[23bb002632] Bijlage 1 behorende bij 23bb2630 - ontwerpbestemmingsplan Noordereiland
Tekst van het document
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen
42
(luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.5.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Het bestemmingsplan maakt in totaal de toevoeging mogelijk van circa 159 woningen. Het gaat hierbij om 37 locaties, allemaal mogelijkheden om de begane grond van bestaande panden om te zetten van een niet-woonfunctie naar wonen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan Noordereiland blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde.
De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden.
43
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. 6.5.2
Conclusie
Het bestemmingsplan Noordereiland zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Noordereiland.
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.6.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Op het Noordereiland is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) licht verontreinigd. De bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld is op het Noordereiland eveneens licht verontreiningd. Het bestemmingsplan maakt op 40 locaties een omzetting van het gebruik (van meestal alleen de begane grond) naar wonen mogelijk. Bij een dergelijke verandering van gebruik vinden er geen werkzaamheden in de bodem plaats. De bodemkwaliteit vormt dus geen belemmering voor deze ontwikkelingen. Wel dient in de bouwplanfase te worden nagegaan of de bodemkwaliteit van de bijbehorende tuinen geschikt is voor de woonfunctie. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwbouw op onbebouwde terreinen.
6.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie in artikel 11 van haar
44
Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico.
Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.1
Transport gevaarlijke stoffen over rail
De spoorverbinding tussen Rotterdam zuid en Rotterdam Centraal loopt in een ondergrondse tunnel (de Willemsspoortunnel) door het plangebied. Deze tunnel kent geen plaatsgebonden risico en ook geen groepsrisico. De tunnelmonden liggen op meer dan 200 meter (aandachtsgebied) van het plangebied. De ontwikkelingen op het Noordereiland hebben daarom geen bijdrage aan het groepsrisico bij de tunnelmonden. Bij ongelukken met toxische stoffen (gassen en vloeistoffen) in de tunnel zullen deze vrijkomen bij de tunnelmonden. Het Noordereiland ligt buiten de effectafstanden voor een toxisch scenario van 750 meter rondom de tunnelmonden, daarom blijft dit scenario bij dit bestemmingsplan buiten beschouwing. 6.7.2
Transport gevaarlijke stoffen over water
De Nieuwe Maas is een doorgaande transportroute in het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de Koningshaven geldt dit niet, daarop is het onderstaande niet van toepassing. Plaatsgebonden risico Over de Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied uitsluitend sprake van binnenvaart. Dit deel van de rivier is aangeduid als een zogenaamde zwarte route, hetgeen wil zeggen dat de 10-6-plaatsgebonden risicocontour van de vaarroute alleen over het water van de Nieuwe Maas ligt. Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de rivier vormt dus geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen op het land. Groepsrisico Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf de rand van de vaarweg moet het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen worden berekend. Het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas ligt ter plaatse van het Noordereiland zeer ruim onder de oriëntatiewaarde (minder dan 0,001 maal de oriëntatiewaarde). Het bestemmingsplan zorgt niet voor een toename van dit groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied en veiligheidszone Langs de Nieuwe Maas is een plasbrandaandachtsgebied gelegen met een breedte van 25 meter vanaf
45
de oever. Een plasbrand wil zeggen dat er bij een ongeval met een schip dat brandbare vloeistoffen vervoerd een plas van deze stof op het water komt te drijven en in brand vliegt. Als deze brandende vloeistof tegen de oever drijft kan schade ontstaan aan de langs de rivier aanwezige bebouwing. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied moet de gemeente verantwoorden waarom op die locatie wordt gebouwd. In de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is een veiligheidszonering voor de oevers van de Nieuwe Maas opgenomen (artikel 2.1.10). In verband met de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water moet, langs de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, een zone van 25 meter worden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts mogelijk als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang én is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied en de veiligheidszone van 25 meter, en eveneens niet binnen de toetsingszone van 40 meter, zodat hier geen nadere aandacht aan hoeft te worden besteed. 6.7.3
Inrichtingen
Unilever Binnen het bedrijf van Unilever aan de Nassaukade 3 (ter plaatse van de rode cirkel op de onderstaande afbeelding) is een ammoniakkoelinstallatie aanwezig. Op deze koelinstallatie zijn het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. De installatie bestaat uit meerdere onderdelen waarvan de totale inhoud minder dan 10 ton ammoniak bedraagt. Plaatsgebonden Risico De 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour rondom deze koelinstallatie ligt binnen de terreingrens van Unilever, en is dus niet relevant voor het bestemmingsplan Noordereiland.
