eerste 800 euro van de toeslag verstrekt. De enquête werd herhaald in de periode eind maart/eind april 2023 onder ruim 1.600 ontvangers van de toeslag, om zo de effecten van de diverse overheidsmaatregelen op de financiële situatie van de onderzoeksgroep te kunnen meten. De opbouw van de responsgroep in de tweede enquêtes wijkt enigszins af van die van de eerste: verhoudingsgewijs deden er meer werkenden en pensioengerechtigden mee, en minder bijstandsgerechtigden. Hierdoor is ook het aandeel huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum groter dan in de eerste ronde van de enquêtes. De responsgroepen van beide enquêtes kennen in vergelijking met de onderzoekspopulatie een oververtegenwoordiging van 65-plussers en vrouwen. Om de responsgroepen van beide metingen vergelijkbaar te maken en de leeftijdsafwijking op te heffen zijn de resultaten gewogen op sekse, leeftijd en soort inkomen. De respondenten werden in beide enquêtes onder meer bevraagd over de hoogte van de energierekening, de wijze van inzet van de Energietoeslag, eventuele financiële problematiek en de behoefte aan ondersteuning bij financiële zaken of op ander terrein. Daarnaast werden bekendheid met en gebruik van gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen gemeten.

In de tweede enquête kwamen ook de ervaring van respondenten aan de orde met het prijsplafond en de daaraan voorafgaande compensatieregeling van twee keer 190 euro in de maanden november en december van 2022. Daarnaast werden enkele vragen toegevoegd om de tevredenheid over de aanvraagprocedure meten. In het navolgende staan de belangrijkste resultaten van beide metingen op een rij. De energierekening Volgens de opgave van de respondenten bedraagt het termijnbedrag van de energierekening in de tweede meting gemiddeld 186 euro per maand. In de eerste meting bedroeg dit nog 165 euro. Meer respondenten dan in de eerste meting hebben dan ook te maken gehad met een verhoging van het termijnbedrag in een periode van drie maanden voor de enquête; meer respondenten hadden dus te maken met de doorwerking van de hogere tarieven in de energierekening. Gemiddeld steeg het termijnbedrag van de huishoudens die in de tweede meting meer gingen betalen met rond de 90 euro per maand, maar de variantie is groot. Huishoudens met een variabel contract betalen gemiddeld rond 40 euro meer aan energie dan huishoudens met een vast contract. Het aandeel huishoudens met een variabel contract steeg licht van 55 naar 57%. Hierbij moet

3

wel worden opgemerkt dat rond een kwart van de respondenten niet weet welke contractvorm zij hebben. Huishoudens met kinderen betalen, over de tweede meting bezien, gemiddeld de hoogste termijnbedragen. De tweeoudergezinnen hadden ook met de hoogste gemiddelde stijging van het termijnbedrag te maken.

inkomensklasse; omdat Rotterdammers met een migratieachtergrond en lager opgeleiden in deze klasse zijn oververtegenwoordigd, is de veronderstelling dat dit meespeelt in het minder goed geïnformeerd zijn van deze groep. ▪

Daarnaast wordt duidelijk dat ruim 40% van de respondenten die wel op de hoogte zijn van de maatregel, niet weten of hun gas- en stroomverbruik onder de respectievelijke grenzen van het prijsplafond liggen. Ook uit de interviews bleek dat het prijsplafond als maatregel voor een deel van de respondenten onduidelijk is, en daarmee ook de uitwerking van de maatregel op hun persoonlijke situatie. Van de respondenten die hier wel zicht op hebben, hebben met name huishoudens met kinderen een verbruik dat gedeeltelijk boven de grenzen van het prijsplafond uitkomt; het verbruik van de alleenstaanden blijft bij het merendeel onder het prijsplafond.

▪

Huishoudens waarvan het verbruik onder de grens blijft, zeggen vaker door het prijsplafond beter rond te kunnen komen. Desalniettemin zegt maar een tiende van de respondenten die op de hoogte zijn van het prijsplafond dat de maatregel er voor heeft gezorgd dat ze beter kunnen rondkomen: huishoudens met kinderen en huishoudens in de laagste inkomensklasse geven relatief vaak aan dat rondkomen ook met het prijsplafond moeilijk blijft.

▪

Gevraagd naar een samenvattend oordeel over de betekenis van de verschillende overheidsmaatregelen voor de financiële situatie, zegt rond de helft van de respondenten dat het gemakkelijker is geworden om rond te komen, en zegt rond een derde dat de maatregelen voldoende zijn om de stijgende energieprijzen op te vangen. Huishoudens met kinderen vinden vaker dat rondkomen niet gemakkelijker is geworden, en dat de maatregelen onvoldoende zijn als compensatie voor de gestegen energieprijzen.

Ook de interviews maken duidelijk dat er grote individuele verschillen zijn in de ontwikkeling van de energierekening. Voor sommigen was er sprake van een bescheiden stijging, voor anderen was er sprake van een verdubbeling of bijna verdrievoudiging van de rekening. In dit laatste geval kon dit betalingsproblemen en stress veroorzaken. Effecten van het prijsplafond De context waarin de tweede meting werd verricht, verschilt van die waarin de eerste meting werd gedaan. De eerste meting werd voor het grootste deel gehouden in september en oktober 2022: de energietarieven en (bijgevolg) de inflatie bereikten toen bijna hun hoogtepunt. Vanaf november was er weer een daling van de tarieven te zien, en daarmee ook van de inflatie. Desalniettemin bleven met name de gasprijzen en de inflatie op een relatief hoog niveau. In 2023 werd een aantal aanvullende maatregelen genomen die de koopkrachteffecten van de energietarieven en inflatie moesten dempen: ▪

▪

het prijsplafond, in de maanden november en december van 2022 voorafgegaan door een bijdrage van twee keer 190 euro door het Rijk, uitgekeerd of verrekend door de energieleverancier; een verhoging van het minimumloon (en daarmee de bijstandsnorm) per januari 2023 met 10%.

In de tweede meting is gepeild in welke mate het prijsplafond (en de compensatieregeling in de laatste maanden van 2022) volgens de respondenten effect heeft gehad op de energierekening, en op de mate waarin zij kunnen rondkomen. ▪

▪

4

Het overgrote deel van de respondenten ontving in de laatste maanden van 2022 de compensatieregeling van tweemaal 190 euro. De meesten ontvingen de bedragen direct op de bankrekening; bij rond de 15% werd het bedrag door de energieleverancier verrekend met het termijnbedrag. Als het gaat om het prijsplafond, valt op dat rond een vijfde van de respondenten niet op de hoogte zegt te zijn van deze maatregel. Deze respondenten vinden we vooral terug in de laagste

▪

Aanvraag van de Energietoeslag Iets meer dan de helft van de respondenten kreeg de toeslagen automatisch overgemaakt op de bankrekening. Uit de interviews blijkt dat voor sommige ontvangers de toeslag als een verrassing kwam, ook omdat de aankondigingsbrief van de gemeente volgens sommigen pas binnenkwam nadat het bedrag op de rekening was gestort. Enkele respondenten hebben eerst informatie

Energietoeslag

ingewonnen voordat ze van het bedrag gebruik durfden te maken. ▪

Respondenten die de toeslag automatisch kregen uitgekeerd, hoorden in de meeste gevallen voor het eerst van de toeslag via de brief van de gemeente. Voor de respondenten die de toeslag zelf aanvroegen zijn familie, vrienden of kennissen de belangrijkste informatiebron. Daarnaast zijn radio en tv, de website van de gemeente en krant of huisaan-huisblad belangrijke informatiebronnen. Respondenten die de toeslag zelf hebben aangevraagd, zijn in de meeste gevallen tevreden over de aanvraagprocedure. Toch zegt rond een kwart de procedure ‘moeilijk’ te hebben gevonden. Van deze respondenten kreeg meer dan driekwart hulp om de aanvraag in te dienen. Het gaat hier vooral om ouderen, die in de meeste gevallen werden bijgestaan door familie of vrienden. Inzet van de Energietoeslag

