CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003604] Bijlage 1 behorende bij 23bb003615 over Ontwerpbestemmingsplan Max Euwekwartierfase 1 en 2a

Gemeenteraad 4 juli 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Max Euwekwartier fase 1 en 2a’.35.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De nieuwe bebouwingen worden duurzamer gebouwd dan de bestaande kantoren. De nieuwbouw wordt aardgasvrij gerealiseerd. Zo draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een klimaatneutrale Rotterdam in 2050. Paragraaf 6.11 gaat dieper in op circulair slopen en bouwen wat bijdraagt aan een duurzame stad.

2.3.2

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). Voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij diverse kernbeslissingen. Allereerst sluit de ontwikkeling bij aan de kernbeslissing om vrije tijd als aanjager van de stedelijke economie te benutten.

In de huidige situatie kent het plangebied geen functie die bijdraagt aan de benutting van de vrije tijd. In de toekomstige situatie zijn naast woningen ook voorzien in de realisatie van diverese andere functies. Hiermee krijgt het plangebied een bredere functie en kan het gebruikt worden om te verblijven, óók in de vrije tijd. Een andere kernbeslissing waar voorgenomen ontwikkeling aan bijdraagt, is het ruimte maken voor ondernemers. In de toekomstige situatie is voorzien in bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers. Dit zorgt voor een stimulans voor ondernemers en draagt bij aan de flexibiliteit van het gebied. Ten slotte wordt nog aangesloten bij de kernbeslissing om in bestaand stedelijk gebied in de woningbehoefte te voorzien. Voorliggend plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenpark. In de toekomstige situatie wordt voorzien in gemengd gebied waar ruimte is voor 1.198 woningen in diverse segmenten. Hiermee wordt de woningbehoefte voor een deel voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied van de stad. In de visie is daarnaast aangegeven dat het plangebied ligt in een gebied waar ingezet wordt op het

18

(uit)bouwen van sterke woonmilieus. Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van een gemengd gebied waarin plaats is voor een aanzienlijk aantal woningen in diverse segmenten. Op het gebied van milieu zijn voor het Brainpark de aspecten externe veiligheid, luchtkwaliteit en geluid meegegeven als aandachtspunten. In hoofdstuk 6 wordt hier uitgebreid op ingegaan. 2.3.3

Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 1.198 woningen. Deze woningen worden uitgevoerd in verschillende segmenten. Aangesloten wordt bij de ambitie om de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen. Daarnaast wordt ook aangesloten bij de prioriteit om het aanbod van goedkope huurwoningen te borgen. Voorgenomen ontwikkeling sluit hiermee aan bij de prioriteiten die in de Woonvisie van Rotterdam zijn benoemd. 2.3.4

Nota kantoren Rotterdam

Vastgesteld 19 juni 2019 door B&W De 'Nota Kantoren' volgt uit de 'Visie Werklocaties 2030' die eind 2019 door het college van B&W is vastgesteld. De doelstelling van de nota is om tot 2030 richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, met als bovenliggende doelen: 1. Het optimaal faciliteren van de (nieuwe) economie in gebieden en in vastgoed; 2. Een goede balans tussen vraag en aanbod van kantoorruimte op stedelijk en gebiedsniveau; 3. Een verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving.

19

De Nota kantoren Rotterdam vormt de Rotterdamse uitwerking van de regionale strategie werklocaties 2019-2030 van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). In de regionale strategie is een programma afgesproken ten aanzien van nieuwbouw, transformatie en planreductie waarbinnen gemeenten een eigen uitwerking ontwikkelen. In deze nota is aangegeven dat er verschillende toekomstbestendige vestigingsgebieden voor kantoren, de zogenaamde concentratiegebieden, bestaan. Het Brainpark wordt in deze nota aangeduid als één van deze concentratiegebieden. Aangegeven is dat voor de locatie de (OV)-bereikbaarheid, de mogelijkheden voor functiemenging en de aantrekkelijkheid voor een brede groep gebruikers kenmerkend zijn. Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de herontwikkeling van een deel van het Brainpark. Ook in de toekomstige situatie is nog sprake van kantoorruimte. Deze is echter anders vormgegeven en bovendien worden diverse andere functies aan het gebied toegevoegd. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijker gebied. Daarnaast is het aantal vierkante meters dat in de toekomstige situatie wordt gerealiseerd kleiner dan het aantal vierkante meters in de huidige situatie. Het oppervlak aan kantoren neemt dan ook af. Voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met de Nota kantoren. 2.3.5

