CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

22bb442 Bijlage behorende bij 22bb441 over rapport Staat van de stad 2021

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. De ‘Bestuurlijke Eindverantwoording college Rotterdam 2018-2022’, alsmede het rapport van de Rekenkamer Rotterdam ‘Tijd voor targets: beoordeling eindverantwoording; lessen 20 jaar collegeverantwoording’29.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

solute aantallen gaat het in Rotterdam bij de 110 procent-grens WMS om bijna 55 duizend huishoudens

Figuur 5.8.

Ontwikkeling van het vermogen van Rotter­ damse huishoudens

(ofwel bijna 89 duizend personen). Ook langdurige armoede (minimaal vier jaar) komt relatief vaker voor in Rotterdam: afhankelijk van de

450Zo 400Zo 35Z 30Z 25Z 20Z 15Z 10Z 5Z 0Z

gebruikte definitie betreft het 7,4 procent (lage-inko­ mensgrens) en 12,6 procent (110 procent-grens WSM). In absolute aantallen gaat het in Rotterdam dan bij die laatste grens om ruim 32 duizend huishou­ dens en 50 duizend personen.

'11

'12

'13

'14

'15

Negatief --------- 5.000-50.000

'16

'17

'18

'19

0-5.000 — — 50.000 - 1 miljoen

— * -1 miljoen en meer Bron: CBS, Statline, bewerking OBI.

10 De meest recente cijfers volgens het 'niet veel maar toereikend'-criterium van SCP betreffen 2017; deze worden in deze publicatie niet meegenomen. In dat jaar leefden volgens SCP 65.200 Rotterdammers (10,9 procent van alle inwoners) in armoede.

Materiële welvaart - Hoofdstuk 5

37

Figuur 5.11. Figuur 5.9.

Percentage huishoudens met een inkomen on­ der de lage-inkomensgrens en tot 110 procent WSM naar verblijfsduur onder deze grenzen, 2019

Ontwikkeling aandeel huishoudens levend in armoede minimaal 1 jaar (110 procent grens WSM)

250Z

200Z 20/

180/0 160/0

5/

14/ 12/

0/

10/ 8/ 6/

5/

4/ 2/

0/

0/

11 minimaal 1 jaar

4 jaar of langer

minimaal 1 jaar

lage inkomens

4 jaar of langer

110/

■ Rotterdam «Amsterdam

Den Haag «Utrecht

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS, bewerking OBI

Bron: CBS, bewerking OBI

De langjarige ontwikkeling van het percentage huishou­ dens in armoede volgens beide definities laat zien dat in

5.6

Kenmerken van de doelgroep van het armoedebeleid

alle grote steden tot in 2013 het percentage huishoudens in armoede steeg, om in de jaren daarna geleidelijk af te nemen. Het verschil met de rest van de grote steden laat

Bron van inkomen

een diffuus beeld zien; het verschil met Amsterdam is toe­

Rond 70 procent van de huishoudens in de doelgroep

genomen en met Den Haag en vooral met Utrecht iets af­ genomen. Overigens zien we dat de kortdurende armoede in de periode 2014-2019 afneemt en de langdurige ar­

van het Rotterdamse armoedebeleid, ofwel de lage inkomens, heeft een bijstandsuitkering of heeft een

moede juist toeneemt en dit zien we terug ongeacht de ge­

pensioenuitkering. Rond 17 procent is werkend in

kozen definitie voor armoede.

loondienst of als zelfstandige. Zelfstandigen, waaron­ der ZZP'ers, hebben veel vaker een laag inkomen dan

Figuur 5.10.

Ontwikkeling aandeel huishoudens levend in armoede minimaal 1 jaar (lage inkomensgrens)

werkenden in loondienst: van de laatste groep heeft 3 procent een inkomen tot 110 procent, van de zelfstan­

18/

digen 14 procent. Van de Rotterdammers met een

16/

pensioenuitkering heeft rond een kwart een laag in­

14/

komen.

12/

Onder de langdurig lage inkomens zijn bijstandsge­

10/

rechtigden en gepensioneerden oververtegenwoor­

8/

digd: langdurige armoede onder deze groepen laat

6/

de laatste jaren ook een stijging zien.

4/ 2/ 0/ '11

'12

'13

'14

'15

'16

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS, bewerking OBI

38

'17

Materiële welvaart - Hoofdstuk 5

Figuur 5.12.

Percentage huishoudens met een inkomen tot 110 procent WSM naar bron van inkomen, 2019

Figuur 5.13.

Percentage huishoudens met een inkomen tot 110 procent WSM naar gezinstype , 2019

Rotterdam WF Rotterdam

Pensioenuitkering

Overige meerpersoonshuishoud...

Ziekte/arbeidsongeschikt Bijstandsuitkering Sociale voorziening overig

»»»»»)Å U))))))ì

Werkloosheidsuitkering

r

Paar alleen minderjarige kinderen Eenoudergezin overig Eenoudergezin alleen minderjarige kinderen

Zelfstandige Loon

Paar overig

Paar zonder kinderen 65+ P

Paar zonder kinderen < 65 jr

Overig

T

Alleenstaand 65+ 0o7o 20o7o 40o7o 60o7o 80o7o100o7o

Alleenstaand < 65 jr

■ Minstens 1 jaar □ 4 jaar of langer

oy0 ioy0 20yo 30yo 40yo 50yo ■ Minstens 1 jaar

Bron: CBS, bewerking OBI

□ 4 jaar of langer

Gezinstype Bij twee derde van de huishoudens van de doelgroep

Bron: CBS, bewerking OBI

van het Rotterdamse armoedebeleid gaat het om al­

Kinderen

leenstaanden zonder kinderen. Nog eens 12 procent

Rond 18 procent van de kinderen in Rotterdam maakt

is eenoudergezin. Het percentage lage inkomens on­

deel uit van een huishouden met een laag inkomen en

der eenoudergezinnen met alleen minderjarige kin­

is dus onderdeel van het armoedebeleid. Het gaat

deren is veruit het hoogst: bijna 40 procent van hen

dan in totaal om 20.100 kinderen, waarvan 60 pro­

heeft een laag inkomen, ruim een kwart een langdu­

cent tot een eenoudergezin behoort. Van alle Rotter­

rig laag inkomen. Deze percentages liggen bij de pa­

damse kinderen in een eenoudergezin leeft 39 pro­

ren met uitsluitend minderjarige kinderen aanmerke­

cent in een huishouden met een laag inkomen; bij

lijk lager, op respectievelijk 8 procent en 4 procent.

ruim een kwart van de kinderen in een eenouderge­

Ook onder alleenstaande 65-plussers is het percen­

zin is dit vier jaar of langer. Kinderen in een tweeou-

tage lage inkomens relatief hoog: 33 procent heeft

dergezin maken veel minder vaak deel uit van een

minimaal een jaar een laag inkomen, 27 procent heeft

huishouden met een laag inkomen: 10 procent van

dit vier jaar of langer. Bij de eenoudergezinnen is in

hen leeft in een gezin met een laag inkomen, en 5 pro­

de afgelopen jaren wel een relatief sterke daling van

cent leeft in een dergelijk gezin dat al vier jaar of lan­

het percentage lage inkomens te zien, vooral door fis­

ger een laag inkomen heeft. Vergeleken met de an­

cale maatregelen om deze financieel kwetsbare

dere grote steden is het aandeel kinderen dat in een

groep te ondersteunen.

huishouden met een laag inkomen woont relatief hoog. Sinds 2014 zien we een, in overeenstemming met de daling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen, ook een daling van het percentage minderjarige kinderen dat leeft in een dergelijk huis­ houden.

Materiële welvaart - Hoofdstuk 5

39

Figuur 5.14.

Percentage kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110 procent WSM naar gezins­ type, 2019

Sekse Ruim de helft (55 procent) van de gezinshoofden van de doelgroep van het armoedebeleid is vrouw. Bij de langdurig lage inkomens zijn de vrouwen nog meer

Rotterdam

«ai

vertegenwoordigd: bij 59 procent van de huishou­ dens met vier jaar of langer een laag inkomen gaat het om een alleenstaande vrouw, al dan niet met kin­

Eenoudergezin

deren. Van alle Rotterdamse vrouwen met een zelfstandig

Paar met kinderen

huishouden heeft 25 procent een laag inkomen, te­ Overige meerpersoonshuishouden

gen 15 procent van de mannen. 0oZo 10oZo20oZo30oZo40oZo50oZo ■ Minstens 1 jaar e4 jaar of langer

Figuur 5.16.

Percentage huishoudens met een inkomen tot 110 procent WSM naar sekse, 2019

Bron: CBS, bewerking OBI

Rotterdam Figuur 5.15.

■/////////ZB 1

111

Percentage minderjarige kinderen in een huis­ houden met een inkomen tot 110 procent WSM

250Zo

Vrouwen

20oZo

Mannen

ļ

wsyyj 0Z

15Z

5Z

10Z 15Z 20Z 25Z 30Z

■ Minstens 1 jaar Q4 jaar en langer 10Z

Bron: CBS, bewerking OBI

5Z

Leeftijd Het percentage huishoudens met een laag inkomen loopt op per leeftijdscategorie: bijna 70 procent van '11

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

de Rotterdammers met een laag inkomen is 45 jaar of ouder. Het aandeel lage inkomens onder hoofdkost­ winners tot 45 jaar laat op de langere termijn een da­ ling zien; tussen 2017 en 2019 verscherpte die daling

Bron: CBS, bewerking OBI

nog eens. Ook de daling bij de hoofdkostwinners tus­ sen 45 en 65 jaar zet door. Bij de 65-plussers bleef het percentage lage inkomens ten opzichte van 2018 gelijk: een kwart van de ouderen heeft een laag inko­ men, terwijl een vijfde dat al vier jaar of langer heeft.

