CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb002807] Bijlage behorende bij 22bb2806 over rapport effect deelname gezondheidstrajecten tranche 2020 - 2021

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 31 augustus 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Monitor Werk en Inkomen 1e tertaal27.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Een daling van het percentage is een positieve ontwikkeling. Tabel 5d Indicator zorgverleners afgelopen 12 maanden Indicator Contact huisarts Contact medisch specialist / ziekenhuisbezoek Contact tandarts of mondhygiënist Contact fysiotherapeut Contact geestelijke gezondheidszorg Base: Alle respondenten (N=471 per meting).

Meting 1 % 91% 58% 66% 41% 33%

Meting 2 % p-waarde 92% p=,763 57% p-=,549 66% p=1,000 36% p=,010 30% p=,169

NL % 67% 39% 78% -

Negen op de tien respondenten hebben de afgelopen 12 maanden contact gehad met de huisarts. Ruim de helft van de respondenten heeft de afgelopen 12 maanden contact gehad met de medisch specialist en twee derde van de respondenten met de tandarts. Een derde heeft de afgelopen 12 maanden contact gehad binnen de geestelijke gezondheidszorg. Bij deze vier indicatoren is geen sprake van een significant verschil tussen de beide meetmomenten. Bij de indicator fysiotherapeut is sprake van een significante daling. Aan het begin van het traject geeft 41% van de respondenten aan dat zij de afgelopen 12 maanden contact hebben gehad met een fysiotherapeut. Aan het einde van het traject geldt dit voor 36% van de respondenten.

66

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 5e Indicator contact huisarts naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde Delfshaven WR 76 96% 91% p=,045 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % afgelopen 12 maanden contact

N

Tabel 5f Indicator contact medisch specialist naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde IJsselmonde 39 64% 79% p=,032 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % afgelopen 12 maanden contact

N

Tabel 5g Indicator contact tandarts naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde Noord SOL 79 62% 44% p=,010 Kralingen Crooswijk 27 48% 70% p=,031 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % afgelopen 12 maanden contact

N

Tabel 5h Indicator fysiotherapeut naar gebied Meting 1 Meting 2 % % p-waarde Delfshaven WR 76 49% 38% p=,045 Kralingen Crooswijk 27 59% 37% p=,031 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % afgelopen 12 maanden contact

N

67

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

5.4

Medicijngebruik

Aan de respondenten is gevraagd wanneer zij voor het laatst medicijnen hebben gebruikt die door een arts zijn voorgeschreven. Daarbij is een toelichting gegeven: 'Het kunnen ook medicijnen zijn die al eerder waren voorgeschreven. Medicijnen die u tijdens een ziekenhuisopname hebt gebruikt, moet u niet meerekenen. ‘De pil’ ook niet.' Figuur 5e Medicijngebruik Meting 1

Meting 2

15%

12%

21%

65%

26%

62%

Langer dan 12 maanden

Tussen 2 weken en 12 maanden

In de afgelopen 2 weken

Base: Alle respondenten (N=471 per meting).

Ongeveer twee derde van de respondenten heeft in de afgelopen 2 weken medicijnen gebruikt. Tussen de beide metingen zit geen significant verschil.

Indicator medicijngebruik De indicator medicijngebruik is het percentage respondenten dat de afgelopen 12 maanden medicijnen heeft gebruikt. Een daling van het aantal respondenten dat het afgelopen jaar medicijnen heeft gebruikt, is een positieve ontwikkeling. Figuur 5f Indicator medicijngebruik

Meting 1

Meting 2

15%

12%

Afgelopen 12 maanden geen medicijngebruik

85%

88%

Afgelopen 12 maanden wel medicijngebruik

Base: Alle respondenten (N=471 per meting).

Op beide meetmomenten geeft ruim 80% van de respondenten aan het afgelopen jaar medicijnen te hebben gebruikt. Zowel voor het totaal als voor de onderscheiden gebieden zijn geen significante verschillen tussen de beide metingen waar te nemen.

68

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Hoofdstuk 6 Deel 1: Thema welbevinden 6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de monitor met betrekking tot het thema welbevinden ten tijde van de afronding van het traject besproken. Naast deze inleiding bestaat dit hoofdstuk uit twee paragrafen. Deze zijn: 6.2 Veerkracht en 6.3 Ervaren welbevinden.

6.2

Veerkracht

Aan de respondenten is een aantal stellingen voorgelegd. Het betreft de volgende stellingen: • Ik weet hoe ik met problemen in mijn leven om moet gaan (A). • Ik weet mijn grenzen te trekken (B). • Ik durf om hulp te vragen (C). Figuur 6a Stellingen veerkracht

Stelling A Meting 1 Meting 2

30%

31%

17%

39%

28%

55%

Stelling B Meting 1 Meting 2

34%

22%

19%

44%

20%

61%

Stelling C Meting 1 Meting 2

24% 14%

16%

61%

16%

(helemaal) niet mee eens

69% Neutraal

(helemaal) mee eens

Base: Alle respondenten (N=471 per meting).

Aan het begin van het traject is 39% van de respondenten het (helemaal) eens met stelling A (Ik weet hoe ik met problemen in mijn leven om moet gaan) en 30% is het (helemaal) niet eens met deze stelling. Bij deze stelling is sprake van een significant positieve ontwikkeling. Aan het einde van het traject is het percentage dat het (helemaal) eens is met de stelling significant gestegen naar 55%. Dat laatste betekent dat 55% van de respondenten aan het einde van het traject aangeeft dat ze weten hoe ze met problemen in het leven om moeten gaan. Met stelling B (Ik weet mijn grenzen te trekken) is 44% aan het begin van het traject het (helemaal) eens met deze stelling en 34% is het hier (helemaal) niet eens. Ook bij deze stelling is sprake van een significant positieve ontwikkeling. Aan het einde van het traject is het percentage dat het (helemaal) eens is met de stelling significant gestegen naar 61%.

69

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Ook bij stelling C (Ik durf om hulp te vragen) is een significant positieve ontwikkeling zichtbaar. Aan het begin van het traject is 61% het (helemaal) eens met deze stelling en 24% is het hier (helemaal) niet mee eens. Aan het einde van het traject is het percentage dat het (helemaal) eens is met de stelling gestegen naar 69%. Dat laatste betekent dat ruim twee derde van de respondenten aan het einde van het traject aangeeft dat ze om hulp durven te vragen.

Indicator veerkracht De indicator veerkracht is berekend aan de hand van de antwoorden op deze drie stellingen. Voor iedere respondent zijn de scores op de drie stellingen bij elkaar opgeteld en is er een gemiddelde berekend. Hierdoor kan de indicator veerkracht een waarde krijgen tussen de 1 en 5. Een stijging van de score is een positieve ontwikkeling. Figuur 6b Indicator veerkracht 5 4

3,6 3,2

3 2 1 0 Veerkracht Meting 1

Meting 2

Base: Alle respondenten (N=471 per meting), score.

