CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb002852] Bijlage 1 behorende bij 22bb2851 over Bureau Beke Eindrapportage ‘Beelden van de samenleving over de bejegening van burgers door de politie in relatie tot discriminatie. Een onderzoek naar ervaringen en meningen’

Tijdelijke commissie Bestuur (2022-2026) 12 mei 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Veiligheid30.014 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Tabel 3.2 – algemene mening over politiebenadering onder respondenten (in n en %)

Hoe vindt u dat de politie in het algemeen de burgers benadert? 2017

2021

Straatenquête

n

%

n

%

Positief

212

42

212

41

Neutraal

208

41

190

37

Negatief

89

17

117

23

Totaal

509

100

519

100

Uit tabel 3.2 blijkt dat een groot deel van de burgers in beide enquêtejaren (83 procent in 2017 en 78 procent in 2021) in het algemeen positief tot neutraal ten opzichte van het politieoptreden staat. Het aandeel burgers dat in vergelijking met 2017 van mening is dat de politie burgers negatief benadert, neemt in 2021 toe, ten koste van de burgers die vinden dat de politie burgers neutraal benadert. Maar het verschil tussen de jaren 2017 en 2021 voor de respondenten die van mening zijn dat de politie burgers negatief benadert is niet significant. Toch geeft dus bijna een kwart van de burgers aan dat de politie burgers in het algemeen negatief benadert. Aan burgers is gevraagd om spontaan, dus zonder voorgestructureerde antwoordcategorieën, hun mening over het politieoptreden in het algemeen nader toe te lichten. In tabel 3.3 is per antwoordcategorie (positief/neutraal en negatief) een overzicht van de meest voorkomende toelichtingen genoemd.11 De positieve en neutrale burgers benadrukken vooral dat de politie haar best/ werk doet of vriendelijk/benaderbaar is. De burgers die van mening zijn dat de politie burgers neutraal benadert zijn het meest van mening dat het optreden van per agent of situatie verschilt.

De burgers met een negatieve mening over de politie belichten in 2021 in mindere mate dan in 2017 dat de politie te onzichtbaar is, maar nieuw is wel dat een aantal burgers, zonder verdere toelichting te (kunnen) geven, in het algemeen negatief is over de politie. Deze mensen zijn met name van mening dat de politie de laatste tijd negatief in het nieuws komt. Ook komen in 2021 meer nega-

34 Beelden van burgers over bejegening door de politie

tieve persoonlijke ervaringen van burgers naar voren, zich uitend in een slechte bejegening door de politie. Daarnaast stellen meer burgers in 2021 dat de politie racistisch is, discrimineert of etnisch profileert. Tabel 3.3 – toelichting op de algemene mening over de politiebenadering (in aantal keer genoemd)

Hoe vindt u dat de politie in het algemeen burgers benadert? 2017

2021

Positief/neutraal

n

n

In het algemeen positief: politie doet haar best/haar werk

64

86

Politie is vriendelijk/benaderbaar/respectvol

39

42

Het optreden verschilt per politieagent/per situatie

31

63

Het ligt aan burgers zelf dat politie soms hard optreedt

19

13

Politie is zichtbaar en zorgt voor veiligheid

12

8

Politie heeft mij goed geholpen

11

6

Politie mag harder/actiever optreden

10

0

Negatief

n

n

Politie is te onzichtbaar

38

20

Politie heeft te veel macht/reageert te agressief/hardhandig

15

20

Politie is racistisch/discrimineert/profileert etnisch

14

26

Slecht bejegend door de politie

14

26

Communicatie van politie is niet goed

7

7

In het algemeen negatief over de politie

0

10

Meningen straatenquête

Wie zijn de Rotterdammers die vinden dat de politie burgers in het algemeen negatief benadert? Om te bepalen of de mening van burgers over de politiebejegening in het algemeen voor bepaalde subgroepen burgers anders liggen, zijn zogenaamde logistische regressieanalyses uitgevoerd. Deze analyses zijn alleen op de straatenquête uitgevoerd, omdat deze populatie qua samenstelling nagenoeg overeenkomt met de bevolking van Rotterdam. In de analyses is binnen de straatenquête in 2021 gekeken naar de variabelen geslacht, leeftijd, etniciteit, woongebied en al dan niet contact hebben met de politie in het voorafgaande jaar. Uit de analyses blijkt

Mening van burgers op straat 35

dat een negatieve beoordeling van de politiebejegening in het algemeen vooral voorkomt bij jonge, mannelijke burgers met een niet-westerse migratie-achtergrond die in het voorafgaande jaar met de politie in contact zijn geweest.12

3.3 Basis voor beeldvorming bij de burger Aan burgers is gevraagd waarop hun beeld van de politie gebaseerd is. In zowel 2017 als 2021 geeft het merendeel van de burgers (78 tegenover 70 procent) hiervoor één bron op en 17 tegenover 25 procent twee bronnen. Een minderheid geeft drie (3 tegenover 4 procent) of vier (beide 2 procent) bronnen op. In tabel 3.4 staan de bronnen per populatie uitgeschreven. Tabel 3.4 – bronnen waarop burgers hun beeld van de politie baseren (in n en %, meerdere antwoorden per respondent zijn mogelijk)13

Waarop is uw beeld van de politie gebaseerd? 2017

2021

Straatenquête

n

%

n

%

Op eigen ervaring met de Rotterdamse politie

360

71

360

69

Op ervaringen vanuit de media

150

29

154

30

Via vrienden/familie/bekenden

86

17

112

22

Van horen zeggen

53

10

80

15

In beide onderzoeksjaren baseren de meeste burgers hun mening op eigen ervaring met de politie, gevolgd door ervaringen vanuit de media. Vrienden/familie/ bekenden en ‘van horen zeggen’ spelen een kleinere rol bij de beeldbepaling.14 Een vraag die in 2017 niet is gesteld, maar in 2021 wel, is of recente ontwikkelingen in de media rond politieoptreden een rol hebben gespeeld in het beeld van burgers over de benadering door de politie. Bij deze vraag zijn aan burgers bewust geen voorbeelden voorgelegd, zodat zij niet gestuurd werden richting bepaalde antwoorden. In de straatenquête geven 222 burgers (43 procent van alle burgers) aan dat recente ontwikkelingen een rol hebben gespeeld. Van deze 222 burgers geven 153 burgers (29 procent van alle burgers) aan dat deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan een negatieve beeldvorming en 31 burgers (6 procent van alle burgers) aan een positieve beeldvorming. De rest (38 personen, 7 procent van alle burgers) geeft in meer of mindere mate aan dat deze ontwikkeling heeft geleid tot een bevestiging van het beeld dan wel een breder beeld.

36 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Een deel van de 222 burgers, namelijk 30 (6 procent van alle burgers) geeft aan dat hun beeld van de politie negatief beïnvloed wordt door berichtgeving over coronamaatregelen, coronarellen in Rotterdam en de Black Lives Matter-beweging. Via een andere weg is een vergelijkende analyse gemaakt en is te constateren dat meer burgers bepaalde ervaringen laten meespelen bij de mening dat de politie burgers in het algemeen negatief bejegent. Een vergelijkende analyse tussen de straatenquête in 2017 en 2021 levert namelijk het overzicht in tabel 3.5 op. Tabel 3.5 – basis voor mening burger dat politie burgers in het algemeen negatief bejegent (in n en %)

Negatieve bejegening politie 2017 (N=89)

2021 (N=117)

Straatenquête

n

%

n

%

Eigen ervaring met de Rotterdamse politie

74

83

95

81

Ervaringen vanuit de media

19

21

36

31

Via vrienden/familie/bekenden

24

27

37

32

Van horen zeggen *

5

6

18

15

* p < .05

Uit deze analyse blijkt dat met name de ervaringen vanuit de media en hetgeen burgers hebben vernomen in 2021, in vergelijking met 2017, belangrijker zijn geworden bij het vormen van deze mening over de negatieve algemene politiebenadering. Maar alleen het percentage voor ‘van horen zeggen’ is significant.

3.4 Eigen contactervaringen met politie Aan burgers op straat is ook gevraagd of ze het voorafgaande jaar zelf contact met de politie hebben gehad. In 2017 en 2021 hebben 176 respectievelijk 175 (35 tegenover 34 procent) een of meerdere keren contact met de politie gehad, de rest niet. Een in 2021 nieuw gestelde vraag was wat de reden van het contact was. Dit levert het overzicht in tabel 3.6 op.