•

Ruim de helft van de respondenten gebruikte de Energietoeslag uitsluitend om de energierekening te betalen. Terwijl bij de laagste inkomensklasse dit aandeel in de tweede meting nog wat toenam, nam het bij de hoogste inkomensklasse juist enigszins af. Bij beide inkomensklassen zien we een afname van de groep respondenten die de toeslag helemaal niet gebruikte voor het betalen van de energierekening. Huishoudens die de toeslag niet alleen voor de energierekening gebruikten, gebruikten de toeslag in de meeste gevallen voor het betalen van de dagelijkse boodschappen. Overigens zegt rond twee derde van de respondenten de toeslag geheel of gedeeltelijk te hebben opzijgezet voor het geval de energierekening hoger mocht uitvallen. Dit percentage is in de tweede meting in beide inkomensklassen gedaald, maar in de hoogste inkomensklasse is deze daling sterker.

en (daarmee) huishoudens met kinderen komen vaker moeilijk of niet rond. Van de eenoudergezinnen zegt 53% moeilijk of niet rond te komen, tegen 67% van de tweeoudergezinnen. Bij de tweeoudergezinnen is de daling van dit aandeel ook minder sterk dan onder de eenoudergezinnen. •

Het aandeel respondenten dat van oordeel is dat de Energietoeslag voldoende is om de hogere energieprijzen op te vangen, steeg van 21% in de eerste meting naar 53% in de tweede meting. Dit oordeel wordt sterk bepaald door de hoogte van de energierekening en de mate waarin een huishouden erin slaagt rond te komen. Bij de huishoudens met een inkomen tot 120% steeg de tevredenheid over de toeslag van 20% in de eerste meting naar 51% in de tweede meting. Bij de huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% steeg deze van 25% naar 61%,

•

Rond 70% van de huishoudens die ‘gemakkelijk’ of ‘redelijk’ rondkomen, is van mening dat zij door de toeslag gemakkelijker kunnen rondkomen. Dit percentage is licht gestegen in vergelijking met de vorige meting. Bij de huishoudens die ‘moeilijk’ of ‘niet’ rondkomen bedraagt dit percentage rond 30%; ook hier is sprake van een lichte stijging in de tweede meting.

•

Rond 80% van de respondenten die (heel) moeilijk of niet rondkomen, zegt het ook met de toeslag moeilijk te vinden om rond te komen. In vergelijking met de eerste meting daalde dit percentage in de tweede meting met zes procentpunt. Manieren van energie besparen

•

Rondkomen en de rol van de Energietoeslag •

Het percentage respondenten dat (heel) gemakkelijk of redelijk kan rondkomen, is in de tweede meting substantieel gestegen. Het percentage huishoudens dat (heel) moeilijk of niet rondkomt, daalde van 66 naar 49%. Vooral respondenten in de laagste inkomensklasse zeggen vaker dan in de eerste meting rond te kunnen komen.

•

Toch komt 52% van de respondenten in de laagste inkomensklasse ook in de tweede meting moeilijk of niet rond, tegen 38% van de respondenten met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum. Respondenten tussen de 27 en 55 jaar,

Energietoeslag

Bijna alle respondenten zeggen op één of meer manieren op energieverbruik te bezuinigen. Meer dan 85% zet de verwarming lager, terwijl rond 50% (daarnaast) minder lang doucht en ’s avonds het licht later aandoet. Het aandeel dat bezuinigt op stookkosten steeg in de tweede meting nog enigszins, terwijl de bezuiniging op ander terreinen (minder vaak en lang douchen, licht later aan, apparatuur niet op stand-by en minder vaak koken) enigszins daalde. Ook het aandeel respondenten dat zegt minder te koken als bezuiniging daalde, maar ligt toch nog rond de 35%. Betalingsproblematiek en aflossingen

•

Het percentage huishoudens dat zegt (heel) vaak moeite te hebben om de rekeningen te betalen, daalde van 40% in de eerste meting naar 29% in de

5

tweede meting. Vooral bij de huishoudens met een inkomen tot 120% is de daling substantieel. Hierdoor is het verschil in het percentage huishoudens met betalingsproblemen tussen de twee inkomensklassen veel kleiner geworden. Toch vindt nog ruim 70% van de respondenten in de laagste inkomensklasse het ‘regelmatig’ of ‘(heel) vaak’ moeilijk om de rekeningen te betalen, en 55% van de respondenten in de hoogste inkomensklasse. Huishoudens met betalingsproblemen hebben hetzelfde profiel als huishoudens die moeilijk rondkomen: respondenten tussen de 27 en 55 jaar, en (daarmee) huishoudens met kinderen hebben vaker moeite om de rekeningen te betalen. •

Rond de helft van de huishoudens betaalt maandelijks af aan een aflossing van een schuld of betalingsregeling. Van de respondenten met een inkomen tot 120% betaalt 50% maandelijks aan een aflossing, tegen 29% van de respondenten met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum. Deze percentages zijn in vergelijking met de vorige meting nauwelijks veranderd. We zien een sterk verband met leeftijd: hoe jonger de respondent, hoe hoger het percentage schuldaflossingen.

respondenten in de leeftijd van 27 tot 45 jaar, en (daarmee) huishoudens met kinderen vaker aangeven (meer) ondersteuning nodig te hebben. Dit is ook het enige huishoudenstype waarbij de ondersteuningsbehoefte in de tweede meting een stijging laat zien. •

Bekendheid en gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen •

De Rotterdampas, de kwijtscheldingsregeling afvalstoffenheffing en de premiebijdrage collectieve zorgverzekering zijn veruit de bekendste en meest gebruikte voorzieningen. Hoewel ook de bijzondere bijstand onder meer dan 60% van de respondenten bekend is, wordt deze relatief weinig gebruikt.

•

Een analyse van bekendheid en gebruik onder de doelgroepen van de verschillende regelingen laat zien dat:

(Behoefte aan) ondersteuning •

•

•

6

42% van de huishoudens krijgt ondersteuning bij haar geldzaken; dit percentage is identiek in beide metingen. Die ondersteuning komt veel vaker uit het informele circuit van familie en vrienden, dan van gemeente, welzijnsinstellingen of andere hulpverleningsinstanties. Huishoudens die moeilijk kunnen rondkomen of betalingsproblemen hebben, krijgen niet vaker ondersteuning dan huishoudens die gemakkelijker kunnen rondkomen. Terwijl de behoefte aan ondersteuning er wel lijkt te zijn: respondenten die betalingsproblemen hebben, geven duidelijk vaker aan behoefte aan ondersteuning te hebben. In de tweede meting zegt 18% van de respondenten in de laagste inkomensklasse (meer) hulp te willen krijgen bij geldzaken of op een ander terrein. Nog eens rond een kwart zegt dit ‘misschien’ te willen. Bij de hoogste inkomensklasse liggen deze percentages duidelijk lager op respectievelijk 8 en 4%. Daarmee daalde de ondersteuningsbehoefte in beide inkomensklassen ten opzichte van de eerste meting. De behoefte aan ondersteuning is groter bij huishoudens die betalingsproblemen hebben of moeilijk rond kunnen komen. Dat betekent dat

De deelnemers aan het onderzoek konden desgevraagd door een medewerker van de gemeente worden benaderd voor ondersteuning bij financiële problemen. In de eerste meting maakten bijna 300 respondenten van deze mogelijkheid gebruik, in de tweede meting nog eens rond 260 respondenten. Van deze respondenten werd 70% daadwerkelijk bereikt door een belteam van de gemeente. Van deze bereikte respondenten is 58% verwezen, in de meeste gevallen naar de Energieklusser, de Vraagwijzer of de bijzondere bijstand voor energiekosten. In de overige gevallen was er geen sprake van een concrete hulpvraag.

o

Gebruik en bekendheid van de kwijtscheldingsregeling afvalstoffenheffing, de premiebijdrage collectieve zorgverzekering en de Individuele Inkomenstoeslag onder bijstandsgerechtigden significant hoger is dan onder respondenten met een ander inkomen;

o

Gebruik en bekendheid van het Kind- en Jeugdtegoed onder huishoudens met kinderen veel groter is dan gebruik en bekendheid van de twee andere regelingen die gericht op de participatie van kinderen: Meedoen en het Jeugdfonds Sport & Cultuur.

