21bb8076 Bijlage 6 behorende bij 21bb7796 over Rapportage Samenleven in de superdiverse stad
Tekst van het document
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
39
5
Ervaren discriminatie, racisme en antisemitisme Uit het Wijkprofiel komt naar voren dat een aanzienlijk deel van de Rotterdammers discriminatie ervaart (Gemeente Rotterdam, 2020b). Het gevoel gediscrimineerd te worden komt vaker voor onder Rotterdammers met een migratieachtergrond. In 2017 gaan de meeste discriminatiemeldingen bij antidiscriminatiebureau RADAR over discriminatie vanwege herkomst of huidskleur (43% van alle meldingen). Ook discriminatie vanwege een beperking of chronische ziekte wordt relatief vaak gemeld, net als discriminatie vanwege geslacht. Discriminatie vanwege religie, wat meestal om discriminatie van moslims gaat, wordt minder vaak gemeld dan in eerdere jaren. Volgens RADAR krijgen Rotterdammers met een migratieachtergrond vaker dan gemiddeld te maken met discriminatie: in 2017 kreeg 20% van de Rotterdammers met een migratieachtergrond te maken met discriminatie, tegen 14% van Rotterdammers zonder migratieachtergrond (IDEM, 2019). RADAR registreert in 2018 één antisemitisch incident. In 2017 waren dat er zes. De door RADAR geregistreerde antisemitische uitingen zijn divers en niet altijd eenduidig (IDEM, 2019). Uit andere bronnen weten we over antisemitische incidenten het volgende. In de politieregistratie zijn in 2018 veertien antisemitische incidenten in Rotterdam opgenomen. Dat waren er zeventien in 2017.
Tegelijkertijd concludeert het Fundamentele Rechtenagentschap (FRA) in 2018 in een rapport over antisemitisme in de EU dat van de Nederlandse respondenten die de afgelopen vijf jaar slachtoffer waren van antisemitisme, slechts één op de vier daarvan melding maakte bij een instantie of aangifte deed. Het CIDI (2020) constateerde in 2019 juist het grootste aantal antisemitische incidenten in 30 jaar. In de focusgroepen bespraken we de door de respondenten zelf ervaren discriminatie en gevoelens van achterstelling. Bij discriminatie is het vaak heel lastig om vast te stellen of het werkelijk om discriminatie ging of dat er sprake was van een botte of nare opmerking of behandeling die iedereen ten deel zou kunnen vallen. We gaan in de tekst hieronder uit van de ervaringen van de respondenten en hun interpretatie van daarvan, en niet van gemelde incidenten. In zes groepen geven respondenten aan discriminatie te hebben ervaren. In twee groepen worden geen eigen ervaringen genoemd: de voorbeelden van discriminatie die deze respondenten noemen betreffen andere mensen. Het gaat hier om twee groepen hoger opgeleide respondenten, de groep met en de groep zonder migratieachtergrond. In de focusgroepgesprekken maakten we in eerste instantie onderscheid tussen discriminatie in de privésfeer en discriminatie binnen maatschappelijke instellingen.
Dat onderscheid bleek tijdens de analyse wat kunstmatig want de organisatie waar de ene respondent klant van is en discriminatie ervaart, is voor de andere respondent de werkvloer waar haar als collega dezelfde opmerkingen ten deel vallen. We benoemen de ervaringen met instellingen wel, maar niet als aparte paragraaf. In dit hoofdstuk gaan we eerst in op de discriminatie die de respondenten zelf hebben ervaren. Vervolgens bespreken we of de respondenten zelf ook vooroordelen hebben en dat onderkennen. De Black Lives Matterbeweging van voorjaar 2020 zou de verschillen tussen groepen in de stad kunnen hebben verscherpt. Vandaar dat is gevraagd wat de respondenten hiervan vinden. Dit onderwerp komt in de laatste paragraaf aan de orde.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
40
5.1. Ervaringen met discriminatie Uit de analyse blijkt dat respondenten met een migratieachtergrond discriminatie ervaren op basis van hun etnische achtergrond of huidskleur. Ook de Joodse respondenten en de Syrische statushouders hebben hun eigen ervaringen. Vandaar dat we in onderstaande beschrijving onderscheid maken tussen deze vier groepen respondenten.
5.1.1. Ervaringen met migratieachtergrond
discriminatie
van
respondenten
met
een
Respondenten met een migratieachtergrond uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen en uit de groep met een gemengd opleidingsniveau leggen de nadruk op discriminatie vanwege hun uiterlijk (huidskleur) of etnische afkomst. Een jonge vrouw met een Antilliaanse achtergrond zegt hierover bijvoorbeeld: “Wat ik wel merk is als je bijvoorbeeld naar de winkel gaat met een kinderwagen, is dat de beveiliger sneller achter jou aankomt dan een omaatje die in een rollator zit. Zulke dingen, dat valt me wel meer op.” Ze lijken daarbij vooral last te hebben van Nederlanders zonder migratieachtergrond: “Nou, echt een beetje als ik naar bijvoorbeeld IJsselmonde ga. Daar zijn ook best wel veel Nederlandse racisten ook, en daar voelen wij ons niet echt thuis”, aldus een vrouw met een Marokkaanse achtergrond. En een andere respondent: “Bepaalde plekken waar veel Nederlanders wonen, daar voelen wij ons dan niet thuis omdat ze ons best wel aankijken en een bepaald iets kunnen zeggen. Maar voor de rest, wij wonen best wel in multiculturele wijken allemaal eigenlijk. Dus daar voelen wij ons wel thuis. Je hebt er van alles; Turken, Marokkanen, Antillianen, Surinamers, echt van alles. Weet je wat ik vooral echt erg vind? Wanneer ze zeggen ‘kutMarokkaan, ga terug naar je eigen land’. Dan heb ik zoiets van: ik heb gewoon mijn rode paspoort, ik ben hier geboren en getogen.
En dat maakt jou niet beter dan mij.” Een respondent met een Surinaamse achtergrond voelt zich niet gediscrimineerd in de privésfeer maar wel als het instellingen betreft: “Het is meer bij zaken regelen bijvoorbeeld, bij de gemeente gaan. Of een gerechtelijk iets in orde maken, dat je je meer een beetje gediscrimineerd voelt. Maar in het algemeen niet. Want nu ik ziek ben moest ik bijvoorbeeld een urgentie krijgen en toen ik dat zelf moest aanvragen deden ze moeilijk, maar toen ik het via iemand van de gemeente heb laten doen die zelf blank is, toen ging het wel heel simpel. Dus dat eigenlijk meer.” Het gaat bij de ervaringen met discriminatie niet altijd om ronduit racistische opmerkingen of gedrag. Soms gaat het om onverdraagzame opmerkingen en (onbewuste) vooroordelen waaruit blijkt dat de inclusieve samenleving nog geen realiteit is. Twee respondenten, beiden hbo-opgeleid, merken dat op hun werk. Een man met een Colombiaanse achtergrond zegt daarover: “Ik heb een nieuwe werkplek en daar zijn veel autochtonen, dus Nederlandse mensen werken daar. En ze hadden het over sollicitanten. Er was weer een vacature open en ze hadden het over namen die ze niet kunnen uitspreken en zo. En mijn teammanager die zei dat. En op zich is dat niet erg, alleen is het wel voor inclusiviteit dat ik denk van: oké, misschien hoor ik er niet bij.
Dus het is niet echt racisme, maar het is wel van – oh – je voelt ‘m wel eventjes.” En een vrouw met een Antilliaanse achtergrond: “Ik herinner me wel een moment, ik ga even naar de kantine en ze hadden het over de benaming van donkere en zwarte mensen, wat dan juist is. En dan zeggen ze: ‘ik bedoel niet jou ermee’ of ‘jij bent vast
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
41
niet zo’. En ik had gewoon 'ja' geknikt en ik liep door. Weet je, het zal wel. Maar op dat moment denk je van: eigenlijk bedoel je dat wel, maar je zegt het niet.” Twee respondenten hebben de ervaring dat mensen hen vanwege hun huidskleur of achtergrond op een dommige manier aanspreken. Een oudere vrouwelijke respondent met een Surinaamse achtergrond en een hbo-diploma zegt: “Ja, dat ervaar ik wel, in zoverre; je merkt dat mensen – ik ben zwart – dat mensen je lager schatten qua niveau en taalgebruik. Want wanneer ze horen hoe je praat, dan zie je ze een beetje verbaasd kijken en vragen ze: ‘Goh, waar heb jij Nederlands geleerd?’ En ik merk het ook gewoon – en dan niet bij mij, maar bij jongeren die zwart zijn of Turks of Marokkaans. De taal waarin ze spreken is altijd een beetje dommig. Dan zeg ik: ‘Nee, zo moet je niet met ze praten, je moet gewoon praten hoe je normaal praat.’” De respondent met de Colombiaanse achtergrond vult aan: “Toen ik in Rotterdam werkte, werkte ik ook in de GGZ in de zorg.
