[23bb001620] Bijlage behorende bij 23bb1623 - Ontwerpbestemmingsplan Pompenburg
Tekst van het document
Figuur 6.2 Nieuwe verkeersstructuur
66/174
De voornaamste ingrepen om dit te bereiken zijn: het afsluiten van de Raampoortstraat en spoortunnel voor autoverkeer, het afsluiten van het Stroveer voor autoverkeer (ongeveer) ter hoogte van de Hofbogen; de aanleg van een nieuwe aansluiting vanaf het Pompenburg naar het blok Stroveer en tevens naar het bestaande wooncomplex Heliport; de aanleg van een nieuw, verhoogd maaiveld op de parkeergarage bij het blok Stroveer. De eerste drie ingrepen zijn bedoeld om ieder van de drie ontwikkellocaties direct te koppelen aan de meest nabij gelegen stroomweg. In de nieuwe situatie geldt voor autoverkeer dat het blok Heer Bokelweg vanaf de Heer Bokelweg bereikt kan worden, dat het blok Couwenburg en het blok Pompenburg via het Couwenburg bereikt kan worden en dat het blok Stroveer via de nieuwe aansluiting vanaf het Pompenburg bereikt kan worden. De genoemde ingrepen dragen daarnaast ook bij aan het realiseren van een prettig verblijfsgebied. Het afsluiten van de spoortunnel voor autoverkeer zorgt ervoor dat er een autoluwe verbinding ontstaat tussen beide zijden van het spoor en dat de verdere openbare inrichting zich kan richten op voetgangers, langzaam verkeer en een inrichting ten behoeve van de aangrenzende plintfuncties.
Het afsluiten van het Stroveer en de aanleg van een nieuw, verhoogd maaiveld in de plaats daarvan zorgen rondom het nieuwe blok Stroveer voor een verblijfsgebied dat vanuit het plangebied aansluit op het hoger gelegen Pompenburg met verbindingen voor voetgangers en fietsers. Voor calamiteitenverkeer blijft er wel een verbinding om vanuit noordelijke richting, langs het Heliport-complex tot aan het Pompenburg te komen. Naast de ingrepen binnen het plangebied, wordt ook de herinrichting van het Hofplein voorbereid. Dit staat los van het project Pompenburg, maar is wel een project om op verkeerskundig vlak rekening mee te houden. Met de herinrichting wordt het aantal rijbanen afgewaardeerd, waardoor meer ruimte ontstaat om het middengebied van het Hofplein een groen verblijfsgebied te maken. In het verkeersonderzoek is reeds rekening gehouden met deze nieuwe inrichting van het Hofplein. Verkeersgeneratie Het bestemmingsplan biedt enige flexibiliteit waar het gaat om de programmatische uitwerking. In het verkeersonderzoek is bekeken welke functies de maximale verkeerstoename op de ontsluitende wegen genereert. Een invulling van de plinten met horeca en winkels genereert bijvoorbeeld meer verkeer dan een invulling met maatschappelijke voorzieningen. Per deelgebied is op basis van kentallen de maximale verkeersgeneratie bepaald.
Voor het woningbouwprogramma is overigens wel rekening gehouden met een reële verdeling van woningen over de verschillende prijsklassen. Zo is in de Nota van Uitgangspunten vastgelegd dat 50% van de woningen in de segmenten sociaal en middelduur worden aangeboden. Het is om die reden niet realistisch om in het verkeersonderzoek van uitsluitend duurdere woningen uit te gaan, die volgens de kentallen meer verkeer genereren. De maximale verkeersgeneratie voor alle deelgebieden samen betreft 2.288 motorvoertuigen (mvt) op een gemiddelde werkdag. Daarbij is voor het woningbouwprogramma een reële
67/174
Verkeersafwikkeling Om de verkeerseffecten van Pompenburg inzichtelijk te maken, is een dynamisch verkeersmodel gebouwd. Met het dynamisch verkeersmodel is het mogelijk om de verkeersafwikkeling op kruispuntniveau inzichtelijk te maken. Met scenario's zijn in het verkeersonderzoek ook de mogelijke gevolgen van infrastructurele aanpassingen in de omgeving in beeld gebracht, waaronder de plannen ter plaatse van het Hofplein. Ook de verkeersgeneratie door andere ruimtelijke plannen in de omgeving (Lumiere, Rise en Schiekadeblok, zie ook de inleiding van dit hoofdstuk) is onderdeel van het verkeersmodel dat ten grondslag ligt aan het onderzoek in bijlage 4. Uit het onderzoek blijk het volgende:
De ontwikkeling Pompenburg heeft - uitgaande van het maximale programma - een theoretisch overschot van 22 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm van gemeente Rotterdam. De ontwikkeling Pompenburg genereert 2.282 motorvoertuigen per etmaal. In een worst-case scenario (hotel ipv kantoor en op basis van het trendscenario i.p.v. mobiliteitstransitie-scenario). In beide situaties (met en zonder plan) is de kruispuntafwikkeling in orde voor de kruispunten Schiekade / Heer Bokelweg en Pompenburg / Goudseveer / Stroveer. Met de komst van Pompenburg neemt de verkeersdruk op Hofplein toe. Naast Coolsingel (wachtrijen tot voorbij Doelwater) kent nu ook Weena wachtrijen (tot aan Delftse Poort). Als gevolg van het afsluiten van Raampoortstraat moet al het gemotoriseerd verkeer bestemmingsverkeer gebruik maken van Hofplein. Er is hier dus sprake van een cumulatief effect (lichte toename verkeer door het plan Pompenburg en het afsluiten van de Raampoortstraat) omtrent de verkeersdruk in het studiegebied. De ontwikkelingen binnen het plan veroorzaken een afname van de netwerkprestatie van het studiegebied. De gemiddelde verliestijd per personenauto neemt toe van 95 seconden naar 128 seconden in de situatie 2030 met plan (+34%). Deze toename is vooral toe te schrijven aan het afsluiten van de Raampoortstraat.