Mening van burgers op straat 37

Tabel 3.6 – reden voor het laatste contact met de politie in het voorafgaande jaar (in n en %)

Reden voor het laatste contact met de politie 2021 Straatenquête

n

%

Ik zocht zelf contact met de politie op straat

18

10

Ik zocht zelf contact in een politiebureau voor een gesprek

8

5

Ik zocht zelf contact in een politiebureau voor het doen van aangifte

36

21

Ik deed een melding

18

10

De politie sprak mij aan vanwege een controle op straat of in het verkeer

30

17

De politie sprak mij aan vanwege onderzoek naar een verdacht persoon

17

10

De politie sprak mij aan vanwege een overtreding of fout van mijn kant

23

13

De politie sprak mij aan vanwege de coronarichtlijnen

10

6

Wil ik niet zeggen

3

2

12

7

175

100

Anders

15

Totaal

Verschillen naar geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied Voor de mate waarin burgers het voorafgaande jaar contact met de politie hebben gehad blijken in de straatenquêtes enkele verschillen op te treden. In 2017 waren de verschillen in de mate waarin vrouwen en mannen contact hadden met de politie niet significant. In 2021 blijken mannen vaker dan vrouwen een of meerdere keren contact te hebben gehad (38 om 29 procent) en jongeren/middelbaren vaker dan 55-plussers (44/40 om 21 procent). Daarnaast hebben burgers met een niet-westerse migratieachtergrond vaker contact gehad (40 om 29/31 procent voor respectievelijk autochtone burgers en burgers met een westerse migratieachtergrond).

3.5 Mening over het laatste contact Aan de 176 burgers in 2017 en 175 in 2021 die het jaar voorafgaand aan de straatenquête ervaring hebben met de politie is gevraagd hoe deze ervaringen waren. In het overzicht in tabel 3.7 staan deze ervaringen weergegeven.

38 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Tabel 3.7 – ervaring van burgers met de politie tijdens het laatste contact (in n en %)

Ervaring met de politie tijdens het laatste contact 2017

2021

Straatenquête

n

%

n

%

Positief*

110

63

80

46

Neutraal*

18

10

39

22

Negatief

47

27

56

32

Totaal

17516

100

175

100

* p < .05

Uit de analyse blijkt dat burgers in 2021, in vergelijking met 2017, een lichte, maar toch significante transitie hebben doorgemaakt van een voornamelijk positieve ervaring naar een meer neutrale ervaring. Hoewel het percentage burgers met een negatieve ervaring in 2021, in vergelijking met 2017, met 5 procentpunt toeneemt, is dit verschil niet significant.

Verschillen naar geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied Op de vraag over de ervaring met de politie tijdens het laatste contact staan voor beide straatenquêtes de optredende significante verschillen in subcategorieën vermeld. Op voorhand is het verschil in ontbrekende significanties in 2017 en optredende significanties in 2021 noemenswaardig: Straatenquête 2017

Straatenquête 2021

Geslacht

• geen significante verschillen

• mannen zijn minder vaak positief dan vrouwen (40 om 56 procent)

Leeftijd

• geen significante verschillen

• 55-plussers zijn vaker positief dan jongeren/middelbaren (68 om 35/40 procent) • jongeren zijn vaker negatief dan 55-plussers (48 om 17 procent)

Herkomst

• geen significante verschillen

• burgers met niet-westerse migratieachtergrond zijn vaker negatief dan autochtone burgers (41 om 20 procent)

Mening van burgers op straat 39

Wanneer gekeken wordt naar alle ervaringen in het contact met de politie, geven de meeste ervaringsdeskundigen in beide straatenquêtes een toelichting waarom zij het contact als positief dan wel als negatief hebben ervaren. De “positieven” baseren hun mening voor een belangrijk deel op de eigen interactie met de politie, zoals ‘de politie heeft mij goed geholpen’, ‘de politie is vriendelijk/benaderbaar’, ‘de zaak is correct door de politie afgehandeld’ en ‘het was een terechte politie-interventie’. Daarnaast zijn er meer algemene visies, zoals ‘de politie doet haar best/haar werk’ en ‘de politie zorgt voor veiligheid’. Deze meningen lopen voor beide straatenquêtes niet uiteen. Hoewel het merendeel van de burgers positief en neutraal staat ten opzichte van het politieoptreden, waren de onderzoekers in het bijzonder geïnteresseerd in negatieve ervaringen in het voorafgaande jaar. De gedachte hierachter is dat door middel van opeenvolgende vragen is toegewerkt naar de vraag over eigen ervaringen met discriminatie, zonder de burger daar in het begin van de enquête al mee te overvallen. De straatenquêtes leveren de bevinding op dat 47 van de 176 burgers (27 procent) in 2017 negatieve ervaringen hadden met de politie en dat dit in 2021 op een iets hoger niveau ligt met 56 van de 175 burgers (32 procent).

Aan deze burgers met negatieve ervaringen met de politie is vervolgens via een open vraag gevraagd of zij hierover nadere details konden geven. In de eerste straatenquête is 13 keer (7 procent van de burgers met ervaringen met de politie in 2016) en in de tweede straatenquête 19 keer (11 procent) genoemd dat de politie bevooroordeeld is/aan etnisch profileren doet/discrimineert. Daarnaast is voor beide enquêtes met name redenen zoals ‘geen idee’, ‘humeurige/gefrustreerde politiefunctionaris(sen)’, ‘politie wilde geen moeite voor mij doen’ en ‘politie kon haar taak niet vervullen’ genoemd. Ook is aan de 47 respectievelijk 56 burgers specifiek (in een gesloten vraag) gevraagd of ze zich gediscrimineerd voelden vanwege hun achtergrond. Dit blijkt bij 17 personen in de eerste straatenquête en bij 24 personen in de tweede straatenquête het geval. Als alleen gekeken wordt naar burgerervaringen met de politie in het voorafgaande jaar, dan betekent dit dat in de eerste straatenquête 10 procent van de 176 burgers met politie-ervaring zich gediscrimineerd voelt en in de tweede straatenquête 14 procent van de 175 burgers. Dit verschil is niet significant, dus dat betekent dat niet uitgesloten is dat de stijging in percentage in 2021, in vergelijking met 2017, op toeval berust.

Niettemin blijft staan dat er sprake is van een consistent deel van de Rotterdamse burgers dat zich gediscrimineerd voelt na bejegend te zijn door de politie.

40 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Ten slotte is nog gevraagd of de achtergrond van de politiefunctionaris een rol heeft gespeeld in de omgang met de burger, maar de respons op deze vraag blijkt erg laag. Van de 47 burgers in de eerste straatenquête geven 20 burgers aan dat dit een rol speelde in de bejegening, tegen 21 van de 56 burgers in de tweede straatenquête.17 In dit gevallen wordt de ‘Nederlandse’ of ‘witte’ achtergrond van de agent het meest genoemd.

3.6 De verdiepende gesprekken Tijdens het enquêteren op straat blijken slechts 19 mensen bereid om hun telefoonnummer door te geven en een tweede keer in gesprek te willen gaan met de onderzoekers over hun negatieve ervaringen met etnisch profileren en discriminatie door de politie. In tegenstelling tot het onderzoek in 2017 lijkt er sprake van minder bereidwilligheid om het telefoonnummer te geven. De 19 mensen zijn in de loop van augustus en september teruggebeld, waarbij een diepte-interview is afgenomen aan de hand van een vooraf opgestelde topiclijst met onderwerpen en vragen (zie bijlage 5). Van de 19 mensen bleek één persoon niet meer mee te willen werken en is het bij twee personen ondanks meerdere pogingen niet gelukt om contact te krijgen. Dit maakt dat er in totaal met 16 mensen gesproken is. Tijdens het interviewen blijkt dat drie mensen geen ervaring hadden met etnisch profileren dan wel discriminatie, maar wel een andere negatieve ervaring hebben gehad met de politie. Het betreft een persoon die geen slachtofferhulp aangeboden had gekregen na getuige te zijn geweest van een heftig incident, iemand die samen met een vriend een woordenwisseling had gehad met een agent en iemand die was gaan protesteren tegen de coronamaatregelen en hierbij gewond is geraakt.

