CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb000599] Bijlage 1 behorende bij 23bb598 over Bestemmingsplan Lidl Teldersweg

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 8 februari 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen26.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2.2.3 Verkeerssituatie uitrit parkeergarage en laad- en losplaats De inrit naar de parkeergarage is gepland aan de oostzijde van het pand. De inrit is met 6,3 meter breed genoeg zodat personenauto's gelijktijdig in- en uit kunnen rijden. Wel wordt geadviseerd de inritconstructie zo te ontwerpen dat de voorrangssituatie (juridisch) duidelijk is. Dit kan door middel het toepassen van betonnen inritblokken. Om het in- en uitrijden vergemakkelijken is het aan te bevelen de afrondingstraal te vergroten van 3,0 meter naar 5,0 meter. De laad- en loshaven van de supermarkt is naast de inrit van de parkeergarage gesitueerd.

4.2.2.4 Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van het parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam: Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022. De bruto parkeerbehoefte wordt berekend door het bruto vloeroppervlak (BVO) en aantallen woningen van de te ontwikkelen functies te vermenigvuldigden met een parkeernorm. Het resultaat is dan de bruto parkeerbehoefte. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte zijn de volgende stappen genomen: » »

Op basis van het programma en de bijbehorende parkeerkencijfers is het totale aantal bruto parkeerplaatsen bepaald dat noodzakelijk zou zijn voor de ontwikkeling (per functie); Vervolgens is met behulp van de aanwezigheidspercentages de maatgevende parkeerbehoefte (drukste moment van de week) bepaald.

In de, in de bijlagen opgenomen, Memo Verkeerskundige aspecten Lidl Teldersweg Rotterdam is de parkeerbehoefte berekend. In deze memo is de parkeerbalans is tabelvorm opgenomen. De totale toename in netto parkeerbehoefte valt lager uit door de toepassing van aanwezigheidspercentages. Door de verschillende functies is er namelijk sprake van dubbel gebruik van parkeerplaatsen. De diverse functies hebben een verschillend aanwezigheidsprofiel. Dat wil zeggen dat niet iedere functie op elk tijdstip 10007o aanwezigheid rechtvaardigt. Op het meest maatgevende moment (zaterdagmiddag) bedraagt de netto parkeerbehoefte 68 parkeerplaatsen. In het plan wordt een ondergrondse parkeergarage gerealiseerd met 75 parkeerplaatsen. De netto parkeerbehoefte van de ontwikkeling bedraagt 68 parkeerplaatsen op het drukste moment. Het overschot aan parkeercapaciteit op eigen terrein bedraagt hiermee 7 parkeerplaatsen. De ontwikkeling voorziet dus volledig in het opvangen van de parkeerbehoefte op eigen terrein. Daarnaast zijn er nog 9 parkeerplaatsen langs de Teldersweg voorzien.

26

4.3

Ontwikkelingen

4.3.1

Projectomschrijving

4.3.1.1 Wink elhart Schiebroek -Zuid Een aantrekkelijk winkelhart van Schiebroek-Zuid met een gevarieerd woningaanbod, een nieuwe supermarkt en groene buitenruimte. Daarvoor wil de gemeente Rotterdam zich de komende tijd sterk maken. Er is veel behoefte aan woonruimte in Schiebroek, onder andere in de categorie middeldure huur. Het is daarom de bedoeling om woningen te bouwen op de plek voorheen de kerk stond aan de Wilgenplaslaan 200 en de school aan de Teldersweg 90. In oktober 2020 is de sloop van de schoolgebouwen afgerond. In februari 2021 is gestart met de sloop van het kerkgebouw. De ontwikkelaar bouwt hier het duurzame woningbouwproject Salix met 14 grondgebonden eengezinswoningen en 60 appartementen aan de Teldersweg en het Wiardaplantsoen. De ontwikkeling van een nieuwe Lidl-supermarkt met daarboven appartementen maakt ook onderdeel uit van het opwaarderen van het winkelhart Schiebroek-Zuid. Tussen de twee nieuwbouwprojecten, het woningbouwproject Salix aan de westzijde en de Lidl aan de oostzijde, komt boven de parkeergarage ook nog een onbebouwde strook van 26 meter breed, deels verhard met zitgelegenheid en deels met groen. De strook is bedoeld om even te kunnen zitten, maar ook als doorsteek van de Teldersweg naar het Wiardaplantsoen. Het wordt openbaar gebied en ingericht door de gemeente Rotterdam.

