CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003604] Bijlage 1 behorende bij 23bb003615 over Ontwerpbestemmingsplan Max Euwekwartierfase 1 en 2a

Gemeenteraad 4 juli 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Max Euwekwartier fase 1 en 2a’.35.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Als de geluidbelastingen afgenomen zijn binnen de periode dat de Crisis- en herstelwet is, zullen de woningen dus een betere geluidwerende gevel ervaren dan strikt noodzakelijk conform Bouwbesluit, kortom er dringt dan minder omgevingsgeluid de woningen binnen. Tenslotte dient nog vermeld te worden dat op basis van het beoogde plan ondanks de tijdelijk (te) hoge toetswaarde van de geluidbelastingen ten gevolge van de rijksweg, er te allen tijde op woningniveau voldaan wordt aan de aanvullend gestelde eisen in het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiertoe horen de aanwezigheid van geluidluwe gevels (i.v.m. geluidluw spuien). Door optimaal gebruik te maken van ontwerpmogelijkheden waarbij dichte balustrades, of geheel afgeschermde buitenruimtes gerealiseerd worden, wordt ondanks de hoge geluidbelastingen (tijdens periode Crisis- en herstelwet), voldaan aan het geluidbeleid. De periode erna, wanneer de geluidbelastingen daadwerkelijk afgenomen

36

zijn, ervaren de bewoners meer geluidluwe locaties in en om de woningen. Het toepassen van de Crisis- en herstelwet voor dit plan heeft verder geen juridische gevolgen, omdat de binnenwaarde van de woningen voldoet.

4.3

Ontwikkelingen

Het plangebied is verdeeld in twee fases. Het westelijk deel vormt de eerste fase en wordt als eerste ontwikkeld. De plannen hiervoor zijn om deze reden het meeste uitgewerkt. Het oostelijke deelgebied vormt fase twee en zal later in de tijd worden gerealiseerd. Momenteel is men nog bezig met een verfijning van dit deelgebied. De plannen voor dit deel zijn minder uitgewerkt dat voor fase 1. Programma Met voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een gemengd gebied waarin plaats is voor diverse functies. In voorliggende plangebied is het volgende programma beoogd: 22 woningen < 40 m2; 681 woningen 40-65 m2; 468 woningen 65-85 m2; 27 woningen 85-120 m2; Commerciële voorzieningen met een omvang van circa 7.200 m2. Daarnaast is ook nog voorzien in de realisatie van auto- en fietsparkeerplaatsen in de vorm van ondergrondse parkeergarages. Bovenstaand programma is verdeeld over het gehele Max Euwekwartier. Het programma is als volgt verdeeld over de verschillende fases: Fase 1 22 woningen < 40 m2; 431 woningen 40-65 m2; 268 woningen 65-85 m2; 27 woningen 85-120 m2; Commerciële voorzieningen: 1. bedrijfsverzamelgebouw / atelier; 2. winkel / detailhandel; 3. cafetaria; 4. café/bar; 5. restaurant; 6. dansstudio; 7. sportschool. Fase 2a 250 woningen 40-65 m2; 200 woningen 65-85 m2; Commerciële voorzieningen, waarvan: 1. bedrijfsverzamelgebouw / atelier; 2.

gezondheidscentrum met drie behandelkamers. Fase 1 In afbeelding 4.1 is de plattegrond van de toekomstige situatie voor fase 1 van het Max Euwekwartier weergegeven. Dit deel van het plan bestaat uit vier gebouwen. Onder het maaiveld van het gebied wordt een gezamenlijke parkeergarage gerealiseerd waar bovenop de openbare ruimte is voorzien. De bebouwing wordt met elkaar verweven door een groene en parkachtige openbare ruimte. In de plint zitten verschillende, ook commerciële, functies. Hierdoor ontstaat een actieve plint en ontstaat contact met de

37

aangrenzende openbare ruimte.

38

39

Afbeelding 4.1: plattegrond toekomstige situatie Max Euwe Quartier fase 1 (bron: Group A) In afbeelding 4.2 is ter impressie een doorsnede weergegeven van het meest noordelijke en hoogste gebouw. Uit deze doorsnede is goed op te maken dat er een verschil in maaiveldhoogte tussen het plangebied en Kralingse Zoom bestaat. Dit verschil wordt overbrugd door de realisatie van een gedeeltelijk ondergronde parkeergarage en slim gebruik van de overgang van bebouwing naar openbare ruimte aan de Kralingse Zoom.

Afbeelding 4.2: Impressie toekomstige situatie Max Euwe Quartier, bezien vanaf de noordzijde (bron: Group A) Afbeelding 4.3 geeft een impressie weer van hoe het programma verdeeld is over de bouwvolumes. Onder het leefdek is voorzien in een parkeergarage. Daarnaast zijn op dit niveau diverse fietsenstallingen voorzien en is ook plaats voor logistieke en technische ruimtes. Op het tweede niveau, grenzend aan de openbare ruimte, is voorzien in de realisatie van kantoorruimte in de vorm van flexplekken. Tevens ontwikkelt men hier commerciële ruimten, al dan niet in combinatie met woningen. Op deze laag is ook ruimte voor separate woonruimten. Ten slotte zijn de verschillende entrees voor de bovengelegen woningen voorzien op deze verdieping. Op de overige lagen worden woningen gerealiseerd. Omdat de bebouwing plat wordt afgedekt, is op het dak van de meeste volumes voorzien in de realisatie van dakterrassen.

