21bb9127 Bijlage 1 behorende bij 21bb9067 - ontwerpbestemmingsplan Het Zuiderhof fase 3
Tekst van het document
24
de woningbouwambitie van de gemeente.
3.2
Archeologie
Kader In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel "de verstoorder betaalt". De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In bestemmingsplannen moeten gemeenten aangeven welke archeologische waarden in het geding zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het Rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: 1. zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; 2. zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; 3.
zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Archeologische verwachting plangebied Hoewel in het gehele bestemmingsplangebied sporen uit de prehistorie, (mogelijk uit de) Romeinse tijd en Middeleeuwen te verwachten zijn, bezit met name een locatie in de omgeving, het tracé van de Dordtse Straatweg, een hoge archeologische verwachting (zie gele zone in figuur 10). Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen op circa 220 meter van het tracé en kent een lagere archeologische verwachting (figuur 10). In dit gebied geldt op basis van het bestemmingsplan 'Vreewijk' een vergunningplicht indien bouw- of graafwerkzaamheden dieper dan een 0,5 meter beneden maaiveld en een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan.
Figuur 10. Uitsnede Archeologische Waardenkaart Rotterdam, projectlocatie rood omlijnd (bron: Bureau Oudheidkundig
25
Onderzoek Rotterdam)
De grondwerkzaamheden, waaronder het funderen van de toekomstige bebouwing reikt dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld, waardoor een vergunningplicht van toepassing is.
3.3
Stadsgezichten en Monumenten
Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan is geen sprake van een beschermd stadsgezicht, monumenten of beeldbepalende objecten. In de omgeving van voorliggend plangebied is wel sprake van monumenten een een beschermd stadsgezicht. Centraal in de toekomstige woonwijk "Het Zuiderhof" is het oudste gebouwensemble van het Zuiderziekenhuis dat behouden is gebleven. Het complex van architect Van de Steur is cultuurhistorisch gezien waardevol en zal als gemeentelijk monument worden aangewezen. Het historisch ensemble van het Zuiderziekenhuis bestaat uit een poortgebouw aan de Groene Hilledijk, de paviljoens en de hoofdgebouw. Het is een samenhangend ontworpen geheel, in twee fasen gebouwd tussen 1929 en 1939. Het poortgebouw en het hoofdgebouw zijn langs een hoofdas gegroepeerd. Door de rangschikking van de bouwvolumes rond de cour vormt het complex een samenhangende ruimtelijke compositie. Door classicistische ontwerpmiddelen zoals een cour en een voorhof in te zetten, heeft het complex een sterke ruimtelijke werking gekregen, die door de zichtlijnen verhevigd wordt. Het Zuiderhof wordt begrensd door de Valkeniersweide, de Dordtsestraatweg en de Groene Hilledijk. De locatie is omringd door de wijk Vreewijk. Het stedenbouwkundig plan van het groene tuindorp is ontworpen door Berlage (westelijk deel) en Granpré Moliere.
Dit is voor het grootste deel van rijkswege benoemd als beschermd stadsgezicht. Gezien de cultuurhistorische waarde van gebouwen in de nabije omgeving van het plangebied, is bij de uitwerking van voorliggend plan gezocht naar samenhang met het (toekomstige) monument en het beschermd stadsgezicht ontworpen.
26
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. In navolgende paragraaf wordt ingegaan op de opzet van het plan en het bijhorende programma. In paragraaf 4.2 worden (toekomstige) ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied beschreven.
4.2
Ontwikkelingen
De beoogde ontwikkeling die middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, maakt onderdeel uit van een grotere gebiedsontwikkeling: Het Zuiderhof. Het Zuiderhof betreft de gebiedsontwikkeling van het gehele Zuiderziekenhuisterrein. Op het terrein en in enkele gebouwen op het Zuiderziekenhuisterrein zal na de restauratie en herbestemming plek zijn om te wonen en te werken. Het terrein wordt gefaseerd ontwikkeld tot een nieuwe woonwijk.