4.3.1.2 Voorgestane ontwikkeling plangebied In het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd ten behoeve van de bestaande Lidl. Het bestaande perceel van 680 m2 wordt verruimd richting de Teldersweg en Wilgenplaslaan naar een winkel van ca. 2.030 m2, het gehele plangebied is ca. 3.355 m2. De Lidl wordt ondergebracht in nieuwbouw en krijgt hiermee een bruto vloeroppervlakte van circa 1.926 m2. Het huidige pand van Lidl wordt gesloopt. Bovenop de voorgenoemde supermarkt worden in totaal 30 appartementen beoogd voor kleine huishoudens, zoals ouderen en starters. Daarvan hebben 6 appartementen een oppervlakte van ca. 90 m2, 6 appartementen een oppervlakte van ca. 65 m2 de overige 18 appartementen krijgen een omvang van ca. 60 m2. Alle woningen worden ontsloten vanaf maaiveld va één entree. De doelgroep is kleine huishoudens, met ook ruimte voor ouderen en starters, dus een brede range qua leeftijd. Alle woningen worden voorzien van bruikbare buitenruimte. Voor de beoogde nieuwe situatie wordt voor de supermarkt uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 5,5 meter. Het gedeelte met woningen bovenop de supermarkt heeft een maximale bouwhoogte van totaal 15,5 meter. De maximale bouwhoogte van 15,5 meter geldt voor de supermarkt en de daarboven gelegen woningen, uitgezonderd ondergeschikte bouwonderdelen zoals bijvoorbeeld zonnepanelen en technische installaties.

Uitgangspunt is deze onderschikte gebouwonderdelen zoveel als mogelijk aan het zicht vanaf maaiveld te onttrekken. De figuren 4.1, 4.2 en 4.3 tonen concept impressies van de voorgestane ontwikkelingen, dit zijn nog geen definitieve eindbeelden van de toekomstige situatie.

27

yt

ľM ’f ţ/%

Figuur 4.1 Concept impressie toekomstige situatie plangebied gezien vanaf de Teldersweg (stavaza medio 2021) (bron: Inbo)

Ë

—

mm

, +14250 dakverdieping

ÜRIILIIJİ 3e verdieping

2e verdieping

1 e verdieping

28

Figuur 4.2 Gevelontwerp aanzichten (bron: Inbo)

4* V

ī

S' Figuur 4.3 Concept impressie toekomstige situatie (vogelvlucht) (stavaza medio 2021) (bron: Inbo)

Op de hoek met de Van Poeljeweg is ruimte voor een klein volume, o.a. bedoeld voor een collectieve fietsenberging. Hier geldt een maximale bouwhoogte van 3,5 meter. Langs de zijde van de Teldersweg kan vanwege de gewenste architectonische expressie (eenheid en continuïteit van de winkelplint) de gevel worden opgetrokken tot een hoogte van maximaal 5,5 meter (schijngevel). Onder de nieuwbouw wordt een geheel ondergrondse parkeergarage aangelegd met ruimte voor 75 parkeerplaatsen. Tot slot wordt het nieuwe winkelplein en de parkeergelegenheden heringericht. Algehele ontwikkeling zorgt voor een opwaardering van het winkelgebied en de openbare verblijfsruimte. De revtalisering van de winkelstrip aan de Teldersweg vormt de opmaat naar grootschalige vernieuwing van Schiebroek-Zuid. De winkelstrip - als nieuw hart van de wijk - moet kwaliteit krijgen en uitstralen. Dat is mede van belang omdat het de eerste ontwikkeling is in een reeks van ontwikkelingen om Schiebroek-Zuid te vernieuwen. Voor de toekomst wordt beoogd het bestaande buurtcentrum te behouden en te versterken door het faciliteren van een grotere supermarkt, het toevoegen van woningen en het verhogen van de verblijfskwaliteit van de openbare buitenruimte.

29

4.4

Juridische planbeschrijving

4.4.1

Gemengd

De ontwikkeling betreft de sloop en nieuwbouw van een bestaande supermarkt met daarboven de ruimte voor een appartementencomplex. Voor het gehele terrein is gekozen voor één gemengde bestemming, waarbinnen de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel en wonen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en, alsmede (binnen)tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden, hellingbanen en parkeren. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Op de begane grond is detailhandel toegestaan. Wonen is op de verdieping(en) toegestaan. Voorzieningen ten behoeve van wonen zoals entrees en bergingen zijn ook op de begane grond en kelder toegestaan. Op de verbeelding is de maximale bouwhoogte aangeduid. Onder het hoofdgebouw zal een ondergrondse parkeergarage worden gerealiseerd. De parkeergarage zal tevens voor een gedeelte buiten het bouwvlak komen te liggen. Binnen de aanduding is de realisatie van een ondergrondse parkeergarage buiten het bouwvlak toegestaan.