Energietoeslag

o

Het gebruik van de diverse regelingen groter is onder de respondenten met een inkomen tot 120%, maar dit vooral komt doordat de meeste regelingen een inkomensgrens beneden de 140% kennen. Hoewel ook de bekendheid van de regelingen onder de eerste groep groter is, is het verschil met de groep met een inkomen tussen 120 en 140% relatief klein. Opvallend is in beide groepen de relatieve onbekendheid van de IIT, terwijl dit een generieke regeling is.

Conclusies Dit onderzoek heeft inzicht willen bieden in de doelgroep van de Energietoeslag, het gebruik van de toeslag en de invloed van de toeslag op de financiële situatie van de ontvangers van de toeslag. De belangrijkste conclusies zijn: De Energietoeslag werd door een groot deel van de doelgroep gebruikt We kunnen vaststellen dat de Energietoeslag een hoog gebruikspercentage kent. De energietoeslag is aan ruim 82.300 huishoudens uitgekeerd. Dit aantal ligt hoger dan het aantal huishoudens dat volgens het CBS op 1 januari 2021 tot de doelgroep van de Energietoeslag behoorde (81.500). De daadwerkelijke omvang van de doelgroep van de Energietoeslag lijkt daarmee groter dan op basis van CBS-cijfers kan worden vastgesteld. De maatregelen die werden ingevoerd om de hoge energiekosten te compenseren (de compensatieregeling van twee keer 190 euro, de verhoging van de bijstandsnorm en het prijsplafond) in combinatie met de Energietoeslag hebben meetbaar bijgedragen aan een verbetering van de financiële situatie van de huishoudens in de doelgroep In de tweede meting van het onderzoek slagen meer huishoudens erin om rond te komen. Veel minder huishoudens geven aan moeite te hebben om de rekeningen te betalen. Meer huishoudens vinden ook dat de Energietoeslag voldoende is om de hogere energiekosten te bestrijden.

Vooral huishoudens met een inkomen tot 120% tonen zich vaker positief over hun financiële situatie. Toch komt in de tweede meting nog rond de helft van de huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum moeilijk of niet rond. In deze groep zijn huishoudens met kinderen oververtegenwoordigd. De ambtshalve verstrekkingen droegen bij aan een hoog gebruik onder de huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum

Energietoeslag

Het aantal ambtshalve verstrekkingen van de Energietoeslag bedroeg 36.078. Dat is 44% van het totaal aantal verstrekte Energietoeslagen. Doordat alle ambtshalve toekenningen zich in de inkomensklasse tot 120% bevonden, maakten huishoudens tot 120% meer gebruik van de Energietoeslag dan huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140%. Deze laatste groep moest immers de toeslag zelf aanvragen: dit levert een lager gebruik op. Dit betekent ook dat de kenmerken van de groep die minder vaak gebruik maakte van de regeling wordt bepaald door de kenmerken van de groep die geen ambtshalve verstrekking kreeg: relatief veel alleenstaande 65-plussers, Rotterdammers zonder migratieachtergrond, werkenden en zelfstandigen en huishoudens met een uitkering anders dan bijstand. Rond een kwart van de ontvangers die de toeslag zelf aanvroegen, vond de aanvraagprocedure ‘moeilijk’ In de meeste gevallen worden deze ontvangers bij het aanvragen geholpen door familie of vrienden. Vooral ouderen krijgen hulp bij de aanvraag. De meeste ontvangers van de Energietoeslag gebruikten de toeslag geheel of gedeeltelijk om energierekening te betalen Huishoudens die de toeslag ook voor andere kosten inzetten, besteedden deze vooral aan dagelijkse boodschappen. Bijna alle huishoudens bezuinigen op hun energieverbruik De meeste huishoudens bezuinigen op de stookkosten.

Rond 40% van de huishoudens krijgt ondersteuning bij haar geldzaken. Die ondersteuning komt veel vaker uit het informele circuit van familie of vrienden, dan van professionals

7

Huishoudens die moeilijk kunnen rondkomen of betalingsproblemen hebben, worden net zo vaak ondersteund als huishoudens waarbij geen sprake is van problematiek. Rond 20% van de huishoudens met een inkomen tot 120% zegt (meer) behoefte te hebben aan ondersteuning bij hun geldzaken. Dit percentage ligt bij de huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% veel lager Vooral huishoudens die moeilijk kunnen rondkomen of betalingsproblemen hebben, zeggen (meer) behoefte aan ondersteuning te hebben. In deze groep zijn huishoudens met kinderen oververtegenwoordigd. De huishoudens zeggen vooral behoefte te hebben aan: •

Meer financiële ondersteuning

•

Meer informatie over de inkomensondersteunende maatregelen

•

Ondersteuning bij financiële administratie

•

Besparingsadviezen voor energieverbruik, maar ook bij de dagelijkse boodschappen

•

Ondersteuning bij de vervanging van duurzame gebruiksgoederen, zoals koelkast of wasmachine

•

Ondersteuning bij schulden of betalingsachterstanden.

De communicatie over de Energietoeslag vanuit de gemeente was soms onduidelijk In de interviews gaven veel respondenten die de toeslag via automatische toekenning ontvingen aan hiervan niet (goed) op de hoogte te zijn geweest. Soms kwam de brief waarin de toeslag werd aangekondigd

8

pas nadat de toeslag was overgemaakt. In interviews en enquête kwam naar voren dat vooral respondenten die de toeslag zelf moesten aanvragen voor het eerst via hun eigen sociaal netwerk van de Energietoeslag hoorden. Hoewel huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum er financieel beter voorstaan dan huishoudens met een inkomen tot 120%, is er ook in deze groep sprake van financiële kwetsbaarheid Uit de doelgroepenanalyse en enquête komt naar voren dat de groep huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum een ander profiel heeft dan de groep huishoudens met een inkomen tot 120%. Onder deze huishoudens bevinden zich meer werkenden en gepensioneerden, ze zijn gemiddeld wat hoger opgeleid, en hebben minder vaak een migratieachtergrond. Ze ervaren hun financiële situatie vaker positief: ze slagen er vaker in rond te komen, hebben minder vaak moeite om hun rekeningen te betalen en lossen ook minder vaak af op een schuld. Dit betekent ook dat onder deze groep huishoudens minder behoefte bestaat aan ondersteuning bij geldzaken. Hoewel de huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% van het sociaal minimum er in vergelijking met de huishoudens met een inkomen tot 120% er op al deze aspecten beter voorstaan, wil dit niet zeggen dat er geen sprake is van financiële kwetsbaarheid.

Rond 40% van deze huishoudens slaagt er naar eigen zeggen (zeer) moeilijk of niet in rond te komen. Eenzelfde percentage zegt dat de energietoeslag onvoldoende is om de hogere energietarieven op te vangen. Rond 20% zegt (heel) vaak betalingsproblemen te hebben, en rond 30% betaalt maandelijks een schuldaflossing.