4.3
Projectbeschrijving
4.3.1
Algemeen
De beoogde ontwikkeling is de derde fase van ontwikkeling van "Het Zuiderhof". Uitgangspunt bij deze fase is dat deze goed aansluit op de reeds gerealiseerde fasen en de directe omgeving van het plangebied en in overeenstemming is met de vastgestelde Nota van Uitgangspunten (zie tevens paragraaf 2.4.5 en Bijlage 9). De opgave is een hoogwaardig woonmilieu voor voornamelijk gezinnen te realiseren waarin ook onderwijs en werken een plek vinden. Daarin heeft de monumentale oudbouw van het Zuiderziekenhuis een prominente positie. Dit gebied biedt door de omvang van de locatie, de karakteristieke oudbouw, de ligging aan de Valkeniersweide en de goede ontsluiting voor autoverkeer een unieke ontwikkelingslocatie op Rotterdam Zuid. 4.3.2
Stedenbouw en planologie
Het bestemmingsplan kent een programma waarin planologisch ruimte wordt geboden aan de woonfunctie en bijhorende voorzieningen, zoals groen en verkeer. Uitgangspunt is dat de buurt een sterk samenhangend geheel zal zijn. Het architectonisch ontwerp van de woningen in voorliggend bestemmingsplan sluiten qua kleur, materiaal en vormgeving aan bij de reeds gerealiseerde woningen. Het karakter van het gebied wordt gekenmerkt door een vrij formeel opgezette verkaveling waarin het historisch ensemble van het Zuiderziekenhuis een prominente positie inneemt. Binnen deze formele hoofdopzet is de invulling losser van karakter. De hoeken van de bebouwing zijn open. Groene erfscheidingen en voortuinen dragen bij aan het beeld van een ontspannen rustige woonwijk. Het plan wordt aan de oostkant afgerond door ‘Het Kopblok’. Op deze locatie is een gebouw met stevigere maatvoering beoogd, als tegenpool van het historisch ensemble. Het Kopblok kent een getrapte opbouw waarvan het hoogste gedeelte maximaal acht bouwlagen heeft. In het bestemmingsplan is voor dit gebouw een maximale bouwhoogte van 23 meter opgenomen. Het Kopblok vormt een markant accent van de woonbuurt.
27
Figuur 11. Stedenbouwkundige
opzet Het Zuiderhof fase 3, projectlocatie rood omlijnd
Een speciaal onderdeel in het plan is 'De Hoeksteen’. Dit gebouw is gelegen in het hart van het plan, tegenover het plantsoen. De Hoeksteen wordt uitgevoerd in vier bouwlagen en krijgt een maximale bouwhoogte van 15 meter. Het plantsoen betreft een groen park met ruimte voor een bloeiende zoom met gevarieerde beplanting, een open graszone, banken en een kleine speelvoorziening. Een deel van de beoogde woningbouw grenst direct aan het park. Het openbaar gebied van het plangebied wordt getypeerd als 'tuindorp', waar een groene sfeer wordt verankerd door het samenspel van de openbare groenstructuur en het groen in de privé tuinen. Er wordt zo veel mogelijk vlakgroen toegepast, ruimte gereserveerd voor grote bomen en er worden duurzame groene erfscheidingen aangebracht op de overgangen van openbaar en privé. Het is een kindvriendelijke wijk met een grote doorwaadbaarheid voor de voetganger. Rond de hoofdontsluiting van het plangebied en in de daaraan grenzende zijstraten worden grondgebonden woningen gerealiseerd. De grondgebonden woningen worden uitgevoerd met twee lagen en met een kap, met maximaal één laag hogere accenten op de hoeken. De bebouwing aan de Groene Hilledijk heeft een wat forsere maat, passend bij deze stadsstraat. Deze bebouwing wordt uitgevoerd in vier bouwlagen met kap en krijgt een maximale bouwhoogte van 15 meter.
De hoogtesprong wordt ter plekke van de gestapelde woningen langs de Groene Hilledijk opgelost middels een souterrain. De tuinen van de woningen aan de Groene Hilledijk sluiten daardoor in niveau aan op die van het aangrenzende woonblok. In figuur 12 is een overzicht opgenomen met de positionering en opzet van de beoogde woningbouw en bijhorende hoofdontsluiting.