4.4.2

Waarde - Archeologie 3

Conform het vigerende plan is de archeologische dubbelbestemming opgenomen. Dit betekent dat voor werkzaamheden die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m2 beslaan een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd, tenzij de werkzaamheden zijn genoemd in één van de uitsluitingscategoriëen.

4.4.3

Parkeerregeling

Algemeen Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Om deze reden is een parapluherziening parkeernormen vastgesteld met daarin een dynamische verwijzing naar het op 1 februari 2018 over parkeren vastgestelde beleid. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 7.1 van de Regels een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de beleidsregeling het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

30

4.4.4

Werken aan huis

In de voorschriften is een regeling voor werken aan huis opgenomen. Deze regeling gaat uit van een zo groot mogelijke flexibiliteit in toegestane bedrijfsactiviteiten, mits de omgeving geen gevaar loopt en geen onevenredige hinder ondervindt van de activiteit. De bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in alle woningen, ongeacht het type woning of het gebied waar de woning staat. De belangrijkste voorwaarden zijn dat maximaal 30o7o van de woning voor beroepsVbedrijfëactiviteiten mag worden gebruikt en dat de woning er aan de buitenkant als woning uit blijft zien. Reclame-uitingen aan de buitenzijde van de woning zijn niet toegestaan. Verder worden detailhandelsactiviteiten en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud aan motorvoertuigen nadrukkelijk uitgesloten.

31

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Beleidskader

Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provnciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om door samenwerking te komen tot een duurzaam watersysteem. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan Zuid-Holland 2016-2021. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief. Het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard beheert het (grond)watersysteem ter plaatse van het plangebied.

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder: HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en bijhorende documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.

Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: »

Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;

» »

De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

»

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Het algemeen beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het water-systeem te voorkomen. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen ruimtelijke plannen: 1. Kleine plannen: verhardingstoename tot 500 m2;

32

2. 3.

Middelgrote plannen: verhardingstoename tussen de 500 m2 en c10 ha bruto planoppervlak; Grote plannen: Herontwikkelingen groter dan 10 hectare bruto planoppervlak.

Voor kleine ruimtelijke planontwikkelingen is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m2 verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m2 wateroppervlak. Het percentage van de compensatie-eis verschilt per gebied. Verder dient rekening gehouden te worden met gemeentelijk beleid.

Rotterdams beleid De gemeente Rotterdam heeft een gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 opgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe zij invulling geven aan haar zorgplicht voor afval-, hemel-, en grondwater. Water en Rotterdam zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Water speelt een cruciale rol bij de ontwikkeling van de stad. Maar het stedelijk watersysteem staat onder druk en de grenzen zijn inmiddels bereikt. Door klimaatverandering, bodemdaling en verstedelijking is het water- en rioleringsbeheer een lastige opgave. De gemeente en de drie waterschappen zoeken in de 'wateropgave' samen naar de beste oplossingen om wateroverlast zoveel mogelijk te voorkomen. Hiervoor is een herijkt Waterplan opgesteld om Rotterdam 'waterproof' te maken, met als belangrijkste doelstelling: in 2025 is Rotterdam 10007o klimaatbestendig. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(herAzer)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst. Middels de online watertoets wordt een eerste uitgangspuntennotitie verkregen. Deze uitgangspuntennotitie bevat de waterhuishoudkundige streefbeelden, strategieën en randvoorwaarden en dient als aanzet van een waterparagraaf om te komen tot een robuuste, duurzame herontwikkeling.

Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag (de formele watertoets door HHSK en gemeente Rotterdam).

5.2

Huidige watersysteem

Er is een Waterparagraaf opgesteld, waarin het planvoornemen hydrologisch beschreven wordt. Hierna vindt toetsing plaats door het bevoegd gezag (de formele watertoets door HHSK en gemeente Rotterdam). In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele waterparagraaf wordt verwezen naar de bijlagen.

5.2.1

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Circa 80 meter ten zuiden van het plangebied ligt een overige watergang. Het is derhalve niet mogelijk om vanuit het plangebied direct op het oppervlaktewater aan te sluiten. Derhalve is er ook geen direct effect vanuit het planvoornemen op het oppervlaktewatersysteem te verwachten.

