CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb003604] Bijlage 1 behorende bij 23bb003615 over Ontwerpbestemmingsplan Max Euwekwartierfase 1 en 2a

Gemeenteraad 4 juli 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Max Euwekwartier fase 1 en 2a’.35.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Max Euwekwartier Ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

Juni 2022

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Vastgesteld d.d.:

........

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk1

INLEIDENDEREGELS

4

Artikel 1

Begrippen

4

Artikel 2

wijze van meten

9

Hoofdstuk2

BESTEMMINGSREGELS

10

Artikel 3

Gemengd - 1

10

Artikel 4

Waarde - Archeologie 2

12

Hoofdstuk3

ALGEMENEREGELS

14

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

14

Artikel 6

Algemene bouwregels

15

Artikel 7

Algemene afwijkingsregels

17

OVERGANGS-EN SLOTREGELS

18

Hoofdstuk4

Artikel 8

Overgangsrecht

18

Artikel 9

Slotregel

19

2

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

INLEIDENDE REGELS

Begrippen

Plan:

Het bestemmingsplan 'Max Euwekwartier' met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP29168-on01 van de gemeente Rotterdam. 1.2

Bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Archeologisch deskundige

Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.6

Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.7

Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8

Bebouwingspercentage

Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.9

Bedrijven

De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.10

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.11

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.12

Bouwaanduidingen

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.13

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.14

Bouwgrens

De grens van een Bouwvlak.

4

1.15

Bouwlaag

Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdtstuk 2 anders is bepaald. 1.16

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.17

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 1.18

Bouwverordening

Bouwverordening Rotterdam 2010, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.19

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.20

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.21

Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)

Vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de buitenste opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte of ruimten omhult. 1.22

Bijzondere objecten

a. b. c. d.

bejaardentehuizen en verpleeginrichtingen (zoals ziekenhuizen en sanatoria); scholen en winkelcentra; hotels, kantoor- en bedrijfsgebouwen, bestemd voor meer dan 50 personen; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals computer- en telefooncentrales, gebouwen met vluchtleidingsapparatuur; e. objecten die door secundaire effecten een verhoogd risico met zich brengen, zoals bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en/of giftige stoffen; f. een recreatieterrein: 1. een terrein voor langdurig verblijf van personen gedurende een gedeelte van een jaar, zoals camping; 2. een terrein voor kortstondig verblijf van grote groepen personen gedurende een gedeelte van de dag, zoals een speeltuin, een volkstuin, een sportveld of een openluchtzwembad; g. andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten. 1.23

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

5

1.24

Dienstverlening

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.25

Dove gevel

a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits deze niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In dit verband wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2. 1.26

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27

Geluidsgevoelige objecten

Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd. 1.28

Grootschalige detailhandel

Detailhandelsvestigingen met een minimale oppervlakte van 1.500 m2 b.v.o.. 1.29

Horeca (licht)

Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf. 1.30

Hotel

Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.31

Kap

Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.32

Kantoren

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.33

Maaiveld

De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.34

Maatschappelijke voorzieningen

Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening.

6

1.35

NAP

Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.36

Oorspronkelijke zij- resp. achtergevel

De zij- resp. achtergevel van een gebouw op het tijdstip van eerste oplevering van het gebouw. 1.37 a. b. c. d. e.

Overige objecten

een sporthal of een zwembad; een weidewinkel; een hotel, een kantoor- of bedrijfsgebouw, niet vallend onder de categorie bijzondere objecten; een schuur, opslagplaats, dierenverblijf, zomerhuisje, kas, weg en dergelijke; andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten.

1.38

Peil (straat-)

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. 1.39

Perifere detailhandel

Detailhandel die vanwege de aard of de omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de binnenstad of de wijkgebonden winkelcentra en die niet essentieel is voor de binnenstad of wijkgebonden winkelcentra. Voorbeelden voor perifere detailhandel zijn: a. b. c. d. e. f. g.

detailhandel in volumineuze goederen; detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; detailhandel in meubels en andere detailhandel rond het thema wonen; bouwmarkten en tuincentra; kleinschalige detailhandel; ondergeschikte detailhandel; afhaalpunten voor niet-dagelijkse goederen.