40

Materiële welvaart - Hoofdstuk 5

Figuur 5.17.

Percentage huishoudens met een inkomen tot 110 procent WSM naar leeftijdsklasse, 2019

Figuur 5.18.

Percentage huishoudens met een inkomen tot 110 procent WSM naar migratieachtergrond, 2019

Rotterdam Rotterdam

65 jaar of ouder

rywwwww i

Overig niet-westers Overig westers

45 tot 65 jaar

rw/x/il

EU-MOE-landers Marokko

25 tot 45 jaar

Turkije tot 25 jaar Kaapverdië 0Zo 50Zo100Zo150Zo200Zo250Zo300Zo

Suriname

■ Minstens 1 jaar

Antillen/Aruba

4 jaar of langer

Nederland

Bron: CBS, bewerking OBI

00Zo

Migratieachtergrond

100Zo

20%

30%

40%

■ Minimaal 1 jaar

Van de hoofdkostwinners van de huishoudens in de □ 4 jaar of langer

doelgroep van het armoedebeleid is ruim de helft van niet-westerse herkomst. Rotterdammers met een mi­

Bron: CBS, bewerking OBI

gratieachtergrond hebben vaker een laag inkomen dan Rotterdammers van Nederlandse origine. Van de

5.7

Rotterdammers met een Antilliaanse of Marokkaanse

Rotterdammers met een geregi­ streerde problematische schuld

achtergrond heeft meer dan 30 procent een laag in­ komen, tegen 12 procent van de Rotterdammers met een Nederlandse achtergrond. Gepensioneerde Rot­ terdammers met een migratieachtergrond lopen een extra groot risico op armoede: van de 65-plussers met een Antilliaanse, Marokkaanse of Turkse achter­ grond heeft meer dan 60 procent een laag inkomen, tegen 16 procent van de Nederlandse 65-plussers.

Sinds enige tijd publiceert CBS cijfers over het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden. Deze cijfers bieden een completer inzicht in de schuldpositie van huishoudens in Rotterdam dan de indicator 'wanbetalers zorgverzekering' die tot nu toe werd gebruikt. Deze laatstgenoemde indi­ cator maakt nu deel uit van de verschillende bronnen (onder meer Belastingdienst, DUO, CJIB) om de aan­ wezigheid van 'geregistreerde problematische schul­ den' vast te stellen. In oktober 2020 stonden 50.990 Rotterdamse huis­ houdens geregistreerd met problematische schuld; dat is 15,5 procent van alle Rotterdamse huishou­ dens. Vergeleken met de andere grote steden ligt dit aandeel huishoudens met problematische schulden in Rotterdam hoger. Sinds 2015 is dit aandeel in alle steden afgenomen; het minst in Rotterdam en het meest in Amsterdam. Ook in absolute aantallen heeft er een afname plaatsgevonden, behalve in Rotter­ dam.

Materiële welvaart - Hoofdstuk 5

41

Figuur 5.19.

Percentage huishoudens met een geregi­ streerde problematische schuld

180/0 160/0 14/ 12/ 10/ 8/ 6/ 4/ 2/ 0/ '15

'16

'17

'18

'19 jan-20okt-20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS

42

Materiële welvaart - Hoofdstuk 5

6 Onderwijs rmw

h

Vier op de vijf peuters met een mogelijke

ut

bij taal ligt dit op 57 procent. Dit is iets lager dan

(taal)achterstand maken gebruik van het extra

het gemiddelde van de vier grote steden (respec­

aanbod 'spelen en leren'. Het aantal peuters dat

tievelijk 73 procent en 59 procent).

door het CJG is geïndiceerd als doelgroeppeuter is

Derdejaarsleerlingen in het voortgezet onderwijs

in 2020 flink afgenomen. Door de coronapandemie

uit Rotterdam volgen vaker dan gemiddeld in de

heeft het CJG minder kinderen op consult gehad.

vier grote steden een lagere opleiding dan de ba­

Het aandeel leerlingen uit groep 8 met een advies

sisschool hen adviseerde (afstroom). Dit verschil

havo/vwo blijft onveranderd lager dan gemiddeld

met de vier grote steden is de laatste jaren vrijwel

in de vier grote steden. Voor lezen behaalt 70 pro­

onveranderd. Het percentage leerlingen dat een

cent van de achtstegroepers het streefniveau en

hogere opleiding volgt dan geadviseerd

Onderwijs - Hoofdstuk 6

43

(opstroom) is gelijk aan die in de vier grote steden.

6.2

Het jonge kind

Deze opstroom komt in Rotterdam (en ook in de andere grote steden) minder vaak voor dan af­

Met ingang van 1 oktober 2017 werkt het Centrum

stroom.

voor Jeugd en Gezin Rijnmond met nieuwe criteria

Rotterdamse derdeklassers doen minder vaak

om 3-jarige peuters met een mogelijke (taalachter­

havo of vwo dan gemiddeld in de vier grote steden

stand (zogenaamde 'doelgroeppeuters') beter voor te

en dit verschil is het laatste jaar iets kleiner ge­

bereiden op de basisschool. Er is sprake van een

worden. Bijna alle leerlingen zijn het afgelopen

doelgroepkind voor de voor- en vroegschoolse edu­

jaar geslaagd: op de havo is 97 procent geslaagd

catie (vve) wanneer een kind verschenen is op con­

en op vmbo en vwo is 99 procent geslaagd. Dit is

sult (14 en 24 maanden) bij het CJG én de thuistaal

gelijk aan het gemiddelde in de vier grote steden.

van het kind niet de Nederlandse taal is, óf beide ou­

Vanwege de coronapandemie is de wijze van exa­

ders/verzorgers of de ouder/verzorger die met de da­

minering en beoordeling anders geweest dan in de

gelijkse zorg is belast een opleidingsniveau heeft van

voorgaande schooljaren.

maximaal Mbo-1 of lager. Ook kan het CJG een ont­

Voortijdig schoolverlaten komt in Rotterdam iets

wikkelingsachterstand constateren en vinden dat het

vaker voor dan in de vier grote steden. Vergeleken

kind baat heeft bij 'extra spelen en leren'.

met eerdere jaren is het voortijdig schoolverlaten afgenomen. Voortijdig schoolverlaten komt op het

In 2020 maakt 80 procent van de doelgroeppeuters

voortgezet onderwijs relatief minder voor dan op

gebruik van het extra aanbod 'spelen en leren'. Dit is

het mbo.

minder dan de 89 procent in 2017. Ook is het aantal peuters dat bereikt is, minder hoog dan in 2017 (2.150

6.1

Aantal leerlingen en studenten in Rot­

het CJG is geïndiceerd als doelgroeppeuter is toege­

terdam Tabel 6.1.

versus 2.330 peuters). Het aantal peuters dat door nomen tussen 2017 en 2019, maar is in 2020 flink la­

Overzicht aantallen leerlingen en studenten wonend in Rotterdam, 2020/2021

Primair onderwijs

ger dan in 2019. Door de coronapandemie heeft het CJG minder kinderen op consult gehad.

54.343

Basisonderwijs

51.516

Speciaal basisonderwijs

1.200

Speciaal onderwijs11

1.627

Voortgezet (speciaal) onderwijs Voortgezet onderwijs

31.906 30.518

Voortgezet speciaal onderwijs

Mbo en hoger onderwijs Mbo niveau 1 (tot 27 jaar)

1.388

Tabel 6.2.

Doelgroeppeuters, Rotterdam

Bereik 3-jarige doelgroeppeuters Bereikte 3-jarige doelgroeppeuters Totaal 3-jarige doelgroeppeuters Bron: Feitenkaart VVE-monitor

2017

2018

2019

2020

89^0

80^0

8107o

80^0

2.380

2.510

2.560

2.150

2.678

3.141

3.164

2.688

56.475 1.022

Mbo niveau 2 (tot 27 jaar)

3.537

Mbo niveau 3 en 4 (tot 27 jaar)

12.927

Hbo 19.735 Wo 19.254 Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

11 Scholen voor speciaal onderwijs (SO) zijn er voor leerlingen die lichamelijk, zintuiglijk of verstandelijk gehandicapt zijn en voor leerlingen die psychische problemen of gedragsproblemen hebben. Scholen voor speciaal basisonderwijs (SBO) vallen niet onder het speciaal onderwijs, maar onder het reguliere onderwijs (www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs/speciaal-onderwijs)

44

Onderwijs - Hoofdstuk 6

6.3

Primair onderwijs

6.4

Vanaf schooljaar 2020/2021 gebruikt de Inspectie

6.3.1 Schooladviezen In schooljaar 2019/2020 kreeg 50 procent van de groep 8 leerlingen die in Rotterdam wonen een ad­ vies havo/vwo. Dit aandeel is lager dan gemiddeld in de vier grote steden. Door de coronapandemie zijn er in het schooljaar 2019/2020 geen schooladviezen naar boven toe heroverwogen omdat de Eindtoets vanwege de coronapandemie niet is afgenomen on­ der de leerlingen. Ook wanneer gecorrigeerd wordt voor het opleidingsniveau van de ouders blijft het aandeel havo/vwo schooladviezen in Rotterdam on­ der leerlingen met midden en hoogopgeleide ouders iets lager dan gemiddeld in de vier grote steden (Ba­ sismonitor Onderwijs NPRZ, 2020). Het verschil tus­ sen Rotterdam en het gemiddelde in de vier grote steden blijft over de jaren heen onveranderd. Figuur 6.1.

