CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

22bb442 Bijlage behorende bij 22bb441 over rapport Staat van de stad 2021

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. De ‘Bestuurlijke Eindverantwoording college Rotterdam 2018-2022’, alsmede het rapport van de Rekenkamer Rotterdam ‘Tijd voor targets: beoordeling eindverantwoording; lessen 20 jaar collegeverantwoording’29.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

14 Personen vanaf 18 jaar dienen minstens 2,5 uur per week matig en intensieve inspanning te verrichten verspreid over diverse dagen, zoals wandelen en fietsen, en minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten te ver­ richten.

70

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

De sportdeelname van kinderen onder de 18 jaar is

vergelijking van de vier grote steden valt vooral het

sinds de start van corona in maart 2020 sterk ge­

hoge percentage leden in Utrecht op. In Den Haag

daald. Bijna 8 van de 10 kinderen tussen 6 en 14 jaar

zijn ook kinderen en jongeren tot 25 jaar vaker lid van

sportte eind 2019. Dit daalde naar iets meer dan de 5

een sportbond dan in Rotterdam of Amsterdam.

op de 10 eind 2020. Ook bij de groep 15- tot 17-jarigen is er sprake van een daling maar deze is veel min­

Figuur 9.4.

Percentage inwoners dat lid is van een sport­ bond, 2019

der groot (van 62 procent eind 2019 naar 52 procent eind 2020).

400Zo 350Zo

Figuur 9.2.

Percentage Rotterdammers dat minimaal een keer per week sport, en het percentage dat vol­ doet aan de beweegrichtlijn van het RIVM

30Z 25Z 20Z

80oZo 15Z

70oZo

10Z

60oZo 50oZo

5Z

40Z

0Z 0-10 jr

30Z

10-25 jr

25-45 jr

45-65 jr

65 jr en ouder

20Z B Rotterdam B Amsterdam B Den Haag

10Z 0Z

E

« ~Q 0

E « ~Q

05 S jp

E 0 ■o

0^

O)

0

c

Bron: NOC/NSF

■o

0

-i—« -i—«

-i—«

0

O ŨĹ 18 tot 65 jaar

E 0

Utrecht

E

C

0 O

Z)

65 jaar of ouder

In Rotterdam nam het percentage kinderen dat mini­ maal één uur per dag buiten speelt tussen 2014 en 2018 af. Ook het percentage kinderen dat vijf dagen per week buiten speelt nam af, van 60 procent in 2014 naar 54 procent in 2018.

■ Voldoet aan beweegrichtlijn

Sport wekelijks

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020,

Figuur 9.5.

GGD'en, CBS en RIVM

Figuur 9.3.

Percentage Rotterdammers vanaf 18 jaar dat wekelijks sport (exclusief urban sports)

Percentage kinderen dat minimaal één uur per dag buiten speelt

80% 70% 60%

80%

50% 60%

40%

40%

30%

20%

20% 10Z

0Z 18-34 jaar

35-64 jaar

65-80 jaar

0y0 2 en 3 jaar

4 t/m 11 jaar

■ '19 H'20 B '14 Q '18 Bron: Sportmonitor NOC/NSF Bron: GGD Gezondheidsmonitor Kinderen, 2014,2018

In 2019 is 15 procent van alle Rotterdammers lid van één of meerdere sportbonden. Onder de jongeren van 10 tot 25 jaar is dit ruim een kwart, onder de Rotter­ dammers van 65 jaar en ouder één op de tien. Bij

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

71

Urban sports (zoals bijvoorbeeld BMX, Freerunning,

In 2020 nam 16 procent van de Rotterdammers

panavoetbal, 3x3 basketbal, bootcamp of skateboar­

maandelijks deel aan culturele activiteiten, 44 pro­

den) worden met name onder de jongeren steeds be­

cent bezocht maandelijks één of meer culturele voor­

langrijken Deze vorm van sporten wordt veel minder

zieningen en 59 procent gaat maandelijks uit. Deel­

in georganiseerd verband gedaan. Rond 20 procent

name aan culturele activiteiten nam in vergelijking

van de Rotterdammers tussen de 15 en 35 jaar doet

met 2018 enigszins af, terwijl bezoek aan culturele

aan deze vorm van sport.

voorzieningen en uitgaan licht toenam. Hierbij moet worden aangetekend dat de meting in 2020 is ver­

9.3

richt vóór de coronacrisis.

Cultuur

In 2018 bezocht 70 procent van de Rotterdammers

Figuur 9.7.

Percentage Rotterdammers dat maandelijks culturele activiteiten onderneemt of bezoekt

minstens één keer een bioscoop of filmtheater. Daar­ mee is dit het meest bezochte culturele genre, ge­

7007o

volgd door festivals/evenementen, theaters, concert­

6007o

zalen en musea. Ruim vier van de vijf Rotterdammers ondernamen in 2018 minstens één van de onder­ zochte culturele activiteiten.

5007o 4007o 3007o

Figuur 9.6.

Bezoek aan diverse culturele genres in Rotter­ dam, in % van Rotterdammers, 2018

2007o

007o Deelname aan Bezoek culturele culturele voorzieningen activiteiten

Bioscopen I filmtheaters

Uitgaan

Festivals en evenementen ■ 2016

Q2018

Q2020

Theaters Bron: Wijkprofiel

Concertzalen, podia en clubs

De effecten van corona zijn terug te zien in de deel­

Musea

name aan activiteiten van de Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam (SKVR). De SKVR is de basis­

Bibliotheek Rotterdam

voorziening voor cultuureducatie en amateurkunst van Rotterdam. Namen in 2019 nog bijna 17 duizend

Expositieruimten en galeries

kinderen en jongeren tot 25 jaar in hun vrije tijd deel

Wijkgebouwen,-theaters en cultuurcentra

aan activiteiten van de SKVR, in 2020 waren dit er rond 8,4 duizend. De afname bij de deelnemers van

Muziekactiviteiten, gezelschappen

25 jaar en ouder is veel minder groot.

Andere culturele organisaties en activiteiten Dans- en theatergezelschappen Culturele workshops ! cursussen ! lessen Minstens één van deze 0y0

50yo

Bron: Cultuurmonitor Rotterdam 2018

72

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

100y0

Figuur 9.8.

Aantal deelnemers aan activiteiten van de SKVR in de vrije tijd

9.5

Toerisme

Een bijna ononderbroken stijging van het aantal ba­

20000

nen in recreatie en toerisme in de periode 2012-2019 15000

kwam in 2020 als gevolg van corona tot een einde. Dit is een landelijke trend, en zien we terug in alle

10000

grote steden. Traditioneel vinden we in Amsterdam in 5000

2020 veruit de meeste banen per duizend inwoners (118 per duizend inwoners) en Den Haag de minste

0 2018

2019

< 25 jaar

2020

...........25 jaar en ouder

(46 per duizend inwoners). In Rotterdam zijn in dat jaar 50 per duizend inwoners werkzaam in deze sec­ tor.

Bron: SKVR

Figuur 9.10.

9.4

Groen in de stad

Het aantal banen in de sector recreatie en toe­ risme (per 1.000 inwoners van 15-75 jaar)

140

Een belangrijk aspect in de beleving van de woonom­ geving is de aanwezigheid van groen. Ten aanzien van kijkgroen (bomen, plantsoenen) vindt in 2021 ge­ middeld 76 procent van de Rotterdammers dat dat

120 100 80

voldoende beschikbaar is in hun woonbuurt (voorlo­ pige cijfers Wijkprofiel 2022). Over gebruiksgroen

60

(om te sporten, te spelen of te picknicken) is men wat

40

minder tevreden: 65 procent vindt dit voldoende aan­

20

wezig in de woonbuurt. In de laatste periode daalt het aandeel bewoners dat vindt dat er voldoende groen is, terwijl dit aandeel voor kijkgroen een duide­

0 '12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

lijke daling zien; tevredenheid met voldoende ge­

Rotterdam

Amsterdam

bruiksgroen is stabiel.

Den Haag

Utrecht

Bron: waarstaatjegemeente.nl

Figuur 9.9.

Oordeel van Rotterdamse huishoudens over aanwezigheid groen in en rond de woonbuurt

Ook in het aantal overnachtingen in hotels, pensions of een andere vorm van logies zien we de effecten

900Zo 800Zo 700Zo

van corona terug. Het aantal overnachtingen hal­ .....................................

veerde van rond 2 miljoen in 2019 naar rond 1 miljoen in 2020. De daling van de overnachtingen van bezoe­

600Zo 50Z 40Z

kers uit het buitenland was het sterkst: van ruim 1 miljoen in 2019 naar rond 400 duizend in 2020.

