21bb8076 Bijlage 6 behorende bij 21bb7796 over Rapportage Samenleven in de superdiverse stad
Tekst van het document
Deze opmerkingen worden alleen gemaakt door lager of middelbaar opgeleide respondenten met een migratieachtergrond. Zo zegt een respondent uit de groep met een gemengd opleidingsniveau: “Tenminste, ik denk dat meerdere mensen hier het leven kunnen leiden dat ze willen, mits ze dat financieel of sociaal ook kunnen. Want er is ook wel erg veel armoede. Dus die mensen kunnen dus niet het leven leiden dat ze echt willen. En door armoede gaan ook je sociale connecties weg. Ja, vereenzaming krijg je.” Een respondent uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond deelt die mening: “Ik denk dat zodra je geld hebt, dat je kan doen en gaan en staan waar je wilt.” Een lager of middelbaar opgeleide jongere brengt uitkeringsafhankelijkheid naar voren: mensen die een uitkering hebben moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen om hun inkomen te krijgen, bijvoorbeeld vrijwilligerswerk doen. Hoger opgeleiden, zowel met als zonder migratieachtergrond, benoemen in een andere context wel dat het voor jongeren of hun kinderen onbetaalbaar wordt om in de stad te blijven wonen, ook als ze prima banen hebben. Dit ervaren ze als discriminatie van de stad Rotterdam jegens alle Rotterdammers. Er is in de gesprekken ook gevraagd of mensen zich veilig voelen in de stad en zich zonder voorbehoud door Rotterdam bewegen.
Dat geldt voor de hierboven genoemde groepen respondenten wel. Lege straten ’s avonds laat en groepjes hangjongeren worden wel als minder veilig ervaren. Daarbij wordt ook opgemerkt dat er meestal niets gebeurt, en dat je banger wordt van wat je via de media over je eigen buurt hoort dan van wat je zelf meemaakt. Lager of middelbaar opgeleide respondenten met een migratieachtergrond kunnen zich wel voorstellen dat mensen die niet in de wijk wonen hun buurt als onveilig zouden kunnen ervaren. Omdat ze zo dicht op elkaar wonen kennen zij zelf bijna iedereen en dat geeft juist een vorm van veiligheid. De meeste hangjongeren zoeken gewoon elkaars gezelschap. Een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond mijdt bepaalde buurten wel en dit geeft deze respondent ook het gevoel “dat je in bepaalde buurten je gewoon niet meer in Rotterdam voelt”. De respondenten zonder migratieachtergrond voelen zich ook veilig in Rotterdam. Een lager of middelbaar opgeleide respondent moet geregeld ‘s avonds laat met de metro en dan te voet naar huis. Zij loopt dan soms wel een blokje om grote groepen jongeren heen, als ze het gevoel heeft dat die de confrontatie zoeken.
Een hoger opgeleide respondent is nooit bang en denkt dat dit ook met je karakter te maken heeft: “Ik bedoel als jij zoiets hebt van de allochtonen komen hier onze wereld overnemen en je zit 's avonds laat in de metro en er zitten inderdaad voornamelijk gekleurde mensen, dat dat angstiger overkomt, dan wanneer je denkt van het zijn ook gewoon mensen. En die gaan ook van huis ergens naartoe of juist van ergens terug naar huis.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
22
De Syrische respondenten hebben wat meer moeite met de veiligheid. Een van hen voelde zich veilig tot hij hoorde dat er veel misdrijven zijn in zijn wijk. Bij een andere respondent is een poging tot inbraak geweest en een derde respondent kocht een nieuwe fiets die direct de dag erna al gestolen werd en dit gaf een onveilig gevoel. Een ander geeft aan dat mensen in Syrië gewend zijn om ‘s avonds de deur uit te gaan om mensen te bezoeken, “maar hier zijn de straten leeg vanaf acht uur”.
3.3. Je identiteit uitdragen als Joodse Rotterdammer De Joodse Rotterdammers voelen niet de vrijheid om zonder voorbehoud overal in de stad te verkeren. Met uitzondering van een respondent die uit een Westers land geëmigreerd is, zijn de respondenten met een Joodse achtergrond geworteld in Rotterdam. Soms gaat het wonen in Rotterdam generaties terug. De respondenten vinden Rotterdam een leuke stad en voelen een duidelijke band met de stad. De Joodse respondenten hebben zich er lang prettig gevoeld. In toenemende mate ervaren zij echter openlijk antisemitisme. Het gaat hierbij om opmerkingen, bedreigingen en fysiek geweld. In hoofdstuk 6, dat over discriminatie gaat, gaan we uitgebreid in op het antisemitisme dat door de Joodse respondenten wordt ervaren; in deze paragraaf beperken we ons tot de impact die het heeft op het jezelf kunnen zijn in Rotterdam. Het antisemitisme waar deze groep mee te maken krijgt betreft met name incidenten in het centrum van de stad of in bepaalde wijken waar veel mensen met een migratieachtergrond wonen. Dit zorgt ervoor dat deze bewoners in bepaalde delen van de stad uit lijfsbehoud hun Joodse uiterlijke kenmerken verbergen. Zo vertelt een respondent: “Mijn moeder liep eigenlijk ook altijd met een Magen Dawied [d.w.z. davidster], maar die heeft zelf persoonlijk in het centrum van Rotterdam daar hele vervelende opmerkingen over gekregen.
En zij is al wat ouder, dus voor de veiligheid en ook op ons aandringen, draagt ze het niet meer, wat ze heel erg vond.” En een ander: “Als mijn schoonouders komen – mijn schoonvader is rabbijn – dan doet hij een baret op en dan doet hij de pijpenkrullen achter zijn oren, omdat hij ook al een paar keer vervelend benaderd is.” Deze respondenten kunnen niet overal in Rotterdam zichzelf zijn. Het aanpassen gaat geleidelijk en soms is men zich er niet eens zo van bewust, hetgeen onderstaand voorbeeld goed illustreert. Het betreft een stel dat recent naar de Krimpenerwaard is verhuisd. Meneer: “Wat mij eigenlijk is gebleken, je leefde daar met een defensief gedrag, alleen dat besef je niet. En daar ben ik pas achter gekomen toen wij hier waren in een klein dorpje, dat ik vergat mijn kippa af te zetten of te bedekken. En dat ik terugkwam en dan zei mijn vrouw: ‘joh, je kippa!’ Ik denk: God, ja, er is eigenlijk niemand die erop gereageerd heeft.” Zijn vrouw: “Mijn man kan nu gewoon met een kippa op naar de winkels. Het is ongelooflijk!” Een andere respondent: “Wij wonen dan zelf in een buitenwijk van Rotterdam, Hillegersberg, waar het heel rustig wonen is en daar is ook een liberale Joodse gemeente. En hier durf ik het in principe wel, omdat veel mensen ons ook kennen en gewoon omdat de omgeving prettig is.
Maar zodra ik naar het centrum ga, zou ik dat echt niet durven om uit iets te laten blijken dat wij van Joodse afkomst zijn. En dat is wel, denk ik, zeker de laatste tien tot vijftien jaar wel toegenomen, dat gevoel.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
23
Meerdere deelnemers geven aan dat het antisemitisme de laatste 10 tot 15 jaar verergerd is. In bepaalde wijken is het niet meer prettig wonen voor bewoners van Joodse komaf. Een vrouw die recent verhuisd is vertelt: “Ik heb midden in het centrum gewoond, eigenlijk boven op de Koopgoot, zeg ik altijd. Het wonen was daar voor ons heel tweeledig. De mensen die wisten dat wij Joods waren en direct om ons heen, dat ging hartstikke leuk en daar ben ik ook echt heel blij mee. Ik heb daar ook heel veel kennissen opgedaan, uit onze gemeenschap. Maar op straat …” Een andere respondent zegt: “Dus ik woon in Rotterdam-West en we weten allemaal, het is, denk ik, een hele grote olifant in de ruimte, maar het is een vrij islamitische buurt. En ik weet niet precies wat er in de afgelopen jaren gebeurd is, maar ik merk wel dat er een verschil is met vroeger. Ik woon hier nu ondertussen tien jaar, ik heb dit huis gekocht, en ik moet wel zeggen dat ik hier niet meer met zo veel plezier woon als in het begin, in 2010.” Dit gevoel heeft bij de verschillende respondenten geleid tot een verhuizing of de wens te verhuizen, naar andere wijken of de stad uit. Een van hen zegt: “Kijk alleen nog maar naar de mensen die hier zitten. Iedereen gaat weg. Ik ga volgend jaar verhuizen naar Overschie, omdat ik het niet meer trek.