Bij de indicator veerkracht is een significant positieve ontwikkeling zichtbaar. De score op deze indicator is 3,2 aan het begin van het traject. Aan het einde van het traject is deze score gestegen naar 3,6. Tabel 6a Indicator veerkracht

Indicator veerkracht Base: Alle respondenten (N=471 per meting), score.

70

Meting 1 gem. score 3,2

Meting 2 gem. p-waarde score 3,6 p<,001

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 6b Indicator veerkracht naar gebied Meting 1 Meting 2 Score indicator veerkracht N gem. gem. p-waarde score score Centrum 28 3,3 3,6 p=,005 Delfshaven WR 76 3,8 4,0 p=,046 Delfshaven IM 19 3,1 3,6 p=,001 Noord SOL 79 3,3 2,9 p=,050 Noord IM 15 2,3 3,1 p<,001 Hillegersberg-Schiebroek 17 3,1 4,0 p<,001 Kralingen-Crooswijk 27 3,0 3,8 p<,001 Feijenoord 20 3,5 4,0 p<,001 IJsselmonde 39 3,1 3,8 p<,001 Prins Alexander 47 2,8 3,7 p<,001 Charlois 61 3,0 3,5 p<,001 Hoogvliet / Pernis 18 2,8 3,6 p<,001 Rozenburg 14 3,1 3,6 p=,007 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil.

71

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

6.3

Ervaren welbevinden

Aan de respondenten is gevraagd hoe vaak zij zich in de afgelopen 4 weken neerslachtig of somber voelde. Figuur 6c Ervaren welbevinden Meting 1

Meting 2

17%

9%

24%

21%

Altijd

26%

26%

Meestal

Soms

16%

17%

26%

Af en toe

19%

Nooit

Base: Alle respondenten (N=471 per meting).

Bij het ervaren welbevinden is sprake van een significant positieve ontwikkeling. De frequentie waarop de respondenten zich neerslachtig of somber voelden in de afgelopen 4 weken is afgenomen. Aan het begin van het traject geeft 67% aan soms, meestal of altijd deze gevoelens te hebben gehad. Aan het einde van het traject is dit gedaald naar 55%.

Indicator ervaren welbevinden De indicator welbevinden is berekend aan de hand van de antwoorden op de voorgaande vraag. Voor iedere respondent is er een gemiddelde berekend die ligt tussen de 1 en 5. Een stijging van de score is een positieve ontwikkeling. Figuur 6d Indicator ervaren welbevinden

5 4 3,3 3

2,9

2

1 0 Welbevinden Meting 1

Meting 2

Base: Alle respondenten (N=471 per meting), score.

Bij de indicator ervaren welbevinden is een significant positieve ontwikkeling zichtbaar. De score op deze indicator is 2,9 aan het begin van het traject. Aan het einde van het traject is deze score gestegen naar 3,3.

72

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 6c Indicator ervaren welbevinden Meting 1 gem. score 2,9

Indicator ervaren welbevinden Base: Alle respondenten (N=471 per meting), score.

Meting 2 gem. p-waarde score 3,3 p<,001

Tabel 6d Indicator ervaren welbevinden naar gebied Meting 1 Meting 2 gem. gem. p-waarde score score Delfshaven WR 76 3,2 3,5 p=,027 Hillegersberg-Schiebroek 17 2,8 3,5 p=,004 Kralingen-Crooswijk 27 2,6 3,1 p=,001 Prins Alexander 47 2,6 3,4 p<,001 Charlois 61 3,0 3,4 p=,017 Hoogvliet / Pernis 18 3,6 4,2 p=,023 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. Score indicator ervaren welbevinden

N

73

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

74

Deel 2 Effecten van deelname zes maanden na afronding van het traject

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Deel 2: Managementsamenvatting effecten zes maanden na afronding van traject Inleiding De gemeente heeft samen met VGZ en Ecclesia welzijnsorganisaties (opdrachtnemers van het Nieuw Rotterdams Welzijn) uitgenodigd een projectplan in te dienen voor extra gezondheidsbevorderende trajecten voor de doelgroep Prestatie010. Dit zijn Rotterdammers die een gemeentelijke uitkering ontvangen en een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. De kenmerken van deze groep zijn onder meer langdurig afhankelijk van de uitkering (gemiddeld langer dan 12 jaar), hoge leeftijd (gemiddeld ouder dan 53 jaar), weinig tot geen werkervaring en opleiding, beperkte beheersing van de Nederlandse taal en veelal alleenstaand. Vaak is er sprake van multiproblematiek (een combinatie van problemen). Er is veelal ook sprake van gezondheidsproblemen. Het is aan de welzijnsorganisaties om hen te begeleiden en hen toe te leiden naar bestaande gezondheidsbevorderende activiteiten in de woonbuurt. Het is de bedoeling dat door deelname aan een traject de deelnemers een gezondere levensstijl krijgen en hun zorgkosten verminderen. Daarnaast richten de trajecten zich op het vergroten van de veerkracht van de deelnemers.

Achterliggende gedachte is dat een gezondere levensstijl en vergroting van de veerkracht ervoor zorgen dat de doelgroep actiever wordt, wat weer bijdraagt aan het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt. De opdracht aan de welzijnsorganisaties om te komen met gezondheidsbevorderende trajecten wordt gefinancierd uit een samenwerkingsafspraak die de gemeente heeft met de collectieve ziektekostenverzekeraar VGZ. Om de resultaten van de deelname aan de gezondheidsbevorderende trajecten die worden aangeboden door welzijnsorganisaties te volgen, is een monitor ontwikkeld en uitgevoerd. Hiervoor wordt bij alle deelnemers op verschillende momenten een vragenlijst afgenomen. In de vragenlijst worden vragen gesteld rondom drie thema’s: gezondheid en leefstijl, zorg- en medicijngebruik en welbevinden. Een algemene opmerking is hier op zijn plaats. De gezondheidsbevorderende trajecten die voor deze monitor zijn gevolgd, zijn uitgevoerd tijdens de coronapandemie. Vanwege corona hebben de welzijnsorganisaties natuurlijk veel moeten aanpassen in hun activiteiten. Dit kan ertoe hebben geleid dat de trajecten niet (geheel) volgens de ingediende projectplannen zijn uitgevoerd. Enerzijds kan een traject tijdelijk zijn gestopt en op een later moment weer vervolgd. Anderzijds kan een deel van de activiteiten zijn vervallen of hebben activiteiten digitaal plaatsgevonden.

Doordat deelnemers binnen een traject op verschillende momenten starten, kan de invulling van het traject als gevolg van de coronarestricties per deelnemer verschillen. Dit heeft ongetwijfeld effect gehad op de uitkomsten. Het is goed om deze context in het achterhoofd te houden bij het lezen van deze managementsamenvatting. Deel 2 van dit rapport brengt de effecten van deelname aan het traject zes maanden na afronding van het traject in kaart. Deze uitkomsten zijn gebaseerd op de deelnemers die het traject hebben afgerond en waarbij zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online is ingevuld én waarbij op meetmoment 3 (zes maanden na afronding van het traject) de vragenlijst telefonisch is afgenomen. De welzijnsorganisaties waren verantwoordelijk voor de afname van de online vragenlijst op meetmoment 1 en 2. Bij meetmoment 3 is de vragenlijst telefonisch afgenomen door een (meertalige) enquêteur van Mediad. Het is bij 387 van de 471 deelnemers die het traject hebben afgerond gelukt om zes maanden na dato de vragenlijst telefonisch af te nemen. Dat is een responspercentage van ruim 82%.