Energietoeslag

Inhoud Inleiding

11

Onderzoeksvraag

11

Onderzoeksaanpak

11

Opbouw van de rapportage

12

1. De doelgroep van de Energietoeslag

13

2. Gebruik van de Energietoeslag

17

3. Enquête: ontvangers van de toeslag

22

3.1 Kenmerken van de responsgroep

22

3.2 De energierekening

30

3.3 Overheidsmaatregelen om de stijgende energieprijzen te compenseren

34

3.4 Aanvraag van de Energietoeslag

39

3.5 Manieren van energie besparen

54

3.6 Financiële problematiek en (behoefte aan) ondersteuning

58

3.7 Bekendheid en gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen

64

Bijlage A Responsanalyse

71

Bijlage B Telefonische benadering van respondenten met een hulpvraag

79

Bijlage C Berekening van het gemiddeld gas- en elektriciteitsverbruik in 2021

81

Bijlage D

Berekening van de gemiddelde uitgaven aan energie

82

Bijlage E

Ontwikkeling van de uitgaven aan energie oktober 2020-oktober 2022

83

Energietoeslag

9

10

Inleiding In verband met de stijgende energieprijzen heeft de Rijksoverheid een energietoeslag van 1.300 euro (in eerste instantie 800 euro, in juli 2022 verhoogd met 500 euro) beschikbaar gesteld voor huishoudens met een laag inkomen. De gemeente voerde de verstrekking van de toeslag uit in het kader van de bijzondere bijstand. De inkomensgrens voor het recht op de toeslag

werd aanvankelijk gesteld op 120% van het wettelijk sociaal minimum (WSM), maar door een bijdrage van stichting De Verre Bergen kon deze grens in Rotterdam worden verruimd naar 140% WSM. Hierbij werden de volgende netto normbedragen -exclusief vakantietoeslag- gehanteerd:

Doelgroep

Inkomensgrens

Alleenstaande of alleenstaande ouder tussen 21 jaar en AOW-leeftijd

€ 1.455 of lager

Alleenstaande met AOW

€ 1.615 of lager

Gezin van 2 personen allebei tussen 21 jaar en AOW-leeftijd, met of zonder kinderen

€ 2.075 of lager

Echtpaar, één of allebei met AOW

€ 2.185 of lager

Rotterdammers waarvan de inkomenshoogte op de peildatum door gemeentelijke registratie of door registratie bij de SVB al bekend was, kregen de toeslag automatisch uitgekeerd. Dit waren Rotterdammers met een bijstandsuitkering of een AOW-uitkering en een aanvullende AIO. Daarnaast kreeg een groep thuiswonende kinderen vanaf 21 jaar van ouders in de bijstand de toeslag automatisch uitgekeerd. Rotterdammers waarvan de inkomenshoogte niet vanuit registraties bekend was, konden vanaf 2 mei 2022 de energietoeslag aanvragen. De aanvraag kon worden ingediend op de website van de gemeente Rotterdam, via DIGID, of op papier.

Onderzoeksvraag Directie MO van de gemeente Rotterdam wil de uitvoering van de Energietoeslag benutten om meer kennis te genereren over de doelgroep van de toeslag. Hierbij is het uitgangspunt dat de doelgroep van het lokale armoedebeleid (huishoudens met een inkomen tot 110% WSM) bij de gemeente relatief goed in beeld is, maar dat de huishoudens met een inkomen daarboven een nog relatief onbekende groep vormen. De aanvraag en toekenning van de Energietoeslag biedt volgens de opdrachtgever een goede kans om meer inzicht in te krijgen in de problematiek van deze groep Rotterdammers, haar behoeften en eventuele hulpvragen. Daarnaast is

Energietoeslag

er behoefte aan inzicht in de gevolgen van de stijgende energietarieven voor de financiële situatie van de huishoudens, en welke invloed de Energietoeslag hierop heeft.

Onderzoeksaanpak Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, werd een driedelig onderzoek uitgevoerd: •

Een analyse van de kenmerken van de doelgroep van de Energietoeslag: Rotterdammers met een inkomen tot 140% WSM, waarbij wordt gekeken naar de specifieke kenmerken van de huishoudens met een inkomen tot 100%, van 100 tot 120% en van 120 tot 140% van het sociaal minimum. Deze analyse wordt uitgevoerd aan de hand van microdata van CBS. Met behulp van het Integraal Inkomensen Vermogensbestand (IIV) van CBS wordt de doelgroep van de toeslag beschreven, en wordt een vergelijking gemaakt tussen de verschillende inkomensklassen. De vergelijking is gemaakt aan de hand van leeftijd, sekse, huishoudenstype, migratieachtergrond, woongebied- en buurt en opleidingsniveau.

11

•

•

Een analyse van de kenmerken van de ontvangers van de Energietoeslag. Door een vergelijking met de kenmerken van de doelgroep kan een beeld worden gegeven van gebruik en niet-gebruik van specifieke doelgroepen. Deze analyse kan worden uitgevoerd door een koppeling van de gegevens van de ontvangers uit de registratie van de gemeente met microdata van CBS. De kenmerken van de ontvangers zijn beschreven aan de hand van de registerdata van W&I. Aanvraag en toekenning wordt op individueel niveau vastgelegd in het uitkeringsbestand van W&I (Socrates) en wordt opgevoerd als een specifieke uitkering in het kader van de bijzondere bijstand. Gebruik en niet-gebruik zijn in kaart gebracht door de gegevens van de ontvangers te koppelen aan het Integraal Inkomens- en Vermogensbestand van CBS. Hieraan zitten wel enkele beperkingen; deze worden beschreven in de inleiding van hoofdstuk 1. Een enquête onder een steekproef van de huishoudens die de Energietoeslag kregen uitgekeerd. Deze enquête is twee keer uitgevoerd: in augustus/september 2022 en maart/april 2023. Dit om een beeld te kunnen krijgen in hoeverre de diverse overheidsmaatregelen (naast de Energietoeslag met name het prijsplafond) een meetbaar effect hebben op de financiële situatie van de Rotterdammers. In deze enquête zijn de volgende onderwerpen uitgevraagd: o

o o o

12

kenmerken van het huishouden (voor zover deze niet worden geregistreerd door W&I); de financiële situatie van het huishouden; de energielasten; betekenis en gebruik van de Energietoeslag;

o o

financiële problematiek; ondersteuningsbehoefte op het terrein van financiën of andere gebieden.

De resultaten van de enquête werden verdiept door middel van interviews met 15 respondenten die in de enquête kenbaar maakten deel te willen nemen aan een vervolgonderzoek. In de interviews is respondenten in brede zin gevraagd naar hun ervaringen met de energietoeslag. Er is ingegaan op de achtergrond en woonsituatie van de respondent, net als het inkomen, en of het lukt om hiermee (goed) rond te komen. Ook is besproken van welke gemeentelijke regelingen respondenten gebruikmaken en of zij hierbij tegen dingen aanlopen. Vervolgens is gevraagd naar hoe respondenten aankijken tegen hun energiecontract, en in hoeverre het hen lukt om de energierekening te betalen. Ook zijn de maatregelen besproken die de respondenten treffen om energie te besparen. Ten slotte zijn de aanvraag, het gebruik en de mening over de energietoeslag besproken. In bijlage A staat een verdere uitwerking van selectie, methode en analyse van de interviews.

Opbouw van de rapportage In het navolgende zullen de resultaten van de drie onderdelen van het onderzoek worden beschreven: •

In hoofdstuk 1 staat een beschrijving van de doelgroep van de Energietoeslag: huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum;

•

In hoofdstuk 2 staat een analyse van het gebruik van de Energietoeslag aan de hand van een vergelijking tussen ontvangers en doelgroep;

•

In hoofdstuk 3 komen de resultaten van de enquête onder de ontvangers van de Energietoeslag aan de orde.

Energietoeslag

1.