Opgemerkt wordt dat de gemeente Rotterdam overweegt de Raampoortstraat ook af te sluiten zonder dat het plan Pompenburg wordt gerealiseerd. Dit om sluipverkeer - na realisatie van de herinrichting van het Hofplein - tussen de wegen Heer Bokelweg en Pompenburg te voorkomen. De toenames ten opzichte van de situatie met plan zullen in dit geval een stuk kleiner zijn dan in deze rapportage berekend. De geconstateerde wachtrijen in de situatie 2030 met plan zijn overeenkomstig met de bevindingen uit de Verkeerstudie Hofplein (RHDHV, 25-03-2021). Daaruit blijkt dat de impact van extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling van Pompenburg beperkt is op de wachtrijlengtes. Het verkeer richting Hofplein blijft doorstromen (zowel in de situatie 2030 zonder én met plan), al is dat met aangepaste snelheid.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek zal plangebiedoverstijgend (rekening houdend met de resultaten van de onderzoeken die zijn en worden uitgevoerd voor de verschillende ontwikkelingen in de omgeving) worden uitgewerkt op welke wijze kan worden gekomen tot een zo optimaal en robuust mogelijke ontsluitingsstructuur. Parkeren In de verkeersstudie is verkennend inzicht gegeven in het benodigde aantal parkeerplaatsen en de mate waarop daarin wordt voorzien. Uit de parkeerbalans blijk dat de ontwikkeling Pompenburg een theoretisch overschot van ca. 60 parkeerplaatsen heeft. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm van gemeente Rotterdam. Definitieve toetsing vindt plaats in het kader van de benodigde omgevingsvergunning. Dit is geborgd in artikel 16.1 van de planregels.
68/174
Hoofdstuk 7 7.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden in dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Daarbij is van belang dat het bestemmingsplan waar het gaat om het programma nog enige mate van flexibiliteit biedt voor de verdere uitwerking van de plannen. Waar relevant is in de milieuonderzoeken bekeken welke programmatische uitwerking worstcase is voor de toetsing aan de geldende kaders. Daarbij gaat het met name om de verkeersgeneratie, de parkeerbehoefte en de personendichtheden (invloed groepsrisico transport gevaarlijke stoffen). In de verschillende onderzoeken is een overzicht opgenomen van de programmatische uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de berekeningen. Samenhang milieuonderzoeken andere ontwikkelingen In het centrumgebied spelen op dit moment verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: Treehouse, Rise, Lumière, Schiekadeblok, ASR en Pompenburg. Ten noordoosten van Pompenburg wordt het Zomerhofkwartier herontwikkeld en in de toekomst vinden ook ontwikkelingen plaats bij Katshoek. Het gaat om ontwikkelingen waarvoor recent een ruimtelijke procedure is doorlopen of op dit moment een bestemmingsplan of andere ruimtelijke procedure wordt doorlopen of voorbereid.
Door de korte afstand van de ontwikkelingen tot elkaar zijn een aantal milieuaspecten in samenhang met elkaar onderzocht. Zo maken alle bovengenoemde projecten (behalve ASR) gebruik van een gezamenlijk verkeersmodel zodat de totale effecten op de verkeersstructuur goed inzichtelijk zijn. Het verkeersmodel is ook de grondslag voor de onderzoeken naar wegverkeerslawaai en luchtkwaliteit. Die aspecten zijn dus ook in samenhang onderzocht. Bij het onderzoek naar externe veiligheid is gebruik gemaakt van populatiegegevens waar alle genoemde ontwikkelingen in zitten. Voor het aspect bezonning is rekening gehouden met Treehouse en Schiekadeblok. Het onderzoeken van milieuaspecten in samenhang wil zeggen dat bij de onderzoeken van Pompenburg rekening wordt rekening met de ontwikkeling van bovengenoemde projecten. En bij de bovengenoemde projecten wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van Pompenburg.
69/174
7.2
Milieueffectrapportage
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Onderzoek Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde mogelijkheden moeten worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Omdat de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden is een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd. De m.e.r.-beoordelingsnotitie is opgenomen in bijlage 23. Het college heeft voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan het m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Dit is opgenomen in bijlage 26. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de resultaten van de vormvrije m.e.r.-beoordeling, vanwege het bestemmingsplan Pompenburg geen grote negatieve effecten op het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen.
7.3
Schaduwwerking
In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van schaduwwerking. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect bezonning c.q. schaduwwerking te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. Gelet op de bouwhoogte en verdichting bij dit bestemmingsplan, wordt nader ingegaan op dit aspect. Voor de bezonning van de openbare ruimte is de Rotterdam de Hoogbouwvisie 2019 van toepassing. Voor de bezonning van de bestaande woningen in de omgeving is het Afwegingskader Bezonning van toepassing. Hoogbouwvisie 2019 In de Hoogbouwvisie zijn er zogenaamde 'sunspots' en representatieve ruimtes aangewezen. Dit zijn openbare ruimten met een dusdanige functie voor haar omgeving, dat voor ieder van deze locaties is bepaald of een afname in bezonning is toegestaan, binnen welke tijden en met welke duur. Indien geen sprake is van sunspots of representatieve ruimtes, dient uitgegaan te worden van de 'basiskwaliteit' waarvoor de Hoogbouwvisie een afname met maximaal 2 uur aan bezonning acceptabel acht.
70/174
Afwegingskader bezonning De gemeente Rotterdam heeft in juni 2021 het afwegingskader bezonning vastgesteld. Het afwegingskader komt voort uit een veel gebruikte richtlijn, de lichte TNO-norm. De toetsingsdag is gelijk getrokken aan de ongunstigste datum van periode uit de hoogbouwvisie, 21 september. Het afwegingskader biedt naast een kwantitatieve beoordeling de ruimte om de gevolgen van de afname van de bezonning af te zetten tegen het belang van de nieuwbouw. In het afwegingskader staan de voorwaarden voor de toetsing van de bezonning van bestaande woningen: Een toetsing is nodig als geplande bebouwing (binnen bepaalde voorwaarden) 50% hoger is dan de gemiddelde omgevingshoogte. Bestaande woningen worden getoetst tot een afstand van 3 maal de hoogte van de nieuwbouw, met een maximum van 500 meter. De meethoogte is 0,75 meter in het midden de gevel met ramen van de onderste woonlaag. De opgetelde bezonning van de verschillende gevels van de woning wordt beoordeeld. De bezonning wordt gemeten op 21 september van zonsopgang tot zonsondergang. Bij een bezonning van minimaal 2 uren voldoet de bezonning. Een afname van de bezonning ten opzichte van de bestaande situatie van minder dan 15% voldoet ook.
