[23bb001620] Bijlage behorende bij 23bb1623 - Ontwerpbestemmingsplan Pompenburg
Tekst van het document
38/174
Toetsing Deze ontwikkeling biedt ruimte aan maximaal 1.100 woningen. Deze ontwikkeling sluit aan bij de ambitie van de provincie in het voorzien van voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. In de ladder voor duurzame ontwikkeling is verder onderbouwd dat de gemeente Rotterdam een grote woningbehoefte heeft. De woningen en andere stedelijke voorzieningen die mogelijk worden gemaakt liggen binnen bestaand stedelijk gebied en sluit hierbij aan bij de verstedelijkingsambitie van de provincie. Het toevoegen van woningen en voorzieningen in een prettige, gezonde en veilige leefomgeving binnen de stad geeft invulling aan de visie. De regels die de provincie stelt op het gebied van ruimtelijke kwaliteit en de gebieden die in dat kader bijzondere bescherming genieten, zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening, die in de volgende subparagraaf behandeld wordt. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd, oktober 2022) In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de onderstaande artikelen relevant.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Dit artikel kent als uitgangspunt het principe dat met een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk blijft, waarbij in ieder geval rekening gehouden dient te worden met de (eventuele) beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II. De provincie hanteert daarbij de schaalverdeling inpassen-aanpassen-transformeren. Van welke vorm sprake is, hangt af van de vraag in hoeverre de beoogde ontwikkeling aansluit bij de gebiedsidentiteit, de ruimtelijke structuur, de aard en schaal van het gebied en de richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit die ter plaatse gelden. Inpassen is daarbij het schaalniveau waarop de ontwikkeling het best past in de bestaande omgeving, waar bij aanpassen en zeker bij transformatie sprake is van meer ingrijpende ontwikkelingen, waar de provincie in dat geval ook een uitgebreidere motivering bij vraagt. Ook zijn er aanvullende regels van toepassing binnen een aantal verschillende beschermingscategorieën (o.a.
buitengebied, Natuurnetwerk Nederland, stiltegebieden, recreatiegebieden), waar eveneens een nadere motivering gevraagd wordt met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit en waar in enkele gevallen ook sturing wordt gegeven door bijvoorbeeld de schaalniveaus aanpassen en transformeren hier niet toe te staan. Toetsing Dat de kwaliteit van het gebied per saldo ten minste gelijk blijft, is toegelicht in Hoofdstuk 3. Met het project wordt een gebied met een onsamenhangend profiel en veel infrastructuur, getransformeerd naar een samenhangend gebied. De nieuwe functies en de herinrichting van de openbare ruimte maken het gebied na transformatie een prettig gebied om te wonen, werken en verblijven. Daarnaast legt het een verbinding tussen het stadscentrum en de omliggende wijken. De locatie ligt binnen het door de provincie aangewezen 'bestaand stads- en dorpsgebied'. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen worden primair binnen dat gebied geprojecteerd en er wordt ingezet op optimale benutting van de ruimte. Het plan sluit daarbij aan.
39/174
Gelet op de aard en omvang van het project, de binnenstedelijke locatie en het feit dat de bestaande structuren onveranderd blijven, is sprake van het principe 'inpassen'. Tot slot wordt geconstateerd dat er geen beschermingscategorieën van toepassing zijn die nadere eisen ten aanzien van de locatiekeuze of inpassing met zich meebrengen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de bepalingen die de provincie stelt ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit in haar verordening. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing Artikel 6.10 van de verordening kent een vergelijkbare strekking als de Ladder voor duurzame verstedelijking, namelijk dat stedelijke ontwikkelingen in essentie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied plaats moeten vinden en dat de behoefte daarvan aangetoond moet zijn. Voor een verantwoording op dit punt wordt verwezen naar paragraaf 4.1.3.
Regionale afstemming In het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam (januari 2019) is (mede op basis van een eerdere prognose) afgesproken dat Rotterdam zich inzet om 30.000 woningen aan de voorraad toe te voegen. De hogere prognose van de WBR 2021 is aanleiding om deze regionale afspraken te actualiseren. ABF Research (ABF) heeft in opdracht van het Samenwerkingsverband Wonen Regio Rotterdam de actuele woningbehoefte voor de gemeenten in de regio Rotterdam onderzocht (Actualisatie studie Naar een meer evenwichtige Regio Rotterdam, ABF 2021).
40/174
De belangrijkste conclusie is dat de regio meer woningen moet toevoegen dan er is afgesproken in het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018 - 2030 (Regioakkoord). Hierbij moet de focus vooral komen te liggen op de uitbreiding van de sociale en middeldure woningvoorraad. Deze opgave betreft alle regiogemeenten, zowel de randgemeenten als de centrumgemeenten Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. De netto uitbreidingsopgave voor de regio Rotterdam betreft 72.400 woningen tussen 1 januari 2020 en 31 december 2030. In Rotterdam is de netto uitbreidingsbehoefte 38.200 woningen. Uit het regionale behoefteonderzoek (ABF) blijkt dat voor alle prijssegmenten (sociaal, middelduur en duur) een uitbreidingsbehoefte. Het plan gaat uit van 50% middelduur en sociaal en 50% duur. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de behoefte aan betaalbare woningen. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2 In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Toetsing Rotterdam heeft eigen parkeerbeleid.
In Hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op het parkeerbeleid, de doorwerking daarvan op de beoogde ontwikkeling en de wijze waarop binnen het plan invulling wordt gegeven aan het benodigde aantal parkeerplaatsen. Artikel 6.10c Parkeernorm stationsomgeving 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op kaart 22 in bijlage II, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning. 2 In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Toetsing Rotterdam heeft eigen parkeerbeleid, waarmee het bepaalde in lid 2 van toepassing is. In Hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op het parkeerbeleid, de doorwerking daarvan op de beoogde ontwikkeling en de wijze waarop binnen het plan invulling wordt gegeven aan het benodigde aantal parkeerplaatsen. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.
41/174
Toetsing Hoofdstuk 6 van dit bestemmingsplan gaat nader in op het onderwerp verkeer. Artikel 6.10f Functiemenging Een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging. Als wordt gekozen voor functiescheiding verwacht de provincie van gemeenten dat te beargumenteren waarom functiemenging in het betreffende plan niet mogelijk is. Toetsing Met dit artikel streeft de provincie na dat er ook buiten aangewezen bedrijventerreinen ruimte blijft voor bedrijvigheid, zodat de bedrijventerreinen beter beschikbaar blijven voor bedrijven die daar vanwege milieuhinder ook thuishoren. In het plangebied bestaat het bestaande programma enkel uit de functie 'maatschappelijk'. Het plan Pompenburg kent brede mogelijkheden voor functiemenging. De functie 'bedrijf' maakt hier geen onderdeel vanuit. In dit geval zijn de mogelijk gemaakte functies zo bepaald dat het plan een verbinding vormt tussen enerzijds het stadscentrum en anderzijds de omliggende woonwijken. Het nabijgelegen Zomerhofkwartier op ca. 130 m afstand wordt herontwikkeld waarbij een groot metrage bedrijfsruimte wordt gerealiseerd. Ook in het Schiekadeblok wordt nieuwe bedrijfsruimte mogelijk gemaakt. Het is niet de bedoeling dat Pompenburg hier mee gaat concurreren.
De vastgestelde Nota van Uitgangspunten, die de grondslag vormt van dit bestemmingsplan, gaat evenmin uit van bedrijfsruimte. Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling.
Toetsing Het plangebied, waarbinnen ook nieuwe kantoren mogelijk worden gemaakt, ligt binnen de 'grootstedelijke top- en centrumlocaties' zoals die door de provincie op kaart 10 bij de verordening zijn vastgelegd. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in onderstaande figuur, waaruit blijkt dat een grote zone van Rotterdam Noord tot aan de Kop van Zuid als zodanig is aangewezen. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij lid 1 sub a van artikel 6.11.
42/174
Figuur 4.1.
Uitsnede Kaart 10 bij de provinciale verordening
De behoefte aan extra kantoorruimte komt nader aan de orde in de ladderonderbouwing (4.1.3 en Bijlage 1), de regionale kantorenstrategie (4.2.3) en de gemeentelijke Nota kantoren (4.3.5). Artikel 6.13 Detailhandel 1. Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. 2. De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte en de Omgevingsvisie beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te optimaliseren centra en de overige centra; b. aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; c. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlak in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto vloeroppervlak in de andere centra, is mede met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: b. kleinschalige detailhandel: c. ondergeschikte detailhandel: d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; e. kringloopwinkels; f. supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie.
43/174
Toetsing Met dit bestemmingsplan wordt 600 m² bruto vloerpoppervlak (bvo) nieuwe detailhandel mogelijk gemaakt, met een maximum van 200 m2 bvo. per ver vestiging. Het gaat hierbij nadrukkelijk om kleinschalige winkels die gericht zijn op toekomstige bewoners, als onderdeel van een buurthub. Dit sluit aan bij het gemeentelijke beleid voor detailhandel (zie paragraaf 4.3.4). Te denken valt aan één gemakswinkel voor snelle en kleine aankopen voor de toekomstige bewoners, en één of twee winkels die producten verkopen die in de nabijheid (ZoHo of Schiekadeblok) geproduceerd worden. Er kan ook gedacht worden aan consumentenproducten op het gebied van duurzaamheid, concepten in samenwerking met Zadkine of een ontwerpstudio met verkooppunt. Nadrukkelijk uitgangspunt is dat de nieuwe detailhandel niet concurreert met de bestaande winkelgebieden. Een supermarkt is daarom uitgesloten. De nieuwe detailhandel wordt aangemerkt als 'kleinschalige detailhandel', zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 3 van de Omgevingsverordening. Deze vorm van detailhandel is toegestaan buiten de gebieden die beschreven zijn in lid 1. Als richtsnoer wordt door de provincie 200 m² w.v.o. per vestiging gegeven. Om te borgen dat het binnen Pompenburg daadwerkelijk om kleinschalige detailhandel gaat, zijn regels opgenomen in het bestemmingsplan. Er is maximaal 600 m² w.v.o.
detailhandel toegestaan, met een maximum van 200 m² w.v.o. per vestiging. Hiermee is de kleinschaligheid geborgd. Ook zijn supermarkten expliciet uitgesloten op basis van de planregels. Artikel 6.27 Archeologie en Romeinse Limes 1. Een bestemmingsplan voor gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en de daarbij behorende regels die de bekende archeologische waarden beschermen. 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. 3. nvt 4. nvt 5. nvt Een uitsnede van kaart 8 van de verordening, waarop gebieden met een (zeer) hoge archeologische waarde zijn vastgelegd, is weergegeven in onderstaande figuur.
44/174
Figuur 4.2.
Uitsnede Kaart 8 bij de provinciale verordening
Hieruit blijkt dat de gronden onder en direct rondom de Hofbogen van archeologisch (zeer) hoge waarde zijn. In paragraaf 2.3 is de archeologische waardering van het gebied reeds beschreven en is ook de betreffende zone van (zeer) hoge waarde aan de orde gekomen. Het bestemmingsplan voorziet ter plaatse in een archeologische dubbelbestemming ter bescherming van deze waarde. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan artikel 6.27 van de verordening. Artikel 6.35a Risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's.