33

5.2.2

Grondwater

Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 1,3 m-mv. voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Het plangebied ligt in stedelijk gebied, waardoor deze op de bodem- en geomorfolgische kaarten niet gekarteerd is. Echter door de lage ligging van het gebied, nabij de zee en riveren, zal het plangebied op een de geomorfologische afzetting van een getij vlakte liggen. Hierdoor zal de toplaag van de bodemopbouw voornamelijk uit een kleiige eenheid bestaan, met mogelijk resten van veen. Op deze kleilaag is naar verwachting een ophooglaag aangebracht voor de bouw en stabilisatie van het stedelijk gebied. Onder de kleilaag is een grofzandige formatie aanwezig tot circa 31 m-mv. Door de ligging in een peilgebied volgt het grondwaterniveau min of meer hetzelfde peil zoals opgenomen in het peilbesluit met een kleine afwijking van circa 20 cm. Het waterpeil van het oppervlaktewater wordt gereguleerd door het hoogheemraadschap en valt in het peilbesluit van Overschie en Schiebroek binnen het peilvlak GPG-410 met een vaste streefpeil van -5,8 m NAP.. Hierdoor wordt het grondwaterniveau ingeschat op circa -5,6 m NAP en is er binnen het plangebied een minimaal vloerpeil zoals bestaand nodig van ca. -4,9 m NAP.

Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Bij de nieuwbouw is een parkeerkelder gepland die tot circa 3,5 m-mv. wordt aangelegd. Deze dient geheel waterdicht aangelegd te worden om waterschade te vermijden. Tevens mag deze parkeerkelder geen grondwateroverlast veroorzaken in de omgeving. Gezien het ondergelegen grof zandig laagpakket is minimale opstuwing of invloed op de grondwaterstroming te verwachten. Het effect hiervan dient voorafgaand aan de nieuwbouw onderzocht te worden middels een funderings- en bemalingsadvies. Eventueel dienen compenserende maatregelen genomen te worden. Om instroom bij hevge neerslag te vermijden wordt geadvseerd om de ingang van het winkelpand circa 20-30 centimeter boven de kruin van het maaiveld aan te leggen. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Door het planvoornemen (winkel en wonen) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten.

5.2.3

Afvalwater

De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel (eivormig 600 uit 1974). In gemeentelijk beleid is aangegeven dat het verplicht is om bij nieuwbouwprojecten op eigen perceel een gescheiden rioolstelsel aan te leggen, zodat er wordt ingespeeld op een toekomstige scheiding van het gemeentelijke stelsel. De afvalwaterhoeveelheid van de supermarkt zal min of meer gelijk blijven en in het huidige planvoornemen zijn maximaal 30 wooneenheden opgenomen. Hierdoor zal de gemiddelde afvalwaterstroom toenemen met circa 0,9 m3/^ Naar verwachting kan dit verwerkt worden in het huidige stelsel gezien de recente sloop van het schoolgebouw op het plangebied, waardoor het rioolstelsel minder belast is. Voor de wijziging aan de aansluiting van de nieuwbouw op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd bij de gemeente Rotterdam een aansluiting aangevaagd te worden.

34

5.3

De wateropgave

Het totaal oppervlak van 4.280 m2 is in de huidige situatie inclusief het recent gesloopte schoolgebouw nagenoeg geheel verhard. Er zijn enkele groenvoorzieningen aanwezig, waardoor het onverhard oppervlak uitkomt op circa 635 m2. De bodem binnen het plangebied bestaat naar verwachting uit een kleiige eenheid, waardoor het niet mogelijk is om te infiltreren (slechte doorlatendheid). Tevens dient rekening gehouden te worden met de hogere grondwaterstand. Het toekomstig totaal verhard oppervlak rekening houdend met de groene inpassing op de parkeerkelder bedraagt circa 3.570 m2. Er wordt dus meer groen aangelegd door de herontwikkeling. Door het planvoornemen neemt het verhard oppervlak af. Vanuit het hoogheemraadschap is voor het planvoornemen geen compensatie vereist. Het gemeentelijk beleid wenst bij bouwontwikkelingen een watercompensatie van 50 mm op eigen terrein. Indien redelijkerwijs niet inpasbaar, kan dit elders in overleg met de gemeente mogelijk ingepast worden. Door de nieuwbouw met ondergelegen parkeerkelder en hoge grondwaterstand is er binnen het plangebied weinig mogelijkheden toepasbaar geacht voor een hemelwaterverwerking. Om een bui van 50 mm te kunnen bergen op eigen terrein is een waterbergende voorziening van 178,5 m3 noodzakelijk. Hieronder zijn de verwerkingsmogelijkheden opgesomd: »