30Z 20Z '14

'16

'18

'20

'22*

Voldoende groen (grasveldjes bomen) aanwezig ...........Voldoende gebruiksgroen (picknick, sporten, spelen) aanwezig * voorlopig cijfer gebaseerd op voorjaarsmeting 2021 Bron: Wijkprofiel

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

73

Figuur 9.11.

Bezoekers die één of meer dagen in Rotterdam overnachten (x 1.000)

9.6

Informele zorg en vrijwilligerswerk

Volgens de Regionale monitor Brede Welvaart ver­

2500

richtte 38 procent van de Rotterdammers van 15 jaar en ouder in 2019 vrijwilligerswerk. Het aandeel ligt in

2000

Amsterdam en Den Haag iets hoger; in Utrecht ligt 1500

het met 51 procent substantieel hoger. Het Rotter­ damse percentage komt dicht bij het percentage dat

1000

in de meest recente Omnibusenquête voor begin 2021 werd vastgesteld: 36 procent. Volgens deze en­

500

quête verrichtte op dat moment 48 procent van de Rotterdammers van 13 tot en met 75 jaar wel eens

0 12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

één of meer vormen van onbetaald werk op vrijwil­ lige basis: 34 procent deed wel eens aan informele

■ Nederland

QTotaal buitenland

hulp (los van een organisatie), en 36 procent ver­ richtte vrijwilligerswerk in georganiseerd verband.

Bron: CBS

Voor een deel gaat het hier om dezelfde mensen: 22 De meeste bezoekers kwamen ook in 2020 uit een

procent deed namelijk zowel aan informele hulp als

Europees land: de meesten hiervan komen uit Duits­

aan vrijwilligerswerk.

land, België, het Verenigd Koninkrijk of Frankrijk. De relatief sterke stijging van het aantal overnachtingen

Figuur 9.13.

Percentage inwoners van 15 jaar en ouder dat vrijwilligerswerk verricht (G4 2012-2019)

van bezoekers uit Amerika of Azië in de afgelopen ja­ ren kwam het afgelopen jaar abrupt tot een halt.

55'^

Figuur 9.12.

500Zo

Bezoekers die één of meer dagen in Rotterdam overnachten (x 1.000), naar herkomst

45^0

900 40^0

800 350Zo

700

300Zo

600

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

500 400

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

300 Bron: CBS

200

Rotterdamse vrijwilligers zijn van oudsher, net als

100

landelijk, het meest actief in sportorganisaties en in

0 '12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Europa exclusief Nederland Totaal Amerika Totaal Azië Totaal Oceanië Totaal Afrika Bron: CBS

74

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

'20

organisaties of instellingen voor hulp of bezoek aan zieken, bejaarden of gehandicapten. De Rotterdam­ mers die vrijwilligerswerk verrichten, doen dat ge­ middeld in twee soorten organisaties. Het aandeel Rotterdammers dat vrijwilligerswerk doet, daalde in de coronaperiode. Het herstel in 2021 is veelal be­ scheiden.

Figuur 9.14.

Deelnamepercentages vrijwilligerswerk in Rot­ terdam naar soort, vóór en na de coronacrisis

grotendeels overeen met die van 2019. Vanaf de lock­ down in maart 2020 daalde het aandeel Rotterdam­ mers in de informele zorg substantieel. In 2021 zien we hierin een duidelijk herstel, hoewel het niet op het

Totaal

oude niveau is. Overige organisaties

Figuur 9.15.

Deelnamepercentages informele zorg in Rotter­ dam naar soort, vóór en na de coronacrisis

Actie- of milieugroep Totaal Sportorganisatie Overig werk met Z hulp aan anderen Culturele organisatie

Ontspanning, sport, spel, recreatie

Vrouwenorganisatie Les geven Beroeps- of belangenorganisatie

Opvang kinderen

Politieke organisatie

Diensten verrichten

Kerk, moskee, levensbesch. org.

Informatie en advies

Onderwijs

Geestelijke/psychische hulp

Jeugd- en jongerenwerk

Lichamelijke/huishoudelij ke hulp 5007o

007o Kinderopvang

■ '19 '20 vóór 15 maart '20 vanaf 15 maart ū'21

Andere hulp- en dienstverlening Bron: Omnibusenquête 2021

Hulp/bezoek zieken, bej., gehandic. 0o7o 10o7o 20o7o 30o7o 40% 50% ■ 2019 2020 vóór 15 maart 2020 vanaf 15 maart ffl2021 Bron: Omnibusenquête 2021

De informele hulp bestaat in de meeste gevallen uit het geven van informatie en advies, het verlenen van lichamelijke of huishoudelijke hulp en het verrichten van diensten. Begin 2020 kwamen de percentages

Vrije tijd - Hoofdstuk 9

75

10 Samenleving ļjp"’

.Lľ-JL .ŵįli

ļA-iV

In 2019, dus voor het uitbreken van de corona pan-

In 2020 blijkt de samenredzaamheid ten opzichte

demie hadden zeven op de tien Rotterdammers

van 2018 afgenomen. Dat geldt voor zowel de ac­

wekelijks contact met familie. De sociale cohesie,

tieve inzet van burgers, hun ondersteuning van en

de verbondenheid met de buurt, was in Rotterdam

zorg voor anderen maar ook voor de subjectieve

in 2019 stabiel laag in vergelijking met de drie an­

samenredzaamheid, de publieke vertrouwdheid,

dere grote steden. Er zijn nog geen recentere cij­

het vertrouwen in de gemeente en het oordeel

fers die aangeven in hoeverre de pandemie het

over de aanwezigheid van sociaal-culturele wijk-

contact met familie en verbondenheid met de

voorzieningen.

buurt heeft beïnvloed.

76

Samenleving - Hoofdstuk 10

Het oordeel van Rotterdammers zelf over hoe zij

10.1 Contact met familie, vrienden of buren

meedoen in de samenleving is ook afgenomen ten

in de vier grote steden

opzichte van het voorgaande meetmoment. De ob­ jectieve participatie, zoals de arbeidsdeelname, deelname aan sport en cultuur, en het doen van vrijwilligerswerk, daarentegen is licht gestegen. Rotterdam telt begin 2021 naar schatting zo'n 71 duizend mantelzorgers van 13 tot en met 85 jaar. Acht procent van deze mantelzorgers voelt zich zeer zwaar- of overbelast.

Het aandeel bewoners dat minstens een maal per week contact heeft met familie, vrienden ligt in Rot­ terdam op 71 procent en is daarmee hoger dan in Am­ sterdam en Den Haag. In de drie grootste steden is deze groep sinds 2012 afgenomen; in Utrecht is het beeld stabiel. Gegevens over 2020 zijn nog niet be­ schikbaar. Het is denkbaar dat het contact in 2020 als gevolg van corona is afgenomen.

Ruim een derde van de Rotterdammers van 13 tot en met 75 jaar doet wel eens onbetaald werk op

Figuur 10.1.

Aandeel bewoners met minimaal eenmaal per week contact met familie, vrienden of buren

vrijwillige basis. Dit is minder dan in de drie an­ dere grote steden.

78 76

Ongeveer zes op de tien Rotterdammers hebben vertrouwen in instituties, het minst van alle grote steden. Sinds 2012 stijgt in alle steden, ook in Rot­ terdam, het vertrouwen in instituties. Hoe dit ver­

74 72 70

trouwen er na corona uitziet is nog niet bekend. In

68

2021 zijn de meest genoemde problemen: vervui­

66

ling, vernieling en het beheer van de openbare

64

ruimte (inclusief verwaarlozing openbaar groen);

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

de verkeersproblematiek (zoals de parkeren en

Rotterdam

Amsterdam

bereikbaarheid; veiligheidsproblematiek en wo-

Den Haag

Utrecht

ningproblematiek. Het percentage Rotterdam­

Bron: CBS Regionale Monitor Brede Welvaart

mers dat interesse heeft in de plaatselijke politiek is in de afgelopen jaren toegenomen.

10.2 Sociale cohesie woonbuurt

Eén op de vijf Rotterdammers voelt zich in 2021 wel eens gediscrimineerd. Dit is hoger dan in 2018,

Sociale cohesie zegt iets over de tevredenheid van in­

maar nog wel lager dan in 2017. Bijna een op de

woners over de verbondenheid in de woonbuurt. Ge­

zes bewoners van de grote steden voelt zich in

middeld genomen zijn de bewoners van de grote ste­

2020 erg eenzaam, het meest in Rotterdam en Den

den matig tevreden met de cohesie: het gemiddelde

Haag. Daarnaast is bijna vier op de tien inwoners

cijfer ligt tussen de 5,5 en 6 (op een schaal van 1-10).

matig eenzaam (in Rotterdam 39%). In 2019 was

Bewoners van Rotterdam beoordelen de verbonden­

volgens voorlopige cijfers 74 procent van de

heid in alle jaren het laagst met een 5,5. Door de tijd

Rotterdamse mannen economisch zelfstandig en

heen is de score in alle steden vrij stabiel. Verschillen

59 procent van de vrouwen. In alle grote steden

tussen steden kunnen het gevolg zijn van een andere

zijn vrouwen minder vaak economisch zelfstandig

bevolking maar ook vanwege verschillen in de fy­

dan mannen. Dit verschil in zelfstandigheid is

sieke- en sociale kwaliteiten van de buurten.

echter het grootst in Rotterdam en Den Haag.