28
Figuur 12. Situatietekening opzet woningbouw. Van links naar rechts: "randen" met park- en dijkwoningen (A), "accenten" met het Kopblok en de Hoeksteen (B), Delftsestoepwoningen rondom de hoofdontsluiting van het projectgebied (C) en de Tuinwoningen (D)
In totaal worden 243 woningen gerealiseerd. Het woningbouwprogramma kent een gedifferentieerd karakter. De ontwikkeling voorziet in een woningbehoefte van 160 appartementen en 83 grondgebonden woningen. In figuur 13 is een visualisatie van het eindbeeld opgenomen.
Figuur 13. Visualisatie eindbeeld 'Het Zuiderhof'
4.3.3
Woningtypologie
Om de eindfase te kunnen realiseren is gebleken dat een verdichting noodzakelijk is. Daarbij is de oorspronkelijke structuur gehandhaafd en worden op een drietal plekken nieuwe gebouwvormen geïntroduceerd. De meest prominente daarvan is 'Het Kopblok' in de noordoostelijke punt. Het ontwerp voor de nieuwe wijk is in harmonie met haar omgeving, maar geen kopie van de tuindorptypologie. De woonwijk vormt een geheel, ondanks de verschillen in vormgeving. De basis hiervan is vormgeving en detaillering van het metselwerk van de entreepartijen, langs de hemelwaterafvoeren en op de hoeken. Ook de detaillering van dakranden en dakkapellen komt in alle bouwtypes terug. Ten behoeve van groepering van grotere eenheden in een rij, zijn de woningen
29
gespiegeld. Differentiatie van de gebouwen wordt verkregen door verschil in daktype, onderbrekingen in het dakvlak door metselwerkopstanden en de mate van openheid van de gevelopeningen naar de straat. 4.3.4
Verkeer- en parkeeraspecten
Het plangebied wordt op verschillende manieren ontsloten. De hoofdontsluiting is beoogd aan de Groene Hilledijk. Tussen de twee blokken met dijkwoningen loopt deze ontsluitingsweg in noordwestelijke richting door het plangebied. Een tweede ontsluiting op de Groene Hilledijk is langs Het Kopblok beoogd. Ten aanzien van het parkeren geldt dat voor de gehele wijk een Nota van Uitgangspunten is opgesteld (fase 1 t/m 3). Hierin is een parkeerbalans opgenomen en wordt de parkeerbehoefte bezien in relatie tot de grotere ontwikkeling. De parkeertelling is als Bijlage 10 toegevoegd aan het bestemmingsplan. In de parkeertelling is een parkeerbalans opgenomen en wordt de parkeerbehoefte bezien in relatie tot dubbelgebruik. De totale parkeereis is vastgesteld op 481 parkeerplaatsen en met toepassing van dubbelgebruik 456 parkeerplaatsen. In het gehele plangebied van Het Zuiderhof zijn 462 parkeerplaatsen beoogd. In het totale plangebied is sprake van een overschot van zes parkeerplaatsen en wordt zodoende voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan geldt een parkeerbehoefte van 205 parkeerplaatsen. In totaal worden 181 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 77 parkeerplaatsen in de parkeerkelder van het Kopgebouw.
Het tekort aan parkeerplaatsen wordt gecompenseerd door gebruik te maken van het overschot aan parkeerplaatsen in het gehele ontwikkelgebied 'Het Zuiderhof'. Uit de verkeersanalyse blijkt dat voor fase 3 met 243 woningen 1608 motorvoertuigen per etmaal worden verwacht. Voor de ziekenhuizen is af te leiden dat 3800 motorvoertuigen per etmaal werden gegenereerd. De overige fasen van Zuiderhof omvat 254 woningen. Voor die woningen resteert nog 2192 motorvoertuigen per etmaal. In vergelijking met fase 3, kan gesteld worden dat voor de totale ontwikkeling er geen toename van het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht ten opzichte van de situatie van het in gebruik zijn van de ziekenhuizen. Eventuele gevolgen voor de doorstroming van verkeer rondom de nabijgelegen rijkswegen is daarmee uit te sluiten.