45/174
Toetsing In Hoofdstuk 5 komt het onderwerp water aan bod. In de Watertoets die in dat hoofdstuk verder aan de orde komt en die als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen, wordt nader ingegaan op diverse klimaatrisico's en mogelijke maatregelen die in dat verband toegepast kunnen worden binnen dit bestemmingsplan. Conclusie Gelet op de voorgaande toetsing aan alle afzonderlijke, relevante artikelen van de Omgevingsverordening, wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan aan deze verordening voldoet.
4.2.3 Strategie Werklocaties 2019 - 2030 De Strategie Werklocaties bevat de visie tot 2030 en regionale afspraken tot 2023 over werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De MRDH is een samenwerkingsverband waar concrete ruimtelijk-economische vraagstukken worden geagendeerd. Die rol is ook het uitgangspunt van deze strategie. Regionale afstemming is ook een vereiste vanuit de provincie Zuid-Holland bij wijzigingen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De strategie is een samenhangende visie op de ontwikkeling van werklocaties vanuit de bestaande situatie, en richting de gewenste ramingen tot 2030. Strategie kantoren: op weg naar een goede balans door gedeputeerde staten op 21 mei 2019 aanvaard als regionale kantorenvisie Het beleid voor kantoren stuurt op het kwalitatief versterken van de bestaande voorraad en het onttrekken van incourant bestaand aanbod en overmatige plancapaciteit (geplande nieuwbouw). De geactualiseerde aanbodinventarisatie geeft nieuwe inzichten. Op toplocaties en binnen (inter)nationaal concurrerende vestigingsmilieus kan uitbreiding plaatsvinden, en op minder goed met OV-bereikbare locaties wordt het aanbod geoptimaliseerd. Daarnaast wordt op veel snelweglocaties de overmaat in het vastgoed gereduceerd door transformatie naar nieuwe functies (zoals wonen).
Met maatwerk stemmen de regiogemeenten het aanbod af op specifieke ruimtelijk-economische ontwikkelingen. Voor kantorenlocaties met een strategische opgave (versterken, optimaliseren of herbestemmen) stellen de regiogemeenten gebiedsvisies op om de goede voornemens concreet te maken. In aanvulling op de Ladder van de Duurzame Verstedelijking is een regionaal 'Afwegingskader nieuwe plancapaciteit kantoren' opgenomen om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen. Daarbij wordt vooral gekeken naar marktruimte, onderscheidende kwaliteiten en toegevoegde waarde voor de regionale kantorenmarkt. Toetsing In de Strategie Werklocaties 2019-2030 wordt ingezet op uitbreiding en versterking van het kantorenaanbod op toplocaties, waaronder het centrumgebied van Rotterdam en in het bijzonder het Central Business District van Rotterdam en Den Haag. Voor beide steden, is een minimale en maximale behoefte bepaald voor de verschillende typen kantoorlocaties samen. De Strategie geeft daarvan op basis van scenario's aan in te zetten op de maximale behoefte , waarbij toevoeging plaats dient te vinden op de meest kansrijke locatie.
46/174
Op basis van deze strategie is voor de afzonderlijke ontwikkellocaties, de ontwikkelcapaciteit tot 2030 bepaald. Voor het Central Business District is beschreven dat er per 2022 een plancapaciteit van 110.000 m2 aan nieuwe kantoormeters is toegestaan voor het bedienen van de marktvraag tot 2030. Met dit bestemmingsplan wordt een maximum van 7.500 m2 bvo aan kantoormeters mogelijk gemaakt, waarmee een bijdrage aan deze opgave wordt geleverd. De behoefte blijkt eveneens uit de voor dit bestemmingsplan uitgevoerde ladderonderbouwing (Bijlage 1) en de toetsing aan de Nota kantoren Rotterdam (4.3.5), wat een gemeentelijke uitwerking is van de regionale strategie. Conclusie Gelet op bovenstaande, is dit bestemmingsplan in lijn met de Strategie Werklocatie 2019-2030.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Rotterdam - De Veranderstad, Werken aan een Wereldstad Voor Iedereen Vastgesteld op 2 december 2021 door de Rotterdamse gemeenteraad De omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De omgevingsvisie gaat uit van 5 langetermijndoelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden.
Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken. Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar w grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreëerd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening.
47/174
Er is daarnaast een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Eén van die gebieden betreft de binnenstad, waarvoor Omgevingsvisie een meer specifiek toekomstperspectief schetst. De concrete gebiedskeuzes die in de Omgevingsvisie gemaakt worden voor de binnenstad zijn: 1. Metropolitane binnenstad: global meets local In 2040 zien internationale en lokale ondernemers de binnenstad als de voor hun business belangrijkste vestigingslocatie door de kwaliteit van het ecosysteem. 2. Superdiverse binnenstad In 2040 zijn er in de binnenstad voldoende en betaalbare ruimtes voor ontmoetingen, voorzieningen, wonen en werken zodat de binnenstad de huiskamer blijft van en voor iedereen. 3. Een dynamische binnenstad met ruimte voor rust en luwte In 2040 biedt de binnenstad een grote variatie aan plekken en activiteiten, het borrelt en het bruist en tegelijkertijd is er ruimte om je even terug te trekken! 4. Straten voor mensen In 2040 is de binnenstad dé plek waar verdichting en verbetering van de leefbaarheid hand in hand zijn gegaan door de inzet op schone en actieve verplaatsingen; straten voor mensen. 5.