Samenleving - Hoofdstuk 10

77

Figuur 10.2.

Gemiddelde beoordeling sociale cohesie

7

Figuur 10.3.

Indexcijfers Zelfredzaamheid (Rotterdam)

130

6,5

120

6

110

5,5 100 5 90

4,5

80

4 '13

'14

'15

'16

'17

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

70 '14

'16 Subjectief

'18

'20

...........Objectief

Bron: Wijkprofiel Rotterdam Bron: CBS Regionale Monitor Brede Welvaart

Figuur 10.4.

Indexcijfers Samenredzaamheid (Rotterdam)

10.3 Zelfredzaamheid, samenredzaamheid en participatie

130 120 110

Om deel te nemen in de samenleving zijn zelfred­ zaamheid, samenredzaamheid en participatie van belang. Zowel de objectieve zelfredzaamheid, als ook de subjectieve zelfredzaamheid in termen van het oordeel van Rotterdammers over hun eigen financi-

100 90 80 70 '14

ele situatie, over hun gezondheid, hun taalbeheer­

Subjectief

sing, hun initiatiefgeneigdheid en mentale weerbaar­ heid is weinig veranderd ten opzichte van voor­

'16

'18

'20

...........Objectief

Bron: Wijkprofiel Rotterdam

gaande meting. Figuur 10.5.

Indexcijfers Participatie (Rotterdam)

De objectieve samenredzaamheid, zoals de actieve inzet van burgers voor hun ondersteuning van en zorg voor anderen is afgenomen ten opzichte van

130 120

2018. De publieke vertrouwdheid, het vertrouwen in de gemeente en het oordeel over de aanwezigheid van sociaal-culturele wijkvoorzieningen, rekenen we

110 100

tot de subjectieve samenredzaamheid. Ook deze is sinds 2018 afgenomen.

90

De subjectieve participatie in termen van het oordeel

80

van Rotterdammers zelf over hoe zij meedoen in de samenleving is ook lager dan het voorgaande meet­ moment. De objectieve participatie, zoals de arbeids­ deelname, deelname aan sport en cultuur, en het doen van vrijwilligerswerk, daarentegen is licht ge­ stegen.

78

Samenleving - Hoofdstuk 10

70 '14

'16 Subjectief

Bron: Wijkprofiel Rotterdam

'18

'20

— — — Objectief

Figuur 10.7.

10.4 Mantelzorg In de Gezondheidsmonitor wordt gevraagd of men

20

mantelzorg verleent. De definitie die daarbij gehan­

18

teerd wordt is minimaal 8 uur per week en/of langer

16

dan 3 maanden. Eén op de tien volwassen Rotter­

14

dammers vanaf 18 jaar verleent mantelzorg volgens

12

deze definitie. Binnen de G4 zien we hierbij geen grote verschillen. In de Gezondheidsmonitor wordt

Het gemiddeld aantal uren dat wekelijks aan mantelzorgtaken wordt besteed, 2020

10 8

daarnaast gevraagd naar de draaglast. In Rotterdam geeft het hoogste percentage mantelzorgers aan zich zwaar belast te voelen. In vergelijking met de andere

6 4

drie grote steden besteden Rotterdammers de

2

meeste uren per week aan hun mantelzorgtaken.

0 Rotterdam

Figuur 10.6.

Percentage mantelzorgers en percentage mantelzorgers dat zich (zeer) zwaar belast voelt, 2020

30y0

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

Ook de Omnibusenquête vraagt sinds 2019 naar het verlenen van mantelzorg15. Rotterdam telde begin

25y0

2021 naar schatting zo'n 71 duizend mantelzorgers van 13 tot en met 85 jaar. Uit de Omnibusenquête

2007o

komt naar voren dat acht procent van alle mantelzor­ 1507o

gers zich zeer zwaar- of overbelast voelt. Het aandeel

1007o

2020 en 2021 af met zo'n duizend, wat een voortzet­

zeer zwaar- of overbelaste mantelzorgers nam tussen ting betekent van de trend die in het vorige jaar al was ingezet. 007o Rotterdam

Amsterdam

M Mantelzorger

Den Haag

Utrecht

0 Zwaar belaste mantelzorger

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen, GGD'en, CBS en RIVM

15 De definities van de Gezondheidsmonitor en de Omnibusenquête verschillen enigszins. Bij de Gezondheidsmonitor gaat het om mini­ maal 8 uur per week en/of langer dan 3 maanden, bij de Omnibusenquête om langer dan drie maanden of meer dan acht uur per week.

Samenleving - Hoofdstuk 10

79

Figuur 10.8.

Percentage Rotterdamse mantelzorgers (mini­ maal 3 maanden of 8 uur p.w.)

vrijwillige basis: 34 procent deed wel eens aan infor­ mele hulp (los van een organisatie), en 36 procent verrichtte vrijwilligerswerk in georganiseerd ver­

2007o

band. Voor een deel gaat het hier om dezelfde men­ sen: 22 procent deed namelijk zowel aan informele hulp als aan vrijwilligerswerk. 1007o

Figuur 10.10.

507o

Percentage inwoners van 15 jaar en ouder dat vrijwilligerswerk verricht

5507o 5007o

oy0 '19

'20

'21

45^0

Bron: Omnibusenquête 40^0

Figuur 10.9.

Percentage- overbelaste Rotterdamse mantel­ zorgers, 2021

3507o 3007o '12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS

Rotterdamse vrijwilligers zijn van oudsher, net als landelijk, het meest actief in sportorganisaties en in organisaties of instellingen voor hulp of bezoek aan « Niet of nauwelijks belast « Enigszins belast « Tamelijk zwaar belast

« Zeer zwaar belast

zieken, bejaarden of gehandicapten. De Rotterdam­ mers die vrijwilligerswerk verrichten, doen dat ge­ middeld in twee soorten organisaties. Het aandeel

m Overbelast

Rotterdammers dat vrijwilligerswerk doet, daalde in Bron: Omnibusenquête, 2021

de coronaperiode. Het herstel in 2021 is veelal be­ scheiden.

10.5 Informele zorg en vrijwilligerswerk Volgens de Regionale monitor Brede Welvaart ver­ richtte 38 procent van de Rotterdammers van 15 jaar en ouder in 2019 vrijwilligerswerk. Het aandeel ligt in Amsterdam en Den Haag iets hoger; in Utrecht ligt het met 51 procent substantieel hoger. Het Rotter­ damse percentage komt dicht bij het percentage dat in de meest recente Omnibusenquête voor begin 2021 werd vastgesteld: 36 procent. Volgens deze en­ quête verrichtte op dat moment 48 procent van de Rotterdammers van 13 tot en met 75 jaar wel eens één of meer vormen van onbetaald werk op

80

Samenleving - Hoofdstuk 10

Figuur 10.11.

Deelnamepercentages vrijwilligerswerk in Rot­ terdam naar soort, vóór en na de coronacrisis

10.6 Vertrouwen in instituties en anderen

Als indicator voor vertrouwen in instituties is ge­

Totaal

vraagd naar het vertrouwen in de Tweede Kamer, de politie en rechters. Het betreft hier het gemiddelde Overige organisaties

van de drie items. Ongeveer 60 procent van de Rot­ terdammers heeft vertrouwen in instituties, het minst van alle grote steden. Sinds 2012 stijgt in alle steden,

Actie- of milieugroep

ook in Rotterdam, het vertrouwen in instituties. Hoe dit vertrouwen er na corona uitziet is onduidelijk. Re­

Sportorganisatie

cent Nederlands onderzoek suggereert dat de corona maatregelen, na een aanvankelijke stijging, het ver­ Culturele organisatie

trouwen in de overheid in 2021 heeft doen afnemen (Engbersen e.a. 2021).

Vrouwenorganisatie Figuur 10.12. Beroeps- of belangenorganisatie

Aandeel bewoners met vertrouwen in institu­ ties

80Z 70Z

Politieke organisatie

60Z 50/

Kerk, moskee, levensbesch. org.