En dan had je veel behandelaren, die waren overwegend wit en die werkten wel op Zuid, dus dan was er wel een cultureel verschil daar en ze praatten soms wel extra dommig, laat ik maar zeggen.” De dame met een Surinaamse achtergrond wijst op de kwalijke rol van de media: “Wat me wel opvalt hè, als een Nederlander van Antilliaanse afkomst iets positiefs heeft gedaan dan is het een Nederlander. Is het een Nederlander van Antilliaanse afkomst en hij heeft iets negatiefs gedaan, dan is het een Antilliaan. En dat is hetzelfde met de Marokkanen, met de Surinamers, met alles.” Anderen vallen bij met voorbeelden: in dezelfde zomer werd een donkere actrice op een festival gepakt met drugs en de bladen stonden er vol mee, terwijl je volgens de respondenten niets hoorde over twee witte jongens die ook op een festival gepakt waren met drugs. Hetzelfde geldt voor de aandacht voor Humberto Tan en Marco Borsato die beiden vreemdgingen maar waarbij de aandacht voor Humberto Tan volgens de respondenten buitenproportioneel was. Daarna vervolgt ze: “En de media die bepaalt alles. En de media is heel wit. Oude, grijze, witte mannen, blonde vrouwen die daar zitten en die bepalen een beetje hoe het verwoord wordt.” Als er deskundigen aan tafel zitten, zoals bij het nieuwe programma M, zijn dat volgens de respondenten altijd witte mensen.
In reclames worden langzamerhand wel wat meer gekleurde mensen getoond. In deze groep komt ook aan de orde dat men geen zin meer heeft om zich te verantwoorden voor het gedrag van anderen uit hun etnische groep. Zo zegt een respondent met een Marokkaanse achtergrond: “Maar ik moet me wel verantwoorden als een moslim of een Marokkaan iets negatiefs doet of iets negatief op beeld is geweest, dan moet ik me daarvoor verantwoorden. Ik voel het dan in mijn omgeving met mijn Nederlandse collega's, dan verwachten ze het wel, maar ik vertik het gewoon, want ik sta er helemaal los van.” Ook is ze soms niet meer zo gediend van de mening van de Nederlander zonder migratieachtergrond: “Ik doe dan mee aan de ramadan en dan heb ik collega's die dan niet meedoen aan de ramadan. En dan willen ze zeg maar wel interesse tonen in wat het allemaal inhoudt, in wat dan allemaal wel en niet mag et cetera. Maar dan hoor je ze dan opeens: ‘nou, ik zou dat nooit doen!’ Ja, dan denk ik van: dit is mijn ding, jij doet jouw ding, je hoeft het niet te doen. Laat mij mijn ding doen en jij doet ook gewoon je ding.” Ook de bereidheid om steeds weer hetzelfde uit te leggen neemt af. Een andere respondent, met een Surinaamse achtergrond:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
42
“We hebben tegenwoordig internet en je kan tegenwoordig alles vinden op internet. Ik word er een beetje moe van, ik doe geen ramadan, maar stel je voor dat ik ramadan zou houden, dat ze mij zouden vragen ‘Wat is dat?’ Dan zou ik zeggen: ‘Joh, ga lekker zoeken.’” Een ander, met Antilliaanse wortels, licht haar mening niet meer toe: “Ik kan me nog wel een voorbeeld herinneren, dat was vorig jaar toen met het Sinterklaasfeest en collega's waren stellig van: ‘nee, het moet gewoon doorgaan, dit en dat, wat is dit nou weer?’ En ik zei: ‘Ik ben er gewoon tegen, punt’, weet je. Ik kan het je uitleggen, maar als je er niet voor open staat, dan ga ik het ook niet uitleggen, want dat heeft ook geen zin.” De respondent die aan de ramadan doet ergert zich eraan dat dezelfde vragen steeds weer terugkomen: “Ja, want elk jaar krijg ik de vraag: ‘maar mag je dan ook geen water? Dan denk ik van: dan heb je ook geen geheugen … ik weet niet of je nog van vorig jaar weet wat daar het antwoord op was?” De respondent met een Surinaamse achtergrond merkt op dat ze de getoonde interesse weinig oprecht vindt: “Ja, het is ook een beetje desinteresse denk ik. Want ze moeten ook zelf gaan leren om uit te gaan zoeken hoe of wat, en dan pas ben je geïnteresseerd in die persoon of wat die persoon doet en dan kan je vragen stellen, want dan weet je een beetje van die achtergronden.
En het is zo gemakkelijk om het gelijk te gaan vragen. En dat zouden ze gewoon niet moeten doen.” In de groep respondenten met een migratieachtergrond die enkel bestond uit hoger opgeleiden herkennen ze discriminatie zeker, maar ze benoemen daarbij voorvallen die andere mensen betreft en geen eigen ervaringen. Zo zegt een vrouw met een Indische achtergrond: “En ja, van een vriend van mij, Irakees/Iranees is hij, en hij heeft toen heel veel sollicitaties uitgestuurd en ook een keer gesolliciteerd met zijn eigen naam en met een Nederlandse naam precies dezelfde brief, precies hetzelfde cv. Degene die uitgenodigd werd was degene met de Nederlandse naam. Dus ja, op de arbeidsmarkt is er zeker sprake van discriminatie. Ik heb ook weer een ander voorbeeld: een horecauitzendbureau in Rotterdam. Daar werd door de opdrachtgever gezegd: ‘Zouden jullie alleen maar Nederlandse oproepkrachten kunnen sturen?’ En daar werd toen ook gehoor aan gegeven. Dus ja, er is zeker wel discriminatie in Rotterdam op de arbeidsmarkt.” Een respondent die zelf een leer-werkbedrijf heeft, een man met een Surinaamse achtergrond, beaamt dit: “90% van de leerlingen zijn diaspora, dus met een andere achtergrond. En dat is gewoon een ramp om een BBL-plek te vinden, dus vier dagen werken, één dag leren.
Want een BBL-plek is juridisch een arbeidscontract en er zijn heel weinig bedrijven die deze jongeren gewoon dat durven geven.” Een respondent uit de groep jongeren met een migratieachtergrond heeft die ervaring ook. Volgens deze respondent moeten mensen met kleur zich altijd extra bewijzen om hoger op te kunnen komen. Een respondent die een hoofddoek draagt uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond heeft vooral last van Hindoestanen: “Kijk, ik respecteer elke godsdienst. Van hindoeïsme tot christelijk, ik respecteer alles. Ik ben zelf moslim, wij allemaal. En ik krijg best wel veel dingen over me heen van: ‘Kutmoslim, waarom draag je een doek? Ik hoop dat je stikt in je doek’. Ja, dat soort dingen worden echt gezegd door Hindoestanen… ‘Ga je ons bombarderen?’ Ja, zulke domme dingen.” Zij is de enige binnen de groep met een migratieachtergrond die aangeeft dat ze vooral last heeft van mensen uit een andere migrantengroep. Een respondent zonder migratieachtergrond geeft aan dat haar Koreaanse
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
43
schoonzus vooral gediscrimineerd wordt door mensen met een migratieachtergrond. Een enkeling oppert het: “We hebben het vooral over discriminatie door witte mensen, maar het is niet zo dat er geen discriminatie is door andere groepen.” Toch is dit in geen enkele focusgroep echt onderwerp van gesprek.