Referentieniveaus

Aandeel leerlingen in groep 8 met advies havo/vwo naar woongebied

van het Onderwijs de referentieniveaus in combina­ tie met de nieuwe schoolweging om te bepalen of leerlingen in het basisonderwijs voldoende geleerd hebben. Het referentieniveau wordt op verschillende momenten in de schoolloopbaan bepaald, waaronder in groep 8 van het basisonderwijs. Voor elk moment is in een doorlopende leerlijn aangegeven aan welk referentieniveau leerlingen op dat moment in de schoolloopbaan zouden moeten voldoen. Referentie­ niveau 1F, het fundamentele niveau, is het niveau dat leerlingen aan het einde van groep 8 moeten beheer­ sen om de overstap naar het voortgezet onderwijs goed te kunnen maken. Het fundamentele niveau 2F is het algemeen maatschappelijk functioneel niveau, het niveau waaraan elke Nederlander zou moeten voldoen. Er zijn ook streefniveaus geformuleerd als uitdaging voor leerlingen die meer aan kunnen (S). Het Rotterdamse college heeft als doelstelling dat de

Aandeel leerlingen in groep 8 met advies havo/vwo naar woongebied 70^0

score op de referentieniveaus in het primair onder­ wijs stijgt. Het aandeel Rotterdamse basisschoolleer­ lingen op het referentieniveau stijgt in 2021 naar het

6oyo

landelijk gemiddelde van 2017, dat wil zeggen:

50^0 4oy0

^ Taal: stijging van 54,9 procent naar 56,9 procent op

30^0

2F

2oy0

^ Lezen: stijging van 60,9 procent naar 67,4 procent

ioy0

op 2F

007o

^ Rekenen: stijging van 34,8 procent naar 37,8 pro­ ^

ť*’ ťv’ ^ ^ ^ ^ ^ Rotterdam

^

.............G4

cent op 1S. Voor rekenen zijn de niveaus 1S en 2F vanaf school­ jaar 2018/2019 samengenomen in de DUO-data. Dit

Bron: OBI/EUR Basismonitor Onderwijs NPRZ

betekent dat we geen goede vergelijking meer kun­ nen maken met de collegedoelpalen die gebaseerd zijn op 1S. 12 De referentieniveaus zijn beschikbaar voor het schooljaar 2018/2019. In het schooljaar 2019/2020 zijn de eindtoetsen niet afgenomen vanwege de co­ ronapandemie. In het daaropvolgend schooljaar is

12 Zie ook de Voortgangsrapportage Rotterdams Onderwijsbeleid, 2020., gemeente Rotterdam.

Onderwijs - Hoofdstuk 6

45

dit wel gebeurd maar deze data zijn nog niet beschik­

6.5

Voortgezet onderwijs

baar gesteld door DUO. In 2018/2019 heeft 43 procent van in Rotterdam wo­

6.5.1 Op- en afstroom

nende leerlingen uit groep 8 van het basisonderwijs het niveau 2F (inclusief 1S) behaald. Gemiddeld in de vier grote steden is dat 45 procent. Voor lezen haalt 70 procent het niveau 2F en voor taal 57 procent. In de vier grote steden is dit gemiddeld genomen hoger: 73 procent voor lezen en 59 procent voor taal.

Een belangrijke indicator voor het volgen van de kan­ sengelijkheid in het onderwijs is de opvolging van het advies van de basisschool in het niveau van de ver­ volgopleiding. Derdejaarsleerlingen in het voortgezet onderwijs uit Rotterdam volgen in 2020/2021 vaker dan gemiddeld in de vier grote steden een lagere op­

Figuur 6.2.

Referentieniveaus van groep acht leerlingen naar rekenen, lezen en taal naar woongebied, 2018/2019

leiding dan de basisschool hen adviseerde. Het ver­ schil met het gemiddelde in de vier grote steden in deze zogenaamde afstroom nam tussen 2017/2018 en 2018/2019 af en daarna is het verschil vrijwel con­

mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ mmļ

stant gebleven. Het percentage leerlingen dat een ho­ gere opleiding volgt dan geadviseerd, de zoge­ noemde opstroom, is in Rotterdam in het schooljaar

WĒĒSm

Rotterdam

G4

Rotterdam

G4

wel gelijk. De opstroom ligt lager dan de afstroom.

rekenen

lezen

■ ^F

ū1F

Figuur 6.4.

taal E32F

Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

Figuur 6.3.

2017/2018 wat hoger dan gemiddeld in de vier grote steden en is in de daaropvolgende schooljaren vrij­

Rotterdam

1000Zo 900Zo 800Zo 70O/O 600/0 50/ 40/ 30/ 20/ 10/ 0/

Percentage groep acht leerlingen dat scoort op referentieniveaus rekenen (2F/1S), lezen (2F) en taal (2F), naar woongebied

Percentage afstroom in leerjaar drie voortgezet onderwijs t.o.v. schooladvies eind basisonder­ wijs*

30/ 25/

20/ 15/

10/

80/ 5/ 60/ 0/ '17m

'18/19

'19/20

'20/21

40/ Rotterdam 20/

* de percentages zijn berekend inclusief leerlingen met een onbe­ kend advies Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

00Z '16/17

'17/18

'18/19

rekenen Rotterdam — — — rekenen G4 lezen Rotterdam — — — lezen G4 taal Rotterdam -------- taal G4 Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

46

— — — G4

Onderwijs - Hoofdstuk 6

Figuur 6.5.

Percentage opstroom in leerjaar 3 voortgezet onderwijs t.o.v. schooladvies eind basisonder­ wijs *

Ook wanneer het aandeel havo- en vwo-leerlingen in het derde leerjaar wordt vergeleken naar opleidings­ niveau van de ouders dan is dit aandeel lager dan ge­

30/

middeld in de vier grote steden.

25/

Figuur 6.7.

20/

Percentage havo/vwo leerlingen (exclusief praktijkonderwijs) in leerjaar 3 naar opleidings­ niveau ouders, 2020/2021

1000

lōo/o 900 800

10O/O

700

50/

600 500

0/ ' 17/'18

'18/ '19

'19/20

'20/21

...........G4

Rotterdam

400 300 200

* de percentages zijn berekend inclusief leerlingen met een onbe­ kend advies Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

100 00 laag

midden ■ Rotterdam

hoog

onbekend G4

6.5.2 Aandeel havo/vwo leerlingen Het aandeel havo- en vwo-leerlingen in het derde

Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

leerjaar is in Rotterdam lager dan gemiddeld in de vier grote steden. Dit verschil is in het laatste school­ jaar (2020/2021) iets afgenomen. Figuur 6.6.

6.5.3 Slaagpercentages In het schooljaar 2019/2020 zijn de slaagpercenta­

Percentage havo/vwo leerlingen (exclusief praktijkonderwijs) in leerjaar 3

ges in Rotterdam bijzonder hoog: 99 procent op het vmbo en vwo en 97 procent op de havo. Dit is gelijk aan het gemiddelde in de vier grote steden. Het

1000

schooljaar ervoor waren deze percentages, zowel in

900

Rotterdam als de G4, aanzienlijk lager: 92 procent op

800

het vmbo, 82 procent op de havo en 88 procent op

700

het vwo. Vanwege de coronapandemie is de wijze van examinering en beoordeling anders geweest dan

600 500

..........................................................................

in de voorgaande schooljaren.

400 300 200 100 00 '17/18

'18/19 Rotterdam

'19/10

'20/21

............ G4

Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

Onderwijs - Hoofdstuk 6

47

Figuur 6.8.

Slaagpercentages naar niveau in het voortge­ zet onderwijs, 2019/2020

Figuur 6.9.

Percentage nieuwe voortijdige schoolverlaters (VSV'ers) jongeren dan 23

407o

10007o 9007o 8007o 7007o 6007o

20Â

5007o 40%

1%

30% 20% 1007o

0% '14/15 '15/16 '16/17 ' 17/'18 ' 18/'19 '19/' 20

0% vmbo

havo m Rotterdam

vwo

Rotterdam

...........G4

ū G4 Bron: OCW, DUO

Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

6.6

Voortijdig schoolverlaters (VSV)

In 2019/2020 verliet 2,6 procent van de leerlingen tot 23 jaar in Rotterdam het onderwijs zonder een start­ kwalificatie te hebben gehaald. Dit is lager dan de ja­

6.7

Mbo

In het schooljaar 2020-2021 zijn er 17.486 mbo stu­ denten tot 27 jaar die wonen in Rotterdam. Het aantal is sinds het schooljaar 2015-2016 sterker gedaald dan gemiddeld in de vier grote steden. Figuur 6.10.

ren ervoor en betekent ook een eind aan de toename

Index aantal studenten mbo jonger dan 27 jaar naar woongebied (2015=100)

van het aandeel van deze groep. Vermoedelijk speelt ook hier de coronapandemie een rol. Het percentage

105

in Rotterdam is iets hoger dan gemiddeld in de vier grote steden (2,3). In het voortgezet onderwijs is het

100

percentage VSV 0,4 procent, net lager dan gemiddeld in de vier grote steden (0,6 procent). Op het mbo is

95

het percentage in Rotterdam net iets hoge, 6,7 t.o.v. 90

6.6 procent.

