21bb9372 Bijlage B behorende bij 21bb9370 over monitor abonnementstarief WMO tweede rapportage 2020
Tekst van het document
32
https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/05/28/compensatie-coronacrisis-
voor-gemeenten; en
https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/08/31/aanvullende-compensatiecorona-voor-gemeenten
44
5 Diepteonderzoek | Thema B: Gemeentelijk beleid ten aanzien van eigen bijdragen en Wmo-toegang 5.1
Inleiding
5.2
Gedreven door oplopende tekorten binnen het sociaal domein willen gemeenten in het diepteonderzoek bezuinigingsmaatregelen doorvoeren
Gemeenten beschikken over een aantal ‘beleidsknoppen’ die effect kunnen hebben op de hoogte van de inkomsten en de uitgaven in de Wmo. In het ontwerp van deze
De meeste gemeenten in het diepteonderzoek hebben in 2019 geen of nauwelijks
monitor zijn drie van deze ‘knoppen’ geïdentificeerd en opgenomen als indicator in de
wijzigingen doorgevoerd in hun Wmo-beleid. Een deel van deze gemeenten gaf aan
monitor (indicatoren 4 tot en met 6).
voorafgaand aan 2019 wel grote zorgen te hebben gehad ten aanzien van de invoering van het abonnementstarief en de verwachte aanzuigende werking ervan. Deze gemeenten hebben qua begroting hier in 2019 op geanticipeerd en vervolgens
Indicator 4: Verschuiving van maatwerkvoorzieningen naar algemene
2019 gebruikt om te ontdekken wat de uiteindelijke gevolgen zijn. Een van de 18
voorzieningen en vice versa
gemeenten uit het diepteonderzoek had in de jaren voorafgaand aan 2019 al te maken met grote tekorten binnen de Wmo, waardoor deze gemeente verschillende
Indicator 5: Verandering in lokaal Wmo-beleid gericht op de toegang
beleidswijzigingen en wijzigingen in de uitvoering had doorgevoerd. Deze maatregelen hebben volgens de betreffende gemeente in 2019 bijgedragen aan het
Indicator 6: Het aantal gemeenten dat een minimabeleid of generiek verlaagd
stabiliseren van het zorggebruik (zie ook hoofdstuk 4).
tarief hanteert per jaar In de vorige monitorrapportage (d.d. 18 november 2019) hadden we op basis van het diepteonderzoek al vastgesteld dat de meeste gemeenten in 2019 geen grote In dit hoofdstuk beschrijven we eventuele veranderingen sinds 1 januari 2019 tot
wijzigingen hadden doorgevoerd in hun beleid en waren dit ook niet van plan voor
halverwege 2020 (het moment van het diepteonderzoek) aan de hand van deze drie
2020. Gemeenten geven in het huidige diepteonderzoek inmiddels echter wel aan dat
indicatoren bij de gemeenten in het diepteonderzoek. We behandelen deze
door de opgelopen tekorten in het sociaal domein (met name binnen de jeugdzorg en
indicatoren daarbij vooral in relatie tot het abonnementstarief. We kijken echter ook
de Wmo), waarvan zij stellen dat het abonnementstarief een belangrijke oorzaak is,
breder naar ontwikkelingen in gemeentelijk beleid die relevant zijn in de context van
momenteel de mogelijkheden te onderzoeken om de kosten te beperken. Waar in
de Wmo.
eerdere jaren tekorten nog werden opgevuld door in eerdere jaren opgebouwde reserves, geven veel gemeenten in het diepteonderzoek aan zich gesteld te zien voor bezuinigingsopgaven. Zo waren er ten tijde van het diepteonderzoek (mei-juli 2020) verschillende maatregelen in voorbereiding bij gemeenten en lagen er verschillende
5 Diepteonderzoek | Thema B: Gemeentelijk beleid ten aanzien van eigen bijdragen en Wmo-toegang
45
collegevoorstellen hiertoe klaar. In de volgende paragrafen gaan we verder in op de
buiten het abonnementstarief om34. Andere voorbeelden zijn meer groepsgerichte
beleidswijzigingen van gemeenten die betrekking hebben op de Wmo.
ondersteuningsvormen als algemene voorziening naast bestaande maatwerkvoorzieningen. Een van de 18 gemeenten was daartoe in 2019 al met een
5.3
Gemeenten in het diepteonderzoek hebben in 2019 ten opzichte van 2018
aantal algemene voorzieningen gestart.
beperkt geschoven tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen, maar komen in 2020 meer in beweging
Een ander potentieel effect van de invoering van het abonnementstarief is een contraire verschuiving: gemeenten die meer maatwerkvoorzieningen aanbieden om
Waar de invoering van het abonnementstarief voor maatwerkvoorzieningen geldt
sterker te kunnen sturen op de toegang. Twee van de gemeenten in het
vanaf 2019, vallen algemene voorzieningen pas vanaf 2020 onder het
diepteonderzoek hebben in 2019 een algemene voorziening (van beperkte omvang)
abonnementstarief33. Hierdoor is er in 2019 nog geen sprake van een effect op de
afgeschaft als bezuinigingsmaatregel. Een gemeente is gestopt met een grotere
inkomsten uit eigen bijdragen voor algemene voorzieningen. Sommige gemeenten
algemene voorziening met als reden dat het vanwege het abonnementstarief weinig
zouden het daarom in 2019 financieel aantrekkelijk kunnen vinden om bestaande
toegevoegde waarde meer had, omdat deze algemene voorziening juist bedoeld was
Wmo-maatwerkvoorzieningen aan te bieden in de vorm van een algemene
als makkelijk toegankelijk en goedkoper alternatief voor de maatwerkvoorzieningen.
voorziening (indicator 4). Dat zou een verschuiving betekenen naar algemene
Door de invoering van het abonnementstarief viel het financiële voordeel voor cliënten
voorzieningen, hoewel dit maar gedurende een jaar (2019) een potentieel voordeel
weg, waardoor de gemeente ervoor heeft gekozen om enkel nog met een
voor gemeenten zou opleveren. Geen van de deelnemende gemeenten in de
maatwerkvoorziening te werken bij hulp bij het huishouden.
diepteonderzoeken van vorig jaar en dit jaar heeft dan ook voor gekozen voor een ‘tijdelijke’ algemene voorziening om zo voor 2019 toch nog extra eigen bijdragen te
Twee gemeenten hebben de eigen bijdrage van een algemene voorziening die buiten
kunnen innen.
het abonnementstarief valt (vanwege het ontbreken van een duurzame hulpverleningsrelatie) verhoogd, of zijn dit van plan voor 2021. Voor een deel is dit
Gemeenten lijken ten tijde van het diepteonderzoek, medio 2020, minder
een reactie op de afname van de inkomsten uit eigen bijdragen vanuit de Wmo. Zes
terughoudend te zijn om structurele veranderingen door te voeren. Van de 18
gemeenten met een algemene voorziening hebben geen aanpassingen gedaan in
gemeenten uit het diepteonderzoek zijn vier gemeenten momenteel bezig met het
hun algemene voorzieningen en zijn ook niet voornemens dit te doen. Een gemeente
ontwikkelen van een nieuwe algemene voorziening of zijn hier voornemens toe. Het
overweegt om vanaf 2021 verschuivingen tussen maatwerk- en algemene
gaat dan bijvoorbeeld om het ontwikkelen van een was- en strijkservice, wat nu nog
voorzieningen door te voeren, maar het is nog niet bekend welke kant dat opgaat.
onderdeel is van de maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden. De indicaties voor hulp bij het huishouden kunnen vervolgens voor een deel omlaag, terwijl voor de was- en strijkservice een gebruiksgerelateerde eigen bijdrage geheven kan worden,
33
Zie bijlage A voor een nadere toelichting van de veranderingen per 2019 en 2020.
