[23bb002632] Bijlage 1 behorende bij 23bb2630 - ontwerpbestemmingsplan Noordereiland
Tekst van het document
Noordereiland Ontwerpbestemmingsplan
Opgesteld door:
datum:
18 oktober 2022
Stadsontwikkeling Bouw- en Woningtoezicht, Bureau Bestemmingsplannen
Vastgesteld d.d.:
........
Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam
2
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De nu geldende bestemmingsplannen voor Noordereiland zijn niet meer actueel. Het opstellen van het bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma ter actualisering van bestemmingsplannen.
1.2
Gekozen planopzet
Het bestemmingsplan "Noordereiland" heeft tot doel de nu geldende bestemmingsplannen te actualiseren en een aantal ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Daarmee krijgen de veranderingen die in de loop van de jaren hebben plaatsgevonden en het nieuwe beleid van de gemeente een juridisch-planologische verankering. Het bestemmingsplan zal de geldende en nog steeds van toepassing zijnde mogelijkheden overnemen uit de geldende bestemmingsplannen. Het nieuwe bestemmingsplan vervangt ook de voor Noordereiland van toepassing zijnde parapluherzieningen zoals in hoofdstuk 1.4 genoemd. Ook geeft het daarbij ruimte aan een ontwikkeling zoals in hoofdstuk 4.3 beschreven.
1.3
Ligging en begrenzing
Het plangebied Noordereiland ligt tussen de Nieuwe Maas en de Koningshaven. De noordelijke begrenzing ligt halverwege de Nieuwe Maas evenwijdig aan de Maaskade. Het plangebied kruist hiermee de Willemsbrug. De zuidelijke begrenzing ligt in de Koningshaven en loopt evenwijdig aan de Prins Hendrikkade met een uitloper rondom de Koninginnebrug, de voormalige spoorbrug de Hef en de ondergrondse spoortunnel. Aan de westelijke punt van het eiland wordt de begrenzing gevormd door het water langs het Prinsenhoofd. Aan de oostelijke punt door het water langs het Antwerpse Hoofd.
3
1.4
Vigerende bestemmingsplannen
Binnen het plangebied gelden de bestemmingsplannen Noordereiland en De Ruyterstraat 36. In het onderstaande overzicht is aangegeven wanneer het plan is vastgesteld door de gemeenteraad en wanneer het plan onherroepelijk is geworden. Geldende bestemmingsplannen: Plannaam
Vastgesteld
Onherroepelijk/goedgekeurd
0637
Noordereiland
16.12.2010
18.03.2011
2089
De Ruyterstraat 36
17.09.2015
13.11.2015
alsmede de Parapluherzieningen: Parapluherziening
Vastgesteld
Onherroepelijk
1077
Terrassen
11.11.2014
25.04.2015 onherroepelijk
581
Parkeernormering Rotterdam
14.12.2017
31.03.2018 onherroepelijk
581
Biologische Veiligheid
14.06.2018
18.08.2018 (in werking)
4
Hoofdstuk 2
Beleid
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Vastgesteld op 11 september 2020 Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld: ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel; sterker en leefbaarder maken van steden en regio's; toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied. 2.1.2
Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte
Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in (naar verwachting) 2019. De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen: Water en erfgoed Landschap: transformatie van het landelijk gebied Transformatie in de stad en in krimpgebieden 2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied.
2.1.4
Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)
In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017
5
Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid.
Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (acualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. Conclusie De woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorzien in een actuele behoefte, liggen binnen bestaand stedelijk gebied en het gaat om transformatie van bestaande bebouwing of om nieuwbouw die past binnen het geldende bestemmingsplan. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
Algemeen Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Deze kaders zijn vastgesteld door provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 en zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen staan operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Het Omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgave gerichte aanpak. Vanuit maatschappelijke opgaven wordt er, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt er een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities geven vorm aan de volgende provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit': 1. Landschap en cultuurhistorie, Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. 2.
Gezondheid en veiligheid, Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder 3. Natuur en recreatie. Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren. 4. Ruimte en verstedelijking,
6
Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. 5. Wonen, Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. 6. Bodem en ondergrond, Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. 7. Cultuurparticipatie en bibliotheken, Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. 8. Klimaatadaptatie, Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen. 9. Zoetwater en drinkwater, Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater. 10. Bereikbaarheid, Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders. 11. Regionale economie, Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie. 12. Energievoorziening, Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de volgende artikelen relevant: regionale waterkeringen archeologie en Romeinse limes.