De doelgroep van de Energietoeslag

De doelgroep van de Energietoeslag bestond aanvankelijk uit huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Door de beschikbaarstelling van aanvullende gelden door stichting De Verre Bergen kon de doelgroep worden uitgebreid tot huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum. In dit hoofdstuk beschrijven we de doelgroep aan de hand van de volgende kenmerken: •

leeftijd

•

sekse

•

huishoudenssamenstelling

•

migratieachtergrond

•

woongebied- en buurt

•

opleidingsniveau.

Voor de analyse werd de huishoudens in de doelgroep in vier inkomensklassen verdeeld: •

tot 101% van het sociaal minimum;

•

100-120% van het sociaal minimum;

•

120-140% van het sociaal minimum;

Daarnaast worden in de vergelijking ook de kenmerken van de huishoudens met een inkomen vanaf 140% van het sociaal minimum meegenomen. Kanttekening bij de cijfers over de omvang van de doelgroep De gepresenteerde cijfers van de doelgroep op basis van gegevens van het CBS zijn niet meer dan een

Tabel 1.1

benadering van de daadwerkelijke omvang van de doelgroep. Op de eerste plaats ligt de peildatum enige tijd terug, op 1 januari 2021. Op de tweede plaats is de inkomensindeling van het CBS gebaseerd op het besteedbaar huishoudensinkomen volgens de definitie van het CBS, terwijl de door W&I gehanteerde inkomensgrenzen zijn gebaseerd op het netto-huishoudensinkomen. Op de derde plaats gaat het bij de CBS-cijfers om het aantal particuliere huishoudens met een heel jaar inkomen. Inwoners van tehuizen en inrichtingen en huishoudens met een onvolledig jaarinkomen blijven dus buiten beschouwing. Dat betekent dat de daadwerkelijke omvang van de doelgroep groter zal zijn dan op basis van de CBS-cijfers kan worden geschat. We gaan er wel vanuit dat de hieronder beschreven kenmerken op basis van percentuele verdelingen een goede indruk geven van het profiel van de huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum. Inkomensopbouw In de onderstaande tabel staat de inkomensopbouw van alle huishoudens in Rotterdam. Volgens gegevens van het CBS bestaat de doelgroep van de Energietoeslag op 1 januari 2021 uit 81.500 huishoudens. Dat is 28% van alle huishoudens in Rotterdam. Rond de helft van deze groep heeft een inkomen tot 101% van het sociaal minimum.

Van rond een derde bedraagt inkomen tussen de 101 en 120%, van nog eens rond een vijfde tussen de 120 en 140% van het sociaal minimum.

Inkomensopbouw van de Rotterdamse huishoudens Aantal huishoudens

Procent tot 140% WSM

Procent alle huishoudens

Tot 101%

39.900

49%

13%

101-120%

24.000

29%

8%

120-140%

17.600

22%

6%

Subtotaal tot 140%

81.500

100%

28%

>140%

214.600

72%

Totaal

296.100

100%

Bron: CBS. Peildatum 1 januari 2021

Energietoeslag

13

Leeftijd In de drie laagste inkomensklassen is het aandeel 65-plussers substantieel hoger dan in de hoogste inkomensklasse. In de hoogste inkomensklasse zijn de 25-65-jarigen oververtegenwoordigd. De groep 120140% onderscheidt zich van de klassen daaronder door een grotere vertegenwoordiging 75-plussers en een kleinere vertegenwoordiging van 25-65-jarigen.

14%

21%

18%

19%

17% 19%

23%

14%

16%

14%

13%

26%

30%

26%

Tot 101%

101-120%

120-140%

<25 Sekse In de drie laagste inkomensklassen zijn vrouwen oververtegenwoordigd. De verdeling in de groep 120140% wijkt nauwelijks af van de twee inkomensklassen daaronder.

25-45

55%

57%

19%

12%

45-55

>140%

Alle huishoudens

55-65

65-75

43% 57% Alle huishoudens

45%

Tot 101%

101-120%

120-140%

>140%

23%

17% 8% 5% 27%

Vrouw

11% 25%

21%

9% 8%

11% 7%

16% 12% 5%

75+

38%

43%

9%

18% 38%

45%

7%

17%

42%

62%

12% 6% 4%

10% 13%

55%

Man Huishoudenssamenstelling De laagste inkomensklasse kenmerkt zich door een groot aandeel alleenstaanden beneden de 65 jaar. De klasse 120-140% heeft een veel kleiner aandeel jongere alleenstaanden, maar juist een groter aandeel alleenstaande 65-plussers. Ook de paren van 65 jaar en ouder en paren met kinderen vinden we in deze groep vaker terug. Paren met kinderen vinden we in de lagere inkomensgroepen juist minder vaak terug.

7% 11%

26%

19% 29% 8%

15% 13%

47%

Paar met kinderen Eenoudergezin Paar zonder kinderen 65+ Paar zonder kinderen <65 Alleenstaand 65+

33%

26%

30%

32% Alleenstaand < 65

Migratieachtergrond De laagste inkomensklasse kenmerkt zich door een hoog aandeel Rotterdammers met een migratieachtergrond. Dit hoge aandeel wordt vooral bepaald door Rotterdammers van ‘overig’ niet-westerse herkomst. Hierin

14

zijn ook veel vluchtelingen opgenomen. De verdeling in de klasse met een inkomen tussen de 120 en 140% komt veel dichter bij de verdeling over alle Rotterdamse huishoudens.

Energietoeslag

17% 3% 7% 10% 9% 3%

11%

10%

10%

10%

2% 7%

2% 8%

3%

3% 8%

9%

7%

7% 3%

6% 3% 8%

4% 5% 2% 8% 3%

10%

9%

5%

5% 6% 3% 9% 4%

5%

13%

Overig niet-westers Overig westers EU-MOElanders Marokkaans Turks Kaapverdisch

7% 46%

51%

56%

52%

Surinaams Antilliiaans/Arubaans

30%

Nederlands Tot 101%

101-120%

120-140%

Gebied Huishoudens in de drie laagste inkomensklassen vinden we relatief veel in Delfshaven, Feijenoord en Charlois. In de klasse tussen de 120 en 140% liggen deze

1% 4%

1% 4%

13%

12%

12% 9%

16%

9% 5%

15%

2%

9%

Alle huishoudens

percentages wat lager, en vinden we relatief gezien meer inwoners in IJsselmonde en in Prins Alexander.

2%

2%

6%

5%

13%

10%

11%

15%

15%

15%

10%

9%

9%

10%

12%

8%

8%

Kralingen-Crooswijk

7%

7%

Hillegersberg-Schiebroek

9%

9%

Noord

3%

3%

Overschie

11%

12%

Delfshaven Stadscentrum

5%

10%

15%

>140%

5%

8%

8%

3%

3%

13%

12%

5%

4%

4%

7%

6%

Tot 101%

101-120%

120-140%

>140%

Alle huishoudens

2% 15%

Energietoeslag

Hoogvliet Charlois

Pernis IJsselmonde

5%

9%

Hoek van Holland

Prins Alexander

14% 8%

Rozenburg

Feijenoord

15

Opleiding De drie laagste inkomensklassen kenmerken zich door een relatief laag opleidingsniveau. Meer dan de helft van de Rotterdammers in de inkomensklassen tot 120% van het sociaal minimum heeft geen hogere opleiding dan MBO 1. De groep 120-140% is relatief gezien wat hoger opgeleid: rond de helft heeft MBO 2 of hoger

3% 8% 5% 7% 16%

3% 7% 5% 8%

4% 7%

afgemaakt. Het verschil tussen de laagste drie inkomensklassen en de hoogste inkomensklasse is groot: ruim 40% van de Rotterdammers met een inkomen vanaf 140% heeft een HBO- of wetenschappelijke opleiding, tegen rond de 10% van de laagste inkomensklassen.

