21bb9372 Bijlage B behorende bij 21bb9370 over monitor abonnementstarief WMO tweede rapportage 2020
Tekst van het document
2.3.2
Toegenomen bekendheid gemeentelijke toegang
2018 licht gedaald of stabiel gebleven. Dat neemt niet weg dat voor enkele zware diagnosegroepen de wachttijden in 2019 zijn toegenomen, zoals bij pervasieve
De wijkteams en de gemeentelijke toegangsteams zijn volgens verschillende
stoornissen (zoals autisme) en persoonlijkheidsstoornissen20. In het diepteonderzoek
gemeenten in het diepteonderzoek de afgelopen jaren steeds bekender geworden
voor toekomstige monitorrapportages is het van belang om na te blijven gaan of er
onder de inwoners. Hier hebben deze gemeenten ook op geïnvesteerd, onder andere
sprake is van een toename van aanvragen vanuit deze doelgroepen.
door communicatiecampagnes. Inwoners vinden als gevolg hiervan steeds beter hun weg naar de gemeente als zij hulp nodig hebben. Ook dit heeft als gevolg dat de
2.3.4
Mantelzorg(ers) onder druk
vraag naar Wmo-voorzieningen stijgt. Het precieze effect is echter moeilijk vast te stellen. Bovendien is er sprake van verschillen tussen gemeenten.
Een aantal gemeenten geeft in het diepteonderzoek aan dat er sprake is van een toenemende druk op mantelzorgers met als gevolg dat deze mantelzorgers steeds
18
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2017-55.html.
20
19
Zie ook https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/05/14/evaluatie-
zorg-fz/nieuws/2020/06/17/ggz-wachttijden-nauwelijks-veranderd-herstel-
amvb-reele-prijs-wmo-2015.
https://www.nza.nl/zorgsectoren/geestelijke-gezondheidszorg-ggz-en-forensische-
ziekenhuisbehandelingen-nog-beperkt-in-mei
20
vaker uitvallen. Dit beeld wordt ook besproken in de eerder genoemde rapportage
geleverd, en voor de zorgbehoefte van burgers. In de diepte-interviews voor dit
‘Zorgen voor thuiswonende ouderen’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau.
onderzoek is dit uitgebreid aan de orde geweest. De coronacrisis was immers voor
Daarbij merkten we eerder op dat ook mantelzorgers gemiddeld genomen steeds
iedereen ‘on top of mind’. Deze paragraaf is de weerslag hiervan.
ouder worden. Dit is een van de verklaringen voor de autonome groei in het zorggebruik. Wel zijn er regionale verschillen in het aantal mantelzorgers21. Volgens
2.4.1
Tijdelijke terugloop van nieuwe cliënten tijdens lockdown
medewerkers in de toegang bestaan die verschillen ook op lokaal niveau en soms ook op buurtniveau.
Alle gemeenten die deelnamen aan het diepteonderzoek hadden te maken met een terugloop van de instroom van nieuwe aanvragen en cliënten in de Wmo na aanvang
2.3.5
Schaarste op de arbeidsmarkt
van de lockdown. De mate waarin deze instroom terugliep, verschilde per gemeente. Een aantal gemeenten gaf aan een 80% lagere instroom te hebben ondervonden van
Enkele gemeenten in het diepteonderzoek geven aan te maken te hebben met
nieuwe cliënten. Ook andere gemeenten zagen een forse terugloop. Een gemeente
schaarste op de arbeidsmarkt die relevant is voor de Wmo. Dit heeft volgens deze
gaf aan te zien dat de hulpvragen die nog wel binnenkwamen, complexer waren. Voor
gemeenten verschillende gevolgen. Zo leidt een personeelsgebrek bij aanbieders tot
de ‘lichtere’ hulpvragen werd blijkbaar eerder een alternatieve oplossing gezocht,
oplopende wachttijden. Nieuwe cliënten die een indicatie voor een Wmo-voorziening
zonder een beroep te doen op de Wmo.
hebben gekregen, moeten dan langer wachten voordat de hulp of ondersteuning kan starten. Een ander gevolg is dat er sprake is van een tekort aan particuliere hulpen bij
Ook verschilde het per gemeente hoe lang de lagere instroom aanhield. In sommige
het huishouden. Hierdoor doen mensen eerder een beroep op de Wmo, in plaats van
gemeenten was dit slechts enkele weken; in andere gevallen twee à drie maanden.
dat ze zelf een particuliere hulp nemen. Voor een deel gaat het om dezelfde pool aan
Ten tijde van het diepteonderzoek, in juni en juli 2020, gaven de meeste gemeenten
arbeidskrachten als de arbeidskrachten die hulp in het huishouden verzorgen binnen
aan dat de nieuwe instroom al weer richting het niveau ging van vóór de lockdown.
het kader van de Wmo. Tot slot noemt een gemeente dat door personeelstekorten er soms tijdelijk duurdere hulp moet worden ingezet, wat uiteindelijk een prijsopdrijvend
Door de coronamaatregelen konden de keukentafelgesprekken niet fysiek
effect kan hebben.
plaatsvinden. Medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang voerden intakes met nieuwe aanvragers telefonisch of via videobellen, wat beperkingen heeft ten opzichte
2.4
Impact coronacrisis 2020
van een gesprek aan de keukentafel. Gemeenten gaven aan daarom soms minder ‘streng’ te indiceren. Ook werden vaker tijdelijke indicaties afgegeven, vanuit het idee
De uitvoering van het diepteonderzoek vond grotendeels plaats in het voorjaar van
dat op een later moment alsnog een ‘echt’ keukentafelgesprek gevoerd zou kunnen
2020, in de periode dat de uitbraak van het coronavirus in Nederland aanleiding was
worden.
tot het instellen van een ‘intelligente lockdown’. Dit had uiteraard grote gevolgen voor de uitvoering van de Wmo, bijvoorbeeld doordat ondersteuning niet kon worden
21
https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/participatie/regionaal-
internationaal/regionaal#node-mantelzorgers-ggd-regio
21
2.4.2
Sommige cliënten met hulp zetten deze tijdelijk stop
terughoudendheid bij inwoners om de stap naar een verpleeghuis te zetten, ook als er wel een indicatie voor is afgegeven.
Voor de bestaande Wmo-cliënten bracht de coronacrisis uiteraard ook een nieuwe situatie met zich mee. Sommige cliënten zetten hun ondersteuning tijdelijk zelf stop,
2.4.4
Nog grotendeels onduidelijk wat de tijdelijke stop voor de zorg gaat betekenen
bijvoorbeeld omdat ze niemand bij hen thuis wilden toelaten. In andere gevallen heeft de aanbieder de ondersteuning stopgezet, bijvoorbeeld in het geval van
Op het moment van uitvoeren van het onderzoek is nog grotendeels onduidelijk wat
dagbesteding. Voor een deel werd daar op creatieve wijze een alternatieve invulling
de langetermijneffecten van de tijdelijke stop van voorzieningen op de zorgbehoefte
aan gegeven vanuit aanbieders; die zochten bij begeleiding bijvoorbeeld vaker
zijn. Sommige gemeenten verwachten dat de tijdelijke stop gaat leiden tot een
telefonisch contact met de cliënten. In andere gevallen hebben cliënten het stopzetten
boeggolf aan nieuwe (uitgestelde) hulpvragen. Sommige gemeenten geven ook aan
van voorzieningen zelf of met behulp van hun netwerk opgevangen. Het beeld is dat
dat de inzet van eigen kracht en netwerk (mantelzorg) tijdelijk is toegenomen. De
er in deze periode vaker een beroep werd gedaan op mantelzorgers. Ten tijde van het
vraag is of dit iets structureels is, of van tijdelijke aard. De meeste geïnterviewden
onderzoek waren veel voorzieningen inmiddels weer op gang aan het komen.
verwachten dat dit een tijdelijk effect is. Vanwege de uitzonderlijke situatie waren
Aanbieders werden, in lijn met landelijke afspraken tussen VWS en gemeenten,
mantelzorgers sneller bereid om tijdelijk bij te springen, maar niet structureel.
doorbetaald, ook als voorzieningen niet geleverd konden worden. We zitten ten tijde van dit onderzoek nog midden in de coronacrisis. Veelal is 2.4.3
Sommige gemeenten zijn hard getroffen door corona, andere maar beperkt
onduidelijk wat tijdelijk is en wat structureel. Cijfermatig kunnen we de impact van de coronacrisis op dit moment nog niet duiden. Cijfers over 2020 zijn immers nog niet
Enkele gemeenten in het diepteonderzoek zijn relatief zwaar getroffen door het
beschikbaar. Maar ook wanneer de cijfers over 2020 wel beschikbaar zijn, zal het de
coronavirus. Dit betreft gemeenten met een hoge gemiddelde leeftijd van de inwoners
vraag zijn of de effecten van de coronacrisis cijfermatig aan te tonen zijn. Zo zijn de
en met een relatief groot aantal verpleeghuizen binnen de gemeentegrens. Ten tijde
geldstromen tussen gemeente en aanbieders blijven bestaan, maar is de zorg tijdelijk
van het diepteonderzoek gaven deze gemeenten aan langzaam maar zeker een
stopgezet. In een later stadium kunnen we bezien of de effecten van de coronacrisis
vraag naar ondersteuning te zien ontstaan die coronagerelateerd is. Denk daarbij aan
cijfermatig te duiden zijn.
hulpvragen die samenhangen met revalidatie na zelf corona te hebben gehad of met het verlies van een partner. Het is nog te vroeg om te kunnen duiden hoe deze coronagerelateerde vraag naar voorzieningen zich op langere termijn zal ontwikkelen.