Niet alle algemene voorzieningen vallen vanaf 2020 onder het abonnementstarief.
34
Volgens de gemeente gaat het in dit geval niet om duurzame
hulpverleningsrelaties, waardoor het abonnementstarief niet van toepassing is.
5 Diepteonderzoek | Thema B: Gemeentelijk beleid ten aanzien van eigen bijdragen en Wmo-toegang
46
5.4
Gemeenten geven aan niet in brede zin ‘strenger’ te sturen op de toegang
Daarentegen benadrukken beleidsmedewerkers en medewerkers van de
omdat de mogelijkheden die ze hiertoe hebben beperkt zijn
gemeentelijke Wmo-toegang dat ‘aan deze knop niet eindeloos kan worden gedraaid’. Ten eerste is sturing op eigen kracht en eigen netwerk al een van de belangrijkste
Met betrekking tot de uitgaven aan Wmo-voorzieningen betreft de tweede
speerpunten sinds de ingang van de Wmo in 2015. Dit speerpunt is vaak al zorgvuldig
‘beleidsknop’ een strengere sturing op de toegang (indicator 5). Dit kan zowel door
geïmplementeerd in de vormgeving van de toegang, waardoor er maar weinig ruimte
minder indicaties af te geven als door ‘strenger’ te indiceren per afgegeven indicatie.
resteert om nog strenger te indiceren. Het netwerk waarop een beroep kan worden
Wanneer beleidsmatig wordt besloten dat er strenger wordt geïndiceerd, heeft dit
gedaan, is volgens medewerkers van de toegang vaak ook beperkt. Ten tweede
gevolgen voor het keukentafelgesprek. Medewerkers van de gemeentelijke Wmo-
vertaalt een groter beroep op het eigen netwerk zich in een groter beroep op
toegang moeten dan strakker sturen op eigen kracht, bijvoorbeeld door cliënten te
mantelzorgers, terwijl er juist sprake dient te zijn van een balans tussen de inzet van
stimuleren om meer aanspraak te doen op het eigen netwerk.
Wmo-voorzieningen en mantelzorg bij de ondersteuning van een cliënt. Medewerkers van de toegang geven aan dat mantelzorgers vaak nu ook al tekenen van
De meeste gemeenten in het diepteonderzoek geven dan ook aan in 2019 en 2020
overbelasting vertonen. Het uit handen nemen van de ‘zwaardere taken’, door de
hun beleid ten aanzien van de toegang niet te hebben aangepast. De medewerkers
inzet van Wmo-voorzieningen, kan ervoor zorgen dat de duurzaamheid van de
van de Wmo-toegang van deze gemeenten die we hebben gesproken, bevestigen
geboden mantelzorg toeneemt. Als gevolg hiervan geven medewerkers van de
ook dat er geen grote aanpassingen zijn gedaan in de werkwijze van de toegang.
gemeentelijke toegang aan terughoudend te zijn in het doen van een onevenredig
Enkele van deze gemeenten geven aan de afgelopen periode wel een
groot beroep op mantelzorgers.
professionaliseringsslag te hebben gemaakt met de toegang, waarbij bijvoorbeeld de taakverdeling is aangepast, of waarbij de werkwijze is aangescherpt. Dergelijke
De meeste cliëntorganisaties die wij in het diepteonderzoek hebben gesproken,
professionaliseringsslagen en vooral organisatorische veranderingen zien deze
hebben geen signalen opgevangen dat gemeenten strenger zijn gaan indiceren.
gemeenten als een ontwikkeling die niet is getriggerd door de invoering van het
Slechts enkele cliëntorganisaties zeggen dit wel te merken bij hun gemeente. Een
abonnementstarief.
cliëntorganisatie geeft aan dat hun gemeente streng indiceert, maar dat zij dit voor 2019 ook al deed. Een andere cliëntorganisatie geeft aan te merken dat de gemeente
Desondanks geven acht van de 18 gemeenten uit het diepteonderzoek aan op
vanaf 2019 vaker naar oplossingen in het vrijwillige circuit verwijst. Hier is de
specifieke onderdelen wel te proberen strenger en/of soberder te indiceren. Het gaat
cliëntorganisatie kritisch op, omdat dit toch wat anders is dan professionele hulp.
bijvoorbeeld om het afgeven van kortere indicaties bij cliënten waarvan het beeld is dat zij ‘dicht tegen de Wlz aanzitten’, waarbij deze mensen wordt gevraagd in die
Relatief veel cliëntorganisaties die wij hebben gesproken maken zich zorgen over de
periode een Wlz-indicatie aan te vragen. Een ander voorbeeld is een gemeente die
effecten van het abonnementstarief. Zij zien dat de 19 euro die als eigen bijdrage
sinds 2020 niet meer de mogelijkheid biedt dat aanbieders een aanvraag voor
wordt geheven niet in verhouding staat tot de kosten die worden gemaakt door de
cliënten kunnen indienen. Een andere gemeente heeft het basisaantal uren voor hulp
gemeente. Daarbij ontvangen zij ook veel signalen (uit de media) dat gemeenten te
bij het huishouden iets verlaagd.
maken hebben met oplopende tekorten. Zij vrezen dan ook dat gemeenten uiteindelijk wel maatregelen (moeten) gaan doorvoeren, zoals strenger indiceren of het versoberen van voorzieningen. Zij spreken de zorg uit dat een algemeen
5 Diepteonderzoek | Thema B: Gemeentelijk beleid ten aanzien van eigen bijdragen en Wmo-toegang
47
doorgevoerde versobering of strenger indiceren juist de kwetsbaarste groepen, met
Een gemeente uit het vorige diepteonderzoek (medio 2019) had het minimabeleid in
veelal een lager inkomen, treffen.
2019 volledig geschrapt als gevolg van tekorten binnen de Wmo-begroting. Een andere gemeente, uit het diepteonderzoek van dit jaar geeft aan dat het minimabeleid
5.5
In 2020 staan compenserende maatregelen voor inwoners met een laag
vanwege de financiële situatie onder druk staat en dat er momenteel op bestuurlijk
inkomen bij verschillende gemeenten ter discussie
niveau wordt gesproken over eventuele afschaffing hiervan. Een andere gemeente geeft aan te overwegen om de inkomensgrens van wanneer mensen in aanmerking
Gemeenten hebben de mogelijkheid om financieel maatwerk te bieden voor inwoners
komen voor vrijstelling van het betalen van een eigen bijdrage naar beneden op te
en compenserende maatregelen te treffen (indicator 6). Zij kunnen bijvoorbeeld een
schuiven. Een van de 18 gemeenten werkt met een generiek verlaagd tarief en heeft
financiële tegemoetkoming bieden aan mensen die vanwege een ziekte en/of een
dit in 2019 niet aangepast. Inmiddels staat het generiek verlaagd tarief in deze
beperking aannemelijke meerkosten hebben. Ook hebben zij de mogelijkheid een
gemeente vanwege de oplopende tekorten in het sociaal domein wel ter discussie.
collectieve verzekering met een aanvullende verzekering en herverzekering van het eigen risico aan te bieden of bijzondere bijstand te verlenen. Daarnaast kunnen gemeenten minimabeleid voeren waarmee bepaalde groepen tot een bepaald inkomen geen bijdrage betalen. Tot slot is er nog de individuele vrijstelling van de bijdrage via de hardheidsclausule. Van een andere orde is een generiek verlaagd tarief: een algemene korting op de eigen bijdrage. Gemeenten in het diepteonderzoek is gevraagd naar eventuele wijzigingen ten aanzien van het voeren van minimabeleid en/of het generiek verlaagd tarief.