Dus je krijgt een soort van mensen trekken weg, mensen die zijn er gewoon klaar mee. (…). Het is de weg van de kortste weerstand. Op gegeven moment is er een soort exodus en dan is het gewoon klaar. En dan is die hele identiteit uit onze stad verdwenen, dat is eigenlijk gewoon als je erover nadenkt, doodeng.” Een ander vult dit aan met: “Ja, wij wonen straks allemaal niet meer in de stad. Mijn familie komt allemaal uit de Eendrachtstraat, uit de Mauritsstraat en het gaat uiteindelijk verder. Ik ben de laatste, mijn hele familie woont niet meer in Rotterdam of in de binnenstad, dus het is heel vervelend dit allemaal.” Sommige respondenten denken zelfs aan het verlaten van Nederland. Zo stelt een respondent dat hij zichzelf en zijn vrouw te oud vindt om nog te verhuizen, maar als zijn kinderen met de kleinkinderen naar Israël zouden gaan, “dan zijn wij aan het inpakken”. Een andere respondent benoemt dat vrienden van hem die heel herkenbaar Joods waren bijna dagelijks beschimpt, bespot, aangevallen en uitgescholden werden. Zij zijn volgens hem “gerepatrieerd naar Israël” en daar beter af dan in Rotterdam. Zijn kinderen zijn daar zelf ook op vakantie geweest en vonden het er fantastisch.
Deze meneer denkt dat de toekomst van zijn kinderen niet meer in Nederland ligt: “Ja, daar lopen er meer rond met een keppeltje, daar zijn meer mensen bezig met sabbat, daar kun je gewoon wel overal koosjer eten, daar zit ook heel veel familie van mij, van mijn vaders kant, vrienden. Ja, dat is een warm bad. En de Nederlandse Joodse groep is er natuurlijk, er blijven voortdurend natuurlijk Nederlandse Joden naar Israël gaan. (…). En ik voorzie gewoon dat hoe zij zich gaan ontwikkelen, dat ze ook niet hier gaan blijven. Dat zie ik niet gebeuren. En hun moeder wil dat ook absoluut niet (…). Dus er is echt een duidelijke verschuiving gaande en mijn kinderen voed ik op dat ze wel met een keppeltje rondlopen in het centrum, omdat ik wil dat ze wel trots zijn en zelfvertrouwen hebben in wie ze zijn en tegelijkertijd ook wel met: de toekomst ligt niet hier, jullie moeten naar Israël gaan, want onze toekomst ligt hier niet.” De respondent vat goed samen hoe sommige bewoners met een Joodse achtergrond zich beslist verbonden voelen aan Rotterdam, maar zich tegelijkertijd steeds minder thuis voelen: “Ik voel me bijzonder verbonden met de stad. Ik bedoel mijn familie aan mijn moeders kant is echt een Rotterdamse volksfamilie en mijn vader heeft heel zijn loopbaan in de Rotterdamse haven gewerkt, dus ik
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
24
voel mij op en top Rotterdammer. Zeer verbonden met de stad, ik heb aan alle wijken wel herinneringen en periodes van mijn leven meegemaakt. School, studievrienden, noem maar op. Dus dat doet aan dat gevoel niet af. Tegelijkertijd ben ik wel zo realistisch dat ik niet voorzie dat het er voor joods leven hier in Rotterdam beter op gaat worden. Dat is gewoon een stuk realisme.” De aanwezigen voorspellen dat, als het tij niet gekeerd wordt, de joodse gemeenschap, die nu al nauwelijks zichtbaar is in het openbare leven, over nog eens tien jaar nagenoeg uit Rotterdam verdwenen zal zijn. Uit een onderzoek van EenVandaag (2018) uitgevoerd in samenwerking met het Centraal Joods Overleg en JMW Joodswelzijn, waaraan 557 Nederlandse joden meededen, blijkt dat dit probleem ook elders in Nederland speelt. Veel Nederlandse Joden geven aan dat zij niet openlijk joods durven te zijn.
3.4. LHBTI Rotterdammers Van alle respondent geeft slechts één persoon aan zich te identificeren als LHBTI. In dit rapport kunnen we dus alleen ingaan op de ervaring van deze specifieke respondent. We vinden het toch belangrijk om deze groep apart te benoemen. In alle focusgroepen noemen respondenten namelijk specifiek deze en alleen deze groep als het gaat om niet jezelf kunnen zijn, niet veilig over straat kunnen of niet geaccepteerd worden. Dat wordt dan meestal aangegeven in zinnen als: “Ik denk dat je in Rotterdam jezelf kunt zijn, behalve misschien als je homo bent.” In de vorige paragraaf beschreven we dat Joodse respondenten aangeven zich behoorlijk onveilig te voelen. Wat opvallend is, is dat in de andere respondentgroepen is door niemand aangegeven dat hij of zij denkt dat mensen met een Joodse achtergrond niet zichzelf kunnen zijn. Dit betekent niet dat mensen uit de LHBTI-groep degenen zijn die zich het minst thuis voelen in de stad: daarover kunnen we op basis van dit onderzoek niets zeggen. Wat we wel kunnen vaststellen is dat homo-intolerantie door andere groepen wordt waargenomen of verondersteld. Een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond herkent het beeld dat de gespreksleider schetst dat sommige mensen aangeven niet zichzelf te kunnen zijn niet.
Maar hij zegt ook: “Kijk, je hoort weleens verhalen natuurlijk van mensen – bijvoorbeeld gays – dat het soms nog weleens een dingetje kan zijn op straat dat ze nog weleens worden nageroepen als ze hand in hand lopen”. Dat is ook het vermoeden van een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: ”Nou, misschien als je homo bent of een andere geaardheid dan hetero, dat je door sommige culturen niet geaccepteerd wordt. En dan met name ook jongeren, die daarvoor de confrontatie zullen opzoeken.” Een respondent uit de groep gemengd opgeleide respondenten met een migratieachtergrond denkt dat homomannen en transseksuelen zich wel onveilig zullen voelen in het centrum. Zij heeft dat in ieder geval gehoord van haar ex-klasgenoot die homoseksueel is: “Hij valt op mannen, maar hij zei ook dat als hij de keuze had om hetero te zijn dan had hij dat liever gehad, omdat het gewoon onveiliger is. En hij heeft twee keer zelfs onterecht ruzie gekregen omdat iemand 'homo' riep terwijl het nergens om gaat. (…) En zo weet ik ook uit mijn persoonlijke omgeving dat transseksuelen gewoon in elkaar geslagen werden, omdat ze een vrouw zijn in plaats van een man”. Een wat oudere respondent uit deze groep vraagt zich af of de tolerantie is afgenomen: “Ik zit zo een beetje te kijken en ik luister naar de jongedame. En ik vraag me af of het niet te maken heeft met generatie.
Ik ben iets ouder en ik heb ook gewoon kennissen die LGI – weet ik veel hoe dat heet – en ik merk het eigenlijk niet. De mensen die ik ken die voelen zich wel fijn erin. (…) Misschien de jongere generatie, dat die er anders tegenaan kijkt. En dat wij ouderen er al een beetje gewend aan zijn, waardoor wij ook merken: joh, er is helemaal geen verschil.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
25
Een hoger opgeleide man zonder migratieachtergrond vertelt over een ervaring bij een debatavond over Rotterdam West: “En ik stond met een jongen te praten voor het gesprek begon en hij was imam in de buurt. Een heel leuk gesprek en toen kwam mijn vriendin naast ons staan, dus ik wilde haar voorstellen, maar hij wilde haar geen hand geven. En dat had ik nog nooit zo meegemaakt en eigenlijk waren zij en ik gelijk zo van ‘oké, doe eens normaal of zo, het is oké’. En toen later ging het over homoseksualiteit en dat was ook wel echt een kwalijke zaak in zijn ogen en hij wilde dat nog net tolereren, maar eigenlijk accepteren en omarmen dat wilde hij niet.” In het groepsgesprek met Joodse respondenten geeft één persoon aan zelf homoseksueel te zijn. Hij is zelf niet zo met zijn religieuze achtergrond bezig maar vergelijkt het openlijk homo zijn met openlijk joods zijn en zegt daarover: “Ja, nou, kijk, ik ben buiten joods ook homoseksueel. En ik heb een relatie en ik heb gewoon een superleuk leven, ik heb hele leuke vrienden en dat soort dingen, maar dat is dus eigenlijk hetzelfde als waar jullie misschien tegenaan lopen met de kippa of de davidster. Ja, het is gewoon lastig. En ik heb soms het idee dat je heel erg rekening moet houden met de andere mensen om hun niet een vervelend gevoel te geven.