De gemeenten in het diepteonderzoek met relatief veel verpleeghuizen gaven aan dat het beeld van verpleeghuizen door de coronacrisis (nog) negatiever is geworden, als gevolg van de hoge sterftecijfers in de verpleeghuizen22. Zij merken hierdoor meer
22
Zie bijvoorbeeld https://www.nza.nl/actueel/nieuws/2020/07/10/ruim-5500-bedden-
leeg-in-verpleeghuiszorg
22
3 Cijfermatige trends in de periode 2017 tot en met 2019 3.1
Inleiding
3.2
Indicator 1: Ontwikkelingen in aantal unieke cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de kwantitatieve meting over de periode 2017 tot en met 2019 weergegeven. Het gaat dus om cijfers van de laatste twee jaren
De in hoofdstuk 1.2 genoemde mogelijke gedragseffecten van cliënten kunnen leiden
voordat het abonnementstarief is ingevoerd en het eerste jaar dat het
tot een toename van het aantal cliënten met een Wmo-voorziening (indicator 1). In
abonnementstarief is ingevoerd. In deze rapportage zetten we de cijfers van 2019 af
deze paragraaf laten we zien in hoeverre dit effect zich in de praktijk voordoet.
tegen de ontwikkeling in 2017 en 201823. Het gaat daarbij om de volgende indicatoren:
3.2.1
Het aantal unieke cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang dat gebruik maakt van de Wmo is in 2019 met 6% gestegen
Indicator 1: Ontwikkelingen in aantal unieke cliënten met een Wmo-voorziening die valt binnen het abonnementstarief
In deze paragraaf beschrijven we het Wmo-gebruik van de maatwerkvoorzieningen
Indicator 2: Ontwikkelingen in inkomsten uit eigen bijdrage per gemeente die
exclusief verblijf en opvang in de jaren 2017, 2018 en 2019 op basis van door het
vallen binnen het abonnementstarief
CBS verzamelde informatie. De jaren 2017 en 2018 gelden als nulmeting en de
Indicator 3a: Ontwikkelingen in uitgaven aan Wmo-voorzieningen die vallen
gegevens uit 2019 gelden als eerste meting na invoering van het abonnementstarief
binnen het abonnementstarief
in de Wmo.
Indicator 3b: Ontwikkelingen in de verhouding tussen inkomsten uit eigen
23
bijdragen en uitgaven
In figuur 3 is het totaal aantal unieke cliënten dat gebruik maakt van de Wmo in 2017,
Indicator 4: Ontwikkelingen in verschuivingen van algemene naar
2018 en 2019 weergegeven. De figuur geeft de totalen per half jaar weer. Hierin is
maatwerkvoorzieningen
een stijgende lijn zichtbaar: van 2017 tot 2019 is de toename 10,4% voor heel
Indicator 6: Ontwikkelingen in minimabeleid en generiek verlaagd tarief
Nederland (alle gemeenten)24. De stijging tussen 2017 en 2019 bedraagt ruim 106
Indicator 8: Ontwikkelingen in doorstroom van Wmo naar WLZ
duizend unieke cliënten.
Bij enkele figuren van indicator 1 maken wij ook een nadere uitsplitsing naar halve
24
Het CBS heeft deze cijfers geëxtrapoleerd naar een landelijk beeld. De cijfers
jaren. HJ01 moet in deze figuren gelezen worden als het eerste halfjaar van het
geven dus een volledig beeld over alle gemeenten. Wel moet rekening gehouden
desbetreffende jaar en HJ02 als het tweede halfjaar.
worden met het gegeven dat gemeentelijke beleidswijzigingen (verschuivingen tussen algemene en maatwerkvoorzieningen) ook effect kunnen hebben op de cijfers.
23
Voorziening
Aantal cliënten
Verandering
2017
2018
2019
20172018
2018 2019
398.090
390.950
440.470
-1,8%
12,7%
694.715
724.805
755.490
4,3%
4,2%
Ondersteuning thuis
282.000
311.585
316.910
10,5%
1,7%
Totaal exclusief verblijf en opvang
1.025.840
1.068.125
1.132.490
4,1%
6,0%
Hulp bij het huishouden Hulpmiddelen en diensten
Tabel 2 Aantal cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang en ontwikkeling in aantal cliënten van 2017 tot en met 2019 (jaar op jaar)25 Kijken wij naar individuele gemeenten26 dan zien wij dat in een groot deel van de gemeenten sprake is van een toename in het aantal cliënten dat gebruik maakt van Wmo-maatwerkvoorzieningen in de periode 2017 tot 2019. In deze periode is slechts Figuur 3 Ontwikkeling aantal unieke cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland van de eerste helft van 2017 tot en met de tweede helft van 2019
bij 22 gemeenten het aantal unieke cliënten in de genoemde periode gedaald.
In figuur 4 maken wij een vergelijking tussen de ontwikkeling in het aantal Wmocliënten in de periode 2017 op 2018 en het aantal Wmo-cliënten in de periode 2018
Tabel 2 laat vervolgens zien dat de toename van 2017 op 2018 4,1% is (ruim 42
op 2019. In de periode 2018 op 2019 is er bij 30 gemeenten sprake van een stijging
duizend unieke cliënten); van 2018 op 2019 is de toename 6,0% (ruim 64 duizend
van meer dan 20%. Deze 30 gemeenten zijn bijna allemaal gemeenten met een
unieke cliënten). Daarmee is er in 2019 een sterkere toename van het totale aantal
inwoneraantal dat kleiner is dan 60 duizend inwoners (25 gemeenten). Bij vier van
unieke cliënten dan de toename van het aantal cliënten in 2018.
deze 30 gemeenten ligt het inwoneraantal tussen de 65 duizend inwoners en 81 duizend inwoners. Een van deze 30 gemeenten telt meer dan 100 duizend inwoners. Kleine absolute verschuivingen kunnen bij kleine gemeente door de lage aantallen statistisch gezien eerder resulteren in grote relatieve verschuivingen.
25
De totalen per hoofdvoorziening zijn bij elkaar opgeteld hoger dan het totale aantal
cliënten. Dat komt doordat een deel van de cliënten meerdere hoofdvoorzieningen
26
Van 248 gemeenten waren gegevens beschikbaar over 2017, 2018 en 2019. Voor
deze gemeenten was een individuele vergelijking over de jaren mogelijk.
gebruikt.
24
3.2.2
In 2019 heeft circa 70% van de gemeenten een grotere groei dan het landelijk gemiddelde, terwijl dit in 2018 circa 50% was
In figuur 5 en figuur 6 zijn de ontwikkelingen per gemeente weergegeven geordend van klein (daling) naar groot (stijging). Het landelijke gemiddelde (4,1% tussen 2017 en 2018 en 6,0 tussen 2018 en 2019) is weergegeven als de groene lijn. De standaarddeviatie om het gemiddelde is weergegeven met blauwe lijnen. Op deze manier wordt de spreiding tussen gemeenten verder inzichtelijk gemaakt. Hierbij moet worden opgemerkt dat het hier gaat om een landelijk ‘gewogen’ gemiddelde27.
Zoals te zien is in figuur 5 heeft ongeveer de helft van de gemeenten een lagere groei dan het landelijke gemiddelde in de periode 2017-2018. Aan de rechterkant van de grafiek zitten enkele uitschieters, met een stijging die ruim boven de standaarddeviatie ligt. Dit zijn allemaal relatief kleine gemeenten (kleiner dan 65.000 inwoners). Naast de invoering van het abonnementstarief kunnen er op gemeentelijk niveau ook andere oorzaken zijn voor een stijging of afname van het aantal gemelde cliënten, bijvoorbeeld een administratieve of beleidsmatige wijziging. Zo kan een beëindiging van een algemene voorziening betekenen dat in een bepaald jaar relatief Figuur 4 Een vergelijking tussen de ontwikkeling van het aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in de periode 2017-
veel cliënten gebruik gaan maken van een maatwerkvoorziening, waardoor deze cliënten in dat jaar zichtbaar worden in de cijfers.