Het overgrote deel van de gemeenten in het diepteonderzoek dat regelingen heeft om bepaalde doelgroepen te ontzien geeft aan niet voornemens te zijn om deze regelingen (deels) te schrappen en/of hier wijzigingen in aan te brengen om de uitgaven aan Wmo-voorzieningen te beïnvloeden. Net als bij de knop van strengere indicaties in de toegang, zijn beleidsmakers van de gemeenten uit het diepteonderzoek terughoudend om deze ‘knop’ te gebruiken. Zo legt het (deels) schrappen van minimabeleid een onevenredige toename in de kosten bij de lagere inkomensklassen, terwijl het abonnementstarief volgens gemeenten juist voordelig werkt voor de middeninkomens en hogere inkomens. Anderzijds hebben meerdere gemeenten in het diepteonderzoek hun zorgen geuit over volgens hen onontkoombare bezuinigingen op het minimabeleid, indien de tekorten binnen de gemeentelijke Wmo-begroting oplopen als gevolg van het abonnementstarief.
5 Diepteonderzoek | Thema B: Gemeentelijk beleid ten aanzien van eigen bijdragen en Wmo-toegang
48
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten gedragsveranderingen van cliënten te achterhalen. Daarbij kon het gaan om 6.1
Inleiding
adviesraden, maar ook om ouderenbonden en verenigingen die belangen van mensen met een handicap vertegenwoordigen. In sommige gevallen spaken we
In de voorgaande hoofdstukken hebben we stilgestaan bij de ontwikkelingen in het
daarbij met personen die zelf Wmo-cliënt zijn.
zorggebruik en het beleid dat gemeenten voeren naar aanleiding van de invoering van het abonnementstarief. In dit hoofdstuk bespreken we de bevindingen rond de
In dit hoofdstuk maken wij een onderscheid tussen een beroep doen op het eigen
indicatoren van thema C. Het gaat om de volgende twee indicatoren:
netwerk en beroep doen op eigen kracht in financiële zin. Wij hebben gemerkt dat gemeenten het vaker over ‘eigen kracht’ hebben, waarbij beide componenten vaak
Indicator 7: Beroep op de Wmo door burgers die voorheen een beroep deden op het eigen netwerk, of hulp inkocht volledig uit eigen middelen
samengenomen worden. Voor ons onderzoek hebben wij beide aspecten van ‘eigen kracht’ apart onderzocht en bevraagd, waardoor wij hier een uitsplitsing in kunnen maken. Voor indicator 7 zullen wij eerst ingaan op het beroep op eigen netwerk en
Indicator 8: Aantal cliënten met een Wmo-voorziening in jaar t-1 die op enig
daarna op het financiële aspect.
moment in jaar t zorg vanuit de Wlz ontvangen, uitgesplitst naar inkomensklasse en leeftijdsgroep
Indicator 8 gaat over de doorstroom van de Wmo naar de Wlz. Doordat het verschil in eigen bijdrage tussen de Wmo- en Wlz-voorzieningen groter wordt door de invoering van het abonnementstarief, kan het voor cliënten aantrekkelijker worden om langer in
Thema C heeft daarmee betrekking op het mogelijke gedrag van cliënten als gevolg
de Wmo te blijven in plaats van door te stromen naar de Wlz.
van de invoering van het abonnementstarief. Mogelijke gevolgen van de invoering van het abonnementstarief zijn dat mensen minder beroep doen op hun eigen netwerk en
Indicator 8 is ook onderdeel van het kwantitatieve onderzoek, zie hoofdstuk 3.
hun eigen beschikbare financiële middelen. Dit effect wordt gevangen in indicator 7.
Daarnaast zijn zowel indicator 7 als indicator 8 onderdeel geweest van het kwalitatieve deel van de monitor. In de gesprekken bij de 18 gemeenten uit het
In de aanpak van het diepteonderzoek hebben wij gesproken met medewerkers van
diepteonderzoek zijn deze thema’s ook aan de orde gekomen, waardoor we hierover
de gemeentelijke toegang die vaak dagelijks met cliënten te maken hebben. Zij
(kwalitatieve) inzichten kunnen delen. In dit hoofdstuk worden de bevindingen uit het
hebben op basis van hun ervaring tot op zekere hoogte zicht op de motivatie van
diepteonderzoek weergegeven.
nieuwe cliënten om zich te melden bij de gemeente om in aanmerking te komen voor een voorziening. Daarnaast hebben wij bij 15 gemeenten gesprekken gevoerd om het cliëntperspectief te kunnen meenemen in het onderzoek en om mogelijke 6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
49
6.2
Beroep op eigen netwerk is en blijft in alle gemeenten het uitgangspunt, maar het gesprek erover is moeilijker geworden
6.2.2
Het gesprek vanuit de gemeentelijke toegang met de cliënt over zelfredzaamheid en een beroep doen op het eigen netwerk is volgens de gemeentelijke toegang moeilijker geworden
6.2.1
Beroep op eigen netwerk blijft, net zoals vorig jaar, het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid. In de praktijk is het moeilijker om inwoners ‘in hun eigen kracht’
Omdat het beroep op eigen netwerk ook in 2019 een uitgangspunt van veel
te zetten
gemeenten is gebleven, blijven Wmo-consulten hierover het gesprek met inwoners die een aanvraag doen aangaan, bijvoorbeeld tijdens het keukentafelgesprek of bij
In de gesprekken bij de 18 gemeenten in het diepteonderzoek kwam naar voren dat
een telefonische intake. In dit opzicht is hierin niets veranderd door de invoering van
zij grote overeenkomsten vertonen in de visie die zij hebben ten aanzien van het
het abonnementstarief. Medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang proberen
beroep doen op eigen netwerk. In gesprekken met beleidsmedewerkers kwam, net
een zo goed mogelijk beeld te krijgen van het netwerk rond een cliënt. Hierin zoeken
zoals in het diepteonderzoek van vorig jaar, ter sprake dat het ‘beroep op eigen
zij naar mogelijkheden om problemen van een cliënt binnen het eigen netwerk op te
netwerk’ een belangrijk uitgangspunt is van het beleid dat de gemeente voert.
lossen door middel van eigen kracht. Zoals in hoofdstuk 2 al is benoemd, zorgen
Daarnaast leeft dit onderwerp ook bij de medewerkers van de Wmo-toegang die het
coronamaatregelen ervoor dat de keukentafelgesprekken en intakes in het voorjaar
keukentafelgesprek voeren met de cliënten. De onderzochte gemeenten geven aan
van 2020 niet fysiek konden plaatsvinden. Medewerkers van de gemeentelijke Wmo-
ernaar te streven om oplossingen voor problemen in eerste instantie binnen het
toegang gaven in de gesprekken aan dat zij het daardoor nog lastiger vonden om de
netwerk van de cliënt te vinden. Ze streven naar een zo groot mogelijke
(on)mogelijkheden van de inzet van het eigen netwerk in te schatten.
zelfredzaamheid van de burger, waarbij eigen netwerk en eigen kracht belangrijke onderdelen zijn.