Nota bedrijfsruimte Rotterdam

Bedrijfsruimte Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties. Behoud van bedrijfsruimte door: de totale omvang van de voorraad bedrijfsruimte wordt behouden en zo efficiënt mogelijk benut. bedrijfsruimte in de wijken wordt zoveel mogelijk behouden. nieuwe bedrijventerreinen krijgen een plek in de regio. Functiemenging waar kan, functiescheiding waar moet: ruimte-extensieve en zware bedrijvigheid wordt ingepast aan de rand van de stad of in de regio, arbeidsintensieve en lichte bedrijvigheid behoudt een plek in de stad; op bedrijventerreinen met een transformatieopgave wordt ingezet op woonwerkgebieden met behoud van (vervangende) werkgelegenheid. Stadsgebonden bedrijvigheid: focus op vestiging van bedrijven die vanwege hun klanten- en werknemerskring een directe relatie hebben met de stad, en op kleinschalige datacenters (digitalisering), city hubs en XS-warehouses (ecommerce), incubators en bedrijfsverzamelgebouwen ('de nieuwe economie'). Herontwikkeling bedrijventerreinen: focus op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie), en op verbetering van de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en van de multimodale bereikbaarheid. Voorgenomen ontwikkeling voorziet slechts beperkt in de ontwikkeling van bedrijvigheid.

Ingezet is op bedrijvigheid die te combineren is met woningbouw en bijdraagt aan de leefbaarheid en beleving in het plangebied. Het gaat om bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers en commerciële ruimten. Aangesloten wordt bij het uitgangspunt dat functiemenging kan. Hierdoor ontstaat een woonwerkgebied wat de aantrekkingskracht van het gebied vergroot. De ontwikkeling is in lijn met de nota bedrijfsruimte. 2.3.6

Hoogbouwvisie 2019

Vastgesteld door de gemeenteraad op 12 december 2019 In de Hoogbouwvisie 2019 is de hoogbouwzone aangegeven die loopt van het Centraal Station tot aan de Wilhelminapier. Pompenburg en de omgeving van de Rijnhaven horen er ook bij. Binnen de hoogbouwzone is hoogbouw mogelijk tot maximaal 250 meter hoog. Er zijn ook drie andere gebieden waar hoogbouw is toegestaan (tot maximaal 150 meter): Feyenoord City, Hart van Zuid en de Alexanderknoop. Hoogte De benedenverdieping en daarmee de Rotterdamse laag van de hoogbouw is essentieel. De

20

programmering van de Rotterdamse laag moet een bijdrage leveren aan de stedelijke dynamiek en de continuïteit van het stadsbeeld. Denk hierbij aan lobby's voor kantoren, entrees voor woningen, commerciële en maatschappelijke functies. De hoogte van de Rotterdamse laag verschilt per plek in de stad. Door de Rotterdamse laag onderdeel te maken van het gebouw, is er een goede aansluiting op de aangrenzende gebouwen en stimuleert dit de continuïteit van wanden, straten en pleinen. De omvang van de bovenbouw wordt door twee invalshoeken bepaald:een percentage voor de maximale oppervlakte van hoogbouw en een absolute maat, gebaseerd op het programma (wonen of kantoren). Naar boven toe zal de hoeveelheid oppervlakte afnemen. Door beperkingen op te leggen aan hoogbouw, gerelateerd aan de maximale omvang van de bouwkavel, is er meer ruimte in de onderbouw om de utilitaire zaken een goede plek te geven in het gebouw. Hierdoor is er meer ruimte om de ambitie van de stad op ooghoogte goed vorm te geven. Boven de Rotterdamse laag (onderbouw grofweg tussen 15 tot 25 meter) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter. Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen.

Bij gebouwen tussen de 70 en 150 meter heeft de toren vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter. De diagonaal wordt berekend over de verst van elkaar afliggende hoeken. Balkons ingesloten door ten minste drie geveldelen worden meegerekend. Bij voorgenomen ontwikkeling is voorzien in drie hoogte accenten. Aan de noorzijde van het plangebied is voorzien in een bouwvolume van maximaal 70 meter. In het noordoosten van het plangebied is eveneens voorzien in een volume met een hoogte van 70 meter. Aan de zuidzijde van het plangebied is sprake van een bouwvolume met een bouwhoogte van maximaal 55 meter. Uit de hoogbouwvisie blijkt dat er pas sprake is van hoogbouw wanneer bebouwing hoger is dan 70 meter. Dit is in het plangebied niet aan de orde. Bij de verdere uitwerking is echter wel rekening gehouden met de uitgangspunten met betrekking tot de verschijningsvorm. Zo is er sprake van een actieve plint met meerdere 'deuren'. De basislaag is vergelijkbaar met de Rotterdamse laag en kent ook een hoogte van circa 25 meter en vormt de basis van de overige volumes. Daarnaast bedraagt de bovenbouw een beperkt deel van het de totale oppervlakte en neemt het oppervlak naar boven toe af. Om ervoor te zorgen dat het windklimaat binnen de grenzen blijft, zijn aan de voorkant van het ontwerpproces oriënterende windonderzoeken verplicht.

