CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb002632] Bijlage 1 behorende bij 23bb2630 - ontwerpbestemmingsplan Noordereiland

Gemeenteraad 1 juni 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Noordereiland’.32.804 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Gemengde bebouwing

Een groot aantal panden binnen het plangebied heeft de bestemming 'Gemengd' gekregen. Er is een onderscheid gemaakt tussen 'Gemengd - 1' en 'Gemengd - 2'. 'Gemengd - 1' is de meest voorkomende gemengde bestemming. Deze is verspreid over het eiland, vooral aan de kaden en op hoekpanden. Binnen deze bestemming is de functie wonen over alle bouwlagen toegestaan. De functies: kantoren, detailhandel, dienstverlening en bedrijven (cat 1 en 2) zijn

23

alleen toegestaan op de begane grond. Horeca is alleen toegestaan op plaatsen waar een aanduiding 'horeca' op de verbeelding is opgenomen. Zie ook paragraaf 4.3.7. 'Gemengd - 2' is gegeven aan het bouwblok tussen de Brugweg en De Ruyterstraat. Binnen deze bestemming zijn woningen, kantoren en maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Bedrijven binnen 'Gemengd - 1' Binnen de bestemming 'Gemengd - 1' zijn bedrijven toegestaan die voorkomen op de lijst met bedrijfsactiviteiten, zoals die is toegevoegd in Bijlage 2. Het gaat om activiteiten tot en met milieucategorie 2. De indeling is gebaseerd op de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Zie ook de toelichting op de lijst in Bijlage 1 bij de regels. De betreffende bedrijven zijn toegestaan op de begane grond. Boven deze bedrijven wordt veelal gewoond. In de praktijk laten deze functies zich over het algemeen zonder problemen combineren of kunnen er technische maatregelen getroffen worden om mogelijke overlast of incidenten te voorkomen. De volgende bedrijfsactiviteiten zijn niet in de bovengenoemde lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen: a. handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven (sbi-codes 451 t/m 454, 45204 en 45205).

Dit zijn normaliter activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking en het gegeven dat deze bedrijven soms gebruik gaan maken van het verblijfsgebied worden deze bedrijven niet als passend in een woonwijk gezien. Daarom zijn nieuwe garagebedrijven niet toegestaan. De huidige garagebedrijven blijven toegestaan, en hebben op de verbeelding de aanduiding 'garage' gekregen. b. Bedrijven met een hogere milieucategorie, waarvoor op de verbeelding de aanduiding 'bedrijf' is opgenomen. Het gaat daarbij om bestaande, glasverwerkende bedrijven uit milieucategorie 3.1 (SBI-code 2615). Indien het betreffende gebruik is vervangen door ander gebruik, is de betreffende bedrijfsvoering niet langer toegestaan. 4.3.3

Maatschappelijke voorzieningen

Onder maatschappelijke voorzieningen worden voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening verstaan. Deze voorzieningen kunnen wel of niet geluidsgevoelig zijn volgens de Wet geluidhinder. Geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen zijn bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, terwijl buurthuizen of kerkgebouwen niet geluidsgevoelig zijn. In dit bestemmingsplan zijn binnen de bestemming 'Maatschappelijk - 1' en 'Gemengd - 2' zowel geluidsgevoelige als niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen toegestaan. De bestemming 'Maatschappelijk - 2' en 'Gemengd - 1' laten alleen de niet geluidsgevoelige soorten toe. 4.3.4

Kantoren

Kantoren zijn mogelijk binnen de bestemming 'Kantoor'. Daarnaast zijn kantoren op de begane grond toegestaan binnen de bestemmingen 'Gemengd - 1' en 'Gemengd - 2'. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn kantoren op de begane grond toegestaan op locaties waar op de verbeelding de functieaanduiding 'kantoor' is opgenomen. Ter bescherming van de woonfunctie geldt in de bestemming 'Gemengd - 1', 'Gemengd - 2' en 'Wonen' dat kantoren niet groter mogen zijn dan 750 m2 per vestiging, zoals nader aangeven binnen genoemde bestemmingen. 4.3.5

Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden, auto-ontsluitingen en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

24

4.3.6

Water

Het omringende water van de Nieuwe Maas en de Koningshaven heeft op basis van de Rotterdamse bestemmingswijze de bestemming 'Water - 2'. Op basis daarvan is het water mede bestemd voor verkeer te water vanwege de verkeersfunctie voor vooral de beroepsvaart. Bijbehorende voorzieningen zijn toegestaan, zoals beschoeiingen en meerpalen, ook ten behoeve van de watertaxi. De aanwezige bruggen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'brug' (br). Ter plaatse van de functieaanduiding 'steiger' is een bunkerponton of bunkerstation toegestaan aan de Maaskade 33. Dit is een drijvend tankpunt waar vaartuigen hun brandstof (en water) tot zich kunnen nemen. Ter plaatse van de aanduiding 'ligplaats' (ten noorden van de Koningshavenbrug). is een woonschip toegestaan. 4.3.7