Daarnaast bleek dat twee mensen zelf geen directe ervaringen hadden met de politie en etnisch profileren en discriminatie, maar vooral wilden vertellen over wat familie, vrienden en kennissen meemaken en wat hun mening daarover is. Omdat de verhalen van de mensen zich begonnen te herhalen en grotendeels overeenkomen met de ervaringen uit de straatenquêtes, nemen de onderzoekers aan dat meer gesprekken geen substantieel ander beeld over negatieve ervaringen zullen opleveren. Met andere woorden: op grond van deze zestien diepte-interviews is het aannemelijk dat het spectrum aan ervaringen van burgers voldoende voor het voetlicht komt (verzadiging, ook wel saturatie genoemd, is bereikt).

Mening van burgers op straat 41

Aanleiding voor het contact met de politie Wanneer een respondent door de politie wordt aangesproken blijkt dat hij/zij in de meeste gevallen samen met anderen wordt gecontroleerd. Het komt echter ook voor dat respondenten het gevoel hebben er als enige “uitgepikt” te zijn, bijvoorbeeld tijdens een verkeerscontrole.

Casus 1 – De verkeerde persoon Een jongeman van Kaapverdische afkomst is net in de sportschool geweest en loopt na het sporten naar huis. Het is een doordeweekse avond. Opeens wordt hij benaderd door een zestal agenten die hem vragen om een legitimatie. De jongeman schrikt hiervan, maar werkt mee en geeft zijn legimitatie af. Hij vraagt vervolgens wat de reden van de controle is. De agent reageert kortaf en deelt mee dat de jongeman voldoet aan een signalement van een overvaller. De jongeman vertelt aan de agenten dat hij net uit de sportschool komt, maar dat wordt door de agenten weggelachen. Ondertussen blijkt dat de echte dader van de overval inmiddels is aangehouden en kan de jongeman zijn weg vervolgen. Terwijl hij wegloopt hoort hij een van de agenten tegen de andere agenten zeggen: ‘ach ja, ze lijken allemaal op elkaar hè’. De jongeman schrikt van deze opmerking. Door de houding van de agenten tijdens dit hele gebeuren houdt hij een nare smaak aan het incident over.

(On)duidelijke communicatie door de politie Het blijkt dat in de meeste gevallen door de politie wordt uitgelegd waarom zij met de respondenten wilden praten of ze controleerden. Acht respondenten geven echter aan dat zij die uitleg niet altijd duidelijk vonden en ook niet altijd snapten. Ook kwam de uitleg soms gehaast op hen over en is soms een agressieve toon gebruikt. Een van de respondenten beleefde dit als volgt: ‘...ze begonnen meteen met fouilleren en wilden het niet uitleggen. Het kwam sowieso opgefokt over. We hebben het een paar keer gevraagd, maar we moesten stil zijn en meewerken. Dat doe je dan gewoon maar’. De meeste respondenten vinden het daarnaast onterecht dat zij zijn aangesproken omdat zij naar eigen zeggen niks hadden gedaan. Enkele respondenten hebben geprobeerd in gesprek te gaan met de agenten over waarom zij staande zijn gehouden, zij geven aan dat de politie daar niet naar leek te willen luisteren. Zo

42 Beelden van burgers over bejegening door de politie

vertelt een respondent over een voorval waarbij hij in het kader van een verkeerscontrole is aangesproken: ‘Ik vond het oneerlijk omdat ik als enige werd gecontroleerd. De uitleg en behandeling was neutraal, ze waren niet heel onbeleefd. Maar ze wilden ook niet met mij praten. Er was geen ruimte om het er over te hebben’. Ook geven ze aan dat ze de behandeling door de politie niet altijd beleefd vonden. De meeste respondenten vertellen dat ze zich door de soms botte reactie van de agenten niet gehoord, niet begrepen en niet serieus genomen voelen. Veel van hen hebben het gevoel etnisch geprofileerd te zijn.

Redenen voor de negatieve interactie met de politie Door de respondenten worden verschillende redenen gegeven die volgens hen het contact met de politie bemoeilijkten. Zoals ook al eerder genoemd vonden ze de communicatie vanuit de agent onduidelijk (n=8), leek de tijd die de agenten hadden een rol te spelen in hoe de respondenten benaderd zijn (n=4) en zijn er vermoedens dat een verschil in herkomst en cultuur van invloed is geweest (n=7). Wanneer specifiek gevraagd wordt naar herkomst, huidskleur of uiterlijk als reden voor negatief gedrag door de politie geeft ongeveer de helft van de respondenten aan dat dit het geval is. Zij denken dat dit een rol speelt in hoe de politie bepaalde groepen mensen benadert omdat er volgens hen bepaalde vooroordelen bij de agenten heersen. Een van de respondenten stelt het volgende: ‘De mensen die wit zijn worden niet buiten proportie aangesproken. Het ligt aan je afkomst en huidskleur. Agenten hebben vooroordelen over Marokkanen. Dat is het probleem’. Weer een andere respondent schetst de volgende situatie waarbij huidskleur volgens hem van invloed lijkt te zijn op de reactie van politieagenten: ‘Het gaat erg ver. Dat ze tegen de ene man op een normale toon vragen stellen en tegen de andere man meteen in een agressieve houding schieten. Puur en alleen omdat die een andere huidskleur heeft.

Dat kan niet, dat mag niet en dat zou aangepakt moeten worden’. Daarnaast geven drie respondenten aan het gevoel te hebben dat de agenten minder geduld hebben voor mensen met een andere huidskleur. Opvallend is dat

Mening van burgers op straat 43

drie respondenten zelf ook aangeven vooroordelen te krijgen over de politie, bijvoorbeeld over dat zij allemaal racisten zijn. Daarnaast geven twee respondenten aan gestrest te raken op het moment dat zij politie zien en op voorhand al een soort angst te voelen voor wat er kan gaan gebeuren: ‘Het leidt ertoe dat wij proberen om geen aandacht te trekken. Omdat je anders negatieve aandacht krijgt, een boete of gewoon gedoe. Misschien zelfs wel mishandeling... Het is een structureel probleem en ik ga hierdoor zelf steeds negatiever over de politie denken’. Verder vertelt een aantal respondenten door hun eigen ervaringen en die van vrienden en familie ook vertrouwen in de politie kwijt te raken.

De rol van herkomst, huidskleur en/of uiterlijk bij de bejegening van burgers door de politie Vrijwel alle respondenten geven aan te denken dat het soms, regelmatig tot vaak het geval is dat herkomst, huidskleur of uiterlijk in het algemeen bij de Rotterdamse politie een rol speelt om burgers aan te spreken of te controleren. Dit baseren ze op eigen ervaringen of op die van vrienden of familie en op filmpjes van incidenten die zij doorgestuurd hebben gekregen. Een aantal respondenten (n=3) plaatst hierbij wel de kanttekening dat je niet altijd het hele verhaal meekrijgt in de verhalen die rondgaan op bijvoorbeeld sociale media en dat sommige burgers er zelf ook wat van kunnen: ‘Het komt wel vaker voor dan eerst. Maar je weet nooit helemaal wat er is gebeurd, want vaak zie je een filmpje van één kant. Dan roepen mensen van ‘hé ik word gediscrimineerd’, terwijl ze misschien gewoon iets doen wat niet mag en daarop aangehouden worden’. Opvallend is ook dat discriminatie en etnisch profileren door de politie volgens de helft van de respondenten in Rotterdam vaker voorkomt dan in andere gebieden in Nederland, maar dat het in Rotterdam wel minder vaak voorkomt dan in andere landen.

44 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Casus 2 – Rijden in een leaseauto Een man van Aziatische afkomst rijdt in een leaseauto van het merk Tesla. In de afgelopen maanden is hij vier keer staande gehouden voor een verkeerscontrole. Zelf vindt hij vier keer controle wel erg vaak en op het moment dat hij voor de vierde maal wordt gecontroleerd probeert hij een gesprek aan te gaan met de agenten. Hierop ontstaat een discussie waarin de agenten vol blijven houden dat ze controle at random is, maar er geen verdere reden voor de controle is. De man geeft aan zich etnisch geprofileerd te voelen vanwege het feit dat dit nu de vierde keer in korte tijd is dat hij is gecontroleerd. De agenten wuiven dit echter weg. Omdat de man geen verdere drukte wil maken laat hij het hier bij en vervolgt zijn weg. Het incident houdt hem nog enige tijd erna erg bezig; hij is aan het overwegen om later alsnog een klacht in te dienen.

