CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[22bb001401] Bijlage behorende bij 22bb1400 - Rapport Risbo Gescheiden wereldenEen fenomeenonderzoek naar EU-arbeidsuitbuiting, veiligheidsbeleving ensociale cohesie in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 23 november 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: Voortgang actieprogramma EU-arbeidsmigranten35.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Zij weten dan soms een “administratief” baantje te verwerven bij een uitzendbureau maar blijken vervolgens werknemers te moeten aansporen om harder te werken. Zo niet, dan lopen ze kans om zelf weer gedegradeerd te worden. “Zoveel mensen die daar werken, die een soort coördinatorenfunctie hebben, die moeten presteren, dus je oefent druk uit op iemand die bijvoorbeeld uit Polen komt en een Roemeen onder zich heeft. En sommigen vinden het leuk. Maar anderen niet. Ik ken iemand die dat een aantal jaren heeft gedaan en die mevrouw heeft zelf ontslag genomen want ze kon het niet meer aan. Ze kon er ook niet tegen, ze zegt: ik ben nu klaar mijn eigen mensen uit te buiten, klaar is klaar. Als je wilt blijven, je wilt op kantoor blijven, je krijgt een laptop, 42

Professionals en bewoners aan het woord een telefoon, een auto, je moet iedereen en alles bedienen, je krijgt geld, je krijgt een positie en alles en als je dat niet leuk vindt, dan moet je terug naar de tomaten.” (#14). We hebben verschillende aanwijzingen dat sommige van de EU-arbeidsmigranten die we spreken uitgebuit worden door hun eigen groep. We zijn dit mechanisme eerder tegen gekomen in ander onderzoek (Leerkes et al., 2004), de professionals spreken erover en ook uit de gesprekken die wij met de arbeidsmigranten hebben blijkt dat naar voren te komen. Een voorbeeld waarin dit wordt genoemd is dat van een Poolse vrouw die drie jaar geleden naar Nederland kwam. Ze werkte voor verschillende uitzendbureaus maar dat liep niet altijd goed. De meeste problemen had ze met een van haar managers, die zelf Poolse was, en haar leven onmogelijk maakte. Ze legde haar sancties op wanneer ze ziek was of wanneer ze om andere redenen niet kon werken. Uiteindelijk besloot zij een ander uitzendbureau te zoeken. Een aantal van de Bulgaarse arbeidsmigranten die wij gesproken hebben, geeft aan slechte ervaringen te hebben met Poolse uitzendbureaus. Zij gaven aan het gevoel slechter behandeld te worden dan Poolse arbeidsmigranten. Uit de interviews blijkt dat arbeidsuitbuiting een fenomeen is waar maar moeilijk zicht op te krijgen valt.

Handhavers zeggen aanwijzingen te hebben voor het fenomeen en komen in hun dagelijkse praktijk wel vaak voorbeelden tegen van arbeidsuitbuiting maar hebben geen totaalbeeld van hoe het eruit ziet. De belangrijkste factoren daarvoor zijn het gebrek aan capaciteit bij handhavingsinstanties in combinatie met de complexe en ondoorzichtige constructies waarvan gebruikt gemaakt wordt, hoge bewijslast en het gebrek aan regelgeving rondom de uitzendbranche. Professionals beschrijven het circuit waarbinnen arbeidsuitbuiting plaatsvindt als “buitengewoon schimmig”. Bovendien wordt vanuit het circuit ook door slachtoffers – als ze zich al slachtoffer voelen – weinig gecommuniceerd over wat er gaande is. Tot slot geven verschillende professionals aan dat er een aantal jaren sprake was van een terugtrekkende beweging van professionals uit de wijken. Het lijkt er echter op dat inmiddels weer sprake is van toenemende aandacht voor de situaties in de wijken, getuige ook het Actieprogramma EU-arbeidsmigranten van de gemeente Rotterdam.

5.2 Wonen Behalve op het gebied van arbeid lopen arbeidsmigranten op de woningmarkt een groot risico om benadeeld te worden. In deze sectie kijken we naar de manier waarop de EU-migranten in de wijken wonen, welke vormen van uitbuiting gevonden zijn en hoe de arbeids- en woonsituatie met elkaar verbonden zijn. Waar en waarom wonen de arbeidsmigranten in de focuswijken? Gelet op het werk dat de arbeidsmigranten doen en hun korte verblijf in Nederland, is het nagenoeg onmogelijk voor hen om een koop- of sociale huurwoning te betrekken. Dit betekent dat zij voor woonruimte afhankelijk zijn van de vrije markt. Zij komen daardoor terecht in wijken waar sprake is van een groot woningaanbod in de particuliere huursector in het lagere segment. Dit verklaart voor een groot deel de relatief grote aanwezigheid van EU-arbeidsmigranten in met name Carnisse en de Tarwewijk en delen van Oud Charlois. Gelet op de rol die informele netwerken en mond-tot-mond reclame spelen binnen deze gemeenschappen, lijkt de concentratie van EU-arbeidsmigranten in een gebied een zelfversterkend effect te vormen. Zo verschijnen er steeds meer voorzieningen in de focuswijken gericht op arbeidsmigranten en wordt ook via-via woonruimte gevonden. Net zoals bij de uitzendbureaus, is een deel van de woningen en kamers van goede kwaliteit en ontvangen de huurders datgene wat afgesproken is.

Dit neemt niet weg dat ook voor deze panden 43

Hoofdstuk 5 vaak een forse huur wordt gevraagd die niet in verhouding staat tot de ruimte. Er lijken echter veel problemen te bestaan met louche pandeigenaren die als enig doel lijken te hebben om zoveel mogelijk kamers tegen de hoogst mogelijke prijzen te verhuren en zo weinig mogelijk kosten te hebben. In deze gevallen zijn het vaak aftandse panden, die al jaren niet meer onderhouden zijn en waar veel te veel mensen onder onhygiënische en vaak gevaarlijke omstandigheden samenwonen. Een respondent illustreert hoe de situatie er in dit soort panden uitziet. “Dat zijn smalle huizen, meestal vier verdiepingen met een voorkamer en een achterkamer en dan in het midden met zo’n steile trap naar boven. Dan is de voorkamer verhuurd, de achterkamer, de trappengalerij is een soort semi-keuken geworden en per twee verdiepingen delen ze een natte cel zeg maar. Dus daar maken acht mensen gebruik van een douche waar een klein geisertje in hangt. En de nooduitgang is op zolder een raam naar het dak. En daar betalen ze zeshonderd tot achthonderd euro per kamer.” (#7) Daarnaast zouden er in de wijken ook arbeidsmigranten aangetroffen zijn die wonen in kelderboxen of schuurtjes. Het zijn overigens niet alleen louche pandeigenaren die voor onwenselijke situaties zorgen. Ook onderling zouden EU-arbeidsmigranten woonruimte onderverhuren.

In sommige gevallen is dit uit noodzaak om de eigen woonkosten te kunnen betalen, in andere gevallen wordt er bewust misbruik gemaakt van landgenoten. Sommige arbeidsmigranten zouden bijvoorbeeld de eigen woning onderverhuren en zelf bij iemand inwonen. Een ander deel van de EU-arbeidsmigranten woont niet via een uitzendbureau maar zoekt woonruimte nadat zij in Rotterdam zijn aangekomen. Deze personen zijn afhankelijk van informele netwerken bestaande uit vrienden, kennissen of familie. Daarnaast lijkt er een industrie te zijn ontstaan van verhuurbemiddelaars die arbeidsmigranten ‘helpen’ aan een woonruimte. Dit lijkt eveneens een schimmige wereld te zijn waarin uitbuiting op de loer ligt waarbij ook de wijkwinkels een rol spelen. Een respondent vertelt hierover het volgende: “Je hebt honderden verhuurbemiddelaars, die bestaan uit een 06 nummer. En die zijn niet zo lang in bedrijf. Daar maken ze een paar maanden gebruik van en dan beginnen ze met een nieuwe. En de dames en heren die in die sectoren werken weten precies hoe ze aan zo’n 06 nummer moeten komen en daarvan zie je dat dat vaak via zo’n winkeltje gaat.