Horeca

In de 'Horecanota Rotterdam' worden de hoofdlijnen van het horecabeleid in de gemeente Rotterdam beschreven. Dit beleid is, voor zover ruimtelijk relevant, vastgelegd in dit bestemmingsplan. Horeca definitie en afbakening Het bedrijfschap Horeca en Catering deelt horeca in vier bedrijfsgroepen in, te weten de drankensector, fastfoodsector, restaurantsector en hotelsector. Voor de definitie van een horecabedrijf zoals in de horecanota bedoeld wordt, is aangesloten bij het begrip 'openbare horeca-inrichting' uit de Rotterdamse APV. Binnen een openbare horeca-inrichting kan een ondernemer verschillende activiteiten ontplooien op het gebied van etenswarenverstrekking, het schenken van (alcoholhoudende) drank en het aanbieden van amusement. Beleidsonderwerpen die wel voor de horecabranche gelden of sterke raakvlakken hebben maar niet binnen de horecanota expliciet beschreven worden, zijn de hotelsector, de kwaliteitseisen ten aanzien van terrassen (nota kwaliteitseisen voor terrassen) en het programma gericht op het tegengaan van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en uitgaansgeweld. Vergunningvrij exploiteren Rotterdam biedt een groot aantal bedrijven, waarbij horeca ondergeschikt is aan de primaire detailhandelfunctie en bedrijven waar het exploiteren van horeca een minimale weerslag heeft op de omgeving, de mogelijkheid om vergunningvrije horeca te exploiteren.

Dit betreft bijvoorbeeld het koffiehoekje in de supermarkt, de bakkerij waar ook een gebakje gegeten kan worden en het restaurant in ouderenhuisvesting. Vergunningvrij betekent dat geen vergunning hoeft te worden aangevraagd en derhalve ook geen leges verplicht zijn. De exploitatie van de volgende inrichtingen kan zonder vergunning plaatsvinden: 1. inrichtingen die geopend zijn tussen 07.00 en 22.00 uur, geen (zwak of sterk) alcoholische drank schenken, geen versterkt geluid ten gehore brengen, geen vergunningplichtig terras exploiteren (gevelzitplaats wel mogelijk) en geen speelautomaten hebben. 2. bedrijfskantines, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik zijn; 3. inrichtingen in musea, crematoria, begraafplaatsen en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering; 4. inrichtingen in ziekenhuizen, ouderenhuisvesting en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend gericht zijn op de bewoners/patiënten en hun bezoekers; 5. horeca in tuincentra en congrescentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering en uitsluitend gericht zijn op hun bezoekers. Exploitatievergunning nodig Voor alle overige inrichtingen, waar horeca de primaire bedrijfsfunctie betreft, is een exploitatievergunning vereist.

De horeca-exploitatievergunning wordt afgegeven voor de inpandige m² alsmede voor de eventuele m² terras en heeft een looptijd van vijf jaar. Voor de beoordeling van de aanvraag van de exploitatievergunning geldt dat het bestemmingsplan van de betreffende locatie leidend is. Of een vergunning wordt toegewezen, hangt daarnaast onder andere af van afwegingen die ten aanzien van het beleid worden gemaakt (horecagebiedsplannen). Daarnaast wordt beoordeeld of het pand bouwtechnisch en geluidstechnisch geschikt is voor de door de ondernemer aangevraagde

25

activiteiten. Terrassen Binnen de bestemmingen 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Verkeer - Wegverkeer' zijn tevens ongebouwde terrassen toegestaan aangrenzend aan bestemmingen die horeca toelaten. 4.3.8

Hotels

Hotels worden in de Rotterdamse standaard bestemmingsplannen toegestaan binnen een aparte bestemming "Horeca - Hotel". Onder een hotel wordt verstaan: Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen, zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. Ook de combinatie van hotel met een op zich zelf staande horeca (eigen ingang) kan toegestaan zijn. In dit bestemmingsplan zijn geen hotels aanwezig en deze worden ook niet mogelijk gemaakt. 4.3.9

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 24.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen.

Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

26

4.3.10 Seksinrichtingen Het schrappen van het algemene bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht maakt het mogelijk de exploitatie van seksinrichtingen aan gemeentelijke regelgeving te onderwerpen. In de "Nota prostitutie en seksbranche, Rotterdam 2015" staat hoe dit in de gemeente Rotterdam is geregeld. Het beleid is gericht op het tegengaan van misstanden en mensenhandel in de seksbranche, op een beheersbare vergunde sector, op het versterken van de positie van de sekswerker en op het beschermen van het woon- en leefklimaat. Het vergunningstelsel wordt als middel gebruikt om de grip op de vergunde branche te behouden en te verbeteren. Het vormt daardoor een barrière voor mensenhandel. De gestelde voorwaarden en vereisten worden streng gecontroleerd en bij nieuwe vergunningaanvragen worden exploitanten gescreend op grond van de Wet Bibob. Het nieuwe vergunningstelsel sluit beter aan bij de verschillende activiteiten die in de seksbranche worden aangeboden. Daarnaast kunnen vergunningen voor nieuwe seksbedrijven worden aangevraagd via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Het vergunnen van seksbedrijven dient niet ten koste te gaan van de veiligheid en aantrekkelijkheid van de stad.