5.1.2. Ervaringen met discriminatie van Syrische statushouders Discriminatie bij instellingen wordt ook door de statushouders uit Syrië genoemd. In deze groep benoemen vier van de vijf respondenten incidenten die zij hebben ervaren als discriminatie. Bij alle vier ging het om discriminatie door medewerkers van organisaties. Een persoon benoemt een geïrriteerde behandeling nadat deze een INGmedewerker aansprak op het feit dat ze een kwartier moest wachten. De tweede kreeg geen uitleg bij een nieuwe baan en zijn vragen werden genegeerd. Men liet hem wachten en daarna werd een nieuwe werknemer zonder migratieachtergrond die na hem binnenkwam wel geholpen: “Hij liet mij alleen en ging met die Nederlander spreken en hij ging met hem laten zien. Ik heb hem dus gevolgd en ik zei: ‘Zoals je hem hebt laten zien, laat mij dan ook zien’, maar hij reageerde niet.” De derde heeft een onaangename ervaring met een uitkeringsinstantie: “Ik was uitgestroomd van de uitkering door mijn werk, maar ik wilde terug naar uitkering omdat ik mijn baan kwijt had geraakt. Ik ging naar een organisatie, de eerste keer was mijn aanvraag afgewezen door de ambtenaar en hij zei dat ik geen recht heb op uitkering. Maar een vriendin van mij zei van ze heeft wel recht daarop. Toen heeft hij de papieren gegooid en zei tegen mij laat je vriendin dan de aanvraag accepteren en je gaat de uitkering niet krijgen.
Toen kreeg ik wel de uitkering maar niet door hen, gewoon alleen. Ik kon wel een klacht indienen, maar ik wilde geen problemen maken.” Hierop reageert een ander met de opmerking dat Syriërs zelf geen problemen willen maken, maar ook het advies krijgen om het niet te hoog te spelen. Daarop reageert de vorige spreker met: “Als de klacht van een Nederlander komt dan wordt het wel een probleem en zou er helemaal anders mee worden omgegaan.” Die ervaring heeft ook een andere Syrische respondent na een gewelddadig incident met een buurtbewoner. Deze belde aan en viel de tienerjongen in huis met een mes aan terwijl ze hem ervan beschuldigde dat hij haar dochtertje van vijf had lastiggevallen en mee probeerde te nemen naar zijn huis. Op het bewuste moment lag de jongen volgens deze respondent echter thuis te slapen. Als zij het incident filmt pakt de buurtbewoner haar telefoon af. Vervolgens bellen beide partijen de politie. De respondent ervaart de afhandeling door de politie als discriminerend: “Toen de politie het filmpje zag waar ze zei ‘Ik ga jij en je familie vermoorden’ en zo, zei de politie van ‘Jullie zijn buren, jullie moeten elkaar respecteren en bla bla bla en jullie moeten het niet te groot maken, jullie moeten elkaar wel begroeten als jullie in de ochtend elkaar zien’.
Omdat ze dus een Nederlander is probeerde de politie het niet groot maken, maar als het omgekeerde was geweest zou het een groot probleem zijn.”
5.1.3. Ervaringen met migratieachtergrond
discriminatie
van
respondenten
zonder
In de groep lager en middelbaar opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond denken de meesten dat het met het racisme wel meevalt. Zij ervaren Rotterdam als een tolerante stad met open-minded mensen. Een van de respondenten heeft een ex-vriend met een donkere huidskleur en hij heeft wel incidenten meegemaakt (politie sprayde zonder aanleiding pepperspray in zijn ogen). Een andere respondent deelt dat de enige discriminatie die zij om zich heen bemerkt opmerkingen over homo’s zijn. Zelf maken deze Rotterdammers ook discriminatie mee. Een van hen zit in een rolstoel en solliciteren leidt maar niet tot een baan. Hij weet niet zeker of het met zijn handicap te maken heeft maar vermoedt van wel. Hij wil het geen discriminatie noemen, maar wel dat het lastiger is om aan werk te komen. Een ander heeft overgewicht en tatoeages. Zij werkt in de thuiszorg en heeft last van fat shaming, bijvoorbeeld door een cliënt: “Dat zij tegen mij zei van ‘Oh, jij bent dik! Ik ben helemaal niet gewend
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
44
aan dikke mensen.’” Ze werkt bij een christelijke organisatie en sommige mensen willen niet dat ze bij hen komt werken: “Maar als ik bij sommige mensen thuiskom, die echt christelijk opgevoed zijn, ik zit onder de tattoos. Dan zeggen ze tegen mij: ‘Daar is het gat van de deur. En tot ziens!’ En ik heb ook een cliënt gehad die mij gewoon echt ging verplichten om naar de kerk te gaan. Ik zeg: ‘Nou sorry, u mag van mij alles verwachten, maar naar de kerk ga ik niet.’ Toen zegt ze: ‘Ja, dan wil ik nu dat je mijn huis verlaat.’” Als het gesprek later gaat over tolerantie ten opzichte van mensen die anders zijn, zegt deze respondent dat haar grens ligt bij mensen die je hun eigen levensstijl willen opdringen. Hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond zien meer discriminatie om zich heen. Zij zijn soms getuige van ronduit discriminerend gedrag. Met name op de werkvloer krijgen ze daar mee te maken. Een respondent hoort van mensen op haar werk met een migratieachtergrond “dat die zich heel vaak gediscrimineerd voelen en niet getolereerd, nagekeken. Ja, ik hoor heel vaak verhalen dat ze daar ervaringen mee hebben”. Een ander geeft aan dat ze regelmatig in teams heeft gezeten om cv’s te beoordelen. “Cv’s van mensen met een migratieachtergrond werden op basis van de geboorteplaats en/of achternaam ongelezen weggelegd.
Ja, verschrikkelijk!” Maar ook buiten de werkvloer horen deze respondenten over discriminatie van mensen met een migratieachtergrond. Een respondent vertelt dat een vriendin met een duidelijk Nederlandse achternaam een nieuw appartement heeft gekregen: “Die kreeg van de makelaar te horen dat ze eigenlijk wel heel erg blij met haar waren en dat ze eigenlijk voornamelijk haar hadden gekozen vanwege haar naam. Om zoiets te horen …, de andere kant van de partijen zal het nooit horen, de mensen die afgewezen zijn, waarom ze het niet zijn geworden.” Sommige respondenten worden door opmerkingen van anderen op het bestaan van racisme en daarmee ook op hun eigen onwetendheid gewezen. Zo vertelt een respondent dat ze haar uit Korea geadopteerde schoonzus nooit als iemand met een migratieachtergrond zag. Toen deze zich publiekelijk uit begon te spreken over het racisme jegens Aziaten hoorde ze pas hoeveel last zij daarvan had. Een ander wordt door internationale kennissen gewezen op het racistische karakter van Zwarte Piet: “Toen ik bijvoorbeeld een foto deelde op social media van Zwarte Piet (…), en mijn Amerikaanse vrienden mij daarop attendeerden van ‘wat doen jullie daar nou? Wat is dat nou? Ben je wel helemaal goed? Dat kan toch niet!’ Ik zeg ‘Nou ja, dat is gewoon Zwarte Piet! Doe niet zo moeilijk.’ En toen ben ik er over gaan nadenken. Echt van: ja, inderdaad.
Wat belachelijk.” De hoger opgeleiden zonder migratieachtergrond hebben zelf geen ervaringen met discriminatie. Eerder gaven zij wel aan dat dit mogelijk anders is voor mensen met een niet-heteroseksuele voorkeur en dat vrouwen in bepaalde wijken seksistisch gedrag ervaren.