En dat je daardoor niet helemaal 100% jezelf zou kunnen zijn.” Een andere respondent met een Joodse achtergrond ziet dat koppels van hetzelfde geslacht zich in het centrum aanpassen: “In het centrum van Rotterdam toch maar eventjes niet een hand vasthouden. Je hebt FERRY bijvoorbeeld zitten op de Westblaak en daar zie je dan mensen gewoon heel comfortabel zitten, maar zodra ze van het pleintje aflopen en in de binnenstad lopen, dan laten ze de handjes los.” Ook hij trekt een parallel tussen niet hand in hand lopen met je partner van hetzelfde geslacht, als vrouw in een zomerjurkje toch maar niet door dat gebied fietsen en als jood je davidster verbergen. Dit wijt hij aan de hoge mate van intolerantie van de bewoners in het centrum. In de groep gemengd opgeleide jongeren met een migratieachtergrond is één respondent van mening dat homoseksualiteit meer wordt geaccepteerd dan moslim zijn. Een andere jongere uit deze groep zegt dat hij niks tegen homo’s heeft, maar ze niet in zijn buurt wil hebben. Dit leidt bij een derde jongere tot de behoefte dit toe te lichten. Hij legt uit dat de ander waarschijnlijk bedoelt te zeggen dat hij liever niet gezien wil worden met homo’s, omdat hij bang is dat mensen hem dan ook als homo beschouwen.
Dat is inderdaad wat hij bedoelde, beaamt de vorige respondent, maar hij zegt ook dat hij vanuit zijn geloof mee heeft gekregen dat homo’s niet goed zijn en dat dat iets is dat altijd in zijn achterhoofd zit.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
26
4
Samenleven in een superdiverse stad In dit hoofdstuk gaan we dieper in op het met elkaar samenleven door alle verschillende groepen bewoners in de diverse stad. In de eerste paragraaf beschrijven we of de respondenten veel of weinig contact hebben met burgers met een andere achtergrond, en in welke context ze contact hebben met elkaar. In §4.2 beschrijven we wat zij eigenlijk van de steeds diverser wordende stad vinden. In de derde en vierde paragraaf beschrijven we de wrijvingen en spanningen die het samenleven opleveren, en of mensen nu vooral met elkaar of tussen elkaar leven. §4.5 gaat in op de grenzen van de tolerantie. Hebben de respondenten moeite met bepaalde groepen in de stad? Aan de respondenten zonder migratieachtergrond vroegen wij ook hoe het voor hen is om niet meer tot de meerderheidsgroep te behoren en nu ook een van de etnische groepen in de stad te zijn. Waar nieuwkomers het gevoel kunnen hebben zich te moeten invechten, kunnen de zittende bewoners het gevoel hebben te moeten inleveren. Dat is het onderwerp van de laatste paragraaf.
4.1. Contact met allerlei Rotterdammers We vroegen de respondenten of ze contact met Rotterdammers met andere achtergronden hebben en zo ja, waar ze met elkaar in contact komen. Vrijwel alle respondenten blijken vrijwel constant in contact te staan met Rotterdammers met een andere achtergrond dan die van henzelf. Jongeren met een migratieachtergrond hebben nog contact met klasgenoten, schoolgenoten en eventueel vrienden met andere culturele achtergronden die ze uit de buurt kennen. Alle anderen noemen de wijk, werk, winkels en dergelijke als plaatsen waar men elkaar treft. Een respondent met een migratieachtergrond uit de groep met een gemengd opleidingsniveau zegt bijvoorbeeld: “Dan praat ik voor mezelf, maar ik denk dat je dagelijks wel met andere afkomsten te maken hebt. Als ik boodschappen ga doen, zijn het negen van de tien keer toch buitenlanders die in de winkel werken. Je komt ze overal wel tegen. De supermarkt, de plaatselijke supermarkt bij mij in de straat is een Turkse supermarkt. Nou ja, daar kom je dan ook andere culturen tegen. Op het werk, op sociale media, overal wel denk ik.” Een respondent met een migratieachtergrond uit de lager en middelbaar opgeleide vrouwengroep: “Ja, buren, school, werk, overal eigenlijk wel een beetje. En je kan er ook op vallen, een andere achtergrond.
Een relatie of iets dergelijks.” Een andere respondent uit deze groep: “Rotterdam is multicultureel, dus daar kom je sowieso wel met andere culturen in aanraking, dat is eigenlijk wel standaard.” Dat zegt een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond ook: “Ja heel veel, eigenlijk alleen maar. Iedereen is gemixt.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
27
Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond vertelt over het bedrijf waar hij werkt: “Dat is gewoon ook een superdivers bedrijf en dat is zelfs het aannamebeleid, dus vandaar dat ik via werk gewoon heel veel verschillende mensen en culturen eigenlijk ontmoet die ik in mijn privéleven eigenlijk nooit zou ontmoeten. En ook niet alleen cultuur, maar ook qua leeftijd en uit andere wijken, waar ik dan niet zo vaak kom bijvoorbeeld.” De Syrische statushouders zoeken actief contact met andere Rotterdammers, ze gaan bijvoorbeeld naar een taalcafé of bibliotheek, of doen vrijwilligerswerk. Een van hen: “Ik heb contact met Turken, Marokkanen, Nederlanders. Ik heb die meestal tijdens mijn werk leren kennen. Ook mijn buren zijn Nederlanders. Ik probeer ze te spreken en we werden goede vrienden. In het begin aarzelde ik om mensen aan te spreken maar daarna ging het wel goed.” En een ander: “Ik heb mensen leren kennen op de plek waar ik had gewerkt. Ik had veel Nederlandse vrienden maar ook een Marokkaanse vriend die mij erg had geholpen, ook Surinaamse mensen.” Alleen één hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond geeft aan dat hij nu in een wat homogene bubbel verkeert: “Ik had het toen ik bij mijn ouders woonde heel veel in de wijk.
Ik kom uit Rotterdam-West en ja, gewoon in een megadiverse straat opgegroeid en ook 18 jaar lang, dus dan op gegeven moment ken je iedereen. En dat ging ook heel goed, maar eigenlijk sinds ik daar weg ben op mijn 18e, moet ik zeggen: universiteit is vrij wit, voetbalclub is vrij wit en dan een paar bijbaantjes die ik gehad heb, daar kom ik dan wel gelukkig mensen tegen van een andere achtergrond, maar dat is wel weinig.” Andere respondenten zonder migratieachtergrond hebben die ervaring niet. Zij werken of wonen in een diverse omgeving.