Overlastgevende seksbedrijven worden aangepakt en nieuwe vergunningen worden alleen verleend wanneer aan de strikte vestigingsvoorwaarden voor seksinrichtingen wordt voldaan. Binnen dit bestemmingsplan is één seksinrichtingen bestemd en op de verbeelding aangegeven met een functieaanduiding 'seksinrichting'. Deze is gelegen aan de Prins Hendrikkade 112a. 4.3.11 Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. In de regeling is echter een uitzondering gemaakt voor vergunningsvrij bouwen in gebieden die aangewezen zijn als een rijksbeschermde Stadsgezicht en tevens voor monumenten (op grond van Bor, Bijlage II, art. 4a). Zoals in paragraaf 3.2 aangegeven, is het plangebied Noordereiland geheel als Rijksbeschermd stadsgezicht aangewezen en geldt het vergunningsvrij bouwen van aan- en bijgebouwen niet in dit gebied. Om die reden is, op basis van het voorgaande bestemmingsplan en rekening houdend met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' gekozen om binnen de bestemming 'Tuin' een aan- en bijgebouwenregeling op te nemen waarmee met een omgevingsvergunning aan- en bijgebouwen mogelijk zijn.

4.3.12 Verkeers- en verblijfsgebied De hoofdwegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' gekregen. Deze bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen, viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. Binnen de bestemming "Verkeer - Wegvkeer" zijn doorgaans de 50-km wegen opgenomen. De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

27

4.3.13 Voorzieningen van openbaar nut De bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' is toegekend aan een tweetal gebouwen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (trafohuizen). Tevens zijn er kleine bouwwerken van openbaar nut in de groen en verkeersbestemmingen aanwezig die daar in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3. 4.3.14 Waarde - Cultuurhistorie Uit paragraaf 3.2 blijkt dat het plangebied rijk is aan cultuurhistorisch waardevolle elementen, dat het een rijksbeschermd stadsgezicht is en dat het plangebied zich Beeldbepalende Objecten bevinden. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. Op grond hiervan: is het verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen; dienen gebouwen die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan voorzien zijn van een kap in het geval van herbouw of verbouw voorzien dienen te worden van een kapvorm zoals die was ten tijde van de eerste oplevering van het gebouw; dienen gebouwen die voorzien zijn van de aanduiding 'plat dak' herbouw of verbouw voorzien worden van een plat dak;.

dient de bestaande indeling in bouwblokken te worden gehandhaafd; zijn de voor- en achtergevelrooilijnen strak vastgelegd door middel van de bestemmingsgrenzen; zijn op de mede voor 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Verkeer - Wegverkeer' en 'Groen' aangewezen gronden in het belang van behoud en bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden, geen bouwwerken toegestaan. 4.3.15 Werken aan huis In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30% van de woning voor beroeps-/bedrijfsactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten. 4.3.16 Vliegverkeer en eventuele hoogtebeperkingen Hoogtebeperkingen door aanvliegroute Aandacht gaat uit naar het obstakelvrij houden van de aanvliegroutes.

Door provincie en gemeenten wordt al gewerkt met de "obstakelvrije zones" (ook wel Runway-End Safety Areas (RESA) genoemd). Een wettelijke verplichting ontbreekt echter nog. Momenteel is echter een aanpassing van de Luchtvaartwet in voorbereiding, waardoor in de toekomst ook voor regionale en kleine luchthavens een Luchthavenindelingsbesluit zal worden opgesteld. Anticiperend op dit besluit is in dit bestemmingsplan gekozen voor een beperking van de bouwhoogte. In die zin zijn de RESA's vertaald naar hoogtelijnen op de plankaart. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de aanvliegroute van Rotterdam Airport. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken. De maximum bouwhoogte mag binnen de aanvliegroute niet meer bedragen dan bij de op de plankaart aangegeven hoogtelijnen is aangeven. Hoogtebeperkingen door toetsingsvlakken luchtverkeersleiding Over het plangebied zijn (trechtervormige) toetsingsvlakken gelegen t.b.v. communicatie- en navigatieapparatuur van de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL). Om de kwaliteit van de navigatieapparatuur te waarborgen dient de bebouwing onder het toetsingsvlak te blijven. De maximum bouwhoogte blijft in het hele plangebied onder deze toetsingsvlakken, zodat van een belemmering geen sprake is. Het aangeven van de vlakken op de verbeelding van het plan is niet nodig.

28

4.3.17 Evenementen De gemeenteraad heeft op 9 juli 2019 het nieuwe 'Beleidskader Evenementen' vastgesteld. Rotterdam wil zijn positie als evenementenstad behouden en uitbouwen. Daarnaast is één van de doelen in het beleid een goede balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Er is ingezet op een betere spreiding van evenementen over de stad om de lusten en de lasten gelijkmatig over de stad te verdelen. Op basis van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid is vanwege de pijler Cultuur voor Rotterdam Zuid ingezet op verlevendiging. In dit bestemmingsplan is op basis van historische cijfers en toekomstige ambities afgewogen hoeveel evenementen binnen dit plangebied kunnen plaatsvinden waarbij er een goede balans tussen rust en reuring is. In de regels is opgenomen hoeveel evenementen toegestaan zijn, de maximale duur van alle evenementen samen, de omvang en de maximale geluidbelasting. In artikel 21.1 is opgenomen hoeveel evenementen binnen dit plangebied ruimtelijk mogelijk zijn. De aantallen evenementen, evenementendagen en de maximale geluidbelasting worden aanvaardbaar geacht, mits voldoende spreiding in datum en plaats bewerkstelligd wordt. Spreiding van evenementen in datum en plaats vindt plaats op basis van het afwegingskader van de evenementenvergunning en het evenementenoverzicht.