Deze metingen worden op basis van volumestudies gedaan en geven een eerste beeld waar zich mogelijke knelpunten bevinden. Vorm, materiaal en hoogte kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium onderzocht worden en de uitkomsten kunnen worden meegenomen in het ontwerpproces. In bijlage 1 is een quickscan opgenomen die voor het aspect windhinder is uitgevoerd. Uit deze quickscan blijkt dat gezien de onbeschutte ligging de kans aanwezig is dat het windklimaat langs de westgevels van de bebouwing van fase 1 (het oostelijk deel van het plangebied) onvoldoende comfortabel is voor entrees of andere windgevoelige activiteiten. In de doorgang tussen ME21 en ME31 en in de doorgang tussen de bebouwing van de ‘Max Euwe Quartier fase 2’ en de bebouwing aan de zuidzijde van dit plan zal geen luw windklimaat aanwezig zijn. Het windklimaat is zonder aanvullende maatregelen niet geschikt om hier entrees te situeren. Wanneer er bredere doorgangen aanwezig zijn, is de kans aanwezig dat wind tussen de bouwblokken ‘getrechterd’ wordt en met hoge snelheid van het gebied met hoge druk naar het achterliggende gebied zal stromen, wat windhinder zal veroorzaken (het Venturi-effect).

Wanneer het aangrenzend gebouw aansluit op het bouwplan of er slechts een nauwe steeg tussen de beide bouwblokken aanwezig is, zal dit effect niet of in mindere mate optreden en zal de kans op windhinder op maaiveld ook beperkt zijn. Het binnengebied van fase 2 is een aandachtsgebied, doordat de noord-opening half zo breed als de zuid-opening is, is het mogelijk dat de wind hier ‘getrechterd’ wordt met als gevolg een slechter windklimaat. Ook de westzuidwestelijke wind die vanaf de westgevel van de hoogbouw langs de gevel naar het maaiveld afstroomt en vervolgens langs de gevel naar het noorden uitstroomt, speelt mee.

21

Mogelijk vormt dit een risicogebied. De wind uit de zuidzuidwestelijke richting zal op de zuidgevel naar beneden slaan en daardoor zullen de dakterrassen van het noordblok zonder aanvullende voorzieningen niet geschikt zijn om langdurig comfortabel te zitten. Mogelijke verbeteringen zijn: luifels of pergola's om de van de gevel afstromende wind (downwash) op te vangen; schermen 2,0 m hoog aan de randen van de terrassen, een verhoogde borstwering ( 1,5 m hoog); én verdere inrichting van terrassen (meubilair, stevige beplanting). Daarnaast moet er opgelet worden dat er lokaal bij gebouwhoeken een minder gunstig windklimaat wordt verwacht. Advies is om hier geen entrees te plaatsen of andere windgevoelige activiteiten. In het geval dat entrees worden gerealiseerd langs gevels waar geen luw wind klimaat heerst, wordt geadviseerd de entree in een nis te plaatsen, zodat lokaal bij de deur een luwer windklimaat aanwezig is. Het plaatsen van bomen met dichte kruin, struiken en aanvullende straatinrichting langs deze gevels zal een (beperkt) positief effect hebben op het windklimaat langs de gevels. Daarnaast wordt er geadviseerd om open gebieden op te vullen met straatinrichting, denk aan schermen en pergola’s, bomen met dichte kronen (blad houdend in de winter) en plantenbakken.

Hierdoor zullen zowel de horizontale (ZZW) en schuine (WZW) windstromingen afremmen en resulteren in een beter lokaal windklimaat. Gezien de bouwhoogtes en het te verwachten windklimaat, wordt geadviseerd, NEN 8100 volgend, een uitgebreider windonderzoek uit te laten voeren om het windklimaat nauwkeurig en betrouwbaar in kaart te brengen. Tevens kunnen maatregelen ter verbetering van het windklimaat gedetailleerd onderzocht worden. In bijlage 2 is een CFD-windhinderonderzoek opgenomen dat is uitgevoerd conform NEN 8100:2006. Uit het CFD-windhinderonderzoek blijkt: Rondom het bouwplan valt het windklimaat overwegend in kwaliteitsklasse A (= goed voor alle functies). Tussen de diverse bouwblokken en bij de gebouwhoeken treedt klasse B (goed voor doorlopen, slenteren en entrees) en C (goed voor doorlopen, matig voor slenteren/entrees) op. In een beperkte zone tussen ME21 en ME31 is sprake van klasse D (matig voor doorlopen, slecht voor slenteren/entrees). Bij een matig windklimaat wordt af en toe overmatige windhinder ondervonden. Gezien hier geen windgevoelige functies zoals entrees gesitueerd zijn, kan dit lokaal geaccepteerd worden. Alle entrees van de diverse bouwblokken zijn voorzien in gebieden waar klasse A of B heerst, wat een goed windklimaat omvat voor entreegebieden.

