[22bb002807] Bijlage behorende bij 22bb2806 over rapport effect deelname gezondheidstrajecten tranche 2020 - 2021
Tekst van het document
De opzet zoals hierboven beschreven, is succesvol gebleken. De keuze voor een digitale aanpak van het veldwerk waarbij de vragenlijst bij ieder meetmoment is ingevuld tijdens het begeleidingsgesprek van de welzijnsorganisatie met de deelnemer, heeft geleid tot een hoge datakwaliteit en een hoge respons. Met uitzondering van deelnemers die tijdens het traject zijn afgehaakt, is het bij de voorgaande monitoren bij vrijwel alle overige deelnemers gelukt om op alle drie de meetmomenten de vragenlijst ingevuld te krijgen. Bij de voorgaande monitoren volgde het derde meetmoment slechts één maand na het tweede meetmoment. De uitkomsten van deze monitoren hebben laten zien dat er tussen meetmoment 2 en meetmoment 3 niet of nauwelijks sprake is van verschillen. Daarnaast is uit overleg met de stuurgroep en de begeleidingscommissie naar voren gekomen dat er behoefte is aan inzicht in de bestendiging van de mogelijke effecten die zichtbaar zijn aan het einde van het traject (tweede meetmoment) en hiervoor ligt het derde meetmoment te dicht op het tweede meetmoment. Dit samen heeft ertoe geleid dat voor deze nieuwe monitor het derde meetmoment naar achter is geschoven naar zes maanden na afronding van het traject.
25
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Zes maanden na afronding van het traject is het de vraag in hoeverre de welzijnsorganisaties dan nog contact hebben met de deelnemers. Daarnaast was het vanuit zowel de stuurgroep en de begeleidingscommissie als Mediad de uitdrukkelijke wens om de welzijnsorganisaties niet extra te belasten. Het succes van de monitor hangt namelijk in grote mate af van de medewerking van de welzijnsorganisaties. Daarom is in overleg met de stuurgroep en de begeleidingscommissie ervoor gekozen om bij meetmoment 3 zes maanden na afronding van het traject de vragenlijst telefonisch af te nemen bij de deelnemers door een (meertalige) enquêteur van Mediad. Dit betekent dat voor het volgen van de resultaten van de deelname aan de gezondheidsbevorderende trajecten voor de monitor 2020/2021 op drie verschillende momenten een vragenlijst is afgenomen bij de deelnemers: • aan het begin van het traject (1ste meetmoment / online vragenlijst ingevuld onder begeleiding), • aan het einde van het traject (2de meetmoment / online vragenlijst ingevuld onder begeleiding) en • zes maanden na afronding van het traject (3de meetmoment / telefonisch afgenomen vragenlijst). In overleg is besloten om gezien de bovenstaande aanpassing de kwalitatieve verdieping niet meer op te nemen in de monitor. In plaats hiervan zijn bij het derde meetmoment een aantal extra vragen in de vragenlijst opgenomen.
De gemeente Rotterdam heeft de monitor aangekondigd bij de welzijnsorganisaties en heeft met hen afspraken gemaakt over de opzet van het onderzoek en wat er van hen werd verlangd. Zodra bekend was dat een welzijnsorganisatie ging starten met een traject, heeft Mediad van de gemeente Rotterdam de gegevens van de contactpersoon bij de desbetreffende welzijnsorganisatie ontvangen. Vervolgens heeft Mediad contact opgenomen met de welzijnsorganisatie om afspraken te maken. Bij de welzijnsorganisatie zijn door Mediad de gegevens van de deelnemers aan het traject opgevraagd. Voor het opvragen van de gegevens is een standaardbestand gemaakt waarin de organisatie de gevraagde gegevens moest invoeren. Mediad heeft vervolgens de organisaties dit bestand terug geleverd met daaraan toegevoegd per deelnemer een uniek nummer en twee persoonlijke inlogcodes (voor ieder meetmoment een inlogcode) voor het invullen van de online vragenlijst. Ten behoeve van het derde meetmoment zijn de welzijnsorganisaties gevraagd periodiek de datum van afronding van het traject en het telefoonnummer van iedere deelnemer door te geven. Omdat het hier vertrouwelijke informatie betreft, is voor de uitwisseling van de gegevens gebruik gemaakt van Cryptshare. Hiermee worden bestanden beveiligd en versleuteld uitgewisseld.
Voor een goed verloop van het veldwerk en het kunnen maken van de gewenste koppeling was het van groot belang dat de welzijnsorganisatie deze gegevens verstrekten en ook zorgden voor het juiste gebruik van het unieke nummer en de persoonlijke inlogcodes voor het online invullen van de vragenlijst. Bij het derde meetmoment is voor de afname van de vragenlijst ook gebruik gemaakt van de online vragenlijst. Ter controle op het juiste gebruik van de persoonlijke inlogcodes start de vragenlijst met een scherm waarop de naam en de geboortedatum getoond worden van de deelnemer waarvoor de vragenlijst bedoeld is en op welk meetmoment de vragenlijst betrekking heeft. Door ook in de vragenlijst de deelnemers hun leeftijd en sekse te laten invullen c.q. te vragen, is zowel tussentijds als achteraf de gemaakte koppeling gecontroleerd. Om de respons op de telefonische enquête te stimuleren, zijn de welzijnsorganisaties gevraagd bij de afronding van het traject de deelnemers op de hoogte stellen dat zij door onafhankelijk onderzoeksbureau Mediad ongeveer een half jaar na afronding van het traject worden gebeld om de vragenlijst telefonisch af te nemen.
Door dit vanuit de welzijnsorganisaties persoonlijk aan de deelnemers te communiceren, kunnen op dat moment ook eventuele vragen van de deelnemers over deze meting worden beantwoord en kunnen eventuele weerstanden zoveel mogelijk worden weggenomen. Ter stimulering van de respons is de deelnemers daarnaast toegezegd dat zij een cadeaubon van € 10,- ontvangen als bij het derde meetmoment de telefonische enquête is afgenomen. 26
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Voor het aankondigen van het derde telefonische meting inclusief incentive bij de deelnemers hebben de welzijnsorganisatie de beschikking gekregen over ansichtkaarten op A5 formaat. Onderstaand zijn afbeeldingen opgenomen van de voor- en achterkant van deze kaart.
27
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
2.3
Vragenlijst
In samenspraak met de gemeente Rotterdam, VGZ en Ecclesia heeft Mediad de vragenlijst van de monitor opgesteld. De kernvragenlijst is bij alle drie de meetmomenten gebruikt. In de kernvragenlijst zijn drie thema’s onderscheiden: gezondheid en leefstijl, zorg- en medicijngebruik en welbevinden. Per thema zijn onderwerpen gekozen die aan bod moesten komen. Voor de daadwerkelijke vraagstellingen is aangesloten bij vragen uit bestaande meetinstrumenten (Gezondheidsmonitor Volwassenen en onderzoek Veerkracht gemeente Rotterdam). De kernvragenlijst bestaat uit 25 vragen en bevat naast een drietal achtergrondkenmerken de volgende onderwerpen: Thema gezondheid en leefstijl • gewicht en lengte (twee vragen / Gezondheidsmonitor) • ervaren gezondheid (één vraag / Gezondheidsmonitor) • groente- en fruitconsumptie (twee vragen / Veerkracht) • consumptie van snacks (één vraag / Veerkracht) • drankconsumptie (vier vragen / Veerkracht) • roken (vijf vragen / Gezondheidsmonitor) • bewegen (één vraag / Veerkracht) Thema zorggebruik en medicijngebruik • zorggebruik (drie vragen, waarvan één vraag met 4 items / Gezondheidsmonitor) • medicijngebruik (één vraag / Gezondheidsmonitor) Thema welbevinden • veerkracht (drie stellingen / Veerkracht) • ervaren welbevinden (één vraag / Veerkracht) Meetmoment 3 Bij meetmoment 3 zijn enkele extra vragen aan de kernvragenlijst toegevoegd.