29

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Het Noordereiland is buitendijks gebied, en behoort tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen. Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen.

De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2

Provinciaal beleid

De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico's. Gemeenten moeten bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte. De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. De oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden in deze methodiek is een kans van 1 op 100.000 per jaar. 5.1.3

Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma

30

2013-2018.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is de waterbeheerder in het plangebied. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van de rivier en de havens. En de gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Het oppervlaktewater in het plangebied bestaat uit de Nieuwe Maas en de Koningshaven, in beheer bij Rijkswaterstaat. Op het Noordereiland zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. 5.3.2

Grondwater

Voor grondwater liggen er een aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de peilbuizen blijkt dat de kleinste ontwateringsdiepte in het plangebied 1,21 meter is, de grootste ontwateringsdiepte is 2,48 meter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte groter is dan 80 centimeter zal niet snel grondwateroverlast in het plangebied optreden. In de wijk staan nog een aantal huizen met houten paalfunderingen. Grondwateronderlast (het grondwater staat te laag) en paalrot zijn hier aandachtspunten. Uit de beschikbare informatie blijkt dat er bij circa 5-30 % van het aantal panden sprake is van funderingsproblemen aan houten paalfunderingen. 5.3.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterkeringen Het gebied ligt geheel buitendijks. In en langs het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Waterveiligheid buitendijks Het plangebied ligt geheel buitendijks. Dit betekent dat hoog water niet wordt tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuw Waterweg en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. De kans op slachtoffers in het buitendijks gebied is dan ook gering. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiele schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beiden afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben. Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies. Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn.

Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Er is onderzocht hoe kwetsbaar het Noordereiland is voor wateroverlast door overstroming. Hieruit blijkt dat er ook bij een zeer hoge waterstand in de rivier, met een zeer kleine kans van optreden, er in het

31

middenstuk van het eiland (tussen de Brugweg en de Leliestraat) geen water op het maaiveld staat. Op de rest van het Noordereiland kan ter plaatse van de wegen een overstromingsdiepte optreden van maximaal 1 meter. Dergelijke waterstanden op het maaiveld geven overlast en een grote kans op materiële schade. Maar het persoonlijk risico en de kans op maatschappelijke ontwrichting blijven gering. Ter hoogte van de randen (kademuren) van het eiland kan de overstromingsdiepte oplopen tot circa 2 meter. Nautische veiligheid De Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied een rijksvaarweg van CEMT-klasse VIb. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven dat langs de Nieuwe Maas ter hoogte van het plangebied een vrijwaringzone aanwezig is van met een breedte van 50 meter. Dit houdt in dat bij het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan ten opzichte van hetgeen nu is toegestaan op minder dan 50 meter van de oever rekening gehouden moet worden met het voorkomen van belemmeringen voor de vaarweg.

Het gaat om belemmeringen zoals: belemmering van de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, in de hoogte en in de vaardiepte; hinderen van de zichtlijnen voor de scheepvaart; hinderen van contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; beperking van de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; belemmering van de mogelijkheid tot het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Het bestemmingsplan voorziet binnen de vrijwaringszone niet in nieuwe ontwikkelingen, zodat het bestemmingsplan geen nieuwe belemmeringen voor de scheepvaart tot gevolg kan hebben. 5.3.4

Riolering

Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 10 (Oosten). In het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. District 10 voert het afvalwater af naar afvalwaterzuivering Kralingseveer. Ter hoogte van het stadspark ‘’Ons Park’’ is een regenwaterstelsel gelegen dat het hemelwater direct afvoert naar de Nieuwe Maas. Het afstromend hemelwater vanaf de wegen/kades stroomt ook direct af naar de Nieuwe Maas. Binnen het plangebied zijn een aantal vuilwateroverstorten aanwezig.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

De ontwikkelingen in het gebied leiden niet tot de toename van water en/of verhard oppervlak en hebben geen effect op het aangrenzende oppervlaktewater (Nieuwe Maas). Voor het overige is er binnen het plangebied geen oppevlaktewater aanwezig. 5.4.2

Grondwater

Er vindt geen grootschalige toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterveiligheid buitendijks Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van het buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid zijn de maaiveldhoogtes in Katendrecht vergeleken met een zeer hoge waterstand (met dezelfde kans daarop als bedoeld in subparagraaf 5.3.3). Dergelijke hoge waterstanden kunnen volgens prognoses voorkomen vanaf het jaar 2100. De uitkomst van deze berekening is in de onderstaande afbeelding aangegeven.