»

» » » »

5.4

Naast het groen plein westelijk is het voornemen om het dakoppervlak (op de laagbouw) te voorzien met een sedumdak. Dit oppervlak van ca. 580 m2 kan van een voldoende waterbergende hoogte voorzien worden waar dit oppervlak als onverhard kan worden beschouwd (resterend ca. 149,5 m3). Aanvullend zou dit ook op de appartementen toegepast kunnen worden (waterbergend dak). Bovengrondse bergingsmogelijkheden zijn in het huidige planvoornemen beperkt toepasbaar. Dichte bestrating kan beperkt worden door de aanleg van waterpasserende bestrating op een waterdoorlatende funderingslaag welke vertraagd afvoert naar het gemeentelijk stelsel. De gemeente legt het openbaar terrein aan en dient hier rekening mee te houden. Verlagen van de groenstrook noord- en zuidelijk van het pand om hierin water te bergen. Hiermee dient dan wel rekening gehouden te worden met de toekomstige beplanting. Door de aanwezigheid van de parkeerkelder is het mogelijk om westelijk onder de bestrating op het parkeerdek (een gedeelte van het) hemelwater op te vangen en vertraagd af te voeren. Inpassing van een waterbergingskelder welke aanvullend voor hergebruik in het pand gebruikt kan worden. Indien deze toepassingen niet wenselijk zijn, kan er in overleg met de gemeente Rotterdam een hemelwatervoorziening worden aangelegd in het zuidwestelijke Wiardaplantsoen.

Conclusie

Bij de aanleg van een gescheiden hemelwaterstelsel met meer groen wordt reeds waterneutraal ontwikkeld. Vanuit het gemeentelijk beleid dient echter meer hemelwater op het perceel geborgen te worden. De uiteindelijke hemelwatervoorziening zal in overleg met de gemeente in de definitieve stukken opgenomen worden. Hierdoor wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen toename van het risico op wateroverlast door het planvoornemen te verwachten. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water geen overlast veroorzaakt binnen of buiten het plangebied. Door de afwezigheid van oppervlaktewater dient een noodoverloop naar het gemeentelijk stelsel ingepast te worden. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden (omgevingsloket).

35

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: » »

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.

Met deze dit bestemmingsplan wordt een bestaande Lidl verplaatst en uitgebreid, er worden woningen mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden.

36

6.2.1

Plangebied

Onderhavige ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is separaat bij dit bestemming toegevoegd als bijlage. Hierin wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan 'Lidl-supermarkt Teldersweg 76' geen milieueffectrapportage is vereist.

6.3

Milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden.

Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

37

6.3.1

Plangebied

Met dit initiatief wordt een bestaande supermarkt verplaatst en uitgebreid, daarnaast worden er appartementen gerealiseerd. Het plangebied kan aangemerkt worden als een gemengd gebied, het is immers gelegen in het winkelcentrum van Schiebroek-Zuid. Tegenover het plangebied aan de Teldersweg zijn er in de plint verschillende winkels gelegen, zoals een bakkerij, een Indonesische toko en een mediterrane supermarkt. Boven deze winkels bevinden zich woningen. Een supermarkt heeft volgens de VNG-brochure de milieucategorie 1. Hiervoor geldt in een gemengd gebied de richtafstand van 0 meter. Dit houdt in dat een supermarkt naast Z aanpandig aan gevoelige functies zoals wonen is toegestaan. Op circa 40 meter ten noorden van het plangebied aan het Moltzerhof zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan en zijn tevens praktijkruimten toegestaan. Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter tot rustige woonwijk en 10 meter tot gemengd gebied. Aan deze richtafstand van 10 meter wordt voldaan. Bovendien zijn er reeds woningen gelegen op kortere afstand van deze bedrijven. Onderhavige ontwikkeling wordt niet belemmerd door deze bedrijfsbestemmingen en vice versa. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Op circa 100 meter afstand ten noordwesten van het plangebied bevindt zich het Melanchthon College Wilgenplaslaan.