40/ 30/

Onderwijs

20/ 10/ 0Z

Jeugd- en jongerenwerk

'12

Kinderopvang

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS Regionale Monitor Brede Welvaart

Andere hulp- en dienstverlening

Ongeveer 55% van de Rotterdammers heeft vertrou­ Hulp/bezoek zieken, bej., gehandic.

wen in anderen en daarmee ligt duidelijk lager dan in Amsterdam en Utrecht. Sinds 2014 is dit vertrouwen 0Z 10Z 20Z 30Z 40oZo 50%

in alle vier de steden gestegen. Mogelijk is dit alge­

■ 2019

mene vertrouwen in anderen in 2020 (en daarna)

□ 2020 vóór 15 maart

door corona en de bijbehorende maatregelen afgeno­

□ 2020 vanaf 15 maart

men (zie Lo Iacono e.a. 2021)

□ 2021 Bron: Omnibusenquête 2021

Samenleving - Hoofdstuk 10

81

Figuur 10.13.

Aandeel bewoners met vertrouwen in anderen

Figuur 10.14.

Aandeel Rotterdammers dat zich afgelopen jaar wel eens gediscrimineerd heeft gevoeld*

80oZo 30Z

70oZo 60%

25Z

50% 40%

20Z

30% 15Z

20% 10oZo

10Z

0% '12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

5Z 0Z '15

Bron: Regionale Monitor Brede Welvaart

'16

'17

'18

'20

'21

*) gegevens over2019 ontbreken Bron: Gemeente Rotterdam, OBI: Omnibusenquête.

10.7 Discriminatie

10.7.1 Ervaren discriminatie

De helft van de Rotterdammers die zich gediscrimi­ neerd voelden, noemt ras/huidskleur als één van de

Rotterdam is een hyperdiverse stad. Er wonen veel

gronden waarop werd gediscrimineerd; dat komt

verschillende groepen naar migratieachtergrond,

neer op 9% van alle Rotterdammers. Ook veel ge­

godsdienst en levensovertuiging en leeftijd. Dit sa­

noemd: nationaliteit (4^ van wie zich gediscrimi­

menleven gaat vaak goed, maar levert voor bewoners

neerd voelden), godsdienst of levensovertuiging

soms ook problemen op zoals het gevoel gediscrimi­

(2^), geslacht (20%) en leeftijd (16%).

neerd te worden. Volgens de Omnibusenquête 2021 heeft 20% van de Rotterdammers zich in het afgelo­

De helft van de Rotterdammers die zich gediscrimi­

pen jaar wel eens gediscrimineerd gevoeld. Dit aan­

neerd voelden, noemt de straat als context; drie op de

deel is ten opzichte van 2018 iets toegenomen, maar

tien gediscrimineerden ervaarden dat tijdens het

nog wel lager dan in 2017. Gegevens over 2019 zijn

winkelen, en een kwart op de werkvloer. Ervaren dis­

niet bekend. Onder Rotterdammers met een migra­

criminatie tijdens het uitgaan wordt minder vaak ge­

tieachtergrond is dit percentage relatief hoog (26%,

noemd; in de laatste Omnibusenquête zelfs "maar"

tegen 13% bij Rotterdammers zonder migratieachter­

door 12%, maar in 2020 viel er door de coronapande-

grond). Verder neemt de ervaren discriminatie af

mie natuurlijk ook weinig uit te gaan. Slechts 6% zegt

naarmate men ouder wordt. Het verschil tussen man­

de discriminatie te hebben gemeld of aangifte te heb­

nen en vrouwen is niet groot; in de meeste jaren zei­

ben gedaan.

den vrouwen iets vaker wel eens discriminatie te Resultaten van dergelijke vragen in enquêtes zijn

hebben ervaren.

overigens erg gevoelig voor de wijze van enquêteren. Zo geven Rotterdammers met een migratieachter­ grond die mondeling zijn geënquêteerd veel minder vaak aan dat zij discriminatie hebben ervaren dan schriftelijk of online geënquêteerden. En het Wijkprofiel levert ook weer nét iets andere uitkomsten.

82

Samenleving - Hoofdstuk 10

10.7.2 Meldingen discriminatie

10.8 Eenzaamheid

Enquêtes zijn slechts een momentopname. Maar ook meldingen bij een antidiscriminatie voorziening, zo­

In welke mate voelen bewoners in de grote steden

als in Rotterdam RADAR, geven geen "hard" beeld

zich eenzaam? Bijna een op de zes bewoners van de

van de maatschappelijke stand van zaken. Zo zijn er

grote steden voelt zich in 2020 erg eenzaam, het

aanwijzingen dat slechts één op de vijf incidenten en

meest in Rotterdam en Den Haag. Daarnaast is bijna

voorvallen wordt gemeld; soms ook omdat burgers

vier op de tien inwoners matig eenzaam (in Rotter­

zelf steeds beter in staat zijn om op een adequate

dam 39%).

wijze te handelen. In 2020 waren er ook door het zo­

Emotionele- en sociale eenzaamheid liggen voor bei­

genaamde coronalied op Radio 10 (een lied met een

den het hoogst in Den Haag en Rotterdam met meer

denigrerende tekst over China) meer meldingen dan

dan een op de drie bewoners die zich eenzaam

in voorgaande jaren.

voelt.16 Bij sociale eenzaamheid ervaren ouderen dit vergeleken met andere leeftijdsgroepen vaker, ter­

Tabel 10.1.

Discriminatiemeldingen in de grote steden, 2020

wijl emotionele eenzaamheid het vaakst bij de leef­ tijdsgroep 18 t/m 23 jaar voorkomt. Op alle eenzaam-

Aantal meldin­

R'dam

A'dam

Den Haag

Utrecht

674

1.049

465

352

1,04

1,20

0,85

0,98

gen door inwo­

heidsscores springt Utrecht er relatief gunstig uit. Figuur 10.15.

Eenzaamheid onder de bewoners in de vier grote steden, 2020

ners

4507o Idem per 1.000 inwoners

40oZo 350Zo

Aantal meldin­

240

613

X

237

gen over voorval

Idem per 1.000

30oZo 250Zo

0,37

0,70

X

0,66

inwoners

20Z 15Z 10Z

Bron: Radar Rotterdam en de Amsterdamse, Haagse en Utrechtse Antidiscriminatievoorzieningen.

5Z 0Z (Zeer) ernstig eenzaam

Matig eenzaam

Emotioneel Sociaal eenzaam eenzaam

■ Rotterdam «Amsterdam

Den Haag «Utrecht

Bron: Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2020, GGD'en, CBS en RIVM

16 Eenzaamheid is te onderscheiden in emotionele eenzaamheid en sociale eenzaamheid. Iemand is emotioneel eenzaam wanneer hij/zij een gemis ervaart van intieme relaties, met wie lief en leed gedeeld kunnen worden. Sociale eenzaamheid duidt vooral op een gemis van betekenisvolle relaties met een bredere groep mensen zoals kennissen, collega's of buurtgenoten.

Samenleving - Hoofdstuk 10

83

10.9 Belangrijkste problemen in Rotterdam

Deze drie soorten problematiek worden al vele jaren het meest genoemd. Na die traditionele top-drie

De belangrijkste problemen volgens Rotterdamse in­ woners die met voorrang moeten worden aangepakt lagen volgens de Omnibusenquête lange tijd ieder jaar weer op het vlak van criminaliteit, onveiligheid en drugsoverlast, maar sinds 2015 werden zulke on­ derwerpen wel ieder jaar minder vaak genoemd. Na een lichte toename in de afgelopen twee jaar is de veiligheidsproblematiek in 2021 echter veel minder vaak genoemd, en naar de derde plaats op de rang­ lijst gezakt. Belangrijkste probleem is nu de laatste jaren steeds vaker genoemde problematiek van de vervuiling en vernieling en het beheer van de open­ bare ruimte (inclusief verwaarlozing openbaar

komt de woningproblematiek, die ieder jaar vaker ge­ noemd wordt; inmiddels na wederom een forse toe­ name zo'n drie-en-een-half keer zo vaak als vijf jaar geleden. Daarna volgt de jeugdproblematiek en de kwaliteit en kwaliteit van het openbaar groen. De sociaaleconomische problematiek (werkloosheid en ar­ moede en dergelijke) wordt de laatste jaren weer iets minder vaak genoemd. Ook de verschillen naar sociale score van de buurt volgens het Wijkprofiel 2020 zijn over het algemeen niet groot. Vervuiling, vernieling en beheer van de openbare ruimte wordt vaker genoemd naarmate de sociale score van de buurt lager is.

groen). Op de tweede plaats komt nu de verkeerspro­ blematiek (zoals de parkeer- en bereikbaarheidsproblematiek). Tabel 10.2.