Verbeteringssuggesties voor bejegening van burgers door de politie Op de vraag hoe de politie ervoor zou moeten zorgen dat zij burgers in het algemeen beter aanspreken, controleren of te woord staan geven de respondenten een aantal suggesties. Het punt dat de politie meer tijd moet nemen om naar mensen te luisteren wordt door de helft van de respondenten genoemd. Ook zou een kwart van de respondenten het goed vinden dat er meer tijd zou komen voor een gesprek waarin nog eens wordt uitgelegd waarom zij specifiek zijn aangesproken. Een respondent suggereert: ‘Ze moeten er niet meteen zo hard in gaan. En ook luisteren naar wat wij te zeggen hebben. We zijn niet allemaal slecht’. Daarnaast vinden twee respondenten het belangrijk dat er een duidelijke aanleiding moet zijn om gecontroleerd te worden, zonder dat eventuele vooroordelen van agenten hierbij een rol bij spelen. Een van hen vertelt: ‘Er moet een aanleiding zijn om aangesproken te worden. En als die er niet is, moeten ze het gewoon niet doen. Want daardoor is het etnisch profileren’. Suggesties van de respondenten over hoe de politie discriminatie zou moeten tegengaan lopen uiteen. Een kwart van de respondenten stelt dat discriminerende agenten gewaarschuwd moeten worden en dat er op het moment dat er incidenten blijven gebeuren een consequentie moet volgen (in de vorm van ontslag of

Mening van burgers op straat 45

een andere sanctie). Daarnaast lijkt het de helft van de respondenten goed dat er meer bewustzijn komt onder agenten over wat discrimineren en etnisch profileren precies inhoudt en hoe dit door de burgers wordt ervaren: ‘Het is lastig, want zien discriminerende agenten het zelf ook wel als discriminatie, zijn ze het bewust dat ze het doen?’. Ook wordt een aantal keer gesuggereerd dat het nodig is om meer agenten met verschillende achtergronden in het politiekorps op te nemen om op deze manier etnisch profileren tegen te gaan.

Het indienen van een klacht Van de respondenten die een directe negatieve ervaring met de politie hebben gehad, heeft niemand een klacht ingediend of een andere actie ondernomen. Toch zijn er enkele respondenten die dat wellicht gaan overwegen vanwege het feit dat zij vaker zijn aangesproken zonder schijnbaar legitieme reden. Andere respondenten geven aan dit niet te doen omdat het volgens hen geen zin heeft omdat er niks mee gedaan gaat worden of er niet naar geluisterd gaat worden. Een respondent stelt: ‘Nee ik heb daar niet aan gedacht. Dan zou ik elke week wel een klacht kunnen indienen. Maar ja, een klacht indienen bij de politie over de politie heeft geen nut’.

Eindnoten 1. 2. 3. 4. 5.

6.

7. 8.

De verschillen die worden besproken zijn allen significant op niveau p<.05. Zie bijlage 1 voor de aangewezen locaties en de bijbehorende respons per locatie. Zie bijlage 2 voor het protocol dat de enquêteurs hebben gevolgd. Zie bijlage 3 voor de gestelde vragen. De gemiddelde leeftijd in 2017 in Rotterdam lag op 43,1 jaar, in vergelijking met 45,1 in de straatenquêtes. Het percentage westerse migranten ligt in dat jaar op 12,4, om 5,3 in de toenmalige straatenquêtes. Vanwege afronding tellen de totaalpercentages niet altijd op tot 100 procent. Dit geldt voor de hele rapportage. De 0- tot en met 9-jarigen zijn niet meegenomen in de demografische gegevens van Rotterdam in 2020. Peildatum: 1 januari 2021. Gegevens zijn verkregen via de gemeente Rotterdam en hebben betrekking op het jaar 2020. We zijn ons bewust van de discussie die momenteel speelt over het labelen van verschillende

46 Beelden van burgers over bejegening door de politie

migratie-achtergronden. Toch hebben we gemeend dit te moeten doen, omdat het herhalende karakter van het onderzoek anders onvolledig zou zijn geweest. Uitgangspunt van de driedeling is het geboorteland van de respondenten en hun ouders. De basis voor de driedeling vormt de door het CBS gebruikte indeling. Men heeft geen migratieachtergrond wanneer beide ouders in Nederland geboren zijn. Wanneer minimaal één van de ouders in het buitenland is geboren, is men een burger met (niet-)westerse migratieachtergrond. Onder niet-westers vallen grosso modo mensen met een herkomst in Afrika, Latijns Amerika, Azië en Turkije. We beseffen dat dit slechts een indicatie is, omdat bijvoorbeeld huidskleur ook een rol kan spelen in de bejegening door de politie. 9. De indeling in ‘Noord’ en ‘Zuid’ volgt de indeling zoals ook in 2017 plaatsvond. De reden hiervoor was dat een verdere opdeling in wijken statistisch niet tot aanmerkelijke verschillen leidde. Onder Noord vallen het stadscentrum, Delfshaven, Overschie, Noord, Hillegersberg-Schiebroek, Kralingen-Crooswijk, Prins Alexander en Hoek van Holland. Onder Zuid vallen Feijenoord, IJsselmonde, Pernis, Charlois, Hoogvliet, Rozenburg en de personen uit de straatenquête die hebben aangegeven in ‘Zuid’ te wonen. 10. Het gaat hier om mensen die geen/een voor ons onherleidbaar woongebied hebben opgegeven. 11.

De antwoorden die betrekking hebben op ‘geen ervaring met de politie’ zijn in deze tabel niet meegenomen. Verder is deze tabel niet geanalyseerd op significante verschillen omdat het de burgers vrij stond om een toelichtend antwoord te geven. Omdat bijna de helft van de respondenten hier geen gebruik van maakte, is een dergelijke analyse onbetrouwbaar. 12. Zie bijlage 4 voor een toelichting op de logistische regressieanalyse en de analyseresultaten. 13. Omdat het mogelijk was meerdere antwoorden aan te geven, tellen de cellen niet op tot 100 procent. 14. De vermelde verschillen tussen de straatenquête 2017 en 2021 in tabel 3.4 zijn niet significant. 15. In de ‘anders’-categorie zitten redenen zoals ‘het doen van een melding’, ‘samenwerken met de politie’ en ‘hulp gekregen van de politie’. 16. Op deze vraag in 2017 bestaat 1 missing, vandaar de totale N van 175. 17. De rest van de respectievelijk 47 en 56 respondenten gaf aan dat dit geen rol speelde.

Mening van burgers op straat 47

4

Mening van burgers in het stadspanel

Net zoals in 2017 is gebruik gemaakt van de onderzoekspopulatie in het Rotterdamse Digitaal Stadspanel (RDS). Dit is een online panel dat bestaat uit ruim 7.000 Rotterdammers van 18 jaar en ouder. Het panel biedt gemeentelijke organisatieonderdelen en maatschappelijke organisaties de kans om bewoners van Rotterdam te ondervragen over allerlei onderwerpen die van belang zijn voor het ontwikkelen, volgen of evalueren van beleid. In juli 2021 zijn de burgers die deelnemen aan het RDS in de gelegenheid gesteld om dezelfde vragenlijst als in de straatenquête in te vullen. Uit de respons van in totaal 4.735 burgers is een aselecte steekproef van 1.000 burgers getrokken. De indeling van het hoofdstuk is gelijk aan het vorige hoofdstuk. Ten eerste zijn de resultaten uit het onderzoek in 2017 vergeleken met de resultaten uit 2021. Ook zal weer aandacht zijn voor de nieuwe vragen, die in 2017 niet gesteld zijn. Daarnaast geven we in intermezzo’s weer aan of er aanmerkelijke verschillen voorkomen als gekeken wordt naar subcategorieën binnen geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied.1

Status van de bevindingen uit de raadpleging van het RDS Op voorhand willen we aangeven dat de burgers in het RDS, zowel in 2017 als 2021, geen afspiegeling vormen van de demografische samenstelling van de Rotterdamse bevolking. Omdat dit wel voor de straatenquêtes in 2017 en 2021 geldt, spraken we in hoofdstuk 3 over ‘de Rotterdammers’, maar in dit hoofdstuk over ‘burgers in het RDS’. De geschetste ontwikkelingen in dit hoofdstuk zijn veeleer te beschouwen als een interpretatie van ontwikkelingen die deze subgroep burgers de laatste vier jaar heeft doorgemaakt op het thema ‘mening over bejegening, discriminatie en etnisch profileren door de politie.