40

Afbeelding 4.4: impressie programmatische invulling bebouwing toekomstige situatie Max Euwekwartier fase 1 (bron: Group A) Massa De massa bestaat uit vier gebouwen die met elkaar worden verbonden door een leefdek. Bij de opbouw van het stedenbouwkundig ensemble ligt de nadruk op de basislaag. De basislaag kent een goothoogte van circa 25 meter. De bebouwing aan de Max Euwelaan-zijde basislaag wordt gemiddeld 7 bouwlagen en maximaal 8 bouwlagen hoog. De bebouwing aan de Kralingse Zoom wordt maximaal 7 bouwlagen hoog, gerekend vanaf maaiveldniveau Brainpark I. Ieder gebouw wordt ontworpen als een architectonische eenheid maar de gebouwen kennen ten opzichte van elkaar een andere verschijningsvorm. De plint vormt echter wel een bijzondere architectonische laag van het gebouw. Allereerst verschilt het functioneel gebruik ten opzichte van de bovenbouw. Daarnaast wordt deze plint met behulp van ontwerpmiddelen als terugliggende geveldelen en diepe gevelstijlen van de bovenbouw onderscheiden. Op de kopzijdes van het bouwblok zijn twee hoogte accenten voorzien. Het meest zuidelijke accent kent een hoogte van 55 meter. Het noordelijke gebouw kent een hoogteaccent van 70 meter. De accenten worden terugliggend gepositioneerd ten opzichte van de basislaag. In hun architectonische uitwerking zijn ze verwant aan hun onderbouw. Tussen de verschillende gebouwen is sprake van open ruimten.

41

Afbeelding 4.5: Principeschets hoogte accenten Max Euwe Quartier (bron: Group A) Verkeer en parkeren Ontsluiting In de toekomstige situatie is de Max Eeuwelaan, ter plaatse van het plangebied, niet meer in gebruik als ontsluitingsweg. Om te komen tot een aantrekkelijk verblijfsgebied in het plangebied is er voor gekozen om deze verkeersader af te sluiten en in het plangebied op het leefdek geen autoverkeer toe te staan. Het autoverkeer van deze fase wordt in de toekomstige situatie direct via de K.P. van der Mandelelaan ontsloten. Het verkeer zal vanuit de parkeergarage in westelijke richting, via de Kralingse Zoom de weg vervolgen. De beoogde parkeergarage kent namelijk alleen aan deze zijde een in- en uitgang. In het midden van de parkeerkelder is daarnaast nog voorzien in een ontsluiting voor de bevoorrading van de diverse functies in het gebied. In dit deel van de parkeerkelder zal namelijk een ruimte voor het laden en lossen worden gerealiseerd. Regulier autoverkeer kan geen gebruik maken van deze ontsluiting. Parkeren Onder de bebouwing wordt een parkeergarage gerealiseerd. In deze garage is ruimte gereserveerd voor auto- en fietsparkeerplaatsen.

42

Afbeelding 4.6: Plattegrond parkeerkelder en overige ruimtes Max Euwekwartier fase 1 (bron: Group A) Fase 2a In afbeelding 4.7 is de plattegrond van de toekomstige situatie voor fase 2a van het Max Euwekwartier

43

weergegeven. Dit deel van het plan bestaat uit twee gebouwen. In de westelijke massa worden woningen gerealiseerd. In het oostelijke complex worden bedrijfsruimtes / ateliers en een 1e lijns gezondheidscentra gerealiseerd.

Afbeelding 4.7: Schematische toekomstige situatie Max Euwe Quartier fase 2 (bron: Group A) Massa De massa bestaat uit twee gebouwen die met elkaar worden verbonden door een leefdek. Het westelijke complex is het laagste gebouw en kent een hoogte van maximaal 26 meter. Bij dit gebouw is niet voorzien in een variatie in bouwhoogte. Het oostelijke gebouw is het hoogste gebouw en dient tevens als afscherming voor het geluid van de A16. De bouwhoogte van dit gebouw varieert. Het noordoostelijke deel van het gebouw vormt een accent en kent een hoogte van maximaal 70 meter. Het overige deel van de bebouwing is aanzienlijk lager. De bouwhoogte varieert hier van 42 tot 8 meter. Verkeer en parkeren Ontsluiting Het autoverkeer van deze fase wordt in de toekomstige situatie aan de oostelijke zijde via de K.P. van der Mandelelaan ontsloten. De verkeersstructuur in het Brainpark wordt op grotere schaal herzien. De K.P. van der Mandelelaan zal anders worden vormgegeven. In noordelijke en zuidelijke richting kan het verkeer in ieder geval zijn weg vervolgen en wordt aansluiting gezocht op de Kralingse Zoom. In

44

afbeelding 4.8 is de toekomstige verkeerstructuur in het plangebied weergegeven.

Afbeelding 4.8: Impressie toekomstige ontsluiting (bron: Group A) Zolang de toekomstige ontsluitingsstructuur niet is gerealiseerd is er voldoende ruimte om de K.P. van der Mandelelaan tijdelijk om de nieuwe bebouwing heen te leggen.

45

Afbeelding 4.9: Impressie eventuele tijdelijke ontsluiting ten noorden van het plangebied (bron: Group A / KuiperCompagnons) Parkeren Ten zuiden van van fase 2a (binnen fase 2b) is voldoende ruimte beschikbaar voor parkeervoorzieningen,

46

zowel in de tijdelijke als in de definitieve situatie. Deze gronden zijn eveneens eigendom van de ontwikkelaar van fase 1 en 2a.