77

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Samengevat resultaten indicatoren In de monitor zijn drie thema’s onderscheiden. Voor elk van deze thema’s is een aantal indicatoren gedefinieerd. In de desbetreffende hoofdstukken is een uitgebreide uitleg over de berekening van de indicatoren opgenomen. Er is gekeken in hoeverre er significante verschillen waar te nemen zijn tussen meting 1 (begin van het traject) en meting 2 (einde van het traject) en tussen meting 1 en meting 3 (zes maanden na afronding van het traject). Als de verandering in percentage of score een significant positieve ontwikkeling is, worden de uitkomst en bijbehorende p-waarde groen weergegeven. Als de verandering in percentage of score een significant negatieve ontwikkeling is, worden de uitkomst en de p-waarde paars weergegeven. Samengevat kan worden vastgesteld dat bij veel indicatoren aan het einde van het traject een significante verbetering zichtbaar is bij de deelnemers aan de gezondheidsbevorderende trajecten. De verbeteringen betreffen met name de indicatoren rondom de thema’s gezondheid en leefstijl en welbevinden. Zes maanden na afronding van het traject is nog steeds bij veel indicatoren sprake van een significante verbetering ten opzichte van het begin van het traject. Dit ondanks het feit dat bij een aantal indicatoren de positieve ontwikkeling ten tijde van het einde van het traject zes maanden na dato deels teniet is gegaan.

Indicatoren thema gezondheid en leefstijl Voor het thema gezondheid en leefstijl zijn de volgende 12 indicatoren onderscheiden: • Gezond gewicht (percentage met een gezond gewicht, zijnde BMI 18,5 - 25). • Ervaren gezondheid (percentage met (heel) goed ervaren gezondheid). • Voeding groente (percentage dat dagelijks groente eet). • Voeding fruit (percentage dat dagelijks fruit eet). • Voeding snacks (gemiddeld aantal dagen per week waarop snacks worden gegeten). • Voeding water (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Voeding frisdrank/vruchtensap (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Voeding koffie of thee (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Voeding alcoholische dranken (gemiddeld aantal dagen per week waarop dit wordt gedronken). • Roken zelf roken (percentage rokers). • Roken rookvrijhuis (percentage waarbij niet in huis wordt gerookt). • Bewegen (percentage dat dagelijks 30 minuten beweegt). Bij bijna alle indicatoren van het thema gezondheid en leefstijl zien we aan het einde van het traject een significant positieve ontwikkeling. Uitzondering zijn de indicator gezond gewicht, de indicator voeding koffie of thee en de indicator roken zelf roken. Bij een aantal indicatoren is de positief significante ontwikkeling doorgezet.

Zes maanden na afronding van het traject is het aantal dagen waarop snacks worden gegeten en frisdrank/vruchtensap worden gedronken nog verder gedaald. Bij vijf indicatoren is zes maanden na afronding van het traject sprake van een negatieve ontwikkeling van de scores ten opzichte van de score aan het einde van het traject. Ondanks deze achteruitgang is bij de indicatoren ervaren gezondheid, voeding groente, voeding fruit, voeding water en bewegen nog steeds wel sprake van een positief significante verandering ten opzichte van de situatie aan het begin van het traject.

78

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

De indicator rookvrijhuis laat aan het einde van het traject een significant positieve ontwikkeling zien. Maar zes maanden na afronding van het traject is geen sprake meer van een significant positieve verandering ten opzichte van het begin van het traject. Dit betekent dat zes maanden na afronding van het traject een groter deel van de deelnemers vindt dat hun gezondheid (zeer) goed is (van 20% via 38% naar 31%). Daarnaast is het aantal deelnemers dat dagelijks 30 minuten beweegt toegenomen (van 23% via 43% naar 39%). Tenslotte is het eet- en drinkpatroon van de deelnemers zes maanden na afronding van het traject verbeterd ten opzichte van de situatie aan het begin van het traject. Het aantal deelnemers dat dagelijks groente en fruit eet is toegenomen (van 42% via 59% naar 47% bij groente en van 45% via 58% naar 53% bij fruit). Het aantal dagen waarop snacks worden gegeten (van 3,4 dagen via 2,5 dagen naar 1,8 dagen), frisdrank/vruchtensap wordt gedronken (van 2,9 dagen via 2,2 dagen naar 2,1 dagen) en alcoholische dranken worden gedronken (van 0,5 dagen naar 0,3 dagen) is gedaald. Het aantal dagen waarop water wordt gedronken, is gestegen (van 6,3 dagen via 6,7 naar 6,5 dagen). Tabel 0g Samenvatting indicatoren gezondheid en leefstijl Meting 1 % of Indicator gem.

score Gezond gewicht 23% Ervaren gezondheid 20% Voeding groente 42% Voeding fruit 45% Voeding snacks 3,4 Voeding water 6,3 Voeding koffie/thee 6,5 Voeding frisdrank/vruchtensap 2,9 Voeding alcoholische dranken 0,5 Roken zelf roken 28% Roken rookvrijhuis 78% Bewegen 23% Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 2 % of gem. p-waarde score 22% p=,252 38% p<,001 59% p<,001 58% p<,001 2,5 p<,001 6,7 p<,001 6,6 p=,286 2,2 p<,001 0,3 p=,002 26% p=,158 81% p=,012 43% p<,001

Meting 3 % of gem. p-waarde score 25% p=,446 31% p<,001 47% p=,048 53% p=,005 1,8 p<,001 6,5 p=,022 6,4 p=,217 2,1 p<,001 0,3 p<,001 27% p=,564 80% p=,308 39% p<,001

Indicatoren thema zorg- en medicijngebruik Voor het thema zorg- en medicijngebruik zijn de volgende acht indicatoren onderscheiden: • Contact huisarts (percentage afgelopen 2 maanden contact). • Frequentie contact huisarts (gemiddeld aantal afgelopen 2 maanden). • Contact huisarts (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact medisch specialist (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact tandarts of mondhygiënist (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact fysiotherapeut (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Contact geestelijke gezondheidszorg (percentage afgelopen 12 maanden contact). • Medicijngebruik (percentage afgelopen 12 maanden gebruik).