4.4
Juridische planbeschrijving
Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding. Daarnaast is een toelichting opgesteld. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de regels. In navolgend deel van deze paragraaf zijn de toegepaste (dubbel)bestemmingen toegelicht. 4.4.1
Wonen
De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor Wonen zijn overeenkomstig de gemeentelijke standaard en zijn aangevuld op basis van de eisen uit de Nota van Uitgangspunten. 4.4.2
Groen
Het plantsoen is bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming zijn ook voet- en fietspaden en speeltoestellen toegestaan. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).
30
4.4.3
Verkeers- en verblijfsgebied
De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. De bestemming geldt daarnaast ook voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.4.4
Waarde - Archeologie
Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”. Uitgangspunt voor deze bestemming is, dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Concreet komt dit neer op een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemverstorende activiteiten die een terreinoppervlak van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan een diepte van 1,5 meter beneden NAP. Zie paragraaf 3.2 voor een beschrijving van de archeologische waarden. 4.4.5
Parkeren
In artikel 10 is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het parkeren opgenomen. Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 10 een bepaling opgenomen waarin staat dat omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels, uitsluitend kan worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig het geldende beleid.
31
Hoofdstuk 5
Water
5.1
Beleidskader
5.1.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan valt buiten de beschermingszones van Rijkswaterstaat en behoort niet tot het gebied waar een vergunning van Rijkswaterstaat is vereist.
Figuur 14. Uitsnede leggerkaart Rijkswaterstaat, plangebied groen omlijnd
5.1.2
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 op 11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3
Gemeentelijk beleid
Waterplan 2 Rotterdam De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de
32
komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan valt niet in het peilgebied met een wateropgave dat niet voldoet aan de normen voor wateroverlast. Gemeentelijk rioleringsplan Rotterdam 2016-2020 Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) beschrijft het rioleringsbeleid van de gemeente Rotterdam voor vijf jaar.
Het beschrijft onder andere de huidige situatie van het rioleringsbeheer, de doelstellingen van de komende jaren en een maatregelenprogramma.
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De beheerder van het oppervlaktewater is het waterschap Hollandse Delta. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. Het buitendijkse waterbeheer van het oppervlaktewater (Nieuwe Maas) wordt gevoerd door Rijkswaterstaat.
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied is tevens niet aangewezen als een drogere oevergebied. 5.3.2
Grondwater
In de omgeving van het plangebied liggen een aantal peilbuizen. De meest nabij gelegen peilbuis (nummer 131562-1) meet de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de metingen blijkt dat de ontwateringsdiepte in de jaren 2019 en 2020 fluctueert tussen 1,55 meter en 1,77 meter onder NAP. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte groter is dan 80 centimeter zal niet snel grondwateroverlast in het plangebied optreden. 5.3.3
Waterkering
Het plangebied is niet gelegen in of nabij een (primaire) waterkering van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap stelt ten aanzien van dit aspect geen voorwaarden voor de beoogde ontwikkeling.
33
5.3.4
Riolering
Het plangebied zal worden aangesloten op het rioolstelsel van de wijk Vreewijk. Vreewijk heeft een gemengd rioolstelsel. Het neerslagwater dat op verharde oppervlakten valt wordt afgevoerd via het riool.
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor er geen waterkwaliteitseisen gelden. Het plangebied is in de huidige situatie nagenoeg volledig verhard. In de toekomstige situatie is sprake van een afname aan verhard oppervlak. Verder wordt er geen nieuw water aangelegd of water gedempt. De ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op het oppervlaktewatersysteem. 5.4.2
Grondwater
In het plangebied zijn geen woonruimten onder maaiveld beoogd. De ontwateringsdiepte dient minimaal 0,80 meter onder NAP te zijn. Gezien de grondwaterstand nabij het gebied (tussen 1,55 meter en 1,77 meter onder NAP) zijn negatieve effecten op de grondwaterstand uit te sluiten. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Het plangebied valt buiten beschermingszones en waterkeringen. 5.4.4
Riolering
Ten aanzien van de belasting van het bestaande rioolstelsel worden geen belemmeringen verwacht.
