21bb8076 Bijlage 6 behorende bij 21bb7796 over Rapportage Samenleven in de superdiverse stad
Tekst van het document
Samenleven in de superdiverse stad Mei 2021
Auteurs: Labyrinth Onderzoek & Advies in samenwerking met Suzanne Tan (Bureau Tangram)
Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de gemeente Rotterdam
© 2021 Labyrinth Onderzoek & Advies Amerikalaan 203 3526 VD Utrecht T: +31 (0)30 262 71 91 E: info@labyrinthonderzoek.nl W: www.labyrinthonderzoek.nl
Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag - door iemand anders dan de opdrachtgever - worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.
Inhoudsopgave 1 Inleiding
5
1.1. Introductie
5
1.2. Doelstelling en onderzoeksvragen
6
1.3. Onderzoeksopzet
6
1.3.1. De initiële opzet van het onderzoek
6
1.3.2. Aanpassingen in de opzet en kenmerken van respondenten
7
1.3.3. Ingezette wervingsmethoden
8
1.3.4. Procedure dataverzameling
8
1.3.5. Verslaglegging, analyse en rapportage
9
1.4. Omschrijving respondentgroepen
2 Thuis in Rotterdam
9
12
2.1. Inleiding
12
2.2. Ik hou van Rotterdam!
12
2.3. Typisch Rotterdams
15
2.4. Wanneer ben je een Rotterdammer?
17
3 Jezelf kunnen zijn in Rotterdam
20
3.1. Inleiding
20
3.2. Ruimte om naar eigen inzicht je leven te leven
20
3.3. Je identiteit uitdragen als Joodse Rotterdammer
23
3.4. LHBTI Rotterdammers
25
4 Samenleven in een superdiverse stad
27
4.1. Contact met allerlei Rotterdammers
27
4.2. De superdiverse stad
28
4.3. Goed samenleven gaat niet vanzelf
30
4.4. Met of tussen elkaar leven?
33
4.5. Grenzen aan de tolerantie
34
4.6. Van meerderheid naar één van de bevolkingsgroepen
38
5 Ervaren discriminatie, racisme en antisemitisme 5.1. Ervaringen met discriminatie
40 41
5.1.1. Ervaringen met discriminatie van respondenten met een migratieachtergrond 41 5.1.2. Ervaringen met discriminatie van Syrische statushouders
44
5.1.3. Ervaringen met discriminatie van respondenten zonder migratieachtergrond
44
5.1.4. Ervaringen van Joodse respondenten met antisemitisme
45
5.2. Eigen vooroordelen
48
5.3. Black Lives Matter en het neerhalen van koloniale beelden
50
6 Ontspannen samenleven bevorderen
54
7 Samenvatting en conclusies
61
7.1. Inleiding
61
7.2. Thuis in Rotterdam
62
7.3. Jezelf kunnen zijn in Rotterdam
62
7.4. Samenleven in een superdiverse stad
63
7.5. Ervaren discriminatie, racisme en antisemitisme
64
7.6. Ontspannen samenleven bevorderen
65
Literatuur
66
Bijlagen
67
Introductie
67
Aanpassingen in de opzet en kenmerken van respondenten
67
Respons 68 1)
Vergelijking met CBS Wijk- en buurtstatistiek
70
2)
Conclusie
70
1
Inleiding 1.1. Introductie Rotterdam is een superdiverse stad, waarin geen enkele bevolkingsgroep de meerderheid vormt. Iets meer dan de helft van de Rotterdammers heeft een migratieachtergrond (eerste en tweede generatie; Crul, 2019). Van de jongeren heeft meer dan twee derde ouders met een migratieachtergrond. De diversiteit is niet beperkt tot verschillende etnische achtergronden. Mensen met verschillende leefwijzen, (sub)culturen, (geloofs)overtuigingen, seksuele oriëntaties, sociaaleconomische posities en leeftijden leven in Rotterdam samen. Zoals de gemeente Rotterdam aangeeft: “Alles wat mensen kunnen zijn, is in Rotterdam aanwezig” (Gemeente Rotterdam, 2020a). De betekenis die Rotterdammers geven aan de toenemende diversiteit is verschillend. Volgens de resultaten van de meest recente Omnibusenquête (Gemeente Rotterdam, OBI, 2020) ervaren de meeste Rotterdammers het wonen in verscheidenheid als prettig. Tegelijkertijd is niet iedereen positief. Dit heeft volgens de gemeente onder andere te maken met dat Rotterdammers zich niet altijd meer thuis voelen in de wijk waar ze altijd hebben gewoond en de mensen er niet meer kennen (Gemeente Rotterdam, 2020b). Het accepteren van een andere cultuur, religie, gender of seksuele oriëntatie vindt niet iedere Rotterdammer vanzelfsprekend (Gemeente Rotterdam, OBI, 2020).