Groepsrisico De ammoniakkoelinstallatie heeft geen aandachtsgebied groepsrisico. Bunkerrama B.V. Dit winkelschip annex service station aan de Maaskade 33 (zie onderstaande afbeelding) voor o.a. brandstoflevering (gasolie en smeerolie) aan binnenvaartschepen kent een 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour c.q. veiligheidsafstand. Deze afstand blijft buiten de rooilijnen van de bestaande bebouwing aan de Maaskade. De rooilijn verandert niet in de plansituatie. Deze drijvende inrichting valt niet onder het Bevi en kent geen groepsrisico.
46
6.7.4
Conclusie
Spoor De Willemsspoortunnel kent geen plaatsgebonden risico. Er is ter hoogte van het Noordereiland geen groepsrisico, de ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op het groepsrisico. Conclusie: geen belemmering
x
Vaarweg Nieuwe Maas Er is geen 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour op de oever. Het groepsrisico is kleiner dan 0,001 (0,1%) maal de oriëntatiewaarde, de ontwikkelingen van dit plan hebben een minimale invloed op het groepsrisico. Conclusie: geen belemmering Inrichting Bunkerrama De 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour c.q. veiligheidsafstand blijft buiten de rooilijnen van de bestaande bebouwing en verandert niet in de plansituatie. Er is geen groepsrisico. Conclusie: geen belemmering Inrichting Unilever De 10-6/jr plaatsgebonden risicocontouren liggen binnen de terreingrens. Er is geen groepsrisico. Conclusie: geen belemmering Verantwoording groepsrisico De groepsrisico's blijven zeer ruim onder de oriëntatiewaarde en nemen door de ontwikkelingen niet of minimaal toe. De groepsrisico's moeten door het bestuur worden verantwoord bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor deze risicobron een lichte verantwoording van het groepsrisico. De groepsrisico's geven geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.
47
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Op de natuurkaart is te zien dat met name de randen van het bestemmingsplangebied zijn aangemerkt als ecologische structuur. De Nieuwe Maas en Koningshaven betreffen "Getijdenrivier". De zuidoever en het grootste deel van de noordoever zijn aangemerkt als "Groene wijkdooradering". Het noordoostelijk deel van het gebied is aangemerkt voor "Kansen voor groene havenbekkens". Overige elementen worden binnen het bestemmingsplangebied niet weergegeven. Geen van de ontwikkellocaties is aangemerkt als een kerngebied binnen de Rotterdamse Natuurkaart. 6.8.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast zijn er gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas, op circa 8,2 kilometer afstand tot het
48
bestemmingsplangebied en Boezems Kinderdijk op circa 9,5 kilometer afstand. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van ten minste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied, dit betreft de Biesbosch. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Functieveranderingen binnen (de begane grond van) bestaande panden wordt wel mogelijk gemaakt. Als er tot functieverandering wordt overgegaan dan zal het waarschijnlijk gaan om de omzetting van niet-woonfuncties naar woningen. Als deze nieuwe woningen gasloos worden gerealiseerd (wat waarschijnlijk is) dan zorgt dit voor een vermindering van de stikstofuitstoot. De hoeveelheid verkeer zal door de functieverandering per saldo ongeveer gelijk blijven. Dit betekent dat er geen (significante) stikstofdepositie zal worden veroorzaakt door het bestemmingsplan, en dat een passende beoordeling niet vereist is. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar. De Nieuwe Maas (deels binnen het plangebied gelegen) maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen Belangrijk Weidevogelgebied is de Polder Schieveen, op circa 8,1 kilometer ten noord-noordwesten van het bestemmingsplangebied. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen binnen NNN-gebieden en Belangrijke Weidevogelgebieden. Derhalve kunnen negatieve effecten op deze natuurgebieden uit worden gesloten.