1.40

Publieke dienstverlening

Bestuursorganen van de overheid en de daaraan gekoppelde ambtelijke diensten ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering, alsmede politie, brandweer, reinigingsdiensten, gezondheidsdiensten. 1.41

Seksinrichting

De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. 1.42

Short Stay

een zelfstandige woonfunctie, in de vorm van tijdelijke bewoning voor een periode van ten minste vier weken en maximaal één jaar, waarbij a. de woonruimte beschikt over een eigen voordeur en eigen voorzieningen; b. de woonruimte gestoffeerd en gemeubileerd wordt verhuurd; c. verhuur alleen op basis van tijdelijke huurcontracten/gebruikersovereenkomsten plaatsvindt, met een minimale termijn van vier weken en een maximale termijn van één jaar; d. geen recreatieve verhuur plaatsvindt. 1.43

Souterrain

Een gedeeltelijk onder het maaiveld gelegen gebruiksruimte van een gebouw.

7

1.44

Uitstekende delen aan gebouwen

Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.45

Water

Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. 1.46

Wet geluidhinder

De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.47

Wet ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.48

Woningwet

De Woningwet zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

8

Artikel 2

wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2

de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. 2.6

de breedte van een gebouw

Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. 2.7

de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens

Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.

9

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

BESTEMMINGSREGELS

Gemengd - 1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

detailhandel, uitsluitend op de begane grond; kantoren; woningen; commerciële voorzieningen; maatschappelijke voorzieningen; sportscholen/dansstudio's; gezondheidscentra; horeca (licht); een parkeergarage, mits onder het peil van 4+NAP; voorzieningen behorend bij bovengenoemde functies, zoals groen, ontsluitingswegen en -paden.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

a. Op de voor 'Gemengd - 1' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies; b. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. 3.2.2

Bebouwingsnormen

a. De maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' op de verbeelding is aangegeven. 3.3

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 3.3.1

Programma

a. in totaal zijn maximaal 1.198 woningen toegestaan, waarvan 20% in de sociale sector; b. in totaal is maximaal 4.000 m2 b.v.o. kantoren toegestaan; c. in totaal is maximaal 7.200 m2 b.v.o. toegestaan aan commerciële voorzieningen (inclusief onderwijs), bedrijven, maatschappelijke voorzieningen, detailhandel (niet zijnde grootschalige detailhandel en niet zijnde perifere detailhandel), sportscholen/dansstudio's, gezondheidscentra, leisure en/of horeca, met dien verstande dat maximaal 150 m2 b.v.o. detailhandel is toegestaan; d. in aanvulling op het bepaalde onder c. geldt dat genoemde functies alleen zijn toegestaan op de begane grond en de eerste verdieping. 3.3.2

Realiseren woningen

Ten aanzien van het bepaalde in lid 36.1 geldt dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder dat als bijlage PM bij de regels is gevoegd, uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen voorwaarden. 3.3.3

Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen – gehoord de milieudeskundige – bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3.2 terzake van de in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder opgenomen voorwaarden, indien sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 3.4

Voorwaardelijke verplichtingen

3.4.1 Voorwaardelijke verplichting situering en hoogte van bebouwing en geluidafschermende voorzieningen a. Een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen', voor zover het betreft woningen en/of

10

voorzieningen zoals bedoeld in lid 3.1 sub a t/m i, wordt alleen verleend als wordt gebouwd conform de in 'Bijlage 1 Situering en bouwhoogte gebouwen' verbeelde situering en hoogte. b. In afwijking van het bepaalde onder a. kan een omgevingsvergunning ook worden verleend, als aangetoond wordt, dat rekening wordt gehouden met de geldende wet- en regelgeving op het gebied van: 1. geluid (verleende hogere waarden), waarbij het niet is toegestaan dat ten gevolge van een gewijzigde situering en/of bouwhoogte, niet meer wordt voldaan aan de verleende hogere waarden; 2. luchtkwaliteit; 3. windhinder (NEN 8100); waarbij de gewijzigde situering en/of bouwhoogte niet mag leiden tot onevenredige windhinder; 4. bezonning (lichte TNO-norm); waarbij de gewijzigde situering en/of bouwhoogte niet mag leiden tot een significante toename van het aantal woningen, waar niet (geheel) wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. 3.4.2