Als de bezonning niet voldoet wordt er door de gemeente een afweging gemaakt of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van de bezonning van de bestaande woningen. Hierbij gaat het over een 'proportionele afweging', een 'verdichtingsafweging' en een 'typologische afweging'. 7.3.1 Plangebied In verband met de bouwhoogte van de geplande bebouwing binnen plangebied Pompenburg is een bezonningsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. Het model en de cumulatieve waarde In het onderzoek is alle planologisch mogelijk gemaakte hoogbouw meegenomen, waaronder ook het plan Schiekadeblok dat recent is vastgesteld. Voor de torens in Pompenburg is de zone waarin balkons zouden kunnen komen, opgenomen in de volumes zoals aangeleverd aan Ingenieursbureau Peutz. Conclusie Onderzoek Hoogbouwvisie Rotterdam Uit de Hoogbouwvisie Rotterdam komen geen sunspots naar voren in de omgeving van het plangebied. Met het Hofplein is er wel een 'representatieve ruimte' in de buurt van het plangebied aanwezig. Hieraan zijn voorwaarden verbonden tussen 9-18 uur op de meetdata 21 juni en 21 september. De conclusie is dat het plan geen schaduw werpt op het Hofplein binnen de aangegeven tijden. Het plan voldoet. In de overige straten rondom de geplande hoogbouw geldt het criterium 'basiskwaliteit'. Hier mag gemiddeld niet meer dan 2 uur extra schaduw vallen op 21 juni en 21 september.
De geplande hoogbouw voldoet aan de gestelde norm. De schaduwwerking van de geplande hoogbouw in plangebied Pompenburg voldoet hiermee aan de eisen zoals beschreven in de hoogbouwvisie Rotterdam 2019.
71/174
Afwegingskader bezonning Volgens de methode zoals beschreven in het vastgestelde Afwegingskader Bezonning, is in een straal van driemaal de hoogte van de beoogde ontwikkeling het effect van de bezonning onderzocht. Binnen deze straal zijn 590 woningen getoetst. Voor de afweging geldt specifiek alleen de getoetste onderste woonlaag, de bovengelegen woningen tellen niet mee voor de afweging, omdat het een representatieve steekproef betreft. Dit is conform het Afwegingskader bezonning. Bij aanwezige woningen zijn meetpunten aan het 3D-model toegevoegd. Bij eenzijdig georiënteerde woningen is één meetpunt geplaatst. Bij woningen met meerdere gevels met ramen zijn twee meetpunten geplaatst. Hieruit kwam naar voren dat er voor 17 getoetste woningen in de situatie na toevoeging van de torens in Pompenburg niet meer dan twee uur zon op de gevel valt en de afname van bezonning in die gevallen meer dan 15% bedraagt. Daarmee moet er een afweging worden gemaakt op grond van proportionaliteit, verdichtingsopgave en typologie. Het betreft: Vijf woningen gelegen aan de Schiekade. De bezonning is nu al beperkt door een ligging op het noordoosten. Ten gevolge van de geplande hoogbouw zal in de ochtend tot maximaal 1 uur en 30 minuten extra schaduw bij deze woningen optreden. Dit resulteert erin dat er minder dan twee uur zon op de gevel valt.
De duur van directe zoninval na realisatie van het plan loopt bij deze woningen uiteen van 40 minuten tot 1 uur en 15 minuten.
Figuur 7.3.1 Bepalende meetpunten woningen Schiekade
72/174
Negen van de woningen zijn gelegen in de wijk Heliport. Bij drie woningen aan het Stroveer is sprake van een urenlange extra schaduw ten gevolge van de geplande bebouwing. Bij de andere woningen is er een kortere toevoeging van schaduwduur maar is de bezonningsduur op voorhand beperkt door de compacte opbouw van de wijk. Dit resulteert erin dat er minder dan twee uur zon op de gevels valt. De duur van directe zoninval na realisatie van het plan loopt bij deze woningen uiteen van 0 minuten tot 1 uur en 45 minuten.
Figuur 7.3.2 Bepalende meetpunten woningen Heliport
Voor drie woningen aan de Pompenburg 180-392 is vastgesteld dat er geen twee uur zon op de gevels valt. Dit is met name het gevolg van de ongunstige oriëntatie van de woningen met een gevel op het noord-noordwesten. De toename van schaduwduur van de hoogbouw van Pompenburg is 15 tot 20 minuten. Dit resulteert erin dat er minder dan twee uur zon op de gevels valt. De duur van directe zoninval na realisatie van het plan loopt bij deze woningen uiteen van 1 uur tot 1 uur en 5 minuten.
Figuur 7.3.3 Bepalende meetpunten woningen Pompenburg 180-392
73/174
Afweging Proportionele afweging In het gebied zijn 590 woningen onderzocht waarvan 17 getoetste woningen niet voldoen aan de criteria uit het afwegingskaders. 2,9% van het aantal onderzochte woningen voldoet niet aan het Afwegingskader Bezonning. In Pompenburg worden 800-1100 woningen gerealiseerd waarvan 50% betaalbaar (Sociaal en midden huur / koop). Verdichtingsafweging Het gebied is onderdeel van de hoogbouwzone. Hier zet de gemeente in op verdichting. Dit wordt ook omschreven in de Omgevingsvisie Rotterdam, waar Pompenburg wordt aangemerkt als verdichtingslocatie. 50.000 nieuwe woningen zijn nodig tot 2040. In het coalitieakkoord staat dat de komende 4 jaar 3.500-4.000 woningen per jaar gebouwd moeten worden. De woningen in Pompenburg bevinden zich op loopafstand van het Centraal Station en metrohalte Stadhuis, een duurzame plek dus om verdichting toe te staan. Door het bouwen in torens in plaats van dichte laagbouw kan ook groen behouden blijven en kwalitatief verbeteren; bijvoorbeeld park Stroveer. Als dezelfde dichtheid in middelhoogbouw gebouwd zou zijn, zouden veel meer woningen in de omgeving er last van hebben. De aangrenzende woningen hebben ook profijt van de ontwikkeling. De buitenruimte wordt opnieuw ingericht, het gebied wordt sociaal veiliger en er komen aantrekkelijke voorzieningen bij.