4.4

Juridische planbeschrijving

4.4.1

Inleiding

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. 4.4.2

Bestemmingsmethodiek

Voorliggend bestemmingsplan is een globaal en ontwikkelgericht bestemmingsplan. In het begin van dit hoofdstuk is de ontwikkeling uiteengezet en zijn de hoofdlijnen duidelijk gemaakt. Omdat de massa en situering van de bebouwing nog kan schuiven, is gekozen voor een globale systematiek. Deze globale systematiek is echter niet vrijblijvend omdat gebruik gemaakt wordt van een constructie waarbij wijzigingen in de massa en situering leiden tot een onderzoeksplicht. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan geborgd. Vrijwel het gehele plangebied kent een bouwvlak. Alleen het zuidwestelijke deel van het plangebied kent geen bouwvlak. Hier is een afstand van 6 meter vanaf de zuidelijke perceelsgrens aangehouden. 4.4.3

Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende artikelen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna volgt een toelichting per artikel. Gemengd Het gehele plangebied heeft de bestemming 'Gemengd' gekregen. Deze bestemming is globaal ingericht zodat bij wijzigingen ten opzichte van het plan zoals dat nu bekend is het bouwplan niet gelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Vrijwel alle gronden hebben een bouwvlak gekregen. In het westelijk deelgebied is een afstand van 6 meter tot de het zuidelijke perceel als randvoorwaarde opgenomen. Daarom geldt in die strook geen bouwvlak.

Binnen de bestemming zijn de voorgenomen functies zoals horeca, wonen, short-stay eenheden, gezondheidscentra, flexwerkplekken, maatschappelijke voorzieningen en commerciële voorzieningen toegestaan. Het programma is gemaximaliseerd in de gebruiksregels. Voor de toekomstige bebouwing zijn geen specifieke bouwvlakken en -hoogten opgenomen. De verbeelding is globaal van aard. Binnen het ruime bouwvlak mag in principe overal worden gebouwd, mits

47

de bebouwing past binnen de ruimtelijke principes van het Masterplan. Het is echter wel zo dat alle milieuonderzoeken zijn gebaseerd op de situering van de bebouwing uit het Masterplan. Bij de regels is een tekening gevoegd waarop deze bebouwing is weergegeven. Die situatie is daarmee gemotiveerd. Indien bij de uiteindelijke bouwaanvraag blijkt dat toch op een andere situering en hoogte wordt ingezet, regelt een specifieke bepaling in de regels dat alsdan een aantal milieuaspecten nader moet worden beschouwd. Binnen de bestemming ‘Gemengd’ zijn woningen mogelijk gemaakt waarbij de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Voor deze woningen zijn daarom hogere waarden vastgesteld. Conform het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder gemeente Rotterdam zijn er voorwaarden verbonden aan het verlenen van de hogere waarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder behorende bij dit bestemmingsplan welke als bijlage is toegevoegd aan de regels. Met artikel 3.3.2 is geborgd dat gronden alleen in gebruik mogen worden genomen als woning, als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de hogere waarden zijn verleend. Waarde – Archeologie 2 In het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Deze bestemming beschermt eventueel aanwezige archeologische resten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden enkele algemene regels gegeven, zoals de anti-dubbeltelregel. Ook worden algemene gebruiksregels gegeven. Daarnaast worden enkele algemene afwijkings- en wijzigingsregels gegeven die de flexibiliteit van het plan vergroten. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 4.4.4

Geometrische plaatsbepaling / verbeelding

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.

48

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Europees en rijksbeleid

Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 officieel van kracht geworden. De richtlijn heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen.

De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Watertoets Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets

49

geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Belangrijkste inhoudelijke doel van de watertoets is dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden. 5.1.2

Provinciaal beleid

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 - 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Het provinciaal Waterplan Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er in de periode 2016-2021 moet gebeuren, om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven: waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen; realiseren van mooi en schoon water; ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening; het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem. Omgevingsverordening Zuid-Holland In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat, voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren.

In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen. 5.1.3

Beleid waterbeheerder

Waterbeheerplan 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het Waterbeheerplan 2016-2021, dat op 19 juni 2016 is vastgesteld, vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015. In het Waterbeheerplan geeft het hoogheemraadschap haar visie en ambities op het waterbeheer voor de lange termijn; het geeft richting aan het handelen van het Hoogheemraadschap en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het Hoogheemraadschap kunnen verwachten. Daarnaast biedt het ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Het Waterbeheerplan 2016-2021 bevat nieuwe accenten, die de rode draad vormen voor de werkzaamheden in de komende planperiode: het Hoogheemraadschap staat daarbij voor doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Het Hoogheemraadschap voert haar taken uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Daarbij wordt zorggedragen voor de leefbaarheid van het gebied en het vergroten van de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het hoogheemraadschap gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners. Daarnaast worden particuliere initiatieven gestimuleerd.

Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen In de nota "Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen" (Nota waterkwantiteitsbeheer, vastgesteld op 26 juni 2007 en aangevuld op 7 september 2007) is het beleid geformuleerd over de waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvattend betekent het beleid het volgende:

50

1. aan ontwikkelingen die resulteren in een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 worden geen waterbergingseisen gesteld; 2. bij de overige ontwikkelingen wordt aan de hand van de eigenschappen van het gebied vastgesteld hoeveel aanvullende waterberging benodigd is. 5.1.4

Gemeente Rotterdam

Waterplan 2 Rotterdam De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma.