85

80 '15/16

'16/17

'17/18 Rotterdam

'18/19

'19/10 '20/11* .............G4

Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

48

Onderwijs - Hoofdstuk 6

6.7.1

Mbo naar niveau en naar richting

Figuur 6.12.

Het aandeel studenten tot 27 jaar uit Rotterdam dat

Percentage studenten mbo jonger dan 27 jaar naar woongebied en studierichting, 2020-2021 (voorlopig)

een mbo-opleiding volgt op niveau 3 of 4 is 74 pro­ cent, net iets hoger dan in Amsterdam en lager dan in

10007o

Utrecht. In Rotterdam en in Amsterdam zijn de aan­

9007o

delen mbo-entree (niveau 1) hoger dan in Utrecht en

8007o 7007o

Den Haag.

6007o

Figuur 6.11.

Percentage studenten mbo jonger dan 27 jaar naar woongebied en niveau, 2020-2021 (voorlo­ pig)

5007o 4007o 3007o 2007o

10007o

1007o

9007o

007o

8007o

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

7007o

EĴ mbo-overig

6007o

□ welzijn, verzorging

5007o

H vervoer, transport en logistiek

Utrecht

E3 economie

4007o

Htechniek 3007o

■ zorg

2007o Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

1007o 007o Rotterdam Amsterdam ■ mbo 1

Den Haag

ūmbo 2

Utrecht

6.8

Sterke schouders en hoogopgeleiden

EĴmbo 3/4

Bron: Staat van het Rotterdams Onderwijs (SSB, CBS, bewerking OBI)

6.8.1 Studenten In 2020/2021 wonen in Rotterdam 15.700 hbo-stu-

In Rotterdam is het aandeel mbo-studenten dat een studie volgt in de richting 'vervoer, transport en logis­ tiek' hoger dan onder de studenten wonend in de an­ dere drie grote steden. Ook is het aandeel studenten dat de richting 'zorg' heeft gekozen hoger dan in Am­ sterdam en Utrecht maar even hoog als in Den Haag.

denten en 17.150 wo-studenten van 15 t/m 26 jaar oud. Het aandeel studenten in het hbo en wo in de leeftijdsgroep 15 t/m 26 jaar ligt lager dan in Utrecht en Amsterdam, hoewel het verschil tussen 2015/2016 en 2019/2020 (in procentpunten) afneemt. In het laatste jaar is het verschil stabiel.

Bijna een kwart van de Rotterdamse studenten doet een studie richting 'techniek', ongeveer vergelijkbaar met de studenten uit de andere drie grote steden.

Onderwijs - Hoofdstuk 6

49

Figuur 6.13.

Aandeel studenten (hbo en wo) in de leeftijds­ groep 15 t/m 26 jaar

Figuur 6.14.

Aandeel sterke schouders (hoogopgeleiden en studenten hoger onderwijs) van bevolking 1575jaar

lCO/o l00/

9oyo 80/

90/

70/

80/

60/

70/

50/

60/

40/

50/

30/

40/

20/

30/

l0/

20/

0/

ţV

ţV sP /V* ^ .-y ^ ^ A»

l0/ 0/ '13

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20*

Rotterdam

— Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS, Dataportaal * voorlopig cijfer Bron: CBS, SSB; bewerking OBI. Peildatum: 1 oktober.

6.8.2 Sterke schouders Rotterdam onderscheidt als 'Sterke Schouders' vijf

6.8.3 Opleidingsniveau

deelgroepen naar gelang de levensfase waarin men

Hoogopgeleid zijn degenen die een afgeronde oplei­

zich bevindt: 'studenten' die een HBO of universitaire

ding op HBO of (bachelor) universitair niveau heb­

opleiding volgen, alsmede een viertal groepen die

ben. Van de Rotterdammers van 15 tot 75 jaar was in

een HBO of universitaire opleiding hebben afgerond

oktober 2020 31 procent hoogopgeleid. In oktober

namelijk 'young professionals', 'hoogopgeleide gezin­

2019 was dit aandeel in Rotterdam nog 30 procent.

nen', 'hoog opgeleiden zonder kinderen' en 'empty

Vergeleken met de andere grote steden, en vooral

nesters'.

Amsterdam en Utrecht, kent Rotterdam relatief een

In Rotterdam stijgt het aandeel sterke schouders

hoog aandeel laag- en middelbaar opgeleiden en een

vanaf oktober 2013 vanaf 28 naar 33 procent in 2020.

laag aandeel hoogopgeleiden.

De toename komt inmiddels van alle vijf de deelgroe­

Het opleidingsniveau van de Rotterdammers neemt

pen. Ook in de andere steden van de G4 stijgt het

gestaag toe. Deze toename zien we ook in de andere

aandeel. In Rotterdam blijft dit aandeel het laagst.

grote steden terug. Aangezien het aandeel hoogop­ geleiden in alle steden een vergelijkbare stijging kent, blijft de achterstand van Rotterdam ten op­ zichte van de andere steden gelijk.

50

Onderwijs - Hoofdstuk 6

Opleidingsniveau van de totale Rotterdamse bevolking 15 tot 75 jaar

IU U U W O

Figuur 6.15.

İÜIÜ

lCO/o 9oyo 80/ 70/

r

\rv.

If í i LLliJ

60/ 50/ 40/ 30/ 20/ l0/ 0/ '13

'14

'15

laag

'16

'17

'18

0 middelbaar

'19

'20*

hoog

* voorlopig cijfer Bron: CBS, SSB; bewerking OBI. Peildatum: 1 oktober

Figuur 6.16.

Percentage hoogopgeleiden in de vier grote steden (15-75 jaar)

60/ 50/ 40/ 30/ 20/ 10/

0Z '13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20*

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

* voorlopig cijfer Bron: CBS, SSB; bewerking OBI. Peildatum: 1 oktober

Onderwijs - Hoofdstuk 6

51

7 Gezondheid

De Rotterdammers oordelen in 2020 gemiddeld

52

Amsterdam is dit tussen 2008 en 2020 licht toege­

iets positiever over hun gezondheid dan in 2016.

nomen. Het aandeel Rotterdamse 65-plussers met

Rotterdam blijft hierin iets achter bij het gemid­

een verhoogd risico op depressie of een angst­

delde van de vier grote steden. Ruim een kwart

stoornis is gedaald ten opzichte van 2016.

van de Rotterdammers tot 65 jaar heeft één of

De samenredzaamheid ten opzichte van 2018 is

meer langdurige ziekten of aandoeningen. Bij de

afgenomen. Dat geldt voor zowel de actieve inzet

65-plussers is dit de helft.

van burgers, hun ondersteuning van en zorg voor

Ruim één op de tien Rotterdammers van 19- tot en

anderen maar ook voor de subjectieve samenred­

met 64-jaar heeft een hoog risico op een depressie

zaamheid, de publieke vertrouwdheid, het ver­

of angststoornis. Zowel in Rotterdam als

trouwen in de gemeente en het oordeel over de

Gezondheid - Hoofdstuk 7

aanwezigheid van sociaal-culturele wijkvoorzie-

7.1

COVID-19

7.1.1

Vaccinatiegraad

ningen. Het oordeel van Rotterdammers zelf over hoe zij meedoen in de samenleving is ook afgeno­ men ten opzichte van het voorgaande meetmo­ ment. De objectieve participatie, zoals de arbeids­

Vaccinatie tegen COVID-19 verkleint het risico op

deelname, deelname aan sport en cultuur, en het

overdracht van het virus naar anderen, en beschermt

doen van vrijwilligerswerk, daarentegen is licht

tegen een ernstig ziektebeloop, ziekenhuisopname

gestegen.

en overlijden als gevolg van besmetting. Vaccineren is daarom een belangrijke stap naar een samenleving

Rotterdam telt begin 2021 naar schatting zo'n 71

zonder coronaregels. Op 6 januari 2021 werd in Ne­

duizend mantelzorgers van 13 tot en met 85 jaar.

derland begonnen met vaccineren. Rotterdam kent

Acht procent van deze mantelzorgers voelt zich

de laagste vaccinatiegraad van de vier grote steden.

zeer zwaar- of overbelast.

Begin oktober 2021 was 66 procent van de Rotter­ damse bevolking volledig gevaccineerd tegen het vi­

In 2020 maakte 9 procent van de Rotterdamse

rus. In Utrecht was dit 80 procent.

jongeren tot 18 jaar gebruik van een vorm van jeugdhulp. Dit percentage is lager dan in voor­

Figuur 7.1.

gaande jaren en is ook lager dan dat van de andere grote steden.