Vroeger zag je de koppelbazen op straat staan, dat bevindt zich nu in een ogenschijnlijk legaal Pools supermarktje of een belwinkeltje” (#7) Ook zijn er voorbeelden van particulieren die in een van de drie wijken wonen en die een broodwinning hebben gevonden in het verhuren van kamers. “[Een inwoner van Carnisse] die plaatst advertenties op Marktplaats of op Facebook. Mensen vanuit Turkije, of vanuit Roemenië, of vanuit Polen kunnen dan bij hem in huis komen wonen, zonder huurcontract, zonder inschrijving. Wat nog het ergste is, is dat hij zelfs de post beheert. Niemand kan ertussen komen, alleen hijzelf, want dan voorkom je dat die mensen zich kunnen inschrijven.” (#22).

44

Professionals en bewoners aan het woord In veel gevallen is het lastig om deze problematiek Blanka, 26 jaar, Polen aan te tonen. EU-arbeidsmigranten weten vaak Drie jaar geleden kwam ze naar Nederland wat ze moeten zeggen tijdens controles, met haar pasgeboren baby en trok in bij haar bijvoorbeeld dat ze op vakantiebezoek zijn, en moeder die in een flat woonde in Carnisse. hebben vaak geen goed alternatief voor betere Haar moeder sliep in de woonkamer en zij huisvesting. Dit betekent dat ondanks de slechte sliep met haar zoontje in de slaapkamer. De woonomstandigheden, zij geen klachten tegen een huisbaas verhoogde echter meteen de huur pandeigenaar indienen. Ook professionals toen hij hoorde dat Blanka bij haar moeder vertellen over dit dilemma. Zij geven aan dat het in was ingetrokken. Blanka wist van een hun werk lastig kan zijn om de situatie te Poolssprekende maatschappelijk werker dat verbeteren. Zij weten dat wanneer er geklaagd de huisbaas hiermee zijn boekje te buiten wordt bij een pandeigenaar (of handhavende ging. Maar haar moeder was bang om haar instantie) over overbewoning of onrechtmatige flat kwijt te raken en moedigde Blanka aan praktijken dit kan betekenen dat de EU- om iets voor zichzelf te zoeken. Na anderhalf arbeidsmigranten uit hun huis worden gezet en van jaar bij haar moeder te hebben gewoond de een op de andere dag op straat staan.

Dit leidt vond zij via Slovaakse vrienden, die vaak tot duivelse dillema’s bijvoorbeeld in het terugkeerden naar het land van herkomst, geval van gezinnen met jonge kinderen. een flat. Haar werksituatie was toen ze in het Toch zouden sommige arbeidsmigranten zich begin in Nederland was, moeilijk. Ze werkte weten te onttrekken aan de huisvesting via voor verschillende uitzendbureaus maar dat uitzendbureaus. De laatste jaren zouden namelijk liep niet altijd goed. De meeste problemen steeds meer onder hen via een (Pools) had ze met een van haar managers, die zelf bemiddelingskantoor een particuliere woning Poolse was, en haar leven onmogelijk huren. Dan wonen ze met verschillende mensen maakte. De pesterijen beu, besloot Blanka en/of gezinnen in het huis waar gigantische een ander uitzendbureau te zoeken. bedragen worden voor gevraagd. Volgens een Tegenwoordig is ze tevreden over haar professional die wij spraken zou 3500 euro per werksituatie. Ze werkt in de kassen en heeft maand geen uitzondering zijn. Een deel van de geen vast contract, maar ze maakt veel professionals heeft sterke vermoedens dat veel overuren om extra geld te verdienen. Wel is pandeigenaren afspraken hebben met ze bang om haar werk kwijt te geraken uitzendbureaus. Op papier zou er vaak sprake zijn aangezien het seizoensarbeid betreft.

van particuliere verhuurders die losstaan van de Daarom heeft ze een aantal nieuwe bureaus arbeidssituatie, maar in de praktijk zou dit niet het gecontacteerd om kenbaar te maken dat ze geval zijn. Bijvoorbeeld wanneer de particuliere beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. verhuurder familie is van de eigenaar van het uitzendbureau. Dit is echter lastig aantoonbaar. Een gevolg van de onzekere arbeids- en woonsituatie van veel EU-arbeidsmigranten is dat zij relatief vaak verhuizen. Hierdoor ontstaat er veel doorstroom in de focuswijken. Wijkprofessionals hebben aanwijzingen dat er veel verloop is in de wijken, doordat zij vaak hele huisraden op straat zien staan die wellicht achtergelaten zijn door mensen die zijn vertrokken. Er zijn de laatste jaren pogingen geweest om de woonsituatie van arbeidsmigranten te verbeteren. Verschillende respondenten noemen een initiatief van de Stichting Normering Flexwonen, de SNF. Uiteindelijk is dit initiatief weer teruggedraaid waardoor er volgens een expert op het gebied van arbeidsuitbuiting nog steeds heel veel voorbeelden zijn van ongezonde en gevaarlijke huisvesting. Toch is waarschijnlijk niet alleen het terugdraaien van het initiatief de reden dat het nog steeds slecht gesteld is met de woonsituatie van arbeidsmigranten, daarvoor is de problematiek te complex.

45

Hoofdstuk 5 De “buitenslapers” Naast het feit dat arbeidsmigranten vaak terecht komen in aftandse panden waar ze hoge prijzen voor betalen, is er een groep zogeheten “buitenslapers”. Ze slapen in kelderboxen, in tentjes in het Zuiderpark, portieken en opengebroken schuurtjes. Het zou vaak gaan om mensen die nog maar kort in Nederland zijn en in het land van herkomst vaak al in een problematische situatie verkeerden. Maar we krijgen ook signalen dat het eigenlijk iedereen kan overkomen om van de ene dag op de andere op straat terecht te komen. Zo belanden ook arbeidsmigranten op straat die hier al langer zijn (> 5 jaar) maar blijkbaar geen vooruitgang hebben gemaakt op de arbeidsmarkt, waardoor ze afhankelijk blijven van de arbeidscircuits die in de wijken actief zijn. Een professional die veel te maken heeft met de buitenslapers ziet vaak EU-arbeidsmigranten, die door allerlei omstandigheden op straat terecht zijn gekomen. Afgelopen juni waren er 149 buitenslapers volgens een betrokken professional. Honderd daarvan waren EU-arbeidsmigranten. “Er is eigenlijk een soort dubbele kwetsbaarheid bij deze groep. Ze zijn super kwetsbaar om dakloos te worden. Het gaat om het type contracten, met name wonen en werkcontracten die gekoppeld zijn en elk moment ontbindbaar zijn. (…) Tegelijkertijd heeft de groep vaak geen toegang tot zorg.

Normaal gaan we met iemand die hier buiten slaapt naar het Centraal Onthaal van de gemeente, krijgt een intakegesprek, een pas voor de nachtopvang en dan wordt er een traject opgestart om iemand te ondersteunen weer in een stabiele woonsituatie te komen. Dat is bij deze mensen niet.” (#12). Opvallend genoeg bestaat deze groep volgens professionals voor het grootste deel uit Poolse EUmigranten, ondanks dat het met een deel van deze groep juist beter lijkt te gaan. Een mogelijke verklaring is dat deze groep in absolute aantallen de grootste groep vormt. Daarnaast wordt er gesproken over Roemeense, Hongaarse, Bulgaarse, Letse en Litouwse buitenslapers. De Polen die op straat terecht komen, hebben te kampen met het feit dat er binnen hun gemeenschap maar moeilijk opvang voor hen kan worden geregeld, omdat ze met zovelen zijn. Voor een Hongaarse kerk is het gemakkelijker om mee te helpen met de opvang van Hongaren die door omstandigheden op straat terecht zijn gekomen. Maar voor de Poolse kerken, die te maken hebben met veel meer daklozen, is dat lastiger. Bovendien weten arbeidsmigranten vaak niet dat ze gebruik kunnen maken van voorzieningen voor daklozen en komen alsnog op straat. De buitenslapers zijn voor de overgrote meerderheid mannen, maar er zit ook een aantal vrouwen tussen.