Hoewel medewerkers van de Wmo-toegang het netwerk rond een cliënt blijven uitvragen, geven de geïnterviewde medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang
Ook dit jaar komt naar voren dat de invoering van het abonnementstarief volgens
aan dat het gesprek met cliënten over het beroep op hun eigen netwerk moeilijker te
gemeenten haaks staat op het ‘in eigen kracht’ zetten van burgers en volgens hen
voeren is sinds de invoering van het abonnementstarief. Zij geven aan dat het
ingaat tegen hun visie. Doordat door de invoering van het abonnementstarief voor
incidenteel nog goed lukt om het eigen netwerk in te zetten, maar niet (meer)
een groot deel van de inwoners de hoogte van de eigen bijdrage omlaag gaat, wordt
structureel lukt. De medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang hebben de
de drijfveer om een beroep te doen op het eigen netwerk volgens gemeenten steeds
indruk dat cliënten sneller naar de gemeente stappen in plaats van een beroep doen
kleiner. Gemeenten, zowel aan de beleidskant als in de uitvoering, ervaren dit als een
op hun netwerk, omdat het voor deze cliënten goedkoper is geworden om een beroep
knelpunt, omdat zij de afgelopen jaren hebben geïnvesteerd in het ‘in hun eigen
te doen op de gemeente.
kracht’ zetten van inwoners en in het stimuleren van de eigen zelfredzaamheid. Op dit gebied heerst er daarom, voornamelijk bij de medewerkers van de gemeentelijke
Ook geven medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang aan te merken dat
Wmo-toegang, onbegrip over de invoering van het abonnementstarief.
cliënten zich vaker bezwaard voelen om hulp van familie, kennissen of buren te vragen, bijvoorbeeld omdat het netwerk overbelast is. Ook merken zij dat cliënten vaker een beroep doen op de gemeente nu de zorg of ondersteuning minder grote financiële gevolgen voor hen heeft.
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
50
6.2.3
Eigen netwerk is niet (altijd) toereikend
veel duurder was, of zelfs goedkoper, terwijl mensen dan wel zelf meer de regie konden behouden. Het frustreert sommige medewerkers van de gemeentelijke Wmo-
Bij de hierboven beschreven ontwikkeling moeten we een belangrijke kanttekening
toegang dat ze hier handvatten zijn kwijtgeraakt. Voornamelijk in gevallen waarin zij
maken. Naast het gevoel dat cliënten nu sneller naar de gemeente stappen dan een
vermoeden dat iemand de gewenste ondersteuning gemakkelijk zelf zouden kunnen
beroep doen op hun eigen netwerk, stellen medewerkers van de gemeentelijke Wmo-
organiseren en betalen.
toegang ook dat de personen in de omgeving van een cliënt regelmatig (over-)belast zijn en het eigen netwerk al benut wordt. Wmo-hulp en -ondersteuning vanuit de
Meerdere gemeenten geven dit jaar in het diepteonderzoek aan dat zij het idee
gemeente kan dan worden ingezet om mantelzorgers te ontlasten. Ook komt het voor
hebben dat vaker dan voorheen cliënten zich beroepen op hun ‘recht’ op
dat personen in de omgeving van cliënten zelf ook al op leeftijd zijn en daardoor
ondersteuning (voornamelijk bij hulp bij het huishouden), ongeacht wat eventueel op
weinig hulp kunnen bieden, of zelf ook hulpbehoevend zijn. Ook horen we terug dat
eigen kracht nog mogelijk is. De medewerkers van de toegang noemen dat zij ook
kinderen van hulpbehoevende ouderen vaak niet om de hoek wonen en dat zij
steeds meer ‘mondige’ burgers tegenkomen en dat zij de indruk hebben dat cliënten
daardoor geen ondersteuning kunnen bieden die structureel van aard is. Wanneer
weten ‘wat ze wel en niet moeten zeggen’ om ondersteuning vanuit de gemeente te
familieleden wel hulp kunnen bieden, spelen zij eerder een rol bij de begeleiding en in
krijgen. De gesproken medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang geven aan
mindere mate bij hulp in het huishouden. In hoofdstuk 2 wezen we al op de trend van
dat zij in dit geval niets kunnen afdwingen bij de cliënten die met alleen een financieel
een toenemende druk op mantelzorgers.
motief aankloppen bij de gemeente. De medewerkers hebben niets in handen, behalve dat zij een moreel appel kunnen doen op de Wmo-aanvrager.
6.3
Het gesprek met de cliënt over ‘eigen kracht’ is volgens medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang nauwelijks meer te voeren
Uit de gesprekken met verschillende gemeenten in het diepteonderzoek kunnen wij afleiden dat bovenstaande vooral speelt bij het inschakelen van hulp bij het
Naast het onderwerp ‘beroep op eigen netwerk’, voerden medewerkers van de
huishouden. Voornamelijk omdat hierbij de verschillen in kosten tussen de eigen
gemeentelijke Wmo-toegang voor de invoering van het abonnementstarief tijdens het
bijdrage bij de gemeente en de kosten voor particuliere ondersteuning groot zijn. Het
keukentafelgesprek ook het gesprek over de ‘eigen kracht’, waarbij iemands
beeld overheerst dan ook dat het nu vooral de inwoners uit hogere inkomensklassen
financiële situatie ook aan de orde kwam. Daarbij keken de medewerkers van de
zijn die voor hulp bij het huishouden bij de gemeente aankloppen, naast de bestaande
gemeentelijke Wmo-toegang vaak samen met de cliënt al voorzichtig naar de hoogte
groepen die ook voorheen een beroep op de Wmo deden. Sommige van de
van de eigen bijdrage die de cliënt zou moeten betalen door dit te berekenen via de
onderzochte gemeenten geven aan deze trend ook op te merken bij de aanvraag van
website van het CAK. Voor de invoering van het abonnementstarief kon dit volgens
hulpmiddelen en woningaanpassingen. Waar mensen het voorheen zelf regelden en
de medewerkers van de toegang een prikkel zijn om mensen alsnog in hun eigen
betaalden, proberen ze het nu via de gemeente te regelen. Hierbij geven
kracht te zetten en bood dit handvatten voor het gesprek over alternatieven. Wanneer
medewerkers van de gemeentelijke toegang aan dat zij het idee hebben dat er vanuit
de eigen bijdrage - die voorheen inkomensafhankelijk was - hoog uitviel, konden
zorgaanbieders en andere zorgverleners (zoals bijvoorbeeld de huisarts) actiever
medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang meedenken over alternatieven
wordt gestuurd op het aanvragen van een Wmo-voorziening. Het is dan soms de
voor de juiste ondersteuning. Het motiveren om bijvoorbeeld particuliere
vraag of Wmo wel het aangewezen kader is, maar cliënten houden vast aan het
ondersteuning in te schakelen, was makkelijker omdat dit in sommige gevallen niet
advies - soms met de lage eigen bijdrage als argument.
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
51
Medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang geven aan dat het bij hulpmiddelen
eigen bijdrage. Vanaf de invoering van het abonnementstarief wordt langzaamaan
(zoals scootmobielen en rolstoelen) en woningaanpassingen in sommige gevallen wel
steeds beter bekend dat de kosten meevallen, waardoor deze mensen zich nu alsnog
lukt om mensen te motiveren om het zelf te regelen. Wanneer hulpmiddelen of
melden bij de gemeente met een ‘uitgestelde’ hulpvraag. Daarnaast hoorden we in
aanpassingen vanuit de gemeente worden verstrekt, hebben cliënten namelijk minder
enkele gesprekken terug dat cliënten opener praten over een Wmo-aanvraag: waar er
keuzevrijheid en kunnen zij niet altijd specifieke eisen stellen. Dit kan sommige
voorheen nog enige gêne bestond, is het doen van een Wmo-aanvraag nu minder
cliënten bewegen om zelf een hulpmiddel aan te schaffen of een woningaanpassing
een taboe. Mogelijk is dit te relateren aan de mond-tot-mondreclame die gaande was
particulier te laten doen.
na de invoering van het abonnementstarief. Doordat er daardoor opener over gesproken wordt, wordt een beroep doen op de Wmo meer genormaliseerd.