48 Beelden van burgers over bejegening door de politie

4.1 Vergelijking populatie In 2017 bleek dat de respondentenpopulatie uit het RDS geen afspiegeling vormde van de Rotterdamse burgerbevolking. In deze populatie zaten in verhouding te veel mannen, te veel 55-plussers en te weinig jongeren, te veel burgers zonder migratieachtergrond en te veel inwoners van Rotterdam-Noord. Ook voor het huidige onderzoek is de steekproef uit het RDS weer vergeleken met de populatie in Rotterdam. Daaruit blijkt dat weer sprake is van dezelfde over- en ondervertegenwoordiging als in 2017. Wel blijkt uit een vergelijking tussen de respondenten uit beide panels in 2017 en 2021 dat de populaties op de vier achtergrondkenmerken nagenoeg vergelijkbaar zijn.2 Vanwege het achterliggende doel van het herhalingsonderzoek, het vergelijken in de tijd, is dit een goede basis voor het gefundeerd schetsen van ontwikkelingen binnen deze subgroep. Tabel 4.1: vergelijking achtergrondkenmerken tussen twee populaties (in n en %)3

Demografie Rotterdam 2020 4

RDS 2021

Kenmerken

N

%

N

%

Geslacht

581.720

100

1.000

100

Man *

286.120

49

590

59

Vrouw *

295.560

51

410

41

40

0

0

0

581.724

100

1.000

100

Onbekend/wil niet zeggen Leeftijd Gemiddelde *

43,2

56,8

≤ 22 jaar *

97.705

17

20

2

23 t/m 54 jaar *

306.287

53

393

39

≥ 55 jaar *

177.732

31

587

59

Onbekend

0

0

0

0

581.730

100

1.000

100

Geen migratieachtergrond *

274.780

47

810

81

Westerse migratie *

80.000

14

111

11

Niet-westerse migratie *

226.950

39

73

7

0

0

6

1

Etniciteit

5

Anders/wil niet zeggen/onbekend

Mening van burgers in het stadspanel 49

Kenmerken

N

%

N

%

Woongebied 6

581.720

100

1.000

100

Noord *

351.870

60

734

73

Zuid *

229.850

40

266

27

* significant verschil op niveau p<0,05

4.2 Algemene opvatting van burgers over de politie Aan burgers is gevraagd wat zij in het algemeen van de benadering door de politie vinden. Dit levert de resultaten in tabel 4.2 op. Tabel 4.2 – algemene mening over politiebenadering onder respondenten (in n en %)

Hoe vindt u dat de politie in het algemeen de burgers benadert? 2017

2021

RDS

n

%

n

%

Positief *

450

43

578

58

Neutraal *

531

51

365

37

Negatief

69

7

57

6

Totaal

1.050

100

1.000

100

* significant verschil op niveau p<0,05

Uit tabel 4.2 blijkt dat een groter deel van de burgers in het RDS in 2021, ten opzichte van 2017, van mening is dat de politie burgers positief benadert. Daartegenover vinden juist minder burgers dat de politie burgers neutraal benadert. Het percentage burgers dat van mening is dat de politie burgers negatief benadert blijft nagenoeg gelijk binnen de RDS-populatie. Aan burgers is gevraagd om hun mening over het politieoptreden in het algemeen nader toe te lichten. In tabel 4.3 zijn per antwoordcategorie (positief/neutraal en negatief) de meest voorkomende toelichtingen genoemd.

50 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Tabel 4.3 – toelichting op de algemene mening over de politiebenadering (in aantallen)7

Hoe vindt u dat de politie in het algemeen burgers benadert? Meningen RDS

2017

2021

Positief/neutraal

n

n

Politie is vriendelijk/benaderbaar/respectvol

41

58

Het optreden verschilt per politieagent/per situatie

18

39

In het algemeen positief: politie doet haar best/haar werk

16

46

Het ligt aan burgers zelf dat politie soms hard optreedt

16

8

Politie heeft mij goed geholpen

6

14

Politie is zichtbaar en zorgt voor veiligheid

3

6

Politie mag harder/actiever optreden

2

9

Negatief

n

n

Politie is te onzichtbaar

22

2

Politie heeft te veel macht/reageert te agressief/hardhandig

10

7

Slecht bejegend door de politie

6

6

Communicatie van politie is niet goed

4

10

Politie is racistisch/discrimineert/profileert etnisch

3

8

In het algemeen negatief over de politie

0

10

De positieve en neutrale burgers benadrukken vooral dat de politie haar best/ werk doet of vriendelijk/benaderbaar is. De burgers die van mening zijn dat de politie burgers neutraal benadert zijn het meest van mening dat het optreden per agent of situatie verschilt. Dit beeld komt overeen met het beeld dat in de straatenquêtes is geschetst. De burgers met een negatieve mening over de politie belichten in 2021 in mindere mate dat de politie te onzichtbaar is, maar wel is een aantal burgers, zonder verdere toelichting te kunnen geven, in het algemeen negatief over de politie. Meer burgers met een negatief oordeel over de politie halen aan dat de politie racistisch is, discrimineert of etnisch profileert.

Mening van burgers in het stadspanel 51

Verschillen naar geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied Voor wat betreft de algemene mening over de politie staan in onderstaand schema voor beide populaties in het RDS de optredende significante verschillen in subcategorieën vermeld: RDS 2017

RDS 2021

Leeftijd

• geen significante verschillen

• 23-plussers vaker positief over de politie dan jongeren (55/61 procent om 25 procent) • jongeren vaker neutraal dan 55-plussers (65 om 34 procent)

Herkomst

• burgers met een niet-westerse migratieachtergrond zijn vaker negatief over de politiebenadering dan burgers zonder migratieachtergrond en burgers met een westerse migratieachtergrond (21 om 6/5 procent) • burgers met een niet-westerse migratieachtergrond zijn minder vaak positief zijn dan burgers zonder migratieachtergrond en burgers met een westerse migratieachtergrong (26 om 43/52 procent)

• burgers zonder migratieachtergrond en burgers met een westerse migratieachtergrond zijn vaker positief dan burgers met een niet-westerse migratieachtergrond (61/54 om 32 procent) • burgers met niet-westerse migratieachtergrond zijn vaker neutraal dan burgers zonder migratieachtergrond en burgers met een westerse migratieachtergrond

4.3 Basis voor beeldvorming bij de burger Aan burgers in het RDS is ook gevraagd waarop hun beeld van de politie gebaseerd is. In zowel 2017 als 2021 geeft het merendeel van de burgers (67 om 69 procent) hiervoor één bron op en 25 om 23 procent twee bronnen. Een minderheid geeft drie (7 om 7 procent) of vier bronnen (2 om 2 procent) bronnen op. In tabel 4.4 staan de bronnen per populatie uitgeschreven.