5.5
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
34
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieu effectrapportage
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r . De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage. Laatstgenoemde is per 1 april 2011 gewijzigd, waarbij de drempelwaarden in kolom 2 van de D-lijst indicatief gemaakt zijn. Dit betekent, dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. De consequentie van de nieuwe regeling is, dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan de m.e.r.
Dit kan zijn in de vorm van een motivering of in de vorm van een beschrijving van de resultaten van de m.e.r. (-beoordeling). Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Het college van B&W heeft voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport voor dit project niet noodzakelijk is. De voorgenomen activiteit is niet vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig, want er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. Hoewel de woningen niet worden gerealiseerd in een bestaand gebouw, waren er op de locatie wel ziekenhuisgebouwen aanwezig van het Zuiderziekenhuis en de Daniël den Hoed kliniek. Er is dus sprake van vervanging van gebouwen. Planologisch is er sprake van de omzetting van de functie “maatschappelijke voorziening” door de functie “wonen”. De verandering naar wonen past ruimtelijk in de aanwezige en te realiseren
35
gebiedsidentiteit want op de aangrenzende gronden is al sprake van een woonfunctie. De impact van op de omgeving is ongeveer gelijk aan de situatie met ziekenhuizen. Dat volgt uit de berekeningen van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast is er sprake van een redelijk goede leefomgeving. Dit volgt uit de uitgevoerde onderzoeken.
6.3
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. 6.3.1
Plangebied
Het plangebied wordt volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als 'rustige woonwijk'. Dit houdt in dat binnen het plangebied hoofdzakelijk activiteiten in de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan. In het plangebied is uitsluitend de functie wonen beoogd. Op aangrenzende gronden is tevens sprake van een woonfunctie. In de omgeving van het plangebied is, naast de functie wonen sprake van maatschappelijke functies, waar milieucategorie 2 op van toepassing is. De meest nabijgelegen maatschappelijke functie is het voormalig Zuiderziekenhuis (het Carrégebouw en het Poortgebouw). Beide locaties moeten in de huidige situatie al rekening houden met een dichterbij gelegen woonfunctie. Bovendien zijn op basis van de maatschappelijke bestemming reeds geluidsgevoelige functies toegestaan. De maatschappelijke bestemming vormt zodoende geen belemmering voor de realisatie van voorliggend bestemmingsplan. Deze situatie wijzigt met de beoogde functiewijziging niet. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen bestemmingen gelegen met een milieucategorie 2 of hoger. 6.3.2
Conclusie
In het plangebied wordt geen bedrijvigheid mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied worden bedrijven tot en met maximaal categorie 2 toegestaan, maar er is geen sprake van dit type bedrijvigheid op een afstand met gevolgen voor bedrijfsvoering of het woonklimaat ter plaatse. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van de ontwikkeling.
6.4
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van
36
een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen.
Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.4.1
Plangebied
Voorliggend bestemmingsplan maakt een woonfunctie mogelijk. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. In het kader van geluidshinder is door BK bouw & milieuadvies onderzoek uitgevoerd en als Bijlage 2 toegevoegd aan het bestemmingsplan. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Dordtsestraatweg (ten hoogste 39 dB Lden), de Dreef (ten hoogste 30 dB Lden), de Strevelsweg (ten hoogste 36 dB Lden), de Vaanweg (ten hoogste 41 dB Lden), de Valkeniersweide (ten hoogste 41 dB Lden), de Vinkenbaan (ten hoogste 27 dB Lden) en de Vonder (ten hoogste 45 dB Lden) voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Groene Hilledijk bedraagt ten hoogste 60 dB Lden (inclusief aftrek). De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Aan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB Lden wordt voldaan. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 65 dB Lden. De geluidhinder kan niet worden gereduceerd door middel van maatregelen aan de bron of door overdrachtsmaatregelen: het vervangen van het wegdek is niet doelmatig, aangezien de Groene Hilledijk al is voorzien van dunne geluidreducerende deklaag. Daarnaast is het plaatsen van een scherm vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk.