4.2. De superdiverse stad Vervolgens vroegen we de respondenten wat ze er eigenlijk van vinden dat hun stad zo divers is. Veel respondenten, zowel met als zonder migratieachtergrond, vinden de veelheid aan culturen een meerwaarde hebben. Sommige mensen benoemen dat het veel leuker is. Zo zegt een respondent uit de gemengd opgeleide groep met een migratieachtergrond: “Als we dezelfde cultuur hadden, hoe we leven, allemaal hetzelfde? Dat is gewoon saai. Dat zou niet meer leuk zijn denk ik.” Een respondent uit de lager en middelbaar opgeleide migrantenvrouwengroep: “Nou, dat vind ik juist heel positief. We kunnen heel veel van elkaar leren. Het zou maar zo zijn dat je in een dorp woont waar alles hetzelfde is, dat lijkt me ook niks. Maar hoe meer culturen, hoe beter.” Dat is ook de mening van een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Als ik gewoon maar naar mijn zoon ga, die nu in Alphen aan den Rijn woont, dan kom ik al in het buitenland. Vreselijk. Ja, sorry, maar ik vind het een verschrikking. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Allemaal met die gepaste lachjes. Maar ja, ach, zijn liefde is daar. En mijn kleindochter woont daar natuurlijk ook. Ik denk nou ja, dus dan ga ik daar maar weer eens heen, maar ik ben blij als ik daar weer weg ben, uit dat Alphen aan den Rijn. En dan durft hij nog te zeggen van: ‘nou ma, als je nou gaat verhuizen
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
28
als je hulpbehoevende wordt, kom dan in Alphen aan den Rijn wonen.’ Ik zeg: ‘Wil je me gelijk dood hebben?’ Dat gaat toch helemaal niet! Er zit geen geur of fleur aan. Dat is een verschrikking daar!” Een andere respondent uit deze groep: “Als ik zou verhuizen, dan zou ik ook naar een grote stad gaan, maar Rotterdam heeft wel dingetjes waarvan ik hou en wat ik heel prettig vind en de heel veel verschillende culturen en mensen, dat spreekt mij ook wel heel erg aan van Rotterdam.” Een respondent met een Joodse achtergrond, die eerder haar ervaringen met antisemitisme deelde: “Ik heb ook een aantal pluspunten erin gezien, want ik ben dus zelf gek op de wereldkeukens en ik moet zeggen dat die diversiteit van alle culturen, gewoon heerlijke kruiden en heerlijke gerechten allemaal hebben gebracht. En ook, wat ik zeg, ik geniet ook gewoon van al die culturen in Rotterdam. Dus hoe mensen leven, hoe ze dan met elkaar omgaan, kunnen gaan, want ja, ik ken dus ook heel veel mensen waar ik een hele leuke band mee heb van andere culturen, en dat wil ik wel even gezegd hebben.” Ook de Syrische statushouders zijn positief. Een van hen zegt daarover: “Zeker heel mooi. We leren andere culturen kennen.
In Syrië was er geen ruimte om andere culturen te leren kennen maar hier moeten wij dat gewoon doen en daarmee omgaan.” Een ander sluit aan: “Ik vind het positief omdat dan iedereen is anders en dus ze moeten je accepteren. Dus als iedereen een migratieachtergrond heeft dan voel je je niet geëxcludeerd. Diversiteit is positief voor ons als vluchtelingen omdat we niet meer herkenbaar zijn,” Een derde valt hen bij: “Ja precies. Veel mensen met migratieachtergrond, dus we voelen ons niet echt als buitenlanders.” Dat de stad als steeds diverser wordt ervaren de meeste mensen niet als een probleem. Ze zijn het al gewend. Een respondent uit de groep gemengd opgeleide respondenten met een migratieachtergrond: “Eerlijk gezegd weet ik niet anders dan dat Rotterdam altijd al divers is geweest. Kijk, dat het zich nu alleen nog maar meer uitbreidt, ja, dat spreekt een beetje voor zich voor mij.” Een andere respondent uit deze groep vindt dat ook: “Ja, ik denk gewoon: prima weet je. Vroeger is dat ook zo geweest, dus waarom nu niet? En ik ben wel van het eten weet je, dus misschien komen er dan nieuwe restaurants, kunnen we daar gaan eten. Nieuwe gerechten proberen. Weet je, er zullen toch altijd wel mensen komen, dus wat maakt het nou uit of het diverser is of niet?” Een derde reageert daarop met: “Ja, ik denk er ook een beetje zo over.
Stel, je hebt iemand die uit Syrië komt die hier komt. Als die hier een nieuw bestaan op komt bouwen, dat vind ik alleen maar mooi. Het is hem gegund.” Ook een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond zegt: “Ja, ik weet niet beter eigenlijk, dus gewoon zoals ikzelf ben. Ik zie geen verschil, laat ik het zo zeggen tussen welke afkomst of wat dan ook. Iedereen is gelijk en hetzelfde.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
29
Anderen denken dat het er zelfs beter van wordt als de stad nog diverser wordt. En Joodse respondent: “Rotterdam is natuurlijk super hot topic sinds de laatste tijd. En je hebt veel expats. Dus in dat opzicht wordt het landschap wel diverser natuurlijk. Ik vind dat wel een pluspunt.” Een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond benoemt dat er niet één etnische groep is die overheerst: “Ik vind het alleen eigenlijk maar heel goed dat het nog diverser wordt. Het zorgt er in ieder geval voor dat er meer inclusie is, dat de mensen zich hier makkelijker kunnen aarden weet je. Iedereen is anders, er is niet één lijn van wat men is.” Een respondent uit de groep lager en middelbaar opgeleide migrantenvrouwen: “Ja, ik vind dat juist goed, want ik vind wel dat diversiteit je steeds meer naar elkaar toebrengt. Wat als zij anders is dan ik en er komen anderen bij, dan worden we allemaal een soort van mengelmoes van elkaar op een gegeven moment. Dan begint het allemaal een soort van te mengen en dat iedereen dan een soort van onbewust dingen overneemt en dingen loslaat.” Er worden ook wel wat zorgen geuit.
Zo zegt een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Je geeft inderdaad aan dat het allerlei afkomsten kunnen zijn, maar het mag ook wel benoemd worden dat procentueel gezien bijvoorbeeld wel de Marokkaanse criminaliteit vrij groot vertegenwoordigd is en Antillianen bijvoorbeeld ook. En wat betekent niet gelijk dat alle Marokkanen slecht zijn natuurlijk hè, dus ik wil niet generaliseren, maar je ziet het wel in de cijfers terug.” Een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond denkt “wel dat in wijken waar zeg maar heel veel mensen geconcentreerd bij elkaar wonen dat je daar problemen krijgt, maar ik denk niet dat wat dat betreft diversiteit op zich het probleem is”. Volgens de jongeren met een migratieachtergrond heeft een nog diversere samenleving voor- en nadelen. Hoe meer verschillende nationaliteiten hoe meer kans op discriminatie, zeggen zij. Daarbij wordt volgens hen de openbare ruimte drukker. Voordelen zijn wel dat mensen met een migratieachtergrond elkaar beter kunnen steunen, doordat ze elkaar beter begrijpen. Ze vinden dat er in Rotterdam veel laaggeschoolde mensen zijn en daar staat Rotterdam al in negatieve zin bekend om. Maar diversiteit zien ze in principe als een verrijking.
4.3. Goed samenleven gaat niet vanzelf In de groepsgesprekken bespraken we hoe het samenleven in de superdiverse stad gaat. Wat is ervoor nodig om goed met elkaar samen te leven? Wanneer begint het samenleven echt te schuren? Een respondent uit de groep gemengd opgeleide jongeren met een migratieachtergrond hanteert het motto ‘leef en laat leven’. Hij vindt dat je je eigen ding moet kunnen doen en vrij moet zijn in met wie je optrekt. Dit moet je ook van een ander accepteren. Hij denkt dat het makkelijker wordt anderen te accepteren als je elkaar leert kennen en begrijpt hoe die ander leeft. Ook in de groep gemengd opgeleide volwassenen met een migratiegrond is elkaar accepteren en je een beetje aanpassen het credo. Een respondent uit deze groep met een Surinaamse achtergrond zegt bijvoorbeeld: “Ik probeer altijd iedereen in zijn waarde te laten, want de mensen hebben misschien ook moeite met mij, met mijn achtergrond, met mijn levensstijl. Kijk, je laat je gedachten wel gaan, maar je accepteert het.” En een respondent met een Marokkaanse achtergrond:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
30
“Je hebt er inderdaad misschien wel een mening over, over iemand anders' doen en laten, maar je laat iedereen gewoon in zijn waarde. (…) Er is zelden tot nooit wrijving zeg maar tussen verschillende culturen of geloven hier. Iedereen kan wel gewoon met elkaar omgaan (…). Op de een of andere manier komen heel veel culturen met elkaar overeen en ze kunnen allemaal met elkaar. En ik merk ook gewoon – het is niet van: jij bent Turks, jij bent Marokkaans, jij bent Surinaams, jij bent dat, jij bent dit. Het sluit allemaal op elkaar aan. We kunnen allemaal met elkaar leven. We hebben nooit, ja nooit wil ik niet zeggen, maar zelden last van elkaar. Alles is bespreekbaar ook met elkaar.” Een derde respondent uit deze groep, met een Antilliaanse achtergrond, gaat wel het gesprek aan als ze iets niet begrijpt: “Als ik iets bijvoorbeeld raar vind of vreemd of ik heb zoiets van: waarom doe je dat? Dan probeer ik wel in gesprek te gaan als ik dat echt wil weten. Anders heb ik zoiets van: joh, weet je, het is jouw leven, doe je ding maar ik doe het anders. Of je laat diegene gewoon.” Zij denkt dat ze in Rotterdam allemaal gewend zijn om met verschillende culturen om te gaan: “Wat ik wel merk, als wij naar de camping gaan in Noord-Brabant, daar zijn ze niet gewend dat er gekleurde mensen zijn of heel veel ervan in een groep.