Allereerst zijn een aantal vragen toegevoegd om inzicht te krijgen in de ervaringen van de deelnemers met het traject en wat deelnemers tijdens het traject hebben geleerd. Daarnaast zijn vijf activiteiten voorgelegd en is gevraagd of zij de genoemde activiteit al voor de start van het traject deden, sinds de afronding van het traject zijn gaan doen, van plan zijn om het te gaan doen of niet van plan zijn om te gaan doen. Bij het programmeren van de online vragenlijst is ervoor gezorgd dat alle vragen in de vragenlijst verplicht moesten worden ingevuld. Dat betekent dat het aantal respondenten dat de vraag beantwoord heeft (N) bij vrijwel alle vragen en indicatoren gelijk is. Uitzondering hierop zijn enkele vragen en indicatoren rondom roken. In de bijlage is de vragenlijst opgenomen zoals is gebruikt bij de drie meetmomenten inclusief de extra vragen die aan de kernvragenlijst zijn toegevoegd ten behoeve van het derde meetmoment.
2.4
Leeswijzer uitkomsten
Het rapport is in twee delen gesplitst. Deel 1 van dit rapport brengt de effecten van deelname aan het traject aan het einde van het traject in kaart. Deel 2 van dit rapport brengt de effecten van deelname aan het traject zes maanden na afronding van het traject in kaart. Ieder deel start met een managementsamenvatting. Daarin is een overzicht van de uitkomsten op de indicatoren opgenomen. In de hoofdstukken daarna wordt voor ieder deel allereerst de respons per gebied en meetmoment inzichtelijk gemaakt en wordt een beeld geschetst van de achtergrondkenmerken van de deelnemers. Vervolgens worden in de vervolghoofdstukken per thema de uitkomsten weergegeven van de vragen en de indicatoren die hieruit afgeleid zijn. In deel 2 wordt in het laatste hoofdstuk ingegaan op de vragen die alleen tijdens meting 3 zijn voorgelegd ten aanzien van de ervaringen van de deelnemers met het traject, het geleerde en activering. 28
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Een één-op-één vergelijking tussen de beide delen van dit rapport is niet mogelijk. De uitkomsten in deel 1 zijn gebaseerd op de 471 deelnemers die het traject hebben afgerond en waarbij zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online is ingevuld. Het is bij 387 van de 471 deelnemers die het traject hebben afgerond gelukt om zes maanden na dato de vragenlijst telefonisch af te nemen. Dat is een responspercentage van ruim 82%. Dit betekent dat de uitkomsten in deel 2 zijn gebaseerd op 387 deelnemers. Technische aspecten beschrijving onderzoeksuitkomsten De onderzoeksuitkomsten worden cijfermatig in een tabel of een figuur weergegeven. Daarnaast wordt per vraag een toelichting op de uitkomsten gegeven. Voor een compleet overzicht van de cijfermatige uitkomsten verwijzen we naar het separaat verschenen tabellenboek. Hierin zijn de uitkomsten ook per gebied weergegeven. Bij elke tabel en figuur staat aangegeven om wat voor soort uitkomsten het gaat (percentage of gemiddelde score). Daarnaast is bij iedere tabel of figuur het aantal waarnemingen waarop de uitkomsten betrekking hebben weergegeven (base). Het kan voorkomen dat bij procentuele uitkomsten door afronding het totaal niet exact tot 100% sommeert. Referentiecijfers Van een aantal van de gebruikte indicatoren zijn cijfers bekend voor Rotterdam en/of Nederland.
Waar referentiecijfers bekend zijn, zijn deze weergegeven. Cijfers op het niveau van Rotterdam zijn afkomstig uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2020 van de gemeente Rotterdam (onderzoekspopulatie inwoners van 18 jaar tot en met 64 jaar) en zijn terug te vinden op de website www.gezondheidinkaart.nl. De cijfers op landelijk niveau zijn afkomstig van de Gezondheidsenquête 2020 van het CBS (onderzoekspopulatie 18 jaar of ouder) en zijn terug te vinden op de website statline.cbs.nl. Significante verschillen Voor deel 1 van dit rapport is bij de analyse gekeken in hoeverre er significante verschillen waar te nemen zijn tussen meting 1 (start van het traject) en meting 2 (einde van het traject). Voor deel 2 van dit rapport is bij de analyse gekeken in hoeverre er significante verschillen waar te nemen zijn tussen meting 1 en meting 2 én tussen meting 1 en meting 3 (zes maanden na afronding van het traject). Bij beide analyses is als significantieniveau 95% (zijnde p-waarde ≤,05) gehanteerd. Daar waar significante verschillen zijn waargenomen, wordt dit nadrukkelijk in de tekst vermeld. Veelal is ter aanvulling ook een tabel opgenomen waarin de significante verschillen door middel van kleur worden aangegeven. Als de verandering in percentage of score een significant positieve ontwikkeling is, worden de uitkomst en bijbehorende p-waarde groen weergegeven.
Als de verandering in percentage of score een significant negatieve ontwikkeling is, worden de uitkomst en de p-waarde paars weergegeven. Niveau beschrijving uitkomsten In het rapport ligt de focus bij de beschrijving van de uitkomsten op het resultaat voor alle gebieden tezamen. Alleen als bij een indicator sprake is van een significant verschil tussen de meetmomenten op gebiedsniveau, wordt dit vermeld aan het einde van de paragraaf. In een tabel worden dan alleen de uitkomsten op de indicatoren opgenomen voor de gebieden waar sprake is van een significant verschil. Voor de uitkomsten op de vragen zelf wordt in het rapport niet specifiek vermeld als er sprake is van significante verschillen op gebiedsniveau. Voor een totaaloverzicht van de uitkomsten naar gebieden wordt verwezen naar het separaat verschenen tabellenboek. 29
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
30
Deel 1 Effecten van deelname aan het einde van het traject
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Deel 1: Managementsamenvatting effecten aan het einde van traject Inleiding De gemeente heeft samen met VGZ en Ecclesia welzijnsorganisaties (opdrachtnemers van het Nieuw Rotterdams Welzijn) uitgenodigd een projectplan in te dienen voor extra gezondheidsbevorderende trajecten voor de doelgroep Prestatie010. Dit zijn Rotterdammers die een gemeentelijke uitkering ontvangen en een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. De kenmerken van deze groep zijn onder meer langdurig afhankelijk van de uitkering (gemiddeld langer dan 12 jaar), hoge leeftijd (gemiddeld ouder dan 53 jaar), weinig tot geen werkervaring en opleiding, beperkte beheersing van de Nederlandse taal en veelal alleenstaand. Vaak is er sprake van multiproblematiek (een combinatie van problemen). Er is veelal ook sprake van gezondheidsproblemen. Het is aan de welzijnsorganisaties om hen te begeleiden en hen toe te leiden naar bestaande gezondheidsbevorderende activiteiten in de woonbuurt. Het is de bedoeling dat door deelname aan een traject de deelnemers een gezondere levensstijl krijgen en hun zorgkosten verminderen. Daarnaast richten de trajecten zich op het vergroten van de veerkracht van de deelnemers.
Achterliggende gedachte is dat een gezondere levensstijl en vergroting van de veerkracht ervoor zorgen dat de doelgroep actiever wordt, wat weer bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt. De opdracht aan de welzijnsorganisaties om te komen met gezondheidsbevorderende trajecten wordt gefinancierd uit een samenwerkingsafspraak die de gemeente heeft met de collectieve ziektekostenverzekeraar VGZ. Om de resultaten van de deelname aan de gezondheidsbevorderende trajecten die worden aangeboden door welzijnsorganisaties te volgen, is een monitor ontwikkeld en uitgevoerd. Hiervoor wordt bij alle deelnemers op verschillende momenten een vragenlijst afgenomen. In de vragenlijst worden vragen gesteld rondom drie thema’s: gezondheid en leefstijl, zorg- en medicijngebruik en welbevinden. Een algemene opmerking is hier op zijn plaats. De gezondheidsbevorderende trajecten die voor deze monitor zijn gevolgd, zijn uitgevoerd tijdens de coronapandemie. Vanwege corona hebben de welzijnsorganisaties natuurlijk veel moeten aanpassen in hun activiteiten. Dit kan ertoe hebben geleid dat de trajecten niet (geheel) volgens de ingediende projectplannen zijn uitgevoerd. Enerzijds kan een traject tijdelijk zijn gestopt en op een later moment weer vervolgd. Anderzijds kan een deel van de activiteiten zijn vervallen of hebben activiteiten digitaal plaatsgevonden.