Typologische afweging De verdichting vindt plaats in de hoogbouwzone aan de rand van de binnenstad. Het is een logische plek om te bouwen in hoge dichtheden. Met de gebiedsontwikkeling Pompenburg wordt het rommelige gebied zoals dat is ontstaan na de 2e wereldoorlog weer een volwaardig onderdeel van de stad.
7.3.2 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de bezonning van 17 getoetste woningen ten gevolge van de toegevoegde schaduw door de beoogde ontwikkeling niet voldoet aan de criteria. Zowel proportioneel als kwalitatief zijn de voordelen van de ontwikkeling Pompenburg echter groter dan de 17 getoetste woningen die er op achteruit gaan. Het effect op de bezonning van de openbare ruimte in de omgeving, voldoet aan de bepalingen uit de Hoogbouwvisie.
7.4
Windhinder
In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft.
74/174
In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Het doel van het onderzoek is om een indicatie te krijgen van het te verwachten windklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in windhinder en windgevaar. Bij overschrijding van een bepaalde windsnelheid en afhankelijk van de activiteit (doorlopen, slenteren of langdurige zitten) wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van goed, matig of slecht windklimaat. Van windgevaar is sprake indien zodanig hoge windsnelheden ontstaan dat mensen daarvan ernstige problemen ondervinden tijden het lopen. Voor het beoordelen ervan worden de gradaties gevaarlijk, beperkt risico en geen gevaar/voldoet gebruikt, zoals opgenomen in de hoogbouwvisie. NEN 8100:2006 geeft een indeling voor windhinder naar kwaliteitsklassen. Deze indeling is terug te vinden in tabel 7.4.1. Aan de hand van de kans op overschrijding van de grenswaarde voor windhinder wordt bepaald in welke klasse een locatie valt. Afhankelijk van het gebruiksdoel van de locatie wordt een bepaalde klasse gekarakteriseerd als goed, matig of slecht. Tabel 7.4.2 toont de indeling en kwalificatie voor de kans op windgevaar op vergelijkbare wijze als voor windhinder wordt gedaan.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor activiteiten 'Slenteren' en 'Langdurig zitten' zelfs een beperkt risico al onacceptabel is. Voor deze activiteiten geldt dat enkel p=0.05 acceptabel is. Een gevaarlijk windklimaat moet te allen tijde worden vermeden. Toetsing vindt plaats op een hoogte van 1,75 m boven het grondoppervlak. Tabel 7.4.1 Criteria voor de beoordeling van het lokale windklimaat voor windhinder
Tabel 7.4.2 Criteria voor de beoordeling van het lokale windklimaat voor windgevaar
75/174
7.4.1 Plangebied Het inpassen van de nieuwbouw zal leiden tot een wijziging van het lokale windklimaat. Dit kan zorgen voor een situatie die als onprettig of gevaarlijk wordt ervaren. Het is dan ook noodzakelijk het windklimaat inzichtelijk te maken, zodat mogelijke knelpunten kunnen worden aangepakt. Het windklimaat is inzichtelijk gemaakt met behulp van berekeningen op basis van Computational Fluid Dynamics (CFD). In deze studie is gebruik gemaakt van de normstelling omtrent windhinder en windgevaar, de Nederlandse norm NEN 8100:2006 'windhinder en windgevaar in de gebouwomgeving'. De resultaten laten het volgende zien: De windcondities rond de nieuwbouw kunnen als overwegend luw omschreven worden en kenmerken zich door windklassen A en B en enkele zones waar klasse C en D heersen. Rondom Blok 1 (Heer Bokelweg) heersen voornamelijk luwe windcondities die zich kenmerken door klassen A en B. Op de Heer Bokelweg zijn twee zones te zien waar klasse C heerst. Verder is er nabij de zuidwestelijke hoek van het blok een zone te zien waar klasse C heerst en tevens een kleine zone met windcondities die zich kenmerken door klasse D. De condities in het D-klasse gebied zijn enkel geschikt om doorheen te lopen. Maatregelen die uit het rapport volgen zoals een setback of de insnoering van de hoek, zijn meegenomen in dit bestemmingsplan om het windklimaat te verbeteren.
Daarnaast wordt ter plaatse van het goed bezonde terras aan de zuidoostelijke hoek van dit blok (hoek Raampoortstraat/spoor) een luifel mogelijk gemaakt om de verblijfskwaliteit te optimaliseren.
Figuur 7.4.1 Beoordeling jaargemiddelde voor activiteit doorlopen
76/174
Figuur 7.4.2 Beoordeling jaargemiddelde resultaat voor activiteit slenteren
Figuur 7.4.3 Beoordeling situatie met bladdragende vegetatie voor activiteit langdurig zitten
77/174
Rond Blok 2 (Cauwenburg) heersen windluwe condities die zich enkel kenmerken door windklasse A en B. Deze condities zijn geschikt voor alle voetgangersactiviteiten; Blok 3 (Pompenburg) kent overwegend luwe windcondities die zich karakteriseren door windklasse A en B. Om de zuidelijke en westelijke hoeken zijn zones te zien waar windrijkere condities gelden die zich kenmerken door klasse C. Men kan hier comfortabel doorheen lopen en slenteren; In de omgeving van Blok 4 (Stroveer) heersen enkel windluwe condities die zich kenmerken door windklasse A en B en daarmee geschikt zijn voor alle activiteiten. In het plangebied geldt geen risico op windgevaar in de openbare buitenruimte.
7.4.2 Conclusie De windcondities in het plangebied zijn overwegend luw en daarmee geschikt voor de meeste voetgangersactiviteiten. Enkel indien men voorziet dat voetgangers zullen gaan slenteren en/of langdurig zullen gaan zitten in het eerdergenoemde D-klasse gebied worden maatregelen aangeraden. Met het onderzoek is aangetoond dat de ontwikkelmogelijkheden uit dit bestemmingsplan uitvoerbaar zijn op het gebied van windhinder. De defintieve vormgeving van de bouwplannen kan verder van effect zijn op de uiteindelijke windhindersituatie. Om die reden is in de regels van dit bestemmingsplan een artikel opgenomen, waarin bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen een op het bouwplan toegespitst windhinderonderzoek wordt gevraagd. Naar aanleiding hiervan kan het bevoegd gezag - indien nodig - nadere eisen stellen aan het bouwplan om de windhinder en het windgevaar als gevolg van het bouwplan te beperkten. Deze bepaling is opgenomen voor bouwplannen voor gebouwen van 30 m of hoger.