6.8.3
Soortbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is, zie hieronder: Vogels In het bestemmingsplangebied zijn vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Dit betreft waarnemingen van Slechtvalk op de Hefbrug en de Willemsbrug. Op de Willemsbrug is een nestkast voor slechtvalken aanwezig. Het bestemmingsplangebied is tevens geschikt voor andere gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten. In het plangebied zijn aan de noordzijde van Ons Park circa 30 Huismussen waargenomen. De vaste rust- en verblijfplaatsen van deze groep Huismussen bevindt zich hoofdzakelijk onder de dakpannen van de woningen aan de Van der Takstraat.
Op de oostpunt van het Noordereiland zijn tevens circa 15 Huismussen waargenomen in het openbaar groen. Bebouwing met dakpannen, afwijkende gevelpanelen of (deels) missende bakstenen en ruimten rondom regenpijpen is verspreid door het plangebied aanwezig. Op deze locaties kunnen tevens vaste rust- en verblijfplaatsen van Gierzwaluw aanwezig zijn. Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor andere vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen, en voor vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. In het plangebied is broedhabitat aanwezig voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. In de laanbomen langs de openbare wegen en langs Ons Park kunnen soorten als Zwarte kraai, Ekster en Spreeuw worden verwacht. Vleermuizen In het bestemmingsplangebied zijn Gewone dwergvleermuizen en Ruige dwergvleermuizen waargenomen. Te verwachtten soorten zijn Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis. Een deel van de bebouwing heeft stenen muren met een luchtspouw die toegankelijk is voor vleermuizen, een dakpannen dak of heeft betonnen gevelplaten. In de bebouwing is potentie aanwezig voor de functies zomer-, paar-, kraam-, of winterverblijfplaats. Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor boombewonende vleermuizen. Leefgebied voor vleermuizen is verspreid door het plangebied aanwezig.
Grotere, aaneengesloten en donkere groenstructuren zijn met uitzondering van Ons Park niet in het plangebied aanwezig. Vliegroutes van vleermuizen kunnen aanwezig zijn langs de bomenrijen en de kademuren. In het plangebied is een vliegroute van Gewone dwergvleermuis aanwezig. Deze route verbindt het gebied ten zuid/zuidoosten van het bestemmingsplangebied door middel van
49
groenstructuren, de Hefbrug, het Noordereiland en de Willemsbrug met de binnenstad waar de massawinterverblijfplaatsen zich bevinden. Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren uit de Habitatrichtlijn, en eveneens ongeschikt voor nationaal beschermde zoogdieren die zijn vrijgesteld van ontheffing. Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor reptielen en amfibieën uit de Habitatrichtlijn, en eveneens ongeschikt voor nationaal beschermde reptielen en amfibieën die zijn vrijgesteld van ontheffing. Vissen Het water in het bestemmingsplangebied is enkel geschikt voor algemene (niet beschermde) vissoorten. Planten Tijdens het veldbezoek zijn binnen het bestemmingsplangebied geen beschermde planten aangetroffen. Oude (kalkrijke) muren zijn aanwezig in de vorm van kademuren waarop meerdere soorten muurplanten zijn aangetroffen (o.a. Muurpeper, Steenbreekvaren, Tongvaren, Eikvaren, Mannetjesvaren en Zwartsteel). Geschikt habitat is aanwezig voor muurplanten zoals Blaasvaren, Schubvaren en Muurbloem. Het plangebied is ongeschikt voor andere Nationaal beschermde vaatplanten. 6.8.4
Ontwikkelingen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen die binnen een bestaande bestemming vallen, zoals sloop en nieuwbouw van woningen, renovaties of het herinrichting, dient voorafgaand nog flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Bij bestemmingsplanwijzing of een projectbestemmingsplan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Het bestemmingsplan Noordereiland maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Op een aantal locaties is functieverandering binnen de (begane grond van) bestaande bebouwing mogelijk. De kans dat een dergelijke functieverandering een effect heeft opbestaande soorten is klein. Als een functieverandering gepaard gaat met bouwwerkzaamheden moet voorafgaand daaraan worden onderzocht of sprake kan zijn van een effect op beschermde soorten. Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
50
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen is illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017 - 2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
51
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
De financiële paragraaf is gebaseerd op de ontwikkelingen opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan “Noordereiland”. Het bestemmingsplan is conserverend van aard en legt hoofdzakelijk de bestaande situatie vast. De in het concept ontwerp bestemmingsplan genoemde ontwikkelingen zijn reeds vergund via een andere procedure. De locatie aan Prins Hendrikkade 12-18 waar de transformatie van kantoorgebouwen naar woningen plaats mag vinden is in particulier bezit. De rol van de gemeente zal hier voornamelijk faciliterend van aard zijn. Geconcludeerd kan worden dat de ruimtelijke veranderingen op het Noordereiland, conform de ruimtelijke en programmatische uitgangspunten, zoals omschreven in het concept bestemmingsplanplan, financieel neutraal te realiseren zijn. Het bestemmingsplan is financieel uitvoerbaar.