5.1.4. Ervaringen van Joodse respondenten met antisemitisme De voorgaande bevindingen doen vermoeden dat hoger opgeleide respondenten veel minder tot geen discriminatie ervaren. Dit geldt echter beslist niet voor de respondenten met een Joodse achtergrond die allen hoger zijn opgeleid: zij hebben allemaal ervaring met antisemitisme. In §3.3 beschreven we al dat deze respondenten in bepaalde delen van de stad hun joodse identiteit liever verhullen. De ervaringen die Joodse Rotterdammers hebben variëren van ‘aangesproken worden op’ tot expliciet gewelddadig gedrag. Een bewoner werd bijvoorbeeld aangesproken tijdens het boodschappen doen: “’Jood? Nee. Nee. Mozes komt vanuit de islam.’ En het was een heel ander verhaal en ik wil niet vechten met de eigenaar van de winkel, maar hij gaat weer: ‘(…) en de Jood doet het fout. En ze hebben het (…) over de hele wereld.’”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
45
Ook ervaren de respondenten last van het zich moeten verantwoorden over Israël. Zo zegt een respondent: “Maar ik heb het gevoel dat over alles wat er gebeurt in Israël, dat je als Nederlandse Jood daar ook gelijk een standpunt over moet hebben. Ik ben zelf nog nooit een Israël geweest! Het is heel vermoeiend … En als je constant jezelf moet verdedigen, dat joods zijn niet hetzelfde is als een zionist zijn, daar word je wel gewoon een beetje moe van opgegeven moment.” Ook een andere respondent in deze groep merkt op dat er wel opmerkingen zijn maar werkelijk iets van de situatie willen begrijpen lijkt niet het doel te zijn: “Dus dan moet je ook jezelf weer gaan lopen verdedigen over het beleid dat Israël voert, terwijl ze dan zelf ook door de media beïnvloed zijn. Als je dan zei: ‘Oké, ga jij je maar eens verdiepen in de situatie, ga maar een keer naar Israël, hoe de situatie is.
Dan wil ik best een discussie met je aangaan.’ Maar daar hebben ze dan weer te weinig interesse voor, en dat was dan iemand van de SP.” Volgens een andere respondent in deze groep is het taalgebruik, zowel op straat als op internet, verhard: “Wat [veertien jaar geleden] nog niet door de beugel kon, publiekelijk, en waar men heel geschokt van was als dat zou gebeuren, dat is nu gewoon, die uitingen zie je nu gewoon op internet en die dingen hoor je gewoon nu op straat.” Een andere respondent merkt op: “Ik ben het bijna vergeten, maar op dit moment zit een Swastika op mijn auto.” Het antisemitisme kan echter ook behoorlijk agressieve vormen aannemen. Een respondent vertelt: “Ik liep een keer van mijn auto naar het portiek en er kwam eentje aan, die kwam zo vanaf de trambaan de stoep op fietsen, die reed vlak langs mij heen, hij raakte mij nog net niet. Hij spuugde voor me op de grond en hij zegt zo: ‘jij vieze rot jodin’. En toen dacht ik echt van: waaraan zie jij dat? Waaraan?” Een andere respondent: “En mijn dochter, die kwam een keertje vanuit haar werk en die moest dus via de Witte de Withstraat, vanwege die demonstratie en die kwam daar toevallig ook doorheen. En die stond netjes te wachten, helemaal geen kenmerken, helemaal niets.
Ja, ze heeft een behoorlijk Joods uiterlijk, maar ze werd gewoon uit haar auto getrokken.” Zelf had ze een confrontatie met iemand op de school waar ze werkt: “… die merkte dat ik Joods was en die zei toen tegen mij: ‘De volgende keer dat ik jou in de Koopgoot tegenkom, dan breng ik jou de Hitlergroet’. (…) Op gegeven moment – het is jaren goed gegaan, want ik werkte dus al 17 jaar bij die school – toen er een paar achter kwamen. En tot die tijd had ik niks gezegd en ja, toen was het raak.” Maar ook als het antisemitisme subtieler is heeft dit veel impact en voelen mensen zich in hun kern geraakt. Een respondent heeft een slechte ervaring met een medewerker van het wijkteam. Als zij daarna iemand nodig heeft om naar de gootsteen te laten kijken werkt deze ervaring door: “Ik dacht: misschien ik moet mijn menora en andere joodse objecten in mijn huis in de kast zetten. En ik schaam mij, dat is wat ik heb gedaan in mijn eigen huis gisteren. Omdat één keer ik had een medewerker hier en zij blijft de hele tijd staren op mijn menora. En ze kijkt niet meer in mijn ogen. En ik wil geen meer problemen, maar het was echt een onprettig gevoel van de eerste medewerker. Toen zij vertrok, begon ik
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
46
meteen te huilen. Maar de medewerkers van het wijkteam hebben hun excuses aangeboden. Ze zeiden: ‘Dat moet je nooit voelen in je eigen huis. Dat is niet acceptabel.’” Een andere respondent reageert daarop met: “Ik vind het te gek voor woorden dat je jezelf dus moet verbergen, want eigenlijk zijn we net zo ver als toen mijn ouders ondergedoken zaten.” Een aantal respondenten ervaart vooral last vanuit mensen een islamitische achtergrond. Een respondent relateert dit onder meer aan de invloed van het salafisme. Hij ervaart dat de salafistische stroming steeds invloedrijker wordt binnen de moslimgemeenschap in de stad en is hier bezorgd over. Volgens hem heeft het een sterke negatieve invloed op het leefklimaat voor de joodse gemeenschap in de stad. Een andere respondent stelt juist vooral last te ervaren van Nederlanders zonder migratieachtergrond. Deze respondent merkt op: “Ik vind het vaak van de Nederlanders erger. Dat kwetst mij meer als ik daar iets van discriminatie ondervind, dan van zeg maar de nieuwe Nederlanders. (…) En het antisemitisme leeft best wel weer onder de Nederlanders en dat vind ik eigenlijk nog triester, moet ik heel eerlijk zeggen.” De gespreksleider vraagt of de Joodse respondenten een opleving van extreemrechts bemerken. Een van de respondenten zegt: “Dat vind ik een achterhaald stokpaardje waar wij echt geen last van hebben.
(…) Mensen, extreemrechts kan zich politiek niet verenigen, dat is juridisch buiten werking gesteld. Dat is één. Twee, maatschappelijk worden ze door iedereen verketterd. En drie, zitten ze ook niet in de Randstad, maar daarbuiten. En vier, hebben ze een dusdanig intellectueel kaliber, dat ze nog geeneens hun eigen feestjes kunnen organiseren. Dus van die lui hebben we echt geen last. Nederland moet nou eens gewoon stoppen met die focus te leggen op extreemrechts en nou eens gaan kijken naar waar we – joden, moslims, vrije vrouwen en andersgelovigen en niet-gelovigen – last van hebben in de Randstad en dat is Islam. Oké? Dus echt alsjeblieft. Wat ze in de polder daar doen met hun laarsjes en hun dingen, dat zal me een zorg zijn. Hun aantallen zijn niet indrukwekkend genoeg.” De Joodse respondenten zijn de enigen die institutionele discriminatie benoemen. De respondent die op een school werkt, moest op haar werk haar joodse identiteit verhullen: “Ik moest mij verstoppen, een stukje, op mijn werk door mijn davidster in een medaillon te doen. Dat was mij opgedragen ook door mijn leidinggevende.” De voormalig medewerker van een Joodse organisatie geeft aan dat hij de joodse feestdagen standaard vrij kreeg. Daarna had hij een werkkring waarbij hij altijd medewerking voor zijn joodse feestdagen kreeg.