Groene boulevards en stadspleinen In 2040 ligt er een compleet netwerk van groene boulevards met stadspleinen, waarvan de Coolsingel, het Hofplein, de Westblaak en de Posthumalaan de kopgroep vormden. 6. De Nieuwe Maas en haar oevers als centraal rivierpark In 2040 is de Nieuwe Maas het rivierpark waar je op elke plek een unieke mix van stad, haven en rivier voelt en waar je bijzondere dingen kunt beleven of tot rust komt. De integrale visiekaart voor de binnenstad uit de Omgevingsvisie is hierna opgenomen.
48/174
Figuur 4.3. Gebiedsuitwerking Binnenstad (bron: Omgevingsvisie
Rotterdam)
Op deze visiekaart is te zien dat over het plangebied een gele arcering is opgenomen waarmee wordt aangegeven dat dit onderdeel uitmaakt van de voornaamste verdichtingslocaties van en rondom de binnenstad. Toetsing De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, draagt bij aan de doelen uit de Rotterdamse Omgevingsvisie. Het plangebied is aangemerkt als verdichtingslocatie, waar dit bestemmingsplan met een mix van functies in voorziet. Die functiemix zet in op het aantrekken van zowel bewoners, als ondernemers als bezoekers, waarmee het onderdeel wordt van de huiskamer van Rotterdam. In de openbare ruimte is er veel aandacht voor fiets- en voetgangersverbindingen en groen. Deze combinatie van functies en fysieke inrichting maken dat het plangebied de verbinding tussen het centrum en de stadsdelen versterkt wordt. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de Omgevingsvisie. 4.3.2 Hoogbouwvisie 2019 Vastgesteld op 12 december 2019 door de Rotterdamse gemeenteraad De vastgestelde Hoogbouwvisie 2019 vormt een herijking van het oude hoogbouwbeleid en geldt voor alle nieuwe hoogbouwinitiatieven. De aankomende jaren moeten er circa 50.000 nieuwe woningen bijkomen in Rotterdam om aan de vraag te kunnen voldoen. Een verdere verdichting van de (binnen)stad is onvermijdelijk. Maar er zijn meer plekken die geschikt zijn voor hoogbouw.
49/174
Op verschillende plekken in Rotterdam wordt er gewerkt aan een verdichting van de stad. Op sommige plekken lijkt (een combinatie met) hoogbouw hiervoor een geëigende manier. Ook voor deze plekken is een kader voor hoogbouw noodzakelijk. De hoogbouwvisie kent 3 schaalniveaus. De stad, de straat en het gebouw. Op elk van de niveaus zijn er onderwerpen die relevant zijn voor hoogbouw. Toetsing De Hoogbouwvisie merkt bouwprojecten hoger dan 70 m aan als hoogbouw, waarvoor de visie een aantal hoogbouwzones aanwijst. Eén daarvan is de binnenstad, zoals weergegeven in figuur 5. Binnen deze zone bevindt zich de zogenoemde hoogbouwas, van Rotterdam CS richting de Wilhelminapier, waarlangs zich de meest prominente, bestaande hoogbouw bevindt.
Figuur 4.6. Hoogbouwzone Binnenstad De zone binnenstad komt grofweg overeen met de brandgrens van het bombardement, wat ertoe heeft geleid dat zich binnen deze zone de moderne binnenstad bevindt met bestaande hoogbouw waar nieuwe hoogbouw bij aan kan sluiten. Daarbij hanteert de visie het principe dat langs de hoogbouwas een maximum bouwhoogte van 250 m kan worden gehanteerd, die richting de brandgrens afloopt naar 70 m. Vanaf daar bepaalt de bestaande bebouwing het beeld en de mogelijkheden.
50/174
Figuur 4.7. Principe Hoogbouwzone Van de drie ontwikkellocaties uit dit bestemmingsplan, moeten de locaties Heer Bokelweg en Pompenburg aangemerkt als hoogbouw doordat hier bouwhoogtes groter dan 70 m toegestaan worden. Deze twee locaties vallen binnen de hoogbouwzone zoals weergegeven in figuur 4.6 De locatie Stroveer kent een maximum bouwhoogte van 57 m en is om die reden toegestaan buiten de aangewezen hoogbouwzone. Zoals gezegd doet de visie naast uitspraken op het niveau van de stad, ook uitspraken op straat- en gebouwniveau. Op straatniveau wijst de visie erop dat de omgeving profijt moet hebben van de hoogbouwontwikkeling en dat er levendigheid op straat beoogd wordt. Dit vraagt om specifieke aandacht voor publieke functies in en het ontwerp van de onderste bouwlagen. Met dit bestemmingsplan wordt een mix aan functies toegestaan, wat het mogelijk maakt passende functies op straatniveau te ontwikkelen. Daarnaast zorgt het plan in algemene zin voor een kwaliteitsverbetering binnen het plangebied, waarbij ook een nieuwe, samenhangende openbare ruimte wordt ingericht. Het plan draagt hiermee bij aan een verbetering van de kwaliteit en beleving op straatniveau. Ook zijn er per gebied zogenaamde 'sunspots' en representatieve ruimtes aangewezen in de Hoogbouwvisie.