52
Hoofdstuk 9 9.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.
9.2
Vooroverleg
In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. WSHD, Waterschap Hollandse Delta; 3. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam; 4. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 5. Tennet, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet; 6. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; 7. WBR, Warmtebedrijf Rotterdam, beheerder warmtetransportnetwerk; 8. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 9. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 10. K.P.N. Telecom; 11. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 12. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 13. Evides, bedrijf voor distributie drinkwater; 14. Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; 15. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; 16. Ministerie van Infrastructuur en Milieu; 17. Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland; 18. HbR, Havenbedrijf Rotterdam; 19. VWS Pipeline Control. Door de partijen vermeld onder de nummers 4 en 18 (vetgedrukt) is schriftelijk gereageerd met opmerkingen over de inhoud van het bestemmingsplan. De overige partijen hebben aangegeven dat bij het bestemmingsplan hun belangen niet in het geding zijn, of hebben geen reactie gestuurd. 9.2.1
WSHD, Waterschap Hollandse Delta;
Het waterschap geeft aan dat binnen het plan geen oppervlaktewaterlichamen aanwezig zijn die deel uitmaken van het watersysteem dat in beheer is bij Waterschap Hollandse Delta. Daarnaast ligt het plangebied buitendijks. Het waterschap heeft dan ook geen belang in de uitvoering van de werkzaamheden en heeft dan ook geen op- of aanmerkingen in deze. Commentaar: Wij danken WSHD voor de reactie en nemen deze voor kennisgeving aan.
53
9.2.2
VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van fysieke veiligheid advies uit over de mogelijkheden voor effectieve hulpverlening, de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van de aanwezigen en de continuïteit van de samenleving. Zij doet dit door middel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd. Uiteindelijk kan dit zich vertalen in omgevings-, bouwkundige, installatietechnische en/of organisatorische maatregelen. Voor dit plan geldt het volgende advies: Bereikbaarheid en bluswater De VRR adviseert rondom de ontwikkelingen te zorgen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt hiervoor mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Commentaar: Dit wordt gezien als een algemeen advies. Hiervan wordt kennisgenomen. Ventilatie uitschakelbaar Construeer de te realiseren gebouwen zodanig (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012) dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden. Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen.
Commentaar: Artikel 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012 luidt als volgt: 'Een in een veiligheidzone te bouwen bouwwerk met een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld'. Het is wettelijk verplicht om bij nieuwbouw binnen de veiligheidszone zo te bouwen dat de mechanische ventilatie handmatig kan worden uitgeschakeld. In het bestemmingsplan Noordereiland wordt geen nieuwbouw mogelijk gemaakt binnen een veiligheidszone. De VRR adviseert om wat binnen een veiligheidszone is voorgeschreven ook binnen de ruimere 1% letaliteitscontour van het toxische scenario voor te schrijven. De gemeente onderschrijft dat het vanuit het oogpunt van veiligheid van belang is om de mechanische ventilatie (indien aanwezig) handmatig uit te kunnen schakelen, maar ziet geen juridische mogelijkheid om dit buiten de veiligheidszones voor te schrijven. Vluchtmogelijkheden Geadviseerd wordt om, bij de ontwikkellocaties Prins Hendrikkade 12 en Prins Hendrikstraat 5, (nood)uitgangen aan diverse zijden van het object te realiseren. Wanneer deze ook in voldoende mate aansluiten op de infrastructuur wordt snel vluchten bevorderd, ook in geval van een calamiteit bij een risicobron in de omgeving.