Percentage van de bevolking van 12 jaar en ou­ der dat volledig gevaccineerd is tegen COVID19, peildatum 3 oktober 2021

100^0

De vaccinatiegraad voor onder andere de bof, ma­ zelen en rodehond (BMR) daalt al een paar jaar

800Zo

licht en blijft een punt van aandacht. 6oyo

Op het gebied van leefstijl zien we een gunstige daling van het percentage rokers in de vier grote

4oy0

steden. Ook het aandeel overmatige drinkers is sinds 2008 ongeveer gehalveerd. Een punt van

2oy0

aandacht blijft het aandeel volwassenen met overgewicht. In Rotterdam is dit het hoogst van de G4, namelijk 47 procent van de 18- tot en met

oy0 Rotterdam Amsterdam

Den Haag

Utrecht

64-jarigen en 61 procent van de 65-plussers. Rot­ terdammers voldoen minder vaak aan de beweegnorm dan gemiddeld in de vier grote steden.

Bron: RIVM website

7.1.2 Positief getest Het aantal positief geteste inwoners zegt iets over de snelheid waarmee het virus zich verspreidt. Met het bijhouden van deze cijfers kunnen voorspellingen ge­ daan worden over de belasting op de zorg en kan worden bepaald of maatregelen verscherpt of ver­ soepeld moeten worden. Begin november 2020 was het aantal positief geteste Rotterdammers het hoogst, met 95 op de 100 duizend inwoners. Dit cijfer lag een stuk hoger dan in de andere drie grote steden. Midden juli 2021 was er ook een flinke piek in het aantal positief getesten. Op deze peildatum lagen de

Gezondheid - Hoofdstuk 7

53

testcijfers van de grote steden rond de 80, behalve in

Figuur 7.3.

Den Haag waar dit cijfer rond de 60 lag.

Percentage 18 t/m 64-jarigen dat de eigen ge­ zondheid als (zeer) goed ervaart

10007o

Figuur 7.2.

Gemiddeld aantal positief geteste mensen op het coronavirus per 100.000 inwoners 9007o

100 8007o

90 80

7007o

70 60

60'ŵ

--------------------------------------

50

'12

40 30

'16

'20

Rotterdam

^—Amsterdam

Den Haag

^—Utrecht

20 Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, 10

CBS en RIVM

Bij de groep 65-plussers is tussen 2016 en 2020 een vergelijkbare toename zichtbaar in het deel dat de ei­ gen gezondheid als goed ervaart. De verschillen tus­ Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

sen de grote steden zijn in deze leeftijdsgroep kleiner en liggen allemaal dicht bij het G4 gemiddelde van 59 procent.

Bron: RIVM website

Figuur 7.4.

7.2

Percentage 65-plussers dat de eigen gezond­ heid als (zeer) goed ervaart

Gezondheid 1000Zo

7.2.1

Ervaren Gezondheid

90^0

De GGD Gezondheidsmonitor vraagt hoe mensen

80^0

hun gezondheid ervaren. Onder de 18 t/m 64-jarigen

70^0

is in 2020 het aandeel dat zijn of haar gezondheid als goed beoordeelt licht toegenomen ten opzichte van

60^0

2016. Met 79 procent ligt het Rotterdamse percen­

50^0

tage iets onder het G4 gemiddelde van 82 procent.

40^0

Het aandeel dat de eigen gezondheid als goed beoor­ deelt is het hoogst in Utrecht, namelijk 87 procent.

3007o '12

'16

'20

Rotterdam

^—Amsterdam

Den Haag

^—Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

54

Gezondheid - Hoofdstuk 7

7.2.2

Perinatale sterfte en vroeggeboorte

Figuur 7.6.

Vroeggeboorte en/of te laag geboortegewicht (Big 2) (per 1.000 geboorten)

Perinatale sterfte is als een foetus vanaf 24 weken zwangerschap komt te overlijden of als een baby in

220

de eerste 7 dagen na de geboorte overlijdt. Dit aantal

210

ligt in de vier grote steden tussen de vier en vijf per

200

duizend geboorten. Dit cijfer is tussen 2013 en 2019 ongeveer gelijk gebleven.

190

-

180

.

170

Figuur 7.5.

Perinatale mortaliteit: sterfte rond de geboorte vanaf 24 weken zwangerschapsduur (per 1.000 geboorten)

160 150 140 130

6,0

2013-2017

5,5

2014-2018

2015-2019

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: waarstaatjegemeente.nl

7.2.3

3,5

(Gezonde) Levensverwachting

In Rotterdam ligt de gemiddelde levensverwachting 2013-2017

2014-2018

2015-2019

in 2019 met 78 jaar (mannen) en ruim 82 jaar (vrou­ wen) lager dan het landelijk gemiddelde. De lagere

Rotterdam

—— Amsterdam

Den Haag

— — Utrecht

Bron: waarstaatjegemeente.nl

levensverwachting in Rotterdam heeft mogelijk te maken met kenmerken van de Rotterdamse bevol­ king en de leefomgeving (Senten 2015). In Rotterdam wonen, evenals in andere grote(re) steden, relatief

Het cijfer voor vroeggeboorten bestaat uit een com­

veel alleenstaanden, laagopgeleiden, groepen met

binatie van geboorten met een laag geboortegewicht

een laag inkomen, groepen zonder werk en deze

en/ of geboorten na een zwangerschapsduur korter

groepen hebben gemiddeld genomen een kortere le­

dan 37 weken. Van de grote steden kent Rotterdam

vensverwachting. Ook speelt de leefstijl (zoals rook­

het hoogste en Utrecht het laagste aantal vroegge­

gedrag) een rol bij de levensverwachting en ook hier

boorten. In de periode 2015-2019 loopt het cijfer uit­

scoort Rotterdam relatief ongunstig (Volksgezond-

een van 154 per duizend geboorten in Utrecht tot 189

heidenzorg.info 2019). Ook de fysieke- en sociale

per duizend geboorten in Rotterdam. Dit Rotter­

leefomgeving speelt een rol bij de levensverwach­

damse cijfer is hoger dan het Nederlandse gemid­

ting. Zo beïnvloedt de luchtverontreiniging in Rotter­

delde van 158 per duizend geboorten. Ook het aantal

dam de levensverwachting ongunstig (Senten 2015).

vroeggeboorten bleef tussen 2013 en 2019 ongeveer gelijk.

In het meest recente jaar 2020 ligt het aantal sterfge­ vallen in Rotterdam zo'n duizend hoger dan in de drie voorgaande jaren (Feitenkaart Bevolkingsmonitor Rotterdam, maart 2021). De oorzaak is het nieuwe coronavirus waarmee Nederland en de rest van de we­ reld in dat jaar te maken kreeg. De hogere sterfte heeft geleid tot een lagere statistische levensver­ wachting, zowel in Rotterdam, in andere steden, in

Gezondheid - Hoofdstuk 7

55

geheel Nederland, evenals in veel andere landen. In

Op basis van het aandeel mensen binnen een leef­

2020 is de gemiddelde levensverwachting voor Rot­

tijdsgroep met een (zeer) goede ervaren gezondheid

terdamse mannen bijna 78 jaar, voor vrouwen 82

is de gezonde levensverwachting bij geboorte bere­

jaar. Met betrekking tot de lange termijn ontwikke­

kend. Het aantal jaar dat iemand naar verwachting in

ling verwacht het CBS dat de stijgende lijn in de le­

goede ervaren gezondheid leeft, was in 2016 voor

vensverwachting ondanks de coronapandemie op

mannen in Nederland gemiddeld 64,9 jaar en voor

lange termijn waarschijnlijk niet nadelig beïnvloed

vrouwen 63,3 jaar. In Rotterdam lag deze levensver­

zal worden. Voor de korte termijn heeft het CBS in

wachting in goede ervaren gezondheid lager dan ge­

haar nieuwste landelijke prognose de levensver­

middeld in Nederland, met 59 jaar voor mannen en

wachting wel aangepast.

57,3 jaar voor vrouwen.

Figuur 7.7.

Figuur 7.9.

Levensverwachting mannen

De levensverwachting bij geboorte in goede en minder goede ervaren gezondheid voor Rotter­ dam, 2012-2016 (in jaren)

84 83

90

82

80

81

70

80

60

79

50

78

40

77 30 76 20 '11

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

10 0

Rotterdam

— Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Vrouwen

Jaren in goede ervaren gezondheid

Bron: Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen,

Levensverwachting vrouwen

GGD'en, CBS en RIVM 84 83 82 81 80 79 78 77 76 75 '11

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS Statline, bewerking OBI

56

Totaal

0 Jaren in minder goed ervaren gezondheid

Bron: CBS Statline, bewerking OBI

Figuur 7.8.

Mannen

Gezondheid - Hoofdstuk 7

'20

7.2.4 Chronische aandoeningen

Figuur 7.11.

Percentage 65-plussers met een ziekte of aan­ doening langer dan zes maanden

Van de 18- t/m 64-jarige Rotterdammers heeft 27 procent één of meer langdurige ziekten of aandoe­

70^0

ningen. Dit ligt iets boven het gemiddelde van 26 pro­

60^0

cent in de vier grote steden. In Utrecht geldt dit voor

50^0

22 procent van de inwoners in deze leeftijdsgroep. Dit is lager dan de andere grote steden. Er lijkt binnen

40^0

deze leeftijdsgroep sprake van een daling in het deel

30^0

met één of meerdere chronische ziekten of aandoe­

20^0

ningen ten opzichte van 2016. Wo

Figuur 7.10.