Overigens moet het vaker te maken krijgen met een ‘calculerende burger’ in perspectief worden geplaatst. In de interviews focusten de medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang vooral op de verschillen met de periode vóór de
6.5
Cliënten zijn blij met het abonnementstarief, maar sommige vinden het abonnementstarief onrechtvaardig en hebben zorg over de houdbaarheid ervan
invoering van het abonnementstarief. Bij een aanzienlijk deel van de populatie die een beroep doet op de Wmo, onder wie cliënten met een chronische
In de huidige monitor is extra aandacht besteed aan het in beeld brengen van het
ondersteuningsbehoefte, is van calculerend gedrag in het geheel geen sprake.
cliëntperspectief over het abonnementstarief. Vorig jaar hebben wij voornamelijk gesproken met (onafhankelijke) cliëntondersteuners. Voor deze monitor hebben we
6.4
Medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang zien ook positieve effecten
gemeenten tevens gevraagd ons in contact te brengen met vertegenwoordigers van
van de invoering van het abonnementstarief
lokale cliëntorganisaties en belangenbehartigers, zoals een lokaal of regionaal ouderennetwerk of de adviesraad sociaal domein.
Hoewel medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang aangeven het gesprek over ‘eigen kracht’ moeilijker te voeren vinden, zien zij ook het voordeel van de
Over het algemeen zijn cliënten blij met de invoering en herkennen zij zich in de
duidelijkheid die de invoering van het abonnementstarief de burger biedt. Er is geen
meeste doelen die gesteld zijn bij het invoeren van het abonnementstarief. Naast het
(ingewikkelde) berekening nodig, waardoor cliënten vooraf al weten waar ze aan toe
financiële voordeel voor een deel van de Wmo-cliënten werden de voorspelbaarheid
zijn. Bovendien is er vaak sprake van een financieel voordeel voor cliënten ten
van de eigen bijdrage genoemd en het feit dat geen financiële gegevens meer hoeven
opzichte van de situatie voor de invoering van het abonnementstarief. Medewerkers
te worden verstrekt. Dat scheelt administratieve handelingen, maakt het voor de cliënt
van de gemeentelijke toegang merken dat dit drempelverlagend werkt voor cliënten
overzichtelijker en voelt minder als een inbreuk op iemands privacy. Cliënten weten
die zich eerst niet op de Wmo beriepen en die nu wel bij de gemeente in beeld zijn.
van tevoren waar ze aan toe zijn wat betreft de eigen bijdrage die zij moeten betalen.
Daarbij stellen zij als kanttekening dat zorgbehoevenden die niet geholpen willen
Wel geven cliënten uit meerdere gemeenten terug dat de snelheid van het CAK kan
worden of zelf van mening zijn dat zij geen hulp nodig hebben, zich niet gemakkelijker
worden verbeterd. In sommige gevallen laten de rekeningen op zich wachten,
op de gemeente beroepen.
waardoor de te betalen eigen bijdragen zich ophopen.
Ook hebben de medewerkers van de toegang het idee dat hulpbehoevenden
In zowel de gesprekken met de medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang als
voorheen langer wachtten met een beroep doen op de Wmo uit angst voor een hoge
in de gesprekken waarin het cliëntperspectief centraal staat, kwam naar voren dat er
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
52
bij een deel van de Wmo-cliënten ook een gevoel van onrechtvaardigheid bestaat. Zij
Wanneer we het met de gemeenten hebben over de doorstroom naar de Wlz en het
geven aan dat het abonnementstarief vooral voordelen heeft voor mensen met
effect hierop van de invoering van het abonnementstarief, herkennen de
hogere inkomens. Mensen die kwetsbaarder zijn, over weinig eigen (financiële) kracht
medewerkers van de gemeentelijke Wmo-toegang zich hierin en kunnen ze vaak wel
bezitten en geen eigen netwerk hebben, merken minder of geen voordelen van het
voorbeelden uit de praktijk benoemen. Het gaat echter niet om grote aantallen. De
abonnementstarief, terwijl in de ogen van cliënten en clientorganisaties de Wmo
verandering is te merken in zowel de gesprekken over doorstroom als in de
vooral bedoeld is voor deze personen die de nodige ondersteuning zelf niet kunnen
doorstroom zelf. In het gesprek met cliënten is de doorstroom naar de Wlz soms een
organiseren.
punt van discussie. Daarom vinden medewerkers van de gemeentelijke toegang de doorstroom naar de Wlz soms lastig te realiseren, voornamelijk door het grote verschil
Naast dit gevoel van onrechtvaardigheid heerst er bij cliënten ook de vrees dat het
in eigen bijdragen tussen Wmo en Wlz. Door de invoering van het abonnementstarief
abonnementstarief niet houdbaar is voor gemeenten. Zij hebben zorg dat het
is het verschil voor veel cliënten nog groter geworden. De eigen bijdrage in de Wlz
abonnementstarief in de toekomst weer afgeschaft wordt of dat gemeenten moeten
was in het algemeen al hoger dan in de Wmo. Zorgbehoevende inwoners zijn door
bezuinigen binnen óf buiten de Wmo. Cliënten en cliëntorganisaties beseffen dat de
deze drempel minder geneigd om een Wlz-indicatie aan te vragen. Ze stellen dit
19 euro die Wmo-cliënten met het abonnementstarief moeten betalen veelal niet
langer uit of zien er zo lang mogelijk vanaf. Naast het financiële aspect kan er ook
kostendekkend is voor gemeenten.
een verschil bestaan in de hoeveelheid ondersteuning die eenzelfde cliënt in de Wmo of de Wlz ontvangt. Cliënten kunnen in de Wlz minder uren zorg ontvangen dan ze
Ook dit jaar hebben we in het diepteonderzoek gevraagd naar de uitgevoerde
gewend waren in de Wmo. Ook zien sommige cliënten op tegen doorstroming naar de
cliëntervaringsonderzoeken. In 2019 zijn deze over het algemeen positief en laten
Wlz, omdat dat ook een wisseling van betrokken zorgmedewerkers kan betekenen.
deze geen grote afwijkingen zien ten opzichte van de ervaringen in eerdere jaren. Een gemeente kan inwoners niet dwingen om een indicatie aan te vragen. De 6.6
Abonnementstarief vormt een beperkte drempel voor doorstroming naar de Wlz
onderzochte gemeenten proberen op verschillende manieren om cliënten voor wie de Wlz beter passend is te laten doorstromen. In sommige gemeenten wordt in het
De tweede indicator die iets zegt over het mogelijke gedrag van cliënten betreft de
diepteonderzoek na de invoering van het abonnementstarief vaker ingezet op kortere
overgang van de Wmo naar de Wlz. De hypothese is dat de invoering van het
indicaties bij cliënten die op de grens tussen Wmo en Wlz zitten. Hierbij vertellen zij
abonnementstarief het verschil in eigen bijdragen voor Wmo- en Wlz-voorzieningen
de cliënt dat er in de periode waarin ze een Wmo-voorzieningen krijgen een Wlz-
vergroot, vooral voor hogere-inkomensklassen, wat het voor cliënten financieel
indicatie moet worden aangevraagd.
aantrekkelijker maakt om (langer) in de Wmo te blijven. Gemeenten geven tot slot aan dat de verminderde doorstroom naar de Wlz moeilijk te Uit de gesprekken met de geïnterviewde gemeenten maken wij op dat dit een thema
duiden is in aantallen, omdat dit niet zo geregistreerd wordt. Er zijn echter geen
is waar niet de meeste aandacht naar uitgaat. Gemeenten begrijpen de relatie met de
aanwijzingen dat het om zulke grote aantallen gaat dat het de toename in het aantal
invoering van het abonnementstarief, maar het thema wordt in de meeste interviews
cliënten in de Wmo verklaart.
voor dit onderzoek niet spontaan genoemd als het gaat om effecten van de invoering van het abonnementstarief. 6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
53
A. Wat is er precies veranderd met de invoering van het abonnementstarief in de Wmo? vastgesteld als cliënten onder een vastgesteld inkomen vallen In deze bijlage geven wij, voor een goed begrip van de wijzigingen, een korte
(minimabeleid);
beschrijving van de wijze waarop het abonnementstarief in wet- en regelgeving is
ii.