Als antwoord op de overige vragen gesteld in het e-formulier van de Provincie Zuid-Holland: Er wordt geen gebruikt gemaakt van een ontheffing van de provincie Het plan bevat ruimtelijke ontwikkelingen in de vorm van transformatiemogelijkheden naar woningen. De ontwikkelingen liggen in bestaand stadsgebied. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats binnen beschermingscategorie 1. Er is sprake van inpassen. De ruimtelijke kwaliteit blijft per saldo gelijk. Aanvullende ruimtelijke maatregelen worden niet getroffen. Er is geen beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in het plan. Door de ruimtelijke ontwikkeling worden de wezenlijke kenmerken en waarden niet significant aangetast van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen. Het groepsrisico (rond inrichtingen, buisleidingen, transportassen en luchthavenactiviteiten) neemt niet toe als gevolg van een stedelijke ontwikkeling, waarbij de berekende waarde voor het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt. 2.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in ons Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit.
7
De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). 2.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Hierin is de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 heeft betrekking op Bestemmingsplannen Bestaand en Nieuw 2.2.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Bij elk project dient allereerst te worden bepaald of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit is gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Hiernaast dient te worden beoordeeld of het project ook gezien zijn schaal en aard moet worden getoetst aan de Ladder. Als sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dan dient de toetsing aan de Ladder plaats te vinden. De provincie verwijst naar artikel 3.1.6 van het Bro De provincie Zuid-Holland heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
Een bestemmingsplan gericht op stedelijke ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Toetsing Het bestemmingsplan Noordereiland maakt op verschillende locaties een aantal nieuwe woningen mogelijk. Ook kent het bestemmingsplan een aantal gemengde bestemmingen waarin op de begane grond zowel woningen als andere functies zoals bedrijven en horeca mogelijk zijn. Van belang is dat het plangebied binnen het bestaande stads- en dorpsgebied ligt. 2.2.2.2 Ruimtelijke kwaliteit Indien een bestemmingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, is er sprake van een aantal toetsingscriteria. Op basis van de begripsbepalingen uit de VR kan een ruimtelijke ontwikkeling omschreven worden als 'nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van bebouwing en grond'.
Wanneer hier sprake van is, dient de ruimtelijke ontwikkeling binnen de aard en schaal van het gebied te passen en te voldoen aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. Toetsing Het bestemmingsplan Noordereiland maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk.
8
2.2.2.3 Kantoren Een bestemmingsplan mag alleen voorzien in nieuwe kantoren: binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties (mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie), en op een aantal bijzondere locaties die zijn aangegeven op kaart 10 van de Omgevingsverordening. Er gelden een aantal uitzonderingen op deze regel. Onder anderen kleinschalige zelfstandige kantoren (tot 1.000 m2 per vestiging), en kantoren met een lokaal verzorgingsgebied, zijn wel toegestaan buiten de aangewezen gebieden. Toetsing Het bestemmingsplan Noordereiland voorziet niet in nieuwbouw van kantoren. 2.2.2.4 Detailhandel Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel indien deze binnen een bestaande winkelconcentratie ligt of daar direct aan grenst. Verder is detailhandel uitsluitend toegestaan binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk of binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie met detailhandel die is verplaatst van andere locaties. In het tweede lid is bepaald dat eventuele nieuwe detailhandel daarnaast in overeenstemming moet zijn met het ontwikkelingsperspectief dat is beschreven in het Programma ruimte en de Omgevingsvisie.
Bij nieuwe detailhandel met een oppervlak van 2.000 m² b.v.o. of groter dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en is een advies nodig van de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. Toetsing De oude bestemmingsplannen bieden veel ruimte voor de vestiging van detailhandel. Op de begane grond van gemengde bestemmingen wordt in theorie ruimte geboden aan vierkante meters detailhandel. Dit is in strijd met het gemeentelijke en het provinciale beleid voor detailhandel. In het bestemmingsplan Noordereiland wordt in de verspreid liggende gemengde bestemmingen detailhandel alleen toegelaten op de paar plekken waar dit aanwezig is. 2.2.2.5 Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas In verband met de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water moet, langs de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, een zone van 25 meter worden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts mogelijk als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang én is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. Toetsing Noordereiland ligt aan de Nieuwe Maas, en zijn veiligheidszones van 25 meter en 40 meter vanaf de oever van toepassing. Het bestemmingsplan Noordereiland voorziet niet in nieuwbouw binnen deze zones.