Voorwaardelijke verplichting waterberging

Onder strijdig gebruik met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik van de gronden voor de bestemming zoals genoemd in lid 3.1, zonder dat wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van een waterberging van minimaal 2.980 m2 binnen het peilgebied 'GPG-169'.

11

Artikel 4 4.1

Waarde - Archeologie 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Rapport archeologisch deskundige

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 4.3.1. 4.2.2

Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1

Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 4.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 2,0 meter beneden NAP en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan. 4.3.2 a. b. c. d. e. f.

Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden

grondbewerkingen (van welke aard dan ook); het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

4.3.3

Uitgezonderde werkzaamheden

Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.f 4.3.4

Vergunning

Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

12

4.3.5

Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

13

Hoofdstuk 3 Artikel 5

ALGEMENE REGELS

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

14

Artikel 6 6.1

Algemene bouwregels

Afdekking van gebouwen

Ingeval noch de regels, noch de verbeelding (plankaart) duidelijkheid verschaffen over de wijze van afdekking van gebouwen, mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt. 6.2

Bouwvlak

Indien voor gronden welke voor bebouwing in aanmerking komen op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen, komen uitsluitend de gronden binnen het bouwvlak voor bebouwing in aanmerking, met dien verstande dat bouwwerken geen gebouwen zijnde, ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan. 6.3

Maximum bebouwingspercentage

Ingeval voor gronden welke voor bebouwing in aanmerking komen noch in de regels, noch op de verbeelding een maximum bebouwingspercentage is vermeld, mogen deze gronden volledig worden bebouwd. 6.4

Maximum bouwhoogte

a. voor zover in de regels geen bepalingen zijn opgenomen terzake van de maximum toegestane bouwhoogte, gelden de maatvoeringsaanduidingen terzake op de verbeelding; b. voor woningen mag de maximum bouwhoogte (nokhoogte) niet meer bedragen dan 7 meter boven de maximum goothoogte. 6.5

Souterrain

Een souterrain mag niet hoger reiken dan 2 meter boven peil. 6.6

Voorwaardelijke verplichting over parkeren

6.6.1

Parkeerbehoefte

a. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op grond van de planregels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen op eigen terrein. b. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de parkeernormen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren of de rechtsopvolger daarvan. 6.6.2

Nadere regels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere regels stellen ten aanzien van: a. de aard, de plaats en de inrichting van de parkeer- of de stallinggelegenheid; b. de aard, de capaciteit, de plaats en de inrichting van de gelegenheid voor het laden of lossen; c. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer- of stallinggelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 6.6.3

Afwijken van de regels

Voorwaarden omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 6.6.1 indien: a. uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning over te leggen parkeerbalans blijkt dat op eigen terrein door middel van dubbelgebruik voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn; b. de aanvrager van een omgevingsvergunning de parkeereis door middel van een parkeereisovereenkomst financieel compenseert aan de gemeente Rotterdam en met de verwezenlijking van het bouwplan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk belang is gemoeid; c. er sprake is van een totale gebiedsontwikkeling en naar het oordeel van burgemeester en wethouders een gemeentelijk belang rechtvaardigt dat op straat parkeerplaatsen worden aangelegd

15

uit de grondopbrengst; d. de onderdelen a tot en met c zich niet voordoen en naar het oordeel van burgemeester en wethouders met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning nadere regels stellen aan de afwijkingsmogelijkheden als hiervoor onder Voorwaarden omgevingsvergunning bedoeld. 6.6.4

Vaststellen beleidsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd beleidsregels vast te stellen, welke in de plaats treden van de in dit artikel opgenomen parkeernormen.