32

Uit de berekening blijkt dat het gebied op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water. Voor het Noordereiland wordt bij een maaiveldhoogte van 3,30 meter boven NAP voldaan aan de normen voor het Lokaal individueel Risico van de provincie Zuid-Holland. In 2018 hebben B&W de beleidsnotitie Herijking beleid (grond)uitgiftepeilen in buitendijks gebied vastgesteld. De gemeente gaat uit van een hoger veiligheidsniveau dan het Lokaal Individueel risico van de provincie. Zo wordt de kans op maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van functies verkleind. Voor het Noordereiland is het advies een uitgiftepeil van minimaal 3,60 meter boven NAP voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van minimaal 3,90 meter boven NAP voor kwetsbare functies. Geadviseerd wordt om nieuwe gebouwen zo te bouwen dat ze waterbestendig zijn tot een hoogte van 3,90 meter boven NAP. 5.4.4

Riolering

Afvalwater De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zorgen voor een toename van het aantal woningen. Maar gezien het beperkt aantal nieuwe woningen dat mogelijk wordt gemakt ten opzichte van het totaal aantal woningen in het plangebied zijn problemen met de capaciteit van het rioolstelsel niet te verwachten. Hemelwater Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 millimeter regenwater in een uur en 80 millimeter regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten (hetgeen de waterkwaliteit ten goede komt) en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering.

33

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Het bestemmingsplan Noordereiland maakt geen nieuwbouw mogelijk. Maar er wordt wel op 37 locaties (meestal beperkt van omvang en alleen de begane grond) de mogelijkheid geboden om het huidige programma (vooral kantoren en bedrijven) om te zetten naar woningen. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden kunnen niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling (zoals omschreven in het Besluit m.e.r.

kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2). Daarmee is duidelijk dat er voor het bestemmingsplan Noordereiland geen m.e.r.-beoordelingsbesluit nodig is.

34

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1

Plangebied

Het Noordereiland worden in de Rotterdamse systematiek voor milieuzonering getypeerd als gemengd woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 3.2 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. In het bestemmingsplan worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. In de rivier, ter plaatse van Maaskade 33, is een bunkerponton gelegen. Dit betreft een groothandel in brandstoffen, dit valt in milieucategorie 4.1 met een indicatieve afstand van 200 meter tot woningen. 6.3.2

Conclusie

Op het Noordereiland en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.

35

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Noordereiland maakt het mogelijk dat op een aantal locaties het huidige gebruik (met name kantoor en bedrijf) wordt omgezet naar woningen. Het betreft in bijna alle gevallen de begane grond van panden waarin op de verdiepingen wordt gewoond. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de 37 op onderstaande kaart aangegeven locaties. In het uitgevoerde geluidonderzoek zijn 40 locaties meegenomen, maar de locaties 1, 2 en 38 zijn niet langer nieuwe geluidgevoelige objecten in het bestemmingsplan Noordereiland.

Bij de locaties 2 (Prins Hendriklaan 10) en 38 (Prins Hendrikkade 12-18) gaat het om vergunde transformaties naar woningen. Bij locatie 1 is herontwikkeling van de maatschappelijke bestemming naar woningen onderzocht, maar de plannen hiervoor zijn niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Bij locatie 36 is geluidonderzoek uitgevoerd voor de begane grond en de eerste verdieping. Maar de eerste verdieping blijkt onderdeel uit te maken van een bestaand woongebouw, en daarmee geen onderdeel van het nieuwe geluidgevoelige object (dat alleen uit de begane grond van deze locatie bestaat).

36

6.4.1

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven. Tabel Breedte geluidszones langs wegen Soort gebied

Stedelijk- -gebied

Aantal rijstroken

1 of 2

3 of meer

1 of 2

3 of 4

5 of meer

200 meter

350 meter

250 meter

400 meter

600 meter

Zonebreedte

Buiten-

-stedelijk-

-gebied

Bij nieuwe geluidsgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 decibel (dB). Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen (snelwegen worden altijd als buitenstedelijk gezien) en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De geluidswetgeving kent het begrip 'vervangende nieuwbouw'. Bij vervangende nieuwbouw kan voor binnenstedelijke wegen een 5 dB hogere geluidsbelasting op de gevel worden toegestaan dan bij nieuwbouw, bij buitenstedelijke wegen kan een 10 dB hogere geluidsbelasting worden toegestaan. De reden voor deze hogere geluidsbelastingen is dat bij terugbouwen op (ongeveer) dezelfde plek de afstand en oriëntatie t.o.v. de geluidsbron (bv. de weg) vastliggen, zodat de geluidsbelasting op de gevel

37

moeilijker kan worden teruggebracht. Voor vervangende nieuwbouw gelden de aanvullende eisen dat vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur óf een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden. Bij het wijzigen van een niet-geluidsgevoelige functie (bv. een winkel of bedrijf), dat op de begane grond is gelegen van een gebouw met daarboven en vaak ook daarnaast woningen, naar een woning is sprake van vervangende nieuwbouw. De situering t.o.v. de geluidsbron kan niet veranderen, de stedenbouwkundige functie of structuur wordt niet ingrijpend gewijzigd en er is geen sprake van een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden. Dit laatste blijkt uit het feit dat het aantal nieuwe woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt slechts een klein percentage is van het totale aantal woningen in het plangebied. Bovendien is de gemiddelde woningbezetting in de afgelopen decennia gedaald. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan zijn geluidsberekeningen uitgevoerd. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek naar wegverkeer zijn aangegeven in de onderstaande tabel. Bij de eerste genoemde locaties is de geluidsbelasting vanaf alle wegen niet hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB.