De terrassen op maaiveldniveau en het dek van ME1 hebben voor het grootste gedeelte klasse A, en beperkte gebieden met klasse B (matig windklimaat voor langdurig zitten) en een zeer beperkt met klasse C (niet geschikt voor langdurig zitten, nog geschikt voor kortstondig comfortabel verblijf). Ter hoogte van de voorziene dakterrassen varieert het windcomfort tussen klasse A en D: 1. Op de dakterrassen van ME1 varieert de windklasse tussen A dicht bij de aangrenzende terrasgevels, en D verder weg van de terrasgevels. Uitzondering is het dakvlak van het centrale bouwblok ten oosten van de toren waar enkel sprake is van klasse C en D (niet geschikt voor langdurig zitten zonder aanvullende maatregelen); 2. Bij het dakterras van ME21 (oostelijk bouwblok) treedt overal klasse A op. 3. Op het dakterras bij ME31 ten oosten van de toren, varieert de windklasse tussen A (dicht bij de gevel van de toren) en D (verder weg van de gevel van de toren). Uit de rekenresultaten blijkt dat in het plangebied op maaiveldniveau en ter hoogte van de voorziene (dak)terrassen er geen risico op windgevaar aanwezig is. Zon Bij het toevoegen van hoogbouw moet in ieder geval duidelijk zijn in hoeverre het nieuwe volume extra schaduw in de stad geeft. Per plek kan de invloed van extra schaduw anders beoordeeld worden.

De gemeente Rotterdam heeft op 9 september 2021 het "Afwegingskader bezonning" vastgesteld. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen in afwijking van een bestemmingsplan/omgevingsplan waarbij sprake is van nieuwbouw van hoge(re) gebouwen, speelt regelmatig de vraag hoe de gevolgen voor de mogelijke afname van bezonning van de bestaande

22

woningen in de nabije omgeving getoetst wordt. Bij de besluitvorming over nieuwbouw moet inzichtelijk worden gemaakt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij er een evenwichtige afweging is gemaakt van alle belangen, waaronder de toetsing van de effecten van hoge(re) gebouwen op omringende woningen. In nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsplannen zal dit afwegingskader een regulier toetsingsinstrument zijn voor het planologisch mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen. Als de bezonning is afgewogen in een bestemmingsplanprocedure en daarin hoge(re) gebouwen mogelijk maakt, hoeft die afweging m.b.t. bezonning niet weer gemaakt worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen als een plan in het bestemmingsplan/omgevingsplan past. Om onderscheid te maken in de eisen die worden gesteld aan plekken in de stad en hoeveel vermindering er mag optreden in zonuren, zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. Op plekken die zijn aangewezen als zogenaamde sunspot, mag géén vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden. Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden. In het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn de effecten van schaduwwerking door Cauberg Huygen beoordeeld, zie afbeelding 2.1.

Afbeelding 2.1: bezonning Max Euwekwartier (bron: Cauberg Huygen). Hieruit blijkt dat: Het gebouw MEQ 01 heeft in de ochtend op 19 februari enige vorm van schaduwwerking op de omliggende bebouwing. Al vroeg in de middag heeft het project geen invloed op de omliggende bebouwing; Het project heeft op 21 augustus geen invloed op de schaduwwerking van de omliggende bebouwing; Het gebouw MEQ 01 heeft in de ochtend op 21 oktober enige vorm van schaduwwerking op de omliggende bebouwing. Gedurende de middag heeft het project geen invloed op de omliggende bebouwing. Hieruit blijkt dat het project voldoet aan de lichte TNO-norm. Daarnaast is door Cauberg Huygen een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 3. In dit onderzoek zijn Fase 1 en Fase 2a van het plan MEQ beoordeeld. Zowel in Fase 1 als in Fase 2a worden gebouwen ontwikkeld met een maximale hoogte van rond de 70 - 75 meter ten opzichte

23

van het straatniveau. De maximale bouwhoogte betreft 70 meter, echter is in het onderzoek een worst-case situatie van 75 meter aangehouden. Gezien de hoogte van de gebouwen, de locatie en de geringe hoogte van de omliggende bebouwing is met dit bezonningsonderzoek nagegaan wat het effect is van het nieuwbouwplan op de bezonningsduur op de gevels van de naburige bestaande woningen en woongebouwen in het oosten van de wijk Kralingen. Hierbij is de Hoogbouwvisie Rotterdam en het aanvullende Afwegingskader gebruikt. Het nieuwe Rotterdamse afwegingskader voor bezonning heeft als leidraad de (lichte) TNO-richtlijn. Dit is vergelijkbaar met beleid in andere steden en sluit aan op de Rotterdamse context. Er wordt primair uitgegaan van de 2 uur benedengrens voor bezonning zoals bij de lichte TNO-richtlijn, maar de toetsingsdata worden gelijkgetrokken met die van de Hoogbouwvisie. In de Hoogbouwvisie (2019) is als maatgevende periode 21 maart t/m 21 september gehanteerd en dit afwegingskader sluit daarbij aan. De zon staat het laagst op 21 maart en op 21 september. Uit de bezonningsstudie volgt dat op 21 september het ontwerp van het Max Euwe Quartier, Fase 1 en 2a, geen, of slechts zeer geringe invloed hebben op de bezonningsituatie van de woningen en het woongebouw aan de ’s-Gravensingel en Lairesselaan.