Voor ieder van deze locaties is bepaald of een afname in bezonning is toegestaan, binnen welke tijden en met welke duur. Voor overige delen van het openbaar gebied geldt het principe van de 'basiskwaliteit' waarvoor de Hoogbouwvisie een afname met maximaal 2 uur aan bezonning acceptabel acht. Daarnaast is bij hoogbouwprojecten windhinderonderzoek nodig. In het kader van dit bestemmingsplan zijn onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van het plan op bezonning en windhinder, deze zijn opgenomen in de paragrafen 7.3 en 7.4. Op gebouwniveau richt het beleid zich met name op het tegengaan van anonimiteit, wat onder andere bereikt kan worden door het realiseren van gezamenlijke ruimtes en een lobby. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de Hoogbouwvisie. 4.3.3 Woonvisie Rotterdam Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam.
51/174
Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. Toetsing Met het bestemmingsplan worden maximaal 1.100 nieuwe woningen op een centrale locatie mogelijk gemaakt. Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de Woonvisie.
4.3.4 Nota Detailhandel 2017 Vastgesteld op 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad Met het detailhandelsbeleid zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat. De binnenstad is het belangrijkste winkelgebied van Rotterdam en draagt met al haar voorzieningen en kwaliteiten bij aan de aantrekkingskracht van Rotterdam als geheel. City Lounge is de leidraad voor de ontwikkeling van de binnenstad; dat wil zeggen dat de binnenstad het visitekaartje van Rotterdam is. Detailhandel is één van de belangrijkste functies die de binnenstad voor consumenten tot een recreatieve bestemming maakt maar het kan niet zonder de samenwerking met andere voorzieningen zoals horeca, leisure, dienstverlening en een aantrekkelijke buitenruimte.
52/174
Begrenzing van de binnenstad als winkelgebied Het centrum van Rotterdam is groter dan het gebied dat vanuit detailhandelsperspectief als de binnenstad gedefinieerd wordt. Vanuit detailhandelsperspectief is een duidelijke begrenzing van de binnenstad als winkelgebied belangrijk zodat optimaal beantwoord wordt aan uitgangspunten van concentratie en profilering. In figuur 4.8 is de begrenzing van de binnenstad als winkelgebied weergegeven (aquablauw). De verschillende delen van de binnenstad hebben elk een eigen kwaliteit, profiel en dynamiek. Verschillende gebieden kunnen verschillende doelgroepen aanspreken of een ander doel hebben. Door het onderscheid van de gebieden ontstaat een totale binnenstad die verrast en voor verschillende bezoekers kan bieden wat men zoekt. Winkels en winkelontwikkelingen horen bij uitstek in die gebieden. Nieuwe ontwikkelingen buiten deze binnenstadsgebieden worden waar mogelijk tegengegaan. Functionele Mixzones Rond de binnenstad liggen verschillende gebieden waar winkels een rol hebben, maar niet de boventoon voeren. Het zijn stedelijke en gemixte milieus, veelal gelegen aan stadsstraten. Het gaat in het centrum om de Goudse Singel, Mariniersweg, Westblaak, Central District (paarse gebieden). Beleidsmatig worden deze gebieden gedefinieerd als functionele mixzones.
Het zijn geen typische winkelgebieden waar de winkelfunctie de boventoon voert maar waar winkels wel een plek hebben. Uitbreiding van het winkelbestand is in deze gebieden niet gewenst.
Figuur 4.8. Begrenzing winkelgebieden Boodschappenclusters Hoewel de binnenstad grotendeels een recreatieve functie heeft, is ook de boodschappenfunctie noodzakelijk om te voorzien in de behoefte van de binnenstadbewoners. Dit wordt grotendeels opgevangen door de supermarkten die in de winkelgebieden van de binnenstad gevestigd zijn. Naast deze gebieden zijn ook de functionele mixzones plekken waar de supermarkten voorzien in de dagelijkse behoefte. Met de doorontwikkeling van de binnenstad en de komst van nieuwe bewoners liggen er kansen om naast recreatieve winkellocaties ook sterke dagelijkse clusters te behouden. 53/174
Overige spelregels Naast bepalingen over de binnenstad, omvat de Nota Detailhandel ook algemene spelregels voor detailhandel ontwikkelingen. Dit zijn: nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld; creëren van nieuwe winkelgebieden onder strikte voorwaarden mogelijk; geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden geen vestiging van supermarkten buiten de bestaande winkelgebieden; grootschalige detailhandel wordt kritisch bekeken en vraagt om afstemming in regionaal en provinciaal beleid; geen nieuwe perifere concentratiegebieden; tuincentra en bouwmarkten zijn toegestaan buiten de winkelconcentratiegebieden, waarbij efficiënt ruimtegebruik en aansluiting bij andere voorzieningen het uitgangspunt is; geen detailhandel op bedrijventerreinen; winkels in tweedehandsgoederen dienen een plaats te krijgen in de bestaande winkelgebieden; internetwinkels met een (beperkte) bezoekersfunctie wordt enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt nieuwe detailhandel mogelijk in het blok aan de Heer Bokelweg. Het relevante detailhandelsbeleid voor deze locatie staat beschreven in de 'Gebiedskoers Noord 2022-2025', vastgesteld in 2022.