52 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Tabel 4.4 – bronnen waarop burgers hun beeld van de politie baseren (in n en %, meerdere antwoorden per respondent zijn mogelijk)8

Waarop is uw beeld van de politie gebaseerd? 2017

2021

RDS

n

%

n

%

Op eigen ervaring met de Rotterdamse politie *

747

71

526

53

Op ervaringen vanuit de media *

298

28

392

39

Via vrienden/familie/bekenden

278

26

262

26

Van horen zeggen

110

10

113

11

* significant verschil op niveau p<0,05

Voor de burgers in het RDS is in 2021, in vergelijking met 2017, sprake van een toenemende invloed van ervaringen vanuit de media, terwijl eigen ervaringen in 2021 minder een rol spelen. De in 2017 niet-gestelde vraag of recente ontwikkelingen in de media rond politieoptreden een rol hebben gespeeld in het beeld van burgers over de benadering door de politie is in 2021 ook aan de RDS-panelleden gesteld. Bij deze vraag zijn aan burgers bewust geen voorbeelden voorgelegd, zodat zij niet gestuurd werden richting bepaalde antwoorden. Door 173 panelleden (17 procent) is aangegeven dat recente ontwikkelingen een rol hebben gespeeld. Van deze 173 panelleden geven 110 burgers (11 procent van alle in het onderzoek betrokken RDS-respondenten) aan dat deze ontwikkelingen hebben bijgedragen aan een negatieve beeldvorming en 41 burgers (4 procent van alle RDS-respondenten) aan een positieve beeldvorming. De rest (22 personen, 2 procent van alle RDSrespondenten) geeft in meer of mindere mate aan dat deze ontwikkeling heeft geleid tot een bevestiging van het beeld dan wel een breder beeld. Een deel van de 173 panelleden, namelijk 57 (6 procent van alle RDS-respondenten) geeft aan dat hun beeld van de politie negatief beïnvloed wordt door mediaberichten over coronamaatregelen, coronarellen en Black Lives Matter.

Ook de berichten over de WhatsAppgroep spelen daarin een belangrijke rol, want dit is maar liefst 30 van de 57 keer genoemd (door 3 procent van alle RDS-respondenten). In tegenstelling tot de bevindingen in de straatenquêtes lijkt een grotere groep burgers in het RDS gevoelig voor mediaberichtgeving, hetgeen ook uit tabel 4.4 naar voren kwam.

Mening van burgers in het stadspanel 53

Verschillen naar geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied Op de vraag of recente ontwikkelingen in de media rond politieoptreden een rol hebben gespeeld in het beeld van burgers over de benadering door de politie treedt een verschil binnen de achtergrondkenmerken op. Het beeld van jongeren blijkt vaker beïnvloed te worden dan het beeld van middelbaren en 55-plussers (40 om 16/18 procent). Ook is specifieker gekeken of bepaalde categorieën burgers een negatiever dan wel positiever beeld van de politie krijgen door recente ontwikkelingen in de media. Dit blijkt niet het geval.

Ook voor de twee keer dat het RDS is geraadpleegd is een vergelijkende analyse gemaakt en is te constateren dat meer burgers bepaalde ervaringen laten meespelen bij de mening dat de politie burgers in het algemeen negatief bejegent. Deze vergelijking tussen RDS 2017 en 2021 levert het overzicht in tabel 4.5 op. Tabel 4.5 – basis voor mening burger dat politie burgers in het algemeen negatief bejegent (in n en %)

Negatieve bejegening politie 2017 (N=69)

2021 (N=57)

RDS

n

%

n

%

Eigen ervaring met de Rotterdamse politie

47

68

33

58

Ervaringen vanuit de media

19

28

23

40

Via vrienden/familie/bekenden

28

41

26

46

Van horen zeggen

8

12

10

18

Hoewel uit deze analyse blijkt dat de percentages tussen de jaren verschillen, treden geen significante verschillen op tussen beide stadspanels.

4.4 Eigen contactervaringen met politie Aan de panelleden is gevraagd of ze het voorafgaande jaar zelf contact met de politie hebben gehad. In 2017 en 2021 hebben 427 respectievelijk 314 (42 tegenover 31 procent) een of meerdere keren contact met de politie gehad, de rest niet. In 2021 hebben de panelleden dus beduidend minder contact gehad met de politie dan in 2017. Dit is vooral te herleiden tot naar verhouding minder panelleden

54 Beelden van burgers over bejegening door de politie

die meer dan een keer contact hadden met de politie (18 procent in 2017 om 11 procent in 2021).9 Een in 2021 nieuw gestelde vraag was wat de reden van het contact was. Dit levert het volgende overzicht op: Tabel 4.6 – reden voor het laatste contact met de politie in het voorafgaande jaar (in n en %)

Reden voor het laatste contact met de politie 2021 RDS

n

%

Ik zocht zelf contact met de politie op straat

60

19

Ik zocht zelf contact in een politiebureau voor een gesprek

26

8

Ik zocht zelf contact in een politiebureau voor het doen van aangifte

41

13

Ik deed een melding

65

21

De politie sprak mij aan vanwege een controle op straat of in het verkeer

25

8

De politie sprak mij aan vanwege onderzoek naar een verdacht persoon

19

6

De politie sprak mij aan vanwege een overtreding of fout van mijn kant

17

5

De politie sprak mij aan vanwege de coronarichtlijnen

3

1

Wil ik niet zeggen

8

3

Anders10

50

16

Totaal

314

100

Verschillen naar geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied Voor de mate waarin burgers het voorafgaande jaar contact met de politie hebben gehad blijken in het RDS verschillen op te treden. Zo hebben burgers met een westerse migratieachtergrond in 2017 vaker een of meer keer contact gehad dan burgers met een niet-westerse migratieachtergrond (53 om 20 procent). In 2021 is dit verschil niet meer significant. Wel hebben 23- tot 55-jarigen vaker een of meer keer contact met de politie gehad dan 55-plussers (37 om 27 procent).

Mening van burgers in het stadspanel 55

4.5 Mening over het laatste contact Aan de 427 (in 2017) en 314 burgers (in 2021) uit het RDS die het voorafgaande jaar ervaring hadden met de politie is gevraagd hoe deze ervaringen waren. In het volgende overzicht staan deze ervaringen weergegeven. Tabel 4.7 – ervaring van burgers met de politie tijdens het laatste contact (in n en %)

Ervaring met de politie tijdens het laatste contact 2017

2021

RDS

n

%

n

%

Positief

288

68

230

73

Neutraal *

97

23

45

14

Negatief

40

9

39

12

Totaal

425

100

314

100

* significant verschil op niveau p<0,05

Uit de analyse blijkt dat burgers in 2021, in vergelijking met 2017, minder neutrale laatste ervaringen met de politie hebben gehad en explicieter zijn geworden over hun positieve dan wel negatieve ervaring.

Verschillen naar geslacht, leeftijd, herkomst en woongebied Op de vraag over de ervaring met de politie tijdens het laatste contact komen voor beide panels geen significante verschillen in subcategorieën voor.

Wanneer gekeken wordt naar alle ervaringen in het contact met de politie, geven de meeste ervaringsdeskundigen in beide stadspanels een toelichting waarom zij het contact als positief dan wel als negatief hebben ervaren. Net zoals in de straatenquêtes baseren de “positieven” hun mening voor een belangrijk deel op de eigen interactie met de politie, zoals ‘de politie heeft mij goed geholpen’, ‘de politie is vriendelijk/benaderbaar’, ‘de zaak is correct door de politie afgehandeld’ en ‘het was een terechte politie-interventie’. Daarnaast zijn er meer algemene visies, zoals ‘de politie doet haar best/haar werk’ en ‘de politie zorgt voor veiligheid’. Deze meningen lopen ook voor beide stadspanels niet uiteen. Hoewel het merendeel van de burgers positief en neutraal staat ten opzichte van het politieoptreden, is ook in de stadspanels “getrechterd” richting negatieve

56 Beelden van burgers over bejegening door de politie

ervaringen in het voorafgaande jaar. Beide bevragingen van het stadspanel leveren de bevinding op dat 40 van de 427 burgers (9 procent) in 2017 negatieve ervaringen hadden met de politie en dat dit in 2021 op ongeveer hetzelfde niveau ligt, met 39 van de 314 burgers (12 procent).11 Het verschil in deze percentages is niet significant, hetgeen betekent dat er geen sprake is van een aanmerkelijke stijging. Aan deze burgers met negatieve ervaringen met de politie is vervolgens gevraagd of zij hierover nadere details konden geven. In RDS 2017 wordt 2 keer (0,5 procent van de burgers met ervaringen met de politie) en in RDS 2021 1 keer (0,3 procent van de ervaringen) genoemd dat de politie bevooroordeeld is/aan etnisch profileren doet/discrimineert. Daarnaast worden door de panelleden in beide jaren redenen gegeven zoals ‘humeurige/gefrustreerde politiefunctionaris(sen)’, ‘politie wilde geen moeite voor mij doen’ en ‘politie was oneerlijk/niet objectief’. Ook is aan de 40 respectievelijk 39 burgers in het stadspanel die negatieve ervaringen met de politie hebben specifiek gevraagd of ze zich gediscrimineerd voelden vanwege hun achtergrond.