2018 en de periode 2018-2019 Uit de vergelijking tussen de periode 2017-2018 en de periode 2018-2019 valt op dat in de laatstgenoemde periode minder gemeenten te maken hebben met een daling in het aantal cliënten (44 versus 17 gemeenten). Daarnaast zijn er meer gemeenten die een stijging in het aantal cliënten laten zien tussen de 5% tot 50% (91 gemeenten in de periode 2017 tot 2018 vergeleken met 171 gemeenten in de periode 2018 tot 2019). In de periode 2018-2019 zijn er minder gemeenten die een toename van meer dan 50% hebben dan in het jaar daarvoor. 27
Het ongewogen gemiddelde zou hoger liggen, doordat de stijging in de grotere
steden gemiddeld genomen relatief beperkt is en relatief veel kleinere gemeenten juist een grote stijging laten zien
25
Figuur 5 De ontwikkeling in het aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening
Figuur 6 De ontwikkeling in het aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening
exclusief verblijf en opvang tussen 2017 en 2018 per gemeente geordend
exclusief verblijf en opvang tussen 2018 en 2019 per gemeente geordend
van klein naar groot. Elk oranje streepje is een gemeente, de groene lijn is
van klein naar groot. Elk oranje streepje is een gemeente, de groene lijn is
het landelijk gemiddelde (4,1%) en de blauwe lijnen geven de
het landelijk gemiddelde (6,0%) en de blauwe lijnen geven de
standaardafwijking aan (standaarddeviatie) (n=248)
standaardafwijking aan (standaarddeviatie) (n=248)
Figuur 6 is dezelfde als figuur 5, maar dan voor de jaren 2018-2019. Hierin zien we dat circa 30% van de gemeenten een lagere groei heeft dan het landelijk gemiddelde. Wanneer we kijken naar de spreiding, dan zien we dat in 2019, net als in 2018, het overgrote deel van de gemeende binnen de bandbreedte valt van een standaarddeviatie rond het gemiddelde. De standaarddeviatie geeft de spreiding, de mate waarin waarden onderling verschillen, van een verdeling weer. Het lijkt er op dat in 2019 meer gemeenten een groei doormaken rond of boven de standaarddeviatie in vergelijking met 2018. In deze vergelijking gaat het om een landelijk ‘gewogen’ gemiddelde. In figuur 6 zijn er wederom enkele (kleine) gemeenten met een grote stijging.
3.2.3
Bij bijna alle leeftijdscategorieën die gebruik maken van een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang is er sprake van een toename, waarbij de toename in de periode 2018 tot 2019 groter is dan in het jaar daarvoor
Wanneer wij kijken naar het aantal unieke cliënten per leeftijdscategorie in de periode 2017 tot 2019, dan is te zien dat bij alle leeftijdscategorieën sprake is van een toename (figuur 7). Voor vrijwel alle leeftijdscategorieën geldt dat de toename van cliënten in de periode 2018-2019 procentueel gezien groter is dan in de periode 20172018. De sterkere toename is vooral te zien bij de drie hoogste leeftijdscategorieën (vanaf 60 jaar en ouder). In de leeftijdscategorie 18 tot 30 jaar is de toename van
26
cliënten in de periode 2018-2019 procentueel gezien juist kleiner dan in de periode
inkomensklassen kleiner is, waardoor er eerder grotere relatieve verschuivingen
2017-2018. Cliënten met een partner die samen een huishouden vormen waarvan
kunnen ontstaan.
minimaal één van beiden nog niet de AOW-leeftijd heeft, betalen geen eigen bijdrage als zij gebruik maken van de Wmo.
Figuur 7 Aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland, uitgesplitst naar leeftijdscategorie
Figuur 8 Aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland, uitgesplitst per inkomensklasse
3.2.4
Hoe hoger het huishoudinkomen, hoe groter de relatieve toename is in de stijging van het aantal cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang
In tabel 3 zijn de absolute en relatieve toe- en afnames opgenomen. In vergelijking met de periode 2017-2018 is de procentuele toename voor de meeste
Wanneer wij naar het huishoudinkomen kijken (zie figuur 8) zien wij dat de
inkomensklassen hoger in de periode 2018-2019, behalve voor de inkomensklasse
procentuele toename van het aantal cliënten stijgt met de hoogte van het
20.000 tot 30.000 euro.
huishoudinkomen. Anders gezegd: cliënten met een hoger huishoudinkomen hebben relatief gezien vaker een Wmo-maatwerkvoorziening, waarbij de procentuele stijging van het Wmo-gebruik toeneemt naarmate het huishoudinkomen stijgt. De grootste procentuele toename vindt plaats in de huishoudinkomensklasse 100.000 euro of meer. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het totaal aantal cliënten in hogere
27
Huishoudinkomensklasse Inkomen onbekend Minder dan 10.000 euro 10.000 tot 20.000 euro 20.000 tot 30.000 euro 30.000 tot 40.000 euro 40.000 tot 50.000 euro 50.000 tot 100.000 euro 100.000 of meer
2017-2018 Absoluut Relatief 1.640 17,0% -135 -0,5% -7.875 -1,9% 20.910 7,8% 9.615 8,0% 5.870 9,0% 9.560 9,7% 2.695 15,6%
2018-2019 Absoluut Relatief -485 -4,3% 710 2,8% 3.395 0,8% 17.140 5,9% 15.265 11,7% 9.215 13,0% 14.865 13,7% 4.265 21,4%
Tabel 3 Absolute en relatieve toe- en afnames van het aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang uitgesplitst naar huishoudinkomen
Wanneer wij kijken naar de ontwikkeling binnen een- en meerpersoonshuishoudens per inkomensklasse (zie figuren 9 en 10), dan zien wij een vergelijkbaar beeld bij de meeste inkomensklassen. In de inkomensklasse 10.000 tot 20.000 is het aantal cliënten nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van de periode 2017-2018. In de hogere inkomensklassen neemt de stijging van het aantal cliënten toe, zowel bij eenals bij meerpersoonshuishoudens.
Figuur 9 Aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland per inkomensklasse met een eenpersoonshuishouden van gemeenten die in 2017, 2018 en 2019 informatie hebben aangeleverd aan de GMSD (n=249)
28
b.
c.
v.
Dagbesteding;
vi.
Overige groepsgerichte ondersteuning;
vii.
Overige maatwerkarrangementen.
Hulpmiddelen en diensten: i.
Woondiensten;
ii.
Vervoersdiensten;
iii.
Rolstoelen;
iv.
Vervoersvoorzieningen;
v.
Woonvoorzieningen;
vi.
Overige hulpmiddelen;
Hulp bij het huidhouden: i.
Hulp bij het huishouden.
Figuur 10 Aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland per inkomensklasse met een meerpersoonshuishouden van gemeenten die in 2017, 2018 en 2019 informatie hebben aangeleverd aan de GMSD
3.2.5
De grootste stijging van het aantal cliënten met een maatwerkvoorziening is bij hulp in het huishouden
In figuur 11 zien we de ontwikkeling in de periode 2017 tot 2019 per type hoofdvoorziening. Onder de hoofdvoorzieningen vallen de volgende voorzieningen: a.
Ondersteuning thuis: i.
Begeleiding;
ii.
Persoonlijke verzorging;
iii.
Kortdurend verblijf (valt niet binnen de scope van het abonnementstarief, dus is niet meegenomen in de analyses);
iv.
Overige ondersteuning gericht op het individu en huishouden/gezin;
Figuur 11 Aantal Wmo-cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland per voorziening Opvallend is dat het aantal unieke cliënten dat gebruik maakt van hulp bij het huishouden in de periode 2017-2018 is gedaald en in de periode 2018-2019 relatief
29
sterk is gestegen (zie ook tabel 4). Voor de hoofdvoorzieningen hulpmiddelen en diensten en ondersteuning thuis is over beide jaren een stijging van het aantal unieke cliënten zichtbaar. Voor ondersteuning thuis geldt dat de toename in de periode 20172018 groter was dan in de periode 2018-2019. Stijging/daling Hulp bij het huishouden Hulpmiddelen en diensten Ondersteuning thuis Totaal exclusief verblijf en opvang
2017-2018 Absoluut Relatief -7.140 -1,8%
2018-2019 Absoluut Relatief 49.520 12,7%
30.090
4,3%
30.685
4,2%
29.585 42.285
10,5% 4,1%
5.325 64.365
1,7% 6,0%
Tabel 4 Absolute en relatieve stijging en daling van het aantal unieke cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang in Nederland per voorziening Indien gekeken wordt naar de ontwikkeling van het aantal cliënten uitgesplitst naar huishoudinkomensklasse in combinatie met het type hoofdvoorziening (tabel 5) dan zien wij dat de grootste relatieve verschuiving ligt bij de huishoudinkomensklassen vanaf 40.000 euro bij ‘Hulp bij het huishouden’. Hiernaast is er sprake van een relatief grote stijging bij cliënten met een huishoudinkomen van 100.000 euro of meer bij alle type voorzieningen.