Bij de andere locaties zijn alleen de wegen aangegeven die voor een geluidsbelasting op de gevel van meer dan 48 dB zorgen. Tabel Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige objecten per zoneplichtige weg Locatie

Weg

5,12, 16 t/m Alle 19, 24, 29, 30

Hoogte Hoogste berekende Hogere rekenpunt [m] geluidsbelasting [dB] waarde [dB] -

kleiner of gelijk aan 48

geen

3

Maaskade

1,5

51

51

4

Maaskade

1,5

52

52

6

Prins Hendrikkade

1,5

50

50

7

Prins Hendrikkade

1,5

50

50

8

Prins Hendrikkade

1,5

52

52

9

Prins Hendrikkade

1,5

53

53

10

Prins Hendrikkade

1,5

53

53

11

Prins Hendrikkade

1,5

54

54

13

Prins Hendrikkade

1,5

55

55

14

Prins Hendrikkade

1,5

55

55

15

Prins Hendrikkade

1,5

56

56

20

Prins Hendrikkade Koninginnebrug

1,5 1,5

57 49

57 49

21

Prins Hendrikkade

1,5

57

57

22

Prins Hendrikkade

1,5

56

56

23

Prins Hendrikkade Koninginnebrug

1,5 1,5

58 51

58 51

25

Maaskade

1,5

54

54

26

Maaskade

1,5

54

54

27

Maaskade

1,5

54

54

28

Maaskade

1,5

55

55

31

Maaskade

1,5

55

55

32

Maaskade

1,5

55

55

38

33

Maaskade Van der Takstraat

1,5 1,5

55 56

55 56

34

Prins Hendrikkade Maaskade Koninginnebrug Van der Takstraat

1,5 1,5 1,5 1,5

49 54 51 56

49 54 51 56

35

Prins Hendrikkade Koninginnebrug Van der Takstraat

1,5 1,5 1,5

65 56 56

65 56 56

36

Brugweg Prins Hendrikkade

1,5 1,5

57 55

57 55

37

Willemsbrug Brugweg Maaskade

4,5 4,5 4,5

53 59 54

53 59 54

39

Olivier van Noortstraat

1,5

53

53

40

Olivier van Noortstraat Maaskade

1,5 1,5

50 51

50 51

Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting op 9 locaties (de nummers 5, 12, 16, 17, 18, 19, 24, 29 en 30) vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB) voldoet. Op de overige 28 onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) dan wel voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (68 dB) worden daarbij niet overschreden. 30 km/uur wegen Voor 30 km/uur wegen geldt geen toetsingsplicht aan de normen van de Wet geluidhinder. Dit omdat door de lagere rijsnelheid de geluidsbelasting vanaf deze wegen al is beperkt. De geluidsbelasting vanaf 30 km/uur wegen kan echter wel van belang bij de afwegingen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Een 30 km/uur-weg is relevant indien de weg direct langs een ontwikkellocatie ligt en een relatief hoge verkeersintensiteit (meer dan 900 motorvoertuigen per etmaal) verwerkt. Bij alle 30 km/uurwegen, die direct langs de ontwikkellocaties liggen, zijn de verwachte intensiteiten voor het jaar 2031 echter lager dan 900 motorvoertuigen per etmaal. De geluidsbelasting vanaf deze wegen op de gevels is daarom niet berekent. 6.4.2

Railverkeer

Geluid Door het plangebied loopt (in een tunnel) de spoorlijn Rotterdam - Barendrecht, en ten westen van het plangebied ligt de de metrotunnel. Het gedeelte van de spoorlijn Rotterdam - Barendrecht, dat binnen het plangebied ondertunneld is, is niet aangegeven op de geluidplafondkaart. Langs deze spoorlijn geldt, op grond van het Besluit geluidhinder, binnen het plangebied geen geluidzone. Daaron hoeft geen aandacht te worden besteed aan de geluidbelasting vanwege deze spoorlijn bij de ontwikkellocaties binnen het plangebied. De metroverbinding heeft, op grond van de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder, een wettelijke geluidzone van 25 meter. De ontwikkellocaties liggen niet binnen deze geluidzone. Om bovengenoemde redenen is er geen onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege het railverkeer. Trillingen De locaties 34 t/m 37 (waar nieuwe woningen in bestaande panden mogelijk zijn) liggen op minimaal 55 meter afstand van de spoortunnel onder het park ten zuiden va de Brugweg. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. De richtlijnen van de Stichting Bouwresearch (SBR) vormen het belangrijkste toetsingskader