Percentage 18 t/m 64-jarigen met een ziekte of aandoening langer dan zes maanden

007o '16

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

700Zo 6oyo Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en,

50^0

CBS en RIVM

4oy0 30^0

7.2.5

Dementie

2oy0

Een van de omvangrijkste ouderdomsziekten is de­ mentie. Bij mensen met dementie gaat het cognitieve

ioy0

functioneren in de loop van de tijd achteruit, waar­ 007o '16

'20

door men niet meer volledig zelfstandig kan functio­ neren. In de periode 1991-2014 nam het aantal

Rotterdam

Amsterdam

nieuwe gevallen met dementie nog toe. In de periode

Den Haag

Utrecht

2011-2019 is er bij zowel mannen als vrouwen een af­

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

name van 35%. Toch was dementie in 2019 voor vrouwen de belangrijkste en voor mannen de op een na belangrijkste doodsoorzaak. Er zijn geen exacte

Van de 65-plussers heeft ongeveer de helft van de in­

cijfers voor het totaal aantal mensen met dementie,

woners van de vier grote steden een chronische aan­

wel zijn er schattingen beschikbaar. De meest re­

doening. In Utrecht en Den Haag is dit aandeel iets

cente schatting voor Rotterdam (2020) komt uit op

hoger, namelijk 53 procent. In Rotterdam is dit aan­

8.800 mensen met dementie. Door vergrijzing wordt

deel 51 procent. Dit komt overeen met het gemid­

verwacht dat dit in 2050 verdubbeld is. In vergelij­

delde van de vier grote steden. In Amsterdam is dit

king met de andere grote steden heeft Rotterdam

aandeel iets lager en gaat het om 47 procent. Ook in

naar schatting per 100 inwoners van 60 jaar en ouder

deze leeftijdsgroep lijkt er tussen 2016 en 2020 een

de meeste mensen met dementie (6,5%).

daling zichtbaar van het deel van de bevolking met één of meerdere chronische ziekten of aandoeningen.

Gezondheid - Hoofdstuk 7

57

Figuur 7.12.

Schatting van aandeel inwoners met dementie per 100 inwoners van 60 jaar en ouder, 2020

Negen procent van de Rotterdammers van 65 jaar en ouder voelt zich ernstig gehinderd door gezondheids­ problemen. Dit is ongeveer gelijk aan het gemiddelde

70z6

van de vier grote steden. De verschillen met de an­

60^

dere grote steden zijn klein in deze leeftijdsgroep. Al­ 50Zo

leen in Utrecht lijkt het percentage van de 65-plus-

4^0

sers dat te maken heeft met ernstige beperking door

30Zo

de gezondheid in 2020 iets te zijn afgenomen ten op­ zichte 2016.

2% 1%

Figuur 7.14. 0% Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Volksgezondheidenzorg.info; CBS

20^0

7.2.6

16^0

Beperkingen in dagelijks leven door

Percentage 65-plussers dat een half jaar of lan­ ger ernstige beperkingen ervaart door gezond­ heidsproblemen

gezondheidsproblemen De impact van lichamelijke gezondheidsproblemen op het dagelijks functioneren kan groot zijn. Inwo­

12^0

8^0

ners die door gezondheidsproblemen tegen beper­ kingen in het dagelijks leven aanlopen zijn vaker af­

407o

hankelijk van mantelzorg of formele vormen van on­ dersteuning. In 2020 voelt 5 procent van de Rotter­

00Zo

dammers van 18 t/m 64 jaar zich ernstig beperkt

'16

'20

door zijn of haar gezondheid. Dit is hoger dan het G4

Rotterdam

Amsterdam

gemiddelde van 4 procent. In Utrecht is het aandeel

Den Haag

Utrecht

dat zich ernstig belemmerd voelt door de eigen ge­ zondheidstoestand met een kleine 3 procent het laagst. Het aandeel lijkt in Rotterdam, Den Haag en Utrecht te zijn gedaald ten opzichte van 2016. Figuur 7.13.

Percentage 18- t/m 64-jarigen dat een half jaar of langer ernstige beperkingen ervaart door ge­ zondheidsproblemen

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

7.2.7

Psychisch welzijn

Mentale (psychische) ongezondheid vormt in Neder­ land een groot deel van de totale ziektelast onder de volwassen bevolking. In 2020 heeft 11 procent van

200Zo

de 18 t/m 64-jarige Rotterdammers een hoog risico op een depressie of angststoornis. Dit is vergelijk­

16^0

baar met het G4 gemiddelde. In Utrecht heeft 7 pro­ 1207o

cent van deze leeftijdsgroep een verhoogd risico. Dit is lager dan het G4 gemiddelde. Met uitzondering van

8^0

Den Haag is het aandeel van de 18 t/m 64- jarigen

4^0

met een hoog risico op depressie of een angststoor­ nis tussen 2008 en 2020 licht toegenomen.

007o '16 Rotterdam Den Haag

'20 Amsterdam Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

58

Gezondheid - Hoofdstuk 7

Figuur 7.15.

Percentage 18- t/m 64-jarigen met hoog risico op depressie of angststoornis

200Zo

7.3

Sociale omgeving

7.3.1

Zelfredzaamheid, samenredzaam­ heid en participatie

160Zo

Om deel te nemen in de samenleving zijn zelfred­ zaamheid, samenredzaamheid en participatie van

120Zo

belang. Zowel de objectieve zelfredzaamheid, als ook de subjectieve zelfredzaamheid in termen van het

8%

oordeel van Rotterdammers over hun eigen financiele situatie, over hun gezondheid, hun taalbeheer­

40Zo

sing, hun initiatiefgeneigdheid en mentale weerbaar­ heid is weinig veranderd ten opzichte van voor­ 0% '08

'12

'16

'20

gaande meting. De objectieve samenredzaamheid, zoals de actieve

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

inzet van burgers voor hun ondersteuning van en zorg voor anderen is afgenomen ten opzichte van

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en,

2018. De publieke vertrouwdheid, het vertrouwen in

CBS en RIVM

de gemeente en het oordeel over de aanwezigheid van sociaal-culturele wijkvoorzieningen, rekenen we

Onder de 65-plussers loopt het deel met een ver­ hoogd risico op depressie of een angststoornis niet erg uiteen tussen de G4. In Utrecht gaat het om 5 procent van deze leeftijdsgroep en in Rotterdam om 7 procent. Amsterdam en Den Haag liggen daar tus­ senin. Er lijkt in 2020 een lichte daling zichtbaar te zijn in de percentages ten opzichte van 2016. Figuur 7.16.

tot de subjectieve samenredzaamheid. Ook deze is sinds 2018 afgenomen. De subjectieve participatie in termen van het oordeel van Rotterdammers zelf over hoe zij meedoen in de samenleving is ook lager dan het voorgaande meet­ moment. De objectieve participatie, zoals de arbeids­ deelname, deelname aan sport en cultuur, en het

Percentage 65-plussers met hoog risico op de­ pressie of angststoornis

doen van vrijwilligerswerk, daarentegen is licht ge­ stegen.

200Zo Figuur 7.17.

Indexcijfers Zelfredzaamheid (Rotterdam)

160Zo 130

120Zo

120

80Zo

110

40Zo

100 90

00Zo '08

'12

'16

'20 80

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

70

-------------'14

16

'18

'20

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

Subjectief

............ Objectief

Bron: Wijkprofiel Rotterdam

Gezondheid - Hoofdstuk 7

59

Figuur 7.18.

Indexcijfers Samenredzaamheid (Rotterdam)

Figuur 7.20.

Percentage mantelzorgers en percentage mantelzorgers dat zich (zeer) zwaar belast voelt, 2020

130 30^0

120 110

25'^

100

2007o

90

1507o

80 1007o 70 '14

'16 Subjectief

'18

'20

............ Objectief

507o

007o Rotterdam

Bron: Wijkprofiel Rotterdam

Amsterdam

0 Mantelzorger

Figuur 7.19.

Den Haag

Utrecht

M Zwaar belaste mantelzorger

Indexcijfers Participatie (Rotterdam) Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

130 120

Figuur 7.21.

Het gemiddeld aantal uren dat wekelijks aan mantelzorgtaken wordt besteed, 2020

110 20

100

18 90 16 80

14 12

70 '14

'16 Subjectief

'18

'20

............ Objectief

Bron: Wijkprofiel Rotterdam

10 8 6 4

7.3.2

Mantelzorg

2 0 Rotterdam

In de Gezondheidsmonitor wordt gevraagd of men mantelzorg verleent. De definitie die daarbij gehan­ teerd wordt is minimaal 8 uur per week en/of langer dan 3 maanden. Eén op de tien volwassen Rotter­ dammers vanaf 18 jaar verleent mantelzorg volgens deze definitie. Binnen de G4 zien we hierbij geen grote verschillen. In de Gezondheidsmonitor wordt daarnaast gevraagd naar de draaglast. In Rotterdam geeft het hoogste percentage mantelzorgers aan zich zwaar belast te voelen. In vergelijking met de andere drie grote steden besteden Rotterdammers de meeste uren per week aan hun mantelzorgtaken.