79

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Aan het einde van het traject is bij twee van de acht indicatoren van het thema zorg- en medicijngebruik sprake van een significant positieve ontwikkeling. Aan het einde van het traject is sprake van een daling van de frequentie van het contact met de huisarts (van 1,2 keer naar 1,0 keer). Daarnaast is het aantal deelnemers dat de afgelopen 12 maanden contact heeft gehad met een fysiotherapeut aan het einde van het traject gedaald (van 42% naar 37%). Zes maanden na afronding van het traject is bij deze indicatoren geen sprake meer van een significant positieve verandering ten opzichte van het begin van het traject. Tabel 0h Samenvatting indicatoren zorg- en medicijngebruik Meting 1 % of Indicator gem. score Contact huisarts 2 maanden 58% Frequentie contact huisarts 2 maanden 1,2 Contact huisarts 12 maanden 91% Contact medisch specialist 12 maanden 59% Contact tandarts of mondhygiënist 12 maanden 69% Contact fysiotherapeut 12 maanden 42% Contact geestelijke gezondheidszorg 12 maanden 35% Medicijngebruik 12 maanden 85% Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 2 % of gem. p-waarde score 55% p=,289 1,0 p<,001 92% p=,724 58% p=,574 68% p=,742 37% p=,029 33% p=,318 87% p=,095

Meting 3 % of gem. p-waarde score 61% p=,284 1,4 p=,138 89% p=,208 63% p=,148 69% p=1,000 40% p=,405 27% p=,001 83% p=,542

Bij één van de acht indicatoren waarbij aan het einde van het traject geen sprake is van een significant positieve ontwikkeling, is dat zes maanden na afronding van het traject wel het geval. Het aantal deelnemers dat de afgelopen 12 maanden contact heeft gehad met de geestelijke gezondheidszorg is gedaald van 35% aan het begin van het traject naar 27% zes maanden na afronding van het traject.

Indicatoren thema welbevinden Voor het thema welbevinden zijn de volgende twee indicatoren onderscheiden: • Veerkracht (score op een schaal van 1 t/m 5). • Ervaren welbevinden (score op een schaal van 1 t/m 5). Bij beide indicatoren van het thema welbevinden zien we zowel aan het einde van het traject als zes maanden na afronding van het traject een significant positieve ontwikkeling ten opzichte van de situatie aan het begin van het traject. Dat betekent dat de veerkracht en het ervaren welbevinden van de deelnemers is toegenomen. Tabel 0i Samenvatting indicatoren welbevinden Indicator Veerkracht Ervaren welbevinden Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 1 gem. score 3,1 2,9

Meting 2 gem. p-waarde score 3,6 p<,001 3,3 p<,001

Meting 3 gem. p-waarde score 3,7 p<,001 3,3 p<,001

80

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Indicatoren naar gebied Rotterdam kent 14 gebieden. Uiteindelijk is voor 13 gebieden door een welzijnsorganisatie een projectplan ingediend. Voor Pernis is geen apart projectplan ingediend. Pernis is meegenomen in het projectplan voor Hoogvliet. Zowel in Delfshaven als in Noord zijn twee organisaties actief geweest. In de onderstaande tabellen is voor alle indicatoren op gebiedsniveau per gebied aangegeven in hoeverre sprake is van een significante verandering. In de tabellen is Hoek van Holland niet opgenomen aangezien het maar bij één deelnemer gelukt is om op alle drie de meetmomenten een vragenlijst af te nemen. Om het overzichtelijk te houden, is alleen gekeken in hoeverre sprake is van een bestendiging van het resultaat. Er is derhalve alleen aangegeven in hoeverre sprake is van een significant verschil tussen meting 1 (start van het traject) en meting 3 (zes maanden na afronding van het traject). Tabel 0j Samenvatting indicatoren gezondheid en leefstijl tussen meting 1 en meting 3 naar gebied Indicatoren thema gezondheid en leefstijl

81

+

+

+

+ +

+ +

+

Rozenburg

Hoogvliet / Pernis

13

+ +

14

Kralingen-Crooswijk 22

+

+

+

+

+

+

Charlois

Hberg-Schiebroek 17

+

+

+ +

51

Noord IM 12

+

+

Prins Alexander

Noord SOL 64

+

+

39

Overschie 7

+ +

+

IJsselmonde

Delfshaven IM 19

+

+ + +

34

Delfshaven WR 57

+

Feijenoord

Centrum 21

+ + + + +

16

Gezond gewicht Ervaren gezondheid Voeding groente Voeding fruit Voeding snacks Voeding water Voeding koffie/thee Voeding frisdrank/vruchtensap Voeding alcoholische dranken Roken zelf roken Roken rookvrij huis Bewegen

Totaal N=

387

Gebied

+

+

+

+ +

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 0k Samenvatting indicatoren zorggebruik/medicijngebruik tussen meting 1 en meting 3 naar gebied Indicatoren thema zorggebruik en medicijngebruik

Contact huisarts 2 maanden Frequentie contact huisarts 2 mnd Contact huisarts 12 maanden Contact medisch specialist 12 mnd Contact tandarts 12 maanden Contact fysiotherapeut 12 maanden Contact geest. gezondheidszorg 12 mnd Medicijngebruik 12 maanden

Kralingen-Crooswijk

Feijenoord

IJsselmonde

22

16

34

Rozenburg

Hberg-Schiebroek 17

13

Noord IM 12

Hoogvliet / Pernis

Noord SOL 64

14

Overschie 7

Charlois

Delfshaven IM 19

51

Delfshaven WR 57

Prins Alexander

Centrum 21

-

39

Totaal N=

387

Gebied

+

+

+

+ -

+

+

Tabel 0l Samenvatting indicatoren welbevinden tussen meting 1 en meting 3 naar gebied Indicatoren thema welbevinden

Rozenburg 13

Hoogvliet / Pernis 14

Charlois 51

Prins Alexander 39

IJsselmonde 34

Feijenoord 16

Kralingen-Crooswijk 22

Hberg-Schiebroek 17

Noord IM 12

+

Noord SOL

Overschie 7

+ +

64

Delfshaven IM 19

+ +

Delfshaven WR

Centrum 21

Veerkracht Ervaren welbevinden

57

Totaal N=

387

Gebied

+ +

+

+ +

+ +

+

+

+ +

+

+

+ +

82

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Samengevat resultaten oordeel over traject en activering Bijna alle respondenten (96%) geven aan dat zij in het algemeen tevreden zijn over het traject. Gemiddeld worden de trajecten met een 7,9 beoordeeld. Respondenten zijn voornamelijk tevreden over het bewegen. Dan gaat het niet alleen om het bewegen zelf, maar ook dat dit samen met anderen wordt gedaan. Ook wordt regelmatig het contact met andere mensen genoemd en alles wat geleerd is over gezonde voeding en hoe je gezonder kan eten. Een aantal respondenten geeft aan dat ze vooral tevreden zijn over de begeleiders van de trajecten en de door hen gegeven begeleiding. Twee derde van de respondenten geeft aan dat ze nergens ontevreden over zijn. Aspecten waar respondenten wel ontevreden over zijn, hebben veelal te maken met corona en de gevolgen daarvan zoals het online les krijgen, het stopzetten van bepaalde activiteiten en het wegvallen van persoonlijk contact. Daarnaast worden opmerkingen gemaakt over de duur van het traject, over de samenstelling van de groep deelnemers en over de inhoud van het traject. De meeste respondenten (90%) geven aan dat ze iets geleerd hebben van het traject. Zij hebben vooral veel geleerd over gezondheid en gezonde voeding (zowel welke producten specifiek wel of niet gezond zijn als ook dat gezond eten in het algemeen belangrijk is).