Het aanvragen van een hogere waarde is noodzakelijk. Het Besluit hogere waarden is als PM (verwijzing bijlage) toegevoegd aan het bestemmingsplan. In het ontheffingsbeleid worden eisen gesteld aan het creëren van een geluidluwe gevel. Volgens het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van Gemeente Rotterdam mag de belasting van de geluidluwe gevel voor elk van de geluidbronnen (wegverkeer, spoorverkeer of industrie) cumulatief niet hoger zijn dan 53 dB (inclusief aftrek) voor wegverkeer. Op basis van de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat aan de voorwaarde voor een geluidluwe gevel wordt voldaan. In het kader van de omgevingsvergunning activiteit bouwen dient te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels en het binnenniveau voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Het betreffende onderzoek geluidwering gevels is toegevoegd aan de gecoördineerde aanvraag. 6.4.2
Conclusie
Een besluit hogere waarden is noodzakelijk vanwege de geluidhinder van de Groene Hilledijk. De woningen voldoen aan de voorwaarden. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het beoogd initiatief.
37
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
38
6.5.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Op basis van de planologische kaders van voorliggend bestemmingsplan worden 243 woningen mogelijk gemaakt. Een deel hiervan wordt uitgevoerd als gestapelde woningbouw (appartementen) en een deel als grondgebonden woningen. Aangezien de sectorale onderverdeling van woningen op basis van het bestemmingsplan kan worden uitgewisseld tussen appartementen en grondgebonden woningen, wordt in deze berekening uitgegaan van een worst case situatie. In het kader van het aspect luchtkwaliteit is ten aanzien van het aantal motorvoertuigbewegingen in de berekening uitgegaan van: 160 appartementen (categorie koop, etage, duur): 556 mvt/etmaal; 84 grondgebonden woningen (categorie koop, tussen/hoek, duur): 1052 mvt/etmaal. Bovenstaand programma levert een totaal van 1.608 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Echter is sprake van een beperktere toename, aangezien de verkeersaantrekkende werking van de voormalige Daniël den Hoekkliniek vervalt. Op basis van een globale benadering had het voormalige ziekenhuis circa 20.000 m2 bvo ter beschikking.
Op basis van de CROW-normen geldt voor de functie ziekenhuis een verkeersaantrekkende werking van 7 motorvoertuigbewegingen per 100 m2 bvo per etmaal. Dit levert een daggemiddelde van 1.400 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op basis van deze benadering blijkt dat sprake is van een netto toename van 208 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op basis van de NIBM-tool (versie 2020) blijkt dat deze toename zorgt voor een bijdrage van 0,17 µg/m3 aan NO2 en 0,03 µg/m3 aan PM10. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op basis van de NSL-monitoringstool is rekenpunt 15957620 aan de Groene Hilledijk als het meest nabijgelegen meetpunt (bron: nsl-monitoring.nl). Op deze locatie gelden de volgende achtergrondconcentraties en bijhorende grenswaarden (tabel 4).
Tabel 4. Achtergrondconcentraties
ter plaatse van het plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)
Het Rotterdamse beleid schrijft voor dat de contouren van de grenswaarden niet mogen worden overschreden bij het realiseren van nieuwe woningen. Ter plaatse van de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd is geen sprake van overschrijdingen van de grenswaarden, zodat aan dit beleid wordt voldaan en sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 6.5.2
Conclusie
Het bestemmingsplan zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het extra verkeer dat door het bestemmingsplan wordt gegenereerd blijft binnen de hoeveelheid verkeer dat door het opgegeven NSL-programma wordt gegenereerd. Omdat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn opgenomen in een vastgesteld programma (het NSL) dat gericht is op het bereiken van de wettelijke grenswaarden kan het bestemmingsplan een beroep doen op het NSL. Door een beroep op het NSL wordt voldaan aan de Wet luchtkwaliteit (Titel 5.2
39
Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer).