Dus dat verschil zie ik wel.” Een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond denkt dat het begint met wederzijds begrip en wederzijds respect: “Ik probeer wel altijd in mijn lessen met anderstaligen, als ik merk dat het speelt, een soort gesprek daarover te starten. Van ja weet je, als jij geaccepteerd wil worden met een hoofddoek, dan zal jij misschien ook een homoseksueel stel moeten accepteren. Dat werkt twee kanten op.” Het samenleven gaat echter niet vanzelf. Een respondent met een migratieachtergrond uit de groep met een gemengd opleidingsniveau zegt dat hij wel heel veel rekening houdt met anderen. Dit komt omdat hij van zijn moeder ingeprent heeft gekregen: “omdat je een kleurtje hebt zal je twee keer zo hard moeten werken, dat soort dingen allemaal.” Hij houdt zichzelf in als hij met zijn “eigen bevolkingsgroep praat. Dat je toch denkt: mensen kijken raar, ik houd me in. En dat hoeft eigenlijk helemaal niet, je hoeft je helemaal niet in te houden. Ik hoef me eigenlijk helemaal niet in te houden, dat is raar. Dus wat je zegt, wat je doet en dat je je aanpast eigenlijk.” Ook een andere respondent uit deze groep merkt dat ze zich aanpast: “Oké, als ik kijk, dan voel ik me niet echt Nederlands of zo. Gewoon meer Antilliaans.
En ik bedoel dan ook meer op werk of zo, dan let ik wel meer op wat ik zeg, omdat ook al is de directheid gewenst, is het niet altijd gewenst als je gewoon zegt wat in je opkomt.” Een Syrische statushouder ervaart dat ook zo: “Als ik met al die mensen omga ben ik altijd bang om verkeerd begrepen te worden. We doen misschien een paar dingen die misschien in hun cultuur niet bestaan. Bijvoorbeeld je als een Arabisch persoon een kind op de grond ziet vallen, dan ga je hem helpen en zo. Maar ze vinden dat een beetje raar, omdat je een kind benadert. En daarom denken we altijd na voordat we iets doen om een miscommunicatie te vermijden.” Een andere statushouder zegt daarover: “Het klopt dat ze heel anders zijn, maar ze accepteren ons wel denk ik. We hebben andere tradities en andere religie en dat speelt allemaal een rol.” Daar is een derde respondent uit deze groep het mee eens:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
31
”Ja ik heb een voorbeeld daarvan. Ik wilde naar een andere stad gaan, ik sprak natuurlijk de taal niet, dus ik begin wat gebaren te maken, maar hij begreep niet wat ik wil. Hij zei tegen mij ook met gebaren dat ik moet ontspannen en geen zorgen maken. Hij zei je mag wel met gebaren spreken maar je moet ontspannen. Toen heeft hij mij begrepen en geholpen. Dus de taal was een groot obstakel. Maar ook met de manier hoe ze met hun kinderen omgaan. Hier gaat het kind alleen wonen als hij of zij 18 wordt. Dat hadden we niet in ons land. Dus we zijn wel bang dat onze kinderen ook zo gaan denken, dan moeten we ons wel aanpassen aan hun manier van denken. Dus hier zijn de ouders niet erg verantwoordelijk over de toekomst van hun kinderen.” De hierboven eerstgenoemde respondent vindt dat het alleen een kwestie van taal is: “Als iemand de taal onder de knie heeft kan hij gewoon met iedereen communiceren. De Nederlandse samenleving is een open samenleving en ze respecteren het verschil. Maar het enige obstakel is de taal. Als je gewoon Nederlands spreekt dan wordt de Nederlander jouw vriend.” Er zijn ongetwijfeld ook irritaties en botsingen. Het gaat dan vaak om een ander een andere mening of leefstijl en bepaalde gebruiken niet kunnen begrijpen.
Een respondent uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen met een migratie achtergrond: “Ik denk dat het botst qua geloven, en met Nederlanders en Antillianen bijvoorbeeld, merk je toch dat ze een heel andere manier van leven hebben waardoor ze dan als er buren zijn, de meeste Antilliaanse mensen om me heen, ik heb ook zelf Antilliaanse buren, die zijn dan heel erg van: alcoholgebruik in de avonduren en feesten in de avonduren. Dan merk je wel dat mensen zich toch een soort van gaan ergeren aan elkaar en dat het gaat botsen onderling.” Ook een respondent uit de gemend opgeleide groep met een migratieachtergrond benoemt culturele botsingen, vooral wanneer haar eigen Antilliaanse achtergrond botst met wat er op haar werk gevraagd wordt. “En als je dan ook kijkt naar cultuur, dan kan dat ook botsen omdat je zoiets hebt van: dit zie ik zo, waarom doen jullie dit niet? Bijvoorbeeld met vlees wassen of zo in de zorg. Dan heb ik zoiets van: waarom wassen jullie geen vlees? Waarom gooien jullie alles in de pan en gaan jullie dat zo koken? Terwijl ik uitgebreid met azijn ga wassen en met citroen. Dan denk ik zo van: hè, maar dit kan toch zo? Dit is hygiënischer.” Een respondent uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen vindt “Rotterdam gewoon sociaal, we zijn heel open. We doen ons ding. Ik vind het wel goed, alleen er heerst wel veel racisme”.
Dat vindt ook een andere respondent in deze groep: “Ik vind de meeste Rotterdammers toch wel – ja, sorry dat ik het zo plat uitdruk – maar toch wel racistisch. Dan heb ik het echt over Nederlanders. Sorry dat ik het zeg, maar dat is echt zo.” Deze vrouw van middelbare leeftijd met een Marokkaanse achtergrond vertelt verder: “Ik ben verhuisd naar een straat waar heel veel witte Nederlanders wonen, en bij hen hoef je echt niet na tien uur een muziekje op te zetten of zo. Waar ik hiervoor woonde, daar kon je dan om elf uur nog muziek aan. Dat waren toch meer buitenlanders die het van elkaar gewend zijn. Nou, dat hoef je bij witte Nederlanders niet te doen, want alles is rust en ze klagen over alles weet je wel. Ja, dan moet je je een beetje aanpassen eigenlijk. Het is echt aanpassen hoor! ‘Ja, zo hoort dat in Nederland!’ Maar ja, zo ben je niet opgevoed, dus dan ga je weer een muziekje opdoen. Maar dat kan niet, want dan staat er weer iemand van de gemeente voor de deur want je maakt herrie.” Deze respondent geeft aan dit in haar oude buurt nog nooit meegemaakt te hebben. Ze past zich nu wel aan “aan de waarden van Nederlanders hè. Dat hoort zo”. Overigens vindt ze haar nieuwe buurtgenoten wel weer heel behulpzaam:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
32
“Vooral nu met de coronatijden. Dan bellen ze toch vaak aan van: ‘kan ik wat voor je doen? Is er wat dat je nodig hebt, ik ga even naar de winkel’. Dat is toch wel heel apart weer. Ik had het niet verwacht dat ze dat zouden doen. Dat had ik niet verwacht nee.” En een Syrische statushouder: “Ik heb af en toe te maken gehad met mensen die een beetje een stereotypisch beeld hebben en dat brengt spanning in het gesprek en ik wil dan mijn antwoorden zo kort mogelijk houden om het gesprek te beëindigen.” Ook een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond irriteert zich als anderen haar een bepaalde leefstijl willen opdringen: “Ik heb eigenlijk met niemand problemen hier, maar soms heb ik wel moeite met moslimse mensen, omdat die dan ook echt soms van jou verwachten dat jij ook met hen in hun geloof meegaat (…) want ik kom in mijn werk wel eens bij mensen thuis die moslims aangelegd zijn. En dan beginnen gelijk al die gesprekken van dat ik mij moet bekeren en dan denk ik van ja… Ik ga daar dan ook op dat moment geen discussies over aan. En dan zeg ik gewoon van kijk, u bent moslim, ik ben dat niet en ik vind dat u mij moet accepteren ook voor wie ik ben, want ik accepteer u ook gewoon met uw geloof wat erbij hoort.”