Op de gevels van de meest zuidelijk gelegen woningen zal er wel enige afname van bezonningsuren optreden, maar deze afname zal in alle gevallen zeer beperkt zijn. Deze afname is met 4,8% echter minimaal en deze gevel zal hiermee nog bijna 6 uur zonlicht ontvangen op 21 september. De woningen aan de ’s-Gravensingel zullen helemaal geen afname in bezonning ervaren ten gevolge van de nieuwbouw. Voor alle woningen geldt dat deze blijven voldoen aan de minimale eis van twee bezonningsuren per dag, waarmee wordt voldaan aan de Rotterdamse bezonningsrichtlijn zoals vermeld in het Afwegingskader. 2.3.7

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin.

De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie;

24

8. slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; 9. gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden. Met de transitie van kantoor- naar woonlocatie en het beoogde mobiliteitsprofiel van de toekomstige bewoners is de nabijheid van RET halte Kralingse Zoom in belang toegenomen terwijl de nabijheid van de A16 in belang is afgenomen. Daarnaast worden extra stallingsplekken voor de fiets gerealiseerd dat het gebruik ervan moet stimuleren. Ten slotte wordt ook de mogelijkheid geboden tot het gebruik van deelauto's. De ligging van de locatie en de benoemde maatregelen zorgen ervoor dat het gebruik van slimme en duurzame mobiliteit wordt gestimuleerd. Dit is in lijn met het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam. 2.3.8

Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten.

De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

Rotterdam bruist!; de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken.

25

Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0).

Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.

Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.

Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij

26

de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)

Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf.

Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor. Met voorgenomen ontwikkeling is, in beperkte mate, voorzien in de ontwikkeling van commerciële voorzieningen. De precieze invulling van deze voorzieningen is nog niet duidelijk maar naar alle waarschijnlijkheid zal zich ook horeca in het gebied vestigen. Dit draagt bij aan de ambitie om het plangebied te transformeren naar een levendige stadswijk met ruimte voor meerdere functies.

De aard en omvang van de horeca zal aansluiten bij de omgeving. In dit stadium is nog geen uitspraak te doen over eventueel benodigde vergunningen voor wat betreft de horeca. Hier zal, indien noodzakelijk, later in het proces aandacht aan besteed worden als duidelijk is wat voor type horeca zich zal vestigen in het plangebied.

27

2.3.9

Horecagebiedsplan 2022-2024gebied Kralingen-Crooswijk

Het horecagebiedsplan is zowel een visie- als uitvoeringsdocument. Dat wil zeggen dat enerzijds op basis van de aard en het karakter van het gebied het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de komende jaren wordt geschetst. De ruimtelijke ontwikkeling, de economische stand van zaken c.q. het vestigingsklimaat en de veiligheidssituatie worden hierin meegenomen. Anderzijds wordt ook aangegeven hoe die ontwikkeling concreet vormgegeven en uitgevoerd kan worden. De specifieke invulling wordt verwerkt in een horecagebiedsplan zoals in dit geval het gebied Kralingen-Crooswijk. Brainpark/ Kralingse Zoom ligt ingesloten tussen de snelweg A20 en de campus van de Erasmus Universiteit. In het gebied zijn vrijwel exclusief kantoren en bedrijven gevestigd. De komende jaren wordt uitvoering gegeven aan een aantal projecten waarbij kantoren worden ontwikkeld naar woontorens/ appartementencomplexen. Vooruitlopend op het gebied, maar ook door tijdens de herontwikkeling initiatieven mogelijk te maken, is de flexibiliteit om horeca toe te voegen gewenst. Om de balans tussen (het toekomstige) wonen en de leefbaarheid te behouden zijn terrassen na 23.00 uur niet toegestaan. Het huidige horecagebiedsplan is als bijlage 4 toegevoegd. Deze wordt elke twee jaar geactualiseerd.

2.3.10 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'. De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn.

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. 2.3.11 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020"en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad.

De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld.

28

In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium. 2.3.12 Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen (2021) In het Nieuw Kwaliteitsbeleid Wonen staat dat minimale woninggrootte waaraan moet worden voldaan afhankelijk is van het woonmilieu waar de locatie is gelegen, van het type woning dat wordt gebouwd en van de vraag of het binnen de invloedssfeer van een ov-knooppunt is gelegen. Brainpark wordt in de Woonvisie en in het kwaliteitsbeleid aangemerkt als een luxe groenstedelijk woonmilieu. Op 30 november 2021 is besloten om Brainpark I aan te wijzen als 'creatief gemengde stadswijk' (definitie uit Kwaliteitsbeleid) cq 'rustig stedelijk milieu' (definitie Actieplan Middenhuur) en de daarbij behorende eisen (wat betreft woningoppervlaktes).