Daarnaast worden onder hen mensen aangetroffen die slachtoffer zijn geworden van een arbeidsongeval en niet verzorgd worden. Deze mensen kunnen terecht in de daklozenverpleegafdeling voor mensen zonder zorgverzekering, maar als ze daar eenmaal uitbehandeld zijn kunnen ze niet terecht in het daklozencircuit en komen ze op straat terecht. Bovendien verplaatsen de buitenslapers zich voortdurend, afhankelijk van de weersomstandigheden, maar ook vanwege de controles in de wijk. In hoeverre is de woonsituatie een gevolg van (arbeids)uitbuiting? Arbeidsmigranten die woonruimte betrekken via een uitzendbureau lijken het meest kwetsbaar. Deze combinatie is volgens een informant een ideale situatie om mensen “af te knijpen”. De koppeling van woonruimte en werk zorgt voor een afhankelijkheidsrelatie die moeilijk te doorbreken valt. Dit heeft als gevolg dat arbeidsmigranten niet snel klagen uit angst om op straat te worden gezet. Uit de gesprekken komt nadrukkelijk naar voren dat ‘huisvesting’ het belangrijkste verdienmodel is van malafide uitzendbureaus. Op de huren en inhoudingen voor boetes wordt de meeste winst gemaakt. De regelgeving omtrent arbeidscontracten en het uitbetalen van salarissen lijkt inmiddels dermate sluitend vormgegeven te zijn dat het moeilijk is om hier mee te sjoemelen. Dat wil niet zeggen 46

Professionals en bewoners aan het woord dat dit niet gebeurt, er is ook sprake van illegale arbeid (o.a. als schijn ZZP’ers) en onwettige contracten en arbeidsvoorwaarden. Deze lijken echter makkelijker te bewijzen bij controle en de winstmarges lijken kleiner. Van de EU-arbeidsmigranten die slachtoffer zijn van arbeidsuitbuiting lijkt een relatief groot deel niet ingeschreven te zijn op het adres waar ze wonen, wat volgens een professional met name in Carnisse, de Tarwewijk en Oud Charlois vaak het geval is. “Er wordt heel vaak gezegd, zodra jij niet meer bij ons werkt, als werknemer, dan moet je eigenlijk ook het huis uit. Nou diegene heeft geen poot om op te staan, want die heeft geen huurcontract, niet ingeschreven, geen arbeidscontract. Dat kom je wel heel vaak tegen […] De werkgever die moet natuurlijk eigenlijk die mensen vertellen, je moet je inschrijven, die mensen die komen hier nieuw, dus eigenlijk zie je vaak als de mensen netjes ingeschreven staan, dan weet je dat de werkgever enigszins wel goede bedoelingen heeft” (#22). Zoals uit de gesprekken blijkt, is de vraag naar woonruimtes onder arbeidsmigranten groot. Volgens een expert hebben zich dan ook grote investeerders gemeld op de Rotterdamse woningmarkt.

Deze respondent is ervan overtuigd dat er achter de woningmarkt in dit soort wijken vaak schimmige organisaties schuilgaan die aan de huisvesting van kansarmen grof geld verdienen. Deze organisaties maken bewust de constructies zo ondoorzichtig mogelijk zodat handhaving bemoeilijkt wordt. Er lijkt daarbij sprake van ondermijnende criminaliteit. “We hadden laatst een portiekflat, dat heeft drie maanden geduurd voor we erachter kwamen wie de eigenaar was, en dat bleek dan een holding in Singapore te zijn. Dan ga je van bv’tje naar bv’tje naar bv’tje en na het tweede bv’tje heb je Nederland al verlaten. En dan kom je in een belastingparadijsje terecht en dan ga je verder. En dat is meer regel dan uitzondering. Schimmige organisaties die een deel in de bovenwereld doen” (#7). Professionals zijn ook kritisch op de rol van de gemeente en legale mogelijkheden die vastgoedbeheerders hebben. Zij geven aan dat er relatief veel mogelijk is voor wat betreft het splitsen van kamers binnen de kaders van de regelgeving. Behalve legale splitsing is er ook sprake van illegale opsplitsing van woonruimtes. Bewoners die in dit soort kamers wonen kunnen zich niet inschrijven bij de gemeente.

5.3 Leven In de drie wijken is sprake van een concentratie van EU-arbeidsmigranten. De meest logische redenen voor de concentratie hangt samen met het woningaanbod, te weten de grote particuliere huursector. Geleidelijk lijkt deze concentratie een aanzuigende werking te hebben op andere EUarbeidsmigranten. Redenen hiervoor zijn dat veel via informele netwerken geregeld wordt. De voorzieningen in de wijk lijken daarin een centrale rol te spelen, maar ook wordt er onderling veel viavia geregeld.

47

Hoofdstuk 5 Dit heeft ook gevolgen voor de manier waarop Halina, Pools, 43 jaar men leeft in de focuswijken. Professionals geven Halina woont sinds 5 jaar met haar man en aan dat er met name aan de onderkant van de twee kinderen in Charlois. Zij voelt zich welkom samenleving sprake lijkt te zijn van gescheiden samenlevingen. In deze samenleving leven EU- in de buurt en is blij met de faciliteiten voor arbeidsmigranten in een bubbel waarin alles in kinderen in de wijk. Toch voelt ze er zich niet altijd veilig. Een voorval waarbij iemand werd de eigen taal geregeld kan worden. Dit geldt neergestoken en aan zijn verwondingen voor wonen, werken maar ook boodschappen overleed, heeft invloed gehad op haar perceptie en zorg. De uitbuiters hebben hier immers baat over de veiligheid in de wijk. Ook mensen die bij. Door de EU-arbeidsmigranten zoveel mogelijk te scheiden van anderen worden zij betrokken zijn bij drugshandel boezemen haar onwetend gehouden en is het eenvoudiger angst in. misbruik te maken. Het lijkt erop dat de groep Wanneer ze hulp nodig heeft kan ze op haar die meer geïntegreerd is ook meer buren rekenen, maar ze krijgt ook veel hulp van geëmancipeerd raakt. De groep die het meest de Poolssprekende maatschappelijk werkers die zichtbaar is en het meest lijkt te participeren, is in de buurt actief zijn.

Het gezin heeft een flat het deel van de Polen, die hier al het langst is. gekocht in de wijk en ze willen in ieder geval in Het leven van EU-arbeidsmigranten in Nederland blijven tot hun dochter, die nu 12 Rotterdam wordt veelal gekenmerkt als hard jaar is, klaar is met school. Doordat ze geen werken met weinig vrije tijd. Veel Nederlands spreekt, heeft Halina alleen contact arbeidsmigranten werken de hele week, vaak met andere Polen. Sommigen kent ze al van in zes dagen, en in het weekend komen groepen Polen, anderen heeft ze ontmoet op de school vaak bij elkaar. De beperkte vrije tijd heeft als van haar dochter. Ze doet haar boodschappen gevolg dat zij weinig participeren aan sport of in een van de Poolse supermarkten in de wijk, het verenigingsleven. Dit geldt overigens ook gaat naar een Poolse tandarts en maakt gebruik meer in het algemeen in de focuswijken. Het van de diensten van een Poolse boekhouder. aantal verengingen in de wijk lijkt zeer beperkt. Er worden wel activiteiten georganiseerd maar het is heel moeilijk om EU-arbeidsmigranten daarbij te betrekken. Een ander gevolg van de beperkte vrije tijd is dat men ook weinig tijd heeft om Nederlands te leren. Voor een deel van de arbeidsmigranten, waaronder voornamelijk veel nieuwkomers, geldt dat zij ’s avonds moe zijn en de energie niet meer kunnen opbrengen om taallessen te volgen.

Bovendien is het aanleren van de Nederlandse taal niet aantrekkelijk. Er is een infrastructuur in de drie wijken waar mensen terecht kunnen. Zo zijn er (Poolse) kappers, automonteurs, winkels, een schoonheidssalon, een Poolse TV monteur, Poolse uitzendbureaus, boekhouders, een Poolse kraamzorg, een Poolse psycholoog, etc. Ook op het werk wordt er voor het grootste deel Pools gesproken. Maar toch zijn er ook tekenen van integratie. Een deel van de EU-arbeidsmigranten die al langer in Rotterdam woont, lijkt ervoor te kiezen om de taal te leren zodat zij meer zelfredzaam worden. Zo biedt de gemeente Rotterdam voor EU-arbeidsmigranten die in Rotterdam woonachtig zijn taallessen aan. De laatste keer dat Poolse Rotterdammers zich konden inschrijven voor de aankomende lessen waren er meer dan 200 geïnteresseerden, waar er circa 30-50 verwacht werden. De behoefte is dus wel degelijk aanwezig bij een steeds groeiende groep om de Nederlandse taal te leren. Het bezoeken van de Nederlandse kerk is een ander teken van integratie. Een aantal arbeidsmigranten geeft aan niet meer naar de Poolse kerk in Rotterdam te gaan omdat die als te conservatief wordt beschouwd.