2.2.2.6 Buitendijks bouwen Een bestemmingsplan voor gronden binnen het buitendijks gebied dat nieuwe bebouwing mogelijk maakt, een toelichting bevat op het slachtofferrisico bij een eventuele overstroming. Ook dient een afweging gemaakt te worden voor het toelaten van nieuwe bebouwing op deze gronden. Toetsing Het hele plangebied van bestemmingsplan Noordereiland is buitendijks gelegen. Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van dit buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid zijn de maaiveldhoogtes in Noordereiland vergeleken met zeer hoge waterstanden die volgens prognoses voor kunnen komen in het jaar 2100. Daaruit blijkt dat Noordereiland met de huidige maaiveldhoogtes op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water. Bij nieuwe ontwikkelingen is het daarom zaak deze op een hoger peil te realiseren dan het huidige maaiveld. Om aan de provinciale veiligheidsnorm voor lokaal individueel risico te voldoen geldt voor ontwikkelingen een uitgiftepeil van ten minste 3,30 meter boven NAP. De gemeente adviseert om buitendijks een uitgiftepeil te hanteren van 3,60 meter boven NAP (voor
9
kwetsbare functies 3,90 meter boven NAP).
2.3
Gemeentelijk beleid
Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer. 2.3.1
Omgevingsvisie 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen'
Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021 De omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De omgevingsvisie gaat uit van 5 langetermijndoelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken.
Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar w grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreëerd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening. Er is een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en Rotterdam-Zuid.
Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes.
10
2.3.2
Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020
Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. 2.3.3
Nota Detailhandel 2017
Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader. Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra.
Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd: Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair) Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen Een bruisende Binnenstad! De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn: Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de
11
Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld. Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden. In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden. Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch. Geen nieuwe perifere concentratiegebieden. Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Geen detailhandel op bedrijventerreinen. Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels. Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling. Gebiedskoersen De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. In de gebiedskoersen detailhandel zijn de winkelgebieden ruimtelijk begrensd, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers daarbij is.
De keuzes op gebiedsniveau vormen de basis voor het gemeentelijk handelen ten aanzien van enerzijds het versterken van winkelontwikkelingen (door bijvoorbeeld mee te werken aan nieuwe winkelvestiging) en anderzijds de transformatieopgave. 2.3.4
Horecanota Rotterdam 2017-2021
Vastgesteld door B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten.
De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium. Rotterdam bruist!;
12
de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken. Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen.
Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht.
Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Alcoholwet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.
13
Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.
Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)
Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een
14
horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca.
Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor. 2.3.5
Horecagebiedsplan Feijenoord 2022-2024
Ontwikkelrichting Noordereiland: Met het huidige aantal horecagelegenheden is er een goede balans tussen levendigheid en leefbaarheid. Om die reden is het niet wenselijk dat nieuwe horecagelegenheden zich vestigen op het Noordereiland. Voor de bestaande horeca wordt wel de mogelijkheid geboden om binnen de bestaande categorie uit te breiden. Dit kan door de inrichting te vergroten of de mogelijkheid tot een groter terras. Uiteraard is dit alleen mogelijk als de uitbreiding inpandig mogelijk is of wanneer een groter terras in de buitenruimte voldoet aan het beleid “Kwaliteitseisen terrassen in Rotterdam”. Ontwikkelrichting nieuwe inrichtingen is consolideren. Bij bestaande inrichtingen is ontwikkelen binnen de vergunde categorie mogelijk. Uitgesloten activiteiten: activiteit 3, 6, 15, 16, 17 en 18. Vrijstelen van de vergunningsplicht is niet toegestaan, uitgezonderd de Van der Takstraat 102 B. Hier is de vrijstelling voor bijzondere objecten en instellingen (0.3) toegestaan. 2.3.6
Rotterdams beleid t.a.v. zendmasten mobiele telecommunicatie
Vastgesteld op 16 mei 2002 door de Rotterdamse gemeenteraad In de beleidsnota uit 2002 zijn wensen en oplossingsrichtingen opgenomen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten. De nota sluit aan op nationaal antennebeleid waarin ook onderscheid gemaakt wordt in vergunningsvrije en vergunningsplichtige bouwwerken. 2.3.7 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van
15
de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'. De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.