16

Artikel 7 7.1

Algemene afwijkingsregels

Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie. 7.2

Afwijking toegestane bouwhoogte techniek

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwas installatie e.d., mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedraagt, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

17

Hoofdstuk 4 Artikel 8

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Overgangsrecht

8.1

Overgangsrecht bouwwerken

8.1.1

Aanwezige bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 8.1.2

Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 %. 8.1.3

Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 8.2

Overgangsrecht gebruik

8.2.1

Bestaand gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 8.2.2

Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 8.2.3

Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 8.2.4

Uitzonderingen op het overgangsrecht gebruik

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

18

Artikel 9

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Max Euwekwartier'.

19

se Z oom Kr a ling

16 24

70

26

70 5

21

43 36

Mandele laan

20

23

22

45 33

24

17

23

K.P. van der

17 17 14

Kralingse Zoom

26

17 23

23

57 4

23 26

20

´

Max Euwekwartier Ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

Juni 2022

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Vastgesteld d.d.:

........

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing

5

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

9

Beleid

11

2.1

Rijksbeleid

11

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

14

2.3

Gemeentelijk beleid

17

Beschrijving van het plangebied

31

3.1

Ontstaansgeschiedenis

31

3.2

Archeologie

31

3.3

Huidig gebruik

32

3.4

Stadsgezichten en Monumenten

34

Planbeschrijving

36

4.1

Inleiding

36

4.2

Opzet van het plan

36

4.3

Ontwikkelingen

37

4.4

Juridische planbeschrijving

47

Water

49

5.1

Beleidskader

49

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

52

5.3

Huidige watersysteem

52

5.4

De wateropgave

53

5.5

Conclusie

54

Hoofdstuk6

Milieu

55

6.1

Inleiding

55

6.2

Milieu effectrapportage

55

6.3

Mobiliteit

56

6.4

Milieuzonering

59

6.5

Geluid

60

6.6

Luchtkwaliteit

65

6.7

Bodem

66

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk4

Hoofdstuk5

2

6.8

Externe veiligheid

67

6.9

Natuur

69

6.10

Klimaat

73

6.11

Circulair slopen en bouwen

74

Hoofdstuk7

Handhaving

76

Hoofdstuk8

Financiële uitvoerbaarheid

77

Hoofdstuk9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

78

Participatie

78

Procedure

79

10.1

Voorbereidingsfase

79

10.2

Ontwerpfase

79

10.3

Vaststellingsfase

79

9.1 Hoofdstuk10

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De ambitie bestaat om Brainpark I van kantorenpark te transformeren naar een levendige stadswijk waar ruimte is om te wonen, werken en te verblijven. In het Brainpark bestaan momenteel een aantal initiatieven om deze transformatie in te zetten. Eén van deze initiatieven is voorzien op drie aaneengesloten kantorenkavels aan de Max Euwelaan. Daarnaast maakt ook de voormalige ADP-locatie deel uit van dit initiatief. Bakkers Hommen Waerdevast B.V. heeft deze gronden en gebouwen aangekocht en is voornemens om hier woningen, bedrijfsruimtes en commerciële voorzieningen te realiseren. Dit gebied wordt omgedoopt tot het 'Max Euwekwartier'. Het vigerende bestemmingsplan staat deze ontwikkeling echter niet toe. Om deze reden is een nieuw juridisch-planologisch kader noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voorziet hierin en maakt de ontwikkeling van het gemengde gebied mogelijk.

1.2

Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan biedt een globale juridisch-planologische regeling, zodat flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

1.3

Ligging en begrenzing

Brainpark I ligt aan de oostzijde van Rotterdam in de buurt Kralingen Oost. Aan de oostzijde van dit kantorenpark ligt de Rijksweg A16. In afbeelding 1.1 is de globale ligging van het plangebied op grotere schaal weergegeven.