48

Professionals en bewoners aan het woord

5.4 Sociale cohesie Bij het beschouwen van sociale cohesie wordt onder andere gekeken naar de verbinding tussen en binnen verschillende groepen bewoners (bridging en bonding). In de gesprekken met buurtbewoners en arbeidsmigranten is ook gevraagd naar andere aspecten die samenhangen met sociale cohesie zoals het vertrouwen in elkaar en de overheid, solidariteit, buurtrelaties en veiligheidsgevoelens. Binding met de wijk In alle drie de wijken spreken we oudere buurtbewoners die al decennia in de wijken wonen. Hoewel sommige buurtbewoners van mening zijn dat het erg slecht gaat met hun wijk (Tarwewijk, Carnisse, Oud Charlois), vinden anderen het er nog steeds goed leven (Tarwewijk). Wat de buurtbewoners echter gemeen hebben, is dat ze er geen van allen aan denken om de wijk te verlaten. Hetzelfde geldt voor andere, jongere buurtbewoners die al van jongs af aan in de wijken wonen. Onder personen die in de wijk opgegroeid zijn, zien we dus een sterke verbondenheid met de wijk en zullen zij ondanks bestaande problemen de wijk niet snel verlaten. Voorbeelden hiervan komen we tegen bij zowel autochtone Nederlanders als Nederlanders met een migratieachtergrond, bij senioren maar ook bij jongeren. We zien dat deze verbondenheid erg lokaal is en zich veelal afspeelt op straat- of buurtniveau.

Met name in Oud Charlois benoemen respondenten dat er goede delen zijn waar nog een dorpsgevoel bestaat met een grote sociale cohesie. Tegelijkertijd lijkt er een meer overkoepelend gevoel van verbondenheid met Rotterdam-Zuid te bestaan. Er wordt regelmatig gezegd dat er dingen misgaan, maar tegelijkertijd is er ook trots om uit ‘Zuid’ te komen. Verbindende factoren daarbij zijn bijvoorbeeld Feyenoord, maar ook het gepercipieerde stigma over Rotterdam-Zuid. De manier waarop over de wijken gesproken wordt en hoe zij in het nieuws komen, veelal negatief, lijkt dit gevoel te versterken. Hierdoor ontstaat een wij-zij tegenstelling die de binding met de eigen groep versterkt. Opvallend is dat verschillende wijkbewoners uit Carnisse aangeven dat je moet ‘leren’ leven in de wijk. Zij geven aan dat het een harde wijk kan zijn waar je de weg moeten leren kennen en niet naïef moet zijn en niet iedereen kan vertrouwen. Toch zijn ook zij vaak trots op hun wijk. Naast verbonden buurtbewoners zien we ook mensen die zich niet met de wijken verbonden voelen. Dit komt veelal doordat zij nog niet lang in de wijken wonen, of omdat zij zich niet (meer) thuis voelen in de wijk. Een man van middelbare leeftijd die in Oud Charlois woont, vertelt dat hij enkel in de wijk woont omdat hem daar een woning is toegewezen. Het liefst zou hij zo snel mogelijk vertrekken.

Redenen hiervoor zijn de verkeersoverlast en de manier waarop mensen zich tegen elkaar gedragen op straat, maar ook de omgang tussen buren speelt een rol. Een oudere man uit Carnisse, die al heel zijn leven in de wijk woont, vertelt dat hij tegenwoordig niet weet wie er in zijn straat woont. De gordijnen zijn de hele dag dicht en ‘er wordt geen Nederlands meer op straat gesproken’. Dat de gordijnen dicht zijn, komt volgens hem omdat mensen heel de dag werken en pas ’s avonds laat thuiskomen. Volgens hem is de gezelligheid van vroeger, en daarmee het volkse karakter, uit de wijk verdwenen. Een man uit Oud Charlois vertelt iets van soortgelijke strekking: door de snelle wisseling van buren kennen mensen elkaar niet meer en is er minder verbondenheid in de buurt. Verschillende respondenten merken daarbij op dat er veel verschillende culturen in de straat wonen. Waar een deel van de respondenten dit als een verrijking ziet, zijn er ook bewoners die opmerken dat cultuurverschillen in combinatie met taalbarrières tot spanningen in de wijk kunnen leiden. Zo vertelt een man uit de Tarwewijk dat zijn Bulgaarse buurman gewend was om afval op straat te gooien omdat de gemeente dat volgens hem opruimt. Toen dezelfde respondent probeerde om een barbecue voor de straat te organiseren werd dit vanwege cultuurverschillen een beproeving.

Waar sommige buren geen varken aten, wilden anderen geen rund. Door taalverschillen bleek het bovendien moeilijk om een gesprek met elkaar aan te knopen. Het is lastig om de binding van EU-arbeidsmigranten met de focuswijken eenduidig aan te duiden. In de eerste plaats blijkt dat de door ons gesproken arbeidsmigranten niet bewust voor een woning kiezen in Carnisse, Oud Charlois of de Tarwewijk. De beslissing om in een van deze wijken te komen 49

Hoofdstuk 5 wonen, is bijna altijd aanbod-gestuurd. Hetzelfde geldt overigens voor veel andere nieuwkomers in de wijk, ook zij verhuizen vanwege het woningaanbod naar deze wijken. Geen van de respondenten die recentelijk naar een van de wijken is verhuisd, gaf aan bewust te hebben gekozen voor Carnisse, de Tarwewijk of Oud Charlois vanwege de voorzieningen of omgeving. Wanneer we kijken naar de binding van arbeidsmigranten met de focuswijken dan zou beargumenteerd kunnen worden dat deze sterk aanwezig is. Dit komt tot uiting in het groot aantal Poolse en, in iets mindere mate, Bulgaarse en andersoortige voorzieningen in de wijken.

Binding tussen verschillende groepen Uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat het veel moeilijker is om groepsoverstijgende verbindingen te creëren dan contacten binnen groepen. Van nature zijn mensen geneigd om met mensen om te gaan waarmee zij overeenkomsten hebben. Daar komt bij dat voor het creëren van groepsoverstijgende contacten via bijvoorbeeld buurtinitiatieven en burgerparticipatie, er vaak aanjagers nodig zijn. Dit zijn personen die een groot ‘sociaal kapitaal’ hebben en over organisatorisch vermogen beschikken. Over het algemeen lijken er in de focuswijken weinig trekkers te zijn die een dergelijke rol op zich kunnen nemen. Uit zowel de data van het wijkprofiel, als de gesprekken met professionals en buurtbewoners komt naar voren dat er sprake is van relatief veel armoede in de wijken en leven mensen erg op zichzelf. Dit blijkt ook uit de eerdergenoemde opmerking dat alles in de wijk goed gaat zolang mensen zich niet met elkaar bemoeien. Dit geldt in zijn algemeenheid voor alle drie de wijken. De meeste van de buurtbewoners die we spreken, geven aan goede contacten te hebben met een aantal buren of bekenden uit de wijk. Vaak zijn dit mensen van soortgelijke herkomst die al langer in de wijken wonen. Onder de respondenten die korter in de wijk gevestigd zijn, lijkt het aantal diepgaande contacten in de wijk zeer beperkt.

Buurtbewoners met EU-arbeidsmigranten als buren zeggen over het algemeen weinig contact met hen te hebben. Meest genoemde reden hiervoor is de taalbarrière en dat zij niet veel thuis zijn. De voorzieningen in de wijk maken het mogelijk om jezelf te redden zonder de Nederlandse taal te spreken. Dit is dan ook iets wat we veel terug horen tijdens de gesprekken. Veel van de door ons gesproken arbeidsmigranten spreken geen of zeer beperkt Nederlands. Het leren van de Nederlandse taal is voor velen geen prioriteit. Veel arbeidsmigranten zijn druk met werken en werken bijna uitsluitend samen met landgenoten, waardoor ze weinig Nederlands gebruiken in het dagelijks leven. De lage prioriteit van het Nederlands leren lijkt echter wel te verschuiven naarmate mensen langer in het land verblijven en zich besluiten te vestigen, getuige ook de animo voor de taallessen. Behalve dat er veel kwetsbare bewoners in de wijk leven, zijn ook de voorzieningen in de wijken zelf niet optimaal. Zo zijn er bijvoorbeeld maar weinig (sport)verenigingen. Tijdens de gesprekken met EU-arbeidsmigranten is hen gevraagd welke contacten zij hebben in de wijk en met wie zij omgaan in hun vrije tijd. Uit deze gesprekken blijkt dat er weinig contacten bestaan tussen mensen en voorzieningen in de wijk die geen connectie hebben met de eigen herkomstgroep.