2.3.8 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Erfgoedverordening 2020. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.
16
Hoofdstuk 3 3.1
Beschrijving van het plangebied
Archeologie
Beleidskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke Archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Bewoningsgeschiedenis Het plangebied omvat een deel van het oude eiland Feyenoord. Het eiland, dat omgeven werd door de Nieuwe Maas en het Zwanegat, wordt al in 1441 vermeld. In 1591 werd het voor twee-derde en in 1658 voor het resterende deel door de stad Rotterdam gekocht. Oorspronkelijk was het als opwas slechts 13 morgen groot. Door aanpoldering en aanplemping (ook met stadsafval uit Rotterdam) was het in 1814 167 morgen groot. Door het graven van de Noorderhaven (nu Koningshaven) ontstond in 1874 het Noordereiland. Het Zwanegat werd vergraven tot Spoorweghaven. De eerste bebouwing op het Noordereiland dateert uit het laatste kwart van de 19e eeuw. De ondergrond van het plangebied bestaat uit erosieafzettingen van de Maas. Tijdens de aanleg van de Willemsspoortunnel, dwars door het Noordereiland, zijn in de afzettingen vondsten van verspoeld aardewerk uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (8e-12e eeuw) gedaan. Het geeft aan dat de oevers van de Maas vanouds aantrekkelijk waren voor bewoning. Het Maasmondgebied heeft zwaar te lijden gehad van overstromingen aan het einde van de 12e eeuw.
Mogelijk is het gebied van Feyenoord bij het (her)bedijken van het verloren gegane gebied buiten de toen ontstane Riederwaard komen te liggen. De Riederwaard zelf ging in 1373 ten onder. Ten zuiden van het plangebied vonden vanaf de 15e eeuw herbedijkingen plaats. Het Zwaansgat, dat in het zuidelijk deel van het plangebied in de Nieuwe Maas uitmondde, zou in 1373 gevormd kunnen zijn. In de 17e eeuw wist men nog te vertellen dat bij het uitgraven van sloten bij de Hille en Varkensoord boomstronken werden opgedolven “alsmede sware moppen, daer men wil seggen eertijdts een clooster gestaen zoude hebben”. Dat dit niet denkbeeldig hoeft te zijn, bewijzen de diverse opgegraven funderingen van gebouwen uit de periode vóór 1373 op het eiland IJsselmonde, zoals de kasteelfunderingen in Oud-Charlois en bij Ridderkerk. Archeologische verwachting In het hele plangebied kunnen (op grote diepte) verspoelde vondsten vanaf het Neolithicum voorkomen. Ook is er een kleine kans op het aantreffen van scheepswrakken of delen daarvan. Aanbevelingen
17
Waarde - Archeologie 1 Voor het landgedeelte van het plangebied (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan 3,0 meter beneden maaiveld. Waarde - Archeologie 2 Voor het binnen het plangebied gelegen water (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem.
3.2
Stadsgezichten en Monumenten
Algemeen De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium – Erfgoedwet (2016) en Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast krijgen rijks beschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten.
Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden. Het plangebied Hieronder zijn, op basis van gegevens van het gemeentelijke Bureau Monumenten, de gebouwen en gebieden genoemd die van cultuurhistorische waarde zijn binnen het plangebied. Het Noordereiland is in één keer ontstaan door het graven van de Koningshaven (1878) en wordt sindsdien volledig begrensd door water. Op het Noordereiland is nog een groot deel van de oorspronkelijke 19e-eeuwse stedenbouwkundige structuur, zoals deze planmatig werd aangelegd, bewaard gebleven.