5

Afbeelding 1.1: Globale ligging van het plangebied op grotere schaal. Het plangebied ligt in het noordwestelijk deel van het kantorenpark Brainpark I. Het gebied ligt aan de hoofdinvalroutes richting het centrum. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Kralingse Zoom. Aan zowel de zuid- als oostzijde wordt het plangebied begrensd door bestaande bedrijven die op Brainpark 1 zijn gevestigd. Ten noorden van het plangebied ligt een groen- en watervoorziening en is bedrijvigheid gevestigd. In afbeelding 1.2 is de ligging van het plangebied in de directe omgeving weergegeven.

6

Afbeelding 1.2: Globale ligging van het plangebied in de directe omgeving. Ten westen van het plangebied ligt de campus van de Erasmus Universiteit. Momenteel worden beide gebieden van elkaar gescheiden door de Kralingse Zoom. Ten noorden van het plangebied ligt op korte afstand het metrostation Kralingse Zoom.

7

Afbeelding 1.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende functies. Het plan is opgedeeld in twee fases. Het westelijke deelgebied vormt de eerste fase en zal als eerste worden ontwikkeld. Het oostelijke deelgebied is onderdeel van de tweede fase (2a). Het overige deel van de tweede fase (2b) wordt later ontwikkeld en wordt momenteel nog verfijnd. In afbeelding 1.4 is een overzicht van de fasering weergegeven.

8

Afbeelding 1.4: Overzicht van de fasering.

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Kralingse Zoom' dat op 14 juni 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Rotterdam. In dit bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Gemengd - 1', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Daarnaast kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. In afbeelding 1.5 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.

9

Afbeelding 1.5: uitsnede vigerende bestemmingsplan, het plangebied is rood omkaderd (bron:ruimtelijkeplannen.nl) Op grond van de bestemming 'Gemengd - 1' zijn diverse functies zoals kantoren, bedrijven en horeca toegestaan. Binnen de bestemming 'Gemengd - 1' zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. De bestemming 'Groen' laat slechts groenvoorzieningen en bepaalde, specifieke, infrastructurele voorzieningen toe. Binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn alleen infrastructerele voorzieningen en kleinere ondergeschikte bouwwerken toegestaan. Een deel van de voorgenomen functies is toegestaan op basis van de huidige bestemming 'Gemengd -1'. In het plangebied zijn echter ook woningen voorzien. Deze zijn niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan. De ontwikkelingen zijn daarnaast ook voor een deel geprojecteerd op de gronden met de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De voorgenomen functies zijn op deze gronden ook niet toegestaan. Daarmee is voorgenomen ontwikkeling (deels) strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Ten slotte is ook een deel van de toekomstige bebouwing voorzien buiten de huidige bouwvlakken en is de maximale bouwhoogte niet toereikend. In ruimtelijke opzicht bestaat daardoor ook strijd met het vigerende bestemmingsplan.

10

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In Nederland staan we voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Denk aan de opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. Door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Naar een duurzame en concurrerende economie; Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen. De omvang van de vraag is afhankelijk van het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. Het Max Euwekwartier is een nieuwe levendige stadswijk waar voorzien wordt in een behoefte aan woningen, werkruimten en overige voorzieningen.

Bij de ontwikkeling van dit gebied is aandacht besteed aan verschillende thema's zoals duurzaamheid, groen en geluid. Ook is de stedenbouwkundige aansluiting op het omliggende gebied een belangrijk onderdeel van het proces geweest. Daarnaast is bekeken in hoeverre de omliggende infrastructuur passend is. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de NOVI. 2.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste Rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich

11

vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het Rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma's. Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt het vestigingsklimaat van Rotterdam vergroot en ontstaat een levendige stadswijk met diverse functies. In de SVIR worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. 2.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. 2.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Planspecifieke toets Het plangebied wordt in de toekomst getransformeerd naar een gemengd woongebied waar ruimte is voor verschillende functies. Het gebied ligt op steenworp afstand van het metrostation 'Kralingse Zoom'.