De locatie valt onder het gebied 'Hofbogen', dat gedefinieerd is als 'buurthub'. Deze buurthubs vormen clusters van voorzieningen (waaronder winkels), maar worden nadrukkelijk niet gezien als winkelgebieden c.q. onderdeel van de hoofddetailhandelsstructuur. Voor deze gebieden wordt geen detailhandelskoers beschreven, maar de gebieden worden meegenomen in de aanpak vitale kernen. In Noord gaat het om de Statenweg, Stadhoudersplein, Hofbogen en Rodenrijselaan. In het aanvullende detailhandelsbeleid 'Van Winkelgebieden naar Vitale Kerngebieden 2021 – 2030' is voor wijk- en buurthubs de volgende ambitie voor 2030 opgenomen. In 2030 zijn de meest levensvatbare en toekomstbestendige plekken doorontwikkeld naar wijkcentra en buurthubs met een passende mix aan functies afgestemd op de behoefte van de direct omwonenden. Uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van de wijk of buurt en de behoeften van haar inwoners. Buurthubs zijn kleinschalige voorzieningenclusters met een verzorgingsfunctie op buurtniveau. Buurthubs hebben duidelijke sociale meerwaarde. In buurthubs zijn winkels vaak al ondergeschikt aan andere functies. Deze plekken kunnen nog meer anticiperen op lokale wijkbehoefte en zo hun maatschappelijke meerwaarde en relevantie vergroten meer anticiperen op lokale wijkbehoefte en zo hun maatschappelijke meerwaarde en relevantie vergroten.
Het mogelijk maken van een beperkt detailhandelsprogramma in dit bestemmingsplan past binnen het beleid voor buurthubs en is daarmee in lijn met het gemeentelijk detailhandelsbeleid.
54/174
4.3.5 Nota kantoren Rotterdam Vastgesteld op 19 juni 2019 door B&W De doelstelling van de 'Nota Kantoren' is om tot 2030 richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, met als bovenliggende doelen: 1. Het optimaal faciliteren van de (nieuwe) economie in gebieden en in vastgoed; 2. Een goede balans tussen vraag en aanbod van kantoorruimte op stedelijk en gebiedsniveau; 3. Een verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving. De Nota kantoren Rotterdam vormt de Rotterdamse uitwerking van de 'Regionale Strategie Werklocaties 2019-2030' van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). In de regionale strategie is een programma afgesproken ten aanzien van nieuwbouw, transformatie en planreductie waarbinnen gemeenten een eigen uitwerking ontwikkelen. De 'Nota kantoren' stelt dat het Central Business District in lijn met de provinciale en regionale kantorenstrategie als toplocatie zal worden versterkt. In dit gebied geldt vanuit de Rotterdamse ladder voor een toekomstbestendige kantorenvoorraad geen maximum voor uitbreiding van de voorraad. In dit gebied wordt op alle initiatieven positief geadviseerd als deze ook positief zijn beoordeeld op de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Toetsing Het plangebied wordt als toplocatie versterkt en de gemeente hanteert hier geen maximum voor uitbreiding van de voorraad, onder de voorwaarde dat de toets aan de Ladder van duurzame verstedelijking een positieve uitkomst heeft. Die toets is in paragraaf 4.1.3 reeds aan de orde gekomen en daar is aangetoond dat het plan in een aantoonbare behoefte voorziet. Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de
Nota kantoren van de gemeente Rotterdam.
4.3.6 Horecanota Rotterdam 2017-2021 Vastgesteld op 1 november 2016 door B&W In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen.
55/174
Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven.
Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium: Rotterdam bruist! de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam wordt onder horeca verstaan; elk openbaar pand of openbare ruimte waar men structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen eigen beleidsregels en aparte vergunningen.
Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn ook geen onderdeel van dit beleid. Exploitatievergunning In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, worden drie varianten vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht; exploitatiecategorie 0.
56/174
0.1 Basisvrijstelling Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht.
0.2 Vrijstelling met horecabestemming Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.
0.3 Vrijstelling voor bijzondere objecten en instellingen Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)
57/174
Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 4.3.7) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven, is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf.
Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Toetsing Het bestemmingsplan staat nieuwe horecagelegenheden toe. Een verdere toetsing daarvan is opgenomen in de volgende paragraaf, waar het Horecagebiedsplan voor het centrum aan de orde komt. Daarin staat beschreven welke mogelijkheden er op basis van het gemeentelijk horecabeleid gelden voor dit gebied. Voor zover nodig, zullen de nieuwe horecagelegenheden een exploitatievergunninging bij de gemeente aan moeten vragen. Conclusie Het bestemmingsplan is in lijn met de Horecanota, doordat de gemeente via de exploitatievergunningen sturing kan uitoefenen op de vormen van horeca die uiteindelijk kunnen worden uitgeoefend. Een verdere toetsing is opgenomen in de volgende paragraaf.
58/174
4.3.7 Horecagebiedsplannen Horecagebiedsplan Centrum Horecagebiedsplan Noord De Horecagebiedsplannen zijn de verdere uitwerking van de Horecanota voor specifieke delen van de stad. In een gebiedsplan is op gedetailleerd niveau beschreven, per straat of per cluster van horecavoorzieningen, of verdere ontwikkeling c.q. uitbreiding tot de mogelijkheden behoort en welke typen horeca in dat verband wenselijk en acceptabel worden geacht. Daarbij is er enerzijds aandacht voor de diversiteit en structuur van het horeca-aanbod en anderzijds voor de buurt en de omgeving en de mogelijke effecten die zij van (nieuwe) horecagelegenheden kunnen ondervinden. Toetsing Het plangebied van dit bestemmingsplan, valt deels binnen het Horecagebiedsplan Centrum (zuidzijde spoor) en deels binnen het Horecagebiedsplan Noord (noordzijde spoor). In het Horecagebiedsplan voor het centrum, komt het gebied aan de orde onder de naam Couwenburgdriehoek, het gebied dat begrensd is door Pompenburg/Schiekade/spoorlijn. Het gebiedsplan zegt daarover dat het gebied de komende periode een transformatie zal ondergaan door de komst van een woontoren en dat er gezien het woon- en leefklimaat, nog uitbreiding met horeca mogelijk is met maximaal categorie 2.