Bij latere banen was dit anders: “Maar je hebt geen enkel recht om vrije dagen op te nemen op joodse feestdagen. Ik heb het nog niet eens over dat ik de joodse feestdagen krijg, nee, ik heb het over dat ik het recht hebt om vrije dagen op te nemen op joodse feestdagen. Dat recht hebben we niet. En dan zitten we hier al, nou zeg, pak hem beet, 400 tot 600 jaar (…). Is dat inclusiviteit, diversiteit en verbondenheid? (…) Dus ook in de arbeidsmarkt is onze identiteit niet geborgd en niet verzekerd. En dan worden er al tientallen jaren – decennia – wordt er geld gepompt in diversiteit, inclusiviteit en allemaal soorten maaltijden, activiteiten, maar dit is nog steeds niet mogelijk voor ons. Na 500 jaar. En dat vind ik een enorme schande en ik ben er trots op dat in Israël elke religieuze groep het recht heeft om vrije dagen op te nemen op zijn eigen feestdagen. Christenen, moslims et cetera. En daar kan Nederland nog een voorbeeld aan nemen.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
47
5.2. Eigen vooroordelen Nadat de ervaringen met discriminatie besproken waren is aan de respondenten gevraagd of zij zichzelf ook wel eens betrappen op eigen vooroordelen over anderen. Hier wordt in bijna alle groepen bevestigend op geantwoord. In de groep met Joodse respondenten is dit onderwerp vanwege tijdgebrek niet besproken. In de groep respondenten met een gemengde opleiding en een migratieachtergrond beantwoorden ze alle vier de vraag met ja. Eén van hen, met een Surinaamse achtergrond, stelt: “Ja, echt. Ik denk dat ieder mens dat wel in zich heeft, maar ik toon het niet. Ik heb wel mijn gedachten. Ik heb collega's die zijn streng gereformeerd en dan zit ik wel van: o ja, dat is er ook eentje van de kerk. Ik heb ook een collega, die is dan homo, en dan zit ik wel van: ja, echt homogedrag. Dus op zich, ja, heeft iedereen het weleens. Ik heb ook weleens als een van de Marokkaanse jongens, dan denk ik weleens: stomme Marokkaan! Ja, ik heb het wel hoor.” Hetzelfde geluid komt naar voren in de groep hoger opgeleide respondenten met een migratieachtergrond: “Ja, Chinezen. Toen pas corona kwam, wou ik gaan zitten in de metro en toen ik keek zat er een Chinese dame en toen ben ik niet meer gaan zitten. Maar soms automatisch popt er dan iets in je hoofd toch op.
Maar ook over mezelf bijvoorbeeld hè, van: o, dat is echt typisch Turks – snap je? Dus je wilt het niet, maar stiekem sluipt het er soms toch wel een beetje erin.” Ook in de beide groepen respondenten zonder migratieachtergrond horen we dit. Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond denkt dat iedereen wel vooroordelen heeft en dat het een beetje vanzelf gaat. “Althans, ik heb, denk ik, soms wel vooroordelen met mensen, waarmee ik liever samen werk. En dat is, denk ik, heel normaal, omdat je erg geneigd bent om met dezelfde mensen waarmee je altijd samen werkt om daar weer mee door te werken. Maar het is niet dat als ik met iemand sta waar ik in de eerste instantie niet van dacht van wow, dat is iemand anders, dat ik dan daar niet mee ga werken. (…) Ik denk dat ik zelfs daar soms automatisch daarin een vooroordeel heb gemaakt, maar ik zou niet, het is niet mijn bedoeling om dat te doen, maar ik denk dat je daar sowieso niks aan kan doen.
En dat iedereen dat heeft.” Een andere respondent in deze groep vertelt dat hij op de weg vol op de rem moest vanwege een er tussen schietende auto en schrok van zijn eigen reactie: “Dat ik echt in de auto zei: ‘Vuile kut-Marokkaan.’ En toen dacht ik: o, zei ik dat echt? Dat was echt gewoon op dat moment zo een schrikreactie, want hij schiet in een keer voor mij, ik moest vol op mijn rem.” Op de vraag van de gespreksleider wat hij gezegd had als het iemand zonder migratieachtergrond achter het stuur had gezeten, zegt hij: “Ik denk ik dat ik gewoon had gezegd: ‘Jij vuile kutkaaskop.’ of zo. Weet ik veel!” Uit de antwoorden van de meeste respondenten blijkt reflectie op het eigen denken. Zo zegt een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “En ja, soms als je weleens inderdaad een transgender hebt of zo, dat je nog wel eens denkt van zou die… Maar dat is niet eens, als ik dan doordenk, dan weet ik ook wel dat ik daar niet te veel op in moet gaan. Dat ik gewoon die mensen moet zien als mensen (…).” En een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond zegt hierover: “Ik heb mezelf er ook eigenlijk wel op betrapt. Maar dat was dan meer dat we nieuwe buren kregen en zij zijn vluchtelingen. En ik werd gewoon boos op het feit van: oké, waarom komen deze mensen hier wonen
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
48
terwijl ik hier al mijn hele leven woon en zij krijgen zo makkelijk een huis? Dus ik werd eigenlijk een beetje boos op hen, van: het is eigenlijk oneerlijk wat er gebeurt. Toen betrapte ik mijzelf er eigenlijk ook wel op dat dat wel slecht is, dat ik eigenlijk boos werd op die buitenlanders die van het buitenland kwamen, gevlucht, en dat ze dan gewoon best wel luxe kregen. Daarop word je boos, maar je gaat het je persoonlijk in eerste instantie aantrekken, dat je echt ze in het begin niet gaat groeten, omdat je dan eigenlijk een beetje wrok hebt in je hart. Ik vind dat eigenlijk oneerlijk en dan merk ik dat ik dan wel een beetje boos ben. Maar ja, later heb je zoiets van: oké, ze zijn wel echt superaardig, dus daardoor pas je je ook wel aan hen aan.” In de groep hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond vertelt een respondent hoe hij eerst een goede vriendin weglacht, vervolgens ruzie met haar krijgt en na het verdedigen van zijn redenering met zijn eigen vooroordelen geconfronteerd wordt. “Ik werk zelf in de bouw en dat is best wel hard werken en slopen en er is nu ook een reclame op televisie van een of andere bouwmarkt en die hebben het ook van wij werken met onze mannenhanden, zoiets. En een vriendin van mij die was op zoek naar werk en die vroeg: ‘Hey, jullie werken daar allemaal met jullie vrienden en jullie verdienen zoveel en het is allemaal zo makkelijk.
En kan ik daar ook niet komen werken?’ en ik merkte hoe ik haar eigenlijk weglachte.” Hij merkt dat hij haar niet bij de baas durft te introduceren, hoewel deze mensen zoekt: “Zo van ‘er zijn altijd handjes nodig en als jij iemand hebt die wil werken, dan graag’. Maar misschien wilde ik die verantwoordelijkheid niet op mij nemen en eigenlijk… (…) Eerst hebben we nog flinke ruzie gehad, want ik was het niet met haar eens, maar uiteindelijk had ze gewoon wel gelijk. Ik kon eigenlijk niks bedenken tegen … Ik begon met allemaal argumenten van en je hebt dit en je moet dit, maar uiteindelijk bleef daar eigenlijk niks van over en was het eigenlijk op het geslacht, dat ik haar had veroordeeld. Er zijn alleen maar mannen en er zit ook een kerel met een Feyenoordpet, die zit er al 60 jaar. En weet je wel, het is heel erg dat mannensfeertje, dus ik denk dat ik dat … Maar ook hoe ik zelf sociologisch zo helemaal geprogrammeerd was eigenlijk om dat te bedenken van dat zij daar niet zou passen en daar schrok ik heel erg van.” Een andere respondent in deze groep is zich uit zichzelf meer gaan verdiepen: “Ik kreeg via mijn werk bij de gemeente Rotterdam cijfers onder ogen over misdaad in Rotterdam en omstreken. En het aantal gedetineerden per achtergrond, etnische achtergrond. En toen heb ik heel lang inderdaad ook gedacht van ja, zie je wel: 95% is gewoon allochtoon.
Dus het is gewoon schorriemorrie en het is gewoon … Want die cijfers komen natuurlijk wel ergens vandaan. En dat zie je er dan niet bij. Er zit een hele riedel aan vooraf van gebroken gezinnen, van slecht onderwijs, van rugzakjes vol met problemen, van allerlei dingen die tot die situatie leiden, maar als je sec naar de cijfers kijkt … ik heb daar echt heel lang moeite mee gehad. En ook een tijdje rechts gestemd, niet extreemrechts, maar wel LPF.” Deze persoon is milder geworden: “… doordat je meer gaat lezen. Ik denk ook dat de komst van het internet ook heel erg daaraan heeft bijgedragen. En dat je zelf ook veel meer informatie kunt gaan halen. En als je dan je er meer in gaat verdiepen, dan zie je wat de problematiek nou precies is.” In deze groep benoemt een respondent daarna dat internet bijdraagt aan de polarisatie in de samenleving, maar in sommige gevallen ook leidt tot meer kennis en begrip. Ook wordt in alle groepen wel door een of meerdere personen opgemerkt dat het nooit om alle personen uit een bepaalde groep gaat. Een respondent uit de groep gemengd opgeleide jongeren met een migratieachtergrond denkt zelf bij een Marokkaanse of een Turkse jongen in een dure auto wel eens dat deze de auto gehuurd heeft
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
49
of een drugsdealer is. De respondent merkt daarna op dat, omdat er een paar jongens uit die groep dat doen, het nog niet wil zeggen dat ze het allemaal doen. In de groep respondenten met een Joodse achtergrond wordt ook benadrukt dat er tegenover een groep islamitische jongeren waar ze last van hebben ook individuele Marokkaanse bezorgers staan die altijd supervriendelijk zijn en niet reageren op de menora in de vensterbank.