Commentaar: Deze locaties worden door andere bebouwing afgeschermd van de Nieuwe Maas, en liggen op ruime afstand van andere risicobronnen. Daarom vindt de gemeente het niet doelmatig om in het bestemmingsplan een regeling voor (nood)uitgangen op te nemen. Draag zorg voor een goede voorlichting Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een (nabijgelegen) gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident.
54
Commentaar: Deze adviezen vallen niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en daarom kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld. 9.2.3
NGU, N.V. Nederlandse Gasunie
Het plan is door de NGU getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor de NGU aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komt NGU tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding van NGU valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Commentaar: Wij danken NGU voor de reactie en nemen deze voor kennisgeving aan.
9.2.4
HbR, Havenbedrijf Rotterdam
Het Havenbedrijf merkt op dat de plasbrandaandachtszone (zie Barro en artikel 6.21 van de provinciale verordening) in dit plan niet is opgenomen. We verzoeken u de plasbrandzone in de regels en in de plankaart op te nemen. Commentaar: Plasbrandaandachtsgebieden en veiligheidszones worden betrokken bij het opstellen van bestemmingsplannen (zie paragraaf 6.7.2). Omdat binnen genoemd gebied en zone geen nieuwbouw wordt mogelijk gemaakt, heeft naar het oordeel van de gemeente geen meerwaarde om deze zones op te nemen op de verbeelding en in de regels van een bestemmingsplan. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat een zones wijzigt. Waardoor het risico bestaat dat een in het bestemmingsplan opgenomen zone niet meer overeenkomt met de zone zoals die in bijvoorbeeld de provinciale verordening is vastgelegd.
55
56
Bijlagen
57
Bijlage 1 Afbeelding Archeologie
58
93.300
93.500
93.700
93.900
93.500
93.700
93.900
94.100
94.300
437.200 437.000 436.800 436.600 436.400 436.200 436.000 435.800
435.600
435.600
435.800
436.000
436.200
436.400
436.600
436.800
437.000
437.200
437.400
93.100
437.400
92.900
Waarde Archeologie 1 435.400
plangebied
´ 92.900
0
100m Schaal 1:10.000
Kaart: Gemeente Rotterdam 93.100
93.300
Bestemmingsplan BP338 Noordereiland. Plankaart archeologie.
Esri Nederland, Community Map Contributors 94.100
94.300
435.200
435.400
Waarde Archeologie 2
Bijlage 2 Onderzoek Geluid
60
Bijlage 3 Hogere Waarden Invoegen pm
61
Bijlage 4 Onderzoek Externe Veiligheid
62
Bijlage 5 Onderzoek Flora en Fauna
63
64
Regels
65
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
plan:
Het bestemmingsplan Noordereiland met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP1120Noordereilnd- van de gemeente Rotterdam. 1.2
bestemmingsplan:
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanbouw (uitbouw)
Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6
Achtererfgebied
Erf aan de achterkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw en aan de zijkant(en) ervan, op meer dan 1 meter van de erfgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijke gebied, alsmede op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7
Achtertuin
Het voor tuin bestemde gedeelte van een perceel dat omzoomd wordt door de achtererfgrens en de beide zijerfgrenzen van het perceel, alsmede door de achtergevelbouwgrens van het bouwvlak plus, voor zover van toepassing, de denkbeeldige lijn(en) getrokken in het verlengde hiervan tot aan de zijerfgrens. 1.8
Archeologisch deskundige
Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.9
Archeologisch monument
Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.10
Ashoogte van een windturbine
De bouwhoogte van een windturbine exclusief het uiteinde van de rotor. 1.11
Bebouwing
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.12
Bebouwingspercentage
Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.13
Bedrijven
De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels.