16%

21%

7%

HBO WO bachelor

11%

18% 22%

19% 7%

16%

6% 7%

12% 17%

18%

33%

17%

5%

VMBO-g/t/gavo vwo onderbouw

5% 8%

11%

VMBO-/b/k, mbo

15%

Basisonderwijs

27%

8% Tot 101%

101-120%

120-140%

>140%

Bron van inkomen Bijna de helft van de laagste inkomensklasse bestaat uit bijstandsgerechtigden. Daarnaast zien we in deze inkomensklasse nog eens 30% Rotterdammers met een AOW en/of pensioen. Het aandeel werkenden en zelfstandigen beperkt zich tot iets meer dan 10%. Het

31% 4% 5%

39%

10% 13%

47% 19% 6% 5% Tot 101%

16

45%

Alle huishoudens

aandeel werkenden en ouderen neemt toe per inkomensklasse, terwijl het aandeel uitkeringsgerechtigden afneemt. Het verschil met de hogere inkomensklasse wordt bepaald door het veel grotere aandeel werkenden en relatief klein aantal pensioengerechtigden.

17%

22%

11%

4% 9% 9%

9% 4% 7% 5%

3% 14%

28%

101-120%

120-140%

MBO 4 MBO 2 en 3

13%

18%

41%

Havo VWO

6%

19%

5%

HBO WO master doctor

AOW/Pensioen Uitkering ziekte/AO Uitkering sociale voorziening Bijstandsuitkering

68%

Werkloosheidsuitkering 53% Zelfstandige Werknemer

>140%

Alle huishoudens

Energietoeslag

2. Gebruik van de Energietoeslag In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van de Energietoeslag. Het aantal verstrekkingen wordt afgezet tegen de doelgroep van de toeslag. Daarnaast wordt de groep ontvangers van de toeslag vergeleken aan de hand van de kenmerken leeftijd, sekse, huishoudenssamenstelling, migratieachtergrond en opleidingsniveau.

Aantal ontvangers van de Energietoeslag

toeslagen op aanvraag verstrekt, en 44% ambtshalve. Deze laatste groep bestaat uiteraard uitsluitend uit huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. In de onderstaande tabel is onder meer te zien dat het bij rond een kwart van de toekenningen op aanvraag gaat om huishoudens met een inkomen tussen de 120 en 140%. In het totaal aantal toekenningen heeft 14% een inkomen in die klasse.

Op 19 mei 2023 hadden 82.349 Rotterdammers de Energietoeslag ontvangen. In totaal werd 56% van de Tabel 2.1

Soort toekenning naar inkomensklasse in aantallen en procenten Op aanvraag toegekend

Ambtshalve toegekend

Totaal

tot 120%

34.439

74%

36.078

100%

70.517

86%

120-140%

11.832

26%

0

0%

11.832

14%

Totaal

46.271

100%

36.078

100%

82.349

100%

Rijpercentage

56%

44%

100%

Bron: W&I

Ambtshalve toekenningen Drie groepen waarvan bekend was dat zij op de peildatum een inkomen onder de toekenningsgrens van 140% WSM hadden, kregen de toeslag bij de eerste toekenning ambtshalve toegekend. In de meeste gevallen gaat het om bijstandsgerechtigden, maar ook Tabel 2.2

65-plussers met een AIO-aanvulling op een onvolledige AOW en thuiswonende meerderjarige kinderen van bijstandsgerechtigden kregen de toeslag ambtshalve uitgekeerd. In de onderstaande tabel staan de aantallen en percentages.

Soort ambtshalve toekenningen Aantal

Procent

Bijstand

29.848

83%

AOW/AIO

5.348

15%

882

2%

36.078

100%

Bijstand thuiswonend kind

Totaal Bron: W&I

Gebruikspercentage en gebruiksanalyse In het vorige hoofdstuk kwam al naar voren dat volgens het CBS op 1 januari 2021 81.500 huishoudens in Rotterdam een inkomen hadden tot 140% van het sociaal minimum, terwijl het aantal ontvangers 82.349 bedraagt. Dat zou het gebruikspercentage op meer dan 100% brengen. In de inleiding van het vorige hoofdstuk werd al beschreven dat om verschillende redenen de CBS-cijfers niet meer dan een benadering opleveren van de daadwerkelijke omvang

Energietoeslag

van de doelgroep. Er is daarom voor gekozen gebruik en niet-gebruik in beeld te brengen door een vergelijking van de percentuele verdeling van de verschillende kenmerken van de groep ontvangers van de Energieslag en de groep huishoudens met een inkomen tot 140% van het sociaal minimum volgens CBS. In het navolgende doen we dat voor de kenmerken inkomensklasse, leeftijd, sekse, huishoudenssamenstelling, migratieachtergrond en opleidingsniveau.

17

Inkomensklasse: huishoudens met een inkomen tot 120% maken meer gebruik dan huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% Huishoudens met een inkomen tussen 120 en 140% zijn

ambtshalve toekenningen in de inkomensklasse tot

onder de gebruikers van de Energietoeslag sterk onder-

120%: meer dan de helft van de toekenningen in deze

vertegenwoordigd. Dit zal te maken hebben met de

klasse was ambtshalve.

Tabel 2.3

Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag per inkomensklasse Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

Tot 120%

78%

86%

+8

120-140%

22%

14%

-8 0

Totaal

100%

100%

N=

81.500

82.349

Bron: CBS/W&I

Leeftijd: 65-plussers maken in mindere mate gebruik van de Energietoeslag In de volgende tabel is te zien dat 65-plussers minder gebruik maken van de Energietoeslag dan de andere leeftijdsgroepen. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat relatief veel 65-plussers in de hogere inkomensklasse zitten: bij bijna 60% van de huishoudens met een Tabel 2.4

inkomen tussen 120 en 140% gaat het om 65-plussers. Hierdoor vinden we in deze groep veel minder ambtshalve toekenningen, wat het gebruik drukt.

Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag per leeftijdsklasse Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

<25

2%

6%

+4

25-45

27%

29%

+2

45-55

15%

17%

+2

55-65

18%

20%

+2

65-75

18%

16%

-2

75+

21%

12%

-9 0

Totaal

100%

100%

N=

81.500

82.349

Bron: CBS/W&I

18

Energietoeslag

Sekse: vrouwen maken iets meer gebruik van de Energietoeslag dan mannen Hoewel het verschil klein is, zien we dat vrouwen iets meer gebruik maakten van de toeslag dan mannen. Tabel 2.5

Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag op sekse Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Man

45%

44%

-1

Vrouw

55%

56%

+1 0

Totaal

100%

100%

N=

81.500

82.349

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

Bron: CBS/W&I

Huishoudenssamenstelling: huishoudens met kinderen maken vaker gebruik van de Energietoeslag Hier speelt de invloed van leeftijd ook een rol: onder de alleenstaanden en paren zonder kinderen vinden we relatief veel 65-plussers; hierboven zagen we dat het gebruik onder ouderen wat lager ligt.

Tabel 2.6

Daarnaast is het aandeel ambtshalve toekenningen onder de huishoudens met kinderen ook hoger.

Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag op huishoudenssamenstelling Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

Alleenstaand

64%

54%

-10

Eenoudergezin

15%

19%

+4

Paar zonder kinderen

12%

13%

+1

Paar met kinderen

8%

13%

+5

Overige/onbekend

1%

2%

+1 0

Totaal

100%

100%

N=

81.500

82.349

Bron: CBS/W&I

Rotterdammers met een migratieachtergrond maken vaker gebruik van de Energietoeslag Het gebruik onder Rotterdammers met een migratieachtergrond ligt hoger dan onder Rotterdammers zonder migratieachtergrond. Dit zal te maken hebben met het feit dat we in de bijstand een concentratie

Energietoeslag

aantreffen van Rotterdammers met een migratieachtergrond. Door de ambtshalve toekenning is het gebruik onder bijstandsgerechtigden relatief hoog.