Belangrijkste problemen in Rotterdam1

'16

1

wļļ

'21

Criminaliteit, onveiligheid en drugsoverlast

53/

50/

52/

47/

46/

39/

38/

42/

43/

31/

Vervuiling, vernieling en beheer openbare ruimte

32/

32/

29/

33/

29/

34/

33/

36/

40/

47/

Verkeersproblematiek

320Zo

30/

31/

34/

36/

40/

43/

44/

39/

40/

Woningproblematiek

50/0

6/

7/

7/

8/

15/

19/

20/

24/

29/

Jeugdproblematiek

180/0

18/

13/

14/

10/

9/

7/

8/

13/

11/

Kwantiteit Z kwaliteit overige voorzieningen

10/

10/

15/

14/

14/

11/

12/

10/

9/

8/

Bevolking Z bevolkingssamenstelling

12/

14/

13/

13/

11/

17/

11/

10/

8/

8/

Werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, armoede e.d.

11/

14/

17/

16/

15/

13/

13/

10/

8/

9/

Luchtvervuiling, milieu

3/

4/

5/

7/

7/

10/

11/

11/

8/

8/

Kwantiteit Z kwaliteit openbaar groen

4/

4/

4/

5/

2/

7/

6/

8/

8/

10/

Overige overlast

6/

5/

5/

4/

5/

7/

5/

7/

7/

9/

Verpaupering Z verloedering wijken

7/

6/

7/

5/

7/

7/

4/

4/

4/

3/

Kwantiteit Z kwaliteit speelgelegenheid

2/

1/

1/

1/

1/

1/

1/

2/

1/

1/

Verkeerde stedenbouwkundige plannen

2/

2/

3/

1/

1/

1/

1/

1/

1/

1/

Overige problemen

15/

14/

16/

14/

12/

15/

16/

11/

11/

15/

w.o.

gemeente Z overheid algemeen

10/

9/

9/

9/

5/

4/

4/

4/

3/

4/

vluchtelingen Z asielzoekers

3/

2/

4/

2/

3/

3/

4/

0/

0/

3/

1/

0/

1/

0/

0/

onderwijs

84

'15

1):

Men mocht er (maximaal) drie in eigen bewoordingen

Bron:

Gemeente Rotterdam, OBI: Omnibusenquête

Samenleving - Hoofdstuk 10

10.10 Interesse in de plaatselijke politiek

leeftijd. Scholieren en studenten blijven daarbij bui­ ten beschouwing.

Volgens de Omnibusenquête 2021 heeft 10Z van de Rotterdammers veel interesse in de plaatselijke poli­ tiek. 52Z heeft enige interesse, en 38Z geen inte­ resse. Daarmee is deze interesse weer wat hoger dan de afgelopen jaren. Het aantal Rotterdammers dat geen interesse heeft liep de laatste jaren steeds ver­ der op, maar is nu fors afgenomen. Mannen zijn vaker geïnteresseerd in de plaatselijke politiek dan vrouwen, en Rotterdammers met een niet-westerse achtergrond zijn minder vaak geïnte­ resseerd dan andere Rotterdammers. De interesse neemt sterk toe met het opleidingsniveau. Voorts neemt de interesse toe naarmate men in een sociaal sterkere buurt woont. Figuur 10.16.

Interesse in de plaatselijke politiek in Rotter­ dam

In 2019 was volgens voorlopige cijfers 73,5 procent van de Rotterdamse mannen economisch zelfstandig, en 59,1 procent van de vrouwen uit Rotterdam. In Amsterdam en Utrecht waren zowel mannen als vrouwen vaker economisch zelfstandig; in Den Haag is de situatie vergelijkbaar met Rotterdam. In alle grote steden zijn vrouwen dus minder vaak economisch zelfstandig dan mannen. Dit verschil in zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen is het grootst in Rotterdam en Den Haag (14 procentpunt); in Amsterdam en Utrecht bedraagt dit 9 procentpunt. Helaas zijn op dit moment nog geen recentere gege­ vens beschikbaar. Figuur 10.17.

Economische zelfstandigheid van mannen en vrouwen in de grote steden, 2019

900Zo 800Zo

100Zo

700Zo

900Zo

600Zo

800Zo

500Zo

700Zo

40Z

600Zo

30Z

500Zo

20Z

400Zo

10Z

300Zo

0Z Rotterdam Amsterdam Den Haag

Utrecht

200Zo ■ mannen

10Zo 0%

10i* 11 '12 '13 '14'* 15 '16 '17 '18i* 19 '20 '21

■ Geen interesse ū Enige interesses Veel interesse

1):

vrouwen

Personen in particuliere huishoudens, van 15jaar tot de

AOW-leeftijd, exclusief scholieren en studenten. Bron:

CBS, IIVS, bewerking OBI. Gegevens over2019 zijn nog

voorlopig.

*) Meting in de aanloop naar gemeenteraadsverkiezingen. Bron:

Gemeente Rotterdam, OBI: Omnibusenquête

De trendgegevens over de jaren 2014 tot en met 2019 tonen een continue stijgende lijn, wat inhoudt

10.11 Economische zelfstandigheid

dat er relatief steeds meer vrouwen en mannen van 15 jaar en ouder in de vier grote steden economisch

Van economische zelfstandigheid wordt gesproken

zelfstandig zijn. Het verschil in economische zelfstan­

als iemands persoonlijke netto inkomen uit arbeid of

digheid tussen mannen en vrouwen is tussen 2014 en

eigen onderneming ten minste gelijk is aan de netto

2019 wel iets kleiner geworden: die van de vrouwen

bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Economi­

nam met een procentpunt méér toe. Ook in Utrecht

sche zelfstandigheid wordt bepaald voor personen in

was dat het geval; in Amsterdam was dit verschil in

particuliere huishoudens van 15 jaar tot de AOW-

toename marginaal, en in Den Haag nam die van de vrouwen zelfs iets minder hard toe.

Samenleving - Hoofdstuk 10

85

Figuur 10.18.

Economische zelfstandigheid van mannen en vrouwen in de grote steden

Jţ

900Zo

-T! •Já lblì

800Zo

ÜľjiLÄ!. 700Zo

600Zo

íA

Z

5007o

Ľ______ìi 40% '14

'15

'16

Rotterdam mannen

'17

'18

'19

— — — Rotterdam vrouwen

Amsterdam mannen — — — Amsterdam vrouwen

Bron:

Den Haag mannen

— — — Den Haag vrouwen

Utrecht mannen

— — — Utrecht vrouwen

CBS, IIVS, bewerking OBI. Gegevens over 2019 zijn

nog voorlopig

Samenleving - Hoofdstuk 10

V

11 Veiligheid

De veiligheid in de G4 is in het afgelopen de­ cennium over het algemeen verbeterd. Bijna alle veelvoorkomende misdrijven laten een dalende tendens zien. Het aandeel inwoners dat zich weleens onveilig voelt, kent ook een licht dalende tendens. Auto-inbraken en fietsdiefstallen zijn de meest voorkomende mis­ drijven in de vier grote steden. Rondhan­ gende jongeren zorgen voor de meeste onvei­ ligheidsgevoelens. Het rapportcijfer voor vei­ ligheid in de buurt stijgt overal in de G4. He­ laas is het in Rotterdam het laagst.

11.1 Leeswijzer Om een vergelijking te kunnen maken met de andere grote steden wordt in dit hoofdstuk gebruik gemaakt van centraal beschikbare bronnen (veelal politiemo­ nitor of CBS). Deze cijfers kunnen op detailniveau af­ wijken van de cijfers die zijn verkregen voor de veiligheidsindex in het Rotterdamse Wijkprofiel. De ont­ wikkelingen zijn echter bij beide bronnen op hoofdlij­ nen hetzelfde.

Veiligheid - Hoofdstuk 11

87

Figuur 11.2.

11.2 Diefstal In deze paragraaf geven we de ontwikkeling binnen

Aantal fietsdiefstallen per 10.000 inwoners

160 140

de G4 weer van de meest voorkomende vormen van

120

diefstal. Het betreft de geregistreerde diefstallen:

100

diefstallen waarvan aangifte is gedaan en de politie

80 60

een proces-verbaal heeft opgesteld. Hieronder vallen ook de woninginbraken. In alle vier

40 20

de grote steden zien we eenzelfde sterke daling van

0

het aantal woninginbraken. De verschillen tussen de

'10

'11

vier grote steden zijn gering. Figuur 11.1.

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

'20

Aantal woninginbraken per 10.000 inwoners Bron: CBS, Bewerking OBI

100

In absolute zin worden er minder brommers en scoo­ 80

ters gestolen dan fietsen. Aangezien er echter veel minder brommers en scooters rondrijden dan fietsen

60

wordt dit vervoermiddel relatief vaker gestolen. De laatste jaren is er sprake van een toename in Rotter­

40

dam en een daling in Amsterdam.

20

Figuur 11.3.