De ruimtelijke karakteristiek is typisch 19e-eeuws en wordt gekenmerkt door een aaneenschakeling van lange en korte gesloten bouwblokken met meestal vier lagen. De panden zijn zodanig gevarieerd dat de specifieke kwaliteiten
18
van de bouwlocatie maximaal werden benut en langs de Maaskade een visueel samenhangend waterfront is gerealiseerd met representatieve woon- en kantoorbebouwing. Ook is het a-symmetrische stratenpatroon van belang, welke zich in de kern van het eiland verbreden tot pleinen. Tevens zorgt het gekozen stratenpatroon voor lange bouwblokken aan de Maaszijde en kortere en meer gedifferentieerde aan de Koningshaven. In tegenstelling tot de betrekkelijk gaaf bewaard gebleven situatie westelijk van het voormalige spoortracé is de oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur van de oostelijke eilandhelft minder goed herkenbaar. Van het oorspronkelijke plan zijn twee bouwblokken met bedrijfspanden aan de Prins Hendrikkade bewaard gebleven. De overige bouwblokken zijn een nieuwe invulling, deels wederopbouw en deels jaren tachtig en negentig, waarbij de laatste twee deels afwijken van de oorspronkelijke ruimtelijke structuur. Aan de kades is de havenactiviteit inmiddels sterk teruggelopen. Slechts een klein aantal binnenvaartschepen meert nog aan in de Koningshaven. Toch is de sfeer van bedrijvigheid goed behouden, met name doordat de wederopbouwblokken en de Lelieblokken op de begane grond goed functionerende bedrijfsruimten bevatten. Veel bedrijfsruimtes zijn tegenwoordig, behalve door winkels, in gebruik genomen door architecten- en ontwerpbureaus.
Kenmerkend voor de typisch 19e-eeuwse tot vroeg 20-eeuwse bebouwing op het Noordereiland zijn: de gesloten bouwblokken met gevarieerd (particulier) ingevulde, aaneengesloten gevelwanden binnen een strikt aangehouden rechte of licht gebogen rooilijn volgens het stedenbouwkundig plan van Mees en met een eenvormige bouwhoogte van vier of vijf bouwlagen met kap, het overwegend gebruik van rode baksteen, natuurstenen detailleringen, zware geprofileerde daklijsten en dakgoten en de toepassing van (gedecoreerde) gietijzeren constructieve elementen (lateien, winkel-/bedrijfspuien). Een opvallend onderscheid is dat bij de eclectische panden, met name aan de Maaskade, het Burgemeester Hoffmanplein en de Van der Takstraat, de hier rijk toegepaste stucdecoraties het straatbeeld bepalen, terwijl de decoraties in de dwarsstraten en aan de Prins Hendrikkade voornamelijk in gekleurde baksteen en natuursteen zijn uitgevoerd. Wederopbouwgebieden Tijdens de eerste vier dagen van de Tweede Wereldoorlog lag het Noordereiland in de frontlinie. Op de westelijke punt van het eiland werden de twee meest westelijke bouwblokken en het noordelijke blok oostelijk hiervan verwoest. Op de oostelijke punt sneuvelden het bouwblok noordelijk van het Prins Frederikplein, het blok oostelijk hiervan en het bouwblok op het Antwerpse Hoofd.