19

Tabel 2.7

Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag op migratieachtergrond Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

Nederlands

40%

34%

-6

Antilliaans/Arubaans

6%

6%

0

Surinaams

11%

12%

+1

Kaapverdisch

3%

3%

0

Turks

8%

9%

+1

Marokkaans

9%

11%

+2

Overig westers

3%

3%

0

Overig niet-westers

7%

6%

-1 0

Totaal

100%

100%

N=

81.500

82.349

Bron: CBS/W&I

Opleidingsniveau heeft nauwelijks invloed op het gebruik De verdeling over opleidingsniveau van beide groepen komt dicht bij elkaar. Onder de ontvangers van de toeslag vinden we een lichte oververtegenwoordiging van

Rotterdammers met uitsluitend basisonderwijs en met MBO 2 of -3.

Tabel 2.8 Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag op hoogst behaald opleidingsniveau Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

Basisonderwijs

34%

35%

+1

VMBO-/b/k, mbo

18%

17%

-1

VMBO-g/t/havo vwo onderbouw

6%

6%

0

MBO 2 en 3

17%

18%

+1

MBO 4

8%

8%

0

Havo VWO

6%

6%

0

HBO WO bachelor

7%

7%

0

HBO WO master doctor

3%

3%

0 0

Totaal

100%

100%

N=

81.500

82.349

Bron: CBS/W&I

Gebruik per wijk Het gebruik in Delfshaven en Rotterdam-West, Hillesluis en Afrikaanderwijk ligt relatief laag, in

20

Overschie, Hoogvliet, Lageland-Prinsenland-’s-Graveland, Hillegersberg en Ommoord relatief hoog.

Energietoeslag

Tabel 2.9 Vergelijking van het profiel van doelgroep en gebruikers Energietoeslag per wijk – gesorteerd naar de mate van afwijking van de huishoudens met een energietoeslag en de huishoudens in de doelgroep) Huishoudens in de doelgroep (tot 140% WSM)

Huishoudens met een Energietoeslag

Verschil doelgroep/gebruikers in procentpunt

Bospolder-Spangen-Tussendijken

5,7%

5,1%

-0,6

Middelland-Nieuwe Westen

5,6%

5,2%

-0,4

Delfshaven-Schiemond

2,3%

2,0%

-0,3

Hillesluis

2,4%

2,1%

-0,3

Afrikaanderwijk

2,0%

1,8%

-0,2

Agniesebuurt-Provenierswijk

1,7%

1,5%

-0,2

Bloemhof

3,2%

3,0%

-0,2

Dijkzigt-Oude Westen

2,4%

2,2%

-0,2

Feijenoord

2,1%

1,9%

-0,2

Beverwaard

1,9%

1,7%

-0,2

Crooswijk

4,4%

4,2%

-0,2

Oude Noorden

3,7%

3,5%

-0,2

Cool-Scheepvaartkwartier-Stadsdriehoek

2,4%

2,3%

-0,1

Kralingen

4,4%

4,3%

-0,1

Tarwewijk

2,3%

2,2%

-0,1

Entrepot-Noordereiland

1,9%

1,9%

0

Katendrecht-Wilhelminapier

1,0%

1,0%

0

Kralingseveer

0,1%

0,1%

0

Mathenesse

1,4%

1,4%

0

Pernis

0,3%

0,3%

0

Schiebroek

2,8%

2,8%

0

Rozenburg

1,0%

1,1%

0,1

Heijplaat

0,2%

0,3%

0,1

Nesselande

0,4%

0,5%

0,1

Bergpolder-Blijdorp-Liskwartier

3,0%

3,1%

0,1

Groot- en Oud-IJsselmonde

5,2%

5,3%

0,1

Hoek van Holland

0,9%

1,0%

0,1

Lombardijen

2,6%

2,7%

0,1

Oud Charlois-Wielewaal

2,4%

2,5%

0,1

Pendrecht-Zuidwijk

5,5%

5,6%

0,1

Vreewijk

3,4%

3,5%

0,1

Zevenkamp

2,3%

2,4%

0,1

Carnisse-Zuiderpark

1,9%

2,1%

0,2

Oosterflank

2,0%

2,3%

0,3

Overschie

2,2%

2,5%

0,3

Hoogvliet

3,9%

4,3%

0,4

Lageland-Prinsenland-‘s-Graveland

3,5%

3,9%

0,4

Hillegersberg

1,8%

2,2%

0,4

Ommoord

3,7%

4,2%

0,5 0

ROTTERDAM

100%

100%

N=

81.500

82.349

Energietoeslag

21

3.

Enquête: ontvangers van de toeslag

In de periode augustus/oktober 2022 en maart/april 2023 werd een enquête uitgevoerd onder de ontvangers van de Energietoeslag. In beide ronden werd aan rond 10.000 ontvangers van de Energietoeslag een uitnodiging gestuurd om deel te nemen aan de enquête. Deze kon online worden ingevuld, maar er werd ook de mogelijkheid geboden een schriftelijke vragenlijst in te vullen. De respondenten werden onder meer bevraagd over de hoogte van de energierekening, de wijze van inzet van de Energietoeslag, eventuele financiële problematiek en de behoefte aan ondersteuning bij financiële zaken of op ander terrein. De volledige vragenlijst is te vinden in de bijlage. Aan de eerste ronde van de enquête namen 2.058 respondenten deel (responspercentage 21%). Aan de tweede ronde namen 1.616 respondenten deel (responspercentage 16%). In beide metingen zijn respondenten tot 55 jaar in de respons ondervertegenwoordigd. Daarnaast trad er door het moment van het trekken van beide steekproeven een verschil op in de opbouw van de responsgroepen van beide metingen; met name op de kenmerken bron van inkomen en sekse. Om die reden zijn de resultaten van de enquêtes gewogen op deze drie kenmerken.

Hierdoor zijn de gegevens die gebruikt zijn voor de analyse representatief voor de totale populatie van ontvangers van de Energietoeslag, en is er geen significant verschil in de opbouw van de responsgroepen van de eerste en de tweede meting.

Figuur 3.1

Een volledige responsanalyse is te vinden in bijlage A. In dit hoofdstuk beschrijven we uitkomsten van beide metingen. Deze uitkomsten worden aangevuld en verdiept met de resultaten van face-to-face interviews met 15 respondenten. De verantwoording van de selectie van de respondenten voor de interviews, de methodiek van interviewen en analyse is ook te vinden in bijlage A.

3.1

Kenmerken van de responsgroep

In deze paragraaf wordt de responsgroep beschreven aan de hand van een aantal kenmerken. Een volledig overzicht van deze kenmerken in beide metingen -na weging van de onderzoeksresultaten- staat in tabel I.5 in bijlage A. Omdat de responsgroepen na weging niet significant van elkaar afwijken, laten we hier de kenmerken over de totale responsgroep over beide metingen zien, onderverdeeld naar inkomensklasse (tot 120% en 120 tot 140% van het sociaal minimum). Deze indeling is gebaseerd op de registratie van de toekenningen. Na weging bedraagt de omvang van deze klassen respectievelijk 3.178 en 508 respondenten. Leeftijd De leeftijdsverdeling van beide inkomensklassen verschilt sterk. Meer dan 60% van de huishoudens in de hoogste inkomensklasse is 65-plusser, tegen rond een kwart van de huishoudens in de klasse tot 120%.