7.5
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.
78/174
De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 7.5.1 Plangebied In de beoogde situatie worden woningen, commerciële functies, kantoren en een culturele functie gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige functies en milieuhinderlijke functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Het plangebied is gelegen in het centrum van Rotterdam waarbij er sprake is van een hoge mate van functiemenging. Tevens is het plangebied deels gelegen aan de belangrijke ontsluitingswegen Pompenburg en Heer Bokelweg. De omgeving van het plangebied kan daardoor worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Nieuwe milieugevoelige functies Met het plan worden woningen mogelijk gemaakt, wat een milieugevoelige functie betreft. Dit houdt in dat hiervoor onderzoek nodig is naar bedrijven in de omgeving van het plangebied en de mogelijke hinder die zij kunnen opleveren voor de beoogde woningen.
Andersom geldt dat de nieuwe woningen ook belemmeringen voor omliggende bedrijven met zich mee kunnen brengen wanneer de onderlinge afstand te klein is. Uit een inventarisatie van bestaande functies in de omgeving van het plangebied, is gebleken dat zich daar uitsluitend functies uit milieucategorie 1 en 2 bevinden. In tabel 7.5.1 is een overzicht opgenomen van de omliggende bedrijven met daarbij het bedrijf, de milieucategorie waaronder het valt met bijbehorende richtafstand, de afstand tot het plangebied en of er voldaan wordt aan de richtafstand. Hierbij zijn de bestaande horecafuncties niet meegenomen, aangezien daar een separaat onderzoek naar is gedaan dat later in deze paragraaf aan de orde komt. Voor de overige functies geldt dat zij met de milieucategorieën 1 en 2 en met toepassing van het gebiedstype 'gemengd gebied', een richtafstand kennen van respectievelijk 0 m en 10 m. De bestemmingsvlakken uit dit bestemmingsplan waarmee de nieuwe milieugevoelige functies mogelijk worden gemaakt, bevinden zich allen op ruimere afstand, wat inhoudt dat aan de betreffende richtafstanden wordt voldaan. Ter plaatse is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Op grotere afstand bevindt zich het spooremplacement ter hoogte van Rotterdam Centraal.
Dit emplacement valt in milieucategorie 4.2 met een richtafstand van 100 meter in gemengd gebied. De afstand tot het plangebied is circa 90 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand. Het maatgevende aspect betreft geluid. Het emplacement en de doorgaande treinen op het spoor worden beschouwd als twee afzonderlijke geluidbronnen. Voor het emplacement het railverkeerslawaai is geluidsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 14. Ook is de cumulatieve geluidbelasting in beeld gebracht. In paragraaf 7.10.3 wordt nader ingegaan op het emplacement. Voor de aspecten stof, geur en gevaar wordt er voldaan aan de richtafstand.
79/174
Tabel 7.5.1 Overzicht omliggende bedrijven Milieucategorie
Richtafstand in Afstand tot het Wordt er voldaan aan de gemengd gebied plangebied richtafstand
Getir Netherlands Couwenburg 58 B.V.
2
10
15
Ja
Kantoor Hofpoort Hofplein 20
2
10
15
Ja
Mondzorg-centru Heer Bokelweg 216 1 m Rotterdam
0
62
Ja
Nederlandse Haagseveer 1 Kappersacademie
1
0
70
Ja
Nico Adriaans Stichting (NAS)
Couwenburg 69
1
0
39
ja
Parking Hofplein
Hofplein 20
2
10
16
Ja
Pike Delivery BV
Pompenburg 642
2
10
59
Ja
Shell station Hofplein
Schiekade 988
2
10
40
Ja
USA4Nails
Pompenburg 640
1
0
84
Ja
Bedrijf
Adres
Nieuwe milieuhinderlijke functies (excl. horeca) Met het plan worden naast milieugevoelige functies (wonen), ook functies mogelijk gemaakt die hinder kunnen veroorzaken. Ook hier is beoordeeld in hoeverre de afstand tot omliggende functies hinder en belemmeringen met zich mee kan brengen. Met de beoogde ontwikkeling worden naast het wonen ook kantoren, horeca, detailhandel, een filmhuis en een hotel mogelijk gemaakt. Voor de horecafuncties is een separaat onderzoek uitgevoerd, dat verder in deze paragraaf aan de orde komt. Voor de overige milieuhinderlijke functies die met dit plan mogelijk worden gemaakt, geldt dat de functies kantoren, detailhandel en hotel volgens de VNG-brochure in milieucategorie 1 vallen met binnen 'gemengd gebied' een richtafstand van 0 m. Dat geldt ook voor de meeste maatschappelijke voorzieningen. Deze functies kunnen zodoende direct naast of onder milieugevoelige functies gerealiseerd zonder dat sprake is van onaanvaardbare milieuhinder. Een aandachtspunt voor de verdere uitwerking van de plannen vormt de geluidbelasting door het laden en lossen, met name wanneer dit buiten de dagperiode plaatsvindt.
Bij de uitwerking van het ontwerp dient kritisch te worden gekeken naar de locaties voor laden een lossen, de routering van het verkeer (geluidsignalen achteruitrijdende vrachtwagens zo veel mogelijk voorkomen) en de situering ten opzichte van naast of bovengelegen woningen. Daarbij wordt opgemerkt dat om aan de vereiste binnenwaarden te voldoen in veel gevallen de geluidwering van de gevels van de beoogde woningen groot zal moeten zijn (vanwege de geluidbelasting door het spoor en de omliggende wegen). Hierdoor zal een verhoogde geluidbelasting door het laden en lossen niet snel leiden tot onaanvaardbare hindersituaties. Op de locatie aan de Heer Bokelweg wordt een filmhuis mogelijk gemaakt. Deze functie valt volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Hierbij is het aspect geluid maatgevend. Binnen die afstand van 10 m bevinden zich geen bestaande woningen.