30
Hulp bij het huishouden Hulpmiddelen en diensten Ondersteuning thuis Totaal exclusief verblijf en opvang
Huishoudinkom ensklasse Minder dan 10.000 euro 10 000 tot 20 000 euro 20.000 tot 30.000 euro 30.000 tot 40.000 euro 40.000 tot 50.000 euro 50.000 tot 100.000 euro 100.000 of meer Totaal Minder dan 10.000 euro 10 000 tot 20 000 euro 20.000 tot 30.000 euro 30.000 tot 40.000 euro 40.000 tot 50.000 euro 50.000 tot 100.000 euro 100.000 of meer Totaal Minder dan 10.000 euro 10 000 tot 20 000 euro 20.000 tot 30.000 euro 30.000 tot 40.000 euro 40.000 tot 50.000 euro 50.000 tot 100.000 euro 100.000 of meer Totaal Minder dan 10.000 euro 10 000 tot 20 000 euro 20.000 tot 30.000 euro 30.000 tot 40.000 euro 40.000 tot 50.000 euro 50.000 tot 100.000 euro 100.000 of meer Totaal
2017 5.840 215.515 114.310 33.320 12.825 13.340 1.850 398.095 12.325 269.350 191.545 87.550 47.430 70.185 12.155 694.710 13.120 117.995 59.900 31.110 18.515 30.305 5.365 282.000 25.720 419.880 269.370 120.420 64.985 98.565 17.280 1.025.840
2018 4.785 198.000 121.250 36.045 14.245 13.785 1.660 390.940 11.055 265.410 205.820 94.800 51.440 77.540 14.210 724.805 14.525 126.775 67.295 34.170 20.630 34.550 6.625 311.580 25.585 412.005 290.280 130.035 70.855 108.125 19.975 1.068.120
2019 5.070 198.595 139.080 49.180 21.485 22.820 2.985 440.470 11.330 268.405 214.355 101.310 55.260 83.875 16.610 755.495 14.580 124.745 66.495 36.150 22.190 38.300 7.910 316.910 26.295 415.400 307.420 145.300 80.070 122.990 24.240 1.132.490
2017-2018 -18,1% -8,1% 6,1% 8,2% 11,1% 3,3% -10,3% -1,8% -10,3% -1,5% 7,5% 8,3% 8,5% 10,5% 16,9% 4,3% 10,7% 7,4% 12,3% 9,8% 11,4% 14,0% 23,5% 10,5% -0,5% -1,9% 7,8% 8,0% 9,0% 9,7% 15,6% 4,1%
2018-2019 6,0% 0,3% 14,7% 36,4% 50,8% 65,5% 79,8% 12,7% 2,5% 1,1% 4,1% 6,9% 7,4% 8,2% 16,9% 4,2% 0,4% -1,6% -1,2% 5,8% 7,6% 10,9% 19,4% 1,7% 2,8% 0,8% 5,9% 11,7% 13,0% 13,7% 21,4% 6,0%
Tabel 5 Aantal cliënten met een maatwerkvoorziening exclusief verblijf en opvang en procentuele stijging en daling van het aantal unieke cliënten in Nederland per voorziening per huishoudinkomensklasse. De inkomensklasse ‘inkomen onbekend’ is niet opgenomen in de tabel, maar is wel meegenomen in de berekening van het totaal
31
3.3
Indicator 2: Ontwikkelingen in inkomsten uit eigen bijdragen die vallen binnen het abonnementstarief
In paragraaf 1.2 is aan de orde gekomen dat door de invoering van het abonnementstarief de eigen bijdrage-dekking per voorziening mogelijk afneemt, doordat de eigen bijdrage afneemt voor midden en hoge inkomens. In deze paragraaf laten we zien in hoeverre dit zich in de praktijk inderdaad voordoet.
3.3.1
Gemeenten hebben te maken met een grote daling van de inkomsten uit eigen bijdrage (53,5%) en de grootste daling is zichtbaar bij de hogere inkomens
Aan de inkomstenkant van de gemeentelijke financiën zien we dat de inkomsten uit eigen bijdragen in 2019 op landelijk niveau met 53,5% zijn gedaald ten opzichte van 2018, namelijk van € 191,6 mln. naar € 89,1 mln. In 2017 lagen de inkomsten uit eigen bijdragen op een niveau van € 189,5 mln. De variatie tussen gemeenten in de daling van de inkomsten uit eigen bijdragen in 2019 is groot. De percentages liggen tussen de 18% en 86% daling. De ontwikkeling van de inkomsten uit eigen bijdragen verschilt ook per inkomensklasse. Voor alle inkomensklassen geldt dat de inkomsten
Figuur 12 Inkomsten uit gefactureerde eigen bijdragen in Nederland exclusief verblijf en opvang per bijdrageplichtige inkomensklasse28
uit eigen bijdragen sterk zijn gedaald in de periode 2018-2019. Relatief gezien is de grootste daling in de inkomsten uit eigen bijdragen zichtbaar bij de middeninkomens en hoge inkomens. In 2019 zijn de inkomsten uit eigen bijdragen voor de hogere inkomens slechts een klein deel van de inkomsten uit eigen bijdragen in de jaren 2017 en 2018. Ook voor de inkomensklassen onder de 40.000 euro geldt dat de inkomsten uit eigen bijdragen in 2019 lager zijn dan in de jaren ervoor, maar hier is relatief gezien de daling minder groot. Omdat de inkomensklassen 20.000 tot 30.000
In figuur 13 is de ontwikkeling van de inkomsten uit eigen bijdragen per gemeente weergegeven. Tussen 2017 en 2018 liggen de verschuivingen voor de meeste gemeenten tussen de -25% en +25%. De invoering van het abonnementstarief in 2019 heeft als effect dat de ontwikkeling voor de meeste gemeente tussen 2018-2019 tussen -75% en -25% ligt.
en 30.000 tot 40.000 euro relatief het grootst zijn, vindt hier in absolute zin de sterkste afname in inkomsten uit eigen bijdragen plaats.
28
Vanaf 2020 is het bijdrageplichtig inkomen niet meer beschikbaar via het CAK. Om
een goede vergelijking over de jaren te kunnen maken, berekent CBS vanaf dat
moment zelf het bijdrageplichtig inkomen. Zie de onderzoeksverantwoording in bijlage B.
32
uitgaven gerealiseerd ten opzichte van 2017. Het gaat hierbij om de gerealiseerde uitgaven van gemeenten in deze periode29.
De som van de uitgaven aan de voorzieningen van ondersteuning thuis, hulpmiddelen en diensten en hulp bij het huishouden voor 2018 en 2019 komt niet overeen met de totale uitgaven aan de Wmo voorzieningen die vallen onder het abonnementstarief. Dit komt omdat gemeenten voor 2018 en 2019 de mogelijkheid hebben om uitgaven ook te koppelen aan de post ‘maatwerkvoorzieningen gefinancierd vanuit persoonsgebonden budget die niet onder te brengen zijn bij een specifieke productcategorie’. Gemeenten hebben in beperkte mate gebruik gemaakt van deze extra post (27 gemeenten in 2018 en 33 gemeenten in 2019). Daarom is deze post niet apart weergegeven in de figuren met de hoofdvoorzieningen en in Statline van CBS.
In 2019 was de stijging het grootst bij de hoofdvoorziening hulp bij het huishouden (zie figuur 14). Binnen deze hoofdcategorie werd ruim 14,4% (€ 142,4 miljoen) meer aan uitgaven gerealiseerd in 2019 ten opzichte van 2018. De stijging binnen de Figuur 13 Ontwikkelingen in inkomsten uit eigen bijdragen per gemeente
hoofdcategorie hulpmiddelen en diensten bedroeg 13,9% (€ 81,2 miljoen) en de toename aan uitgaven bij ondersteuning thuis was 5,7% (€ 86,8 miljoen). In de
3.4
Indicator 3a: Ontwikkelingen in uitgaven aan Wmo-voorzieningen die vallen binnen het abonnementstarief
periode 2017 tot 2018 was de stijging het grootst bij de hoofdvoorziening ondersteuning thuis: 9,8% (€ 136,6 miljoen).