Doordat deelnemers binnen een traject op verschillende momenten starten, kan de invulling van het traject als gevolg van de coronarestricties per deelnemer verschillen. Dit heeft ongetwijfeld effect gehad op de uitkomsten. Het is goed om deze context in het achterhoofd te houden bij het lezen van deze managementsamenvatting. Deel 1 van dit rapport brengt de effecten van deelname aan het traject aan het einde van het traject in kaart. Deze uitkomsten zijn gebaseerd op 471 deelnemers die het traject hebben afgerond en waarbij zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online is ingevuld. De welzijnsorganisaties waren verantwoordelijk voor de afname van de online vragenlijst op deze beide meetmomenten.
33
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Samengevat resultaten indicatoren In de monitor zijn drie thema’s onderscheiden. Voor elk van deze thema’s is een aantal indicatoren gedefinieerd. In de desbetreffende hoofdstukken is een uitgebreide uitleg over de berekening van de indicatoren opgenomen. Er is gekeken in hoeverre er significante verschillen waar te nemen zijn tussen meting 1 (begin van het traject) en meting 2 (einde van het traject). Als de verandering in percentage of score een significant positieve ontwikkeling is, worden de uitkomst en bijbehorende p-waarde groen weergegeven. Als de verandering in percentage of score een significant negatieve ontwikkeling is, worden de uitkomst en de p-waarde paars weergegeven. Samengevat kan worden vastgesteld dat bij veel indicatoren aan het einde van het traject een significante verbetering zichtbaar is bij de deelnemers aan de gezondheidsbevorderende trajecten. De verbeteringen betreffen met name de indicatoren rondom de thema’s gezondheid en leefstijl en welbevinden.
Indicatoren thema gezondheid en leefstijl Voor het thema gezondheid en leefstijl zijn de volgende 12 indicatoren onderscheiden: • Gezond gewicht (percentage met een gezond gewicht, zijnde BMI 18,5 - 25). • Ervaren gezondheid (percentage met (heel) goed ervaren gezondheid). • Voeding groente (percentage dat dagelijks groente eet). • Voeding fruit (percentage dat dagelijks fruit eet). • Voeding snacks (gemiddeld aantal dagen per week waarop snacks worden gegeten). • Voeding water (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Voeding frisdrank/vruchtensap (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Voeding koffie of thee (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Voeding alcoholische dranken (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Roken zelf roken (percentage rokers). • Roken rookvrijhuis (percentage waarbij niet in huis wordt gerookt). • Bewegen (percentage dat dagelijks 30 minuten beweegt). Bij bijna alle indicatoren van het thema gezondheid en leefstijl zien we aan het einde van het traject een significant positieve ontwikkeling. Uitzondering zijn de indicator gezond gewicht, de indicator voeding koffie of thee en de indicator roken zelf roken. Bij deze indicatoren is geen sprake van positieve dan wel negatieve significante verandering.
Dit betekent dat aan het einde van het traject een groter deel van de deelnemers vindt dat hun gezondheid (zeer) goed is (van 20% naar 36%). Daarnaast is het eet- en drinkpatroon van de deelnemers aan het einde van het traject verbeterd. Het aantal deelnemers dat dagelijks groente en fruit eet is toegenomen (van 40% naar 57% bij groente en van 45% naar 58% bij fruit). Het aantal dagen waarop snacks worden gegeten (van 3,3 dagen naar 2,5 dagen), frisdrank/vruchtensap wordt gedronken (van 2,9 dagen naar 2,2 dagen) en alcoholische dranken worden gedronken (van 0,5 dagen naar 0,3 dagen) is gedaald. Het aantal dagen waarop water wordt gedronken, is gestegen (van 6,3 dagen naar 6,7 dagen). Het percentage respondenten waarbij in huis niet wordt gerookt, is aan het einde van het traject toegenomen (van 77% naar 80%). Tenslotte is het aantal deelnemers dat dagelijks 30 minuten beweegt aan het einde van het traject toegenomen (van 23% naar 42%).
34
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Tabel 0a Samenvatting indicatoren gezondheid en leefstijl
Indicator Gezond gewicht Ervaren gezondheid Voeding groente Voeding fruit Voeding snacks Voeding water Voeding koffie/thee Voeding frisdrank/vruchtensap Voeding alcoholische dranken Roken zelf roken Roken rookvrijhuis Bewegen Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 1 % of gem. score 24% 20% 40% 45% 3,3 6,3 6,4 2,9 0,5 27% 77% 23%
Meting 2 % of gem. p-waarde score 23% p=,433 36% p<,001 57% p<,001 58% p<,001 2,5 p<,001 6,7 p<,001 6,6 p=,061 2,2 p<,001 0,3 p=,001 26% p=,221 80% P=,003 42% p<,001
Indicatoren thema zorg- en medicijngebruik Voor het thema zorg- en medicijngebruik zijn de volgende acht indicatoren onderscheiden: • Contact huisarts (percentage afgelopen 2 maanden contact). • Frequentie contact huisarts (gemiddeld aantal afgelopen 2 maanden). • Contact huisarts (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact medisch specialist (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact tandarts of mondhygiënist (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact fysiotherapeut (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact geestelijke gezondheidszorg (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Medicijngebruik (percentage afgelopen 12 maanden gebruik). Bij twee van de acht indicatoren van het thema zorg- en medicijngebruik is sprake van een significant positieve ontwikkeling. Aan het einde van het traject is sprake van een daling van de frequentie van het contact met de huisarts (van 1,2 keer naar 1,0 keer). Daarnaast is het aantal deelnemers dat de afgelopen 12 maanden contact heeft gehad met een fysiotherapeut aan het einde van het traject gedaald (van 41% naar 36%). Bij de overige indicatoren zijn geen significante ontwikkelingen zichtbaar. Tabel ob Samenvatting indicatoren zorg- en medicijngebruik
Indicator Contact huisarts 2 maanden Frequentie contact huisarts 2 maanden Contact huisarts 12 maanden Contact medisch specialist 12 maanden Contact tandarts of mondhygiënist 12 maanden Contact fysiotherapeut 12 maanden Contact geestelijke gezondheidszorg 12 maanden Medicijngebruik 12 maanden Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 1 % of gem. score 56% 1,2 91% 58% 66% 41% 33% 85%
Meting 2 % of gem. p-waarde score 53% p=,226 1,0 p<,001 92% p=,763 57% p=,549 66% p=1,000 36% p=,010 30% p=,169 88% p=,051
35
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Indicatoren thema welbevinden Voor het thema welbevinden zijn de volgende twee indicatoren onderscheiden: • Veerkracht (score op een schaal van 1 t/m 5). • Ervaren welbevinden (score op een schaal van 1 t/m 5). Bij beide indicatoren van het thema welbevinden zien we een significant positieve ontwikkeling. Dat betekent dat de veerkracht en het ervaren welbevinden van de deelnemers aan het einde van het traject is toegenomen. Tabel 0c Samenvatting indicatoren welbevinden Meting 1 gem. score 3,2 2,9
Indicator Veerkracht Ervaren welbevinden Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 gem. p-waarde score 3,6 p<,001 3,3 p<,001