Ook bewegen wordt veelvuldig genoemd (zowel het belang van dagelijks bewegen als concrete tips hoe te bewegen) en empowerment en mentale welzijn (voor jezelf opkomen, leren ontspannen en omgaan met stress). 10% van de respondenten geeft aan het niet te weten of dat zij niets geleerd hebben. Daarbij wordt vaak verwezen naar de aspecten waarover respondenten ontevreden zijn. Bijna alle respondenten (93%) zouden anderen aanraden om aan het traject deel te nemen. De meeste respondenten geven aan dat het traject leerzaam is en dat je door dit traject anderen ook kunnen werken aan hun problemen en zich beter zullen voelen. Daarnaast wordt regelmatig genoemd dat je op deze manier in contact komt met andere mensen en dat dit vooral goed is voor mensen die eenzaam zijn of alleen wonen. 7% van de deelnemers zouden anderen niet aanraden om aan het traject deel te nemen. Ook aan hen is gevraagd wat hiervan de reden is. De redenen die hiervoor worden genoemd, zijn zeer divers. De meest genoemde reden is dat men niets of weinig geleerd heeft. Een andere reden die meerdere malen wordt genoemd, is dat ze het niet zouden aanraden omdat het online was.

Aan de respondenten is een aantal activiteiten voorgelegd (vrijwilligerswerk, mantelzorg geven, sporten of bewegen, het volgen van een cursus of een andere activiteit) en is gevraagd of zij de genoemde activiteit al voor de start van het traject deden, sinds de afronding van het traject doen, van plan zijn om te gaan doen of niet doen en ook niet van plan zijn om te gaan doen. De activiteit die respondenten het meest zijn gaan doen na afronding van het traject is sporten of bewegen. Ruim een derde van de respondenten is dit gaan doen na afronding van het traject en 13% is nog van plan om dit te gaan doen. Overigens was ruim een derde van de respondenten al bezig met sporten of bewegen voordat zij aan het traject begonnen. Wat betreft het vrijwilligerswerk ziet het beeld er anders uit. 7% van de respondenten is na afronding van het traject vrijwilligerswerk gaan doen en 12% is nog van plan om dit te gaan doen. Een derde van de respondenten deed al vrijwilligerswerk voordat zij aan het traject begon. Een vijfde van de respondenten (21%) is van plan om een cursus te gaan volgen. Eveneens een vijfde (20%) volgde al een cursus voordat zij aan het traject begonnen. 7% is dit gaan doen na afronding van het traject.

83

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

84

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Hoofdstuk 7 Deel 2: Respons en achtergrondkenmerken 7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de respons per gebied en meetmoment weergegeven en worden de achtergrondkenmerken van de respondenten besproken, Naast deze inleiding bestaat dit hoofdstuk uit twee paragrafen. Deze zijn: 7.2 Respons per gebied en meetmoment en 7.3 Achtergrondkenmerken deelnemers.

7.2

Respons per gebied en meetmoment

In samenspraak met de gemeente, VGZ en Ecclesia is afgesproken dat bij de analyse voor deel 2 van dit rapport, waarbij wordt gekeken naar bestendiging van de effecten van deelname aan het traject, alleen de deelnemers worden meegenomen die het traject hebben afgerond en die zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online hebben ingevuld én waarbij op meetmoment 3 (zes maanden na afronding van het traject) de vragenlijst telefonisch is afgenomen. 606 deelnemers zijn gestart met het traject en hebben bij meting 1 de vragenlijst online ingevuld. 471 deelnemers hebben het traject afgerond en de online vragenlijst bij het tweede meetmoment ingevuld. Het is bij 387 van de 471 deelnemers die het traject hebben afgerond gelukt om zes maanden na dato de vragenlijst telefonisch af te nemen. Dat is een responspercentage van ruim 82%. Na het controleren van de gemaakte koppeling, is besloten om deze 387 deelnemers allemaal mee te nemen in de analyse. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van deze aantallen opgenomen per gebied. Bij meting 3 is naast het aantal deelnemers ook het responspercentage opgenomen.

Tabel 7a Aantal ingevulde vragenlijsten per gebied en per meting Gebied Centrum Delfshaven WR Delfshaven IM Overschie Noord SOL Noord IM Hillegersberg-Schiebroek Kralingen-Crooswijk Feijenoord IJsselmonde Prins Alexander Charlois Hoogvliet / Pernis Hoek van Holland Rozenburg Totaal

85

Meting 1

Meting 2

28 90 26 10 89 19 19 29 22 46 62 100 36 5 25 606

28 76 19 8 79 15 17 27 20 39 47 61 18 3 14 471

Aantal 21 57 19 7 64 12 17 22 16 34 39 51 14 1 13 387

Meting 3 Respons% 75% 75% 100% 88% 81% 80% 100% 81% 80% 87% 83% 84% 78% 33% 93% 82%

Alle drie de metingen 21 57 19 7 64 12 17 22 16 34 39 51 14 1 13 387

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

7.2

Achtergrondkenmerken deelnemers

In onderstaande tabel staan de achtergrondkenmerken vermeld van de deelnemers die zowel op meetmoment 1 (begin van het traject) als op meetmoment 2 (einde van het traject) de vragenlijst online hebben ingevuld én waarbij op meetmoment 3 (zes maanden na afronding van het traject) de vragenlijst telefonisch is afgenomen. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers is 50 jaar. Tabel 7b Achtergrondkenmerken respondenten per meting Achtergrondkenmerk

Meting 1

Meting 2

Meting 3

Geslacht

Man Vrouw

15% 85%

15% 85%

15% 85%

Leeftijd

Jonger dan 35 jaar 35 – 44 jaar 45 – 54 jaar 55 jaar en ouder

9% 26% 31% 34%

7% 27% 32% 34%

6% 26% 32% 36%

41% 33% 5% 18% 3%

42% 34% 5% 17% 2%

41% 32% 5% 20% 3%

Ik woon alleen Ik woon zonder partner met kinderen Samenstelling Ik woon samen met een partner zonder kinderen huishouden Ik woon samen met een partner met kinderen Overig Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

86

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Hoofdstuk 8 Deel 2: Thema gezondheid en leefstijl 8.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de monitor met betrekking tot het thema gezondheid en leefstijl zes maanden na afronding van het traject besproken. Naast deze inleiding bestaat dit hoofdstuk uit zes paragrafen. Deze zijn: 8.2 Gezond gewicht, 8.3 Ervaren gezondheid, 8.4 Voeding (eten en drinken), 8.5 Roken, 8.6 Bewegen en 8.7 Ontwikkeling gewicht.