Een mogelijk effect van de invoering van het abonnementstarief is dat de totale uitgaven aan de Wmo voor gemeenten toenemen, door een stijging van het aantal cliënten. In deze paragraaf belichten we de ontwikkeling in uitgaven aan Wmovoorzieningen. In paragraaf 3.4 gaan we daarnaast in op de verhouding tussen gemeentelijke inkomsten en uitgaven. Landelijk gezien lagen de Wmo-uitgaven in 2019 10,1% (€ 315,9 miljoen) hoger dan in 2018. In 2018 werd er op landelijk niveau 8,7% (€ 250,3 miljoen) meer aan Wmo29
De bedragen zijn door het CBS geëxtrapoleerd naar een landelijk totaal. Zie ook
bijlage B.
33
Figuur 15 Ontwikkeling in Wmo-uitgaven per gemeente tussen 2017-2018 en 2018Figuur 14 Gerealiseerde landelijke uitgaven per hoofdvoorziening (x miljoen)
2019 (n=254) voor gemeenten die voor 2017 en 2018 toestemming hebben gegeven voor publicatie en die gerealiseerde uitgaven hebben opgegeven
Daarmee is deze stijging niet volledig in lijn met de stijging van het aantal unieke
voor 2017, 2018 en 2019
cliënten dat gebruik maakt van een Wmo-voorziening. In figuur 11 werd namelijk duidelijk dat het aantal cliënten in de hoofdcategorie ondersteuning thuis slechts met 1,7% steeg en het aantal cliënten in de hoofdcategorie hulpmiddelen en diensten met 4.2%. De stijging in uitgaven is groter.
We zien dat de spreiding van het aantal gemeenten wat betreft de ontwikkeling van de Wmo-uitgaven (figuur 15) een vergelijkbaar patroon laat zien als de eerder gepresenteerde spreiding tussen gemeenten in de ontwikkeling van het aantal Wmocliënten (figuur 4). In de periode 2018-2019 is vooral een relatief grote stijging te zien in het aantal gemeenten met een stijging van de uitgaven tussen de 10% en 20%. Dit was ook het geval bij de ontwikkeling van het aantal cliënten. Hierbij past weer de opmerking dat bij kleine gemeenten kleine absolute verschuivingen kunnen resulteren in grote relatieve verschuivingen.
34
3.5
Indicator 3b: Ontwikkelingen in de verhouding tussen inkomsten uit eigen
3.6
Indicator 4: Ontwikkelingen in verschuivingen van algemene voorzieningen
bijdragen en uitgaven
naar maatwerkvoorzieningen
Als gekeken wordt naar de verhouding tussen de inkomsten uit gefactureerde eigen
Een gemeente kan besluiten om voorzieningen te verschuiven van
bijdragen en de gerealiseerde uitgaven aan maatwerkvoorzieningen exclusief verblijf
maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen of omgekeerd. Dit kon spelen
en opvang, zien wij dat de in de periode 2018 tot 2019 de uitgaven op landelijk niveau
in 2019, omdat in dat jaar de algemene voorzieningen nog niet onder het
met 10,1% stijgen, waar de inkomsten met 53,5% dalen. De verhouding tussen
abonnementstarief vielen en maatwerkvoorzieningen wel. In 2019 konden nog voor
inkomsten en uitgaven is daarmee in 2019 sterk gedaald ten opzichte van 2018 (van
alle algemene voorzieningen hogere eigen bijdragen worden gevraagd.
6,1% naar 2,6%). Het verschil tussen inkomsten uit eigen bijdragen en uitgaven is dus groter geworden. In de periode 2017 tot 2018 was er een stijging in de uitgaven van
Aan gemeenten is gevraagd om een inschatting te maken van de mate waarin een
8,7% en bleven de inkomsten nagenoeg gelijk (+1%). 2017 2018 Inkomsten uit € 189.510 € 191.577 gefactureerde eigen bijdrage exclusief verblijf en opvang Gerealiseerde € 2.869.498 € 3.119.805 uitgaven exclusief verblijf en opvang Ratio 6,6% 6,1%
voorziening vooral als een algemene voorziening of vooral als een 2019 € 89.105
maatwerkvoorziening wordt aangeboden. Van 291 gemeenten hebben wij een inschatting ontvangen voor de jaren 2017, 2018 en 2019. De resultaten van deze inschatting staan weergegeven in figuur 16 (2017), figuur 17 (2018) en figuur 18 (2019). Net als in het voorgaande jaar zien we verschillen in de mate waarin
€ 3.435.677
maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen worden gecombineerd, geïllustreerd door de middelste categorieën: voornamelijk maatwerk, evenveel maatwerk als algemeen en voornamelijk algemene voorzieningen. Zo wordt bij ruim
2,6%
Tabel 6 Inkomsten uit gefactureerde eigen bijdragen en gerealiseerde uitgaven voor
een kwart van de gemeenten beide type voorzieningen parallel aangeboden in de categorie hulp bij huishouden (27,5%). Bij dagbesteding is dit percentage zelfs 42,3%.
de maatwerkvoorzieningen in Nederland exclusief verblijf en opvang (x duizend)
Thema B: Gemeentelijk beleid ten aanzien van eigen bijdragen en Wmo-toegang
Thema B betreft mogelijke beleidsmatige reacties van gemeenten op de invoering van het abonnementstarief. In reactie op de invoering van het abonnementstarief kunnen gemeenten ervoor kiezen om hun beleid aan te passen. In de monitor zijn drie ‘beleidsknoppen’ opgenomen die effect kunnen hebben op de hoogte van de inkomsten en uitgaven in de Wmo. Elk van de drie knoppen is gekoppeld aan een aparte indicator in de monitor. Twee daarvan (indicator 4 en 6) lopen we hierna af. Indicator 5 is alleen in het diepteonderzoek aan bod gekomen (zie hoofdstuk 5).
35
Woonvoorzieningen
256
Woondiensten
160
2010 9
Vervoersvoorzieningen
115
243
Vervoersdiensten
21 11
204
Rolstoelen
25
42
261
Persoonlijke verzorging
1411
181
Overige ondersteuning… Overige maatwerkarrangementen
126
97
12
109
121
16
Overige hulpmiddelen
170
Overige groepsgerichte…
148
Kortdurend verblijf
8
135 6 10
102 127
236
15 32
Hulp bij het huishouden
196
49
7
Dagbesteding
198
50
31
Begeleiding
236 0
100
35 12 200
300
Aantal gemeenten Alleen maatwerkvoorzieningen Voornamelijk maatwerkvoorzieningen Evenveel maatwerk als algemene voorzieningen Voornamelijk algemene voorzieningen Alleen algemene voorzieningen
Figuur 16 Verdeling algemeen versus maatwerk per voorziening in 2017 (n=291) Op gemeentelijk niveau zien wij bij veel gemeenten een verschuiving tussen 2018 en 2019. Voor veel voorzieningen zien we dat de mate waarin voorzieningen ‘alleen maatwerkvoorzieningen’ zijn, kleiner is geworden in vergelijking met voorgaande jaren.
Figuur 17 Verdeling algemeen versus maatwerk per voorziening in 2018 (n=291) De aantallen in de categorie ‘voornamelijk maatwerkvoorzieningen zijn daarbij groter geworden. Deze verschuiving is duidelijk zichtbaar bij vervoersdiensten, dagbesteding en begeleiding. In de mate waarin voorzieningen ‘alleen algemene voorzieningen’ zijn, zien we minder verschuiving plaatsvinden. Er is wel een (kleine) verschuiving waarneembaar bij woondiensten, vervoersvoorzieningen, vervoersdiensten, overige ondersteuning individu/gezin en overige groepsgerichte ondersteuning. De groep
36
“Niet van toepassing/Onbekend” is kleiner geworden. We zien echter geen aanleiding
3.7
Indicator 6: Ontwikkelingen in minimabeleid en generiek verlaagd tarief
om te concluderen dat gemeenten in grote mate hebben gekozen voor een Om kwetsbare burgers financieel te ontlasten kunnen gemeenten ervoor kiezen om
verschuiving van voorzieningen van maatwerk naar algemeen.
een minimabeleid te voeren of om een lager maximaal bedrag (lager dan de € 19 van het abonnementstarief) te hanteren voor de eigen bijdrage of deze op nihil te stellen (uitsluiten van betaling eigen bijdrage). In het geval van een minimabeleid hoeven mensen met een inkomen tot een bepaalde, door de gemeente gekozen, grens geen eigen bijdrage te betalen. Uit gegevens van het CAK30 blijkt dat het aantal gemeenten dat een minimabeleid voert in 2019 is gestegen ten opzichte van 2018 (van 43 naar 55 gemeenten). Verder blijkt uit dezelfde gegevens van het CAK dat het aantal gemeenten dat werkt met een lager maximaal bedrag in 2019 is afgenomen (van 50 gemeenten in 2018 naar 7 gemeenten in 2019).
Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
Thema C heeft betrekking op het mogelijke gedrag van cliënten als gevolg van de invoering van het abonnementstarief. Indicator 7 komt in het diepteonderzoek aan bod (hoofdstuk 6). Hieronder gaan we in op indicator 8.
3.8
Indicator 8: Ontwikkelingen in doorstroom van Wmo naar Wlz
Zoals in paragraaf 1.2 beschreven kan het, doordat het verschil tussen eigen bijdragen voor Wmo- en Wlz-voorzieningen toeneemt, vooral voor hogereinkomensklassen, voor cliënten financieel aantrekkelijker worden om (langer) in de Wmo te blijven. In deze paragraaf beschrijven we de instroom in de Wlz van cliënten die in het voorgaande jaar ondersteuning vanuit de Wmo ontvingen, gebaseerd op informatie verzameld door het CBS. In de analyses zijn enkel gemeenten opgenomen waarvoor deze informatie over 2017, 2018 en 2019 beschikbaar was; dit zijn 202 Figuur 18 Verdeling algemeen versus maatwerk per voorziening in 2019 (n=291)
30
gemeenten.
https://www.hetcak.nl/regelingen/wet-maatschappelijke-ondersteuning/wmo-brief-
van-het-cak/wat-is-minimakorting
37
In 2019 zien we dat het aantal cliënten dat in het voorgaande jaar Wmo ontving en in
voorgaande jaar ondersteuning vanuit de Wmo ontving en dat in het huidige jaar is
het huidige jaar instroomt in de Wlz, is toegenomen en dat deze stijging voornamelijk
ingestroomd in de Wlz, maar dat de stijging in 2019 in absolute aantallen kleiner is
te zien is in de leeftijdsgroep 85 jaar en ouder (figuur 19). Wanneer de stijging in 2019
dan in 2018.
wordt vergeleken met de stijging in 2018 zien we dat deze relatief lager ligt, maar het verschil is beperkt. In absolute aantallen is de toename in 2019 dus minder groot dan in 2018 voor alle leeftijdsgroepen, waarbij de leeftijdsgroep 30 tot 45 jaar een uitzondering is. De toename voor deze groep betrof in 2018 2115 cliënten; in 2019 waren dit 2135 cliënten. Opvallend is dat voor de leeftijdsgroepen 18 tot en met 30 jaar en ouder dan 85 jaar de toename relatief minder groot is in 2019. Voor de eerste groep betrof de toename in 2018 2365 cliënten en in 2019 betrof de toename 1600. Voor de groep cliënten ouder dan 85 jaar steeg het aantal cliënten dat doorstroomde naar de Wlz respectievelijk 12.1325 cliënten en 11.035 cliënten.
Figuur 20 Aantal cliënten dat in het voorgaande jaar ondersteuning ontving vanuit de Wmo en in het huidige jaar in de Wlz is ingestroomd, uitgesplitst naar inkomensklasse (in euro) (n=202). Overall kunnen we voor deze indicator concluderen dat er een relatief minder sterke stijging is in de doorstroom van Wmo naar Wlz in 2019, maar dat dit in absolute zin Figuur 19 Aantal cliënten dat in het voorgaande jaar ondersteuning vanuit de Wmo
een beperkt effect is.
ontving en dat in het huidige jaar is ingestroomd in de Wlz, uitgesplitst naar leeftijdsklasse
Indien wij differentiëren naar het huishoudinkomen, zie figuur 20, dan zien wij dat voor alle inkomensklassen geldt dat er een stijging in het aantal cliënten is dat in het
38
4 Diepteonderzoek | Thema A: Gebruik van Wmovoorzieningen, kosten en opbrengsten eigen bijdrage 4.1
Inleiding
4.2
Bij de meeste gemeenten in het diepteonderzoek was in 2019 sprake van een trendbreuk in het gebruik van voorzieningen
De cijfermatige ontwikkelingen van de indicatoren van thema A hebben wij in het vorige hoofdstuk besproken. De indicatoren van thema A zijn ook meegenomen in het
17 van de 18 gemeenten uit het diepteonderzoek hebben in 2019 te maken met een
kwalitatieve deel van de monitor: het diepteonderzoek onder 18 gemeenten. In dit
stijging van het aantal cliënten die gebruik maken van een Wmo-voorziening. Bij de
hoofdstuk beschrijven we de inzichten uit het diepteonderzoek die betrekking hebben
gemeente waar geen sprake is van een stijging was in de jaren voor 2019 sprake van
op deze indicatoren, mede in relatie tot het abonnementstarief. Hoewel de resultaten
een sterke stijging van het Wmo-gebruik en kosten. Deze gemeente heeft in 2019
in dit hoofdstuk geen representatief beeld geven voor heel Nederland, geeft het wel
enkele maatregelen doorgevoerd om de kosten te beheersen, zoals het instellen van
een inkijk in de variatie aan ontwikkelingen ten aanzien van deze indicatoren voor
budgetplafonds en het invoeren van een resultaatbekostiging. Bij de meeste
2019 en de eerste helft van 2020.
gemeenten waar sprake is van een stijging geldt dat er in 2019 sprake is van een (al dan niet lichte) trendbreuk voor wat betreft het totale aantal Wmo-cliënten. Een aantal
Indicator 1: Aantal unieke cliënten met een Wmo-voorziening per gemeente (en per 1.000 inwoners), per leeftijdscategorie, per inkomensklasse en per type voorziening die vallen binnen het abonnementstarief
van deze gemeenten geeft aan dat deze trendbreuk eind 2018 al was ingezet, terwijl in andere gemeenten de grootste stijging pas in de loop van 2019 zichtbaar werd. Zoals we in de vorige monitorrapportage beschreven, zag een aantal gemeenten eind 2018 al een eerste extra toestroom van cliënten die anticipeerden op de lagere
Indicator 2: Inkomsten uit eigen bijdrage per gemeente, per leeftijdscategorie en per inkomensklasse die vallen binnen het abonnementstarief
Indicator 3a: Uitgaven aan Wmo-voorzieningen per gemeente die vallen binnen het abonnementstarief
bijdrage die vanaf 2019 zou gaan gelden. De ontwikkeling en de mate van de trendbreuk verschilt per type voorziening (zie volgende paragraaf).
Verschillende gemeenten in het diepteonderzoek geven aan dat in 2019 door de toename van het aantal aanmeldingen de doorlooptijden (soms flink) zijn opgelopen. Een aantal gemeenten heeft daarom de capaciteit van de gemeentelijke toegang
Indicator 3b: Verhouding tussen inkomsten en uitgaven per gemeente
vergroot. Bij andere gemeenten is de tijd tussen een eerste aanmelding en het keukentafelgesprek in 2019 flink opgelopen. Daarnaast geven verschillende gemeenten aan dat er in 2019 meer sprake was van wachttijden bij aanbieders, zoals bij aanbieders van hulpmiddelen, doordat de vraag was toegenomen.
39
14 van de 18 gemeenten herkennen, soms met enkele kleine kanttekeningen, de
hulp bij het huishouden. Daarnaast zijn er gemeenten die een vergelijkbare
cijfers over Wmo-gebruik van het CBS over 201931. Bij vier gemeenten werd
(stijgende) ontwikkeling zien in 2019 als in eerdere jaren bij dit type voorziening, of
aangegeven dat de cijfers niet geheel herkend werden. Oorzaken voor het niet geheel
waarbij het aantal cliënten in 2019 stabiel is gebleven ten opzichte van 2018.
aansluiten zijn voor zover bekend bij deze gemeenten vooral registratie-technisch van
4.3
aard aan de kant van de gemeente (soms had dit betrekking op eerdere jaren). In de
Enkele gemeenten uit het diepteonderzoek zien in hun cijfers ook bij voorzieningen
meeste gevallen betekende dit dat het exacte percentage van de ontwikkeling bij een
die vallen onder ondersteuning thuis (zoals individuele begeleiding en
bepaalde type voorziening niet herkend werd, maar dat de trend in de CBS-cijfers zelf
dagbesteding) in 2019 een sterkere stijging dan in de jaren ervoor. Andere
wel werd herkend. In een enkel geval was er voor een bepaalde type voorziening
gemeenten zien in 2019 bij deze type voorzieningen juist een vergelijkbare trend met
sprake van een uitbijter, wat werd veroorzaakt doordat van het ene op het andere jaar
de jaren ervoor, of zien dat het aantal cliënten stabiel gebleven is of zelfs wat is
een deel van een maatwerkvoorziening is overgegaan in een algemene voorziening.
afgenomen in 2019.