80/174
Wel worden op deze ontwikkellocatie nieuwe woningen mogelijk gemaakt waarbij het bestemmingsplan mogelijkheden biedt om woningen direct naast of boven het filmhuis te realiseren. Met een zorgvuldige inpassing van de nieuwe functies en voldoende geluidwering kunnen een eventueel filmhuis en woningen op korte afstand van elkaar worden gerealiseerd zonder dat onaanvaardbare hindersituaties ontstaan. Horeca Om de mogelijke hinder van en de eventuele belemmeringen voor de horeca in het gebied te beoordelen, is een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek heeft betrekking op zowel de bestaande horeca nabij het plangebied als de nieuwe horeca die met dit plan mogelijk wordt gemaakt, zie bijlage 15. Geluid is voor de horecabedrijven het maatgevende omgevingsaspect. Voor een deel van de geluidbronnen zijn in het Activiteitenbesluit geluidnormen opgenomen waaraan dient te worden voldaan (of waarvoor eventueel met maatwerkvoorschriften onder voorwaarden een hogere geluidbelasting kan worden toegestaan). Een deel van de geluidbronnen valt buiten de toetsing aan het Activiteitenbesluit, maar dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel te worden betrokken in de akoestische afwegingen. Er is in dit kader eerst een vooronderzoek uitgevoerd, wat opgenomen is als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan.
Hieruit blijkt dat zich in de omgeving van de beoogde ontwikkeling 7 horecabedrijven bevinden: Jack, Bird Jazz Podium, Garden of Bird, Endless Sunday, Café Roosje, FG Restaurant en FG Food Labs. In het vooronderzoek is bepaald of deze horecabedrijven na de bouw van de geplande woongebouwen nog voldoen aan het Activiteitenbesluit, of dat er nader akoestisch onderzoek nodig is om dat te kunnen bepalen. Daarbij zijn de volgende onderdelen meegenomen: Muziekgeluid Geluid van technische installaties Stemgeluid van overdekte of verwarmde terrassen (bij geen van de terrassen aan de orde) Verkeersbewegingen op eigen terrein (komen en gaan van bezoekers) Laden en lossen valt ook onder het Activiteitenbesluit, maar is bij de meeste horecabedrijven niet relevant. Bij deze 7 horecabedrijven is uitgegaan van laden en lossen in de dagperiode. In de dagperiode geldt geen geluidnorm voor piekgeluiden ten gevolge van laden en lossen. Het gemiddeld geluidniveau ten gevolge van laden en lossen wordt in het onderzoek beschouwd als akoestisch niet relevant. In de avond- en nachtperiode moet geluid van laden en lossen voldoen aan de geluidnorm voor piekgeluiden. De woningen in de nieuwbouw zijn daarvoor maatgevend, omdat die het dichtst bij de locatie voor het laden en lossen aanwezig zijn.
Vanwege de strenge normen in de avond- en nachtperiode en de korte afstand tot de woningen is laden en lossen in de avond- en nachtperiode waarschijnlijk niet mogelijk Het geluid dat samenhangt met het gebruik van de terrassen is geen onderdeel van de toetsing aan het Activiteitenbesluit, maar wordt wel beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit het onderzoek blijkt dat bij alle horecabedrijven het terras uitgebreider onderzocht moet worden. Uit het vooronderzoek blijkt verder dat bij Bird is meer gedetailleerd onderzoek nodig is, omdat daar de uitstraling van muziekgeluid beoordeeld moet worden met een rekenmodel op basis van geluidmetingen.
81/174
Het vervolgonderzoek naar geluid is opgenomen in bijlage 15. Uit het onderzoek volgen drie knelpunten:Bird, muziekgeluid (toetsing Activiteitenbesluit): tot 61 dB(A) in de nacht (71 dB(A) etmaalwaarde, overschrijding tot 21 dB) Bird, stemgeluid van komen en gaan van bezoekers (toetsing in het kader van een goede ruimtelijke ordening): o Gemiddeld geluid: 49 dB(A) in de nacht (59 dB(A) etmaalwaarde, overschrijding van verhoogde richtwaarde 4 dB) o Piekgeluid: 70 dB(A) in de nacht (overschrijding van verhoogde richtwaarden van 5 dB) Stemgeluid van geplande terrassen op geplande woningen (toetsing in het kader van een goede ruimtelijke ordening) : o Gemiddeld geluid: 60 dB(A) in de avond (65 dB(A) etmaalwaarde, overschrijding van verhoogde richtwaarde 10 dB) o Piekgeluid: 73 dB(A) in de avond en 67 dB(A) in de nacht (overschrijdingen van verhoogde richtwaarden van respectievelijk 3 en 2 dB) Bij Bird en/of de nieuwe woningen zijn maatregelen nodig, al dan niet in combinatie met een maatwerkvoorschrift. Er zijn verschillende varianten die in de volgende fase (voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan) nader uitgewerkt worden met alle betrokken partijen. Hierover hebben reeds gesprekken plaatsgevonden. In artikel 5.3.3 van de planregels zijn voorwaarden opgenomen die inhouden dat de nieuwe woningen alleen gebouwd mogen worden indien er maatregelen getroffen zijn.
De overschrijdingen als gevolg van het stemgeluid van het komen en gaan van de bezoekers van Bird en de nieuwe terrassen kunnen opgelost worden met extra gevelisolatie. Wanneer een binnenwaarde van maximaal 35 dB(A) gerealiseerd wordt kan gemotiveerd afgeweken worden van de richtwaarden. Dit geldt ook voor de overschrijdingen van de piekwaarden. Ook een oplossing voor het stemgeluid wordt in de volgende fase uitgewerkt. De overige onderzochte horecabedrijven leveren geen knelpunten op bij de nieuwe woningen. 7.5.2 Conclusie De beoogde woningbouwontwikkeling leidt in algemene zin niet tot beperkingen voor de omliggende bedrijven. Uitzondering vormt de geluidbelasting door Bird. Hier zijn maatregelen noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de geldende normen. Deze maatregelen worden in de volgende fase (voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan) nader geconcretiseerd. In artikel 5.3.3 van de planregels zijn voorwaarden opgenomen die inhouden dat de nieuwe woningen alleen gebouwd mogen worden indien er maatregelen getroffen zijn. De nieuwe functies binnen het plangebied hebben een beperkte milieubelasting en zijn op korte afstand van bestaande en nieuwe woningen inpasbaar zonder dat hindersituaties optreden. Uitzondering vormt de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen door terrassen van eventuele horecavestigingen binnen het plangebied.