Het betreft een school voor voorgezet onderwijs, een dergelijke school behoort tot milieucategorie 2, hiervoor geldt de richtafstand van 30 meter tot rustige woonwijk en 10 meter tot gemengd gebied. Aan deze richtafstand van 10 meter wordt ruimschoots voldaan. Wel moet aangetoond worden dat de geluiduitstraling van de Lidl aan Teldersweg geen overlast veroorzaakt bij geluidsgevoelige functies in de omgeving. Om deze reden is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd naar de geluiduitstraling van de nieuw te bouwen supermarkt. Het doel van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is om inzicht te geven in de geluiduitstraling van de inrichting naar de omgeving. Hiertoe is de geluiduitstraling van de inrichting berekend op basis van de aangeleverde representatieve bedrijfssituatie en akoestische ervaringscijfers die zijn opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen. De directe geluidhinder van de inrichting wordt beoordeeld aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. De indirecte geluidhinder wordt beoordeeld volgens de systematiek van de ‘Circulaire indirecte hinder’. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies genoemd. Voor nadere details en het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen.

Aan de hand van de aangereikte maximaal representatieve bedrijfssituatie en ervaringscijfers opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen is een rekenmodel opgesteld met de objecten en geluidbronnen voor de inrichting. Met dit akoestische rekenmodel is de geluiduitstraling naar de omgeving berekend. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’ van 1999. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt het volgende: »

«

»

»

Bij de onderzochte nieuwbouwappartementen en ter plaatse van de bestaande woningen voldoen zowel de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) als de berekende maximale geluidniveaus (LAmax) aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) voldoen zowel ter hoogte van de nieuwbouw als de bestaande omliggende woningen aan de richtwaarden uit stap 2 volgens de VNG-publicatie ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’. De berekende maximale geluidniveaus voldoen zowel ter hoogte van de nieuwbouw als de bestaande omliggende woningen aan de richtwaarden uit stap 3 volgens de VNG-publicatie ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Bij de nieuwe en bestaande woningen bedraagt het equivalente langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de indirecte hinder ten hoogste 53 dB(A) etmaalwaarde en voldoet hiermee niet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de ‘Circulaire indirecte hinder’. Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde tot ten hoogste 65 dB(A) is mogelijk indien het binnenniveau in de geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedraagt dan 35 dB(A) etmaalwaarde. Verwacht wordt dat hier bij zowel de nieuwe als bestaande woningen aan voldaan kan worden.

en voldoet hiermee aan de normstelling uit de ‘Circulaire indirecte hinder".

38

De inrichting voldoet aan het BBT-principe.

6.3.2

Conclusie

Op basis van het akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat er voldaan wordt aan de gestelde geluideisen afkomstig uit het Activiteitenbesluit en dat er sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

6.4

Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: » « »

de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg.

Met de ontwikkeling worden er appartementen en dus nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd.

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen.

39

6.4.1

Plangebied

6.4.1.1 Weg- en tramverkeer Door Cauberg Huygen B.V. akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege weg- en tramverkeer ten behoeve van de nieuw te bouwen supermarkt met wooncomplex aan de Teldersweg in Rotterdam. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor het onderdeel 'industrielawaai' wordt verwezen naar paragraaf 6.3 Milieuzonering. De geplande geluidgevoelige bestemmingen (woningen) betreffen een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. De planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de zone langs de Wilgenplaslaan (inclusief tram). Om die redenen is voor de planlocatie een onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk. De locatie is niet gelegen binnen de zone van een hoofdspoorlijn of gezoneerd industrieterrein. De overige wegen rondom de planlocatie zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen, welke volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk gemaakt. Ten behoeve van het geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017.

De geluidbelastingen vanwege weg- en tramverkeer zijn berekend conform de Standaardreken-methode 2 uit bijlage III van het 'Reken- en meetvoorschrift geluid 2012'. De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder: Stedelijke wegen: voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale grenswaarde 63 dB. Conclusies: » »

« »

Ten gevolge van het wegverkeer op de Wilgenplaslaan en het tramverkeer wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Er zijn geen hogere grenswaarden nodig. Ten gevolge van wegverkeer op de omliggende 30 km/u wegen (Teldersweg) is sprake van een verhoogde geluidbelasting ter hoogte van de noordgevel. Hierdoor is extra aandacht noodzakelijk voor de geluidwering van de gevel in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er is nergens sprake van samenloop van de verschillende geluidbronnen. Gezien er geen hogere waarde benodigd zijn, is toetsing aan het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam niet nodig. Indien deze wel van toepassing zou zijn, dan kan geconcludeerd worden dat alle woningen binnen het voorziene ontwerp beschikken over een geluidluwe gevel én geluidluwe buitenruimte rekening houdend met de geluidbijdragen vanwege de 30 km/u wegen.