Er is vooral sprake van een toename in gebruik bij hulp in het huishouden, in
Ook vanuit de toegang wordt het hierboven geschetste beeld per type voorziening
mindere mate bij hulpmiddelen en woningaanpassingen
bevestigd: consulenten werkzaam in de gemeentelijke toegang zagen in 2019 vooral een stijging van het aantal nieuwe aanvragen voor hulp bij het huishouden, terwijl dit
De stijging van het Wmo-gebruik is bij de gemeenten in het diepteonderzoek vooral
beeld voor andere typen voorzieningen varieert tussen gemeenten.
zichtbaar bij hulp bij het huishouden. Bij 17 van de 18 gemeenten blijkt op basis van de CBS-cijfers sprake van een trendbreuk bij dit voorzieningentype. Dit beeld wordt
De meeste gemeenten uit het diepteonderzoek hebben geen duidelijk beeld van de
herkend door de betreffende gemeenten zelf. Bij een gemeente is het aantal cliënten
mate waarin stapeling van verschillende type Wmo-voorzieningen voorkomt. Enkele
dat gebruikmaakt van hulp bij het huishouden in 2019 stabiel gebleven. Het gaat hier
gemeenten geven aan te merken dat er meer mensen dan voorheen gebruikmaken
om dezelfde gemeente die ook op totaalniveau geen toename van het aantal cliënten
van verschillende type voorzieningen, terwijl andere gemeenten dit niet herkennen.
in 2019 ziet (zie ook de toelichting in 4.2). 4.4 Bij veel gemeenten is het beeld van de ontwikkeling bij andere type voorzieningen
Het abonnementstarief wordt gezien als belangrijkste oorzaak voor de waargenomen trendbreuk in het zorggebruik
anders dan bij hulp bij het huishouden. Wat betreft hulpmiddelen en diensten (zoals woningaanpassingen en scootmobielen) zien verschillende gemeenten in 2019 ook
In de gesprekken met verschillende betrokkenen binnen gemeenten, zoals
een sterke toename in het aantal cliënten dat hier gebruik van maakt. Deze stijging is
beleidsmedewerkers, controllers, teammanagers en medewerkers van de
in de meeste gevallen echter niet zo sterk als de stijging bij hulp bij het huishouden.
gemeentelijke toegang, wordt de invoering van het abonnementstarief genoemd als
Bovendien gaat het in absolute aantallen ook om kleinere aantallen cliënten dan bij
31
Deze cijfers hebben gemeenten zelf aangeleverd in het kader van de gemeentelijke
monitor sociaal domein en zijn tevens gebruikt in deze monitor (indicator 1, zie vorige hoofdstuk).
40
4.4.1
de belangrijkste oorzaak voor de trendbreuk in de stijging van het Wmo-gebruik. Dit
de conclusie dat het financieel voordeliger of even duur was om de particuliere hulp te
beeld is gebaseerd op de volgende observaties van deze betrokkenen.
houden. Zij zagen dan sneller van een Wmo-voorziening af.
Medewerkers van de toegang zien meer mensen uit hogere inkomensklassen een
Medewerkers van de gemeentelijke toegang van verschillende gemeenten in het
beroep doen op de Wmo
diepteonderzoek geven aan dat in 2019 verhoudingsgewijs steeds meer mensen tijdens een keukentafelgesprek het stoppen van hun particuliere hulp aandragen als
Medewerkers van de gemeentelijke toegang zagen in 2019 in verhouding (soms veel)
reden om nu een beroep op de Wmo te doen (voor hulp bij het huishouden). De
meer mensen uit hogere inkomensklassen een beroep doen op de Wmo die sinds de
consulenten geven daarbij aan het gevoel te hebben dat deze cliënten goed weten
invoering van het abonnementstarief een aanzienlijk lagere eigen bijdrage betalen.
wat ze moeten zeggen tijdens het keukentafelgesprek om voor een indicatie in
Naast de groepen mensen uit lagere inkomensklassen die zich ook nog steeds
aanmerking te komen, maar kunnen er de vinger niet geheel achter krijgen. Het
melden. Voor mensen met een lager inkomen heeft de invoering van het
vermoeden bij hen is groot dat de lagere eigen bijdrage een belangrijke factor is,
abonnementstarief vaak maar een beperkte invloed op de hoogte van de te betalen
maar dat ze dat niet openlijk durven te zeggen.
eigen bijdrage. Medewerkers van de gemeentelijke toegang weten niet exact wat de inkomenspositie is van mensen die zich melden, maar aan de hand van een
Zowel cliëntvertegenwoordigers als consulenten geven aan dat steeds meer, maar
keukentafelgesprek wordt daar wel een globaal beeld van gevormd. Onder andere
nog niet alle, inwoners/cliënten weten dat de eigen bijdrage niet meer
door de woonsituatie die ze aantreffen, zoals het type woning en wijken waar ze in
inkomensafhankelijk is en 19 euro per maand bedraagt. Voor mensen die een hoger
2019 vaker kwamen dan in de jaren ervoor. De landelijke cijfers (zie hoofdstuk 3)
inkomen hebben, betekent dit dat de kosten voor het gebruik van een Wmo-
ondersteunen deze waarnemingen door medewerkers van de gemeentelijke toegang,
voorziening flink zijn afgenomen. De (hoogte van de) eigen bijdrage was en is volgens
namelijk dat er in 2019 in verhouding meer mensen met een hoger inkomen een
cliëntvertegenwoordigers en medewerkers van de gemeentelijke toegang een
beroep deden op de Wmo.
belangrijk aspect bij cliënten in de overweging om al dan niet een beroep te doen op de Wmo. Zie ook hoofdstuk 5 waarin we dieper ingaan op de motieven van cliënten
4.4.2
Voor cliënten is een lagere eigen bijdrage een reden om (nu) een beroep op de Wmo
om een beroep te doen op de Wmo.
te doen 4.4.3 Medewerkers van de gemeentelijke toegang zagen in 2019 steeds vaker mensen
Trendbreuk in 2019 vooral zichtbaar bij voorzieningen waar voor cliënten alternatieven bestaan
openlijk aangeven dat de (voor mensen met een hoger inkomen veel lagere) eigen bijdrage van 19 euro per maand de reden is dat ze (nu) een beroep doen op de Wmo
De landelijke en lokale cijfers laten zien dat in 2019 vooral sprake was van een
en de particuliere hulp aan de kant hebben gezet. Ook gebeurt het dat dit niet zo
trendbreuk bij het gebruik van hulp bij het huishouden en in mindere mate bij
openlijk wordt gezegd, maar blijkt dit wel uit het keukentafelgesprek. Op basis hiervan
hulpmiddelen en diensten. Bij sommige gemeenten is echter ook bij hulpmiddelen en
kunnen medewerkers van de toegang de aanvraag niet afwijzen. In de jaren voor
diensten sprake van een trendbreuk. Bij voorzieningen die vallen onder ondersteuning
2019 kwamen cliënten die een hogere eigen bijdrage moesten betalen vaker zelf tot
thuis is een trendbreuk niet of veel minder zichtbaar. Voor deze specifieke trends hebben verschillende medewerkers van de toegang die wij in het diepteonderzoek
41
hebben gesproken vanuit hun beroepsmatige ervaring een duidelijke verklaring. In de
4.5
De gemeentelijke uitgaven aan Wmo-voorzieningen zijn in 2019 toegenomen
eerste plaats komen er in verhouding veel mensen in aanmerking voor hulp bij het huishouden. Voor een deel van de mensen die hiervoor in aanmerking komen,
16 van de 18 gemeenten uit het diepteonderzoek hebben in 2019 te maken met een
bestaat een alternatief in de vorm van een particuliere hulp. Door het
toename van de uitgaven aan Wmo-voorzieningen. Deze gemeenten zien vooral een
abonnementstarief is deze particuliere hulp financieel gezien een minder aantrekkelijk
toename van de uitgaven aan hulp bij het huishouden. Opvallend veel gemeenten
alternatief geworden voor hulp bij het huishouden via de Wmo.
noemen ook de (soms zeer grote) toename van de uitgaven aan woningaanpassingen. Hoewel het bij woningaanpassingen om een relatief klein
Voor woningaanpassingen (onderdeel van hulpmiddelen en diensten) geldt dat er in
aantal nieuwe cliënten gaat, gaat het wel om grote bedragen.