Indicatoren naar gebied Rotterdam kent 14 gebieden. Uiteindelijk is voor 13 gebieden door een welzijnsorganisatie een projectplan ingediend. Voor Pernis is geen apart projectplan ingediend. Pernis is meegenomen in het projectplan voor Hoogvliet. Zowel in Delfshaven als in Noord zijn twee organisaties actief geweest. In de onderstaande tabellen is voor alle indicatoren op gebiedsniveau per gebied aangegeven in hoeverre sprake is van een significante verandering aan het einde van het traject. Tabel 0d Samenvatting indicatoren gezondheid en leefstijl naar gebied Indicatoren thema gezondheid en leefstijl
36
+ + + +
Hoogvliet / Pernis
Hoek v Holland
Rozenburg
18
3
14
+ + + +
+ + + +
+ + +
+
+
+
+
+ + +
+
Charlois 61
+
Prins Alexander
+ + +
+
IJsselmonde
Kralingen-Crooswijk 27
+
Feijenoord
Hberg-Schiebroek 17
Noord SOL 79
Noord IM
Overschie 8
15
Delfshaven IM
47
+ + +
+ + + +
39
+
19
Delfshaven WR 76
Centrum 28
+ + + + +
20
Gezond gewicht Ervaren gezondheid Voeding groente Voeding fruit Voeding snacks Voeding water Voeding koffie/thee Voeding frisdrank/vruchtensap Voeding alcoholische dranken Roken zelf roken Roken rookvrij huis Bewegen
Totaal N=
471
Gebied
+ +
+ + +
+
+
+
+
+
+
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Tabel 0e Samenvatting indicatoren zorggebruik/medicijngebruik naar gebied Indicatoren thema zorggebruik en medicijngebruik
Rozenburg 14
Hoek v Holland 3
Hoogvliet / Pernis 18
Charlois 61
Prins Alexander
IJsselmonde 39
47
Feijenoord
-
20
-
Kralingen-Crooswijk
Hberg-Schiebroek 17
+ +
27
Noord IM
Overschie 8
15
Delfshaven IM 19
Noord SOL
Delfshaven WR 76
Centrum 28
+ + +
+
79
Contact huisarts 2 maanden Frequentie contact huisarts 2 mnd Contact huisarts 12 maanden Contact medisch specialist 12 mnd Contact tandarts 12 maanden Contact fysiotherapeut 12 maanden Contact geest. gez. zorg 12 maanden Medicijngebruik 12 maanden
Totaal N=
471
Gebied
+
+ +
+
Tabel 0f Samenvatting indicatoren welbevinden naar gebied Indicatoren thema welbevinden
61
18
3
+
+ +
+ +
+ +
Rozenburg
Hoek v Holland
47
+
14
Hoogvliet / Pernis
39
+ +
Charlois
20
+ +
Prins Alexander
27
+
IJsselmonde
17
-
Feijenoord
15
Kralingen-Crooswijk
Noord SOL 79
Hberg-Schiebroek
Overschie 8
+
Noord IM
Delfshaven IM
+ +
Delfshaven WR
+
Centrum
19
+ +
76
Veerkracht Ervaren welbevinden
28
N=
471
Totaal
Gebied
+
37
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
38
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Hoofdstuk 3 Deel 1: Respons en achtergrondkenmerken 3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de respons per gebied en meetmoment weergegeven en worden de achtergrondkenmerken van de respondenten besproken. Naast deze inleiding bestaat dit hoofdstuk uit twee paragrafen. Deze zijn: 3.2 Respons per gebied en meetmoment en 3.3 Achtergrondkenmerken deelnemers.
3.2
Respons per gebied en meetmoment
In samenspraak met de gemeente, VGZ en Ecclesia is afgesproken dat bij de analyse voor deel 1 van dit rapport, waarbij wordt gekeken naar de effecten van deelname aan het traject aan het einde van het traject, alleen de deelnemers worden meegenomen die het traject hebben afgerond en die zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online hebben ingevuld. 606 deelnemers zijn gestart met het traject en hebben bij meting 1 de vragenlijst online ingevuld. 471 deelnemers hebben het traject afgerond en de online vragenlijst bij het tweede meetmoment ingevuld. Na het controleren van de gemaakte koppeling, is besloten om deze 471 deelnemers allemaal mee te nemen in de analyse. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van deze aantallen per gebied. Tabel 3a Aantal ingevulde vragenlijsten per gebied en per meting Gebied Centrum Delfshaven WR Delfshaven IM Overschie Noord SOL Noord IM Hillegersberg-Schiebroek Kralingen-Crooswijk Feijenoord IJsselmonde Prins Alexander Charlois Hoogvliet / Pernis Hoek van Holland Rozenburg Totaal
Meting 1
Meting 2
28 90 26 10 89 19 19 29 22 46 62 100 36 5 25 606
28 76 19 8 79 15 17 27 20 39 47 61 18 3 14 471
Zowel meting 1 als meting 2 28 76 19 8 79 15 17 27 20 39 47 61 18 3 14 471
39
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
3.3
Achtergrondkenmerken deelnemers
In onderstaande tabel staan de achtergrondkenmerken vermeld van de deelnemers die zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online hebben ingevuld. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers die het traject hebben afgerond, is op het moment van afronding van het traject 50 jaar. Tabel 3b Achtergrondkenmerken respondenten per meting Achtergrondkenmerk
Meting 1
Meting 2
Geslacht
Man Vrouw
15% 85%
15% 85%
Leeftijd
Jonger dan 35 jaar 35 – 44 jaar 45 – 54 jaar 55 jaar en ouder
8% 25% 32% 35%
8% 26% 32% 35%
41% 34% 6% 17% 3%
41% 35% 5% 16% 3%
Ik woon alleen Ik woon zonder partner met kinderen Samenstelling Ik woon samen met een partner zonder kinderen huishouden Ik woon samen met een partner met kinderen Overig Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
40
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Hoofdstuk 4 Deel 1: Thema gezondheid en leefstijl 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de monitor met betrekking tot het thema gezondheid en leefstijl ten tijde van de afronding van het traject besproken. Naast deze inleiding bestaat dit hoofdstuk uit zes paragrafen. Deze zijn: 4.2 Gezond gewicht, 4.3 Ervaren gezondheid, 4.4 Voeding (eten en drinken), 4.5 Roken, 4.6 Bewegen en 4.7 Ontwikkeling gewicht.
4.2
Gezond gewicht
Aan de respondenten is gevraagd om hun lengte en gewicht in te vullen. Op basis van de lengte en het gewicht is voor iedere respondent zijn/haar BMI berekend (gewicht gedeeld door de lengte in het kwadraat). Bij een BMI onder de 18,5 is sprake van ondergewicht en bij een BMI boven de 25 van overgewicht. Figuur 4a BMI in categorieën Meting 1
1%
24%
35%
40%
Meting 2
1%
23%
36%
39%
Ondergewicht
Normaal
Overgewicht
Ernstig overgewicht
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Er is tussen meting 1 en meting 2 geen significant verandering zichtbaar. Aan het begin van het traject is bij 40% van de respondenten sprake van een ernstig overgewicht. Aan het einde van het traject geldt dit voor 39% van de respondenten.
41
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Indicator gezond gewicht Voor de indicator gezond gewicht is gebruik gemaakt van de BMI. De indicator gezond gewicht is het percentage respondenten met een gezond gewicht, zijnde een BMI tussen de 18,5 en 25. Voor zowel het totaal als voor de onderscheiden gebieden is er aan het einde van het traject geen sprake van een significante ontwikkeling van de indicator gezond gewicht. Figuur 4b Indicator gezond gewicht Meting 1
76%
24%
Meting 2
77%
23%
Rotterdam
49% Heeft geen gezond gewicht
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
42
51% Heeft gezond gewicht
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.3
Ervaren gezondheid
Ten aanzien van de ervaren gezondheid is aan de respondenten gevraagd 'Hoe is over het algemeen uw gezondheid?' Deze vraag kon worden beantwoord met zeer goed, goed, gaat wel, slecht of zeer slecht. Figuur 4c Ervaren gezondheid
Meting 1
Meting 2
32%
48%
19%
20%
45%
(zeer) slecht
36%
Gaat wel
(zeer) goed
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Tussen meting 1 en meting 2 is sprake van een significant positieve verandering in de ervaren gezondheid. Een derde van de respondenten (32%) ervaart aan het begin van het traject hun gezondheid als (zeer) slecht en een vijfde (20%) als (zeer) goed. Aan het einde van het traject vindt 19% van de respondenten hun gezondheid (zeer) slecht en 36% (zeer) goed.