Leeftijd naar inkomensklasse (%)

12% 15%

16% 37%

17% 75+

21%

20%

55-65

25% 17%

16%

10%

45-55 27-45

12% 28%

65-75

<27 27%

14% 6% tot 120%

22

2% 120-140%

5% Totaal

Energietoeslag

Sekse In beide inkomensklassen zien we verhoudingsgewijs meer vrouwen dan mannen. In de hoogste inkomensklasse is dit verschil nog wat groter.

Figuur 3.2

Sekse naar inkomensklasse (%)

55%

57%

55% Vrouw Man

46%

43%

45%

tot 120%

120-140%

Totaal

Samenstelling van de huishoudens Meer dan de helft van de respondenten is alleenstaand.

zien we verhoudingsgewijs meer alleenstaanden en pa-

Nog eens rond de 20% is alleenstaand ouder. De ove-

ren zonder (thuiswonende) kinderen. Dit heeft te maken

rige huishoudens zijn paren met of zonder kinderen of

met het feit dat in deze inkomensklasse relatief veel ge-

een anders samengesteld huishouden. Bij deze laatste

pensioneerden voorkomen. Zie hiervoor grafiek 4.4.

categorie gaat het vooral om inwonenden, woningdelers of kamerbewoners. In de hoogste inkomensklasse

Figuur 3.3

Huishoudenssamenstelling naar inkomensklasse (%) 3% 7%

4% 10%

11%

21%

12%

19%

12%

18%

5% 11%

Anders Paar met kinderen Paar zonder kinderen Eenoudergezin

55%

58%

55%

tot 120%

120-140%

Totaal

Energietoeslag

Alleenstaand

23

Omvang van de huishoudens In de onderstaande tabel staat het gemiddeld aantal personen naar huishoudenssamenstelling voor de twee inkomensklassen. De gemiddelde omvang is bij de inkomensgroep tot 120% wat groter dan die bij de hoogste inkomensklasse. Het gemiddelde bij alleenstaanden in de laagste inkomensklasse is hoger dan 1, omdat

Tabel 3.1

sommige alleenstaanden meerdere personen opvoeren bij de vraag naar de huishoudensomvang. Hetzelfde geldt voor de paren zonder kinderen. Het zou kunnen zijn dat kamerbewoners de andere bewoners in het huis beschouwen als leden van het huishouden.

Gemiddelde omvang van de huishoudens naar inkomensklasse tot 120%

120-140%

Alle huishoudens

N=

Alleenstaand

1,1

1,0

1,1

2.009

Eenoudergezin

2,7

2,5

2,7

676

Paar zonder kinderen

2,1

2,1

2,1

446

Paar met kinderen

4,3

3,9

4,3

370

Anders

2,7

2,3

2,6

158

1,9

1,6

1,1

3.154

505

Alle huishoudens N=

3.659

Soort inkomen De responsgroep bestaat voor ruim 60% uit bijstandsgerechtigden en gepensioneerden. Werkenden in loondienst en zelfstandigen maken rond 10% van de groep uit. De andere respondenten hebben een WW-, arbeidsongeschiktheids- of ziektewetuitkering, of hebben een combinatie van inkomens. Terwijl de lagere

Figuur 3.4

inkomensklasse voor het belangrijkste deel uit bijstandsgerechtigden bestaat, is de overgrote meerderheid in de hogere inkomensklasse gepensioneerd. Daarnaast vinden we in de hogere inkomensklasse een hoger percentage werkenden en arbeidsongeschikten.

Bron van inkomen naar inkomensklasse (%)

1% 8% 6%

1% 8% 3%

21%

1% 8%

Wil/kan niet zeggen

6%

Geen inkomen

26%

Combinatie van inkomens Anders

6%

57% 7%

AOW/Pensioen ZW/AO

40%

35%

WW

12% 3%

24

Bijstand

6% 3% 7%

17%

5% 2% 9%

tot 120%

120-140%

Totaal

Zelfstandige Loondienst

Energietoeslag

Uit de figuur wordt duidelijk dat 8% in beide inkomensklassen een combinatie van inkomens heeft. In de meeste gevallen gaat het hier om loon uit werk, aangevuld met een bijstandsuitkering. Daarnaast komt de combinatie van bijstand met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een AOW met een aanvullende AIO-uitkering en loon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering relatief vaak voor. In de onderstaande grafiek is de wijze van toekenning uitgewerkt naar het soort inkomen, gebaseerd op de eerste toekenningen; de tweede toekenning was immers in de meeste gevallen gebaseerd op de eerste.

Figuur 3.5

Uiteraard gingen de ambtshalve toegekende toeslagen zonder uitzondering naar de huishoudens met een inkomen tot 120%. Iets meer dan de helft van de toeslagen aan deze groep werd op aanvraag toegekend. Uit de grafiek wordt duidelijk dat van de bijstandsgerechtigden 96% de toeslag ambtshalve kreeg toegekend. Van de gepensioneerden en arbeidsongeschikten vroeg ruim 85% de toeslag juist zelf aan. Ook onder werkenden in loondienst is het aantal niet ambtshalve toekenningen relatief groot. Opvallend is dat rond de helft van de zelfstandigen de toeslag ambtshalve kreeg toegekend.

Wijze van toekenning naar soort inkomen (%) Alle huishoudens

54%

Combinatie van inkomens

47%

51%

Anders

50% 67%

33%

AOW/Pensioen

87%

14%

ZW/AO

87%

13%

Bijstand WW Zelfstandige

4%

96% 47%

54%

51%

Loondienst

50% 82%

Op aanvraag toegekend

18%

Ambtshalve toegekend

Hoogte maandinkomen naar bron van inkomen In de onderstaande figuur staat de bron van inkomen weergegeven over de twee inkomensklassen. In de bovenste staaf is te zien dat 15% van de respondenten een inkomen tussen de 120 en 140% van het sociaal

Energietoeslag

minimum heeft. De meeste respondenten met een dergelijk inkomen treffen we aan bij de werkenden in loondienst, de gepensioneerden en de respondenten met een Ziektewet- of Arbeidsongeschiktheidsuitkering.

25

Figuur 3.6

Hoogte van het inkomen naar inkomensklasse (%)

Alle respondenten

Loondienst

85%

15%

73%

27%

Zelfstandige

100%

WW

94%

Bijstand

100%

ZW/AO AOW/Pensioen

7%

75%

25%

71%

Anders

29% 92%

Combinatie van inkomens

86%

Tot 120%

0%

8% 14%

120-140%

Resultaten interviews: werk en inkomen Profiel respondenten Hoewel de respondenten variëren in leeftijd (24 tot 68 jaar), is een aanzienlijk deel van de respondenten ouder dan 60 jaar. Er is ook variatie te zien in de levensfase waarin respondenten zich bevinden. Sommige van hen studeren of zijn aan het begin van hun werkende leven, terwijl anderen al jaren werken of (bijna) met pensioen zijn. Ongeveer de helft van de respondenten woont alleen. Een aantal respondenten woont samen met een partner. Anderen wonen enkel met hun kind(eren) samen of met hun partner en kinderen. Werksituatie Veel respondenten die deelnamen aan een interview hadden op het moment van het interview geen baan en moesten rondkomen van een uitkering en/of van het inkomen van hun partner. Voor sommige respondenten geldt dat zij niet op zoek zijn naar een baan, vanwege de levensfase waarin ze zitten. Zo zijn een aantal respondenten met pensioen. Anderen zijn juist bezig met een opleiding en willen zich daarop focussen voordat ze aan hun (verdere) loopbaan gaan werken. Twee respondenten zijn ontheven van hun sollicitatieplicht vanwege hun fysieke gezondheid en de mantelzorg voor hun kind. “Nu, ik pauzeer met mijn werk. Ik heb een pauze genomen voor de les, door de Nederlandse taal beter te leren. Dus ik volg een cursus en zit ik nu op de bijstandsuitkering, tijdelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=fa887cd8-5fb5-4266-9933-651e3b043d9d