Gemeenten houden de mogelijkheid om bij verordening voor cliënten
vastgelegd. Met de invoering van een vaste en maximale bijdrage per 1 januari 2019,
met een specifiek bijdrageplichtig inkomen een korting te geven door
is de eerste stap gezet richting de invoering van het abonnementstarief35. Voor de
het tarief op nihil vast te stellen als een cliënt een bepaald
volledige invoering van het abonnementstarief was een wetswijziging vereist. De
bijdrageplichtig inkomen heeft;
bijdrage moest op grond van het oude artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 inkomens- en
iii.
Er zijn ook uitzonderingen die niet inkomensafhankelijk zijn. Ook deze
vermogensafhankelijk kunnen zijn. Bij het abonnementstarief speelt het inkomen van
blijven in stand. Zo kan de gemeente voor iedereen bij verordening het
de cliënt in beginsel geen rol meer bij het bepalen van de hoogte van die bijdrage,
vaste tarief verlagen en geldt voor de verstrekking van een rolstoel,
daarom moest het artikel worden aangepast. De wijzigingen in het zogeheten
voor cliënten die nog geen 18 jaar zijn (met uitzondering van een
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), golden
woningaanpassing) of cliënten die al een bijdrage betalen voor zorg op
tussen 1 januari en 31 december 2019.
grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), beschermd wonen of opvang (instellingszorg) geen bijdrage;
A.1
Wijziging Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 - per 1 januari 2019
iv.
Voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang blijft de ‘oude’ bijdragesystematiek van toepassing.
De belangrijkste wijzigingen per 1 januari 2019 zijn: a.
b.
c.
Alle niet-AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens betalen per 2019 geen
Introductie van een vaste maximale bijdrage van € 17,50 per bijdrageperiode
eigen bijdragen meer. Dit was al zo voor de groep niet AOW-gerechtigde
van vier weken voor het gebruik van maatwerkvoorzieningen en
huishoudens tot een bijdrageplichtig inkomen van € 35.175,-. De groep is dus
persoonsgebonden budgetten (pgb’s) in het kader van de Wmo 2015;
uitgebreid.
Op het vaste tarief bestaat een aantal uitzonderingen: i.
De gemeente blijft de mogelijkheid houden om bij verordening te regelen dat een generieke korting op de vaste en maximale bijdrage kan worden gegeven of dat de bijdrage op € 0,- kan worden
35
Strikt genomen is in 2019 nog geen sprake van een abonnementstarief, maar van
een ‘vaste maximale bijdrage’. Omwille van de leesbaarheid van dit rapport gebruiken wij, ook voor 2019, de term ‘abonnementstarief’. 6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
54
A.2
Wijziging van de Wmo 2015 - per 1 januari 2020
begeleiding. Ook bij deze duurzame hulp kunnen gemeenten bij verordening bepalen om de eigen bijdrage niet toe te passen;
De belangrijkste wijzigingen per 1 januari 2020 zijn: a.
e.
Ten opzichte van de in 2019 geldende tussenvariant van het
uitgezonderd worden van het abonnementstarief. Collectief vervoer wordt
abonnementstarief zijn verschillende wijzigingen doorgevoerd in de wet. Het abonnementstarief geldt ook voor een deel van de algemene voorzieningen en
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen maatwerkvoorzieningen
reeds via de wetswijziging uitgezonderd van het abonnementstarief; f.
Voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen zorg in natura en andere
is (grotendeels) onafhankelijk van de kostprijs, inkomen en vermogen. Daarbij
maatwerkvoorzieningen met verblijf blijven de ‘oude’ intramurale
bestaat de mogelijkheid om bepaalde voorzieningen bij algemene maatregel
bijdragesystematieken met (doorgaans) een hogere bijdrage van toepassing.
van bestuur uit te zonderen van het abonnementstarief; b.
Uitgangspunt van het abonnementstarief is dat een vast tarief van € 19,- per maand geldt voor huishoudens zolang zij gebruikmaken van Wmovoorzieningen of een Persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen. Om uitvoeringstechnische redenen is gekozen voor het omrekenen van het bedrag van € 17,50 per bijdrageperiode van vier weken tot een maandbedrag van € 19,-;
c.
De gemeente houdt de mogelijkheid om het abonnementstarief voor alle inwoners in gelijke mate naar beneden bij te stellen. Ook blijft de mogelijkheid in stand om voor categorieën van personen tot een door de gemeente bepaalde inkomensgrens de bijdrage op nul euro te zetten. Daarnaast zijn ook de mogelijkheden voor het vaststellen van de bijdrage voor een algemene voorziening en de bijbehorende kortingsregeling ongewijzigd gebleven. Tot slot blijven de uitzonderingen gelden waarin individuele cliënten geen bijdrage verschuldigd zijn;
d.
Lokaal kunnen gemeenten invulling geven aan wanneer de bijdrage start en stopt en wanneer de bijdrage tijdelijk niet verschuldigd is, bijvoorbeeld bij een ziekenhuisopname. Gemeenten dienen ook bij verordening lokaal duidelijkheid te creëren welke algemene voorzieningen onder het abonnementstarief komen te vallen. Het gaat hierbij in ieder geval om algemene voorzieningen ter compensatie van beperkingen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener(s), zoals bijvoorbeeld bij huishoudelijke hulp en
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
55
B. Onderzoeksverantwoording Voor dit onderzoek heeft CBS de informatie voor de kwantitatieve indicatoren
Het is onder andere mogelijk om doorsnedes te maken op huishoudsamenstelling,
verzameld uit verschillende bronnen, koppelingen aangelegd en de data ontsloten
leeftijdsklasse, geslacht en huishoudinkomensklasse. Het huishoudinkomen bevat het
voor de onderzoekers. In deze bijlage geven wij per (kwantitatieve) indicator aan
belastbaar inkomen uit box 1, 2 en 3 gesommeerd over alle leden van het
welke informatie precies door CBS is verzameld, wat de kwaliteit van de data is en
huishouden. Het huishoudinkomen wordt vastgesteld op 1 januari in het jaar t-2,
welke definities zijn gehanteerd.
oftewel twee jaar voor het verslagjaar. Het overgrote deel van de gemeenten levert gegevens aan de GMSD. De respons in 2017, 2018 en 2019 was als volgt.
Voor de monitor zijn enkel de type maatwerkarrangementen Ondersteuning thuis, Hulp bij het huishouden en Hulpmiddelen en diensten meegenomen. Het type maatwerkarrangement verblijf en opvang valt niet binnen de scope van het
Periode
Respons (aantal gemeenten)
abonnementstarief. Het onderscheid in het type maatwerkarrangement is een
2017 - 1e halfjaar
317
2017 - 2e halfjaar
329
2017
308
2018 - 1e halfjaar
316
2018 - 2e halfjaar
326
2018
314
benadering van de scope van het abonnementstarief. Het is geen exacte benadering omdat het onderscheid bijvoorbeeld bij vervoersdiensten (buiten de scope van het abonnementstarief) en -voorzieningen (binnen de scope van het abonnementstarief) niet eenduidig gemaakt kan worden.