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

Aantal bromfiets/scooter diefstallen per 10.000 inwoners

40 35

Rotterdam

Amsterdam

30

Den Haag

Utrecht

25 20

Bron: Politiemonitor, Bewerking OBI

15 10 5

Fiets- en brommerdiefstal vindt in de grote steden re­ gelmatig plaats. In de eerste helft van het afgelopen

0 '10

'11

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

decennium was er in alle vier de grote steden sprake

Rotterdam

Amsterdam

van een stijging van het aantal fietsdiefstallen. In de

Den Haag

Utrecht

'20

tweede helft is er sprake van een daling. In Rotter­ dam (en Den Haag) stagneert de daling de afgelopen

88

Bron: CBS, Bewerking OBI

twee jaar. In Rotterdam en Den Haag worden er rela­

Bij het aantal auto-inbraken (inclusief diefstal vanaf

tief minder fietsen gestolen dan in Utrecht en Amster­

de auto) zien we een dalende tendens in alle vier de

dam.

grote steden.

Veiligheid - Hoofdstuk 11

11.3 Bedreiging en mishandeling Alle vier de grote steden kenden een daling van het aantal bedreigingen tussen 2012 en 2017. Vanaf dat moment zien we in de drie grootste steden weer een lichte stijging. In Utrecht blijft het aantal bedreigin­ gen al sinds 2016 nagenoeg constant en op een lager niveau dan in de andere drie steden. Figuur 11.6.

Aantal bedreigingen per 10.000 inwoners

50

Figuur 11.4.

Aantal auto-inbraken per 10.000 inwoners

40

200

30

150

20

100

10

50 '12 '12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'13

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Politiemonitor, Bewerking OBI

Bron: Politiemonitor, Bewerking OBI

Het aantal mishandelingen daalt gelukkig wel ge­

Niet van iedere winkeldiefstal wordt aangifte ge­ daan. Vaak omdat het te laat wordt opgemerkt. Toch lijkt het erop dat in drie van de vier grote steden sprake is van een licht dalende tendens. De daling in 2020 kan mede veroorzaakt zijn door de tijdelijke

staag in alle vier de grote steden. Ook hierbij is er weinig verschil tussen de drie grootste steden. In Utrecht is het aantal mishandelingen, net als de be­ dreigingen, al die jaren een stuk lager. Figuur 11.7.

Aantal mishandelingen per 10.000 inwoners

sluitingen van veel winkels tijden de coronacrisis. Figuur 11.5.

Aantal winkeldiefstallen per 10.000 inwoners

80 40 30

60 40 20

12

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

'20

'20

Bron: Politiemonitor, Bewerking OBI

Bron: Politiemonitor, Bewerking

Veiligheid - Hoofdstuk 11

89

Figuur 11.9.

11.4 Drugsmisdrijven Het aantal drugsmisdrijven laat, na een aanvanke­

120

lijke stijging, een licht dalende trend zien. Opmerke­

100

lijk is de sterke daling in Amsterdam in 2020. Daar­ mee is het aantal drugsmisdrijven in Amsterdam

Aantal doorrijdingen na ongeval per 10.000 in­ woners

80 60

weer iets lager dan in Rotterdam. Vanwege de coronacrisis kwamen er in 2020 aanzienlijk minder toe­ risten. Dat zal zeker een bijdrage hebben geleverd

40 20 0

aan de daling in Amsterdam.

'10 '11

Figuur 11.8.

Aantal drugsmisdrijven per 10.000 inwoners

'12

'13

'14

'15

'16 '17 '18 '19 '20

Rotterdam

— Amsterdam

Den Haag

Utrecht

25 Bron: CBS, Bewerking OBI 20

Het aantal processen verbaal wegens rijden onder in­

15

vloed is in alle vier de grote steden in de eerste helft van het vorige decennium gedaald. In Rotterdam en

10

Den Haag sterker dan in Utrecht en Amsterdam. In de 5

tweede helft van het vorige decennium is deze vorm van verkeersmisdrijf in alle vier de grote steden vrij­

0 '12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

Rotterdam

— Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Politiemonitor, Bewerking OBI Verkeersmisdrijven

Doorrijden na een aanrijding komt vaak voor. Het kan

wel constant gebleven. In Rotterdam en Den Haag komt dit relatief vaker voor dan in Utrecht en Amster­ dam. Figuur 11.10.

Rijden onder invloed per 10.000 inwoners

80

hierbij gaan om aanrijdingen waarbij het slachtoffer niet aanwezig was, zoals 'parkeerschade', maar ook

60

om aanrijdingen met een persoon of voortuig dat wel 40

werd bestuurd. Het aantal keren dat dit gebeurt is vrij constant gedu­

20

rende het afgelopen decennium in drie van de vier grote steden. In Den Haag is er sprake van een licht dalende tendens. In Rotterdam komt het relatief ge­ zien iets vaker voor dan in de andere steden.

0 '12

'13

'14

'15

'16

Veiligheid - Hoofdstuk 11

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Politiemonitor, Bewerking OBI

90

'17

'20

Figuur 11.12.

11.5 (On)veiligheidsbeleving Om een vergelijking te kunnen maken met de andere

Percentage inwoners dat zich in de eigen buurt weleens onveilig voelt

40Z

grote steden worden in deze paragraaf de cijfers van het CBS gebruikt. De cijfers zijn afkomstig van de lan­

30Z

delijke Veiligheidsmonitor. Deze cijfers kunnen daar­ door iets afwijken van de cijfers die worden gebruikt in het Rotterdamse Wijkprofiel.

20Z 10Z

Omdat er vanaf 2017 niet meer jaarlijks een meting van de Veiligheidsmonitor plaatsvindt, ontbreekt het '13

jaar 2018 in alle grafieken in deze paragraaf.

'14

Het aandeel inwoners in de vier grote steden dat zich weleens onveilig voelt daalt zeer licht. De verschillen tussen de vier grote steden zijn zeer gering.

'15

'16

'17

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Veiligheidsmonitor

Figuur 11.11.

Percentage inwoners dat zich over het alge­ meen weleens onveilig voelt

Rondhangende jongeren leveren bij relatief veel mensen een gevoel van onveiligheid op. Net als bij de

50oZo

onveiligheidsgevoelens in de eigen buurt zien we 40oZo

hier een lichte afname. De verschillen tussen de grote steden zijn beperkt.

30oZo

Figuur 11.13.

20oZo

Percentage inwoners dat zich weleens onveilig voelt op plekken waar jongeren rondhangen

10Z 60Z 0Z '13

'14

'15

'16

'17

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

55Z 50Z

Bron: Veiligheidsmonitor

45Z

Ook in de eigen buurt voelen inwoners van de vier

40Z

grote steden zich steeds minder vaak onveilig. In

'13

Rotterdam voelen bewoners zich vaker onveilig in de eigen buurt dan in de andere steden.

'14

'15

'16

'17

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Veiligheidsmonitor

Ook rondom uitgaansgelegenheden - in de eigen woonplaats - voelen steeds minder mensen zich on­ veilig. De afname van gevoelens van onveiligheid is echter gering net als de verschillen tussen de vier grote steden.

Veiligheid - Hoofdstuk 11

91

Figuur 11.14.

Percentage inwoners dat zich weleens onveilig voelt rondom uitgaansgelegenheden

Figuur 11.16.

350Zo

40oZo

30oZo

30Z

250Zo

20Z

20Z

10Z

15Z

0Z '13

'14

'15

'16

'17

'19

'13

Percentage inwoners dat zich weleens onveilig voelt bij een treinstation

'14

'15

'16

'17

'19

Rotterdam

Amsterdam

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Den Haag

Utrecht

Bron: Veiligheidsmonitor

Bron: Veiligheidsmonitor

De gunstige ontwikkeling zien we ook in het open­

Tot slot kijken we naar het rapportcijfer dat inwoners

baar vervoer. Ook hier voelen steeds minder mensen

van de vier grote steden hebben gegeven voor de vei­

zich weleens onveilig. In Rotterdam nog wel iets

ligheid in hun eigen buurt. Omdat we zagen dat in

meer dan in Amsterdam en Utrecht. In en om de trein­

alle situaties het veiligheidsgevoel zich in de afgelo­

stations - in hun eigen woonplaats -voelt ook een

pen jaren positief heeft ontwikkeld, schept het geen

steeds kleiner deel van de inwoners van de vier grote

verbazing dat het rapportcijfer voor veiligheid is ge­

steden zich weleens onveilig. In Rotterdam en

stegen. In Rotterdam is dit rapportcijfer wel aanzien­

Utrecht is deze groep verhoudingsgewijs kleiner dan

lijk lager dan in de andere grote steden, maar wel

in Den Haag en Amsterdam.

ruim voldoende (6,7).

Figuur 11.15.

Figuur 11.17.