Figuur 4.10. Mogelijkheden Couwenburgdriehoek o.b.v. Horecagebiedsplan Centrum In het Horecagebiedsplan voor Noord, komt het gebied aan de orde onder de naam Station Hofplein. Daarover worden uitspraken gedaan over de horecagelegenheden in de Hofbogen onder het voormalige station én over de verdere ontwikkeling van het gebied. Aangezien de ontwikkeling van het gebied, op het moment dat dit Horecagebiedsplan werd opgesteld nog niet erg concreet was, is aangegeven dat in het volgende horecagebiedsplan een specifieke horeca-ontwikkeling kan worden opgenomen. Met de Nota van Uitgangspunten heeft de gemeente nu projectspecifieke kaders opgesteld waarin onder meer ruimte voor horeca wordt geboden, onder de voorwaarde dat met name vanuit het oogpunt van mogelijke geluidoverlast beoordeeld zal moeten worden welke vormen van horeca passend geacht worden in het gebied. In paragraaf 7.5 wordt hier nader op ingegaan op basis van onderzoek dat naar dit aspect is uitgevoerd. Op grond daarvan is een combinatie van dag- en avondhoreca mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Conclusie Het bestemmingsplan is in lijn met de gemeentelijke Nota van Uitgangspunten voor het project Pompenburg, nu het laatste Horecagebiedsplan nog geen uitspraken deed over horeca op de locatie van het plangebied.
59/174
4.3.8 Hotelbeleid Rotterdam Met het hotelbeleid heeft de gemeente de koers uitgezet voor nieuwe hotelontwikkelingen. Waar Rotterdam voorheen vooral zakelijk gasten aantrok, heeft de stad de afgelopen jaren steeds meer toeristen mogen verwelkomen. Tot het moment dat we te maken kregen met Covid-19, was de verwachting dat de groei van het aantal gasten ononderbroken zou doorzetten en dat het benodigde aantal kamers richting 2028 tot ruim 10.000 kamer zou toenemen. Tot nu toe verblijven gasten in Rotterdam vooral in hotels in de binnenstad. Het hotelbeleid volgt het centrale thema uit de gemeentelijke omgevingsvisie, namelijk ‘Goede groei’. Net als in de Visie Toerisme (2020), het Horecabeleid en de Horecagebiedsplannen ligt daarom de nadruk op een goede balans tussen rust en reuring. Om een gastvrije stad te blijven is een passend en over Rotterdam verspreid hotelaanbod met een sterke match tussen concept en locatie nodig. Anders gezegd: een gedifferentieerd aanbod zodat gasten een verblijf kunnen kiezen dat past bij het doel van hun bezoek. Bijkomend voordeel van die spreiding over de stad is dat hotels op die manier ook als versneller werken voor de ontwikkeling van specifieke wijken of gebieden. Zo dragen nieuwe hotels bij aan een goed vestigingsklimaat voor bedrijven in Rotterdam, alsook aan de lokale leefbaarheid en lokale economie.
Toetsing De ontwikkeling van een hotel als onderdeel van het totaalprogramma van ontwikkellocatie Pompenburg is opgenomen in de Nota van Uitgangspunten. In het gebied wordt ruimte geboden aan een hotel vanaf 100 kamers in het 3 tot 5 sterrensegment. De ontwikkeling van Pompenburg maakt grotendeels onderdeel uit van het in het hotelbeleid gedefinieerde Central Business District (CBD). Binnen dat gebied is hotelontwikkeling gewenst.
60/174
Hoofdstuk 5
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemers van een ruimtelijke plan behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Omgevingsplan; Omgevingsvisie.
Waterschapsbeleid Schieland en de Krimpenerwaard Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022-2027 'Samen ons gebied voorbereiden op veranderingen', Keur van het HHSK, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerprogramma bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap in Krimpenerwaard: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; het inzetten ter bevordering van de verkeersveiligheid en onderhoud van de rijbaan en bermen; het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringstechnisch werk.
61/174
Met het nieuwe waterbeheerprogramma staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Met het oog op de Omgevingswet zal het HHSK meer participatief te werk gaan. Het HHSK zal meer stappen zetten om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te voorkomen en de kansen te benutten. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Onderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd, deze is in bijlage 3 toegevoegd. In het rapport is bepaald of het ontwerp negatieve effecten heeft op de waterhuishouding en zo ja, in welke mate er compenserende dan wel alternatieve maatregelen kunnen worden getroffen. Uit de watertoets is de volgende tabel opgesteld. Tabel 5.1 Effecten op de waterhuishouding.
62/174
Op basis van de uitvoeringsregels van de Keur en het overleg met Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard gelden de volgende aandachtspunten bij het nader uitwerken van het ontwerp: Als uitgangspunt is ervoor gekozen om de nieuwe parkeergarage in deellocatie A te beschouwen als verhard oppervlak gezien de beperkte dikte van het grondpakket (tussen een 0,5 en 1,5 meter). Bij een nieuwe versie van het ontwerp dient dit onderdeel wederom beoordeeld te worden. Daarnaast dient dit aspect nader afgestemd te worden met het Hoogheemraadschap, op welke wijze moet worden omgegaan met de beperkte dikte van het grondpakket en aanleg van drainage. Voor het toekomstig plangebied is het noodzakelijk om watercompensatie toe te gaan passen. Minimaal 1.625 m2 dient te worden gecompenseerd op basis van een toename van het verhard oppervlak met 11.335 m2. Belangrijk hierin is dat afstemming plaatsvindt met het Hoogheemraadschap over de invulling, zodat dit onderdeel mee kan worden genomen in het ontwerp. Conform de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 50 mm ten opzichte van het oppervlak van het nieuw aan te brengen bouwwerk en terreinverharding. Om het effect van de parkeerkelder op de grondwaterstanden nader te onderzoeken dient bij de verdere uitwerking van het ontwerp een geotechnisch advies te worden opgesteld.