Voor de beoordeling of de ontwikkeling passend is, wordt uitgegaan van deze definities. In het gebied gelden de volgende uitgangspunten: De gemiddelde woninggrootte van een appartement is minimaal gemiddeld 60m2 gbo, met een ondergrens van 50m2 gbo; De gemiddelde woninggrootte van een eengezinswoning is minimaal gemiddeld 95m2 gbo De gemiddelde woninggrootte van een beneden bovenwoning is minimaal gemiddeld 85 m2 gbo. Een belangrijk aspect vanuit het kwaliteitsbeleid is de collectiviteit. Hoe dit wordt ingevuld is sterk afhankelijk van bijvoorbeeld de locatie en doelgroep. Verder is flexibiliteit een belangrijk thema: gebouwen moeten toekomstbestendig zijn. Het Kwaliteitsbeleid Wonen geeft ruimte voor afwijkende gebruiksoppervlakten indien voor de doelgroep studenten, jongeren of ouderen wordt gebouwd en er sprake is van een innovatief woonconcept waarbij in het woongebouw collectieve functies worden gerealiseerd. In het concept staat de ontmoeting centraal. Naast de individuele woningen biedt dit concept een aantal functies die alleen voor de bewoners toegankelijk zijn, zoals gezamenlijke daktuinen, lounges, een bioscoop, werkplekken, een gameroom, een muziekkamer, een wasserette en/of deelauto's.

2.3.13 Actieplan Middenhuur (2019) In het Actieplan Middenhuur staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenhuursegment aan moeten voldoen. Voor de woningen die in het middenhuursegment in stadswijken worden ontwikkeld gelden de volgende voorwaarden: De woningen moeten minimaal gemiddeld 60 m2 gbo zijn. In het geval van innovatieve woonconcepten met veel gemeenschappelijke ruimten kan hiervan worden afgeweken. Prijsgrenzen voor middeldure huurwoningen liggen tussen €764 en €1075 (prijspeil 2022); De woningen dienen minimaal 15 jaar in dit prijssegment te worden geëxploiteerd; De maximaal gemiddelde aanvangshuur is €1005 (prijspeil 2022). 2.3.14 Actieplan Middenkoop (2021) In het Actieplan Middenkoop staan de kaders waaraan ontwikkelingen in het middenkoopsegment aan moeten voldoen. Voor de woningen die in het middenkoopsegment in stadswijken worden ontwikkeld gelden de volgende voorwaarden: Prijsgrenzen voor middeldure koopwoningen liggen tussen € 210.000 en € 365.000 (Prijspeil 2022); Bij koopwoningen geldt een zelfbewoningsplicht en een anti-speculatiebeding;

29

De woningen moeten minimaal gemiddeld 60 m2 gbo zijn. 2.3.15 Masterplan In februari 2022 is het Masterplan Brainpark I vastgesteld. In dit plan staan de kaders aangegeven voor de ontwikkelingen die plaats zullen vinden in Brainpark I. Brainpark I is vooral bekend als een kantorenpark. Het Masterplan laat zien dat dit gebied kan veranderen tot een levendig gebied met een goede mix van woningen, bedrijven en voorzieningen zoals horeca. Het gebied biedt volop kansen door de aanwezigheid van metrostation Kralingse Zoom en Campus Woudestein. Het is een uitstekende locatie voor de transformatie van een kantorengebied naar een gevarieerder stedelijk milieu. Er is ruimte voor het toevoegen van woningen, maatschappelijke- en dagelijkse voorzieningen, horeca en vernieuwde kantoren. Een van de belangrijkste ontwikkelingen in dit masterplan is dat er ruimte komt voor 2.500 tot misschien 3.000 woningen in verschillende categorieën; 30% sociale huur, 40% middensegment en 30% in het hogere segment. De bouw van woningen op Brainpark I moet de vraag naar stijgende woningen onder vooral studenten, starters, ouderen en een- of tweepersoonshuishoudens opvangen. Voor kantoren en bedrijven blijft de huidige 90.000 m2 ruimte beschikbaar. En op de begane grond van woongebouwen en kantoren komt er 45.000 m2 aan ruimte bij voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen.

Ook gaat de gemeente ervoor zorgen dat er meer natuur en water te vinden is. Het centraal gelegen park en de vijvers worden opgeknapt. Hier omheen komen de nieuwe woon-werk-verblijf gebouwen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een gemengd gebied waarin plaats is voor diverse functies. In dit plan wordt bijna de helft van een van de belangrijkste ontwikkelingen gerealiseerd, er worden namelijk 1.198 woningen in verschillende segmenten gerealiseerd. Tevens worden commerciële voorzieningen met een omvang van circa 7.200 m2 gerealiseerd. Daarnaast is ook nog voorzien in de realisatie van auto- en fietsparkeerplaatsen in de vorm van ondergrondse parkeergarages. De voorgenomen ontwikkeling geeft dus (deels) invulling aan de ambities van het masterplan. De bebouwing past binnen de ruimtelijke principes van het Masterplan. Alle milieuonderzoeken zijn gebaseerd op de situering van de bebouwing uit het Masterplan. Bij de regels is een tekening gevoegd waarop deze bebouwing is weergegeven. Die situatie is daarmee gemotiveerd.

30

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving van het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

Uit verschillende historische kaarten blijkt dat het plangebied tot circa 1967 in gebruik is geweest als landbouwgrond. Begin jaren '60 hebben er diverse infrastructurele ingrepen in de omgeving van het plangebied plaatsgevonden. In 1964 is de verbinding over de Nieuwe Maas, ter plaatse van de huidige van Brienenoordbrug, aangelegd en is in het verlengde hiervan de huidige A16 aangelegd. Sinds 1968 is het plangebied en Brainpark herkenbaar in de huidige vorm. Lange tijd is het gebied nog onbebouwd gebleven en pas in 1993 is gestart met de bouw van de huidige bebouwing. Sinds die tijd doet het plangebied dienst als kantorenpark.