5.3. Black Lives Matter en het neerhalen van koloniale beelden In Rotterdam en diverse andere grote steden in Nederland heeft de uit de Verenigde Staten overgewaaide Black Lives Matter-beweging veel mensen op de been gebracht. Er waren demonstraties tegen racisme en op diverse plaatsen werden standbeelden, die ‘helden’ uit de koloniale periode of de slavernij representeerden, van hun sokkel getrokken of beklad. Wat vinden Rotterdammers van deze beweging? Bij de respondenten met een migratieachtergrond leeft de beweging erg. In de groep respondenten met een gemengd opleidingsniveau leeft vooral het sentiment dat mensen nu echt hun stem hebben kunnen laten horen en zich hebben weten te organiseren. Een oudere respondent met een Surinaamse achtergrond zegt: “Ik vind het mooi dat de jeugd nu aan het demonstreren is voor rechten waar ze dus eigenlijk gewoon recht op hebben. Het is eigenlijk erg dat er zulke demonstraties moeten gebeuren.” En een respondent met een Marokkaanse achtergrond: “Ja, ik vind het wel mooi om te zien dat er gebruik wordt gemaakt van het recht om te demonstreren. En in Rotterdam is het best wel netjes verlopen allemaal volgens mij.
Dus niet grote incidenten of iets dergelijks en dat vind ik ook wel mooi om te zien.” Een respondent uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond vindt: “En ik vind dat nu iedere groep is opgestaan voor de donkere mensen, dat de blanken zeg maar minder snel iets racistisch gaan doen. Want ze gaan al zien hoeveel impact het heeft en dat vind ik een goede stand van zaken.” Een andere respondent uit deze groep plaatst daar wel een kritische noot bij. Volgens haar scharen mensen uit andere groepen zich niet achter moslims als het gaat om zaken die moslims aangaan, terwijl zij wel de Black Lives Matter-beweging steunen: “Maar dat als ik dingen hoor vanuit Palestina of iets dergelijks, dat er niemand achter ons staat. Snap je wat ik bedoel? Als wij een protest willen starten of zo en wij wel voor hen klaar staan. Dat vind ik wel aan de ene kant jammer. Ja, want als het gaat om moslims dan schrikken mensen heel vaak en staan mensen niet achter ons, terwijl wij wel negen van de tien keer wel vaak achter iedereen staan snap je?” Tegelijkertijd geeft ze aan achter de beweging te staan en dat alle Rotterdammers één zouden moeten zijn. In de groep hoger opgeleide respondenten met een migratieachtergrond wordt de nadruk gelegd op het nog meer bespreekbaar maken van racisme.
Een respondent zegt daarover: “Nederlanders worden zeg maar heel erg awkward op het moment dat je het hebt over het slavernijverleden. En heel Nederland zit een soort van als struisvogels hun hoofd in de grond te steken alsof het iets is wat je moet vergeten. Dat vind ik heel raar. Uiteindelijk moet je gewoon erkennen dat het er is geweest en het was kut en nee, je hoeft geen sorry te zeggen want jij hebt het niet per se gedaan, maar weet wel dat het is gebeurd. En snap dan ook wat voor effect dat heeft voor de mensen nu.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
50
Ze merkt op dat hoe de discussie in de media wordt gevoerd extreem is en mooie kijkcijfers oplevert “maar dat is eigenlijk niet het gesprek dat je moet voeren, je moet het hebben over de daadwerkelijke dingen. Hoe je mensen werk verschaft, school, educatie”. Er moet naast gepraat ook daadwerkelijk actie worden ondernomen, zoals dat het op scholen verplicht wordt het slavernijverleden te behandelen. Dat vinden enkele jongeren met een gemengd opleidingsniveau en een migratieachtergrond. Een van hen vindt het tijd worden dat de ongelijkheid stopt. Iedereen kan immers alles volgen op social media en begrijpen: de tijd is aangebroken om verandering te brengen. Een andere jongere uit deze groep vult aan dat ze er te weinig over leren op school. Hij vindt dat ‘black history’ gewoon bij het vak geschiedenis hoort en daar moet les in worden gegeven. In de groep hoger opgeleide respondenten met een migratieachtergrond ontstaat er een discussie over wie dit moet of mag doen en hoe dit gefinancierd moet worden. Een respondent heeft in ieder geval geen vertrouwen in overheidsfinanciering want “dan krijgt met ons belastinggeld een wit bureau de opdracht om een paragraaf te schrijven over ons verleden”. Als anderen betogen dat het niet per se zo is dat de opdracht alleen naar een Nederlands bureau gaat, antwoordt deze respondent met: “Nee, maar dat is de praktijk. Dat is de praktijk.
Weet je, wat ik veel liever zie is dat de diaspora een pandje koopt en een slavernijmuseum maakt midden op de Dam in Amsterdam. Je hebt het Anne Frankhuis weet je wel, dat is zichtbaar, dat is tastbaar. Maar weer die overheid, curriculum, belastinggeld, wit bureau, witte paragraaf. Ik zie het niet zitten hoor, sorry.” Ook na de reactie dat het toch niet uitmaakt als het met wit geld gefinancierd wordt, blijft deze respondent bij zijn punt: “Nou mevrouw, kijk, ik ben er trots op dat ik een diaspora-ondernemer ben en dat ik alles zelf betaal, want uiteindelijk: wie betaalt bepaalt. En als je geld krijgt van een witte overheid, dan komt er gewoon een product wat van een witte gedachte is.” De betrokkenheid bij en het begrip voor de Black Lives Matter-beweging is bij de lager en middelbaar opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond wat minder groot. Een respondent begrijpt het sentiment wel goed: “Ja nu hebben ze denk ik allemaal het lef bij elkaar verzameld om toch voor hun eigen cultuur op te komen, voor hun huidskleur en dat zij er ook gewoon toe doen.
En dat niet alleen de blanken in de maatschappij meetellen, maar zij net zo goed.” Anderen denken vooral dat het politiegeweld tegen mensen met een donkere huidskleur wat overdreven is, en een uit Amerika overgewaaid verschijnsel: ”Ik zeg niet dat het hier in Nederland niet gebeurt, maar ik denk toch wel dat hier in Nederland het wel een stuk minder heftig is. Maar ik snap dan zelf niet per se, ik vind het goed dat er aandacht wordt gevraagd tegen discriminatie, maar waarom het dan meteen Black Lives Matter heet, dat snap ik dan zelf niet. Ik krijg zelf juist haast het idee alsof Aziaten hier in Nederland haast meer gediscrimineerd worden dan bijvoorbeeld donkere mensen. En dat vind ik dan zelf wel weer sneu of snap ik dan niet zo goed. Nou ja, je hebt ook op gegeven moment All Lives Matter als reactie op Black Life Matter en dat vind ik dan een mooiere gedachte dan Black Lives Matter.” Een andere respondent in deze groep denkt dat de beelden die rondgaan op social media en zoveel woede opleveren een selectie zijn en geen recht doen aan de werkelijkheid. “Natuurlijk worden er mensen op bepaalde omstandigheden misschien te hard behandeld, maar ik heb ook zoiets: je krijgt die filmpjes heel kort te zien op internet, dat er wat gebeurt, maar als je al drie, vier keer gewaarschuwd bent, en dan wordt het pas gefilmd en dat wordt getoond op tv. Ja, dan ben je zielig,
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
51
maar als je al drie, vier keer naar aanwijzingen niet hebt geluisterd … Het is niet leuk als het verkeerd afloopt, maar de wet is nou eenmaal zo dat als oom agent zegt dat je moet luisteren, dan moet je luisteren.” Deze respondent vindt dat agenten, maar ook ambulancepersoneel en de brandweer, gewoon hun werk moeten kunnen doen zonder lastig gevallen te worden. Ook bij de hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond zien we deze beide benaderingen terug. In deze groep voelt een persoon zich na een demonstratie juist extra verbonden met mede-Rotterdammers van kleur: “Nou, ik voelde laatst bij de Black Lives Matter-demonstratie echt een enorme verbondenheid, ook met mijn zwarte medemens, die ik eigenlijk niet op die schaal had gevoeld. En daar hadden we eigenlijk een soort van collectieve vijand voor nodig om dat te voelen. En het is heel jammer dat je dat niet normaliter zo voelt, of althans, ik niet. (…) ‘All Lives Matter’ vond ik ook wel houtsnijden, maar ik ben wat activistische groeperingen gaan volgen op Instagram en eigenlijk heeft dat mij wel heel erg doen inzien waar dit gesprek eigenlijk om gaat. (..) Dat is zo aanwezig en dat zit zo niet in mijn dagelijkse leven, dagelijkse realiteit en dat ben ik heel erg in gaan zien door de beweging.