Ook op dat punt zijn mogelijk maatregelen nodig, aan de terrassen of de woningen, om hindersituaties te voorkomen. Deze maatregelen worden in de volgende fase (voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan) nader geconcretiseerd.
82/174
7.6
Geur
7.6.1 Plangebied Op de website van DCMR wordt op basis van de vergunde activiteiten in het Rijnmond gebied indicatief inzicht gegeven in de cumulatieve geurbelasting.
Figuur 7.6.1 Uitsnede geurkaart met het plangebied rood omcirkeld Uit deze informatie (zie uitsnede figuur 7.6.1) blijkt dat binnen het plangebied de geurbelasting tussen de lager dan 0,5 odour units is gelegen. Onder de 0,5 odour units is geen sprake van geurhinder en boven de 5,0 odour units is sprake van ernstige geurhinder. Binnen het plangebied is er geen kans op geurwaarneming door industriële activiteiten en is enige hinder uitgesloten. Er is geen sprake van een onaanvaardbare geurhindersituatie die een belemmering oplevert voor de beoogde herontwikkeling. 7.6.2 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
7.7
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan.
83/174
De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als:
er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke (> 10.000 mvt/etmaal) binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
84/174
7.7.1 Plangebied Er is een onderzoek opgesteld naar de luchtkwaliteit ter hoogte van Pompenburg, zie bijlage 8. Voor het onderzoek Gebiedsontwikkeling Pompenburg is het studiegebied gebaseerd op de verandering van verkeersintensiteiten die door het project worden veroorzaakt op wegen in het gebied. De volgende uitgangspunten zijn hierbij gebruikt: Alle wegen die opgenomen zijn in het geleverde verkeersmodel maken deel uit van het onderzoeksgebied; Alle nieuwe of aan te passen doorgaande wegen maken deel uit van het onderzoeksgebied; Om deze geselecteerde wegen is een zone van 250 meter aangehouden. De te onderzoeken wegvakken en het studiegebied dat op basis van deze wegvakken wordt verkregen door deze afbakening is weergegeven in figuur 7.7.1.
Figuur 7.7.1 Studiegebied onderzoek luchtkwaliteit Binnen het onderzoek is de huidige situatie, referentiesituatie (autonome groei van het verkeer inclusief gewijzigd Hofplein) en plansituatie (referentiesituatie inclusief het plan Pompenburg en de nabijgelegen ontwikkelingen) onderzocht. Daarbij zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen berekend op toetspunten en zijn daarnaast de concentraties ter plaatse van bestaande en beoogde gevoelige bestemmingen in beeld gebracht. De maximale jaargemiddelde concentratiewaarden zijn van belang voor de toetsing aan maatgevende grenswaarden. Op basis van de concentratieberekeningen zijn per variant de hoogst berekende waarden van de verschillende stoffen op toetspunten langs de wegen binnen het onderzoeksgebied bepaald. Deze zijn weergegeven in tabel 7.7.1. Hierin zijn ook de maatgevende grens- en advieswaarden opgenomen.
85/174
Tabel 7.7.1 Maximale jaargemiddelde concentratie per situatie, incl. maatgevende grenswaarde en plansituatie t.o.v. referentiesituatie
toename
In de plansituatie voldoen de concentraties van alle berekende luchtverontreinigende stoffen aan de maatgevend grenswaarden en aan de advieswaarden die golden ten tijde van het tekenen van het Schone Lucht Akkoord. Echter wordt niet voldaan aan de actuele WHO-advieswaarden. De actuele advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 worden in de plansituatie allemaal overschreden. Dat geldt niet alleen voor de toetspunten langs de maatgevende wegen, maar ook voor de concentraties ter plaatse van de nieuwe gevoelige bestemmingen. Voor een gedetaileerd overzicht van de berekeningsresultaten wordt verwezen naar het rapport in bijlage 8. 7.7.2 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat in de plansituatie wordt voldaan aan de wettelijke eisen op het gebied van luchtkwaliteit. Er zijn dus geen mitigerende maatregelen nodig. Eveneens geldt dat er in de plansituatie wordt voldaan aan de WHO-advieswaarden die golden ten tijde van tekenen van het Schone Lucht Akkoord. In de plansituatie wordt echter niet voldaan aan de actuele WHO-advieswaarden. De actuele advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 worden in de plansituatie allemaal overschreden.
7.8
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 7.8.1 Plangebied Er heeft een vooronderzoek bodemkwaliteit conform NEN5725 uitgevoerd, zie bijlage 9. Doelstelling van het vooronderzoek is het in kaart brengen van de verdachte (deel-)locaties ten aanzien van bodemverontreiniging binnen de verschillende deelgebieden.
86/174
Uit de historische kaarten blijkt dat sinds circa 1850 bebouwing en verschillende watergangen aanwezig waren. Het spoortraject tussen Rotterdam en Barendrecht dateert uit circa 1890 en bevindt zich direct grenzend aan de deelgebieden. In de loop van de tijd zijn de watergangen gedempt en/of verlegd naar de huidige situatie. Het voormalige station Hofplein werd geopend op 1 oktober 1908 en is definitief gesloten in augustus 2010. De deellocaties A en B worden momenteel gebruikt als openbare ruimte waarbij het grootste deel ingevuld wordt met de functie openbaar groen / stadspark (bomen, gras en een moestuin). Een klein deel is in gebruik als infrastructuur (straat, fietspad en/of trottoir). Deellocatie C bestaat uit een schoolgebouw (Heer Bokel college) met een (eigen) weg, een parkeerplaats en beperkt openbaar groen. Uit de geïnventariseerde gegevens komt naar voren dat op en nabij het plangebied Pompenburg sprake is geweest van bodemverdachte activiteiten. Ter plaatse van de Goudsesingel / Pompenburg is sprake van een voormalige stortlocatie met vermoedelijk puin vanuit de verwoeste stad. Ter plaatse van de Schiekade / Stadhoudersweg is sprake van een voormalige stortlocatie met bouw- en sloopafval. Op de onderzoekslocaties zijn verschillende bodemonderzoeken en saneringen uitgevoerd.