De contacten die arbeidsmigranten hebben met buren en anderen in de wijk lijken zich te beperken tot het gedag zeggen en het aannemen van postpakketten. De meesten zeggen hun buren te kennen, en hebben daar naar eigen zeggen een goede relatie mee, maar bij verder doorvragen blijken het toch vooral landgenoten te zijn waar ze mee bevriend zijn en waar ze activiteiten mee ondernemen. De taalbarrière is de belangrijkste reden waarom ze zo weinig contact hebben met anderen. Dat de meeste EU-arbeidsmigranten lange dagen werken en dan vooral met landgenoten samenwerken, draagt ook niet bij aan (het stimuleren tot) het leren van de Nederlandse taal. Er zijn door ons ook geen voorbeelden gevonden van EU-arbeidsmigranten die deelnemen aan het verenigingsleven in de wijk of andere activiteiten in de wijk ondernemen. De meest gehoorde verklaring hiervoor is dat veel arbeidsmigranten druk zijn met werken. Een andere reden zou zijn dat een deel van de arbeidsmigranten zich als tweederangsburger zou voelen. Een professional is van mening dat er meer zou kunnen gebeuren om Polen te betrekken bij de Nederlandse samenleving. Volgens haar ligt de sleutel in het tonen van waardering aan mensen die hier al veel jaren wonen en werken, maar nog 50

Professionals en bewoners aan het woord steeds onvoldoende kansen krijgen. Doordat zij geen waardering krijgen, voelen arbeidsmigranten zich volgens haar niet verbonden met deze samenleving. “Mensen hebben [het gevoel dat ze] weinig rechten [hebben], want je bent gewoon een weekmedewerker zogenaamd. (…) Ze krijgen dat thuisgevoel niet zo gauw, binding met Nederland, voor wat ze geven en weinig terugkrijgen. Waardering, snap je? En waardering is niet alleen maar in geld maar ook in positie. (…) Ik ken mensen die tien jaar voor hetzelfde bedrijf werken, nog steeds via een uitzendbureau als uitzendkracht. Waarom zou je die niet in dienst nemen? (…) Dan geef je mensen het gevoel dat ze welkom zijn, dat ze een beetje thuis zijn, dat ze gewaardeerd worden.” (#14). Tegelijkertijd horen we tijdens de gesprekken met de arbeidsmigranten weinig over de geslotenheid van Nederlanders en lijken ze niet het idee te hebben dat ze gediscrimineerd worden. Wel vinden ze het lastig om met Nederlanders te communiceren omdat zij niet of nauwelijks Nederlands spreken. Ondanks dat het aantal groepsoverstijgende contacten in het algemeen dus beperkt lijkt, komen we hier tijdens het veldwerk toch een aantal voorbeelden van tegen. Een jonge respondent vertelt dat onder jongeren in Oud Charlois als gevolg van wantrouwen richting de overheid, een zeer hechte band is ontstaan.

Deze jongeren, van verschillende afkomst zouden zich verenigd hebben omdat zij het gevoel hebben dat zij er alleen voor staan en niet op steun van de gemeente of andere overheid kunnen rekenen. Ook spreken we met een jonge man uit de Tarwewijk die zijn oudere buurman een wasmachine geeft en helpt met aansluiten omdat hij zelf net een nieuwe heeft gekocht. Specifiek gekeken naar de contacten tussen groepen EU-arbeidsmigranten en de overige buurtbewoners, lijken enkele respondenten te suggereren dat onder de jongere generaties iets meer contact plaatsvindt. Zo vertelt een man in Carnisse dat hij af en toe praat met zijn Bulgaarse buren die tweede generatie migranten zijn en daardoor beter Nederlands spreken. Een jongeman in Oud Charlois vertelt dat zijn Poolse buurman hem kwam helpen toen hij bezig was zijn fiets te repareren en dat zij vaker prettig contact hebben. Tot slot lijken kinderen een meer universele verbindende factor te zijn. Een aantal arbeidsmigranten vertelt dat zij het meest in contact komen met andere groepen via de school en andere activiteiten van de kinderen zoals bij zwemles. Een Poolse vrouw geeft aan dat zij via contacten op de school van haar kind het meest gestimuleerd wordt om Nederlands te spreken. Gevoelens van onveiligheid en overlast We krijgen uiteenlopende geluiden te horen als het gaat over het gevoel van onveiligheid in de drie wijken.

We spreken hierover met de arbeidsmigranten maar daarnaast spreken we willekeurig in de wijk mensen aan om hen te vragen naar de mate waarin zij zich veilig voelen (of juist niet) in de wijk en wat hieraan bijdraagt. De meeste mensen die wij spreken, voelen zich veilig in de wijk. Van verschillende buurtbewoners horen we dat de wijken als rustig worden ervaren. Het belangrijkste is volgens hen je niet met anderen te bemoeien, dan ervaar je geen problemen. Er lijkt sprake van een op zichzelf gerichte mentaliteit waarbij verbinding met anderen niet nagestreefd wordt. Dit lijkt er ook op te duiden dat er sprake is van beperkte sociale controle. Er is ook een substantieel deel van de respondenten dat zich zorgen maakt over de criminaliteit en incidenten in de wijk. Zo staan de recente steekincidenten in Carnisse veel buurtbewoners nog vers in het geheugen. Ook zijn er relatief veel respondenten die zich ondanks de criminaliteit in de buurt zeggen wel veilig te voelen. Er is soms sprake van verbale agressie door jongeren maar geen fysiek geweld. Een mannelijke respondent van in de dertig heeft ervaren dat de laatste jaren het aantal Poolse en Bulgaarse arbeidsmigranten is toegenomen, maar dit heeft volgens hem niet tot veel meer overlast geleid.

Tegelijkertijd geeft hij aan het wel een probleem te vinden wanneer de komst van EUarbeidsmigranten negatieve gevolgen heeft voor de oorspronkelijke inwoners van de wijk. Zo is er volgens hem sprake van oneerlijke concurrentie omdat de Bulgaarse/Poolse ondernemers mogelijk

51

Hoofdstuk 5 gefinancierd worden met crimineel geld en op illegale wijze accijnzen omzeilen door zelf goederen te importeren. Onder de kleine groep EU-arbeidsmigranten die we hebben gesproken, zien we hetzelfde beeld als onder de andere buurtbewoners. Hoewel een deel zich veilig voelt, is er, met name onder vrouwelijke respondenten, een deel dat zich onveilig voelt. De arbeidsmigranten die zich onveilig voelen in de wijk verwijzen vaak naar de criminaliteit die daar gaande is. Verschillende respondenten die zich wel veilig voelen, refereren desondanks aan incidenten in de wijk. Zo vertelt een Bulgaarse man dat hij zich veilig voelt in de buurt, maar dat er vaak problemen zijn met mensen die wapens dragen, steekpartijen, verkeersincidenten en dat dit de buurt soms gevaarlijk maakt. Ook vertelt hij dat het voorkomt dat mensen onder invloed van alcohol s ’nachts geluidsoverlast veroorzaken, waardoor de politie moet ingrijpen. Tegelijkertijd zegt hij dat hij tot op heden geen grote problemen in de wijk heeft ervaren en zich er welkom voelt. Een Poolse vrouw zegt zich veilig te voelen in de wijk, omdat ze zichzelf nog niet in een onveilige situatie heeft bevonden. Ze geeft daarentegen aan dat ze wel dingen hoort en soms ziet in de straat, zoals catcalling, wat niet bijdraagt aan haar gevoel van veiligheid.