En ik denk ook dat heel veel mensen die misschien niet zwart zijn maar wel een migratieachtergrond hebben, dat er iets borrelde en dat zij zich nu eindelijk gehoord voelden.” In deze groep vindt men vooral dat het belangrijk is discriminatie tegen te gaan, maar dat verder polariseren de zaak niet dient. Het is een kunst om daar de balans in te vinden. Wat betreft het neerhalen van de koloniale beelden zijn de respondenten het opvallend eens. Een respondent uit de groep gemengd opgeleide respondenten met een migratieachtergrond: “Over de beeldenstorm: ik snap dat het gebeurt met de beeldenstorm, maar ik denk dat je de geschiedenis niet moet weghalen. Maar de geschiedenis moet gewoon beter verteld worden. Dus zo een beeld van Piet Hein, laat hem maar staan, maar zet er dan een beeld naast van – en geen plaquette, want dat leest niemand – iemand die iets gedaan heeft tegen racisme, tegen ongelijkheid. En dan heb ik het niet alleen over racisme, maar ook vrouwenongelijkheid of weet ik veel wat.” Ook een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond vindt dat de beelden niet weg hoeven: “Ja, ik vind dat persoonlijk een slecht idee eigenlijk.
Ze hebben een rol gespeeld in de geschiedenis, maar ik vind niet dat je ze moet verbannen, want uiteindelijk is het toch dat je meer educatie moet hebben over: oké, deze man heeft heel goede dingen gedaan, maar hij heeft ook slechte dingen gedaan bijvoorbeeld.” En een andere respondent in deze groep: “Het is gewoon heel goed dat het kenbaar wordt gemaakt en inderdaad, alle juiste informatie moet gewoon gegeven worden. Dus vertel niet alleen de goede dingen, maar vertel ook de slechte dingen en laat mensen dan zelf een keuze maken met wat ze ervan vinden. En bepaal niet voor de mensen door alleen het goede nieuws te delen zeg maar.” Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond zegt hierover: “De geschiedenis is natuurlijk de geschiedenis. Je moet het zo compleet mogelijk vertellen. Of het nou goed of slecht is.” Dat vindt ook een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
52
“Ik denk dat het onzin is om beelden omver te halen. Maar ik denk wel dat met name het onderwijs een hele belangrijke functie heef, om wel uit te leggen van: oké, dit beeld staat hier, omdat in die tijd was het een belangrijke persoon, die veel voor het land gedaan heeft, maar met de ogen van nu en de inzichten van nu, nu zou het niet meer kunnen. Ik denk dat we daar gewoon heel genuanceerd in moeten zijn en alle kanten van de zaak belichten. Dus ja, Piet Hein hoeft niet om, maar zet er meer informatie bij.” Een tweede respondent uit deze groep benadrukt de eigen bijscholing: “En ik denk dat het heel goed is om meer opgeleid te worden daarin, voor iedereen. Waarom zeggen ze dat nou? Waarom gooien ze die standbeelden nou om? En wat gebeurt er nou eigenlijk precies?” Ook van de meeste jongeren met een migratieachtergrond mogen de beelden blijven. Een respondent uit de groep gemengd opgeleide jongeren geeft aan dat hij snapt dat er boosheid is, maar hij vindt het niet nodig om “de stad te terroriseren”. Het kan ook op een andere manier. Een ander geeft aan dat beide kanten verteld moeten worden. Eén jongere uit de groep moet echter lachen en zegt dat een deel van hem dacht: yessss! De felste reactie komt van een laagopgeleide respondent zonder migratieachtergrond. Deze persoon vindt het schandalig wat er gebeurt.
Volgens hem wordt “de racismekaart wel heel snel getrokken” en wordt er wel eens gediscrimineerd maar over het algemeen genomen wordt iedereen gelijk behandeld. Hij vindt dat iedereen, ook mensen met een migratieachtergrond, profiteert van de welvaart die is ontstaan door de Nederlandse geschiedenis. “Het is geschiedenis en kijk, of je het ermee eens bent of niet, Nederland is wel het land wat het is op het moment door die geschiedenis. En bijvoorbeeld mensen van een andere afkomst of uit koloniën, die leven hier ook en die kunnen ook gewoon meedoen in de samenleving en die kunnen ook van alles gebruik maken.” Een ander stelt: “Dat wij natuurlijk een transitohaven zijn en daardoor is er welvaart en die mensen komen hier wonen en dan hebben ze wel daardoor nu een sociaal vangnet. Dus ja, daar maak je zelf ook gebruik van. En dan heb ik zoiets van tuurlijk zit er een slechte kant aan, maar ook een goede, dus inderdaad, doe er dan plaquettes bij van ‘een held voor de economie, maar heeft wel slavenhandel gedreven’.” In de groep Syrische statushouders leeft het onderwerp Black Lives Matter niet zo: dat speelt in Amerika, vindt men, en natuurlijk is iedereen tegen racisme. Na een korte uitleg over het bekladden of neerhalen van beelden die de koloniale overheersing representeren zegt een respondent: “Ja dat is geschiedenis. Dat moet geen probleem zijn.
Dat is niet anders dan ISIS die ook oude beelden vernietigt. Misschien vind ik Piet Hein niet goed, maar een illustratie van hem heeft daar niks mee te maken, het is maar een steen.” In de groep met Joodse respondenten is het onderwerp niet besproken.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
53
6
Ontspannen samenleven bevorderen Aan het eind van de groepsgesprekken vroegen we de respondenten wat ervoor nodig is opdat alle mensen in Rotterdam ontspannen met elkaar samenleven. Wat kan de gemeente Rotterdam doen om dit te bevorderen? In alle groepen komen de respondenten met ideeën en adviezen aan de gemeente. Ook geven een aantal respondenten uit zichzelf aan wat zij zelf anders zouden kunnen doen. De aanbevelingen van de respondenten aan de gemeente Rotterdam zijn samen te vatten in vijf adviezen. De respondenten zijn het zeker niet altijd eens over de koers, maar wel komen ze in de verschillende groepen op ongeveer dezelfde onderwerpen uit. Advies 1: Pak het onverdraagzame en onveilige leefklimaat aan In de groep respondenten met een Joodse achtergrond is het overheersende geluid dat de onverdraagzame houding en het conservatisme van de islamitische bewoners in het centrum moet worden aangepakt. Het lijkt er volgens deze respondenten op dat daar een islamitische meerderheidsgroep ontstaat die steeds meer ruimte voelt om haar eigen conservatieve gedachtengoed aan anderen op te dringen. Een van de respondenten zegt: “Dat salafisme moet gewoon verboden worden, net zoals extreemrechts.