absolute zin veel minder mensen voor in aanmerking komen en dat de eigen bijdrage tot 2019 heel hoog kon zijn bij een hoog inkomen, waardoor het in die situaties
Op totaalniveau varieert de stijging van de uitgaven volgens opgave van de
financieel voordeliger was om zelf een woningaanpassing te betalen. Met een eigen
gemeenten uit het diepteonderzoek tussen de 5% en 25% (2019 ten opzichte van
bijdrage van 19 euro per maand is de situatie vanaf 2019 sterk veranderd en maken
2018). Op voorzieningenniveau is de variatie groter. Bij de twee gemeenten uit het
mensen met een hoger inkomen nu vaker de afweging om de woningaanpassing via
diepteonderzoek waar sprake is van een daling van de uitgaven varieert de daling in
de Wmo te organiseren als ze daarvoor in aanmerking komen. Voor scootmobielen
2019 ten opzichte van 2018 van -5% tot -17%. Beide gemeenten zijn grote steden
(ook onderdeel van hulpmiddelen en diensten) geldt ook dat tot 2019 de eigen
met een relatief laag gemiddeld inkomen. De twee gemeenten met een stijging van de
bijdrage behoorlijk hoog kon zijn bij een hoger inkomen, waardoor vaker de afweging
uitgaven van boven de 20% in 2019 betreffen relatief kleine gemeenten met een
gemaakt werd om zelf een scootmobiel aan te schaffen. Oftewel, bij dergelijke
gemiddeld hoog besteedbaar inkomen.
voorzieningen haakten tot 2019 mensen die een aanvraag deden af op het moment dat de eigen bijdrage ter sprake kwam en het duidelijker werd wat er ongeveer
De meeste gemeenten uit het diepteonderzoek met een toename van de uitgaven in
maandelijks betaald moest worden aan eigen bijdrage.
2019 noemen de invoering van het abonnementstarief als een belangrijke verklaring voor de (extra) toename, naast de meer autonome ontwikkelingen die in hoofdstuk 2
Bij individuele begeleiding en dagbesteding (ondersteuning thuis) gaat het om
zijn beschreven. Dit beeld wordt ondersteund door de stijging in 2019 van het aantal
andersoortige voorzieningen. Er was en is veel minder vaak een alternatief
cliënten dat gebruikmaakt van een Wmo-voorziening, vooral bij hulp bij het
beschikbaar voor mensen die een dergelijke ondersteuningsbehoefte hebben. Als een
huishouden (zie ook 4.3 en 4.4). Andere specifieke oorzaken worden echter ook
dergelijke voorziening nodig blijkt te zijn, dan wordt en werd dit in de praktijk min of
genoemd door enkele gemeenten, zoals:
meer altijd ingezet. De situatie laat het volgens consulenten niet toe om hiervan af te
a.
Aanpassing van de tarieven in 2019;
zien.
b.
Verschuiving van een persoonsgebonden budget naar zorg in natura;
c.
Verschuiving naar meer specialistische productvarianten.
Dergelijke observaties van consulenten ondersteunen de trends die zichtbaar zijn in de cijfers, en bieden hiervoor de meest aannemelijke verklaring.
42
4.6
De mate waarin de inkomsten uit eigen bijdragen omlaag gaan, verschilt soms
huishouden dat deze algemene voorziening in 2019 moeilijk te handhaven
sterk per gemeente
was naast de maatwerkvoorzieningen, juist vanwege het verschil in eigen bijdrage dat cliënten moeten betalen. Bij deze gemeente zien we dan ook dat
De meeste gemeenten in het diepteonderzoek geven aan in 2019 in vergelijking met
de instroom naar de algemene voorziening stop is gezet en dat cliënten alleen
2018 ongeveer 30% tot 50% minder inkomsten uit eigen bijdragen te hebben
nog voor een maatwerkvoorziening, met de gemaximeerde eigen bijdrage, in
ontvangen. De verschillen tussen gemeenten in de mate waarin zij minder inkomsten
aanmerking komen.
uit eigen bijdragen ontvangen, zijn soms groot (zie ook hoofdstuk 3). Dit heeft verschillende oorzaken:
Gemeenten worden door het Rijk gecompenseerd voor de derving in de inkomsten uit
a.
De cliëntenpopulatie per gemeente verschilt qua samenstelling. Sommige
eigen bijdragen en voor een toename van de vraag naar Wmo-voorzieningen als
gemeenten hebben te maken met een relatief groot deel van de
gevolg van de invoering van het abonnementstarief. Deze compensatie verloopt
cliëntenpopulatie met een dusdanig laag inkomen, dat vaak al een lage eigen
jaarlijks via de verdeelsleutel van het verdeelmodel die wordt gehanteerd voor het
bijdrage van toepassing was. Het effect van de invoering van het
verdelen van de financiële middelen voor de Wmo over alle gemeenten (als
abonnementstarief is voor deze gemeenten beperkter dan voor gemeenten
onderdeel van het gemeentefonds). Die verdeling houdt geen rekening met de
met een relatief groot aandeel cliënten met een laag inkomen. Het zijn dan ook
hierboven genoemde situaties (a, b en c) die zich kunnen voordoen, waardoor
de gemeenten met gemiddeld genomen hogere inkomens die een relatief
sommige gemeenten aangeven dat de compensatie die zij uiteindelijk ontvangen niet
sterke afname van de inkomsten uit eigen bijdragen ervaren;
strookt met de daadwerkelijke derving aan inkomsten uit eigen bijdrage.
b.
Sommige gemeenten hanteerden al een generiek verlaagd tarief (een beleid waarbij de eigen bijdrage lager is dan het wettelijke maximum), terwijl andere
4.7
Ontwikkelingen eerste helft 2020
gemeenten dit niet deden. Voor gemeenten die een generiek verlaagd tarief
c.
hadden, is het effect van de invoering van het abonnementstarief op de
Gemeenten in het diepteonderzoek hebben we ook gevraagd naar de ontwikkelingen
inkomsten uit eigen bijdragen kleiner dan gemeenten zonder een generiek
in zorggebruik in de eerste helft van 2020. Deze ontwikkelingen worden sterk
verlaagd tarief. Hierbij maakt het nog uit of gemeenten ook in 2019 en daarna
beïnvloed door de coronacrisis en de intelligente lockdown die in maart in Nederland
nog vasthouden aan een generiek verlaagd tarief of niet. Een van de 18
werd ingesteld. Zoals we hoofdstuk 2 beschrijven is de toestroom van nieuwe cliënten
gemeenten uit het diepteonderzoek hanteerde in 2019 en de jaren ervoor een
na de eerste twee maanden bij de meeste gemeenten gedurende enkele maanden
generiek verlaagd tarief. Voor deze gemeente zijn de inkomsten uit eigen
(soms fors) omlaag gegaan en is een deel van de hulpverlening tijdelijk stil komen te
bijdragen ongeveer gelijk gebleven;
liggen. Gemeenten gaven in het diepteonderzoek nog wel aan dat in de eerste twee
Gemeenten die naast maatwerkvoorzieningen ook algemene voorzieningen
maanden van 2020, dus nog voor de intelligente lockdown in Nederland, de
hebben, bijvoorbeeld voor hulp bij het huishouden, hadden in 2019 voor dat
ontwikkeling die in 2019 zichtbaar was zich aan het doorzetten was. Vanaf maart
deel van de voorzieningen nog niet te maken met een afname van de
werd alles anders en pas in toekomstige monitorrapportages kunnen we inzichtelijk
inkomsten uit eigen bijdrage. Een deel van de algemene voorzieningen valt
maken wat dit betekent voor de ontwikkelingen op het gebied van zorggebruik,
vanaf 1 januari 2020 onder het abonnementstarief (zie ook bijlage A). We zien
uitgaven en inkomsten. Hierbij speelt namelijk ook dat aanbieders, in reactie op het
echter wel bij een gemeente met een algemene voorziening voor hulp bij het
dwingende beroep van VNG en Rijk om de omzet onverkort door te betalen, werden
43
doorbetaald, ook als voorzieningen niet geleverd konden worden. Ook kunnen er nog extra kosten worden gemaakt vanwege de coronamaatregelen die moesten worden getroffen bij het leveren van hulp en ondersteuning. Gemeenten worden wel gecompenseerd voor de verschillende (gevolgen van) coronamaatregelen32. Gemeenten geven aan momenteel nog geen goed beeld te hebben van de ontwikkelingen van de uitgaven in 2020. Daarbij is het voor gemeenten in 2020 onduidelijk wat de inkomsten uit eigen bijdragen zullen zijn, aangezien Wmo-cliënten over de maanden april en mei geen eigen bijdrage hoeven te betalen. Daarbij speelt dat het CAK begin 2020 de ICT-systemen, die verantwoordelijk zijn voor de vaststelling en inning van de eigen bijdrage Wmo, nog niet geheel aangepast waren aan de nieuwe situatie (inning van € 19,- per maand in plaats van € 17,50 per vier weken), waardoor het CAK pas later in 2020 kon beginnen met het innen van de eigen bijdragen Wmo. Dergelijke factoren dragen bij aan de onzekerheid met betrekking tot uitgaven en inkomsten in 2020.