Ze geeft aan dat mensen soms vechten in andere delen van de wijk en zegt sommige plekken (vooral ’s avonds) te vermijden. Meerdere Poolse vrouwen zeggen zich niet veilig te voelen in de wijk, vooral omdat ze zien wat er gebeurt in de omgeving waar hun kinderen opgroeien en naar school gaan. Deze voorbeelden komen overeen met wat verschillende andere respondenten aangeven en zijn in lijn met wat wordt gezegd over de sfeer in de wijk, namelijk dat je problemen kunt vermijden door je niet met medebuurtbewoners te bemoeien. Ook komt hierin terug dat er binnen de wijken behoorlijke verschillen zijn en bepaalde delen een stuk beter en veiliger worden gewaardeerd dan andere. Dit lijkt voor een deel samen te hangen met de hoeveelheid koophuizen ten opzichte van huurhuizen in de straten en de nabijheid van bepaalde overlast-hotspots. Daarnaast voelen ouderen en vrouwen zich iets vaker onveilig, afgaande op wat respondenten over zichzelf en over de rest van de buurtbewoners zeggen. Ervaren overlast Kenmerkend voor alle drie de wijken is dat er grote verschillen in de ervaren leefbaarheid tussen de straten zijn. Mooie groene stukken worden afgewisseld met straten die een verloederde en grauwe indruk maken. De ervaren leefbaarheid kan daarmee sterk verschillen tussen straten. Een deel van de respondenten ervaart geen tot weinig overlast.

Aan de andere kant zijn er bewoners die juist wel veel overlast ervaren. Deze overlast lijkt zich vaak op specifieke locaties af te spelen bijvoorbeeld bij pleintjes en voor specifieke winkels. Op deze ‘hotspots’ hangen mensen vaak op straat en wordt er alcohol gebruikt. Verschillende respondenten, zowel professionals als buurtbewoners benoemen dat hier EU-arbeidsmigranten bij betrokken zijn. Een respondent uit Oud Charlois zegt in het recente verleden erg veel overlast te hebben ervaren van EU-arbeidsmigranten die buiten op straat rondhangen en vanwege parkeeroverlast. Dit zou nu niet meer aan de orde zijn doordat een verandering van het beleid (via parkeervergunningen) ertoe geleid heeft dat een deel van de verkeersen drankoverlast verplaatst is naar elders waar minder mensen wonen. Over het algemeen lijken gevoelens van onveiligheid meestal niet te maken te hebben met de arbeidsmigranten. Het is vooral de criminaliteit in de wijk die tot een gevoel van onveiligheid leidt bij bewoners. Op een aantal overlast-hotspots na geven buurtbewoners aan dat zij geen overlast ervaren van de arbeidsmigranten in de wijk. Zij omschrijven hen als harde werkers die net als iedereen hun woning moeten betalen en zich weinig bemoeien met hun buren, wat juist goed past binnen de mentaliteit in de wijken. Een jonge vrouw, van Turkse afkomst, omschrijft de sfeer in de wijk als zeer negatief.

Er is sprake van drugs, ruzies, en andere vormen van overlast. Door incidenten in de buurt voelt zij zich minder veilig. Ze vindt daarentegen niet dat de aanwezige Poolse en Bulgaarse buurtbewoners hier de oorzaak van zijn. Veel – met name jongere – respondenten zien de diversiteit aan culturen, waaronder die van de arbeidsmigranten, als een verrijking. 52

Professionals en bewoners aan het woord Taalbarrière en zelfredzaamheid arbeidsmigranten Vanwege de manier waarop respondenten Andrea, Bulgaars, 20 jaar geworven zijn, spraken we met relatief veel Andrea is zeven jaar geleden met haar ouders Poolse arbeidsmigranten die al een aantal vanuit Bulgarije naar Nederland gekomen. Haar jaren in Nederland zijn en Nederlandse taalles moeder doet productiewerk, haar vader is lasser. volgen. Onder deze groep was de Nederlandse Zij werken allebei via uitzendbureaus en taalbeheersing nog (zeer) beperkt. Daarnaast veranderen hierdoor vaak van werkplek. Andrea spraken we ook een aantal arbeidsmigranten is tevreden over haar leven in Nederland en is van die kortere tijd in Nederland woont. Onder plan hier te blijven. Ze heeft veel familieleden in deze groep werd nagenoeg geen Nederlands Nederland. Het gezin woont in een flat in gesproken. Ook communicatie in het Engels Carnisse. De wijk is multicultureel en ze komen in bleek vaak niet mogelijk. Het is zeer contact met mensen van verschillende waarschijnlijk dat de groepen die onderaan de nationaliteiten. arbeidsmarkt actief zijn en gevoelig zijn voor Andrea en haar ouders hebben veel contact met arbeidsuitbuiting evenmin de Nederlandse andere Bulgaren in de wijk. De Bulgaarse taal machtig zijn.

Dit maakt het lastig voor hen gemeenschap is actief en mensen willen graag bij om te communiceren met bijvoorbeeld de elkaar komen. Ze organiseren vaak activiteiten en gemeente maar ook met Nederlandshelpen elkaar. Er is een groot gevoel van sprekende buurtbewoners. saamhorigheid hoewel die niet over de grenzen Een Poolse vrouw vertelt haar buren te kennen van de eigen gemeenschap heen gaat. Volgens maar zich voornamelijk te omringen met Polen Andrea heeft dat te maken met de taalbarrière. vanwege de taalbarrière. Ze weet haar Mensen kunnen niet met anderen communiceren Nederlandse buren te vinden in het geval ze en dat maakt het moeilijk voor de verschillende hulp nodig heeft en met ze te communiceren gemeenschappen om dichter bij elkaar te komen. via een vertaalapp en een paar woorden Andrea vertelt dat de motivatie van haar ouders Nederlands. Een andere Poolse vrouw vertelt om de taal te leren en aan de samenleving mee te dat veel (jonge) Polen wel bevriend raken met doen niet heel hoog is ongeacht het feit dat ze Nederlanders, maar ervaart het gebrek aan van plan zijn om voorlopig in Nederland te blijven.

kennis van de Nederlandse taal als Doordat haar ouders de taal niet spreken, moet problematisch, omdat dit haar te verlegen Andrea al sinds jongs af aan haar ouders helpen maakt om te spreken en haar dus belemmert met vertellen en het regelen van zaken met in het leggen van contact. instanties. Wanneer er in het Nederlands gecommuniceerd moet worden, vallen veel arbeidsmigranten terug op hun kinderen of partner die wel Nederlands of Engels beheersen. Een jonge Bulgaarse vrouw vertelt dat de taal het grootste probleem vormt voor de integratie: mensen kunnen niet met anderen communiceren en dat maakt het moeilijk voor de verschillende gemeenschappen om dichter bij elkaar te komen. In bepaalde formele situaties wordt soms gebruik gemaakt van een tolk. Een andere jonge Bulgaarse respondent geeft eveneens aan dat hij alle communicatie in het Nederlands moet doen omdat zijn ouders geen Nederlands kunnen. Hij vertelt dat veel van zijn vrienden in een soortgelijke thuissituatie verkeren. Als gevolg van de taalbarrière vallen veel Polen en Bulgaren terug op de bestaande infrastructuur vanuit de migrantengemeenschap. Een professional is van mening dat het bestaan van de voorzieningen specifiek gericht op EU-arbeidsmigranten en de manier waarop de woon- en werksituatie is vormgegeven de sociale cohesie in de wijken onder druk zet. Hij vertelt daarover het volgende.

“Maar als je dit toelaat gaat zo’n wijk op zijn Rotterdams gezegd naar de kloten. Want er is daar geen enkele sociale cohesie; wie daar komt, verdient daar geld en gaat weer weg na 53

Hoofdstuk 5 verloop van tijd. Qua voorzieningen en gemeenschapszin zie je zo’n wijk achteruitgaan naar een bedenkelijk niveau en dat heeft altijd een aanzuigende werking van crimineel gedrag” (#7).

Arbeidsmigranten die wij spraken, proberen ook regelmatig naar Nederlandse winkels te gaan vanwege betere prijzen en in sommige gevallen om hun Nederlands te oefenen. De buren waarmee zij contact hebben, behoren meestal tot de eigen gemeenschap. Toch voelen respondenten zich vaak afhankelijk van hun Nederlands- of Engelssprekende gezinsgenoten en zouden zij een groter gevoel van zelfredzaamheid ervaren als ze de taal zouden spreken.