Aan de overzijde van de Kralingse Zoom ligt de campus van de Erasmus Universiteit en via dezelfde Kralingse Zoom en de Abram van Rijckevorselweg kunnen de toekomstige gebruikers van het gebied via

12

de A16 op een eenvoudige manier hun weg vervolgen. De ligging van het plangebied is daarmee uitermate gunstig. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een verdichting nabij een binnenstedelijke OV-knooppunt. Woningen Dit bestemmingsplan voorziet in het totaal in 1.198 woningen. In tabel 2.1 is een verdeling van het woonprogramma weergegeven.

Type woning

Aantal 2

woning < 40 m gbo

22

woning 40-65 m2 gbo

681

woning 65-85 m2 gbo

468

woning 85-120 m2 gbo

27

Totaal

1.198

Tabel 2.1: overzicht aantal en type woningen Uit de prognose van de gewenste woningvoorraadtoename uit de Staat van Zuid-Holland blijkt dat in de regio Rotterdam tot 2030 in totaal 51.310 woningen benodigd zijn. Dit plan levert met een totaal van 1.198 woningen een aanzienlijke bijdrage aan de provinciale, regionale en lokale woningbehoefte. Daarnaast is door ABF research in 2018 in opdracht van de provincie Zuid-Holland een onderzoek uitgevoerd naar de kwalitatieve woningbouwbehoefte in de provincie. Uit dit onderzoek blijkt dat 46% van de nieuwbouw zou moeten bestaan uit huurwoningen. In voorliggend plan worden alle woningen uitgevoerd als huurwoning en daarmee wordt tegemoet gekomen aan de grote behoefte aan huurwoningen. Uit het genoemde onderzoek blijkt ook dat in de huursector met name behoefte bestaat aan meergezinswoningen (70%). In dit plan worden alleen meergezinswoningen gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de grote vraag aan dit type woning. De ontwikkeling van de woningen voorziet daarmee in een behoefte en wordt tevens binnenstedelijk gerealiseerd. Kantoren en bedrijven In de toekomstige situatie wordt er 2.800 m2 aan bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers gerealiseerd. De definitieve invulling hiervan is nog niet volledig duidelijk. In de huidige situatie zijn in het plangebied diverse kantoorpanden gesitueerd met een veel grotere omvang dan deze 2.800 m2.

Voor wat betreft de kantoorruimte kan geconcludeerd worden dat het aantal vierkante meters in ieder geval afneemt en dat er eventueel bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers voor terugkomen die beter aansluiten bij de huidige vraag op de kantorenmarkt. Commerciële voorzieningen Aan het plangebied worden ook commerciële voorzieningen toegevoegd met een omvang van circa 2.200 m2 en een gezondheidscentra. Momenteel is nog niet volledig duidelijk wat voor commerciële voorzieningen in het plangebied worden gerealiseerd. Wel is in paragraaf 4.3 een beter beeld van de commerciële voorzieningen gegeven. In de huidige situatie zijn geen commerciële voorzieningen in het plangebied gesitueerd. De ligging ten opzichte van het metrostation en de Erasmus Universiteit maken dat het gebied potentie heeft om getransformeerd te worden naar een gemengd en levendig gebied. In de omgeving van het plangebied is het aantal commerciële voorzieningen beperkt en de toevoeging van de commerciële voorzieningen zorgt ervoor dat het aanbod wordt uitgebreid. Ook de toekomstige gebruikers van het plangebied worden met deze voorzieningen bediend in de behoefte. Het bestemmingsplan staat enkel kleinschalige detailhandel, tot een maximum van 150 m2 b.v.o.. Conclusie

13

De voorzieningen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt voorzien in een actuele behoefte en liggen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

Algemeen Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Deze kaders zijn vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 en zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen staan operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Het Omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgave gerichte aanpak. Vanuit maatschappelijke opgaven wordt er, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt er een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities geven vorm aan de volgende provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit': 1. Landschap en cultuurhistorie, Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. 2.