8.2

Gezond gewicht

Aan de respondenten is gevraagd om hun lengte en gewicht in te vullen. Op basis van de lengte en het gewicht is voor iedere respondent zijn/haar BMI berekend (gewicht gedeeld door de lengte in het kwadraat). Bij een BMI onder de 18,5 is sprake van ondergewicht en bij een BMI boven de 25 van overgewicht. Figuur 8a BMI in categorieën Meting 1

2%

23%

37%

39%

Meting 2

2%

22%

37%

39%

Meting 3

2%

25%

37%

Ondergewicht

Normaal

37%

Overgewicht

Ernstig overgewicht

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Er is zowel tussen meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en meting 3 geen significante verandering zichtbaar. Bij zowel het begin van het traject als bij het einde van het traject is bij 39% van de respondenten sprake van een ernstig overgewicht. Zes maanden na afronding van het traject geldt dit voor 37% van de respondenten.

87

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Indicator gezond gewicht Voor de indicator gezond gewicht is gebruik gemaakt van de BMI. De indicator gezond gewicht is het percentage respondenten met een gezond gewicht, zijnde een BMI tussen de 18,5 en 25. Voor zowel het totaal als voor de onderscheiden gebieden is zowel aan het einde van het traject als zes maanden na afronding van het traject geen sprake van een significante ontwikkeling van de indicator gezond gewicht. Figuur 8b Indicator gezond gewicht Meting 1

77%

23%

Meting 2

78%

22%

Meting 3

75%

25%

Rotterdam

49% Heeft geen gezond gewicht

51% Heeft gezond gewicht

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

88

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

8.3

Ervaren gezondheid

Ten aanzien van de ervaren gezondheid is aan de respondenten gevraagd 'Hoe is over het algemeen uw gezondheid?' Deze vraag kon worden beantwoord met zeer goed, goed, gaat wel, slecht of zeer slecht. Figuur 8c Ervaren gezondheid

Meting 1

32%

Meting 2

20%

Meting 3

25%

48%

20%

43%

38% 44%

(zeer) slecht

31%

Gaat wel

(zeer) goed

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Tussen zowel meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en meting 3 is sprake van een significant positieve verandering in de ervaren gezondheid. Een derde van de respondenten (32%) ervaart aan het begin van het traject hun gezondheid als (zeer) slecht en een vijfde (20%) als (zeer) goed. Aan het einde van het traject vindt 20% van de respondenten hun gezondheid (zeer) slecht en 38% (zeer) goed. Zes maanden na afronding van het traject geeft 25% van de respondenten aan hun gezondheid als (zeer) slecht te ervaren en 31% als (zeer) goed.

Indicator ervaren gezondheid De indicator ervaren gezondheid is het percentage respondenten dat vindt dat de gezondheid zeer goed of goed is. Figuur 8d Indicator ervaren gezondheid Meting 1

80%

Meting 2

20%

62%

Meting 3

38%

69%

31%

Rotterdam

21%

79%

Nederland

21%

79%

Niet (zeer) goed ervaren gezondheid

(zeer) goed ervaren gezondheid

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Tussen zowel meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en meting 3 is een significant positieve verandering zichtbaar. Het percentage respondenten dat vindt dat hun gezondheid (zeer) goed is, is gestegen van 20% bij het begin van het traject naar 38% aan het einde van het traject. Ondanks de daling van dit percentage zes maanden na afronding van het traject naar 31%, is er ten opzichte van meting 1 nog steeds sprake van een significant positieve verandering. Tabel 8a Indicator ervaren gezondheid

% ervaren gezondheid (zeer) goed Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

89

Meting 1 % 20%

Meting 2 p-waarde % 38% p<,001

Meting 3 p-waarde % 31% p<,001

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 8b Indicator ervaren gezondheid naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 p-waarde % % % p-waarde Delfshaven WR 57 25% 39% p=,031 28% p=,597 Delfshaven IM 19 21% 53% p=,010 37% p=,083 Noord IM 12 25% 58% p=,039 42% p=,438 Feijenoord 16 19% 50% p=,055 50% p=,020 IJsselmonde 34 12% 50% p<,001 35% p=,009 Prins Alexander 39 5% 23% p=,006 31% p=,001 Charlois 51 16% 31% p=,010 27% p=,057 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % ervaren gezondheid (zeer) goed

N

90

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

8.4

Voeding (eten en drinken)

8.4.1 Voeding groente en fruit Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij gekookte of gebakken groente, sla of rauwkost eten en hoeveel dagen in de week zij fruit eten. Aan de respondenten is bij meetmoment 1 en 2 zowel tekstueel als visueel een toelichting gegeven wat wordt verstaan onder respectievelijk groenten en fruit. Bij de telefonische afname van de vragenlijst bij meetmoment 3 is alleen een tekstuele toelichting gegeven. ‘Voorbeelden van groenten zijn bloemkool, broccoli, spinazie, wortelen, aubergine, courgette, paprika, paksoi, rode en witte kool, maïs, sla, komkommer, tomaat, peulvruchten zoals linzen.’

‘Voorbeelden van fruit zijn appel, peer, sinaasappel, mandarijn, banaan, mango, papaya, ananas, granaatappel, passievrucht, vijg, dadel, druiven.’

Bij meting 1 geeft 42% van de respondenten aan dat zij dagelijks groente, sla of rauwkost eten. Bij meting 2 geldt dit voor 59% van de respondenten en bij meting 3 voor 47%. Figuur 8e Aantal dagen groente en fruit in categorieën

Groente Meting 1 3%

12%

Meting 2 2%6%

22% 18%

21%

42%

16%

Meting 3 2% 10%

59%

26%

16%

47%

Fruit Meting 1

10%

Meting 2

4%

Meting 3

6%

14%

9%

19%

17% 15%

11%

45%

12% 19%

<1

58% 7%

1-2

53% 3-4

5-6

7

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Ruim twee vijfde van de respondenten (45%) geeft bij meting 1 aan dagelijks fruit te eten. Bij meting 2 geldt dit voor 58% van de respondenten en bij meting 3 voor 53%.

91

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Figuur 8f Gemiddeld aantal dagen groente en fruit 7 5,7

6

5,4

5,2

5,0

5,0

4,6

5 4 3 2 1 0 Groente Meting 1

Fruit Meting 2

Meting 3

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Bij meting 1 wordt gemiddeld genomen 5,0 dagen in de week groente gegeten, bij de tweede meting 5,7 dagen en bij de derde meting 5,2 dagen per week. Bij meting 1 wordt gemiddeld genomen 4,6 dagen in de week fruit gegeten, bij de tweede meting 5,4 dagen en bij de derde meting 5,0 dagen per week. Zowel het aantal dagen waarop groente als het aantal dagen waarop fruit wordt geconsumeerd, is tussen meting 1 en meting 2 significant gestegen. Zes maanden na afronding van het traject ligt het aantal dagen waarop fruit wordt gegeten, ondanks de daling ten opzichte van meting 2 naar 5,0 dagen, nog steeds significant hoger dan aan het begin van het traject. Het aantal dagen waarop groente wordt gegeten is zes maanden na afronding van het traject dusdanig gedaald ten opzichte van meting 2 dat er geen sprake meer is van een significante stijging ten opzichte van het begin van het traject. Tabel 8c Gemiddeld aantal dagen groente en fruit