5.5 Conclusie Afgaande op de gesprekken met de professionals, zijn er aanwijzingen dat een deel van de arbeidsmigranten in de drie wijken te maken krijgt met arbeidsuitbuiting via hun arbeids- en woonsituatie. Tijdens de interviews met Poolse en Bulgaarse arbeidsmigranten krijgen we daar minder zicht op. We komen los van een enkel geval geen schrijnende huisvestingssituaties tegen. De mensen die we spreken, zijn vaak al langer dan vijf jaar hier en lijken hun huisvestings- en werksituatie redelijk op orde te hebben. Ondanks dat de meeste mensen die wij spreken geen verhalen van schrijnende werkomstandigheden hebben gedeeld, valt wel op te merken dat zij in al die jaren dat ze hier werkten weinig opwaartse mobiliteit hebben gemaakt. Het is goed mogelijk dat juist de mensen die onder erbarmelijke omstandigheden werken en leven, buiten beeld blijven en moeilijk bereikbaar zijn. De woonsituatie van EU-arbeidsmigranten hangt veelal samen met de manier waarop zij in Nederland werken. EU-arbeidsmigranten vinden woonruimte via een uitzendbureau, commerciële aanbieders of via informele netwerken van vrienden, familie en kennissen. Daarbij lijkt te gelden dat met name mensen die hier kort zijn en via uitzendbureaus en commerciële partijen huisvesting zoeken, kwetsbaar zijn voor arbeidsuitbuiting.

Ook komt uit het onderzoek naar voren dat uitbuiting via de woonsituatie een belangrijke spil vormt in het verdienmodel van uitbuiters. De afhankelijkheidsrelatie zorgt er daarbij voor dat EU-arbeidsmigranten niet snel zullen klagen bij instanties. De leefomstandigheden hangen grotendeels samen met de woon- en arbeidspositie. Veel arbeidsmigranten maken lange werkdagen en hebben weinig vrije tijd. Deze vrije tijd brengen zij veelal samen door. Met betrekking tot integratie valt op dat er weinig prioriteit is om de Nederlandse taal te leren onder nieuwkomers. Dit lijkt langzaam te veranderen onder EU-arbeidsmigranten die hier al langer zijn en gekozen lijken te hebben voor een permanente vestiging in Rotterdam. De sociale cohesie lijkt over het algemeen zwak in de wijken. Er lijkt sprake van een in zichzelf gekeerde mentaliteit waarbij men zich vooral niet met elkaar bemoeit. In die zin passen EU-arbeidsmigranten goed in de wijken. De meerderheid van de buurtbewoners benoemen de aanwezigheid van EUarbeidsmigranten of arbeidsuitbuiting dan ook niet als een probleem in de wijk. Wel wordt er veel gesproken over gevoelens van onveiligheid door criminaliteit en overlast. Bij overlast zouden ook EUarbeidsmigranten betrokken zijn rond bepaalde hotspots. Binnen de wijken lijkt in het bijzonder sprake van contacten binnen sociale groepen.

Er zijn weinig groepsoverstijgende contacten, dit geldt zowel voor EU-arbeidsmigranten als overige buurtbewoners.

54

6

Conclusie Vooraleer we ingaan op de belangrijkste conclusies willen we benadrukken dat dit onderzoek een relatief beperkte omvang heeft. Daarnaast is de onderzoeksvraag, waarbij gekeken wordt naar de samenhang tussen arbeidsuitbuiting en sociale cohesie uiterst complex. Dit betekent dat de conclusies van dit onderzoek voornamelijk bedoeld zijn als een eerste opzet en we nodigen andere onderzoekers uit om deze verder aan te scherpen of te weerleggen. In totaal hebben we met 67 personen gesproken, verdeeld over verschillende groepen. Het is dan ook een kwalitatief onderzoek dat niet de bedoeling heeft een representatief beeld te schetsen maar in de eerste plaats bedoeld is om tot dieperliggende inzichten te komen over de structuren en fenomenen die samenhangen met arbeidsuitbuiting8 van EU-arbeidsmigranten9 en de sociale cohesie in Oud Charlois, Carnisse en de Tarwewijk. Het onderzoek is uitgevoerd verspreid over drie fases. In de eerste fase is gesproken met professionals die in een van de focuswijken actief zijn. Het doel van deze fase was om een beeld te krijgen van de wijken zelf en de bestaande problemen die er heersen. Tijdens de tweede fase lag de focus op vormen en structuren van arbeidsuitbuiting. Hiervoor hebben we zowel met regionale als nationale experts gesproken. Gedurende de derde fase hebben we met arbeidsmigranten en buurtbewoners uit de focuswijken10 gesproken.

Doel van deze gesprekken was om zicht te krijgen op hun leven in de wijken en of zij al dan niet met arbeidsuitbuiting te maken krijgen. De manier van werving verschilt per respondentgroep. Zo hebben we experts gevonden in samenspraak met de opdrachtgever, hebben we EU-arbeidsmigranten benaderd via spreekuren en hebben we overige buurtbewoners willekeurig op straat aangesproken. Wellicht dat deze verschillende manieren van benaderen enigszins voor een vertekening heeft gezorgd in de data. Zo weten veel van de arbeidsmigranten die wij spraken de weg naar de spreekuren te vinden omdat zij al langere tijd in Nederland wonen. Tot slot hebben we de interviews op verschillende wijzen geregistreerd. De interviews met de experts zijn allemaal opgenomen en daarna letterlijk uitgewerkt. De gesprekken met de EU-migranten zijn gevoerd in de eigen taal en, indien zij daar toestemming voor gaven, opgenomen en door een Pools of Bulgaars sprekende student-assistent uitgewerkt tot een samenvatting. In andere gevallen zijn aantekeningen gemaakt en is op basis hiervan een samenvatting gemaakt. Tijdens de gesprekken met overige wijkbewoners zijn aantekeningen gemaakt op basis waarvan verslagen zijn gemaakt. De conclusie is gestructureerd op basis van de onderzoeksvragen. In wat volgt zullen we stilstaan bij de belangrijkste conclusies die uit onze studie naar voren komen.

Hoe is het gesteld met de sociale cohesie, scores op de veiligheidsindex en de veiligheidsbeleving in Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk? Gelet op de uitkomsten van het wijkprofiel (2020) valt op dat de focuswijken onder gemiddeld scoren in het bijzonder voor wat betreft de sociale index en veiligheidsindex ten opzichte van de rest van 8

In dit onderzoek hanteren we een brede definitie van arbeidsuitbuiting waaronder ook (ernstige) arbeidsbenadeling. Men spreekt van (ernstige) benadeling als er geen sprake is van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin, maar werknemers nog altijd te maken hebben met een combinatie van intimidatie, zeer slechte arbeidsomstandigheden, onderbetaling en veel te lange werktijden. 9 Met EU-arbeidsmigranten bedoelen we alle arbeidsmigranten die vanuit een land in de Europese unie naar Nederland zijn gekomen. Omdat de Poolse en Bulgaarse arbeidsmigranten in absolute zin de grootse groepen in de wijken zijn, hebben we voor de interviews met arbeidsmigranten op deze groepen gefocust. 10 Wanneer we in deze conclusie spreken over focuswijken, dan bedoelen we daarmee de wijken die in dit onderzoek centraal staan, namelijk Carnisse, Oud Charlois en de Tarwewijk.

Hoofdstuk 6 Rotterdam. Tevens zien we dat met name de sociale index is verslechterd sinds de meting in 2018. Hoewel in het algemeen de score op de veiligheidsindex tussen 2016 en 2020 is verbeterd, blijven de scores in de focuswijken achter bij de rest van Rotterdam. Wanneer we kijken naar de scores op de afzonderlijke onderdelen van het wijkprofiel, de fysieke, sociale en veiligheidsindex, dan geldt hetzelfde. Van de drie focuswijken scoort Carnisse het laagst op alle drie de onderdelen. De scores voor Oud Charlois liggen hoger dan het gemiddelde in het gebied Charlois. De scores voor de Tarwewijk liggen tussen die van Carnisse en Oud Charlois. Voor de fysieke index speelt het voorzieningenniveau en de woningvoorraad een belangrijke rol. Gelet op de samenstelling van de woningvoorraad valt op dat in Carnisse en de Tarwewijk relatief veel particuliere huurwoningen zijn (respectievelijk 50,8 en 44,9 procent) in vergelijking met Oud Charlois (32,1 procent), Charlois (30,1 procent) en Rotterdam (21,3 procent). Ook zijn de woningen in alle drie de wijken relatief oud (<1945). Dit geldt in het bijzonder voor de woningen in de Tarwewijk waar circa 80 procent van de woningvoorraad voor 1945 gebouwd is. Zoals verderop zal blijken, is de woningvoorraad een belangrijke pull-factor voor de vestiging van EU-arbeidsmigranten in de focuswijken.