Gezondheid en veiligheid, Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder 3. Natuur en recreatie. Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren. 4. Ruimte en verstedelijking, Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. 5. Wonen, Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. 6. Bodem en ondergrond, Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. 7. Cultuurparticipatie en bibliotheken, Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. 8. Klimaatadaptatie, Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen. 9. Zoetwater en drinkwater, Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater. 10. Bereikbaarheid, Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders. 11. Regionale economie, Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie. 12.

Energievoorziening, Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. Naast de twaalf provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' wil de provincie een volledige circulaire

14

economie in Zuid-Holland bereiken in 2050 met als tussendoel 50% reductie van (primaire) materialen in 2030. De provincie zet daarbij in op de transitiethema’s Bouw, Kunststoffen, Groene grondstoffen & Voedsel en Maakindustrie. Dit doet de provincie vanuit verschillende rollen in samenwerking met verschillende partners.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij diverse provinciale opgaven. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Om te kunnen voorzien in de ontwikkeling, worden de bestaande kantoren gesloopt en wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd. De nieuwe gebouwen zullen duurzamer dan de bestaande kantoren worden gebouwd. Hierin is plaats voor woningen, bedrijfsverzamelgebouwen / ateliers en commerciële voorzieningen. Door de herontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied intensiever gebruikt. Daarnaast wordt de woningbehoefte, door middel van de realisatie van de voorgenomen woningen, voor een deel beantwoord. De woningen worden gerealiseerd in verschillende segmenten en daarmee worden verschillende doelgroepen bediend. Het plangebied ligt op een goed bereikbare locatie. Via de Kralingse Zoom is het gebied op een adequate wijze ontsloten en met de A16 op korte afstand is de autobereikbaarheid van het gebied goed. Ten noorden van het plangebied ligt daarnaast het metrostation 'Kralingse Zoom'. Met de herontwikkeling en verdichting van het plangebied wordt daarmee gebouwd op een strategische locatie. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan diverse provinciale opgaven. 2.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). 2.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Hierin is de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 heeft betrekking op Bestemmingsplannen Bestaand en Nieuw Ladder voor duurzame verstedelijking: Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Bij elk project dient allereerst te worden bepaald of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit is gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Hiernaast dient te worden beoordeeld of het project ook gezien zijn schaal en aard moet worden getoetst aan de Ladder. Als sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dan dient de toetsing aan de Ladder plaats te vinden.

15

De provincie verwijst naar artikel 3.1.6 van het Bro De provincie Zuid-Holland heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Een bestemmingsplan gericht op stedelijke ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. In paragraaf 2.1.4 is reeds aandacht besteed aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Detailhandel Uitgangspunt van het provinciaal detailhandelsbeleid (Omgevingsverordening artikel 6.13 lid 1) is dat nieuwe detailhandel primair gevestigd wordt binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk.

Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan specifieke branches van detailhandel of, onder voorwaarden, een aantal vormen van kleinschalige detailhandel, ondergeschikte detailhandel en afhaalpunten voor niet-dagelijkse goederen. Het plangebied is geen locatie zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 1 van de Omgevingsverordening. Het provinciale beleid biedt wel de mogelijkheid voor vestiging buiten de bestaande winkelconcentraties aan enkele vormen van kleinschalige detailhandel. Op grond van Artikel 6.13, lid 3, sub b t/m e van de verordening zijn daarnaast nog enkele mogelijkheden voor kleinschalige detailhandel die buiten de centra goed gemotiveerd gerealiseerd kunnen worden. Het plangebied maakt (zeer) kleinschalige detailhandel mogelijk (maximaal 150 m2 b.v.o.) die past bij de detailhandel buiten het centrum. De mensen die binnen dit plangebied gaan wonen kunnen hier hun kleine boodschappen doen. Momenteel wordt gedacht aan bijvoorbeeld een 'mandjessupermarkt'. Fase 1 en 2A (voorliggend plangebied) zijn de eerste fases die ontwikkeld gaan worden. Uiteindelijk zal heel Brainpark ontwikkeld worden tot woongebied. Hierdoor zal meer gebruik gemaakt kunnen worden van de detailhandel die hier ontwikkeld gaat worden.