39

voor trillingen. In de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van mei 2019 zijn afstanden tot de NS-sporen genoemd waarbinnen trillinghinder door NS-sporen moet worden onderzocht en getoetst. Het gaat om een afstand van 100 meter aan weerszijden van het (bovengrondse) spoor. Het onderzoeksgebied van trillingen bij de ondergrondse spoortracés in Rotterdam beslaat, naast de ruimte boven en onder het spoortracé, het gebied binnen een afstand van 25 meter vanaf de buitenste spoorstaaf. Aangezien buiten dit gebied voelbare trillingen niet te verwachten zijn. Gezien de afstand van 55 meter van de locaties 34 t/m 37 tot de spoortunnel wordt het aspect trillinghinder voor het bestemmingsplan Noordereiland als niet relevant gezien. 6.4.3

Industrielawaai

In het Rijnmondgebied is reeds in de jaren '90 rond meerdere industrieterreinen met zogenaamde grote lawaaimakers een geluidcontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidzone. Een deel van het plangebied (waaronder de ontwikellocaties 35 t/m 40) bevindt zich binnen de geluidzone van het industrieterrein 'Feijenoord, Stadionweg en Schaardijk'. Dit is op de verbeelding aangegeven met de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'. Dit industrieterrein is dus een relevante geluidbron voor het plangebied, en daarom meegenomen in het geluidsonderzoek. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 'Feijenoord, Stadionweg en Schaardijk' op de gevels van alle ontwikkellocaties aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voldoet. Er hoeven voor industrielawaai dus geen hogere waarden te worden vastgesteld. Op de verbeelding is de aanduiding 'geluidzone - industrie' ook gegeven aan een klein deel van de rivier, bij de westpunt van het eiland. Dit is de geluidzone van het industrieterrein 'Maas- en Rijnhaven'.

Dit industrieterrein is geen relevante geluidsbron voor Noordereiland, omdat de geluidzone binnen het plangebied alleen over het water van de rivier ligt. 6.4.4

Scheepvaartlawaai

Ten noorden van het plangebied ligt de Nieuwe Maas en ten zuiden ervan de Koningshaven. Op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven varen schepen. Varende schepen produceren geluid en kunnen de omgeving belasten met geluidhinder. Voor Scheepvaartlawaai bestaat geen wettelijk kader. Het is echter wel een geluidsbron die in het kader van een goede ruimtelijke ordening in overweging moet worden genomen bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs scheepvaartroutes. Bij het beoordelen van scheepvaartlawaai wordt aangesloten op de wettelijke normen voor spoorweglawaai, omdat dit een vergelijkbaar soort geluid(bron) is. Er wordt daarom voor scheepvaartlawaai uitgegaan van een streefwaarde van 55 dB, overeenkomstig met de voorkeurswaarde van spoorweglawaai. De gecumuleerde geluidbelastingen, vanwege de scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven gezamenlijk, op de gevels van de ontwikkellocaties is berekend. Uit deze berekening blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de scheepvaart op de meeste locaties kleiner of gelijk is aan de streefwaarde van 55 dB. Op 10 locaties is de geluidsbelasting 56 dB, en op 1 locatie 57 dB. 6.4.5

Conclusie

Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige objecten, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige objecten), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: De hoogte van de geluidsbelasting vanaf zoneplichtige geluidsbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); De hoogte van de geluidsbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidsbronnen (o.a. 30 km/uur wegen en scheepvaart); De gecumuleerde geluidsbelasting; Maatregelen aan de geluidsbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidsbelaste locatie; De regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB).

40

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer nieuwe geluidsgevoelige locaties in verschillende geluidszones liggen en de voorkeurswaarde vanwege meer dan één bronsoort wordt overschreden, moet de geluidsbelasting worden gecumuleerd. Dit betekent dat de geluidsbelastingen van verschillende bronnen (wegen, spoorwegen en industrie) bij elkaar worden opgeteld. Als er verschillende bronnen zijn die elk een hoge geluidsbelasting op de gevel veroorzaken, dan kan de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger zijn dan de geluidsbelasting vanaf de geluidsbron met de hoogste bijdrage. De gecumuleerde geluidsbelasting moet worden betrokken bij de afwegingen om een nieuwe geluidsgevoelige bestemming toe te staan en hiervoor een hogere waarde vast te stellen. Binnen het plangebied is er geen sprake van een overschrijding van de wettelijke voorkeurswaarden op de ontwikkellocaties door meer dan één geluidbron. Daarom is een cumulatie van meerdere wettelijke bronsoorten (wegverkeer, spoor, industrie) niet aan de orde. Omdat er op 11 locaties vanwege de scheepvaart (niet-wettelijke geluidbron) overschrijdingen van de streefwaarde zijn berekend, zijn deze waarden met de overschrijdingen van de voorkeurswaarde vanwege het wegverkeerslawaai gecumuleerd.