De bouwblokken die in de plaats zijn gebouwd zijn weergegeven in een typerend wederopbouwidioom, maar sluiten in vorm, materiaalvoering en bouwhoogte vrij goed aan bij de bestaande bebouwing en de vroegere verkaveling. Monumenten en panden Zoals opgemerkt onder "Koepelnota Welstand Rotterdam" is vanwege het monumentale karakter van het plangebied een verscherpt welstandstoezicht van toepassing. Hieronder volgt een overzicht van de aangewezen objecten: Rijksmonumenten Maaskade 113, kantoorgebouw (1915) Maaskade 119,120, 121 t/m 125, Margarine- en Kaasfabriek (Hulstkampgebouw) (1888-1895) Prins Hendrikkade 73 (Koningshaven), Koninginnebrug (1929) Burgemeester Hoffmanplein, Stieltjesmonument (Gedenkteken) (1884) Prins Hendrikkade 53 (Koningshaven), Spoorbrug 'De Hef' Maaskade 85, Woonhuis (1884) Gemeentelijke monumenten Maaskade 75-77, Complex met winkels, beneden- en bovenwoningen, ca. 1935-1937. Maaskade 79-81, Woonhuizen, ca. 1886-1888. Maaskade 83, Beneden- en bovenwoning, ca. 1881-1883 Maaskade 96, Hoekpand met pakhuizen en bovenwoningen, ca. 1885-1887 Maaskade 107-109, Beneden- en bovenwoningen, ca. 1895-1900 Prins Hendrikkade 67-69, Bankgebouw (ca. 1910),
19
Prins Hendrikkade 150, Benedenwoning met vier bovenwoningen, 1900 Maaskade , Zuider bruggehoofd Oude Willemsbrug, 1927 (inclusief hekwerk) Maaskade 96, woonhuis (ca. 1880) Maaskade 127-129, kantoor (1900), Maaskade 100, 101-112, woonhuizen (1885) Beeldbepalende Objecten Prins Hendrikkade 130, 131-135, woonhuizen (ca. 1887) Van der Takstraat 17-51, woonhuizen (ca. 1881), (architect: H.J. Dupont) Prins Hendriklaan 26-38, woonhuis (ca. 1905) Maaskade 78, woonhuis (ca. 1880) Maaskade 82, woonhuis (ca. 1880) Maaskade 86, 87-95, woonhuizen (ca. 1880) Beschermd stadsgezicht Het Noordereiland is bij besluit van 15 februari 2008 van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) op het voorstel van 17 februari 2004 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg namens de staatssecretaris van OCW aangewezen als beschermd stadsgezicht. Het beschermd stadsgezicht omvat het Noordereiland inclusief de Koninginnebrug en de voormalige spoorbrug 'De Hef'.
Figuur 3.1: Begrenzing beschermd stadsgezicht Het doel van de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is om het karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied te onderkennen als een belangrijke zwaarwegend belang bij verdere ontwikkelingen in het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt. Voorts betekent de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht dat het, ingevolge artikel 37 lid 1 Monumentenwet 1988, verboden is om een binnen dit gebied gelegen bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een sloopvergunning van het college van burgemeester en wethouders. De procedure rondom deze sloopvergunning is nader uitgewerkt in artikel 3.20 Wro. In een beschermd stadsgezicht is de regeling van bouwvergunningsvrij bouwen (artikel 43 Woningwet) niet van toepassing. Voor bouwen moet dus altijd een bouwvergunning worden aangevraagd.
20
Nadere typering van te beschermen waarden In het aanwijzingsbesluit zijn de volgende waardevolle karakteristieken van het beschermd stadsgezicht Noordereiland aangegeven: Het door brede wateren omgeven Noordereiland met zijn specifieke morfologie, die verwijst naar de 19e-eeuwse vorm van de noordelijke oever van Feijenoord, en zijn karakteristieke kades en oeververbindingen. Het vanaf de noordelijke oever zichtbare, representatieve 19e-eeuwvse stadssilhouet van Zuid, gevormd door de gevelbebouwing aan de Maaskade. De interactie tussen de schilbebouwing van de Maaskade en de rivier, waarbij de verhouding tussen de bouwhoogte ten opzicht van brede kades de weidsheid van de Maasstroom versterkt. De architectonische en stedenbouwkundige eenheid in schaal en bouwhoogte (vier en vijf bouwlagen met kap) en de aaneengesloten gevelwanden binnen de strikte rooilijnen van de gesloten bouwblokken, met verbijzonderde afgeschuinde hoeken. De goed bewaarde stedenbouwkundige structuur van het gehele Noordereiland met zijn lange trits van zorgvuldig geschakeerde, gesloten bouwblokken rond een smalle kern van openbare ruimtes en omgeven door brede kades.