Kantoren Op grond van artikel 6.11 lid 1 ‘Kantoren’ van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is het uitgangspunt van het provinciaal kantorenbeleid dat nieuwe kantoren worden gerealiseerd binnen de locaties die indicatief geometrisch zijn bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Dit zijn onder andere de grootstedelijke top- en centrumlocaties, OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties. Voorgelegde planlocatie bevindt zich niet binnen één van deze aangewezen locaties. Echter past het plan wel binnen de MRDH-kantorenvisie. De locatie wordt opgenomen in de nieuwe planlijst die door de MRDH wordt aangeboden aan de Provincie Zuid-Holland. 2.2.3

Strategie Werklocaties 2019 - 2030

De Strategie Werklocaties bevat de visie tot 2030 en regionale afspraken tot 2023 over werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De MRDH is een samenwerkingsverband waar concrete ruimtelijk-economische vraagstukken worden geagendeerd. Die rol is ook het uitgangspunt van deze strategie. Regionale afstemming is ook een vereiste vanuit de provincie Zuid-Holland bij wijzigingen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De strategie is een samenhangende visie op de ontwikkeling van werklocaties vanuit de bestaande situatie, en richting de gewenste ramingen tot 2030. Brainpark I is benoemd in de bijlage van de visie. Aangegeven is dat hier door marktpartijen geïnvesteerd wordt om herontwikkeling mogelijk te maken. Met voorgenomen ontwikkeling wordt de levendigheid in het plangebied en de omgeving vergroot en worden de verschillende deelgebieden ook beter op elkaar aangesloten. Met voorgenomen ontwikkeling wordt (deels) voorzien in een werklocatie van de toekomst waar niet alleen plaats is voor werken maar waar dit gepaard gaat met diverse andere functies.

16

Strategie kantoren: op weg naar een goede balans Het beleid voor kantoren stuurt op het kwalitatief versterken van de bestaande voorraad en het onttrekken van incourant bestaand aanbod en overmatige plancapaciteit (geplande nieuwbouw). De geactualiseerde aanbodinventarisatie geeft nieuwe inzichten. Op toplocaties en binnen (inter)nationaal concurrerende vestigingsmilieus kan uitbreiding plaatsvinden, en op minder goed met OV-bereikbare locaties wordt het aanbod geoptimaliseerd. Daarnaast wordt op veel snelweglocaties de overmaat in het vastgoed gereduceerd door transformatie naar nieuwe functies (zoals wonen). Met maatwerk stemmen de regiogemeenten het aanbod af op specifieke ruimtelijk-economische ontwikkelingen. Voor kantorenlocaties met een strategische opgave (versterken, optimaliseren of herbestemmen) stellen de regiogemeenten gebiedsvisies op om de goede voornemens concreet te maken. In aanvulling op de Ladder van de Duurzame Verstedelijking is een regionaal “Afwegingskader nieuwe plancapaciteit kantoren” opgenomen in de strategie werklocaties om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen. Daarbij wordt vooral gekeken naar marktruimte, onderscheidende kwaliteiten en toegevoegde waarde voor de regionale kantorenmarkt.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt, incourant bestaand aanbod aan de markt onttrokken en wordt nieuw en kwalitatief beter passend aanbod, in samenhang met diverse andere functies, gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de strategie.

2.3

Gemeentelijk beleid

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden, gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer. 2.3.1

Omgevingsvisie 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen'

Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021 De omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De omgevingsvisie gaat uit van 5 langetermijndoelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken.

Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel

17

opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar w grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreeërd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening. Er is een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en Rotterdam-Zuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de vijf perspectieven. De bestaande kantoren maken plaats voor woningen en voorzieningen. Deze ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande contouren van de stad. Tevens wordt er een gemengd programma gerealiseerd waardoor de stad inclusiever wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=7186f89b-ef87-4093-a499-bfa6a3634277