Percentage inwoners dat zich weleens onveilig voelt in het openbaar vervoer

Gemiddeld rapportcijfer voor veiligheid in de buurt

50% 40% 30% 20% 10Z 0% '13

'14

'15

'16

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Veiligheidsmonitor

92

'17

Veiligheid - Hoofdstuk 11

'13

'14

'15

'16

'17

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Veiligheidsmonitor

11.6 Jeugd Figuur 11.19.

Het aantal verwijzingen Halt per 10.000 inwo­ ners van 12 tot en met 17 jaar

Het aandeel 12- tot en met 17-jarige Rotterdammers dat verdacht wordt van een strafbaar feit is nage­ noeg constant 4 procent. Bij de 18- tot en met 22-jari-

300 250

gen zien we een stijging van 5 naar 6 procent in 2020 Jongeren worden daarmee aanzienlijk vaker ver­ dacht van een misdrijf dan personen van 23 jaar en

200 150

ouder. 100

Figuur 11.18.

Percentage jongeren verdacht van een straf­ baar feit

50 0

Tĥ

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

'20

607o Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

5ĥ 4ĥ Bron: Halt 3ĥ 2ĥ 1ĥ 0ĥ '1T

'18

'19

'20

12 t/m 1T jaar .............18 t/m 22 jaar — — — 23 jaar en ouder

Bron: KIC, directie Veiligheid

Jongeren van 12 tot en met 17 jaar die een licht straf­ baar vergrijp plegen, worden door de politie of leer­ plichtambtenaren naar Bureau Halt verwezen. Met uitzondering van Utrecht is er een dalende trend waar te nemen in het aantal jongeren dat naar Halt wordt verwezen.

Veiligheid - Hoofdstuk 11

93

įi9-jām ř*" Jňtj vsaÌ:

mra

TjS*JĴV j .3

*-‘4» «iañFC

12 Duurzaamheid en milieu '*jŕįř

4KM

mt*

ra*

In WĘĘļĚĒk

94

Sinds 2014 is het aardgasverbruik in particuliere

windenergie in Rotterdam beduidend groter dan

woningen in Rotterdam, Amsterdam en Utrecht re­

in de andere drie grote steden.

delijk stabiel rond de 800 kuub. Het gemiddeld

In Rotterdam zijn net zoveel bomen als mensen.

elektriciteitsverbruik per woning daalt geleide­

Driekwart van de Rotterdammers vindt dat er vol­

lijk. Het aandeel woningen met een relatief slecht

doende bomen en plantsoenen (kijkgroen) zijn in

energielabel (E, F of G) blijft in Rotterdam gelijk.

hun woonbuurt. Over gebruiksgroen (om te spor­

In de vier grote steden neemt het opgesteld ver­

ten, te spelen of te picknicken) is men wat minder

mogen van zonnestroom toe. Dankzij windturbi­

tevreden. De inwoners maken vooral melding van

nes in het havengebied is het vermogen van

lawaaioverlast, stankoverlast en overlast door

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

stof. Een kwart van de Rotterdammers is actief op

Figuur 12.2.

Gemiddeld elektriciteitsverbruik per woning, in kWh

het gebied van circulair gedrag. De gemiddelde concentratie van stikstofdioxide

3.000

(NO2) daalt al langere tijd in Rotterdam, hoewel

2.500

deze, mede door het havengebied, het hoogst van de grote steden is. De gemiddelde concentratie van fijnstof (PM10), gewogen naar de bevolkings­ grootte, wijkt in Rotterdam niet af van de overige grote steden. De Rotterdamse uitstoot van CO2 ligt in vergelijking met de andere grote steden veel

2.000 1.500 1.000 500 0 '10 '11

hoger als gevolg van de petrochemische- en ha­ venindustrieën.

'12 '13 '14 '15 '16 '17 '18* '19* Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

12.1 Energieverbruik van woningen

* 2018 en 2019 betreft voorlopige cijfers Bron: CBS

In alle vier de grote steden neemt het aardgasver­

12.2 Energielabels van woningen

bruik per woning in de eerste helft van het afgelopen decennium af. Sinds 2014 is het gasverbruik vrijwel ieder jaar 800 m3 in Rotterdam, Amsterdam en Utrecht. In Den Haag is dat met gemiddeld duizend kuub opmerkelijk hoger.

De daling van het energiegebruik komt (deels) door­ dat een steeds groter deel van de woningen beter is geïsoleerd. Het aandeel woningen met een energielabel A stijgt in alle vier de grote steden. Het aandeel woningen met een relatief slecht energielabel (E, F of

Figuur 12.1.

Gemiddeld aardgasverbruik particuliere wo­ ning, in m3

G) blijft in Rotterdam gelijk. In de andere drie grote steden stijgt het aandeel woningen met een A label

1 .800

en daalt het aandeel van alle andere labels. De wo­

1 .600

ningvoorraad in Rotterdam verduurzaamt dus minder

1 .400

snel dan in de andere G4 steden.

1 .200 1 .000

Figuur 12.3.

Energielabels van de woningvoorraad

800 600

100^0

400

900Zo

200 800Zo

'10 '11

'12 '13 '14

'15 '16 '17 '18* '19*

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

700Zo

60'^ 50'^ 40^0

* 2018 en 2019 betreft voorlopige cijfers Bron: CBS

300Zo 20^0

Het gemiddeld elektriciteitsverbruik per woning daalt in alle vier de grote steden geleidelijk. In Am­ sterdam wordt iets minder energie verbruikt dan in

10^0 007o '12

'19

'12

'19

Rotterdam Amsterdam

'12

'19

'12

'19

Den Haag

Utrecht

SC

E3E-F-G

de andere drie grote steden. ■ A t/m A++

ŪB

HD

Bron: RVO - Registratiesysteem voor energielabels van woningen

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

95

Naast zonne-energie speelt ook windenergie een be­

12.3 Elektrificering

langrijke rol in de energietransitie. In Rotterdam zijn Een van de middelen voor de energietransitie is het

de laatste 20 jaar veel windturbines gebouwd, maar

overstappen van fossiele brandstoffen op elektrici­

een aantal zijn ook al afgebroken of vervangen. In

teit. Voor het opwekken van die elektriciteit spelen

2021 heeft Rotterdam meer windturbines en opge­

zonnepanelen een belangrijke rol. Sinds enkele jaren

steld vermogen dan de drie andere grote steden ver­

zien we in alle vier de grote steden een stijgende

mogen dankzij windturbines in het havengebied.

trend in het opgesteld vermogen van zonnestroom. Op 1 januari 2021 zijn er in Rotterdam bijna 270 dui­

Figuur 12.5.

Aantal windturbines en opgesteld vermogen

zend zonnepanelen op panden aanwezig met een to­ taal opgesteld vermogen (van alle economische acti­

250

viteiten en woningen) van 73,5 MW. Dit aantal is in november 2021 opgelopen tot 300 duizend zonnepa­ nelen. Het opgesteld vermogen in Rotterdam is lager

200 150

dan in Amsterdam en Utrecht, maar hoger dan in Den Haag.

100 50 0

| I 1 11

5z

mi

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

M aantal windturbines \Z MW (opgesteld vermogen)

Bron: Statistieken - Windstats.nl

' ïiiiŕ v

Laadpalen Inmiddels heeft Rotterdam 64 (semi-)publieke laadpunten voor elektrische auto's per 10 duizend inwo­ ners. Het relatieve aantal laadpunten in Rotterdam

Figuur 12.4.

Totaal opgesteld vermogen zonnestroom*

komt ongeveer overeen met dat in Den Haag. In Utrecht zijn het er 75 per 10 duizend inwoners, en in

140.000

Amsterdam 80. Behalve in Utrecht was de toename 120.000

het afgelopen jaar slechts bescheiden.

100.000 80.000

Figuur 12.6.

60.000 40.000

90

20.000

80

Aantal (semi-)publieke e-laadpunten per 10.000 inwoners

70

0 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

60 50

Rotterdam

Amsterdam

40

Den Haag

Utrecht

30 20

* voor Rotterdam zijn gegevens van cluster Stadsontwikkeling (SO) gebruikt i.p.v. CBS gegevens. Deze SO-data geeft t/m 2020 een hoger opgesteld vermogen maar in 2021 een beduidend lager vermogen dan het CBS. Bron: CBS-Statline

10

2019

2020

2021

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: Waarstaatjegemeente.nl / Rijkswaterstaat: Klimaatmonitor

96

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

12.4 Klimaatadaptatie

12.5 De Rotterdammer en milieuproblemen

Een grote maatschappelijke opgave waar Rotterdam

In de Omnibusenquête wordt gevraagd of men als

net als andere steden aan werkt, is het klimaat-adap-

gevolg van een aantal milieuproblemen klachten er­

tief maken van de stad. In het Rotterdams Weer­

vaart zoals kortademigheid, hoesten, gebrek aan

woord is dit als volgt geformuleerd: Met álle Rotter­

nachtrust en stress. 29 procent heeft regelmatig of

dammers samen onze stad voorbereiden op een ex­

vaak last van hoge temperaturen in de zomer, 27 pro­

tremer klimaat, zodat het er veilig en aangenaam wo­

cent van geluid van verkeer, 17 procent van luchtver­

nen en leven is, nu en in de toekomst. Een van de spo­

ontreiniging door verkeer, 15 procent van geluid van

ren waar Het Rotterdams Weerwoord zich op richt is

horeca, evenementen of mensen in de omgeving, 10

de inrichting van de openbare ruimte.

procent van geluid van vliegtuigen, 8 procent van rook door houtstook en 6 procent van geluid van in­

Bij de afdoening van de motie 'Zo veel mensen zo

dustrie. Van alle Rotterdammers zegt 14 procent des­

veel bomen' (19bb23222) is vastgesteld dat er per

gevraagd dat de ervaren milieuproblematiek ook een

begin 2020 ruim 650.000 bomen op terreinen van

reden is om te willen verhuizen, 81 procent vindt dit

de gemeente staan. Inderdaad evenveel als het

geen reden om te willen verhuizen, en de overige 5

toenmalig aantal ingeschreven Rotterdammers.

procent weet het niet. Dat is dus inclusief de mensen die geen klachten ervaren.