Uit de resultaten blijkt dat alle drie de deellocaties licht tot sterk verontreinigd zijn met verschillende zware metalen, PAK en minerale olie. Met name de ondergrond is sterk verontreinigd met lood en PAK. Vanwege diverse herinrichtingen van de openbare ruimte (bijvoorbeeld vervanging riolering) zijn tevens diverse saneringen uitgevoerd, waarbij een deel van de verontreinigde is teruggeplaatst en een ander deel is afgevoerd naar een erkend verwerker. Op alle deellocaties is sprake van (rest)verontreiniging. Op de locaties is hooguit een asbestverontreiniging aangetroffen in de bodem ruim beneden de interventiewaarde tijdens milieuonderzoek. De locaties zijn tot op heden nog niet milieukundig onderzocht op PFAS. 7.8.2 Conclusie Daar waar gesloopt wordt en nieuwbouw plaatsvindt, is verkennend (actualiserend) bodemonderzoek nodig conform NEN 5740 en NEN 5707. Afhankelijk van de uitkomsten van deze onderzoeken kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om een bodemkwaliteit te realiseren die past bij het beoogde gebruik. De procedure dient vervolgens met het bevoegd gezag Wet bodembescherming te worden afgestemd. Op basis van de beschikbare info is de bovengrond (contactlaag) aangemerkt als overwegend licht verontreinigd en vormt daarmee geen probleem voor het beoogde gebruik. Dit dient middels een actualiserend onderzoek in het kader van de omgevingsvergunning gestaafd te worden.
7.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid.
87/174
Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR.
Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Voor de beoogde ontwikkeling is een onderzoek Externe Veiligheid opgesteld, zie bijlage 10. 7.9.1 Transport gevaarlijke stoffen Een inventarisatie van de risicokaart.nl levert op dat het plangebied is gelegen nabij de volgende inrichtingen met opslag van gevaarlijke stoffen of (spoor)wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd: Basisnetroute spoorweg Rotterdam CS – Rotterdam Lombardijen; Basisnetroute Rijksweg A20; Basisnetroute vaarweg Corridor Rotterdam – Duitsland; David Lloyd Sport & Health Club aan het Benthemplein 10 te Rotterdam.
88/174
De vaarweg heeft een PR 10-6 contour van 0 meter waardoor deze niet over het plangebied is gelegen. Daarnaast is de vaarweg gelegen op meer dan 1 kilometer van het plan, waardoor de ontwikkeling nauwelijks tot geen invloed heeft op het groepsrisico. Daarom is deze vaarweg niet verder in dit onderzoek beschouwd. Ook de Rijksweg A20 is niet beschouwd in het onderzoek vanwege het feit dat deze weg is gelegen op ongeveer 1.500 meter van het plangebied en de PR 10-6 contour maximaal 32 meter bedraagt. De spoorweg Rotterdam CS – Rotterdam Lombardijen is pal naast het plan Pompenburg gelegen. Daarom is deze wel nader beschouwd. Plaatsgebonden risico spoor De ligging van de PR 10-6 contour verandert niet door het plan. De ligging van deze contour wordt niet beïnvloed door de populatiedichtheid, maar door de spoorlay-out, die ten gevolge van het plan niet wijzigt. De PR 10-6 contour ten gevolge van de spoorlijn Rotterdam CS – Rotterdam Lombardijen bedraagt maximaal 7 meter (gemeten vanaf het hart van de spoorbundel). De PR 10-6 contour ter hoogte van het plan is weergegeven in figuur 7.9.1. Uit deze figuur blijkt dat de bebouwing buiten deze contour is gelegen. Daarom vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het plan.
Figuur 7.9.1 PR 10-6 contour (rode vlak) en geplande bebouwing Plasbrandaandachtsgebied spoor Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied binnen 30 meter van de buitenste spoorstaaf van het doorgaand spoor. In figuur 7.9.2 is het plasbrandaandachtsgebied ter hoogte van het plan weergegeven. Opgemerkt wordt dat het PAG is begrensd bij de tunnelmond, omdat de vloeistof ter plaatse van de tunnel niet verder rijkt dan de tunnelwand.
89/174
Uit figuur 7.9.2 blijkt dat het PAG is gelegen over een deel van de geplande bebouwing. Bij ruimtelijke plannen, die binnen het PAG zijn gelegen, gelden voor nieuwbouw van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aanvullende maatregelen (met betrekking tot brandwerendheid) die zijn opgenomen in paragraaf 2.3 van de Regeling bouwbesluit. In bijlage III van het onderzoek is de tekst van paragraaf 2.3 uit de Regeling bouwbesluit weergegeven. Tevens zijn in bijlage IV van het onderzoek de definities van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten weergegeven. In de planregels is vastgelegd dat voor de delen van de gebouwen die zijn gelegen binnen het PAG dient te worden voldaan aan de eisen uit de regeling Bouwbesluit.
Figuur
7.9.2
Plasbrandaandachtsgebied (binnen zwarte lijn) geplande bebouwing Zeer kwetsbare bestemmingen De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) geeft op basis van hun beleid negatief advies als ‘zeer’ kwetsbare bestemmingen binnen de 100% letaliteitcontour van een BLEVE (140 meter vanaf de rand van het spoor) zijn gelegen. Omdat het gehele plan Pompenburg binnen deze zone valt, legt dit een beperking op voor de voorziene functies binnen het plan. Het bestemmingsplan biedt echter geen ruimte voor zeer kwetsbare functies. Onder zeer kwetsbare functies vallen de gebouwen die doorgaans groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn: Kinderen in de leeftijd van 0 tot 8 jaar (KDV/MKD + speciaal en regulier onderwijs). Leerlingen van speciaal en aangepast basisonderwijs (4 t/m 13 jaar); Patiënten in (gesloten en/of open) psychiatrische inrichtingen; Patiënten en bewoners van zieken-, verpleeg- en verzorgingstehuizen; Minder validen: alle leeftijden (geestelijk en lichamelijk).