Indicator ervaren gezondheid De indicator ervaren gezondheid is het percentage respondenten dat vindt dat de gezondheid zeer goed of goed is. Figuur 4d Indicator ervaren gezondheid Meting 1
80%
Meting 2
20%
64%
36%
Rotterdam
21%
79%
Nederland
21%
79%
Niet (zeer) goed ervaren gezondheid
(zeer) goed ervaren gezondheid
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Tussen meting 1 en meting 2 is een significant positieve verandering zichtbaar. Het percentage respondenten dat vindt dat hun gezondheid (zeer) goed is, is gestegen van 20% aan het begin van het traject naar 36% aan het einde van het traject. Tabel 4a Indicator ervaren gezondheid
% ervaren gezondheid (zeer) goed Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 1 % 20%
Meting 2 p-waarde % 36% p<,001
43
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Tabel 4b Indicator ervaren gezondheid naar gebied Meting 1 Meting 2 p-waarde % % Delfshaven IM 19 21% 53% p=,010 Noord IM 15 20% 47% p=,041 IJsselmonde 39 10% 49% p<,001 Prins Alexander 47 9% 23% p=,007 Charlois 61 15% 36% p<,001 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % ervaren gezondheid (zeer) goed
44
N
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.4
Voeding (eten en drinken)
4.4.1 Voeding groente en fruit Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij gekookte of gebakken groente, sla of rauwkost eten en hoeveel dagen in de week zij fruit eten. Aan de respondenten is zowel tekstueel als visueel een toelichting gegeven wat wordt verstaan onder respectievelijk groenten en fruit. ‘Voorbeelden van groenten zijn bloemkool, broccoli, spinazie, wortelen, aubergine, courgette, paprika, paksoi, rode en witte kool, maïs, sla, komkommer, tomaat, peulvruchten zoals linzen.’
‘Voorbeelden van fruit zijn appel, peer, sinaasappel, mandarijn, banaan, mango, papaya, ananas, granaatappel, passievrucht, vijg, dadel, druiven.’
Bij meting 1 geeft 40% van de respondenten aan dat zij dagelijks groente, sla of rauwkost eten. Bij meting 2 geldt dit voor 57% van de respondenten. Figuur 4e Aantal dagen groente en fruit in categorieën
Groente Meting 1
3%
Meting 2
1% 6%
19%
17%
10%
16%
18%
13%
22%
21%
40%
57%
Fruit Meting 1
Meting 2
4%
8%
18%
11%
45%
12%
<1
1-2
58%
3-4
5-6
7
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Ruim twee vijfde van de respondenten (45%) geeft bij meting 1 aan dagelijks fruit te eten. Bij meting 2 geldt dit voor 58% van de respondenten.
45
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Figuur 4f Gemiddeld aantal dagen groente en fruit 7 5,7
6 5,0
5,4 4,6
5 4 3 2 1 0 Groente
Fruit Meting 1
Meting 2
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 5,0 dagen in de week groente gegeten en aan het einde van het traject 5,7 dagen. Fruit wordt aan het begin van het traject gemiddeld genomen 4,6 dagen in de week gegeten en aan het einde van het traject 5,4 dagen. Zowel het aantal dagen waarop groente als het aantal dagen waarop fruit wordt geconsumeerd, is tussen meting 1 en meting 2 significant gestegen. Tabel 4c Gemiddeld aantal dagen groente en fruit
Gemiddeld aantal dagen groente Gemiddeld aantal dagen fruit Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 1 gem. score 5,0 4,6
Meting 2 gem. p-waarde score 5,7 p<,001 5,4 p<,001
Indicatoren voeding groente en voeding fruit De indicator voeding groente is het percentage respondenten dat zeven dagen in de week gekookte of gebakken groente, sla of rauwkost eet. De indicator voeding fruit is het percentage respondenten dat zeven dagen in de week fruit eet. Bij de indicator voeding groente is een significante verbetering te zien tussen meting 1 en meting 2. Aan het begin van het traject geeft 40% van de respondenten aan dat zij dagelijks groente eten. Aan het einde van het traject geldt dit voor 57%. Tabel 4d Indicator voeding groente
% dat dagelijks groente eet Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
46
Meting 1 % 40%
Meting 2 p-waarde % 57% p<,001
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Tabel 4e Indicator voeding groente naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde Delfshaven WR 76 49% 63% p=,021 Delfshaven IM 19 32% 53% p=,042 Hillegersberg-Schiebroek 17 18% 59% p=,004 Feijenoord 20 30% 85% p<,001 IJsselmonde 39 49% 72% p=,002 Prins Alexander 47 40% 64% p<,001 Charlois 61 34% 56% p=,001 Hoogvliet / Pernis 18 33% 67% p=,010 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % dat dagelijks groente eet
N
Figuur 4g Indicatoren voeding groente en voeding fruit
Groente Meting 1
Meting 2
60%
40%
43%
57%
Fruit Meting 1
Meting 2
55%
45%
42%
58%
Niet dagelijks
Dagelijks
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Bij de indicator voeding fruit is een significante verbetering te zien tussen meting 1 en meting 2. Aan het begin van het traject geeft 45% van de respondenten aan dat zij dagelijks fruit eten. Aan het einde van het traject geldt dit voor 58%. Tabel 4f Indicator voeding fruit Meting 1 % 45%
% dat dagelijks fruit eet Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 p-waarde % 58% p<,001
Tabel 4g Indicator voeding fruit naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde Delfshaven IM 19 32% 74% p=,007 IJsselmonde 39 28% 54% p=,003 Prins Alexander 47 34% 62% p<,001 Charlois 61 51% 62% p=,018 Hoogvliet / Pernis 18 33% 67% p=,010 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % dat dagelijks fruit eet
N
47
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.4.2 Voeding snacks Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij snacks eten. Bij deze vraag is een toelichting gegeven wat wordt verstaan onder snacks: 'Voorbeelden van snacks zijn gebak, koek, snoep, chocola, baklava, saucijzenbroodje, chips, kroket, frikandel, patat.’ Daarnaast is een aantal afbeeldingen van snacks getoond.
Bij meting 1 geeft 27% van de respondenten aan dat zij dagelijks snacks eten en 17% geeft aan dat zij dit minder dan één dag per week doen. Bij meting 2 geldt de dagelijkse consumptie van snacks voor 17% van de respondenten en 27% eet minder dan één dag per week snacks. Figuur 4h Aantal dagen snacks in categorieën Meting 1
17%
Meting 2
30%
19%
27%
6%
37%
<1
1-2
15%
3-4
5-6
27%
4%
17%
7
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Indicator voeding snacks Voor de indicator voeding snacks is het gemiddeld aantal dagen per week berekend dat de respondent snacks eet. Een daling van het gemiddeld aantal dagen betekent een positieve ontwikkeling. Figuur 4i Indicator voeding snacks 7 6 5 4
3,3
3
2,5
2 1 0 Snacks Meting 1 Base: Alle respondenten (N=471 per meting), gemiddeld aantal dagen.
48
Meting 2
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
De indicator voeding snacks laat tussen meting 1 en meting 2 een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 3,3 dagen in de week snacks gegeten. Aan het einde van het traject is dit 2,5 dagen per week. Tabel 4h Indicator voeding snacks Meting 1 gem. score 3,3
Gemiddeld aantal dagen snacks eten Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 gem. p-waarde score 2,5 p<,001
Tabel 4i Indicator voeding snacks naar gebied Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Delfshaven WR 76 2,3 1,7 p=,042 Delfshaven IM 19 4,5 3,3 p=,047 Overschie 8 3,6 1,8 p=,044 Hillegersberg-Schiebroek 17 3,8 2,2 p=,033 Prins Alexander 47 4,1 2,3 p<,001 Charlois 61 4,2 2,4 p<,001 Hoogvliet / Pernis 18 3,3 1,7 p=,002 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Gemiddeld aantal dagen snacks eten
N
49
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.4.3 Voeding water en koffie/thee Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij water drinken en hoeveel dagen in de week zij koffie of thee drinken. Ter illustratie is bij beide vragen een afbeelding getoond.