3.2

Archeologie

3.2.1

Beleidskader

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. 3.2.2

Bewoningsgeschiedenis

Het Max Euwekartier is gelegen in het gebiedsbestemmingsplan 'Kralingse Zoom'. De bewoningsgeschiedenis van dit gebied hangt nauw samen met de landschapsontwikkeling van het kusten rivierengebied. Aan het einde van de laatste ijstijd (rond 12.000 jaar voor Christus) ontstonden langs de toenmalige rivieren reeksen van zandlichamen; rivierduinen waarvan het zand afkomstig was van de drooggevallen en later uitgewaaide rivierbeddingen. De vaak metershoge toppen van deze rivierduinen zijn soms nog zichtbaar in het huidige landschap, als zogenaamde 'donken'. Ongeveer 10.000 jaar geleden, aan het begin van het Holoceen, steeg de zeespiegel als gevolg van een klimaatverbetering. De rivierduinen vormden net als bewoonbare plaatsen langs rivieren en geulen aantrekkelijke plekken voor de prehistorische mens. Het gaat om jagers, verzamelaars en vissers uit de Midden-Steentijd, gevolgd door de eerste, beginnende boerengemeenschappen vanaf circa 5000 voor Christus uit de Nieuwe Steentijd. In het derde millennium voor Christus ontstond een meer gesloten kust met strandwallen. Het landschap erachter verzoette, er ontstonden moerassen waarin veen werd gevormd. De beginnende veenvorming zette zich ook in de Bronstijd (2100-800 voor Christus) onverminderd voort. De bewoningsmogelijkheden voor de mens werden hierdoor tijdelijk zeer beperkt. De (randen van de)

31

veengebieden in de wijdere omgeving van het plangebied werden pas weer bewoond vanaf late IJzertijd en de Romeinse tijd. Het gebied wordt in de middeleeuwen ontgonnen vanaf de 10e-12e eeuw. Er komt een strookvormige verkaveling met boerderijen gegroepeerd in bewoningslinten. Door het plangebied loopt een ontginningsgrens uit deze periode, namelijk de huidige 's-Gravenweg, met kans op bewoningsresten vanaf de 12e-13e eeuw. Als gevolg van overstromingen in de 12e eeuw gingen grote delen van de ontginningen weer ten onder. Ze werden afgedekt met een kleilaag. In het plangebied reikte deze kleilaag tot ten noorden van de huidige 's-Gravenweg.Het niet met klei bedekte deel van het plangebied ten noorden van de Ringvaart werd in de 18e-19e vergraven voor de winning van turf. Na de drooglegging van de ontstane plassen kwamen hier de oude, prehistorische landschappen aan of direct onder het oppervlak te liggen. In de 19e eeuw is een deel van de bewoning van het dorp Kralingen naar het bewoningslint langs de huidige 's-Gravenweg verplaatst. Het zuidelijk deel van het plangebied is in de moderne tijd opgehoogd, waardoor het betreffende gebied op enkele meters boven NAP is komen te liggen. Het Max Euwekwartier is gelegen binnen dit hoger gelegen gebied. 3.2.3

Archeologische verwachting

Gelet op het voorgaande kunnen op verschillende plaatsen in het plangebied archeologisch waardevolle relicten worden aangetroffen uit het de Midden-Steentijd (8000-5300 voor Christus), het begin van de Nieuwe Steentijd (5300-2000 voor Christus), de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Voor het Max Euwekwartier geldt specifiek dat het is gelegen binnen een wat hoger gelegen gebied, waardoor de vrijstellingsmarge voor wat betreft de diepte wat ruimer kan zijn. In het vigerende bestemmingsplan 'Kralingse Zoom' kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2. Binnen deze dubbelbestemming geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 2,0 meter beneden NAP, die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan. Voor voorgenomen ontwikkeling is nog niet helemaal uitgekristalliseerd hoe de fundering en het palenplan eruit komen te zien. Inzicht hierin is noodzakelijk om te kunnen bepalen of archeologisch onderzoek noodzakelijk is of niet. In afwachting daarvan is de vigerende archeologische dubbelbestemming overgenomen en worden eventuele archeologische resten niet geschaad.

3.3

Huidig gebruik

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als kantorenpark. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Aan de westzijde liggen drie aaneengesloten kantorenkavels aan de Max Euwelaan. Aan de overzijde van de Max Eeuwelaan ligt de 'ADP-locatie'. Op de percelen is momenteel bebouwing aanwezig. Naast bebouwing zijn de kavels voor een aanzienlijk deel ingericht ten behoeve van parkeervoorzieningen. Groen en water De bedrijfskavels aan de westzijde van de Max Euwelaan worden aan drie zijden begeleid door bomenrijen en op deze percelen liggen verschillende kleinschalige groenvoorzieningen. Op de ADP-locatie staan ook verschillende bomen. Daarnaast wordt het gebouw aan drie zijden omgeven door een grasveld. Ten noordoosten van het kantorencomplex ligt een waterplas. In afbeelding 3.1 is een luchtfoto van de huidige situatie in het plangebied weergeven.