6.4.2

Conclusie

Het aspect weg- en tramverkeerslawaai vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.

6.5

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: » « » »

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

40

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: »

het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;

»

het project heeft een toename van minder dan 30Zo van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìgZm3).

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

6.5.1

Plangebied

In voorliggende situatie gaat het om een uitbreiding van het aantal bvo meter van Lidl, het realiseren van 30 appartementen en het aanleggen van een parkeergarage. De ontwikkelingen zorgen voor extra verkeersbewegingen. Er is onderzoek gedaan naar de verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling, dit onderzoek (Memo Verkeerskundige aspecten Lidl Teldersweg Rotterdam, d.d. 11 augustus 2021) is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Uit de berekeningen blijkt dat de herontwikkeling van het plangebied een netto verkeerstoename van 955 mvt/etmaal genereert. Op basis van de NIBM-Rekentool is een berekening gemaakt van de maximale planbijdrage van het extra verkeer. Er wordt uitgegaan van een toename verkeersgeneratie van 955 mvt/etmaal. Er is ook uitgegaan van 1,50Zo vrachtverkeer. Het jaar van planrealisatie is op zijn vroegst 2022. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate, nader onderzoek is niet nodig.

Worst-ease berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op üe Iuchtkwaliteit Jaar van planrealrsaiie

2022

Extra verkeer als gevolg van hst plan Extra voertuiErbeweamgen (vnreMBgaemKldrtfe) Aansar vfachtvůin&sr

1,0*

NO.- ín ļjľļ nv

*,73

PM,; m ug/m1

0,1 í

Máxintále biļdtagŕ exk a vai1uj«r

Grens voor "Niet in Berekenende Male' in

1.2

Conclusie De bijdrage van bat extra verkeer te niet in berekenende mate; geert nader ņndţrļiļek nņdlg

Tabel 6.2: Resultaten NIBM Rekentool

Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden via de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel (tabel 6.2) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

41

Meetpunt

NO2 ìg/m3

PM10 ìg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 ìg/m3

Jaar

15960258

23.1

18.6

6.6

11.1

2020

15960251

22.8

18.5

6.5

11.1

2020

15960260

23.8

18.4

6.5

10.9

2020

15960277

24.4

18.6

6.6

11.0

2020

15960248

22.4

18.5

6.5

11.1

2020

15960250

23.5

18.3

6.5

10.9

Norm

40

40

35

25

Tabel 6.3 Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)

6.5.2

Conclusie

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn geen normoverschrijdingen te verwachten als gevolg van de voorgenomen plannen en draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

6.6

Bodem

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

42

6.6.1

Plangebied

Er is door het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied van de totaal ontwikkeling aan de Teldersweg, inclusief de vrijkomende ontwikkelingslocatie ten westen van onderhavig plangebied. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de locatie om te bepalen of en zo ja welke belemmeringen er zijn voor de voorgenomen werkzaamheden. In deze toelichting worden de belangrijkste bevinden vermeld die betrekking hebben op onderhavig plangebied, het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage. De hypothese verdacht voor heterogene verontreinigingen wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek bevestigd. De bodem blijkt over het algemeen heterogeen licht verontreinigd te zijn. De milieuhygiënische bodemkwaliteit uit onderhavig onderzoek vormt geen belemmering voor de geplande herinrichting van de locatie. In een voorgaand verkennend onderzoek (AA059913654, Teldersweg 80 en 90, februari 2012) is vastgesteld dat binnen onderhavig plangebied een geval van ernstige bodemverontreiniging met drins aanwezig is. Dit geval is in het verkennend bodemonderzoek niet aangetoond. Naar verwachting is deze verontreiniging heterogeen van aard waardoor de huidige onderzoeksinspanning bestaande uit een boring ter verificatie niet heeft geleid tot het wederom aantonen daarvan.

Bovendien vnden er met onderhavige ontwikkeling ter plaatse van deze verontreinigde grond geen werkzaamheden plaats.

6.6.2

Conclusie

De resultaten van bovengenoemd bodemonderzoek geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Echter is de bodem onder het bestaande Lidl-pand nog niet onderzocht. Na uitvoering van de sloop van dit pand dient de bodem hier nog aanvullend te worden onderzocht.Het aspect bodem vormt geen belemmering voor vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.