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.6.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitskaart Rotterdam 2014 geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft is het plangebied onderverdeeld in één gebied. In gebied 80C, waarbinnen de projectlocatie valt, is de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) beoordeeld als matig verontreinigd (categorie industrie) en is de bodem tussen 1 en 2 meter beneden het maaiveld licht verontreinigd (categorie wonen). Op basis van de indicatieve Bodemkwaliteitskaart is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse niet zonder meer geschikt is voor een woonfunctie. In het kader van de bodemkwaliteit zijn op basis van de bodemkaart van DCMR de volgende onderzoeken uitgevoerd en/ of rapporten opgeleverd: Verkennend bodemonderzoek Daniel den Hoedkliniek, Ingenieursbureau Rotterdam, projectcode 2014-0145, d.d. 22 januari 2015; Nader onderzoek, MWH, kenmerk 9999518975, d.d. 14 december 2016; Nader bodemonderzoek Daniël den Hoedkliniek te Rotterdam, Stantec, kenmerk 9999518974, d.d. 21 september 2018; Meldingsformulier BUS saneringsplan, Stantec, kenmerk 9999519408, d.d. 29 september 2018; Tussentijds evaluatierapport van de sanering bij de Daniël den Hoedkliniek m.b.t. 4 spots (fase 1) te Rotterdam, VanderHelm Milieubeheer B.V., projectcode 20181384, d.d.
21 februari 2019; Meldingsformulier BUS evaluatieverslag, VanderHelm Milieubeheer, kenmerk 9999588689, d.d. 4 april 2019; Beschikking Groene Hilledijk 295-301 te Rotterdam, gemeente Rotterdam, zaak ID 9999119778, d.d. 29 april 2019. Verkennend bodemonderzoek Ter plaatse van het plangebied is in 2015 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de grond aan de zuid- en westkant van de onderzoekslocatie tot sterk verontreinigd is met koper, lood, nikkel, zink, PAK en/of minerale olie. Het overig deel van de onderzoekslocatie overschrijd maximaal de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater op de locatie is plaatselijk sterk verontreinigd met arseen. Incidenteel is barium matig verhoogd. Daarnaast is het grondwater licht verontreinig met barium, zink, kobalt, nikkel, arseen en/of molybdeen. Het slib afkomstig uit de vijver voldoet bij toepassen in waterbodem aan klasse B, bij toepassen op landbodem voldoet het slib aan klasse industrie. Het puin in de bodem is op basis van onderhavig onderzoek niet asbesthoudend. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, er is meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond aanwezig op de locatie. Er is nog geen risicobeoordeling gedaan doordat de omvang, mate en ernst van de verontreiniging nog onvoldoende in beeld is gebracht
40
De verontreinigingssituatie vormt een belemmering voor de voorgenomen herinrichting. Op basis van de beschikbare analyses uit dit onderzoek is een indicatieve toets uitgevoerd op hergebruikmogelijkheden. Toetsing aan het generieke en gebiedsspecifieke beleid wijst uit dat de grond niet zonder meer vrij toepasbaar is in Rotterdam. Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt voor de zuid- en westkant van de onderzoekslocatie nader bodemonderzoek geadviseerd. In het nader onderzoek dient de bepaling van de omvang van de aangetoonde bodemverontreiniging te worden vastgesteld. Daanaast dienen de hergebruikmogelijkheden te worden vastgesteld. Nader bodemonderzoek Op basis van de het nader bodemonderzoek van Stantec (Bijlage 6) is gebleken dat verspreid over het terrein sprake is van diverse verontreinigingsspots. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken: De grond ter plaatse van de onderzoekslocatie is licht tot sterk verontreinigd met zware metalen en PAK. De verontreiniging is vermoedelijk ontstaan tijdens het bouwrijp maken van het perceel; Verspreid over het perceel is sprake van vier verontreinigingskernen. De verontreinigingen worden aangetroffen in verschillende bodemlagen. Er is geen directe correlatie tussen de aard en mate van de aangetroffen bijmenging; De verontreiniging is voldoende in beeld gebracht.
Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Gezien de organisatorische, technische en ruimtelijke samenhang van de verontreinigingen, is op de locatie sprake van één geval van ernstige bodemverontreiniging, met verschillende verontreinigingskernen. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit de risicobeoordeling blijkt dat er geen sprake is van risico's. Voor de aanpak van de verontreinigingen kan worden aangesloten bij de geplande ontwikkelingen. Het onderzoek concludeert dat de verontreiniging door middel van ontgraving dient te worden verwijderd. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aanbevolen wordt om voor sanering van deze verontreiniging een BUS-melding (categorie immobiel) te laten opstellen. In navolging van deze conclusie is een BUS saneringsplan ingediend en is een evaluatieverslag voor de deelsanering opgesteld. De saneringswerkzaamheden betreffen de eerste fase van een sanering van meerdere verontreinigingen op de locatie. In het evaluatierapport is geconcludeerd dat spot I t/m III zijn gesaneerd en spot IV nog dient te worden gesaneerd. In afstemming met de opdrachtgever en bevoegd gezag is besloten om eerst aanvullend bodemonderzoek uit te voeren rondom spot IV om de nieuwe saneringscontour vast te stellen. Aansluitend volgt de sanering.
Ten behoeve van de eerste fase van saneringswerkzaamheden is een tussentijds evaluatierapport opgesteld (Bijlage 7). Op basis van het evaluatierapport is door de het college van B&W een beschikking afgegeven voor de reeds uitgevoerde saneringen (Bijlage 8). De gemeente heeft ingestemd met het evaluatieverslag en geconcludeerd dat de bodem ter plaatse van de gesaneerde delen (spot I t/m III) van de locatie geschikt is gemaakt voor het gebruik wonen met tuin. Spot IV dient nog te worden gesaneerd, voordat kan worden gestart met de realisatie van de beoogde ontwikkeling. De omvang van de sterke verontreiniging met nikkel, koper en PAK wordt geschat op circa 60 m3. De ontgravingen bij de vervuilde spot opgestart en zijn controlemonsters genomen. Tevens zijn enkele proefsleuven gegraven ter verificatie tot waar de kolengruishoudende laag aanwezig is. Op basis van de controlemonsters dient verder ontgraven te worden. 6.6.2
Conclusie
De bodem van het plangebied is onderzocht. Een deel van het plangebied blijkt verontreinigd. Saneringswerkzaamheden zijn derhalve noodzakelijk. Een deel van de verontreinigingen zijn reeds gesaneerd. De verontreiniging spot IV dient nog te worden gesaneerd, voordat kan worden gestart met de bouwwerkzaamheden.
41
6.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 6.21 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.1
Plangebied
Op de risicokaart is te zien dat het projectgebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting, de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen, het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute of binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het voorgenomen initiatief is tevens geen risicovolle activiteit. Derhalve is geen sprake van relevante veiligheidsrisico's.
42
Figuur 15. Uitsnede risicokaart, projectlocatie bij benadering groen omlijnd (bron www.nederland.risicokaart.nl)
6.7.2
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS was het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur.
In de PAS waren alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan).
43
Op het moment dat een ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie vraagt dit om nadere aandacht. Wanneer sprake is van een bijdrage zal worst case een passende beoordeling gemaakt moeten worden. In geval van een bestemmingsplanprocedure leidt dit tot een planMER-plicht. Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld.
Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van een kerngebieden of van een (potentiële) binnenstedelijke ecologische verbindingen. 6.8.1
Gebiedsbescherming plangebied
Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas en de Hooge Boezem Kinderdijk, gelegen op respectievelijk 5 en 8,6 kilometer afstand van het plangebied. In het kader van mogelijk negatieve gevolgen op beschermde natuurgebieden is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 1 Stikstofdepositie toegevoegd aan het bestemmingsplan. Sinds 15 oktober 2020 schrijft de Regeling Natuurbescherming voor dat AERIUS-calculator 2020 moet worden gebruikt voor het berekenen van stikstofdepositie. De berekeningen zijn uitgevoerd in deze versie van de calculator. In het onderzoek gelden de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan als uitgangspunt. De doorlooptijd van de aanlegfase (bouwfase) neemt naar verwachting drie jaar in beslag. Uit de berekening van de aanleg- en gebruiksfase volgt dat de ontwikkeling geen relevante bijdrage heeft op de stikstofgevoelige natuurgebieden. Het berekende verschil tussen de huidige en toekomstige situatie is voor beide fases afgerond op 0,00 mol per hectare per jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt hiermee geen belemmering voor de realisatie van het plan. 6.8.2