De gecumuleerde geluidsbelasting van wegverkeer en scheepvaart samen ligt op een aantal van deze locaties 2 à 3 dB hoger dan de gecummuleerde geluidsbelasting van wegverkeer alleen. Het gaat om locaties die voor stedelijk gebied een relatief lage geluidsbelasting hebben. Een extra geluidsbelasting vanwege scheepvaart (bijvoorbeeld van 50 dB naar 53 dB) brengt niet met zich mee dat deze locaties ongeschikt worden voor nieuwe woningen. En evenmin dat er geen hogere waarde voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer kan worden vastgesteld. Maatregelen Voordat kan worden besloten de hoogste berekende geluidsbelastingen als hogere waarden vast te stellen, moet eerst worden bekeken of er door het treffen van maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, danwel of de geluidskwaliteit kan worden verbeterd. In het akoestisch onderzoek is aangegeven welke maatregelen overwogen kunnen worden. Wat betreft maatregelen aan de geluidsbron zijn stille wegdekken en het veranderen van 50 km/uurwegen in 30 km/uur-wegen denkbaar. Met elk van deze maatregelen kan een vermindering van de geluidsbelasting op de gevel met enkele decibellen worden bereikt. Bij somminge locaties kan daarmee aan de voorkeurswaarde van 48 dB worden voldaan.

Op het Noordereiland is geluidsbelasting op de gevels echter voor een stedelijk gebied al vrij gunstig, op bijna alle locaties ruim onder de maximale ontheffingswaarde. En het gaat bij de ontwikkellocaties niet om nieuwbouw, maar om verandering van gebruik. Het nemen van deze maatregelen wordt daarom niet als kosteneffectief gezien. Bij overdrachtsmaatregelen gaat het om geluidsschermen. Geluidsschermen langs stedelijke wegen zijn vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt geen optie. Bij ontvangersmaatregelen gaat het (bij woningen met een geluidbelasting hoger dan de geluidluwe gevel van 53 dB) om een akoestisch gunstige indeling van woningen. Daarmee kan een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Het gaat hierbij om de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Geluidluwe gevel Een van de belangrijkste criteria in het beleid dat de gemeente Rotterdam heeft voor het vaststellen van hogere toegestane geluidsbelastingen op de gevel van een woning is dat elke nieuwe woning in principe over tenminst één geluidluwe gevel moet beschikken.

Een geluidluwe gevel is een gevel waarop de gecumuleerde geluidsbelasting niet hoger is dan 53 dB bij wegverkeer, 55 dB bij railverkeer en 50 dB(A) bij industrie, dit gelden als geluidsniveau's waarbij men in het algemeen buiten kan zitten of het raam open kan laten staan zonder dat de geluidsbelasting als hinderlijk wordt ervaren. Wegverkeer: De gecumuleerde geluidbelasting is vanwege de zoneplichtige wegen bij de locaties per bouwlaag berekend. Uit deze berekening blijkt dat alle locaties over minimaal één geluidluwe gevel beschikken.

41

Dit betekent dat als een niet-woonfunctie wordt omgezet naar een woning, deze woningen (op een paar hoekpanden na) over een geluidluwe gevel zal beschikken. Industrie: De geluidbelasting vanwege industrielawaai is op alle ontwikkellocaties lager dan de voorkeurswaarde van 50 dB(A), tevens de grenswaarde voor de geluidluwheid. Alle ontwikkellocaties beschikken derhalve vanwege industrielawaai aan alle zijden over geluidluwe gevels en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid. Scheepvaart: In het geluidsonderzoek is het beoordelingskader voor scheepvaartlawaai gelijkgesteld aan dat van railverkeerslawaai. Daarom wordt bij de beoordeling van de geluidluwheid uitgegaan van de grenswaarde van 55 dB voor railverkeerslawaai. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat alle ontwikkellocaties over minimaal één geluidluwe gevel vanwege het scheepvaartlawaai beschikken. Dit betekent dat als een niet-woonfunctie wordt omgezet naar een woning, deze woningen (op een paar hoekpanden na) over een geluidluwe gevel zal beschikken. Afweging Maatregelen om de geluidsbelasting te beperken ziet de gemeente niet als reële mogelijkheid, gezien de hoge kosten in relatie tot het relatief beperkte aantal woningen. En vanwege de stedenbouwkundige, verkeerskundige en technische beperkingen die de bovengenoemde maatregelen met zich meebrengen.

Het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder schrijft voor dat nieuwe woningen in principe over ten minste één geluidsluwe gevel beschikken. Hoewel alle locaties over tenminste één geluidluwe gevel beschikken zal een woning op de hoek niet in alle gevallen over een geluidluwe gevel kunnen beschikken. Bij alle locaties (nieuwe geluidgevoelige objecten volgens de Wet geluidhinder) gaat het om (de begane grond van) bestaande panden, waarnaast en waarboven woningen aanwezig zijn. Het geldende bestemmingsplan staat bij alle locaties toe dat deze ruimten worden gebruikt als woningen. Omdat de gemeente woningen op deze locaties passen vindt en om de bestaande rechten in stand te houden kiest de gemeente er voor om waar een woning niet over een geluidluwe gevel kan beschikken af te wijken van het ontheffingsbeleid. Om de hierboven genoemde redenen zullen burgemeester en wethouders de berekende geluidsbelastingen, zoals die in de tabel 'Maximale geluidsbelasting op de nieuwe geluidsgevoelige objecten per zoneplichtige weg' zijn aangegeven, als hogere waarden vaststellen voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het besluit hogere waarden wordt als bijlage in de toelichting opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=5ecd0eaf-30d1-4c9c-ae4a-c1ac93c22e0e