66
1.14
Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond
Het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" dat als bijlage 3 is gevoegd bij de regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader. 1.15
Belwinkel
Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 1.16
Beperkt kwetsbare objecten
a. woningen, kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover deze objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; b. sporthallen, zwembaden, speeltuinen; c. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; d. andere objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; e. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval. 1.17
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidt ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.18
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.19
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.20
Bouwaanduidingen
Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.21
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.22
Bouwgrens
De grens van een Bouwvlak. 1.23
Bouwlaag
Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de
67
bestemmingsregels in hoofdtstuk 2 anders is bepaald. 1.24
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25
Bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel. 1.26
Bouwverordening
Bouwverordening Rotterdam 2010, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.27
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.28
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.29
Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)
Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.30
Bunkerponton
Drijvende tankpunten waar vaartuigen kunnen aanleggen om hun brandstof (en water) in te nemen. 1.31
Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.32
Bijgebouw
Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel. 1.33
Bijzondere objecten
a. b. c. d.
bejaardentehuizen en verpleeginrichtingen (zoals ziekenhuizen en sanatoria); scholen en winkelcentra; hotels, kantoor- en bedrijfsgebouwen, bestemd voor meer dan 50 personen; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals computer- en telefooncentrales, gebouwen met vluchtleidingsapparatuur; e. objecten die door secundaire effecten een verhoogd risico met zich brengen, zoals bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en/of giftige stoffen; f. een recreatieterrein: 1. een terrein voor langdurig verblijf van personen gedurende een gedeelte van een jaar, zoals camping; 2. een terrein voor kortstondig verblijf van grote groepen personen gedurende een gedeelte van de dag, zoals een speeltuin, een volkstuin, een sportveld of een openluchtzwembad; g. andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten.
68
1.34
Cultuur en ontspanning
Voorzieningen op het gebied van cultuur, spel en ontspanning, zoals een atelier, creativiteitscentrum, dansschool, kookstudio, muziekschool, museum, wellness, speelautomatenhal, theater en bioscoop. 1.35
Dakterras
Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk waarvan de bouwhoogte minimaal 1,2 meter bedraagt. 1.36
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.37
Dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.38
Bedrijfswoning
Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 1.39
Dove gevel
a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits deze niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In dit verband wordt onder een geluidsgevoelige ruimte verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2. 1.40
Effectgebied externe veiligheid
Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij een risicobron plaatsvindt. 1.41
Erf
Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.). 1.42
Erfgoedwet
De Erfgoedwet (2016), zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.43
Evenement
1. Een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, zoals een feest of muziekvoorstelling, in de buitenruimte van het openbaar toegankelijk gebied met uitzondering van: a. kleinschalige evenementen onder de voorwaarden dat: 1. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250 personen; 2. het een evenement is dat plaatsvindt tussen 8.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; 3. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80
69
b.
c.
d. e.
dB(A) en 90 dB(C) waarbij de geluidbelasting maximaal 65 dB(A) en 75 dB(C) ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde geluidgevoelige objecten mag zijn; 4. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m² per object; 5. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt; verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in de buitenruimte van een openbare inrichting waarbij: 1. een vergunning krachtens artikel 2:28 APV geldt; 2. de buitenruimte in het onderliggende bestemmingsplan bestemd of aangeduid is als behorend bij de openbare inrichting; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en markten die vallen onder de “Beleidsregel Evenementenmarkten: Braderieën, Rommelmarkten en Themamarkten Rotterdam 2018”; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest) van de APV;
Bij optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld in sub d), sportwedstrijden en wandeltochten op openbare wegen en paden worden uitsluitend parcoursafzettingen waaronder start, finish en eventuele locaties langs de weg met podiumopstelling of versterkt muziek of tribunes meegerekend als evenement. Indien de gehele route het parcours is afgezet, telt het ook mee als evenement. Optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld in sub d) sportwedstrijden of wandeltochten zonder parcourafzettingen of tribunes of versterkt geluid worden niet meegerekend als evenement. 1.44
Gevaarlijke stoffen
Stoffen of preparaten die krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.45
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.46
Geluidsgevoelige objecten
Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd. 1.47
Geluidsniveau in dB(A)
LAeq (3 minuten): het equivalent geluidniveau in dB(A), zijnde het energetisch gemiddeld geluidniveau gedurende een beoordelingstijd van 3 minuten, uitgedrukt in dB(A). 1.48
Geluidsniveau in dB(C)
LCeq (3 minuten): het equivalent geluidniveau in dB(C), zijnde het energetisch gemiddeld geluidniveau gedurende een beoordelingstijd van 3 minuten, uitgedrukt in dB(C). 1.49
Gestapelde woningen
Woningen, gestapeld met woningen (soms ook gestapeld met andere functies, welke dan in de bestemmingsomschrijving vermeld dienen te zijn). 1.50
GGD
Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond.