Gemiddeld aantal dagen groente Gemiddeld aantal dagen fruit Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 1 gem. score 5,0 4,6

Meting 2 gem. p-waarde score 5,7 p<,001 5,4 p<,001

Meting 3 gem. p-waarde score 5,2 p=,770 5,0 p=,003

Indicatoren voeding groente en voeding fruit De indicator voeding groente is het percentage respondenten dat zeven dagen in de week gekookte of gebakken groente, sla of rauwkost eet. De indicator voeding fruit is het percentage respondenten dat zeven dagen in de week fruit eet. Bij de indicator voeding groente is een significante verbetering te zien tussen zowel meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en meting 3. Aan het begin van het traject geeft 42% van de respondenten aan dat zij dagelijks groente eten. Aan het einde van het traject geldt dit voor 59% en zes maanden na afronding van het traject voor 47%. Tabel 8d Indicator voeding groente

% dat dagelijks groente eet Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 1 % 42%

Meting 2 p-waarde % 59% p<,001

Meting 3 p-waarde % 47% p=,048

92

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 8e Indicator voeding groente naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 p-waarde % % % p-waarde Delfshaven WR 57 47% 70% p=,001 54% p=,322 Delfshaven IM 19 32% 53% p=,042 63% p=,030 Overschie 7 14% 29% p=,356 71% p=,030 Hillegersberg-Schiebroek 17 18% 59% p=,004 47% p=,056 Feijenoord 16 38% 88% p=,002 50% p=,333 IJsselmonde 34 44% 68% p=,003 38% p=,535 Prins Alexander 39 44% 62% p=,006 44% p=1,000 Charlois 51 37% 55% p=,011 41% p=,569 Hoogvliet / Pernis 14 43% 71% p=,040 71% p=,104 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % dat dagelijks groente eet

N

Figuur 8g Indicatoren voeding groente en voeding fruit

Groente Meting 1

Meting 2

58%

42%

41%

Meting 3

59% 53%

47%

55%

45%

Fruit Meting 1 Meting 2

42%

Meting 3

58%

47%

53% Niet dagelijks

Dagelijks

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Ook bij de indicator voeding fruit is een significante verbetering te zien tussen zowel meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en meting 3. Aan het begin van het traject geeft 45% van de respondenten aan dat zij dagelijks fruit eten. Aan het einde van het traject geldt dit voor 58% en zes maanden na afronding van het traject voor 53%. Tabel 8f Indicator voeding fruit

% dat dagelijks fruit eet Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

93

Meting 1 % 45%

Meting 2 p-waarde % 58% p<,001

Meting 3 p-waarde % 53% p=,005

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Tabel 8g Indicator voeding fruit naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 p-waarde % % % p-waarde Delfshaven IM 19 32% 74% p=,007 53% p=,104 Overschie 7 14% 29% p=,356 100% p=,001 Noord SOL 64 55% 64% p=,135 42% p=,031 Feijenoord 16 63% 88% p=,041 75% p=,333 IJsselmonde 34 29% 47% p=,032 38% p=,325 Prins Alexander 39 31% 62% p<,001 51% p=,010 Hoogvliet / Pernis 14 43% 71% p=,040 57% p=,165 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. % dat dagelijks fruit eet

N

94

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

8.4.2 Voeding snacks Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij snacks eten. Bij deze vraag is een toelichting gegeven wat wordt verstaan onder snacks: 'Voorbeelden van snacks zijn gebak, koek, snoep, chocola, baklava, saucijzenbroodje, chips, kroket, frikandel, patat.’ Daarnaast is een aantal afbeeldingen van snacks getoond. Bij de telefonische afname van de vragenlijst bij meetmoment 3 is alleen een tekstuele toelichting gegeven.

Aan het begin van het traject geeft 29% van de respondenten aan dat zij dagelijks snacks eten en 17% geeft aan dat zij dit minder dan één dag per week doen. Aan het einde van het traject geldt de dagelijkse consumptie van snacks voor 17% van de respondenten en 25% eet minder dan één dag per week snacks. Zes maanden na afronding van het traject geeft 11% van de respondenten aan dagelijks snacks te eten en 38% minder dan één dag per week. Figuur 8h Aantal dagen snacks in categorieën Meting 1

17%

Meting 2

29%

18%

25%

Meting 3

7%

37%

17%

38%

39% <1

1-2

29%

3-4

5-6

4%

17%

11%

2% 11%

7

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Indicator voeding snacks Voor de indicator voeding snacks is het gemiddeld aantal dagen per week berekend dat de respondent snacks eet. Een daling van het gemiddeld aantal dagen betekent een positieve ontwikkeling. Figuur 8i Indicator voeding snacks 7 6 5 4

3,4

3

2,5 1,8

2 1 0 Snacks Meting 1

Meting 2

Base: Alle respondenten (N=387 per meting), gemiddeld aantal dagen. 95

Meting 3

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

De indicator voeding snacks laat tussen zowel meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en meting 3 een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 3,4 dagen in de week snacks gegeten. Aan het einde van het traject is dit 2,5 dagen. Zes maanden na afronding van het traject is dit nog verder gedaald naar gemiddeld 1,8 dagen per week. Tabel 8h Indicator voeding snacks

Gemiddeld aantal dagen snacks eten Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 1 gem. score 3,4

Meting 2 gem. p-waarde score 2,5 p<,001

Meting 3 gem. p-waarde score 1,8 p<,001

Tabel 8i Indicator voeding snacks naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 gemiddeld aantal dagen snacks eten N gem. gem. p-waarde gem. p-waarde score score score Delfshaven WR 57 2,2 1,5 p=,036 1,4 p=,011 Delfshaven IM 19 4,5 3,3 p=,047 2,2 p=,002 Overschie 7 3,1 1,7 p=,094 0,3 p=,033 Noord SOL 64 2,9 3,2 p=,482 1,7 p=,002 Noord IM 12 6,0 3,5 p=,021 4,1 p=,039 Hillegersberg-Schiebroek 17 3,8 2,2 p=,033 1,2 p=,001 Kralingen-Crooswijk 22 3,7 2,9 p=,080 2,4 p=,031 IJsselmonde 34 3,8 3,0 p=,104 1,9 p=,002 Prins Alexander 39 4,1 2,2 p<,001 1,9 p<,001 Charlois 51 4,2 2,5 p<,001 1,9 p<,001 Hoogvliet / Pernis 14 3,1 1,9 p=,016 1,4 p=,011 Rozenburg 13 4,8 3,4 p=,077 1,2 p=,001 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil.

96

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

8.4.3 Voeding water en koffie/thee Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij water drinken en hoeveel dagen in de week zij koffie of thee drinken. Ter illustratie is in de online vragenlijst die is gebruikt bij meetmoment 1 en meetmoment 2 bij beide vragen een afbeelding getoond.