Aan het begin van het traject geeft 86% van de respondenten aan dat zij dagelijks water drinken. Aan het einde van het traject is dit gestegen naar 93%. De dagelijkse consumptie van koffie en thee is vergelijkbaar. Aan het begin van het traject geeft 88% van de respondenten aan dat zij dagelijks koffie of thee drinken. Aan het einde van het traject geldt dit voor 90% van de respondenten. Figuur 4j Aantal dagen water en koffie/thee in categorieën
Water Meting 1
Meting 2
4%
3% 2% 4%
86%
2% 3% 1% 2%
93%
Koffie/thee 1% Meting 1 3% 4% 3%
88%
3% 2% Meting 2 2% 3%
90%
<1
1-2
3-4
5-6
7
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Indicatoren voeding water en voeding koffie/thee Voor de indicator voeding water en de indicator voeding koffie/thee is het gemiddeld aantal dagen per week berekend dat de respondent respectievelijk één of meer glazen water of koffie/thee drinkt. Voor beide indicatoren betekent een stijging van het gemiddeld aantal dagen een positieve ontwikkeling.
50
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Figuur 4k Indicatoren voeding water en voeding koffie/thee 6,7 7 6,3
6,6
6,4
6 5 4 3 2 1 0 Water
Koffie/thee Meting 1
Meting 2
Base: Alle respondenten (N=471 per meting), gemiddeld aantal dagen.
De indicator voeding water laat een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 6,3 dagen in de week water gedronken. Aan het einde van het traject is dit gestegen naar gemiddeld 6,7 dagen per week. Tabel 4j Indicator voeding water Meting 1 gem. score 6,3
Gemiddeld aantal dagen water drinken Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 gem. p-waarde score 6,7 p<,001
Tabel 4k Indicator voeding water Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Delfshaven WR 76 6,3 6,7 p=,048 IJsselmonde 39 5,7 6,6 p=,005 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Gemiddeld aantal dagen water drinken
N
De indicator voeding koffie/thee laat voor het totaal geen significante verschillen zien tussen de metingen. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 6,4 dagen per week koffie of thee gedronken. Aan het einde van het traject is dit 6,6 dagen per week. Tabel 4l Indicator voeding koffie/thee Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Delfhaven WR 76 6,4 6,7 p=,050 IJsselmonde 39 5,9 6,3 p=,024 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Gemiddeld aantal dagen koffie/thee drinken
N
51
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.4.4 Voeding frisdrank/vruchtensap en voeding alcoholische dranken Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij frisdrank of vruchtensap drinken en hoeveel dagen in de week zij alcoholische dranken drinken. Ter illustratie is bij beide vragen een afbeelding getoond.
Aan het begin van het traject geeft 27% van de respondenten aan dat zij dagelijks frisdrank of vruchtensap drinkt. Aan het einde van het traject geldt dit voor 20%. De consumptie van alcoholische dranken ligt veel lager. Aan het begin van het traject geeft 83% van de respondenten aan dat zij minder dan 1 dag per week alcoholische dranken drinken. Aan het einde van het traject geldt dit voor 89% van de respondenten. Figuur 4l Aantal dagen frisdrank/vruchtensap en alcoholische dranken in categorieën
Frisdrank of vruchtensap Meting 1
Meting 2
33%
22%
47%
14%
4%
18%
11%
27%
3%
20%
Alcoholische dranken Meting 1
83%
Meting 2
11%
7% 2% 1%
89%
<1
1-2
3% 2%
3-4
5-6
7
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Indicatoren voeding frisdrank/vruchtensap en voeding alcoholische dranken Voor de indicator voeding frisdrank/vruchtensap en de indicator voeding alcoholische dranken is het gemiddeld aantal dagen per week berekend dat de respondent respectievelijk frisdrank/vruchtensap of alcoholische dranken drinkt. Voor beide indicatoren geldt een daling van het gemiddeld aantal dagen als een positieve ontwikkeling.
52
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Figuur 4m Indicatoren voeding frisdrank/vruchtensap en voeding alcoholische dranken 7 6 5 4 3
2,9 2,2
2 1
0,5
0,3
0 Frisdrank/vruchtensap
Alcoholische dranken
Meting 1
Meting 2
Base: Alle respondenten (N=471 per meting), gemiddeld aantal dagen.
De indicator voeding frisdrank/vruchtensap laat een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 2,9 dagen per week frisdrank of vruchtensap gedronken. Aan het einde van het traject is dit gedaald naar 2,2 dagen. Tabel 4m Indicator voeding frisdrank/vruchtensap Meting 1 gem. score 2,9
Gemiddeld aantal dagen frisdrank/vruchtensap Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 gem. p-waarde score 2,2 p<,001
Tabel 4n Indicator voeding frisdrank/vruchtensap naar gebied Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Delfshaven IM 19 2,7 1,6 p=,023 Noord IM 15 3,3 1,0 p=,003 Hillegersberg-Schiebroek 17 4,1 2,9 p=,038 IJsselmonde 39 5,2 3,5 p<,001 Prins Alexander 47 2,7 1,9 p=,004 Charlois 61 2,2 1,5 p=,036 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Gemiddeld aantal dagen frisdrank/vruchtensap
N
53
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
De indicator voeding alcoholische dranken laat eveneens een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 0,5 dagen per week alcoholische dranken gedronken. Aan het einde van het traject is dit gedaald naar 0,3 dagen. Tabel 4o Indicator voeding alcoholische dranken Meting 1 gem. score 0,5
Gemiddeld aantal dagen alcoholische dranken Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 gem. p-waarde score 0,3 p<,001
Tabel 4p Indicator voeding alcoholische dranken naar gebied Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Prins Alexander 47 0,3 0,1 p=,027 Charlois 61 0,3 0,2 p=,019 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Gemiddeld aantal dagen frisdrank/vruchtensap
54
N
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.5
Roken
Aan de respondenten is gevraagd of zij wel eens roken. Aansluitend is de volgende toelichting gegeven: ‘We bedoelen hier het roken van alle soorten tabaksproducten, maar niet het gebruik van een elektronische sigaret.’ Figuur 4n Zelf roken
Meting 1
27%
73%
Meting 2
26%
74%
Ja
Nee
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Aan het begin van het traject geeft 27% van de respondenten aan dat zij wel eens roken. Aan het einde van het traject geldt dit voor 26% van de respondenten.
Aan de respondenten die wel eens roken, is gevraagd hoeveel sigaretten per dag ze gemiddeld roken. Figuur 4o Aantal sigaretten gemiddeld per dag in categorieën
Meting 1
30%
Meting 2
28%
20 of meer sigaretten 5 t/m 9 sigaretten
13%
11%
15%
19%
20%
21%
20%
22%
15 t/m 19 sigaretten Minder dan 5 sigaretten
10 t/m 14 sigaretten
Base: Alle respondenten die roken (N=128 bij meting 1 en N=122 bij meting 2).
Tussen meting 1 en meting 2 is sprake van een significant positieve verandering. Aan het begin van het traject rookt 44% van de respondenten die roken 15 sigaretten of meer per dag. Aan het einde van het traject is dit gedaald naar 39%.
55
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Aan de respondenten die wel eens roken, is gevraagd of zij ook in huis roken. Figuur 4p Zelf in huis roken
Meting 1
63%
Meting 2
38%
55%
45%
Ja
Nee
Base: Alle respondenten die roken (N=128 bij meting 1 en N=122 bij meting 2).
Aan het begin van het traject geeft 63% van de respondenten die roken aan dat ze in huis roken. Aan het einde van het traject geldt dit voor 55%.