4.4. Met of tussen elkaar leven? Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond werpt een belangrijke vraag op: “Alle Chinezen, Marokkanen, Turken, die gaan wel het meeste met elkaar allemaal om. Of Polen en Nederlanders natuurlijk. Dus ik denk dat, we leven wel allemaal in harmonie, maar het is niet zo dat onze wegen elkaar heel veel zullen kruisen privé, maar dat merk ik zelf, bij mijzelf. Ik weet niet hoe dat bij anderen zit?” Een respondent uit de gemend opgeleide groep met een migratieachtergrond zegt dat het ervan afhangt. Doorgaans voelt zij zich meer Antilliaans dan Nederlands “en andere momenten dan kan ik in een café zitten en dan kijk ik bijvoorbeeld voetbal en voel je je wel gewoon één. Want als het EK er is of het WK, dan gaat iedereen naar het café en iedereen juicht”. Zij heeft via haar werk zeker wel collega’s zonder migratieachtergrond waar ze een connectie mee heeft: “Maar ik denk dat als het echt dieper wordt, dat je je dan niet echt Nederlands voelt, omdat sommige mensen niet kunnen of willen begrijpen waarom je bepaalde dingen doet. Als ik kijk naar mijn vriendengroep, dan is die toch wel meer divers. Die is wel gekleurd.
Uiteindelijk als je kijkt op een dieper level, dan level ik ondanks dat ik met iedereen kan omgaan, toch meer met mensen met een andere achtergrond.” Twee hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond vragen zich af of het verschil in opleidingsniveau en achtergrond niet voor een onoverbrugbare kloof zorgt. De ene respondent, een vrouw van middelbare leeftijd, woont in een enorm multiculturele flat: “Hier is 80%, 90% buitenlands en ik merk wel dat ik veel meer contact heb dan in Dordrecht. Dus veel meer mensen die je af en toe aanspreken en nieuwsgierig naar je zijn. Ik vraag me wel af in hoeverre, ik woon hier nog maar drie maanden, je ooit één van hen zal worden. En dat heeft volgens mij ook veel meer met opleiding te maken, culturele interesses, dat soort achtergronden.” De andere respondent, een jonge man:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
33
“Ik ben sinds kort dan begonnen bij een soort van Mai Tai kickboksvereniging in Rotterdam. En tot die tijd heb ik weinig contact gehad met mensen met een migratieachtergrond en voor het eerst was ik daar een minderheid. Dat vond ik wel heel interessant om te zien, maar ik besefte toen ook dat ik het wel lastig vond om met die mensen te communiceren op de manier waarop… Met de dingen waar zij mee zaten op dat moment. En ik denk dat, nu ik erover nadenk, dat dat misschien ook wel deels door de educatie zou kunnen komen. Als je in Rotterdam opgegroeid bent en je gaat hier naar de basisschool en middelbare school, dan heb je niet altijd de makkelijkste start denk ik.” Een derde respondent uit deze groep, weer een vrouw van middelbare leeftijd, vertelt over de ervaringen van vriendinnen van haar die lesgaven op zwarte scholen. Deze zijn bijna allemaal gestopt vanwege overspannenheid: “En dat is een problematiek, daar kun je boeken vol over schrijven en daar is ook niet zomaar een oplossing voor. Er zit zo een verschil tussen hoe ik door mijn ouders ben opgevoed en hoe sommige kinderen bij haar in de klas zijn opgevoed.” Ook een aantal andere respondenten benoemen ‘eigen bubbels’. Zo zegt een hoger opgeleide man van middelbare leeftijd met een Surinaamse achtergrond: “Op voeding kan je makkelijk mengen, iedereen eet roti.
Maar op sport en dat soort dingen moet je niet mengen.” Een andere respondent, een jonge vrouw met een Surinaamse achtergrond, beaamt dat zij geen zin zou hebben om met een gemengde groep te voetballen, ”want dan word je een subcultuur, weet je”. De eerdere respondent licht zijn uitspraak toe: “Maar weet je, zelf ben ik erg ras-bewust. Ik bedoel, ik zeg altijd: kippen gaan met kippen, geiten gaan met geiten, schapen met schapen, maar het zijn allemaal dieren. Zo zie ik het ook bij mensen. Ik heb een hele andere vibe met mijn Surinaamse vrienden of met mijn Ghanese vrienden dan met mijn witte vrienden.” Hij vindt dat daar ook ruimte voor moet zijn. Een respondent uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen met een Marokkaanse achtergrond zegt iets vergelijkbaars: “Het is meer dat je vooral naar je eigen soort toetrekt. Dus eigen afkomst, eigen cultuur, daar trek je natuurlijk naartoe. Dus als ik een bankje zie met Nederlandse vrouwen en ik zie een bankje met Marokkaanse vrouwen, dan zie je mij eerder naar die Marokkaanse vrouwen toelopen. Dat is gewoon hoe je bent ingesteld, je trekt naar je eigen soort toe. Dat is natuurlijk ook wel weer makkelijk, maar als het gaat om werk of opleiding, dan heb je niet altijd die keuze.
Dan moet je het gewoon doen met de mensen die er zijn en af en toe kan dat moeilijk zijn.” Een andere respondent uit deze groep vult haar aan: “Ja, iedereen zijn eigen cultuur weet je wel. (…) maar valt niet echt zo heel erg op, het belemmert niet of zo.” Een respondent uit de Joodse groep die vrijwilligerswerk is gaan doen in de wijk: “Dat hebben we natuurlijk allemaal. Kijk, jullie gaan met zijn allen naar de synagoge. Ik denk dat dat in onze menselijke soort zit. Mensen kruipen bij elkaar, soort zoekt soort. Maar wat ik wel vond, ik heb dat een jaar gedaan en mijn ogen zijn wel echt heel erg geopend. Ik had als blanke Nederlander niet echt een idee van wat hier nou precies in de buurt speelde en ik vond dat wel echt heel erg verhelderend.”
4.5. Grenzen aan de tolerantie Zijn er ook grenzen aan de tolerantie van elkaars cultuur? Alleen enkele respondenten zonder migratieachtergrond geven aan dat er grenzen aan de tolerantie zijn. Bij de lager of middelbaar opgeleide respondenten lijkt een aantal
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
34
mensen te vinden dat er geen sprake is van een eerlijke balans bij het aanpassen aan elkaar. Een man uit deze groep: “Ja, ik voel mij niet per se achtergesteld, maar ik kom bijvoorbeeld op de Beijerlandselaan in een kapper. En als er dan gemeenteraadsverkiezingen zijn, dan zie je bijvoorbeeld flyers van de PvDA in het Arabisch en dan denk ik: ja, als je mee wil doen in Rotterdam, vind ik gewoon dat je de Nederlandse taal machtig moet zijn.” Een andere man uit deze groep vindt het massale getoeter als een Turks stel trouwt overdreven. De respondent vermoedt dat ze dat in hun thuisland niet in diezelfde mate kunnen doen en er misbruik van maken: “Kijk, het is daar normaal, maar of ze het daar ook in zulke proporties doen als dat het hier gebeurt? Ik denk dat daar ook een stukje interpretatie bij zit van nou, daar mag het misschien minder, maar wat maakt het uit? We zijn hier.