60

Gezondheid - Hoofdstuk 7

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

Ook de Omnibusenquête vraagt sinds 2019 naar het

Figuur 7.23.

verlenen van mantelzorg13. Rotterdam telde begin

Percentage overbelaste Rotterdamse mantel­ zorgers, 2021

2021 naar schatting zo'n 71 duizend mantelzorgers van 13 tot en met 85 jaar. Uit de Omnibusenquête komt naar voren dat acht procent van alle mantelzor­ gers zich zeer zwaar- of overbelast voelt. Het aandeel zeer zwaar- of overbelaste mantelzorgers nam tussen 2020 en 2021 af met zo'n duizend, wat een voortzet­ ting betekent van de trend die in het vorige jaar al was ingezet. Figuur 7.22.

Percentage Rotterdamse mantelzorgers (mini­ maal 3 maanden of 8 uur p.w.) « Niet of nauwelijks belast « Enigszins belast

200

« Tamelijk zwaar belast

« Zeer zwaar belast

m Overbelast

Bron: Omnibusenquête, 2021 100

7.4

Zorggebruik

7.4.1

Jeugdzorg

50

0o

Jeugdhulp is de hulp en zorg zoals deze bedoeld en '19

Bron: Omnibusenquête

20

21

beschreven is in de Jeugdwet (2014). Het betreft hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstan­ delijke beperking van de jongere, of opvoedingspro­ blemen van de ouders. In 2020 maakte 9 procent van de Rotterdamse jongeren tot 18 jaar gebruik van een vorm van jeugdhulp. Dit percentage is lager dan de voorgaande jaren en is ook lager dan dat van de an­ dere grote steden. In Utrecht gaat het bijvoorbeeld om 16 procent van de jongeren.

13 De definities van de Gezondheidsmonitor en de Omnibusenquête verschillen enigszins. Bij de Gezondheidsmonitor gaat het om minimaal 8 uur per week en/of langer dan 3 maanden, bij de Omnibusenquête om langer dan drie maanden of meer dan acht uur per week.

Gezondheid - Hoofdstuk 7

61

Figuur 7.24.

Percentage jongeren met jeugdhulp (tot 18 jaar)

742

Vaccinatie

2007o

De vaccinatiegraad voor bof, mazelen en rodehond

1607o

van 95 procent, die nodig is om mazelen uit te ban­

(BMR) daalt al een paar jaar licht. Zo wordt de norm nen, bij de eerste BMR-vaccinatie alleen in Utrecht 1207o

nog gehaald.

807o

Figuur 7.26.

4^0

Vaccinatiegraad BMR zuigelingen basis im­ muun

1000Zo

98^0

0^0 '15

'16

'17

'18

'19

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

96^0

94^0 Bron: waarstaatjegemeente.nl/CBS Jeugd 92^0

In de eerste helft van 2020 bestond de jeugdzorg bijna voor driekwart uit jeugdhulp zonder verblijf, voor 11 procent uit jeugdhulp met verblijf, voor 12 procent uit jeugdbescherming en voor 4 procent uit

9007o

'0 '14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

'21

jeugdreclassering.

Figuur 7.25.

Opbouw jeugdzorgtrajecten (binnen totaal van jeugdzorgtrajecten) in eerste halfjaar 2020

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Rijksvaccinatieprogramma Nederland, RIVM

Ook de vaccinatiegraad bij andere vaccinaties daalt licht, zoals de volledig afgesloten vaccinatie voor Dif­ terie, Tetanus en Polio (DTP) onder schoolkinderen. Bij zowel de DTP als de BMR onder schoolkinderen (10 jaar) wordt in geen van de grote steden de doel­ stelling van 90 procent gehaald. De vaccinatiegraad is het laagst in Rotterdam en Amsterdam en het hoogst in Utrecht en Den Haag.

« Jeugdhulp zonder verblijf « Jeugdhulp met verblijf m Jeugdbescherming totaal « Jeugdreclassering

Bron: waarstaatjegemeente.nl/CBS Jeugd

62

Gezondheid - Hoofdstuk 7

Figuur 7.27.

Vaccinatiegraad D(K)TP en BMR volledig im­ muun naar gemeente, 2021

Figuur 7.28.

Percentage 18 t/m 64-jarigen dat rookt

40Z ïco/o 9507o

35/

90/ 85/

3C/

8C/ 25/

75/ 7C/

2C/

65/ 6C/

15/

55/ 5C/ Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

10/ '08

rn D(K)TP volledig (10 jaar)

BMR volledig (10 jaar)

'12

'16

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, Bron: Rijksvaccinatieprogramma Nederland, RIVM

7.5

Leefstijl

CBS en RIVM

Het aandeel rokende 65-plussers is binnen de G4 sinds 2016 ook afgenomen. Van deze groep rookt in

Door roken, overgewicht en problematisch alcoholge­

2020 rookt gemiddeld nog 13 procent. Het aandeel

bruik aan te pakken, kan de gezondheid van een

Rotterdamse rokers in deze leeftijdsgroep ligt met 14

grote groep Nederlanders verbeteren. Daarom richt

procent dicht tegen dit gemiddelde. In Utrecht ligt dit

het Nationaal Preventieakkoord zich op deze

percentage lager, namelijk 11 procent.

thema's. Figuur 7.29.

7.5.1

Percentage 65-plussers dat rookt

Roken

Van 2008 tot en met 2016 bleef het aandeel rokers in de vier grote steden nagenoeg gelijk. In de periode

30/

25/

van 2016 tot en met 2020 is hierin echter een afname zichtbaar in de vier grote steden. Van de Rotter­

20/

damse 18 t/m 64-jarigen rookt in 2020 ongeveer 22 procent, wat overeenkomt met het G4 gemiddelde. In Utrecht is dit aandeel met 19 procent het laagst.

15/

10/

5/

0/ '08

'12

'16

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

Gezondheid - Hoofdstuk 7

63

7.5.2

Figuur 7.31.

Overgewicht

Gemiddeld heeft 41 procent van 18 t/m 64-jarige be­

Percentage 65-plussers met matig of ernstig overgewicht

700Zo

volking van de G4 matig of ernstig overgewicht. In Rotterdam is dit aandeel hoogst van de G4, namelijk

6oyo

47 procent. In Utrecht is het percentage met matig of ernstig overgewicht met 35 procent het laagst. Net

5007o

als in de andere grote steden is dit aandeel onder de 18 t/m 64-jarigen sinds 2008 vrijwel onveranderd ge­ 4007o

bleven. Figuur 7.30.

Percentage 18 t/m 64-jarigen met matig of ern­ stig overgewicht

3oy0 '08

7oy0 6oy0

'12

'16

'20

Rotterdam

— Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

5oy0 4oy0 300Zo

7.5.3

Overmatig drankgebruik

2oy0

Bijna driekwart van de 18 t/m 64-jarige Rotterdam­ mers dronk in 2020 alcohol. De grens waarbij we

ioy0

spreken over overmatig drinken van alcohol ligt bij oy0 '08

'12

'16

'20

mannen bij meer dan 21 glazen alcohol per week. Bij vrouwen is dit meer dan 14 glazen per week. Dit geldt

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en,

voor ongeveer 5 procent van de Rotterdamse bevol­ king van 18 t/m 64 jaar. Dit komt overeen met het G4 gemiddelde. In alle vier de grote steden is het aan­ deel overmatige drinkers sinds 2008 ongeveer gehal­

CBS en RIVM

veerd. Van de 65-plussers in de G4 heeft gemiddeld 57 pro­ cent matig of ernstig overgewicht. Ook in deze leef­

Figuur 7.32.

Percentage 18 t/m 64-jarigen dat overmatig drinkt

tijdsgroep hebben Rotterdammers met 61 procent re­ latief vaak overgewicht. Dit keer zijn het echter de

3oy0

Amsterdammers die, met 53 procent, het minst vaak overgewicht hebben. Het deel van de 65-plussers met overgewicht lijkt sinds 2016 iets te zijn gedaald.

25^0 2007o 1507o 1007o

007o '08

12

16

20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

64

Gezondheid - Hoofdstuk 7

In 2020 drinkt ongeveer twee derde van de 65-plus-

Figuur 7.34.

sers wel eens alcohol. Het deel dat overmatig alcohol drinkt is met 10 procent het hoogst onder Amster­

Percentage 18 t/m 64-jarigen dat voldoet aan de beweegnorm

8oyo

dammers, en met 7 procent het laagst in Rotterdam en Den Haag. Met uitzondering van Utrecht lijkt het deel van de 65-plussers in de grote steden dat over­

70^0 6oyo

matig alcohol gebruikt iets gedaald tussen 2008 en 5007o

2020.

4007o

Figuur 7.33.

Percentage 65- plussers dat overmatig drinkt

3007o

300Zo '16

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

25^0 20^0 15^0

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

100Zo

Gemiddeld voldoet ongeveer een derde van 65-plus-

5y0

sers van de vier grote steden aan de beweegnorm. In Rotterdam is dit aandeel lager en gaat het om onge­

007o '08

'12

'16

'20

veer één op de vier inwoners. In Utrecht lijkt er

Rotterdam

Amsterdam

sprake van een toename in het aandeel oudere inwo­

Den Haag

Utrecht

ners dat voldoet aan de beweegnorm. In 2016 ging het nog om 33 procent van de 65-plussers, in 2020

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

voldoet 39 procent aan deze

7.5.4

Figuur 7.35.