Aan alle respondenten is gevraagd of er wel eens in huis wordt gerookt door huisgenoten of mensen die op bezoek komen. Figuur 4q In huis roken door huisgenoten of bezoekers
Meting 1
Meting 2
20%
80%
16%
84%
Ja
Nee
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Er is aan het einde van het traject sprake van een significante daling van het aantal respondenten waarbij in huis wordt gerookt door huisgenoten of bezoekers. Bij meting 1 geeft 20% van de respondenten aan dat er wel eens door anderen in huis wordt gerookt. Bij meting 2 geldt dit voor 16% van de respondenten.
56
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Indicatoren roken Voor het onderwerp roken zijn er drie indicatoren berekend. Voor de indicator zelf roken is het percentage respondenten dat zelf rookt berekend. Voor de indicator zware roker is het percentage rokers berekend dat gemiddeld 20 of meer sigaretten per dag rookt. De indicator rookvrij huis is het percentage respondenten waarbij niet in huis wordt gerookt. Voor de eerste twee indicatoren geldt een daling als een positieve ontwikkeling. Voor de derde indicator geldt een stijging als een positieve ontwikkeling. De indicator zelf roken laat zowel voor het totaal als voor de onderscheiden gebieden geen significante ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject rookt 27% van de respondenten. Aan het einde van het traject geldt dit voor 26% van de respondenten. Figuur 4r Indicator zelf roken
Meting 1
27%
73%
Meting 2
26%
74%
Ja
Nee
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Ook de indicator zware roker laat zowel voor het totaal als voor de onderscheiden gebieden geen significante ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject rookt 30% van de respondenten 20 of meer sigaretten per dag. Aan het einde van het traject geldt dit voor 28%. Figuur 4s Indicator zware roker
Meting 1
Meting 2
30%
28%
20 of meer sigaretten per dag
70%
72%
Minder dan 20 sigaretten per dag
Base: Alle respondenten die roken (N=128 bij meting 1 en N=122 bij meting 2).
57
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
De indicator rookvrijhuis laat wel een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt er bij 23% van de respondenten in huis gerookt. Aan het einde van het traject is dit gedaald naar 20%. Figuur 4t Indicator rookvrij huis
Meting 1
77%
Meting 2
80%
Ja
23%
20%
Nee
Base: Alle respondenten (N=471 per meting). Tabel 4q Indicator rookvrij huis Meting 1 % 77%
% waarbij niet in huis wordt gerookt Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 % p-waarde 80% p=,003
Tabel 4r Indicator rookvrij huis naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde Charlois 61 69% 79% p=,033 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % waarbij niet in huis wordt gerookt
58
N
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.6
Bewegen
Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij minstens 30 minuten achter elkaar bewegen of sporten. Aansluitend is de volgende toelichting gegeven: 'Voorbeelden hiervan zijn lichaamsbeweging in het huishouden, op uw werk of in uw vrije tijd zoals sporten (bijvoorbeeld fitness, zwemmen, voetbal, tennis), wandelen, fietsen of tuinieren.’ Figuur 4u Aantal dagen bewegen in categorieën Meting 1
31%
Meting 2
7%
19%
16%
21%
<1
19%
8%
14%
1-2
3-4
23%
42%
5-6
7
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Aan het begin van het traject geeft 31% van de respondenten aan minder dan 1 dag per week minstens 30 minuten achter elkaar te bewegen. Aan het einde van het traject geldt dit voor 7% van de respondenten. Figuur 4v Gemiddeld aantal dagen bewegen 7 6 4,6
5 4 3,0 3 2 1 0 Bewegen Meting 1
Meting 2
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Het aantal dagen waarop minstens 30 minuten achter elkaar wordt bewogen, laat een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 3,0 dagen in de week minstens 30 minuten achter elkaar gesport of bewogen. Aan het einde van het traject is dit gestegen naar 4,6 dagen. Tabel 4s Gemiddeld aantal dagen bewegen
Gemiddeld aantal dagen bewegen Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 1 gem. score 3,0
Meting 2 gem. p-waarde score 4,6 p<,001
59
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Tabel 4t Gemiddeld aantal dagen bewegen naar gebied Meting 1 Meting 2 Gemiddeld aantal dagen bewegen N gem. gem. p-waarde score score Delfshaven WR 76 3,7 5,6 p<,001 Delfshaven IM 19 2,7 4,9 p<,001 Overschie 8 2,4 3,8 p=,028 Noord SOL 79 3,7 5,4 p<,001 Noord IM 15 1,1 2,7 p=,019 Hillegersberg-Schiebroek 17 3,1 5,5 p=,003 Feijenoord 20 2,3 4,9 p=,002 IJsselmonde 39 3,1 5,1 p<,001 Prins Alexander 47 1,7 4,0 p<,001 Charlois 61 2,6 4,0 p<,001 Hoogvliet / Pernis 18 1,9 3,7 p=,009 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil.
Indicator bewegen De indicator bewegen is het percentage respondenten dat dagelijks minimaal 30 minuten achter elkaar sport of beweegt. Figuur 4w Indicator bewegen
Meting 1
Meting 2
77%
23%
58%
42%
Beweegt niet dagelijks
Beweegt dagelijks
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
De indicator bewegen laat een significante verbetering zien tussen meting 1 en meting 2. Aan het begin van het traject geeft 23% van de respondenten aan dat zij dagelijks beweegt. Aan het einde van het traject geldt dit voor 42%. Tabel 4u Indicator bewegen Meting 1 % 23%
% dat dagelijks beweegt Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 p-waarde % 42% p<,001
Tabel 4v Indicator bewegen naar gebied Meting 1 Meting 2 p-waarde % % Delfshaven WR 76 32% 64% p<,001 Noord SOL 79 42% 62% p=,007 Hillegersberg-Schiebroek 17 18% 59% p=,014 Feijenoord 20 20% 55% p=,005 IJsselmonde 39 18% 51% p<,001 Prins Alexander 47 6% 21% p=,007 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % dat dagelijks beweegt
60
N
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
4.7
Ontwikkeling gewicht
Aan de respondenten is bij beide meetmomenten gevraagd om hun gewicht in te vullen. Op basis hiervan kan worden bepaald hoe het gewicht van de respondenten zich heeft ontwikkeld. Figuur 4x Ontwikkeling gewicht tussen -meting 1 en -meting 2
24%
30%
Aangekomen
46%
Gelijk gebleven
Afgevallen
Base: Alle respondenten (N=471).
Aan het einde van het traject heeft 46% van de respondenten een lager gewicht dan bij het begin van het traject. Bij bijna een derde (30%) is het gewicht gelijk. Bij 24% is er aan het einde van het traject sprake van een toename van het gewicht. Van de respondenten die zijn afgevallen, is driekwart (76%) aan het einde van het traject tot 5% van het gewicht ten tijde van meting 1 verloren. 19% van de respondenten is tussen de 5% en 10% verloren en 5% zelfs meer dan 10% van het gewicht. Figuur 4y Relatief afgevallen tussen meting 1 en meting 2
Afgevallen
76%
t/m 5%
19%
5% t/m 10%
5%
Meer dan 10%
Base: Respondenten die zijn afgevallen (N=219).
Van de respondenten die zijn aangekomen, is 72% aan het einde van het traject tot 5% van het gewicht ten tijde van meting 1 aangekomen. 19% van de respondenten is tussen de 5% en 10% aangekomen en 9% zelfs meer dan 10% van het gewicht. Figuur 4z Relatief aangekomen tussen meting 1 en meting 2
Aangekomen
9%
19%
Meer dan 10%
72%
5% t/m 10%
t/m 5%
Base: Respondenten die zijn aangekomen (N=112).