Dit blijkt bij 11 personen in 2017 en bij 14 personen in 2021 het geval.12 Als alleen gekeken wordt naar burgerervaringen met de politie in het voorafgaande jaar, dan betekent dit dat in 2017 3 procent van de burgers in het stadspanel zich gediscrimineerd voelt en in 2021 4 procent. Ook dit kleine verschil in deze percentages is niet significant, hetgeen weer betekent dat er geen sprake is van een aanmerkelijke stijging. 13 Ten slotte is nog gevraagd of de achtergrond van de politiefunctionaris een rol heeft gespeeld in de omgang met de burger, maar de respons op deze vraag blijkt erg laag. Van de 40 burgers in RDS 2017 geven 11 burgers aan dat dit een rol speelde in de bejegening, tegen 5 van de 39 burgers in RDS 2021.14

Eindnoten 1. 2.

3. 4.

5.

De verschillen die worden besproken zijn allen significant op niveau p<.05. Er lijkt sprake van meer burgers zonder migratieachtergrond in het RDS 2021, maar dit kan mogelijk ook verklaard worden doordat veel minder burgers hebben aangegeven niet te willen zeggen of zij een migratieachtergrond hebben of niet. Vanwege afronding tellen de totaalpercentages niet altijd op tot 100 procent. Dit geldt voor de hele rapportage. Peildatum: 1 januari 2021. Gegevens zijn verkregen via de Gemeente Rotterdam en hebben betrekking op het jaar 2020. De 0- tot en met 9-jarigen zijn niet meegenomen in de demografische gegevens van Rotterdam in 2020. In het RDS zitten alleen 18-plussers. We zijn ons bewust van de discussie die momenteel speelt over het labelen van verschillende migratie-achtergronden. Toch hebben we gemeend dit te moeten doen, omdat het herhalende karakter van het onderzoek anders onvolledig zou zijn geweest. Uitgangspunt van de driedeling is het geboorteland van de respondenten en hun ouders. De basis voor de driedeling vormt de door

Mening van burgers in het stadspanel 57

het CBS gebruikte indeling. Men heeft geen migratieachtergrond wanneer beide ouders in Nederland geboren zijn. Wanneer minimaal één van de ouders in het buitenland is geboren, is men een burger met (niet-)westerse migratieachtergrond. Onder niet westers vallen grosso modo mensen met een herkomst in Afrika, Latijns Amerika, Azië en Turkije. 6. Onder Noord vallen het stadscentrum, Delfshaven, Overschie, Noord, Hillegersberg-Schiebroek, Kralingen-Crooswijk, Prins Alexander en Hoek van Holland. Onder Zuid vallen Feijenoord, IJsselmonde, Pernis, Charlois, Hoogvliet, Rozenburg en de personen uit de straatenquête die hebben aangegeven in ‘Zuid’ te wonen. 7. De verschillen in de tabel zijn niet significant, daarom worden geen percentages genoemd. 8. Omdat het mogelijk was meerdere antwoorden te geven, tellen de cellen niet op tot 100 procent. 9. Het percentage panelleden dat geen contact met de politie had verschilt ook significant: van 58 procent in 2017 naar 69 procent in 2021. 10. In de ‘anders’-categorie zitten redenen zoals ‘attendering van de politie’, ‘hulp gekregen van de politie’ en ‘samenwerking met de politie’. 11. Het verschil is niet significant. 12. Een nadere analyse wijst uit dat alle subcategorieën voorkomen bij het gevoel al dan niet gediscrimineerd te zijn. De celvulling is dermate laag, dat geen uitspraken gedaan kunnen worden over significante verschillen. 13.

Dit verschil is niet significant. 14. De rest van de respectievelijk 40 en 39 respondenten gaf aan dat dit geen rol speelde.

58 Beelden van burgers over bejegening door de politie

5 De klachtenanalyse De discriminatieklachten die in de periode 2018 tot en met 2020 bij de politieeenheid Rotterdam zijn binnengekomen zijn door de onderzoekers geanalyseerd. De klachtendossiers zijn op het politiebureau in Rotterdam ingezien en in een analyseformat in Excel ingevoerd.1 In het format zijn zowel numerieke data (bijvoorbeeld de leeftijd van de burger) als vrije teksten (bijvoorbeeld het verloop van de klacht) ingevoerd. In 2018 zijn er 23 klachten binnengekomen, in 2019 waren dit er 17 en in 2020 51. Dit brengt het totaal aantal klachten over de periode 20182020 op 91. Dit betekent in vergelijking met de klachtenanalyse uit het onderzoek uit 2017, over de periode 2013-2015, een verdubbeling van het aantal klachten binnen politie-eenheid Rotterdam.

Discriminatie- en bejegeningsklachten Naast discriminatieklachten registreert de afdeling Klachten van de politie ook bejegeningsklachten. Deze klachten zijn diverser van aard dan discriminatieklachten. Daar waar de klager van mening is dat de bejegening van politiefunctionarissen een discriminatoire component in zich draagt, wordt de klacht door een medewerker van de afdeling Klachten als discriminatieklacht geregistreerd. Dit kan zich in de klacht in diverse bewoordingen uiten, bijvoorbeeld door ‘ik voel me gediscrimineerd’ of ‘vanwege mijn huidskleur’. In de meeste gevallen gaat het om discriminatie op grond van herkomst/etnisch profileren, opspelende (wederzijdse) agitatie/ miscommunicatie tussen burger en politiefunctionaris, burgers die vinden dat zij ‘eruit worden gepikt’ en een onduidelijke/summiere toelichting voor de controle door de politie.

De klachtenanalyse 59

5.1 De klachtenprocedure De burger kan schriftelijk (zowel in brief vorm als online) een klacht indienen bij de politie. De klacht wordt dan aangenomen door afdeling Klachten van de politie. De klachtenprocedure bestaat vervolgens uit twee fasen. In de eerste fase zoekt de klachtbehandelaar contact met de klager en voert een intakegesprek met hem of haar. Daarin wordt de klachtbehandeling toegelicht, de klachtpunten vastgesteld en het doel van de klacht van de klager besproken. Dit gesprek kan twee uitkomsten hebben. Als de klager tevreden is met het eerste contact wordt de klacht afgehandeld en wordt er een brief ter bevestiging gestuurd. Indien de klager een verdere afhandeling van de klacht wenst, vindt er wederhoor met de betreffende agent(en) plaats en wordt dit aan de klager teruggekoppeld.2 Ook wordt dan de mogelijkheid geboden tot een bemiddelingsgesprek tussen de klager en de betrokken politiemedewerker(s) waarbij de klachtbehandelaar fungeert als gespreksleider. Na dit gesprek zijn er drie uitkomsten mogelijk. Als eerste kan de klager tevreden zijn en kan de klacht afgerond worden.3 Ten tweede kan de klager ontevreden zijn, maar wenst hij of zij geen verder afhandeling van de klacht en kan de klacht wederom afgerond worden. 4 Ten derde kan de klager ontevreden zijn en een beslissing van de politiechef willen.

Wanneer dit laatste het geval is, wordt de klacht doorgezet naar de tweede fase van de klachtbehandeling. In deze tweede fase wordt de politiechef altijd geadviseerd door een externe en onafhankelijke klachtencommissie.5 De klachtencommissie geeft een onafhankelijk advies over de klacht, nadat zowel de klager als de politiemedewerker hun zienswijze over de gebeurtenis hebben kunnen geven. Deze adviezen vormen de basis voor het eindoordeel, waarbij de klacht door de politiechef gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Ook kan het zijn dat er geen standpunt kan worden ingenomen. Mocht de klager het niet eens zijn met de beslissing van de politiechef, dan is het vervolgens mogelijk om de klacht voor te leggen aan de Nationale ombudsman.

Klachtenanalyse: zowel input van betreffende agent(en) als klager meegenomen Een volledig opgebouwd klachtdossier bestaat zowel uit de zienswijze van de klager als van de betreffende agent(en). Al deze informatie, van eerste indiening van de klacht (via een digitaal klachtformulier of brief) tot en met het verslag van de klachtencommissie is in de analyse betrokken. Niet ieder dossier is overigens volledig, vaak omdat de klager niets meer van zich laat horen na de initiële klacht.