Gemeentelijke rioleringsplan (2021-2025) De gemeente heeft drie wettelijke zorgplichten, of – zoals dat onder de nieuwe Omgevingswet wordt genoemd – taken op het gebied van watersystemen en waterketenbeheer. De belangrijkste taken zijn: 1. Beschermen van de volksgezondheid en het milieu door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. 2. Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, vasthouden, transporteren, verwerken en hergebruiken van hemelwater. 3. Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied. Om het stedelijk watersysteem van de toekomst vorm te geven heeft de gemeente deze taken vertaald naar de volgende doelen. 1. Een goed functionerend stedelijk watersysteem voor een aantrekkelijke stad Doelmatig hergebruik, benutten, inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. Dit doet de gemeente voor de volksgezondheid, een aantrekkelijke leefomgeving en een circulaire stad; 2. Klimaatbestendig stedelijk watersysteem Benutten van hemelwater en voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, vasthouden, transporteren, verwerken en hergebruiken van hemelwater; 3.

Robuust grondwatersysteem Verkrijgen en behouden van een gezond en robuust grondwatersysteem door het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied; 4. Actieve communicatie en participatie Actief communiceren en participeren met Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven over het stedelijk watersysteem; 5. Innovatie, digitalisering en automatisering Inzetten op innovaties en benutten van digitalisering en automatisering.

51

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater in het Max Euwe Kwartier is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door SmitsRinsma een wateradvies opgesteld, zie bijlage 5. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen uiteengezet. 5.3.1

Oppervlaktewater

Een groot deel van het plangebied ligt in één peilgebied. Dit peilgebied heeft een oppervlaktewaterpeil van NAP +2,75m. Het gedeelte Brainpark I is relatief hooggelegen en ligt in het peilgebied GPG-169. Het oppervlaktewater aan de noordzijde van het Brainpark I is gelegen in het peilgebied GPG-185. Dit peilgebied heeft een oppervlaktewaterpeil van NAP -2,35m. Het oppervlaktewater ter plaatse van fase 2 staat door middel van een ‘singelverbinding’ in contact met de overige waterpartijen op het Brainpark. Het oppervlaktewater in het noordelijke deel van het gebied Kralingse Zoom wordt door gemaal Groene Wetering II op peil gehouden. Overtollig water wordt uitgeslagen op de Nieuwe Maas. Daarnaast draagt ook gemaal Fascinatio, ten oosten van de A16, bij aan het op peil houden van dit peilgebied. Actuele gegevens over de waterkwaliteit in het gebied zijn niet bekend. Wel zullen de aanwezige overstorten een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. 5.3.2

Grondwater

Voor grondwater zijn er verschillende peilbuizen in de directe omgeving en in het plangebied aanwezig. In het Brainpark I gebied is er conform DINOloket één peilbuis aanwezig met een gemiddelde ontwateringsdiepte groter dan de vereiste 0,80 meter. Uit recent bodemonderzoek zijn in diverse peilbuizen rondom het plangebied metingen verricht. Hieruit kwamen momentopnames naar voren van de grondwaterstanden tussen de 1,25m en 2,70m onder maaiveld. Echter zijn de maaiveldhoogten onbekend van deze peilbuizen. Kijkende naar de AHN3 gegevens en de locaties van de peilbuizen is te concluderen dat het grondwaterpeil op ca. NAP 2,05m zit. Waarbij peilbuisnummer 21 substantieel lager zit, op ca. NAP 0,80m, wat echter goed te verklaren is door het sterk dalende maaiveld. Gebaseerd op het huidige maaiveld is er sprake van lokaal een gemiddelde drooglegging van ca. 1,50m 5.3.3

Waterkering

In het plangebied bevinden zich geen primaire of regionale waterkeringen. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden.

52

5.3.4

Riolering

Het bestemmingsplangebied valt grotendeels binnen rioleringsdistrict 2. Dit district voert het rioleringswater af naar de AWZI Kralingseveer. In het projectgebied ligt momenteel een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het hemelwater en het afvalwater niet afzonderlijk van elkaar worden afgevoerd. Dit stelsel is echter aangesloten op het gemengde stelsel van de gemeente. In het gebied is één overstort aanwezig in de direct omgeving ter hoogte van het kantoor van Sweco. Ook bevindt er zich een vuilwatergemaal in het gebied op de kruising Max Euwelaan – K.P. van der Mandelelaan. Dit vuilwatergemaal is gekoppeld aan het gemengd rioolstelsel welke in de Max Euwelaan en K.P. van der Mandelelaan ligt. Het gemaal dient om de bovendrempelberging van het gebied Brainwave te benutten. Ten noorden van fase 2 is een schoonwatergemaal gesitueerd. Dit gemaal heeft een tweetal functies, namelijk het voorzien van een wateraanvoer voor het kunstwerk ‘Sjatoodoo’ en het heeft de functie als ‘singelwateraanvoer’ voor de waterpartijen op het Brainpark en de waterpartij naast de Abram van Rijckevorselweg achter de huisnummers K.P. van der Mandelelaan 90/100.