Hierin kunnen oplossingen worden aangedragen om de parkeerkelder zoveel mogelijk grondwaterneutraal aan te leggen. (Tijdelijke) grondwateronttrekkingen zijn vergunningsplichtig, evenals de infiltratie in de bodem en de (in)directe lozing op het oppervlaktewater. Deze vergunning dient te worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Tevens dient rekening te worden gehouden met de grens van brak en zoet grondwater in verband met een voorzuivering die moet plaatsvinden alvorens kan worden geloosd. Voor het aanbrengen van leidingen met een hogere maximale bedrijfsdruk van 10 bar dient ten noorden van deelgebied A rekening gehouden te worden met een marge van (minimaal) 100 meter vanaf de beschermingszone van de waterkering. Wanneer de leiding binnen die 100 meter wordt gerealiseerd geldt een vergunningsplicht. Vanuit klimaatadaptatie ligt een wateroverlast en hittestress opgave. Het advies is om vergroening aan de zijkanten van de nieuwe gebouwen aan te brengen en/of de aanwezige dakbedekking te voorzien van een groen (sedum)dak. Groen zorgt voor meer schaduwwerking en verdamping om de hittestress aan te pakken. De mogelijke realisatie van een wadi kan worden gebruikt voor de compensatie opgave. Aandachtspunt hierbij is dat de grootte van de wadi nog moet worden bepaald.
Tevens kan overwogen worden om het hemelwater dat valt op de daken op te vangen in de wadi en vervolgens te laten infiltreren in de bodem. Bij de ontwikkeling moet het regenwater en afvalwater gescheiden worden ingezameld en verwerkt. Het afvoeren van regenwater via een gemengd riool is niet gewenst. Conclusie De watergerelateerde uitgangspunten en randvoorwaarden worden in het kader van de vergunningaanvragen meegenomen bij de uitwerking van het ontwerp voor de gebouwen en het omliggende gebied. Daarmee heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie en wordt op een passende manier rekening gehouden met de gevolgen van klimaatverandering.
63/174
64/174
Hoofdstuk 6
Verkeer
Voor het aspect Verkeer zijn de relevante onderzoeken uitgevoerd door Movares. De volledige rapportage van Movares is terug te vinden in bijlage 4. In het centrumgebied spelen op dit moment verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: Treehouse, Rise, Lumière, Schiekadeblok, ASR en Pompenburg. Ten noordoosten van Pompenburg wordt het Zomerhofkwartier herontwikkeld en in de toekomst vinden ook ontwikkelingen plaats bij Kathoek. Het gaat om ontwikkelingen waarvoor recent een ruimtelijke procedure is doorlopen of op dit moment een bestemmingsplan of andere ruimtelijke procedure wordt doorlopen of voorbereid. Door de korte afstand van de ontwikkelingen tot elkaar zijn een aantal milieuaspecten in samenhang met elkaar onderzocht, waaronder verkeer. Zo maken alle bovengenoemde projecten (behalve ASR) gebruik van een gezamenlijk verkeersmodel zodat de totale effecten op de verkeersstructuur goed inzichtelijk zijn. Dat wil zeggen: bij het onderzoek van Pompenburg wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van bovengenoemde projecten. En bij de bovengenoemde projecten wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van Pompenburg. Hieronder volgen eerst een algemene beschrijving van de verkeersstructuur in de huidige en toekomstige situatie. Vervolgens komen de belangrijkste resultaten, conclusies en aanbevelingen uit het verkeersonderzoek aan de orde.
Verkeersstructuur Bestaand De verkeersstructuur voor het autoverkeer kenmerkt zich in de bestaande situatie door een aantal belangrijke verkeersaders langs de buitenrand van het plangebied en een lokale verkeersstructuur die tot diep in het plangebied reikt. In figuur 6.1 is deze structuur weergegeven.
Figuur 6.1 Huidige verkeersstructuur
65/174
Rondom het plangebied bevinden zich de stroomwegen Pompenburg (zuidzijde), Schiekade (oostzijde) en Heer Bokelweg (noordzijde) als belangrijke, doorgaande verkeersverbindingen. Binnen het plangebied bevinden zich de Couwenburg aan de zuidwestzijde van het spoor en de Raampoortstraat aan de noordwestzijde van het spoor, die via het spoortunneltje met elkaar in verbinding staan. Samen vormen zij een doorgaande verbinding door het plangebied heen. Aan de oostzijde van het spoor bevinden de Katshoek en het Stroveer zich in elkaars verlengde. Aan het uiteinde van het Stroveer, wanneer men zich weer vrijwel naast het Pompenburg bevindt, bevinden zich de entrees van twee parkeergarages van het wooncomplex Helipoort. Fietsers en voetgangers doorkruisen het gebied langs dezelfde verbindingen. Voetgangers beschikken daarnaast met de Luchtsingel over een extra verbinding over het spoor heen die de verschillende delen van het plangebied met elkaar verbindt. Nieuw Met de ontwikkeling van het plan Pompenburg wordt de verkeersstructuur gewijzigd. Het hoofddoel is om de drie afzonderlijke locaties ieder op de meest nabij gelegen stroomweg aan te sluiten en om binnen het plangebied juist een prettig en autoluw verblijfsgebied te creëren waar fietsers en voetgangers zich doorheen kunnen bewegen. Dit is weergegeven in figuur 6.2.