(…) Ik heb geen idee hoe dat in Marokko en Turkije wordt gevierd, maar ik zie niet dat ze daar met die dure Mercedessen allemaal door de straat lopen te rijden.” Hij denkt dat moslims dit uitvergroten en “dat het daardoor in de ogen van de Nederlander of Rotterdam een beetje storend… nou, beetje – beetje boel – storend kan overkomen.“ Een derde respondent uit deze groep, een vrouw zonder migratieachtergrond, wil ook iets zeggen over tradities: “Mag ik nog even terugkomen over het accepteren van elkaars dingen zoals met tradities, dat wij zeg maar wel van bepaalde culturen hun tradities moeten accepteren, maar andersom moeten wij als Nederlanders ons allemaal aanpassen aan bepaalde culturen. En dat is voor heel veel mensen heel moeilijk, waardoor je dus nu echt die haat en nijd-strijd naar elkaar toe gaat krijgen. Dat valt mij wel de laatste tijd heel veel op.” Deze respondent noemt als voorbeeld: “Het Sinterklaasfeest dat nu zonder Zwarte Pieten moet en het kerstfeest dat ineens winterfeest genoemd moet worden. (…) je ziet dat heel veel volwassenen daar heel veel strijd om maken, dus zeg maar met de Surinamers, met de Antillianen, die daar vaak tegen zijn. Maar zij hebben ook bepaalde tradities en wij moeten ons daar wel op aanpassen, maar andersom dan is het eigenlijk een taboe.” Volgens deze respondent gaat het om kleine groepen die iets tegen Zwarte Piet hebben.
Maar dit heeft als gevolg “… dat de meeste Nederlanders nu opeens heel fel tegen de donkere mensen zijn. Dus ‘oppleuren naar je eigen land’ en dat soort dingen. En dan gaan ze de Marokkanen er weer bij halen van ja en wij moeten aanpassen aan die Marokkanen met hun slachtfeest en het Suikerfeest. Dus dan wordt eigenlijk van de ene cultuur een andere cultuur erbij betrokken. En je gaat zo, wat ik dus zie, dat hier op gegeven moment gewoon misschien een burgeroorlog gaat komen tussen mensen gewoon door elkaars tradities en culturen niet te accepteren.” De hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond die op de debatavond met de jonge imam botste zegt over de multiculturele samenleving: “In principe vind ik het wel een verrijking, maar ik moet wel zeggen dat er soms grenzen zitten aan wat ik wil tolereren.” Hij wil wel aan bepaalde normen en waarden en wetten blijven vasthouden, en “niet alles overboord gooien ten faveure van een soort utopische diversiteitssamenleving, want voor mij dan maar liever niet of zo”. Een vrouw in deze groep is het daar mee eens, maar wijst er ook op dat onder Nederlanders zonder migratieachtergrond homoseksualiteit ook nog lang niet zo lang geaccepteerd wordt:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
35
“En daarnaast denk ik ook van katholicisme en SGP: die accepteren ook nog steeds de gelijkheid niet. Dus er zijn ook de witte mensen – die zijn er ook nog zat – die dat niet accepteren en die dat niet als hun verworven normen en waarden zien. Ik bedoel SGP willen hun vrouw ook in de keuken houden.” Twee andere respondenten zonder migratieachtergrond wijzen erop dat gedrag van mensen niet gekoppeld kan worden aan hun afkomst. De ene: “Voor mij is dat verbonden aan gedrag. Of je nou bruin bent of geel of groen of paars, het maakt me niet uit, ik vind dat je elkaar op een bepaalde manier moet bejegenen. En dat heeft helemaal niets te maken met kleur, wat mij betreft.” En de ander: “Ik merk gewoon vaak wel dat er bij elke afkomst altijd wel een paar mensen tussen zitten die zich anders moeten gedragen en die… Ja, toch gewoon zich niet netjes gedragen, vind ik zelf. En dan kun je zeggen dat heeft te maken met afkomst, maar ik zie ook juist ontzettend leuke jongens zitten, die juist een andere achtergrond hebben, waarbij ik dan zelf denk: het is zonde dat hun naam ook achteruitgaat.” In de groep respondenten met een Joodse achtergrond trekken een aantal deelnemers behoorlijk fel van leer tegen de islam.
Een vrouwelijke respondent uit de Joodse groep ziet het probleem vooral bij de moslims: “En ik denk dat het niet specifiek aan Rotterdam verbonden is, maar toch de hele tendens en sfeer in Nederland en ik denk Europa zelfs. En ik moet heel eerlijk zeggen, dat is mijn conclusie, na 9/11 is wel de omkeer gekomen bij de moslims, alsof de islamitische bevolking zoiets had van ‘we zijn hier’. Kijk, ze hoeven zich niet als gast te gedragen, maar ik bedoel in Rome spreek je ook Romeins. En ik heb het gevoel dat vroeger als ze hier naartoe verhuisden, hier gingen werken, hier bleven wonen, dat ze meer het gevoel hadden dat ze zich aan moesten passen. En ik krijg zeker de laatste vijftien jaar het gevoel dat die hele gemeenschap ontzettend snel groeit. Ze voelen zich heel sterk en ze hebben het gevoel van, volgens mij, dat wij ons moeten aanpassen. En dat stralen ze uit.” Volgens deze respondent is dat gevoel niet specifiek op Joden gericht, maar op iedereen. Zijzelf ziet er niet herkenbaar Joods uit, maar ze heeft een blonde vriendin: “… en die ging daar ook een keer boodschappen halen en die is van haar fiets gerukt en helemaal in elkaar geslagen, omdat ze gewoon heel Nederlands eruitziet. Dus het is niet specifiek, denk ik, alleen naar ons toe.
Het is gewoon een bepaalde groepering in Nederland die zich heel sterk voelt en denkt dat ze het recht in hun handen kunnen nemen.” Een andere respondent uit deze groep, een man van middelbare leeftijd, meent te zien dat mensen zich onbewust een beetje aan het aanpassen zijn. Hij noemt het verbergen van de davidster, maar ook: “Bepaalde plekken loop je niet meer, vrouwen die als ze zeg maar heel zomers gekleed zijn ergens niet meer naartoe willen lopen, bepaalde straten die ze dan vermijden. En dat is heel subtiel gedrag. Ik merk het ook aan mijn studenten. Ik bedoel, toen 9/11 gebeurde was ik 23 ongeveer en toen studeerde ik nog. Het was voor mij heel nieuw hè, islam, salafisme, jihad, noem maar op. En ik heb tien jaar op [een school] gewerkt en die studenten groeiden gewoon op met die termen en ook met dat ze het normaal vonden om zich daarop aan te passen. Ja, als het ramadan is, dan ga je toch niet naast een collega wat eten of drinken. Waarom niet? Jij hoeft toch niet te vasten als ik een vastendag heb, wat voor onzin is dat? En mensen die dan denken: ja, toch ook weer geen alcohol drinken als iemand in de buurt islamitisch is. Dus het is een heel subtiel proces van jezelf aanpassen aan de nieuwe, sociale realiteit. Ik zie het gewoon gebeuren.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
36
Deze respondent zag vijftien jaar geleden vrouwen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond in het centrum niet altijd met een hoofddoek lopen: “En toen vijf jaar later liepen de meesten met een hoofddoek en een paar jaar daarna was het hoofddoek en halsbedekking. En mijn vrouw droeg in die tijd, als getrouwde joodse vrouw ook bedekking over haar haar en die werd vies aangekeken in de buurt, omdat ze haar hals niet bedekte. En dat was voor haar opeens echt iets wat we zagen verschuiven in vijf jaar tijd.” Een andere man in deze groep, een zestigplusser: “Ik kan mijzelf niet voorstellen dat, als er tien jaar geleden met dezelfde gemeenschap niks aan de hand is en die vrouwen hun eigen keuzes kunnen bepalen in hun omgangsnormen en hun gedragingen en dat nu anders is, kan ik me niet onttrekken aan het idee dat er toch een bepaalde dwang vanuit de gemeenschap of vanuit een bepaalde groep is. En ik vind het beangstigend dat die dwang kan blijven plaatsvinden, want je ziet het groeien en dat het eigenlijk vanuit een soort ‘braaf jongetjes’-gedrag van de overheid nog wordt gesteund en gesubsidieerd ook.” Deze respondent geeft aan dat het niet een bepaald ‘ras’ is dat dit doet maar een bepaalde groep die druk ervaart uit de landen waar ze vandaan komen.