5.4

De wateropgave

Het plangebied bestaat uit een tweetal fases, waarbij één fase is gelegen tussen de Kralingse Zoom en de Max Euwelaan (fase 1) en één fase aan de K.P. van der Mandelelaan (fase 2b). In beide fases wordt er een geheel nieuw gebouwencomplex gebouwd welke als basis wordt voorzien van een parkeergarage. Voor het overgrote deel wordt het kavel daarmee verhard oppervlak, echter wordt er wel getracht het gebied een groene uitstraling te geven door de toekomstige inrichting. 5.4.1

Oppervlaktewater

Het oppervlaktewater ter plaatse van fase 2b komt te vervallen in de toekomstige situatie, hiermee vervalt ook de verbinding van de waterpartij aan de noordzijde met het grote wateroppervlak te midden van Brainpark. In het toekomstige ontwerp van de openbare ruimte wordt er rekening gehouden met 2.980 m2 nieuw oppervlaktewater. Het is echter nog onbekend op welke wijze dit wordt vormgegeven. Met de overige nieuwe ontwikkeling ontstaat er een toename van het verhard oppervlak. Conform de huidige situatietekening neemt het verhard oppervlak toe met 7.900 m2. Bij een dergelijke toename valt het project binnen de noemer ‘Middelgrote plannen’. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Zij berekent deze op basis van de Watertoets. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-169. 5.4.2

Grondwater

Op de beide kavels wordt er een parkeergarage gerealiseerd met aan de noordzijde een bodempeil op huidig maaiveld en aan de zuidzijde een bodempeil van ca. 4,00m onder huidig maaiveld. Er is tot op heden geen onderzoek verricht op wat de invloed zal zijn van de parkeergarages op de grondwaterstromingen. Dit dient in een vervolgfase nader te worden uitgezocht. Het waterschap adviseerd de inrit, eventuele ramen en ventilatieopeningen van de parkeerkelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen zodat geen wateroverlast optreedt bij forse peilstijgingen. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Het gebied van Fase 1 en Fase 2 wordt deels opgehoogd, waarbij aan de noordwestzijde van Fase 1 er een inrit naar de parkeergarage wordt gerealiseerd. Dit betreft ook qua maaiveld het laagste peil van het gebied. Kijkende naar figuur 5, uit het onderzoek, dient beoordeeld te worden of er, i.v.m. de overschrijdingskans van 1 op 10.000 jaar van een dijkdoorbreuk, maatregelen getroffen dienen te worden.

53

5.4.4

Riolering

In de nieuwe ontwikkeling wordt er een gescheiden rioolstelsel aangelegd oftewel het hemelwater en vuilwater zal apart van elkaar worden aangeboden op het gemeenteriool. In de huidige situatie betreft dit een gemengd systeem. Voor fase 1 is er een beoordeling gedaan voor wat de nieuwe belasting zal zijn op het gemeenteriool. Kijkende naar het huidige gebruik en het toekomstige gebruik, zal dit een grotere waarde zijn. De uitstoot van het vuilwater zal dan ca. 227,1 ltr/seconde bedragen en voor het hemelwater ca. 141,3 ltr/seconde. Voor fase 2 is dit onderzoek nog niet verricht, het is aan te bevelen dit op korte termijn te laten doen. PM 5.4.5

Uitgiftepeilen en peilenplan

Voor beide fases is reeds een tekening opgesteld met de gewenste uitgiftepeilen van de kavels. Fase 1 en Fase 2 worden beide uitgegeven op ca. NAP 4,00m. Waarbij op de kruising K.P. van der Mandelelaan – Max Euwelaan het uitgiftepeil ca. NAP 3,15m bedraagt.

5.5

Conclusie

Door voorgenomen ontwikkeling neemt het verharde oppervlak toe met ca 7.900 m2. Tegelijkertijd wordt getracht het gebied een groene uitstraling te geven. Compensatie voor het te dempen oppervlaktewater en de toename aan verhard oppervlak, wordt gezocht in het graven van 2.980 m2 oppervlaktewater in toekomstig openbaar gebied in de zone rondom de huidige Max Euwelaan. De compensatie dient plaats te vinden in peilgebied GPG-169. Voor fase 1 is de nieuwe belasting op het gemeentelijk riool bekend. Hiervoor dient beoordeeld te worden of het gemeentelijk riool deze capaciteit aankan. Voor fase 2 is de belasting nog onbekend en dient deze berekend en beoordeeld te worden. Advies is om een coördinatie-overleg met de gemeente in te plannen. Er is tot op heden geen onderzoek verricht op wat de invloed zal zijn van de parkeergarages op de grondwaterstromingen. Dit dient in een vervolgfase nader onderzocht te worden. Afstemming dient plaats te vinden met de gemeente Rotterdam en het Waterschap. Om de wateropgave in het gebied te verminderen kan extra waterberging gecreëerd worden. In een volgend stadium zullen de verschillende mogelijkheden onderzocht dienen te worden. De bestaande terp wordt ontgraven en het gebouw wordt hierin aangebracht. Beoordeeld dient te worden of er maatregelen getroffen dienen te worden voor een mogelijke dijkdoorbraak met een kans van 1 op 10.000 jaar.

54

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt. Gedurende het opstellen van het bestemmingsplan is het programma gewijzigd. Dit programma is uiteindelijk naar beneden bijgesteld. In diverse milieuonderzoeken is uitgegaan van een groter programma. Hiermee is een 'worst-case' situatie onderzocht. De ontwikkeling van een uiteindelijk kleiner programma leidt hiermee niet tot problemen.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1

Plangebied

De realisatie van een gemengd gebied met daarin plaats voor woningen, (fiets)parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, flexwerkplekken, werkruimten, lounges en restaurants kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de verschillende drempelwaardes (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in het bestemmingsplan. Door de initiatiefnemer moet op grond van het Besluit m.e.r. een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 6 en wordt als expliciet beslispunt aan het college voorgelegd. Voor de voorgenomen activiteit geldt dat wanneer wordt voldaan aan de gestelde eisen en maatregelen uit de onderzoeken en de aanmeldnotitie er verwacht wordt dat er geen belangrijk nadelige milieugevolgen optreden. Er wordt daarom geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling. Voor een aantal aspecten wordt momenteel nader onderzoek verricht. Dit document wordt aangevuld als hier duidelijkheid over bestaat.