Aan het begin van het traject geeft 86% van de respondenten aan dat zij dagelijks water drinken. Aan het einde van het traject is dit gestegen naar 93%. Zes maanden na afronding van het traject geeft 90% van de respondenten aan dat zij dagelijks water drinken. De dagelijkse consumptie van koffie en thee is vergelijkbaar. Aan het begin van het traject geeft 89% van de respondenten aan dat zij dagelijks koffie of thee drinken. Aan het einde van het traject geldt dit voor 90% van de respondenten en zes maanden na afronding van het traject voor 88% van de respondenten. Figuur 8j Aantal dagen water en koffie/thee in categorieën

Water Meting 1

4% 4% 4% 2% 2% 3%

93%

3% 2% 3% 2%

90%

Meting 2 2% Meting 3

86%

Koffie/thee Meting 1 3% 3%3%1%

89%

3% Meting 2 2% 4% 2%

90%

5% 3% 3%

88%

Meting 3

<1

1-2

3-4

5-6

7

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Indicatoren voeding water en voeding koffie/thee Voor de indicator voeding water en de indicator voeding koffie/thee is het gemiddeld aantal dagen per week berekend dat de respondent respectievelijk één of meer glazen water of koffie/thee drinkt. Voor beide indicatoren betekent een stijging van het gemiddeld aantal dagen een positieve ontwikkeling.

97

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Figuur 8k Indicatoren voeding water en voeding koffie/thee 6,7 7 6,5 6,3

6,5

6,6

6,4

6 5 4 3 2 1 0 Water

Koffie/thee

Meting 1

Meting 2

Meting 3

Base: Alle respondenten (N=377 per meting), gemiddeld aantal dagen.

De indicator voeding water laat zowel tussen meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en 3 een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 6,3 dagen in de week water gedronken. Aan het einde van het traject is dit gemiddeld 6,7 dagen per week. Zes maanden na afronding van het traject ligt het aantal dagen waarop water wordt gedronken, ondanks de daling ten opzichte van meting 2 naar 6,5 dagen, nog steeds significant hoger dan aan het begin van het traject. Tabel 8j Indicator voeding water Meting 1 gem. score 6,3

Gemiddeld aantal dagen water drinken Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 2 gem. p-waarde score 6,7 p<,001

Meting 3 gem. p-waarde score 6,5 p=,022

Tabel 8k Indicator voeding water naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 gem. gem. p-waarde gem. p-waarde score score score IJsselmonde 34 5,7 6,8 p=,006 6,6 p=,019 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. gemiddeld aantal dagen water drinken

N

De indicator voeding koffie/thee laat voor het totaal geen significante verschillen zien tussen de metingen. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 6,5 dagen per week koffie of thee gedronken. Aan het einde van het traject is dit 6,6 dagen per week en zes maanden na afronding van het traject 6,4 dagen per week. Tabel 8l Indicator voeding koffie/thee naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 gem. gem. p-waarde gem. p-waarde score score score IJsselmonde 34 5,9 6,4 p=,024 6,2 p=,407 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil. gemiddeld aantal dagen koffie/thee

N

98

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

8.4.4 Voeding frisdrank/vruchtensap en voeding alcoholische dranken Aan de respondenten is gevraagd hoeveel dagen in de week zij frisdrank of vruchtensap drinken en hoeveel dagen in de week zij alcoholische dranken drinken. Ter illustratie is in de online vragenlijst die is gebruikt bij meetmoment 1 en meetmoment 2 bij beide vragen een afbeelding getoond.

Aan het begin van het traject geeft 26% van de respondenten aan dat zij dagelijks frisdrank of vruchtensap drinkt. Aan het einde van het traject geldt dit voor 20% en zes maanden na afronding van het traject voor 19% van de respondenten. De consumptie van alcoholische dranken ligt veel lager. Aan het begin van het traject geeft 81% van de respondenten aan dat zij minder dan 1 dag per week alcoholische dranken drinken. Aan het einde van het traject geldt dit voor 88% en zes maanden na afronding van het traject voor 89% van de respondenten. Figuur 8l Aantal dagen frisdrank/vruchtensap en alcoholische dranken in categorieën

Frisdrank of vruchtensap Meting 1

33%

21%

15%

Meting 2

48%

18%

Meting 3

45%

24%

4% 11% 9%

26% 3%

20%

3%

19%

Alcoholische dranken Meting 1

81%

Meting 2

88%

Meting 3

89% <1

1-2

12%

3% 3% 8% 2% 2% 9%

3-4

5-6

2%

7

Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Indicatoren voeding frisdrank/vruchtensap en voeding alcoholische dranken Voor de indicator voeding frisdrank/vruchtensap en de indicator voeding alcoholische dranken is het gemiddeld aantal dagen per week berekend dat de respondent respectievelijk frisdrank/vruchtensap of alcoholische dranken drinkt. Voor beide indicatoren geldt een daling van het gemiddeld aantal dagen als een positieve ontwikkeling.

99

Gezondheidsbevorderende trajecten (20002) rapport

Figuur 8m Indicatoren voeding frisdrank/vruchtensap en voeding alcoholische dranken 7 6 5 4 3

2,9 2,2

2,1

2 1

0,5

0,3

0,3

0 Frisdrank/vruchtensap Meting 1

Alcoholische dranken Meting 2

Meting 3

Base: Alle respondenten (N=387 per meting), gemiddeld aantal dagen.

De indicator voeding frisdrank/vruchtensap laat zowel tussen meting 1 en meting 2 als tussen meting 1 en 3 een significant positieve ontwikkeling zien. Aan het begin van het traject wordt gemiddeld genomen 2,9 dagen per week frisdrank of vruchtensap gedronken. Aan het einde van het traject is dit gedaald naar 2,2 dagen per week. Zes maanden na afronding van het traject is dit 2,1 dagen per week. Tabel 8m Indicator voeding frisdrank/vruchtensap

Gemiddeld aantal dagen frisdrank/vruchtensap Base: Alle respondenten (N=387 per meting).

Meting 1 gem. score 2,9

Meting 2 gem. p-waarde score 2,2 p<,001

Meting 3 gem. p-waarde score 2,1 p<,001

Tabel 8n Indicator voeding frisdrank/vruchtensap naar gebied Meting 1 Meting 2 Meting 3 gemiddeld aantal dagen N gem. gem. p-waarde gem. frisdrank/vruchtensap p-waarde score score score Delfshaven WR 57 2,3 1,5 p=,023 2,1 p=,585 Delfshaven IM 19 2,7 1,6 p=,023 1,7 p=,086 Noord IM 12 3,9 1,3 p=,004 3,4 p=,497 Hillegersberg-Schiebroek 17 4,1 2,9 p=,038 2,8 p=,091 Kralingen-Crooswijk 22 2,9 2,1 p=,080 1,8 p=,017 IJsselmonde 34 5,1 3,6 p<,001 3,3 p<,001 Prins Alexander 39 2,2 1,7 p=,047 1,3 p=,022 Hoogvliet / Pernis 14 4,1 3,3 p=,195 1,9 p=,006 NB: In deze tabel zijn alleen de gebieden opgenomen waarbij sprake is van een significant verschil.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=cb077bc0-3bdf-475f-b6fa-c1f7630a8f07