B.1
Indicator 1: Ontwikkelingen in aantal unieke cliënten
e
2019 - 1 halfjaar
331
kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) getoond. De cijfers zijn per
2019 - 2e halfjaar
321
gemeente beschikbaar en kunnen worden uitgesplitst naar type arrangement,
2019
320
Voor deze indicator wordt het aantal cliënten met een maatwerkarrangement in het
leeftijdsklasse, huishoudinkomensklasse, herkomst migratieachtergrond,
Tabel 7 Respons GMSD
huishoudsamenstelling en geslacht. De data is samengesteld op basis van gegevens die gemeenten aan CBS hebben geleverd in het kader van de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein. Deze gegevens zijn gecombineerd met registratiegegevens uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) van het CBS en gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP).
De cijfers over het totaal aantal cliënten in Nederland zijn door CBS geschat met een regressiemodel op de data van de deelnemende gemeenten. De onzekerheidsmarges (95%-betrouwbaarheidsintervallen) van deze schattingen zijn als volgt:
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
56
2018
afwijken van de samenstelling van het huishouden (CBS). Wanneer er bijvoorbeeld in
a.
Totaal cliënten [1.088.955 - 1.106.750];
de leefeenheid ook een persoon zit die niet tot het huishouden behoort (bijvoorbeeld
b.
Totaal cliënten exclusief verblijf en opvang [1.059.415 - 1.076.835];
een zus of broer of -vriend/vriendin- van de Wmo-ontvanger), dan ontbreekt die
c.
Cliënten ondersteuning thuis [306.915 - 316.255];
informatie over het inkomen (onderschatting). Andersom kan het voorkomen dat het
d.
Cliënten hulp bij het huishouden [385.845 - 396.055];
huishoudinkomen hoger is dan het bijdrageplichtig inkomen, omdat ook het inkomen
e.
Cliënten verblijf en opvang [42.000 - 43.065];
van bijvoorbeeld kinderen hierin mee wordt genomen (overschatting).
f.
Cliënten hulpmiddelen en diensten [706.925 - 7422.685]. De inkomsten uit eigen bijdrage zijn om deze reden enkel uit te splitsen naar het
2019
bijdrageplichtig inkomen en niet naar het huishoudinkomen. Vanaf 2020 is het
a.
Totaal cliënten [1.156.045 - 1.173.650];
bijdrageplichtig inkomen niet meer beschikbaar via het CAK. Om een goede
b.
Totaal cliënten exclusief verblijf en opvang [1.123.930 - 1.141.050];
vergelijking over de jaren te kunnen maken, berekent CBS vanaf dat moment zelf het
c.
Cliënten ondersteuning thuis [312.005 - 321.815];
bijdrageplichtig inkomen, indien CAK de samenstelling van de leefeenheid levert aan
d.
Cliënten hulp bij het huishouden [434.980 - 445.960];
het CBS. De data is geheel afkomstig van het CAK en bevat een integrale registratie
e.
Cliënten verblijf en opvang [43.285 - 46.545];
van alle personen van 18 jaar of ouder die onder de eigen bijdrageregeling Wmo
f.
Cliënten hulpmiddelen en diensten [737.425 - 773.560].
2015 zorg thuis vallen. Zie voor een uitgebreidere beschrijving van deze dataset de volgende link.
Zie voor een uitgebreidere beschrijving van deze dataset: link. B.3 B.2
Uitvraag CBS voor indicatoren 3a en 4
Indicator 2: Ontwikkelingen in de inkomsten uit eigen bijdrage per gemeente Voor indicator 3a, 4 en 6 heeft het CBS in juni een separate uitvraag gedaan bij alle De data van deze indicator bevat alle gefactureerde eigen bijdragen van
gemeenten. De informatie rondom indicator 3a (uitgaven gemeenten) was onderdeel
leefeenheden die ondersteuning ontvangen uit de maatwerkvoorzieningen
van de reguliere GMSD-uitvraag. Ervaring heeft geleerd dat het voor gemeenten
Ondersteuning thuis, Hulp bij het huishouden, Hulpmiddelen en diensten.
moeilijk was om op deze momenten kwalitatief goede en volledige informatie over
Gefactureerde eigen bijdragen voor ondersteuning in de vorm van Verblijf en opvang
deze kosten aan te leveren. Vandaar dat deze uitvraag nu verplaatst wordt naar dit
vallen hierbuiten. Het CAK bepaalt de eigen bijdragen op basis van het
uitvraagmoment in juni en er voortaan alleen nog jaarcijfers worden opgevraagd.
bijdrageplichtig inkomen van de leefeenheid, de samenstelling van de leefeenheid (eenpersoons of meerpersoons) en de leeftijd van de leefeenheid (jongste persoon jonger dan AOW-gerechtigd of jongste persoon AOW-gerechtigd of ouder). Het bijdrageplichtig inkomen wordt door het CAK voor de leefeenheid samengesteld uit het verzamelinkomen plus 8% van de grondslag sparen en beleggen (box 3) over jaar t-2. Vanaf 2019 geldt 4% van de grondslag sparen en beleggen. Het CAK krijgt deze gegevens van de belastingdienst. De samenstelling van de leefeenheid (CAK) kan 6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
57
De respons op deze uitvraag is opgenomen in de onderstaande tabel: 2017
b.
2018
2019
Gerealiseerde uitgaven: kosten die betaald zijn of kosten van voorzieningen die in de periode zijn afgesloten waarvan de betaling later kan plaatsvinden.
Totaal aantal gemeenten
388
380
355
Respons (#)
343
369
334
Naast de hoofdvoorzieningen ondersteuning thuis, hulpmiddelen en diensten en hulp
Respons (%)
88%
97%
94%
bij het huishouden konden gemeenten in 2018 en 2019 kiezen om uitgaven te koppelen aan ‘maatwerkvoorzieningen gefinancierd vanuit persoonsgebonden budget
Tabel 8 Respons indicator 3a, 4 en 6
die niet onder te brengen zijn bij een specifieke productcategorie’. Gemeenten hebben in beperkte mate gebruik gemaakt van deze extra post (27 gemeenten in
Bij de nulmeting over 2017 en 2018 werd toestemming gevraagd voor publicatie,
2018 en 33 gemeenten in 2019) waardoor deze post niet staat weergegeven in de
welke niet door alle gemeenten gegeven is. Vanaf de uitvraag in 2020 (over 2018 en
onderstaande figuur met de hoofdvoorzieningen en in statline van CBS.
2019) betreft dit een wettelijk verplichte uitvraag door het CBS en worden alle aangeleverde cijfers gepubliceerd. Bij de uitvraag over 2019 hebben gemeenten
CBS heeft de plausibiliteit gecontroleerd door uitgaven per 1.000 inwoners tussen
alsnog de kans gehad om informatie over 2018 aan te leveren dan wel de
gemeenten te vergelijken. Daarnaast zijn jaar-op-jaarvergelijkingen gedaan en zijn
aangeleverd cijfers over 2018 te corrigeren. Indien gekeken wordt naar de respons in
waar mogelijk begrote en gerealiseerde uitgaven met elkaar vergeleken. Bij grote
termen van het aantal inwoners in Nederland dan is het responspercentage 93% in
afwijkingen is contact opgenomen met de betreffende gemeente om te achterhalen of
2017, 99% in 2018 en 96% in 2019.
de aangeleverde uitgaven kloppen. Waar nodig hebben gemeenten correcties B.4
aangeleverd. Voor gemeenten met minder dan 20.000 inwoners is een jaar-op-
Indicator 3a: Ontwikkelingen in de uitgaven aan Wmo-voorzieningen per
jaarvergelijking minder informatief dan voor grotere gemeenten, omdat de uitgaven bij
gemeente
een lager aantal inwoners relatief meer schommelen. Bij kleinere gemeenten met grote verschillen tussen jaren is steekproefsgewijs navraag gedaan naar correctheid
De gemeentelijke uitgaven aan Wmo-voorzieningen worden uitgevraagd per
van de cijfers. Landelijke cijfers over Wmo-uitgaven zijn geschat met behulp van
hoofdcategorie voor Wmo-maatwerkvoorzieningen bij elke gemeente. Het betreft
modelmatige extrapolatie op de data van de deelnemende gemeenten. Zie voor een
zowel de kosten voor Zorg in Natura (ZIN) als de pgb’s. Het betreft de kosten van de
uitgebreidere beschrijving van deze dataset de volgende link.
ondersteuning, exclusief uitvoeringskosten (dat wil zeggen de bedrijfsmatige kosten die door gemeenten worden gemaakt ten behoeve van de uitvoering van de ondersteuningstaken). Ook eventuele inning van eigen bijdrage van cliënten staat los van de kosten die de gemeente allereerst maakt en deze zijn niet verrekend door de
B.5
Indicator 4: Verschuiving van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen
gemeente. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: a.