De ruimtelijke reeks en zichtas van Burgemeester Hoffmanplein - Burgemeester Hoffmanstraat Prins Hendriklaan, met nog gedeeltelijk de oorspronkelijke groenaanleg in de vorm van laanbeplanting in de Prins Hendriklaan en monumenten (Stieltjes- en Koningin Wilhelminamonument) op het Burgemeester Hoffmanplein. Voorts op de oostelijke eilandhelft, hier conceptueel op aansluitend, de fragmenten van het Prins Frederikplein. Deze rudimenten vormen nog steeds de structurele schakel tussen de beide eilandhelften. De lege, brede kades (Maas- en Prins Hendrikkade) met bomenrij, ijzeren bolders en gedeeltelijk nog aanwezige gietijzeren balustrades, steigers. Het structuurbepalende spoorwegtracé, als vaste constante in de planvorming, oorspronkelijk geaccentueerd door langgerekte gesloten bouwblokken aan weerszijden van het spoor en nu nog Ieesbaar door de spoordijk en de Hefbrug. De overbrugging van de Koningshaven door de Koninginnebrug en de spoorbrug, de Hef. De grotendeels bewaarde, laat 19e- en vroeg 20e-eeuwse architectonische invulling van aaneengesloten gevelwanden en gesloten bouwblokken met gevarieerde, overwegend luxe bebouwing in diverse stijlen en detailleringen (eclectisch, neorenaissance, overgangsstijl, Jugendstil), met, vooral aan de Maaskade, representatieve kantoor- dan wel bedrijfsruimtes op de begane grond en woningen op de verdiepingen.
De Van der Takstraat als brede stadsstraat, oorspronkelijk aansluitend op de oude Willemsbrug en Koninginnebrug, waarbij de bouwblokken de belangrijkste concentratie aan winkelvoorzieningen (op de begane grond) bevatten. De cultuurhistorische waarde van het Noordereiland en de Koningshaven als visualisatie van een belangrijke fase van de ontwikkeling van Rotterdam tot wereldhavenstad. Op onderstaande cultuurhistorische waardenkaart zijn de hoofdkenmerken aangegeven van de historisch-ruimtelijke waarde van het beschermd stadsgezicht Noordereiland aangegeven. Op onderstaande cultuurhistorische waardenkaart zijn de hoofdkenmerken aangegeven van de historisch-ruimtelijke waarde van het beschermd stadsgezicht Noordereiland aangegeven.
21
22
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Opzet van het plan
Het onderhavige plan legt in hoofdzaak de bestaande situatie vast. Opzet van het plan is het bestaande karakter van het plangebied vast te behouden, met name vanwege de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht.
4.2
Ontwikkelingen
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Een aantal ontwikkelingen zijn reeds mogelijk gemaakt via een andere procedure dan dit bestemmingsplan. Deze ontwikkelingen worden opgenomen in dit bestemmingsplan conform de verleende omgevingsvergunning. Het gaat hier om: Herbestemming Prins Hendriklaan 10: Leegstaand schoolgebouw transformeren naar 3 woningen. De afgegeven vergunning is als zodanig in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen. Hulstkamp-gebouw, Maaskade 119: Vergunning is verleend voor de bouw van 28 woningen. Dit is als zodanig opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt het gebouw gebruikt voor kantoor functies en horeca activiteiten (bedrijfsfeesten, trouwerijen, incidenteel kerkdiensten, exposities en tentoonstellingen). Prins Hendrikkade 12-18. Het gaat hier om transformatie van kantoorgebouw naar 102 appartementen waarvoor in april 2021 omgevingsvergunning is verleend en tevens een besluit hogere waarde Wet geluidshinder voor is verleend. Een vergunde woning aan de Maaskade in het park naast oude spoorlijn is als zodanig opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast zijn er een aantal ontwikkelingen reeds gerealiseerd. Deze worden rechtstreeks bestemd in het bestemmingsplan en niet meer als ontwikkeling benoemd.
Het gaat hier om de volgende locaties: Hof aan de Hef (Ons Blok): Sloop 76 woningen & nieuwbouw 37 stadswoningen + 10appartementen; opgeleverd 2017. De Ruyterstraat: 8 nieuwe stadswoningen; opgeleverd in 2018. Woning aan de Prins Hendrikkade in het park naast oude spoorlijn: is vergund en gerealiseerd.
4.3
Juridische planbeschrijving
4.3.1
Wonen
De meeste woningen hebben de bestemming 'Wonen' gekregen. Daarnaast zijn er veel woningen opgenomen binnen de bestemmingen 'Gemengd - 1 en - 2'. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar type woningen, zoals gestapeld of eengezins. Op een aantal locaties zijn binnen de bestemming "Wonen" ook andere functies toegestaan. Deze zijn met aanduidingen op de verbeelding weergegeven. Daar waar het karakter van de buurt een meer gemengde functie heeft, bijvoorbeeld langs de kaden, wordt de bestemming "gemengd" gebruikt. 4.3.2