Daar ben ik stellig van overtuigd,” Hij vindt dat dit op nationaal niveau door de politiek moet worden opgelost: “Islam komt al 40 jaar lang niet op de nationale politieke agenda … Als je alleen maar partijtjes hebt, zoals de PVV en de FVD, die helaas de enige zijn die die punten benoemen, ja, dan kunnen we het probleem niet gaan oplossen. (…) Het is gewoon heel jammer dat de rest van die andere partijen maar blijven proberen om het onder het tapijt te schuiven met rapportjes, adviesjes, stichtingen.” Volgens deze respondent hebben niet alleen Joodse bewoners hier last van, maar ook andere groepen burgers, zoals homoseksuelen en jonge vrouwen die korte broeken of jurkjes dragen. Deze mensen zouden delen van het centrum al vermijden waardoor de conservatieve ideologie nog meer ruimte krijgt om voet aan de grond te krijgen. Volgens een respondent voelen ook veel ‘oude Nederlanders’ zich verloren in hun eigen samenleving. Om dit proces te keren moet de gemeente onmiddellijk actie ondernemen. Het is volgens deze groep vijf voor twaalf en haastige spoed is geboden, want anders “zal het leefklimaat gewoon verder aangetast worden en ik zie niet in hoe de joodse gemeenschap hier kan blijven voortbestaan in Rotterdam,” aldus een van hen. In de andere groepen wordt deze aanbeveling niet gedaan en dit geluid ook niet zo duidelijk geuit.
Er wordt door enkele respondenten uit andere groepen zonder migratieachtergrond wel gezegd dat de concentratie van een meerderheidsgroep in bepaalde stadsdelen niet wenselijk is.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
54
Een respondent uit de lager tot middelbaar opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond vindt dat de gemeente moet stoppen om informatie in verschillende talen aan te bieden, want met deze ‘zogenaamde hulp’ help je hen niet: “Kijk maar bij verkiezingen of iets dergelijks, dan komt alles in allerlei talen komt het naar voren. Nou! Dat vind ik allemaal niet nodig. Je moet niet mensen in hokjes zetten. Als je mensen in hokjes zet, dan blijven het aparte mensen. Dan zijn het geen Rotterdammers.” Twee hoger opgeleide respondenten, een met en een zonder migratieachtergrond, vinden het lastig dat de politiek zo gepolariseerd is. Het huidige politieke klimaat helpt niet. De respondent met een migratieachtergrond: “Ik denk dat je als gemeente wel de rol moet pakken om ervoor te zorgen dat men zich aan elkaar verbonden voelt. En inderdaad, een politieke toestand waarin het extreemrechts is en extreemlinks helpt niet. Het zorgt alleen maar voor dat mensen meer uit elkaar gaan staan.” Het moet dan wel om duurzame inzet gaan, geeft een andere respondent uit deze groep aan. Hij was zelf betrokken bij het programma Kansenzones en het Nationaal Programma Op Zuid: “En als je dus ziet wat het programma voor positieve dingen heeft gebracht door aandacht, middelen, programma's. Dat ging hartstikke goed. Ondernemerschap.
En wat zie je op een gegeven moment? Dan is het programma klaar en nu is Zuid precies weer wat het was. Dus als je een bepaald niveau wilt houden, verbroedering, dan moet je geld blijven pompen in zo'n wijk en dat zijn gewoon politieke keuzes.” Advies 2: Herstel de sociale voorzieningen voor ontmoeting in de wijk In de groep hoger opgeleide respondenten met een migratieachtergrond wordt vooral het verdwijnen van sociale voorzieningen betreurd. Een aantal respondenten in deze groep heeft heel warme herinnering aan activiteiten die vroeger werden georganiseerd. Een van hen zegt: “De gemeente heeft buurthuizen afgeschaft. Dat vind ik gewoon niet handig. Toen wij opgroeiden groeiden wij op tussen de school, het buurthuis en de sportvereniging. Dat was gewoon een vangnet. Zoals wij vroeger activiteiten organiseerden, uitstapjes – je hele familie was erbij betrokken; ooms, tantes, zelfs uit Amsterdam kwamen er mensen, uit Dordrecht. Weet je, het was gewoon een happening waar iedereen zich goed bij voelde. Huiswerkklas, pannenkoeken bakken, breakdance, weet je wel.” Een ander herinnert zich een jaarlijks evenement: “En dat was echt voor jong en oud en voor iedereen uit de buurt.
Dat was echt superleuk, er waren dingen voor kinderen, er waren optredens voor volwassenen en ik denk dat met zulke initiatieven, dat je wel echt de buurt bij elkaar kan brengen zodat mensen elkaar kunnen ontmoeten.” Waar voorheen verbondenheid was en de gemeente geassocieerd werd met sport en vrije tijd voelen de mensen tegenwoordig deze verbinding niet meer. Een jongere deelnemer herkent niets van het geschetste beeld en een respondent zegt dat zijn eigen dochter dit ook helemaal niet herkent. De afbraak van sociale voorzieningen die de sociale cohesie bevorderde moet volgens deze respondenten worden gekeerd. Er is nu wel het Huis van de Wijk maar dat is niet vergelijkbaar, volgens de eerstgenoemde respondent: “Als je nu naar het Huis van de Wijk kijkt, neem 480 in West, dan is het Huis van de Wijk: ‘Geef alle culturen een half dagdeel in de week, tel die bij elkaar op en je hebt een rooster.’ Dat werkt niet zo. Mensen moeten het gevoel hebben van autonomie. Kijk, als jij jouw huis zelf verbouwt, haal je het wel uit je hoofd om het kapot te maken. Iets wat je maakt, maak je niet kapot.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
55
Hij vertelt ook dat toen hij jong was de cocaïne de straat in kwam. Het buurthuis hield een aantal jongeren weg van de verleidingen van de straat. In het buurtcentrum werd nooit gedeald: ”Je deed daar nuttige dingen en je moest het niet in je hoofd halen om daar te komen dealen.” Ook binnen de groep gemengd opgeleide respondenten met een migratieachtergrond wordt de uitholling van het sociale werk genoemd. “Maar dat is nu allemaal ingeruild voor alleen maar een kerstfeest en dan stuur je je kind met een hapje naar school en dan klaar. Dus dat is ook weer iets wat is afgenomen. Het samenzijn wordt beperkt, alle activiteiten worden zeg maar beperkt om samen te komen. Dus je moet eigenlijk nu zelf initiatief gaan nemen om samen te komen, terwijl dat vroeger gewoon georganiseerd werd. Dus dat vind ik wel jammer om te zien.” Dit heeft volgens een ander echter niet alleen met de beslissingen van de overheid te maken maar ook met het leven van mensen zelf: “Vroeger als je je kind naar school bracht, dan bleef je bij het schoolpleintje ouwehoeren met ouders. Nu is dat niet meer. Het is veel gehaaster, iedereen moet door, door, door naar training. Maar ook de interesse voor elkaar, ik denk dat dat misschien ook gewoon speelt.” Een andere respondent uit deze groep ziet noemt als goed voorbeeld coaches van een basketbalorganisatie.
“Dat zijn coaches, dat zijn dan mannelijke rolmodellen voor jongens. En dat werkt echt heel goed. En ik denk ook dat als er meer van dat soort initiatieven zijn, dat dat ook voor jongeren in het algemeen, dat zij een voorbeeld hebben. Om van onder die ladder te komen heb je echt een doorzettingsvermogen nodig, maar ook je omgeving die jou motiveert om door te gaan. Want als dat er niet is, dan heb je zoiets: ja, ik wil snel geld maken of ik zoek wel de makkelijke weg.” Hij denkt dat een gerespecteerde ‘buurt-oma of buurt-opa’ die jongeren goed begrijpt ook al veel zou kunnen betekenen. Ook het ondersteunen van kinderen die thuis minder support krijgen wordt genoemd. In de groep lager tot gemiddeld opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond bepleit een persoon daar ook voor: “Misschien dat de gemeente meer cultuurbijeenkomsten kan gaan organiseren, dat iedereen kennis kan maken met elkaar cultuur en dat soort dingen.” Een andere respondent bepleit dat de gemeente evenementen weer toe gaat staan: “Daar komen gewoon een hoop mensen samen en dat is ook vaak, als het een beetje een algemeen evenement is, krijg je ook gewoon dat mensen of verschillende culturen met elkaar in aanraking komen.” Er is ook wel wat scepsis of ontmoetingsinitiatieven het ontspannen samenleven zal bevorderen. Enkele respondenten geven aan dat mensen toch in hun eigen groep lijken te blijven.