61
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Effect van de ontwikkeling in gewicht op de indicator gezond gewicht Het feit dat mensen zijn aangekomen of afgevallen, zegt niets over hun ontwikkeling op de indicator gezond gewicht (bij een gezond gewicht heeft de deelnemer een BMI tussen de 18,5 en 25). Bij mensen die zijn afgevallen, kan nog steeds sprake zijn van een ongezond gewicht. Omgekeerd hoeft het niet te betekenen dat mensen die zijn aangekomen daardoor nu een ongezond gewicht hebben. Er is bepaald wat de ontwikkeling is van de indicator gezond gewicht tussen het begin van het traject en het einde van het traject. De uitkomst hiervan is afgezet tegen de ontwikkeling van het gewicht van de deelnemers tussen het begin van het traject en het einde van het traject (uitkomsten uit figuur 4x). In deze analyse zijn de uitkomsten van vijf respondenten niet meegenomen, omdat er sprake is van een niet logische ontwikkeling (waarschijnlijk vanwege een type- of invoerfout bij het invullen van de vragenlijst op één van beide meetmomenten). Figuur 4aa Ontwikkeling gewicht in relatie tot de indicator gezond gewicht tussen meting 1 en meting 2
Afgevallen
77%
Gelijk gebleven Aangekomen
18%
71% 9%
Van gezond naar ongezond
5%
29% 75%
Nog steeds ongezond
Nog steeds gezond
16% Van ongezond naar gezond
Base: Respondenten meegenomen in analyse (N=466).
Van de deelnemers die aan het einde van het traject een lager gewicht hebben dan bij het begin van het traject, heeft dit bij 5% van hen ervoor gezorgd dat er nu sprake is van een gezond gewicht (BMI tussen de 18,5 en 25). Teruggerekend naar alle deelnemers aan de gezondheidsbevorderende trajecten is dit 2,3% Van de deelnemers die aan het einde van het traject een hoger gewicht hebben dan bij het begin van het traject, heeft dit bij 9% van hen ervoor gezorgd dat er nu sprake is van een ongezond gewicht (BMI hoger dan 25). Teruggerekend naar alle deelnemers aan de gezondheidsbevorderende trajecten is dit 2,1%.
62
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Hoofdstuk 5 Deel 1: Thema zorggebruik en medicijngebruik 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de monitor met betrekking tot het thema zorggebruik en medicijngebruik ten tijde van de afronding van het traject besproken. Naast deze inleiding bestaat dit hoofdstuk uit drie paragrafen. Deze zijn: 5.2 Zorggebruik huisarts afgelopen 2 maanden, 5.3 Zorggebruik zorgverleners afgelopen 12 maanden en 5.4 Medicijngebruik.
5.2
Zorggebruik huisarts afgelopen 2 maanden
Aan de respondenten is gevraagd wanneer zij voor het laatst voor zichzelf contact hebben gehad met een huisarts. Daarbij is een toelichting gegeven: 'Bezoek aan huisarts, huisbezoeken en telefonisch consult (hiermee wordt niet bedoeld telefonisch contact voor het aanvragen van een herhaalrecept).’ Figuur 5a Contact huisarts Meting 1
9%
35%
56%
Meting 2
8%
38%
53%
Langer dan 12 maanden
Tussen 2 en 12 maanden
In de afgelopen 2 maanden
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Aan het begin van het traject heeft 9% van de respondenten langer dan 12 maanden geleden contact gehad met de huisarts en 35% heeft langer dan 2 maanden geleden maar minder dan 12 maanden geleden contact gehad. Iets meer dan de helft van de respondenten (56%) heeft in de afgelopen 2 maanden contact gehad met de huisarts. Er is geen significant verschil tussen meting 1 en meting 2.
Indicator huisarts 2 maanden De indicator contact huisarts 2 maanden is het percentage respondenten dat de afgelopen 2 maanden contact heeft gehad. Een daling van het percentage dat de afgelopen 2 maanden contact heeft gehad met de huisarts, is een positieve ontwikkeling. Figuur 5b Indicator contact huisarts 2 maanden
Meting 1
44%
56%
Meting 2
47%
53%
Afgelopen 2 maanden geen contact
Afgelopen 2 maanden contact
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
63
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
De indicator contact huisarts 2 maanden laat voor het totaal geen significante ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject geeft 56% van de respondenten aan dat zij de afgelopen 2 maanden contact heeft gehad met de huisarts. Aan het einde van het traject geldt dit voor 53%. Tabel 5a Indicator contact huisarts 2 maanden naar gebied Meting 1 Meting 2 p-waarde % % Delfshaven WR 76 71% 59% p=,049 Noord SOL 79 44% 29% p=,018 Noord IM 15 20% 60% p=,009 Hillegersberg-Schiebroek 17 35% 65% p=,020 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % dat afgelopen 2 maanden contact heeft gehad met de huisarts
N
Aan de respondenten die de afgelopen 2 maanden contact hebben gehad met de huisarts, is vervolgens gevraagd hoe vaak zij contact hebben gehad met de huisarts. De uitkomsten van deze vraag zijn in combinatie met de voorgaande vraag (figuur 5b) teruggerekend naar alle respondenten. Figuur 5c Frequentie contact huisarts 2 maanden in categorieën Meting 1
44%
Meting 2
47%
0
40%
12%
7% 1%1%
44%
1-2
3-4
5-6
3% 1%
Meer dan 6
Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Er is sprake van een significant verschil tussen de metingen. Aan het begin van het traject geldt dat 16% van de respondenten in de afgelopen 2 maanden drie keer of meer contact heeft gehad met de huisarts. Aan het einde van het traject geldt dit voor 9%.
64
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
Indicator frequentie contact huisarts 2 maanden De indicator frequentie contact huisarts 2 maanden is het gemiddeld aantal keer dat respondenten de afgelopen 2 maanden contact hebben gehad. Een daling van het aantal keer dat respondenten contact hebben gehad, is een positieve ontwikkeling. Figuur 5d Indicator frequentie contact huisarts 2 maanden 7 6 5 4 3 2
1,2
1,0
1 0 Frequentie contact huisarts Meting 1
Meting 2
Base: Alle respondenten (N=471 per meting), gemiddelde aantal keer.
Bij deze indicator is sprake van een significant positieve ontwikkeling. Aan het begin van het traject hebben de respondenten in de afgelopen 2 maanden gemiddeld genomen 1,2 keer contact gehad met de huisarts. Aan het einde van het traject is dit gedaald tot 1,0 keer. Tabel 5b Indicator frequentie contact huisarts 2 maanden Meting 1 gem. score 1,2
Aantal keer contact huisarts Base: Alle respondenten (N=471 per meting).
Meting 2 gem. p-waarde score 1,0 p<,001
Tabel 5c Indicator frequentie contact huisarts 2 maanden naar gebied Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Delfshaven WR 76 2,2 1,5 p=,001 Noord SOL 79 0,9 0,5 p=,007 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Aantal keer contact huisarts
N
65
Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport
5.3
Zorggebruik zorgverleners afgelopen 12 maanden
Aan de respondenten is een lijst met vier zorgverleners voorgelegd. Gevraagd is of zij voor zichzelf in de afgelopen 12 maanden contact hebben gehad met deze zorgverleners. Het gaat om de volgende zorgverleners: • Medisch specialist / ziekenhuisbezoek • Tandarts of mondhygiënist • Fysiotherapeut • Geestelijke gezondheidszorg (zoals GGZ, psycholoog, psychiater, POH GGZ bij de huisarts) Indicatoren zorggebruik zorgverleners afgelopen 12 maanden Bij het thema zorggebruik zorgverleners afgelopen 12 maanden zijn vijf indicatoren gemaakt: • Indicator contact huisarts: percentage dat afgelopen 12 maanden contact heeft gehad. Een daling van het percentage is een positieve ontwikkeling. • Indicator contact medisch specialist / ziekenhuisbezoek: percentage dat afgelopen 12 maanden contact heeft gehad. Een daling van het percentage is een positieve ontwikkeling. • Indicator contact tandarts of mondhygiënist: percentage dat afgelopen 12 maanden contact heeft gehad. Een stijging van het percentage is een positieve ontwikkeling. • Indicator contact fysiotherapeut: percentage dat afgelopen 12 maanden contact heeft gehad. Een daling van het percentage is een positieve ontwikkeling. • Indicator contact geestelijke gezondheidszorg: percentage dat afgelopen 12 maanden contact heeft gehad met de GGZ, psycholoog, psychiater of POH GGZ bij de huisarts.