Begrote uitgaven: budget dat is gereserveerd op grond van de voorzieningen die in de gegeven periode zijn toegekend of voorzien. De uitvraag van begrotingscijfers voor de GMSD betreft niet de budgetten die door het Rijk ter beschikking zijn gesteld, maar de door de Raad vastgestelde begroting;
De data van deze indicator bevat per gemeente per type voorziening op een vijfpuntsschaal de mate waarin de gemeente deze voorziening als algemene voorziening of als maatwerkvoorziening aanbiedt. Wanneer gemeenten een bepaalde voorziening niet aanbieden dan is 'niet van toepassing' ingevuld. Bij de uitvraag richting gemeenten zijn de volgende definities gehanteerd:
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
58
a.
Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten binnen het kader
€ 17,60. In 2019 was de eigen bijdrage 17,50 per 4 weken. Wanneer een
van de Wmo gericht op maatschappelijke ondersteuning dat voor iedere
gemeente in respectievelijk 2017, 2018 of 2019 een bedrag heeft
inwoner van de gemeente beschikbaar is, zonder voorafgaand onderzoek naar
geregistreerd dat lager is dan deze grenzen, dan hanteert de gemeente een
de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker. De
verlaagde minimale eigen bijdrage;
gemeente kan hiervoor een bijdrage in de kosten vragen. Deze bijdrage wordt
b.
c.
Marginaal tarief en generiek verlaagd tarief: het marginaal tarief is het
direct aan de zorgaanbieder of gemeente betaald. Voorbeelden van algemene
percentage waarmee de eigen bijdrage stijgt naarmate het inkomen van Wmo-
voorzieningen zijn maaltijdservice, boodschappendienst of activiteiten in een
cliënten stijgt. Dit percentage is landelijk bepaald. Het marginaal tarief geldt
buurthuis;
voor inkomens boven het startpunt inkomensafhankelijke eigen bijdrage zoals
Maatwerkvoorziening: aanbod van diensten of activiteiten binnen het kader
vastgesteld door de gemeente. Gemeenten kunnen ervoor kiezen een
van de Wmo dat is afgestemd op de wensen, persoonskenmerken,
generiek verlaagd tarief te voeren, waarmee de eigen bijdrage minder sterk
mogelijkheden en behoeften van een individu. Alvorens deze voorziening toe
stijgt naarmate het inkomen stijgt.
te wijzen, doet de gemeente onderzoek om vast te stellen welke ondersteuning een inwoner nodig heeft. Voor een maatwerkvoorziening wordt een eigen bijdrage betaald via het CAK.
B.6
Indicator 6: Ontwikkelingen in het minimabeleid en generiek verlaagd tarief
B.7
Indicator 8: Aantal cliënten met een Wmo-voorziening in jaar t-1 dat op enig moment in jaar t zorg vanuit de Wlz ontvangt
De data van deze indicator bevat per gemeente het aantal personen van 18 jaar of ouder dat in het verslagjaar gebruik maakt van bijdrageplichtige Wlz-zorg en in het
Voor deze indicator is via het CAK informatie opgehaald per gemeente over het
voorgaande jaar ten minste een Wmo-maatwerkvoorziening heeft gehad, exclusief
gekozen lokale beleid omtrent de eigen bijdrage voor maatwerkarrangementen in het
Verblijf en Opvang. Het betreft uitsluitend personen met een geldige Wlz-indicatie en
kader van de Wmo. Ten eerste wordt per gemeente aangegeven of er minimabeleid
personen van 18 jaar en ouder die in het voorgaande jaar in de BRP staan
gevoerd wordt. Daarnaast wordt per gemeente aangegeven of een verlaagde
ingeschreven.
minimale eigen bijdrage en/of een generiek verlaagd tarief gehanteerd wordt. Het gevoerde beleid wordt vastgesteld op de peildatum ‘tweede vrijdag van november’. Bij
De data over Wmo-cliënten zijn samengesteld op basis van gegevens die gemeenten
de uitvraag zijn de volgende definities gehanteerd:
aan het CBS hebben geleverd in het kader van de Gemeentelijke Monitor Sociaal
a.
Minimabeleid: gemeenten kunnen ervoor kiezen om de eigen bijdrage van
Domein. Alleen de gegevens van gemeenten die aangeleverd hebben en die
inwoners met inkomen onder een ondergrens ('minima') volledig te betalen. Ze
toestemming hebben gegeven voor publicatie worden gepubliceerd. Er worden geen
verlagen dan de laagste inkomensafhankelijke eigen bijdrage van personen bij
landelijke cijfers voor geheel Nederland geschat. In de analyses van de vergelijking
wie het inkomen onder een door de gemeente vastgestelde inkomensgrens
tussen 2017, 2018 of 2019 worden enkel de cijfers gebruikt van gemeenten die in
ligt;
beide jaren informatie hebben aangeleverd. De gegevens over het gebruik van Wlz-
Verlaagde minimale eigen bijdrage: gemeenten kunnen ervoor kiezen om de
zorg zijn afkomstig van het CAK en de gegevens over Wlz-indicaties zijn afkomstig
minimale (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage te verlagen. In 2017 was de
van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Zie voor een uitgebreidere beschrijving
minimale inkomensafhankelijke eigen bijdrage € 17,50 en in 2018 was dit
van deze dataset de volgende link.
b.
6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
59
C. Deelnemende gemeenten diepteonderzoek 2020
36
Gemeente
Regio36
Categorie relatief gebruik Wmovoorzieningen37
Betrokken in diepteonderzoek 2019
Alkmaar
Noord
2
Ja
Alphen aan den Rijn
Midden
3
Ja
Apeldoorn
Midden
1
Nee
Bloemendaal
Noord
2
Nee
De Bilt
Midden
2
Nee
Dongen
Zuid
3
Nee
Eindhoven
Zuid
2
Ja
Heerde
Midden
3
Ja
Heerenveen
Noord
2
Ja
Hof van Twente
Midden
1
Nee
Leeuwarden
Noord
1
Nee
Lelystad
Midden
2
Nee
Maastricht
Zuid
1
Ja
Meierijstad
Zuid
3
Ja
Ouder-Amstel
Noord
3
Ja
Rotterdam
Midden
1
Nee
Schiedam
Midden
1
Ja
Vlissingen
Zuid
1
Nee
Op basis van indeling schoolvakantieregio’s.
37
Op basis van het aantal cliënten per 1.000 inwoners met een maatwerkvoorziening
(2017). Gemeenten zijn voor deze selectie op basis hiervan in drie groepen van gelijke omvang geclassificeerd (laag, midden, hoog). 6 Diepteonderzoek | Thema C: Mogelijk gedrag van cliënten
60