55

6.3

Mobiliteit

6.3.1

Verkeer

Verkeerssituatie Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een aanzienlijk programma. Om te beoordelen of de capaciteiten van de omliggende wegen voldoende is om de verkeersaantrekkende werking, als gevolg van de ontwikkeling te kunnen verwerken, is een verkeersonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is ook fase 2b meegenomen. Dit onderzoek dat door Mobycon is uitgevoerd, is opgenomen in bijlage 7. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Als gevolg van de ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie toe met maximaal 4894 motorvoertuigen per etmaal, met 356 pae in het drukste ochtendspitsuur en 461 pae in het drukste avondspitsuur. Er is hierbij uitgegaan van de minimale verkeersgeneratiekencijfers uit CROW-publicatie 381. De toekomstige intensiteiten zijn aan de hand van de toename van de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt en aan de hand hiervan de verkeersafwikkeling bepaald. Er is geconstateerd dat op enkele wegvakken en op enkele kruispunten sprake is van een (beginnend) doorstromingsknelpunt na de realisatie van de ontwikkeling. Belangrijker is echter of de situatie al dan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de omgeving.

Gelet op het feit dat het doorstromingsknelpunt zich slechts kortstondig in de avondspits voordoet en het verkeersbeeld verder acceptabel is, kan gesteld worden dat de geconstateerde verkeerssituatie acceptabel is en er geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Op het kruispunt Kralingse Zoom - K.P. van der Mandelelaan is op een van de takken een I/C-waarde van 1,21 (121%) en op een van de takken een I/C-waarde van 1,48 (148%) waargenomen. Het is aan te bevelen om op dit kruispunt de situatie goed te monitoren en indien noodzakelijk maatregelen te treffen. Verder is het kruispunt Kralingse Zoom - A. van Rijckevorselweg en het kruispunt Kralingse Zoom - ‘s Gravenweg niet beoordeeld. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat – voor zover het mogelijk was dit te onderzoeken – het aspect verkeer de ontwikkeling bij het Max Euwe Quartier, de ADP-locatie en de Sweco-locatie in Rotterdam niet in de weg staat. Een extra toetsing met verkeerskundige modelsoftware kan uitsluitsel bieden. Toetsing ontsluiting laden en lossen Fase 1 beschikt over een parkeerkelder waar naast parkeerplaatsen ook is voorzien in de ontsluiting van het laden en lossen voor de commerciële voorzieningen in het gebied.

Omdat de Kralingse Zoom een drukke weg is en deze ontsluiting ook een langzaam verkeersroute kruist, is door Mobycon een beoordeling opgesteld van de ontsluiting van het laden en lossen, zie bijlage 8. Uit deze beoordeling blijkt dat voor het langzaam verkeer er vanaf de Kralingse Zoom gezien twee toegangswegen voorzien zijn. Positief is dat dit langzame verkeer zich door deze toegangswegen niet hoeft te mengen met het autoverkeer op de K.P. van der Mandelelaan of het parkeerterrein. Doordat de snelheden lager zijn, bestaan er geen bezwaren om deze extra conflictpunten te realiseren. Voorwaarde is wel wederom dat er geen obstakels worden geplaatst die het zicht belemmeren. De toegangsweg voor het overige verkeer mondt uit op het parkeerterrein van het plangebied. De weg vanaf de Kralingse Zoom richting de toegangsweg bestaat al en is met een breedte van 7 meter breed genoeg om dit verkeer op te vangen. Voor de toegangsweg zelf lijkt er volgens het ontwerp een voldoende brede ruimte te zijn om verkeer hier goed af te wikkelen. Een nadere studie is nog wel noodzakelijk. De afstand tussen de toegangsweg en het kruispunt met de Kralingse Zoom bedraagt ongeveer 40 meter. Als gevolg van hiervan worden echter geen veiligheids- of doorstromingsproblemen op de Kralingse Zoom verwacht. Dit vanwege de uitvoegstrook op de Kralingse Zoom richting de K.P.

van der Mandelelaan die al aanwezig is. Op de locatie van de voorziene aansluiting zelf is sprake van een fors hoogteverschil, waardoor het lastig lijkt om een steile in- en uitrit te maken. Bovendien kan dit leiden tot kop-staartongevallen. Voor de meest verkeersveilige situatie en goede zichtlijnen, wordt geadviseerd om de ontsluiting aan de noordzijde van de Max Euwelaan te realiseren. Voorwaarde is wel dat er geen obstakels worden geplaatst die deze zichtlijnen beperken.