70
1.51
Grondgebonden woningen
Woningen met een eigen tuin. 1.52
Hoofdgebouw
Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.53
Hoog-risico biologisch laboratorium
Een biologisch laboratorium met een biologische veiligheidsklasse 3 of hoger zoals bedoeld in het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond". 1.54
Horeca
Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.55
Hotel
Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.56
Kap
Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.57
Kantoren
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.58
Kleinschalige speeltoestellen
Speeltoestellen niet hoger dan 4 meter. 1.59
Kwetsbare objecten
a. woningen, met uitzondering van: 1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare; 2. dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 1. kantoorgebouwen en hotels met een b.v.o. van meer dan 1500 m² per object; 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk b.v.o. meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal b.v.o. van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. 1.60
Laagbouw woningen
Woningen, niet gestapeld met woningen of andere functies. Woonwagens c.q. woonwagenstandplaatsen worden niet hieronder begrepen.
71
1.61
Maaiveld
De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.62
Maatschappelijke voorzieningen
Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Daarbij zijn de bioscopen en theaters uitgezonderd. 1.63
Milieudeskundige
De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.64
NAP
Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.65
Nieuw hoog-risico biologisch laboratorium
Nieuwvestiging van een hoog-risico biologisch laboratorium of uitbreiding van een bestaand (hoog-risico biologisch) laboratorium met een hoog-risico biologisch laboratorium. 1.66
Oorspronkelijke zij- resp. achtergevel
De zij- resp. achtergevel van een gebouw op het tijdstip van eerste oplevering van het gebouw. 1.67
Openbaar nutsvoorzieningen
Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.68
Openbaar toegankelijk gebied
Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b. van de Wegenverkeerswet 1994, openbaar water, alsmede ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van de zogenaamde brandpaden voor de achterontsluiting van tuinen voor langzaam verkeer. 1.69 a. b. c. d. e.
Overige objecten
een sporthal of een zwembad; een weidewinkel; een hotel, een kantoor- of bedrijfsgebouw, niet vallend onder de categorie bijzondere objecten; een schuur, opslagplaats, dierenverblijf, zomerhuisje, kas, weg en dergelijke; andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten.
1.70
Peil (straat-)
a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. 1.71
Praktijkruimte
Een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
72
1.72
Publieke dienstverlening
Bestuursorganen van de overheid en de daaraan gekoppelde ambtelijke diensten ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering, alsmede politie, brandweer, reinigingsdiensten, gezondheidsdiensten. 1.73
Rijbaan
Elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, met uitzondering van (brom)fietspaden. 1.74
Rijstrook
Gedeelte van de rijbaan van een weg (welke door middel van doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd is) van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken. 1.75
Seksinrichting
De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. 1.76
Souterrain
Een gedeeltelijk onder het maaiveld gelegen gebruiksruimte van een gebouw. 1.77
Straatmeubilair
Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.78
Tiphoogte van een windturbine
De bouwhoogte van een windturbine inclusief het uiteinde van de rotor. 1.79
Tuin
Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt. 1.80
Uitstekende delen aan gebouwen
Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.81
VRR
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. 1.82
Water
Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. 1.83
Wet geluidhinder
De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.84
Wet ruimtelijke ordening
De Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.85
Windturbine
Door de wind aangedreven bouwwerk, waarmee energie wordt opgewekt.
73
1.86
Woningwet
De Woningwet zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.
74
Artikel 2
wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3
de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. 2.6
de breedte van een gebouw
Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. 2.7
de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens
Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens. 2.8
de hoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.
75
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
BEST EM M INGSREGELS
Bedrijf - Nutsvoorziening
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen van openbaar nut. 3.2
Bouwregels