Bewegen

De Gezondheidsraad adviseert volwassenen om we­ kelijks minimaal twee en een half uur matig intensief

Percentage 65-plussers dat voldoet aan de beweegnorm

70^0 60^0

te bewegen. Dit verlaagt onder meer het risico op dia­ betes, depressieve symptomen en, bij ouderen, bot­

50^0

breuken. In Rotterdam en Den Haag is het deel van

40^0

de 18 t/m 64-jarige bevolking dat in 2020 aan de be­

30^0

weegnorm voldoet, 50 en 54 procent. Dit is lager dan

20^0

het G4 gemiddelde van 57 procent. 1007o 007o '16

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

Gezondheid - Hoofdstuk 7

65

8 Subjectief welzijn - -Kb

: -5 ūidáH I

k

') '

—

w-*-

ffiļįļfëţ

In 2019 waren acht op de tien Rotterdammers te­

op de tien Rotterdammers. Daarnaast voelt ook

vreden met hun leven. Begin 2021 blijkt uit het

bijna negen op de tien Rotterdammers zich tame­

Wijkprofiel dat acht op de tien Rotterdammers te­

lijk of heel gelukkig. Opvallend is dat de jongvol­

vreden waren over de kwaliteit van hun leven. Nog

wassenen, die voorheen steeds het meest aanga­

niet bekend is of de coronapandemie gevolgen

ven gelukkig te zijn, op dit onderwerp nu nage­

heeft voor de stijgende lijn op deze onderwerpen

noeg niet meer verschillen van de andere leeftijds­

sinds 2013. Het aandeel Rotterdammers dat vol­

groepen.

doende regie op het eigen leven ervaart is tussen 2016 en 2020 niet gewijzigd, en geldt voor negen

Subjectief welzijn - Hoofdstuk 8

8.1

Figuur 8.2.

Tevreden met het leven

Iets meer dan acht op de tien volwassen Rotterdam­

Percentage Rotterdammers dat tevreden is over de kwaliteit van het leven

850Zo

mers zijn in 2019 tevreden met het leven dat ze lei­ den. Vanwege het nog niet voorhanden zijn van re­

800Zo

centere cijfers is niet bekend of en hoe de coronapandemie deze cijfers heeft beïnvloed. De tevredenheid van inwoners over hun leven is in de vier grote steden

75Z

70Z

tussen 2013 en 2019 op een vergelijkbare wijze toe­ genomen. Inwoners van Utrecht tonen gemiddeld ge­

65Z

durende de hele periode vanaf 2013 de hoogste te­ vredenheid, gevolgd door inwoners van Amsterdam. Inwoners van Rotterdam en Den Haag hebben ieder

60Z

55Z

jaar een gedeelde derde plaats. 50Z

Figuur 8.1.

Percentage volwassen inwoners dat tevreden is over het leven dat men nu leidt

2014

2016

2018

2020

2022*

* voorlopig cijfer gebaseerd op voorjaarsmeting 2021 (Wijkprofiel 2022) Bron: Wijkprofiel

880Zo 860Zo

8.2

840Zo

Ervaren regie over het eigen leven

820Zo

Het merendeel van de volwassen inwoners in de vier

80Z

grote steden ervaart voldoende regie over het eigen 78Z

leven. In Rotterdam geldt dit voor bijna negen op de

76Z

tien inwoners en ligt daarmee 3 procentpunt hoger 13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

dan in 2016. Dit verschilt niet significant met het per­ centage van 86 procent in 2016. Hoewel de verschil­ len tussen de vier grote gemeenten beperkt zijn, is dit

Bron: CBS

aandeel het hoogst in Utrecht.

In het Wijkprofiel wordt de Rotterdammers van 15

Figuur 8.3.

jaar en ouder een soortgelijke vraag gesteld over de tevredenheid met het leven als door het CBS. Op

100Z

deze vraag geven, ten tijde van de coronacrisis in het

95Z

voorjaar van 2021, bijna acht op de tien Rotterdam­

90Z

mers aan tevreden te zijn over de kwaliteit van hun

85Z

leven. In het laatste jaar ligt dit aandeel daarmee dui­

80Z

delijk lager (2 tot 3 procentpunt lager) dan in de jaren

75Z

daarvoor.

70Z

Percentage inwoners van 18 jaar dat voldoende regie over het eigen leven ervaart

65Z 60Z Rotterdam Amsterdam '16

Den Haag

Utrecht

'20

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020, GGD'en, CBS en RIVM

Subjectief welzijn - Hoofdstuk 8

67

8.3

Rotterdammers die zich gelukkig voe­ len

Van de Rotterdammers voelt 87 procent zich in 2020 tamelijk of heel gelukkig. In 2012 en 2016 gaven jongvolwassenen vergeleken met de oudere leeftijds­ groepen vaker aan zich gelukkig te voelen. In 2020 is dit verschil in gevoelens van geluk tussen de leef­ tijdsgroepen afgenomen. Figuur 8.4.

Percentage Rotterdammers dat zich tamelijk of heel gelukkig voelt

ïco/o

95'^

90/

85/

80/

75/ '12

'16

18 t/m 23 jaar

'20

.............18 t/m 64 jaar

—— — 65jaaren ouder

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020, GGD'en, CBS en RIVM

68

Subjectief welzijn - Hoofdstuk 8

9 Vrije tijd

/Aí*

De invulling van de vrije tijd is sterk beïnvloed

In de periode vóór corona zien we een duidelijke

door de coronapandemie: het aantal jonge Rotter­

toename van het percentage volwassen Rotter­

dammers dat deelnam aan een door de Stichting

dammers dat tevreden is over de hoeveelheid

Kunstzinnige Vorming Rotterdam (SKVR) georga­

vrije tijd. In 2019 was dit percentage in Rotterdam

niseerde culturele activiteit is gehalveerd en het

voor het eerst groter dan in Amsterdam en Den

aantal toeristen en het aantal overnachtingen in

Haag. Sport en bewegen is één van de belangrijk­

Rotterdamse hotels is sterk gedaald. Een bijna on­

ste vormen van vrijetijdsbesteding. Rotterdamse

onderbroken stijging van het aantal banen in re­

volwassenen sporten echter minder vaak dan die

creatie en toerisme vanaf 2012 kwam in 2020 als

in de andere drie grote steden. Ook zijn Rotter­

gevolg van corona tot een einde.

dammers minder vaak lid van een sportbond.

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

69

Naast sporten zijn culturele activiteiten voor de

Figuur 9.1.

Percentage inwoners van 18 jaar en ouder dat tevreden is over de hoeveelheid vrije tijd

Rotterdammers een belangrijke vorm van vrije­ tijdsbesteding. Ruim vier van de vijf Rotterdam­

760Zo

mers ondernamen in 2018 minstens één culturele

740Zo

activiteit. Het maandelijks bezoek aan culturele

720Zo

voorzieningen en het maandelijks uitgaan nam in

70oZo

2020 nog wat toe: deze cijfers zijn wel verzameld

68Z

in de periode vóór de coronacrisis.

66Z

Het oordeel over voldoende groen en over vol­

64Z

doende gebruiksgroen is tussen 2016 en 2022 licht

62Z

afgenomen. Begin 2021 verrichtte ruim een derde

60Z '13

van de Rotterdammers van 13 tot en met 75 jaar

'14

'15

'16

'17

'18

'19

wel eens onbetaald werk op vrijwillige basis. Vrij­

Rotterdam

Amsterdam

willigers zijn van oudsher het meest actief in

Den Haag

Utrecht

sportorganisaties en in organisaties of instellin­

Bron: CBS

gen voor hulp of bezoek aan zieken, bejaarden of gehandicapten. Het aandeel inwoners dat vrijwil­

9.2

Sport en bewegen

ligerswerk doet ligt in Amsterdam en Den Haag iets hoger, en in Utrecht substantieel hoger.

Van de Rotterdammers voldoet 45 procent aan de beweegrichtlijn van het RIVM14. Rotterdam bevindt zich

9.1

Tevredenheid over de hoeveelheid

hiermee als enige grote stad onder het landelijk ge­

vrije tijd

middelde. Dit geldt zowel voor de 18 tot 65-jarigen als de 65-plussers.

In 2019 toonde 70 procent van de Rotterdammers

Uit de GGD Gezondheidsmonitor 2020 blijkt dat de

zich tevreden over de hoeveelheid vrije tijd. Dit bete­

helft van de volwassen Rotterdammers wekelijks

kent een herstel van dit percentage na een relatief

sport. Dit percentage is vergelijkbaar met dat van

sterke daling in de periode 2013-2017: het percen­

Den Haag, maar ligt duidelijk onder dat van Amster­

tage tevredenen ligt in 2019 boven dat van Amster­

dam en Utrecht. De 65-plussers in Rotterdam bewe­

dam en Den Haag.

gen aanmerkelijk minder dan die in de andere grote steden: rond een kwart sport wekelijks en voldoet aan de beweegrichtlijn, tegen ruim een derde in Am­ sterdam en Utrecht. De Sportmonitor van NOC/NSF 2020 laat hogere percentages wekelijkse sportparticipatie zien dan de hiervoor genoemde Gezondheidsmonitor. Ruim 70 procent van de 18 tot 34-jarigen sport wekelijks. On­ der de 35- tot 65-jarigen is dit rond 60 procent en on­ der de 65-plussers 45 procent. In vergelijking met 2019 zien we een afname van wekelijks sporten on­ der de Rotterdammers vanaf 35 jaar. Dit kan (mede) de invloed zijn van de coronacrisis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=45d16024-f29b-493f-ad09-daea94a756c7