56

Door Royal Haskoning is ten slotte ook nog een mobiliteitstoets uitgevoerd, zie bijlage 9. Uit deze notitie blijkt dat de bereikbaarheid van de locatie prima is. Dit geldt zowel voor de auto als de fiets en het OV. Het bouwprogramma sluit goed aan bij het bereikbaarheidsprofiel van de locatie. Er wordt maximaal ingezet op doelgroepen die profiteren van een goede OV en fietsbereikbaarheid. Het aanbieden van extra fietsenstalling en deelauto’s is daar een illustratie van. Het aanbod van parkeerplekken voor de auto is beperkt tot wat nodig is. De bereikbaarheid met hele grote voertuigen vraagt nog wel aandacht in het ontwerp. Deze moeten vanwege hun hoogte of draaicirkels buiten het complex worden opgevangen en hebben nog geen definitieve plek in het ontwerp voor de openbare ruimte gekregen. In het ontwerp openbare ruimte is nu nog beperkt aandacht voor mobiliteit. Hier zal in de komende fase met name aandacht moeten zijn voor de way-finding. Voor de bewoners en gebruikers verwachten we hier weinig problemen, voor de bezoekers zal gelden dat ze zonder verdere specifieke aandacht toegang zullen zoeken via de voordeur aan de Max Euwelaan. Dat betekent dat bezoekende fietsers gefaciliteerd moeten worden met duidelijke stallingsplekken en automobilisten geen toegang kunnen krijgen tot de voetgangersruimte terwijl die wel toegankelijk moet zijn voor hulpdiensten en vrachtverkeer.

Laden en lossen moet een plek krijgen los van de toegangsroute voor de hulpdiensten. In de volgende fase moet ook bepaald worden of hulpdiensten en bevoorrading gaan keren in de openbare ruimte of kunnen doorrijden naar de K.P. van der Mandelelaan zoals hier geadviseerd. In die fase zal ook nog nadrukkelijk gekeken worden naar toegankelijkheid voor mindervaliden en voetgangers. De logistieke ruimte zorgt in basis voor een sterke vermindering van het aantal bewegingen rondom het complex. Hoewel geen kentallen beschikbaar, laat een grove berekening zien dat het reëel is te verwachten dat de ruimte groot genoeg is voor de daar geplande activiteiten. Voor het vervolg moet ook hier nagedacht worden over het juiste beheer om te voorkomen dat de ruimte oneigenlijk gebruikt wordt als parkeerplek voor aannemers of aan zijn eigen succes ten onder gaat. In overleg met de gemeente Rotterdam moet bekeken worden of aanleg van een laad- en losplek langs de Kralingse Zoom haalbaar is en hoe de inrit van de logistieke ruimte inclusief de oversteek van het fietspad het best kan worden vorm gegeven. 6.3.2

Parkeren

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Om deze reden is een parapluherziening parkeernormen vastgesteld met daarin een dynamische verwijzing naar het op 16 december 2021 over parkeren vastgestelde beleid. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 1 januari 2022 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 6.6.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto’s conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het

57

verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto’s en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling Op dit moment geldt de “Beleidsregeling Parkeernormen voor auto en fiets 2022”. Deze beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto’s als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan worden afgeweken; zowel van de eis zelf (geheel of gedeeltelijk) als van de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd. Ook kan van de parkeereis geheel of gedeeltelijke vrijstelling worden verleend. Dit heeft tot gevolg dat er in beginsel geen parkeervergunning op straat wordt afgegeven. In de beleidsregeling is uitgebreid omschreven onder welke voorwaarden van de parkeereis kan worden afgeweken of vrijstelling kan worden verleend. Tevens zijn in de beleidsregeling regels opgenomen over elektrische voertuigen (EV Ready).

Collectieve parkeervoorzieningen op eigen terrein bij nieuwbouw of transformatie moeten voorbereid zijn op het kunnen laden van elektrische voertuigen (EV Ready). Ook moet de initiatiefnemer een EV plan aan de gemeente Rotterdam kunnen overleggen, waaruit blijkt dat op iedere autoparkeerplaats horend bij de ontwikkeling laadinfrastructuur gerealiseerd kan worden, zonder dat hiervoor bouwkundige aanpassingen noodzakelijk zijn. En dat een netaansluiting gerealiseerd wordt met voldoende capaciteit om ten minste 20% van het totaal aantal voertuigen waarvoor autoparkeerplaatsen beschikbaar zijn gelijktijdig te kunnen laden, al dan niet met behulp van IT-oplossingen zoals een Smart grid. In het onderzoek van Mobycon is ook de parkeerbehoefte uiteengezet. De parkeervraag van de nieuwe functie (zonder rekening te houden met de parkeervraag van de huidige functie) bedraagt op het drukste moment afgerond minimaal 444 parkeerplaatsen voor auto’s (rekening houdend met de ligging van de ontwikkeling nabij metrostation 'Kralingse Zoom') en minimaal 2.969 parkeerplaatsen voor fietsen, uitgaande van de normen van de gemeente Rotterdam. Wanneer er nog 88 extra parkeerplaatsen voor fietsen worden gerealiseerd, wordt de parkeervraag voor auto’s lager, maar is nog steeds sprake van een tekort aan parkeercapaciteit van 44 parkeerplaatsen.