60 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Aanpassing van de procedure Per 1 januari 2018 is de klachtenprocedure aangepast via artikel 9:8 van de Algemene wet bestuursrecht (zie bijlage 6). In dit artikel is een aantal situaties opgenomen waarbij een bestuursorgaan niet verplicht is om een klacht in behandeling te nemen. Zo gaat het om situaties waarin geklaagd wordt over een incident dat zich langer dan een jaar geleden heeft voorgedaan, wanneer de klager klaagt over een bekeuring waartegen hij/zij in beroep kan gaan of wanneer de klager nog onderwerp is van een opsporingsonderzoek. Wanneer een klacht op basis van artikel 9:8 Awb kan worden opgeschort, wordt dit via een brief gecommuniceerd naar de klager.

5.2 Algemene achtergronden van de discriminatieklachten Allereerst zullen enkele algemene kenmerken van de klagers, de politiefunctionarissen en de incidenten beschreven worden.

Kenmerken van de klagers Van de 91 unieke6 klachten is het grootste gedeelte (n=73) ingediend door een man. De overige achttien klachten zijn ingediend door een vrouw. Van 33 klagers is de leeftijd bekend; deze loopt uiteen van 18 jaar tot en met 51 jaar, met een gemiddelde leeftijd van 34 jaar. Andere klagers (n=12) worden omschreven als ‘jong’, ‘oud’ of ‘van middelbare leeftijd’. Daarnaast is er een aantal ouders die namens hun (vaak minderjarige) kinderen een klacht hebben ingediend (n=5). Van 41 klagers is de leeftijd onbekend gebleven. Hoewel niet van iedere klager de herkomst duidelijk is, hebben de onderzoekers geprobeerd de ontbrekende herkomst van de klagers te herleiden uit de klacht en/of de naam van de klager. Uiteindelijk is in totaal van 58 klagers zijn of haar herkomst bekend. In vergelijking met 2017 is er dus iets meer duidelijk over de herkomst van de klagers, maar deze informatie is niet volledig om dat de politie hierop niet mag registreren. Het blijkt voornamelijk te gaan om mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond (n=45). Zeven klagers hebben een Westerse migratieachtergrond en vier klagers hebben geen migratie-achtergrond. Daarnaast omschrijven twee klagers zich als ‘van buitenlandse komaf’ en ‘niet-Nederlands’. Wat verder uit de klachten te herleiden is, is dat ongeveer twee derde (n=58) van de klagers een getinte of donkere huidskleur heeft.

Een klein deel van de klagers heeft een witte huidskleur (n=7) en van de overige klagers is

De klachtenanalyse 61

geen huidskleur bekend. Deze verhoudingen qua huidskleur komen overeen met het onderzoek in 2017 waarin ongeveer 60 procent van de klagers een getinte of donkere huidskleur had en 10 procent een witte huidskleur had.7

Kenmerken van de politiefunctionarissen Net als in 2017 is er van de politiefunctionarissen tegen wie de klachten zijn ingediend weinig achtergrondinformatie beschikbaar. Wel blijkt dat van 39 klachten het geslacht van de agent bekend is: allen man. De leeftijden van de agenten zijn daarentegen helemaal niet bekend. Qua herkomst worden drie agenten omschreven als ‘donkere of getinte agent’, een andere agent is van Turkse komaf. Twaalf agenten worden omschreven met de term ‘van Nederlandse komaf’.

Meerdere klachten per agent Omdat de indruk bij de onderzoekers ontstaat dat een aantal agenten herhaaldelijk voorkomt in verschillende klachten is er tevens (geanonimiseerde) informatie opgevraagd over de betrokken agenten bij de klachten. Hierbij moet opgemerkt worden dat de namen van de agenten pas per 1 januari 2019 worden geregistreerd en dat deze informatie in de klachten uit 2018 dus niet op deze manier bekend is. Daarnaast is het ook bij de zaken vanaf januari 2019 niet altijd gelukt om de namen van de betreffende agenten te achterhalen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat twee agenten in respectievelijk drie en twee separate klachten van verschillende klagers voorkomen.

Kenmerken van de incidenten De meeste incidenten vonden plaats in de stad Rotterdam, maar ook op andere plekken binnen de politie-eenheid hebben zich incidenten voorgedaan. In totaal is van bijna alle, namelijk 90 incidenten de specifieke plaats bekend (zie tabel 5.1). Twee derde (67 procent) van de klachten speelde zich af in de gemeente Rotterdam. In 2017 lag de verhouding op 24 klachten binnen gemeente Rotterdam op een totaal van 43 klachten binnen eenheid Rotterdam (56 procent).

62 Beelden van burgers over bejegening door de politie

Tabel 5.1 – locatie van het incident waarop de klacht betrekking heeft (in n en %)

Locatie8

n incidenten

% van het totaal

Rotterdam

60

67

Dordrecht/Zwijndrecht

10

11

Spijkenisse

9

10

Nieuw Lekkerland/ Hardinxveld-Giessendam

3

3

Ridderkerk

2

2

Schiedam

2

2

Vlaardingen

2

2

Krimpen aan den IJssel

1

1

Capelle aan den IJssel

1

1

Totaal

90

100

Qua tijdstippen blijken de meeste incidenten in de middag (n=32) en in de avond (n=27) te hebben plaatsgevonden. Tien incidenten vonden plaats in de ochtend en zeven in de nacht. Van vijftien incidenten is het tijdstip onbekend gebleven. In vergelijking met 2017 is van meer klachten het tijdstip bekend, maar in het algemeen vinden de meeste incidenten in de middag en avond plaats.

De periode tussen het incident en de klacht Verreweg de meeste klachten (86 procent) zijn binnen twee weken na het incident ingediend. Ze hebben dan meestal ook betrekking op een recente gebeurtenis waarbij een politiefunctionaris betrokken was. Van een aantal klachten (14 procent) is de periode tussen het incident en de klacht echter een stuk langer. Soms zit er een aantal maanden tussen het incident en het moment dat de burger een klacht indient. Daarnaast zijn er ook twee klagers die in een tijdsbestek van een paar dagen meerdere klachten over verschillende incidenten hebben ingediend, waardoor het soms gaat om incidenten die een half jaar van elkaar af liggen. Deze aantallen zijn vergelijkbaar met 2017 waarbij eveneens de meeste klachten terug te voeren zijn op een recente gebeurtenis.

Onduidelijke klachten Net als in 2017 zijn niet alle klachten even bruikbaar gebleken voor de analyse, voornamelijk omdat er niet genoeg informatie over de betreffende klach-

De klachtenanalyse 63

ten beschikbaar was (n=3). Zo bestaat één klacht alleen uit de zin: ‘Beledigende/ discriminerende uitspraken door een van de dienstdoende agenten’ en is een tweede klacht een algemene beschrijving, namelijk dat ‘agenten VN-verdragen niet naleven en handhaven en dat ze zich schuldig maken aan het toe-eigenen en vernielen van privébezit en andere wetsovertredingen’. Bij een derde klacht ontbreekt wederom informatie; de klacht bestaat uit een omschrijving van een doorzoeking van een auto als gevolg van het niet dragen van een gordel. Hoewel deze klachten te weinig informatie bevatten om een uitspraak te kunnen doen over etnisch profileren en discriminatie zijn de klachten toch meegenomen in de analyse. Dit omdat de klachten wel via de klachtbehandelaar in de eerste fase zijn afgehandeld. Zo is de eerste klacht afgesloten omdat deze klager geen gehoor gaf aan het verzoek om extra informatie en het dus niet duidelijk is geworden om welke uitspraken en welke agenten het ging. De tweede klacht is afgesloten omdat de klacht volgens de uitvoeringsregeling over een concrete gedraging van een ambtenaar van de politie moet gaan, wat hier niet het geval is. Deze klacht is wederom afgedaan omdat het geen concrete gedraging betreft en er geen extra informatie is gegeven. In 2017 bleek dat in drie van de 43 discriminatieklachten geen sprake was van discriminatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e599bfd6-446f-4283-a7c6-04153f38e5f2