6.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: » » »

activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten

43

risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevnden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc.

Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).

6.7.1

Plangebied

Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 6.1 is de risicokaart weergegeven.

44

Schiebro e

sm

7 ļ

'

__ * N471

Qk

Figuur 6.1 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

45

6.7.1.1 Transport gevaarlijke stoffen over weg Rijksweg A20 Ten zuiden van het plangebied, op circa 1,3 kilometer afstand is de Rijksweg A20 gelegen, afrit 14 (Rotterdam Centrum) - Knp. Terbregseplein. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats (LF1, LF2, LT1, LT2, LT3, GF2).

Plaatsgebonden risico De veiligheidszone van de A20 tussen het Terbregseplein en afrit 14 (Rotterdam Centrum) 11 is meter gemeten vanaf de as van de weg. Deze zone vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

Groepsrisico Het invloedsgebied van de stof LT3 bedraagt 4.000 meter, het plangebied is hierbinnen gelegen. Gezien het plangebied op ruim meer dan 200 meter afstand van de weg is gelegen vormt de weg geen belemmering. Gezien het plangebied wel binnen het invloedsgebied, maar op meer dan 200 meter van de weg is gelegen, zijn de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch scenario) meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico, zie paragraaf 6.8.2.

Plasbrandaandachtsgebied In het plasbrandaandachtsgebied, het gebied tot 30 meter vanaf de rand van de weg, moet bij de realisering van beperkt kwetsbare en kwetsbare bebouwing rekening gehouden worden met de effecten van een plasbrand. Omdat het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de afstand van 30 meter heeft het plasbrandaandachtsgebied geen praktische betekenis voor dit bestemmingsplan.

6.7.1.2 Transport over railwegen Spoorlijn Rotterdam CS - Gouda Ten zuiden van het plangebied, ten noorden van de A20, ligt het spoor van Rotterdam Centraal naar Gouda. Over dit stuk spoor vndt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats

Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt op minstens 1.200 meter van de rand van het spoor, de plaatsgebonden risicocontour ligt op 7 meter vanaf het midden van het spoor. De plaatsgebonden risicocontour ligt dus niet over het plangebied heen en heeft daarom geen betekenis voor onderhavig bestemmingsplan.

Groepsrisico Gezien het plangebied op ruim meer dan 200 meter afstand van de spoorlijn is gelegen vormt de weg geen belemmering. Gezien het plangebied wel binnen het invloedsgebied, maar op meer dan 200 meter van de spoorweg is gelegen, zijn de risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (toxisch scenario) meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico, zie paragraaf 6.8.2.

Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter vanaf de rand van het spoor. Het plangebied ligt op ruime afstand vanaf de rand van het spoor, zodat het plasbrandaandachtsgebied niet voor beperkingen voor het bestemmingsplan zorgt.

6.7.1.3 Leidingen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Buisleidingen vormen daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

46

6.7.1.4 Inrichtingen Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen en/of buisleidingen voorkomen. Op ruim 400 meter ten zuiden van het plangebied is een Chloorbleekloogtank van 2.000 liter gelegen. Gezien de afstand vormt deze inrichting geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Op ruim 715 meter ten zuidwesten van het plangebied is een tankstation met LPG gelegen. Gezien de afstand vormen deze inrichtingen geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.

6.7.2

Beperkte verantwoording groepsrisico

Vanwege de ligging binnen de invloedsgebieden van de A20 en een spoorlijn is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bestrijdbaarheid

Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Het plangebied wordt ontsloten via de Teldersweg. Deze weg sluit in twee richtingen aan op het regionale wegennetwerk. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld va meerdere aanvalswegen een mogelijke brand worden geblust. Daarnaast kan richting het noorden van bronnen af worden gevlucht.

Bestrijdbaarheid per scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofi ntensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. In geval van een plasbrand zal de inzet van de brandweer vooral gericht zijn op blussen van de plasbrand en eventuele secundaire branden. Zoals reeds genoemd valt slechts een deel van het plangebied is binnen het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

47

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een supermarkt en maximaal 30 appartementen. Dit zijn geen functies die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. De aanwezige personen zijn over het algemeen zelfredzaam. Uitgangspunt is dat minder zelfredzame personen met behulp van aanwezige zelfredzame personen in veiligheid gebracht kunnen worden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren in te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a9476f31-c658-4360-8e94-f4fb5e53a6ed