32

Afbeelding 3.1: luchtfoto huidige situatie plangebied. Bebouwing In afbeelding 3.2 is het plangebied in vogelvlucht weergegeven. Deze vogelvlucht geeft de huidige situatie vanuit zuidelijke richting weer. Het plangebied is in het verleden opgehoogd en kent een maaiveldhoogte die varieert van circa 3 tot 4,5 meter + NAP. De bebouwing aan de Max Euwelaan varieert van 4 tot 5 bouwlagen en kent daarmee een maximale bouwhoogte van circa 16 meter. De bebouwing op de ADP-locatie bestaat uit 8 bouwlagen en is met een hoogte van circa 28 meter aanzienlijk hoger.

33

Afbeelding 3.2: Vogelvlucht huidige situatie plangebied. Infrastructuur De westelijke bedrijfskavels zijn ieder met één in- en uitrit verbonden met de Max Euwelaan. Ook de ADP-locatie kent één in- en uitrit aan de zijde van de Max Euwelaan. Dit bedrijf kent tevens een oostelijke ontsluiting op de K.P. van der Mandelelaan. De Max Euwelaan scheidt beide deelgebieden van elkaar en takt zowel in zuidelijk als noordelijk richting aan op de K.P. van der Mandelelaan. Daarmee worden alle kavels direct of indirect op deze straat ontsloten. Vanaf de K.P. van der Mandelelaan kan de weg via de Kralingse Zoom in noordelijke of zuidelijke richting worden vervolgd. Ten slotte loopt ten oosten van het plangebied een langzaamverkeersroute.

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

Algemeen De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in

34

respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Wederopbouwaandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur.

Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Het plangebied ligt niet binnen beschermd stadsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten en/of beeldbepalende objecten gelegen.

35

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de transformatie van het noordwestelijk deel van Brainpark I. De kantoren die hier momenteel aanwezig zijn, maken plaats voor een gemengd programma met ruimte voor woningen, flexwerken en andere commerciële voorzieningen. De plannen worden in dit hoofdstuk verder uiteengezet.

4.2

Opzet van het plan

Het plan is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk maakt. Het plan betreft een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dit plantype is noodzakelijk omdat het plangebied ligt binnen de geluidzones van de Kralingse Zoom en de A16. Om woningen te kunnen bouwen is, vanwege de geluidsbelasting vanaf de A16, afscherming nodig. De wens bestaat om hiervoor te zorgen middels afschermende nieuwe bebouwing tegen de A16 aan. Het zal echter nog meerdere jaren duren voordat dit daadwerkelijk is gerealiseerd. In die periode zal sprake zijn van (te) hoge geluidbelastingen op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Om deze tijdelijke situatie te borgen wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet op dit punt biedt. Onder de Crisis- en herstelwet wordt het plangebied aangewezen als ontwikkelgebied. In voorliggende situatie is het dan onder voorwaarden mogelijk om tijdelijk, voor een maximum van 10 jaar, hogere geluidbelastingen toe te staan. Onder de huidige Wet geluidhinder mogen de geluidbelastingen die optreden ter plaatse van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een rijksweg ten hoogste 53 dB Lden bedragen inclusief reductie art 110g Wgh (= maximaal te ontheffen waarde).

Bij een hogere geluidbelasting kunnen onder het huidige regime geen geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd worden. Door gebruik te maken van de mogelijkheden in de Crisis- en herstelwet wordt een tijdelijk te hoge geluidbelasting voor een maximale duur van 10 jaar niet gezien als overschrijding van de maximaal te ontheffen waarde en kunnen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen wel gerealiseerd worden. Een aanvullende voorwaarde is dat de te toetsen waarde van de geluidbelasting tijdelijk mag afwijken maar voor het woon- en leefklimaat doet de tijdelijk hogere geluidbelasting niets af aan de te realiseren kwaliteit van de woningen: Binnen de verblijfruimten en -gebieden in de woningen dient het akoestisch klimaat te allen tijde op nieuwbouwniveau (Bouwbesluit) gebracht te worden. Anders gezegd: de geluidwerende kwaliteit van de gevels en de bij de woningen behorende buitenruimten (eventueel in combinatie met afschermende gebouwgebonden maatregelen) wordt bepaald op basis van hoogste geluidbelasting, ook al is dit een tijdelijke situatie. Om gebruik te maken van de Crisis- en herstelwet dient het aannemelijk gemaakt te worden dat de geluidbelastingen binnen de gestelde 10 jaar ook daadwerkelijk zullen afnemen tot op een acceptabel niveau (voor nu: de Wet geluidhinder, maximaal te ontheffen waarde maar later Omgevingswet en grenswaarden).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7186f89b-ef87-4093-a499-bfa6a3634277