In de volgende figuur is te zien op wat voor terrei­ nen deze bomen staan. Figuur 12.7.

Aantal bomen per type gebied

18.000 « Bedrijven­ terreinen

« parken, lanen en straten 468.000 bos­ plantsoenen en -percelen

Bron: Gemeente Rotterdam, Stadsbeheer

Ten aanzien van kijkgroen (bomen, plantsoenen)

fe-v

vindt in 2021 gemiddeld 76 procent van de Rotter­ dammers dat dat voldoende beschikbaar is in hun woonbuurt (voorlopige cijfers Wijkprofiel 2022). Over gebruiksgroen (om te sporten, te spelen of te picknicken) is men wat minder tevreden: 65 procent vindt dit voldoende aanwezig in de woonbuurt.

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

97

Figuur 12.8.

Percentage Rotterdammers dat regelmatig of vaak klachten ervaart als gevolg van milieupro­ blemen

vanaf 2018 een kleine stijging. De afname van de in­ zameling van papier en karton hangt wellicht ook sa­ men met de voortschrijdende digitalisering van on­

Geluid van industrie

der andere de post en kranten. Vanaf 1 januari 2020

w

geldt in Rotterdam het 'opt-in systeem' voor reclame­

Rook door houtstook (van kachels, barbecue, vuurkorf etc.)

drukwerk. Wie géén sticker op de brievenbus heeft,

Geluid van vliegtuigen

krijgt géén ongeadresseerd reclamedrukwerk meer.

Geluid van horeca, evenementen

Mogelijk leidt dit tot een verdere daling vanaf 2020.

of mensen in de omgeving

De inzameling van glas is in Rotterdam sinds 2011

Luchtverontreiniging door verkeer

stabiel. De inzameling van textiel tenslotte laat in de

Geluid van verkeer

vier grote steden een grillig beeld zien. In 2019 werd in Rotterdam per huishouden gemiddeld bijna 7 kilo

Hoge temperaturen in de zomer

textiel ingezameld. 007o

1007o

2007o

■ 2021

3007o

4007o

0 2020

Figuur 12.9.

Totaal huishoudelijk afval per huishouden

1000 Bron: Omnibusenquête 800

De top 3 van meest gedane meldingen bij de DCMR in 2020 is: lawaaioverlast (ruim 3600 meldingen),

600 kg

stankoverlast (bijna 1300 meldingen) en overlast

400

door stof (360 meldingen).

200 0 '11

12.6 Circulair gedrag van de Rotterdammer

'12

Rotterdam heeft op het gebied van duurzaamheid en

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

circulariteit als doel tot een afvalarme en een grond­ stofrijke stad te komen. Dat doet Rotterdam onder

Bron: CBS Statline

andere door minder afval te produceren, afval goed te scheiden en meer spullen hergebruiken en recy­

Figuur 12.10.

clen.

Totaal restafval per huishouden

700

Een kwart van de Rotterdammers is circulair actief.

600

Daarnaast horen zes op de tien Rotterdammers tot de

500

circulaire middenmoot. De overige 14 procent zijn niet actief bezig met circulair gedrag. Dit percentage,

400 kg

300

gemeten in mei 2021, is het laagst sinds begin 2018

200

(Bron: Blauw, in opdracht van gemeente Rotterdam).

100 0

In 2019 bedroeg het totaal huishoudelijk afval in Rot­

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

terdam gemiddeld 822 kg per huishouden. Sinds

Rotterdam

Amsterdam

2014 is de inzameling van groente-, fruit- en tuinafval

Den Haag

Utrecht

in Rotterdam gestegen tot gemiddeld 34 kg per huis­ houden in 2019. Het gemiddeld aantal kilo's ingeza­ meld papier en karton is sinds 2011 in de vier grote steden in grote lijn gedaald. Alleen in Utrecht zien we

98

'11

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

Bron: CBS Statline

Figuur 12.11.

Grof huishoudelijk restafval per huishouden

Figuur 12.14.

Verpakkingsglas per huishouden

50 250 40 200 30 150

kg

kg

20 100 10

50

0 '11

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'11

'19

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

Rotterdam

Amsterdam

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Den Haag

Utrecht

Bron: CBS Statline

Bron: CBS Statline

Figuur 12.12.

12.7 Luchtkwaliteit: stikstofdioxide en fijn-

GFT-afval per huishouden

70

stof

60 50

Het is belangrijk dat de luchtkwaliteit in de stad zo

40

goed mogelijk is. Om een goede luchtkwaliteit te be­

30

werkstelligen zijn maatregelen genomen, zoals het

20

verminderen van stikstofdioxide en fijnstof in de

10

lucht. Zo wordt Rotterdam een aantrekkelijkere, ge­

kg

0

zonde plek voor bewoners en bedrijven. 11

'12

'13

'14

'15

'16

Rotterdam Den Haag

'17

'18

'19

■Amsterdam

De gemiddelde concentratie voor stikstofdioxide

■Utrecht

(NO2) laat al een langere periode een daling zien in Rotterdam, hoewel deze in Rotterdam, mede door de

Bron: CBS Statline

concentratie van industrieën in het havengebied, het hoogst van de grote steden is. De gemiddelde con­

Figuur 12.13.

Oud papier en karton per huishouden

centratie van fijnstof (PM10), gewogen naar de bevol­

100

kingsgrootte, wijkt in Rotterdam niet af van de ove­

80

rige grote steden

60

Figuur 12.15.

kg 40 20

Bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie [pg/m3] stikstofdioxide (NO2)

30

0

25 '11

Bron: CBS Statline

'12

'13

'14

'15

'16

'17

'18

'19

20

Rotterdam

Amsterdam

15

Den Haag

Utrecht

10 5 0 '17

'18

'19

'20

Rotterdam

Amsterdam

Den Haag

Utrecht

Bron: RIVM

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

99

Figuur 12.16.

Bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie [pg/m3] fijnstof (PM10)

Figuur 12.17.

Totale CO2 uitstoot naar vijf sectoren 20172020 in megaton (Mton)

23 40

22 21

ro E

20

30

19 18 20

17 16 15 '17

'18

'19

'20

10

Rotterdam Amsterdam

0 17

Den Haag

18

19

20

Utrecht Bron: RIVM

12.8 CO2 uitstoot Het grootste deel van de Rotterdamse uitstoot (26,2

■ industrie

Q Energiesector

El Mobiliteit

E Gebouwde omgeving

m Landbouw

Bron: DCMR

Mton) komt voor rekening van de industrie- (13,7 Mton) en de energiesector (9,4 Mton).17 Mobiliteit (2,1 Mton), gebouwde omgeving (0,9 Mton) en landbouw (0,05 Mton) stoten veel minder uit. Sinds 2016 neemt de totale uitstoot duidelijk af en dat komt vooral door een sterke daling bij de energiesector (DCMR 2020). De afname in het laatste jaar (-3,0 Mton) is mede het gevolg van afgenomen productie bij raffinaderijen en de chemie door de coronacrisis (DCMR 2020). Ook een langdurige storing en onderhoud bij energiecen­ trales en de petrochemie dragen bij aan een vermin­ derde uitstoot in 2020. Hiernaast spelen ook de maatregelen van de Rotterdamse klimaataanpak een rol in de afname.

17 *De totale Rotterdamse uitstoot van koolstofdioxide (CO2) zoals gerapporteerd door de DCMR is op basis van de uitstoot binnen de gemeentegrenzen en waarbij de uitstoot door fossiele verbranding ook direct van die bron afkomstig is (scope 1). De definitie en bronnen wijken af van de verbruiksbenadering zoals die in de Klimaatmonitor worden gebruikt.

100

Duurzaamheid en milieu - Hoofdstuk 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=45d16024-f29b-493f-ad09-daea94a756c7