Hij ziet een “maatschappelijke verpaupering” en rekent dat de Nederlandse overheid aan: “En dat is eigenlijk gekomen door de zwakke tolerantiehouding van het Nederlandse beleid, want we moeten toch maar iedereen accepteren en daar dus scheppen ze een ongelijkheid, die er in het begin niet was.” Hij vraagt zich af hoe lang ze dit vol gaan houden “want ik heb ook gewoon medelijden met hen”. Weer een andere respondent, ook een man van middelbare leeftijd zegt: “Kijk, wij zijn natuurlijk allemaal Joods, we hebben allemaal familie en mensen verloren in de Tweede Wereldoorlog en je wil niet zo een standpunt innemen van zij en wij.” Hij geeft aan het er best wel lastig mee te hebben, “maar het komt wel altijd uit die richting vandaan, de intimidatie en de agressiviteit”. Hij benadrukt dat mensen met een migratieachtergrond het niet altijd makkelijk hebben: “Ik ben heel erg in shock. Ik heb een Marokkaanse collega, als zij gaat solliciteren, dan wordt zij niet uitgenodigd op een sollicitatiegesprek. Dat is natuurlijk ook heel triest. Dat is het andere geluid hè. En ik bedoel, het zou natuurlijk ook best kunnen dat zij helemaal naar binnen gekeerd zijn van nou, we blijven maar bij onszelf. Dat is natuurlijk eigenlijk ook heel triest, als dit hier gewoon de directe aanleiding van is.” De respondent die zelf uit een Westers land geëmigreerd is, mist een wij-gevoel.
Ze had op haar werk leuk contact met twee jongens met een Marokkaanse achtergrond. Ze hoort echter ook hoe er over deze collega’s gesproken wordt als ze de kamer hebben verlaten: “Zij willen een beetje afstand doen van hoe zij staan in islam, want zij willen meer weten van o, je komt uit [land]! Dit was voor 9/11. O, je komt vanuit [land], ik ken deze lied! Ken je deze plek? En zij hadden wel interesse in mijn leven. Maar ik zie hoe meer ze worden buiten geplaatst van de wij, hoe meer agressief zij worden.” De respondent die zijn wijk zo zag veranderen vertelt dat hij een keer een gesprek had met iemand van de PVV en vroeg: “Wanneer hoort iemand er nou echt bij? Ga dat positieve nou eens benoemen.” Hij kan zich goed voorstellen
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
37
dat het “voor immigranten heel koud en eenzaam aanvoelt om in deze samenleving binnen te komen”. Hij heeft zelf familie en kennissen in Latijns-Amerika, waar je veel makkelijker deel kan worden van het collectief, “en dat voorkomt ook dat je gaat zoeken naar een collectief en iemand die wel een sterke groepsidentiteit biedt, zoals bijvoorbeeld salafisten”. We zien in deze groep dus forse kritiek op de (zeer conservatieve) islam, maar tegelijkertijd ook oog voor de positie van migranten. Uit de genoemde voorbeelden blijkt dat het werkelijk ontspannen met elkaar samenleven lastig is. Verschillende respondenten maken zich zorgen over de afnemende tolerantie. Een hoger opgeleide vrouw zonder migratieachtergrond: “Niet zozeer met anderstaligen of mensen met een migratieachtergrond of homoseksualiteit, maar echt veel meer mijn soort mensen, de blanke mensen, die dus zeggen van nou, die gekleurde mensen die moeten er allemaal maar uit. En ik heb daar heel veel moeite mee!” Een hoger opgeleide man met een Surinaamse achtergrond legt een andere kloof bloot: “Ik heb nu wel zoiets dat met het racismedebat en Black Live Matters, dat we ineens wel anders met elkaar omgaan vanwege die discussie. Dat vind ik wel een raar iets, weet je. Daarvoor was iedereen chill en nu is het ineens een dingetje weet je.”
4.6. Van meerderheid naar één van de bevolkingsgroepen Rotterdammers zonder migratieachtergrond vormen inmiddels geen meerderheid meer. In het superdiverse Rotterdam zijn zij één van de etnische groepen. Hoe is het voor hen om niet meer tot een meerderheidsgroepering te behoren? Ervaren zij dat als een verlies? We bespraken dit met de twee groepen respondenten zonder migratieachtergrond (lager tot middelbaar opgeleid en hoger opgeleid). We bespraken dit niet met de Joodse groep. Deze groep heeft weliswaar geen migratieachtergrond maar behoort wel tot een (religieuze) minderheidsgroepering. Hoger opgeleide Rotterdammers zonder migratieachtergrond denken dat mensen in achterstandswijken het inderdaad als een verlies zullen ervaren. Een respondent die lang als opbouwwerkster in diverse wijken op Zuid werkte zegt hierover: “Ja. Mensen die daar bang voor zijn, die vinden het zeker geen verrijking! Die kunnen niet door kleur of hoofddoek of wat dan ook heen kijken. Komt dat niet een beetje daaruit voort? Dat mensen om zich heen de buurt zien verkleuren en dat ook gewoon zo noemen hè. Ik werk nu bij een corporatie en daar horen we ook continu van ‘ze stoppen er maar alles in’. En dan wordt vaak etnische achtergrond bedoeld. En mensen dat gewoon unheimisch voelen.
En dan bang zijn om … En dan gaan ze heel erg aan hun identiteit als Zwarte Piet vasthouden, gewoon uit angst dus, uit angst om overruled te worden, dat ze een minderheid worden.” Ze heeft er weinig consideratie mee als mensen in vrij ‘witte’ wijken intolerant zijn. Ze heeft wel meer begrip gekregen voor “mensen in zwakkere wijken, Nederlandse mensen die graag misschien tolerant zouden willen zijn” die met allerlei problemen te maken krijgen: “En dan denk ik: ja, kijk, ik ben uit eigen beweging, eigen keuze hier in deze wijk komen wonen. Er zijn ook mensen die hier niet weg kunnen, die zien hun buurt veranderen en die zien het bij wijze van spreken jarenlang achteruit hollen. Dus daar heb ik wel iets meer begrip voor gekregen, want het zijn niet alleen mensen met een migratieachtergrond, het zijn steeds meer mensen met psychische problemen, mensen met hulpverlening, rugzakjes, die nauwelijks begeleid worden. Dus dat is ook wat die mensen continu maar op hun bordje erbij krijgen dus in die zwakkere wijken …”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
38
Een vrouwelijke zestigplusser uit de groep lager tot middelbaar opgeleiden denkt dit ook: “Dat ligt natuurlijk aan het gedeelte van Rotterdam, de wijk waar je op dat moment zit, waar je dus geconcentreerd heel veel van een bepaalde nationaliteit hebt. Dat heb je toch wel. Daar ervaren ze dan wel dat de Rotterdammer een minderheidsgroep is.” Zijzelf heeft hier niet zo last van: “Ik zie dat ook niet zo sterk. Kijk, ik zou best bijvoorbeeld in de Afrikanerwijk kunnen wonen. Voor mij maakt dat niet zoveel uit of de populatie dan veel van het ene of van het ander zal zijn. Nee, mij maakt het niet uit.” De hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond zien een gemixte stad waar iedereen zichzelf kan zijn zonder concentraties van bepaalde groepen in bepaalde wijken als het beste scenario. Een van hen zegt: “Nou, ik zie dan wel een soort van utopie in Rotterdam, waar leefgemeenschappen ontstaan en niet zoals the sixties of zo, nou, waarom ook niet eigenlijk? Waar gewoon diverse groepen mensen wonen van jong tot oud, rijk en arm, kleurtje, geen kleurtje, whatever, alles door elkaar, mensen die elkaar ondersteunen en die elkaar helpen boodschappen doen. (…) Dus waar studenten ook kunnen wonen en waar ze boodschappen kunnen doen voor oudere mensen, die de deur niet uitkomen.” Ze denken wel dat het lastig wordt dat te bereiken.
Een respondent: “Ik denk – statistisch – in Rotterdam heeft al meer dan de helft van de mensen een migratieachtergrond, maar zolang dat niet bij de politie en in de politiek en al dat soort plekken, en het bedrijfsleven, niet divers wordt … En daar zijn we natuurlijk wel hard mee bezig, maar dat is niet zo makkelijk blijkt. Kijk maar ook naar dit gesprek. Het is gewoon niet zo makkelijk om mensen te bereiken buiten je eigen kringen …” Een ander is nog iets somberder: “Ik denk dat er een hoge mate van tolerantie nodig zou zijn om het ‘ideaal’ te maken, tussen aanhalingstekens. En die is er niet meer.”