In het plan wordt echter ook rekening gehouden met deelmobiliteit waardoor met een nog lagere parkeervraag kan worden gerekend. Parkeerbalans De parkeerbalans zal aansluiten op het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren. Door de transitie van kantoorlocatie naar wonen ontstaat een andere parkeervraag. Volgens de vigerende parkeernorm valt het gebied binnen zone C, wat betekent dat de nadruk meer ligt op auto bereikbaarheid dan OV of fietsbereikbaarheid. Met de transitie van kantoor naar woonlocatie en het beoogde mobiliteitsprofiel van de toekomstige bewoners is de nabijheid van RET halte Kralingse Zoom in belang toegenomen terwijl de nabijheid van de A16 is afgenomen. De gemeente geeft besloten dat het gebied in zone B valt. Ook uitgaande van de parkeernormen zone B van de gemeente Rotterdam zou het plan over meer parkeerplekken moeten beschikken. De regeling parkeernormen biedt echter de mogelijkheid tot vrijstellingen van de parkeereis op grond van nabijheid OV, extra fietsruimte, deelauto’s en M.a.a.S.-concepten. Nabijheid OV Uitgaande van de ligging van het plan binnen 400m van het station is de vrijstelling op grond van nabijheid OV 30%. Extra fietsparkeerruimte Op grond van het beschikbare aantal stallingsplekken voor de fiets kan maximaal gebruik gemaakt worden van de daaraan gekoppelde vrijstelling.

Deelauto Eén deelauto vervangt 5 parkeerplaatsen. Deelauto’s passen bij het mobiliteitsprofiel van de locatie.

58

6.4

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.4.1

Plangebied

Omgevingstype van het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn, naast woningen, verschillende bedrijven/inrichtingen aanwezig en/of bestemd in de vigerende bestemmingsplannen. Bovendien is de locatie gelegen op korte afstand van de A16 en ligt ten westen de Kralingse Zoom, een gebiedontsluitingsweg. Om deze reden wordt het omgevingstype aangemerkt als "gemengd gebied". In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse relevante inrichtingen en bestemmingen gelegen. Ten westen van het plangebied is de campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam gelegen. Deze campus kent een maatschappelijke bestemming en de activiteiten die hier verricht worden zijn in te delen in milieucategorie 2. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van 10 meter. De feitelijke afstand van de rand van de maatschappelijke bestemming tot het plangebied bedraagt circa 20 meter. De richtafstand wordt daarmee ruim gerespecteerd en deze bestemming leidt niet tot belemmeringen. Ten noorden van het plangebied ligt het metrostation 'Kralingse Zoom'. Dit station kent de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' met de functieaanduiding 'openbaar vervoerstation'. Uit de VNG-brochure blijkt dat een dergelijke inrichting valt binnen milieucategorie 3.2 en daarmee een gereduceerde richtafstand van 50 meter kent.

De feitelijke afstand van de rand van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' tot het plangebied is circa 95 meter. De richtafstand wordt daarmee gerespecteerd en deze bestemming leidt niet tot belemmeringen. Het plangebied en de directe omgeving kennen de bestemming 'Gemengd-1'. Binnen deze bestemming is het mogelijk om kantoren, bedrijven tot en met categorie 2, horeca en medische klinieken te realiseren. Kantoren vallen in milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. Bedrijvigheid tot en met categorie 2 kennen een gereduceerde richtafstand van 10 meter. Klinieken behoren, op basis van de VNG-brochure, tot milieucategorie 1 en kennen daarmee een gereduceerde richtafstand van 0 meter. De afstand tussen het plangebied en de overige gronden is meer dan 10

59

meter. Ook deze bestemming leidt niet tot belemmeringen. In de toekomstige situatie is sprake van een gemengd gebied waarbij woningen en voorzieningen vrijwel direct naast elkaar kunnen worden gerealiseerd. In dit gebied is slechts in beperkte mate ruimte voor commerciële voorzieningen als barretjes en restaurants. Momenteel is de locatie hiervan nog niet uitgekristalliseerd. Indien noodzakelijk wordt later in het proces, bij de uitwerking van het bouwplan, gekeken naar bouwkundige maatregelen. Daarnaast moeten eventuele voorzieningen die zich in het plangebied zullen vestigen voldaan aan het Activiteitenbesluit. Hierdoor zal een aanvaardbare situatie ontstaan. 6.4.2

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

6.5

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Wet geluidhinder Ten behoeve van het geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017 (Stb. 2017, 131). Er worden nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk gemaakt. Kantoor- en commerciële functies zijn overigens geen geluidgevoelige bestemmingen in het kader van de Wet geluidhinder. Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden In de Wet geluidhinder en in het Besluit geluidhinder worden respectievelijk voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai twee typen grenswaarden benoemd: de zogenaamde voorkeursgrenswaarde en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde. Per geluidbron (per weg, per spoorweg en per industrieterrein) wordt aan de grenswaarden getoetst. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, maar niet van de maximale ontheffingswaarde, kan bij het College van Burgemeester en Wethouders (B & W) een zogenaamde hogere waarde (dan de voorkeursgrenswaarde) worden aangevraagd.

Het vaststellen van een hogere waarde door B & W is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels). Dove gevels De Wet geluidhinder benoemt grenswaarden voor de geluidbelastingen op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Dove gevels zijn echter gevels waarvan de geluidbelastingen op deze gevels niet hoeven te worden getoetst aan deze grenswaarden. Dove gevels zijn: gevels zonder aanwezige te openen delen en die voldoen aan een karakteristieke geluidwering van tenminste het verschil van de geluidbelasting en een waarde van 33 dB, onderscheidenlijk 35 dB(A); gevels met bij uitzondering te openen delen, mits deze delen niet grenzen aan een geluidgevoelige ruimte (slaap-, woon- of eetkamer). Voorbeelden zijn: 1. een raam in een gevel van een besloten keuken met een vloeroppervlakte van minder dan 11 m2; 2. een raam in een hal van een woning; 3. een nooduitgang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7186f89b-ef87-4093-a499-bfa6a3634277