Tijdens het veldwerk vallen met name in Carnisse en Oud Charlois de grote verschillen tussen delen in de wijk op. In deze wijken worden mooi gesitueerde straten met veel groen gelegen aan het water afgewisseld met straten die een verloederde indruk maken. Daarbij lijkt een samenhang te bestaan met het type woning. Zo lijken de delen van de wijk waar koopwoningen staan beter beoordeeld te worden door professionals dan de delen met particuliere huur. Ook was er ten tijde van het onderzoek sprake van sloop (Tarwewijk) of had er net sloop plaatsgevonden (Carnisse). In Carnisse is sprake van een groot aantal voorzieningen. Van de winkels in de wijk bestaat een relatief groot deel uit Poolse/Bulgaarse supermarkten. Ook in de andere wijken zijn er winkels gevestigd die gericht zijn op EU-arbeidsmigranten. Deze voorzieningen zijn tevens een belangrijke pull-factor voor EUarbeidsmigranten om zich in de wijk te vestigen. Daarbij ontstaat als het ware een aparte, haast gescheiden samenleving, op basis van verschillende voertalen. Qua sociaal klimaat lijkt Oud Charlois af te wijken van Carnisse en Tarwewijk. In Oud Charlois is er een aantal straten/delen waar het goed gaat, waar een sterk samenhorigheidsgevoel lijkt te bestaan en wordt gesproken over een dorpskarakter.

Mensen die in deze delen wonen, lijken al langer in de wijk te wonen en hebben goede onderlinge contacten met buren (van allerlei herkomsten). Dit neemt niet weg dat er ook delen in deze wijk zijn waar het slechter gaat en die kwetsbaar zijn. In de Tarwewijk, Carnisse en delen van Oud Charlois lijkt er sprake van een zwakke sociale cohesie. De buurtbewoners die wij spraken, zeggen dat het goed gaat in de wijk als je niet opvalt en je niet met anderen bemoeit. Over contact tussen buren vertellen respondenten dat men elkaar begroet en nemen ze bijvoorbeeld pakjes voor elkaar aan, maar is er geen sprake van diepgaande contacten. De groep EUarbeidsmigranten wijkt daar weinig van af. Het gegeven dat veel van de EU-arbeidsmigranten geen Nederlands spreekt , waardoor een taalbarrière ontstaat, verhoogt en vergroot de drempel om onderling contact te leggen. .. Tekenend voor het gebrek aan sociale cohesie in de wijken is dat verschillende respondenten opmerken dat het er goed leven is zolang mensen zich niet met elkaar bemoeien. Wanneer mensen zich met elkaar bemoeien zouden er al snel problemen ontstaan. De manier waarop EU-arbeidsmigranten in de wijken leven sluit daarmee (onbedoeld) goed aan bij de op zichzelf gerichte mentaliteit in de wijk.

Buurtbewoners omschrijven EU-arbeidsmigranten over het algemeen als harde werkers die net als iedereen hun woning moeten betalen en zich weinig bemoeien met hun buren. Een deel van de oudere respondenten geeft aan dat er veel verloop is in de wijken waardoor zij hun buren niet meer kennen en de samenhorigheid is verdwenen. Naast een taalbarrière die Nederlandssprekende bewoners en EU-arbeidsmigranten onderling ervaren, zijn in de wijken weinig mensen aanwezig die een verbindende rol op zich kunnen nemen om groepsoverstijgende contacten te bevorderen. Bovendien zijn er weinig georganiseerde initiatieven/ 56

Conclusie verenigingen in de wijk aanwezig die verschillende soorten buurtbewoners aantrekken en als ontmoetingsplekken kunnen dienen. EU-arbeidsmigranten in het bijzonder blijken lastig te betrekken bij georganiseerde activiteiten. Zij geven over het algemeen aan weinig vrije tijd te hebben en de weinige vrije tijd die ze wel hebben met familie en/of vrienden door te brengen. Kinderen lijken een verbindende factor te vormen. Via school en zwemles komen ouders van verschillende groepen met elkaar in contact. Concluderend kan er gesteld worden dat er in de focuswijken, met name in Carnisse en de Tarwewijk, zeer beperkte samenhorigheid, sociale controle en sociale cohesie bestaat. Dit geldt voor alle buurtbewoners waaronder EU-arbeidsmigranten. In de wijken lijkt sprake van gescheiden werelden waarbij er vooral sprake is van binding binnen de afzonderlijke groepen en geen tot amper groepsoverstijgende contacten. Het bestaan van een infrastructuur gericht op EU-arbeidsmigranten in de vorm van winkels, kappers en tandartsen versterkt de binding binnen deze groepen en leidt ertoe dat EU-arbeidsmigranten zich in hun eigen taal redden. Hierdoor is de drempel om Nederlands te leren verhoogd. Daarbij lijkt het spreken van verschillende talen een belangrijke barrière voor het ontstaan van groepsoverstijgend contact. Toch zien we ook tekenen van integratie in de wijken.

Zo zijn er Poolse arbeidsmigranten die zeggen dat ze vooral hun boodschappen doen in Nederlandse supermarkten omdat ze de Poolse winkels als te duur ervaren. We hebben voorbeelden gezien van mensen die de communie van hun kinderen laten doorgaan in een Nederlandse kerk, omdat ze de Poolse kerk als te conservatief zien. En de grote animo voor een taalcursus Nederlands aangeboden door de gemeente toont dat er onder een deel van de EU-arbeidsmigranten bereidwilligheid bestaat om de taal te leren. Zoals opgemerkt scoren de focuswijken met name onder gemiddeld voor wat betreft de veiligheidsindex. Dit beeld zien we ook terug in de wijken en met name in Carnisse. Een substantieel deel van de respondenten maakt zich zorgen over de criminaliteit en andere incidenten in de wijk. Zo staan recente steekincidenten in Carnisse veel buurtbewoners nog vers op het netvlies. Ook zijn er relatief veel respondenten die zich wel veilig voelen maar aangeven dat er veel criminaliteit in de buurt is. Onder de groep EU-arbeidsmigranten die we spreken zien we hetzelfde beeld als onder de andere buurtbewoners. Hoewel een deel zich veilig voelt in de buurt is er, met name onder vrouwelijke respondenten, een deel dat zich onveilig voelt. De arbeidsmigranten die zich zeggen onveilig te voelen in de wijk verwijzen vaak naar de lokale criminaliteit als oorzaak.

Verschillende respondenten die zich wel veilig voelen, refereren desondanks naar incidenten in de wijk (steekpartijen, catcalling). Voor wat betreft overlast merken professionals en respondenten op dat er op specifieke locaties, zoals pleintjes en voor bepaalde winkels, sprake is van overlast. Een deel van deze overlast zou veroorzaakt worden door EU-arbeidsmigranten in combinatie met drankgebruik. Er zijn weinig buurtbewoners die overbewoning of burenoverlast als probleem benoemen. Over het algemeen lijken gevoelens van onveiligheid en overlast niet te maken te hebben met de arbeidsmigranten. Het is vooral de criminaliteit in de wijk die tot een gevoel van onveiligheid leidt bij bewoners. Op een aantal overlasthotspots na geven buurtbewoners aan dat zij geen overlast ervaren door de EU-arbeidsmigranten in de wijk. Hoe wonen, werken en leven EU-arbeidsmigranten in Carnisse, de Tarwewijk en Oud Charlois? De grootste groepen EU-arbeidsmigranten in Carnisse, de Tarwewijk en Oud Charlois zijn momenteel Polen en Bulgaren (waaronder ook de Turkse minderheid uit Bulgarije en waarschijnlijk een deel Roma). Enkele andere, kleinere, onderscheiden groepen zijn Roemenen, Slowaken, Letten, Litouwers en andere groepen Oost-Europese arbeidsmigranten die extra kwetsbaar lijken vanwege hun korte verblijfsduur, het gebrek aan kennis en hun kansarme achtergrond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=16f00be9-d5cd-42b7-a2e7-7b5143d9bd3a