Met Relax, het actieprogramma integratie en samenleving 2019-2022, wil de gemeente Rotterdam een impuls geven aan het ontspannen met elkaar samenleven in de superdiverse stad. Niet alle Rotterdammers voelen zich vanzelfsprekend geaccepteerd in de stad. Sterker nog, het Wijkprofiel laat zien dat een aanzienlijk deel van de Rotterdammers discriminatie ervaart. Op gemeenteniveau is dat 19% en in enkele wijken loopt dit zelfs op tot 33% (Gemeente Rotterdam, 2020b). Eerdere cijfers wijzen erop dat bepaalde groepen dit vaker ervaren dan andere. Zo komt in een eerdere editie van de Omnibusenquête (2017) naar voren dat het gevoel gediscrimineerd te worden vaker voorkomt onder Rotterdammers met een migratieachtergrond. Dit komt overeen met het beeld dat de meldingscijfers van RADAR schetsen, namelijk dat discriminatie op basis van huidskleur of afkomst het meest voorkomt (IDEM, 2019). Onderzoek laat zien dat discriminatie grote gevolgen heeft, zowel voor het individu als ook voor de bredere samenleving (SCP, 2020). Bovengenoemde en andere kwantitatieve metingen vormen een belangrijke graadmeter voor de stand van zaken met betrekking tot het samenleven in het superdiverse Rotterdam. Ze geven echter weinig inzicht in de achterliggende ervaringen, meningen en motieven van bewoners.
Om meer zicht te krijgen op de ervaren acceptatie van diversiteit in de stad en de onderlinge verhoudingen tussen groepen bewoners, heeft de gemeente Rotterdam Labyrinth Onderzoek & Advies opdracht gegeven om hier een kwalitatief onderzoek naar uit te voeren. Dit onderzoek diende ook aanknopingspunten op te leveren om het ontspannen samenleven te bevorderen. In deze rapportage doen we verslag van de bevindingen van dit onderzoek. Hiervoor spraken we in acht groepen met in totaal 47 Rotterdammers met diverse achtergronden. We bespraken hun ervaringen met (de acceptatie van) diversiteit in de stad, het samenleven met verschillen en wat er kan worden gedaan om het ontspannen samenleven in diversiteit te bevorderen. In de volgende paragrafen gaan we in op de doelstelling, opzet en uitvoering van het onderzoek. We beëindigen dit hoofdstuk met een korte typering van de acht groepen respondenten die deelnamen aan dit onderzoek. Vervolgens beschrijven we in hoofdstuk 2 of, hoe en waardoor deze respondenten zich verbonden voelen met Rotterdam. Voelen zij zich thuis in de stad, voelen zij zich een Rotterdammer? Vervolgens gaan we in hoofdstuk 3 in op het leefklimaat in de stad. Kunnen de respondenten zichzelf zijn en hun leven leiden zoals zij dat zelf willen of worden zij daarbij ergens door gehinderd? In hoofdstuk
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
5
4 bespreken we het samenleven in de multiculturele stad. Wat vinden de respondenten eigenlijk van de al maar diverser wordende stad? Wat levert spanningen op, wanneer schuurt of botst het met elkaar samenleven? Een aparte paragraaf in dit hoofdstuk betreft de mening van Rotterdammers zonder migratieachtergrond over het feit dat deze groep niet meer tot de meerderheidsgroepering behoort. Hoofdstuk 5 behandelt discriminatie. Welke respondenten ervaren discriminatie en welke vorm heeft deze discriminatie? In dit hoofdstuk gaan we ook in op het draagvlak voor de Black Lives Matter-beweging en het neerhalen van beelden van representanten van onderdrukking. Daarna laten we in hoofdstuk 6 de respondenten aan het woord over wat de gemeente volgens hen anders kan doen om het ontspannen samenleven in de stad te bevorderen. We beëindigen dit rapport met een samenvatting en conclusies in hoofdstuk 7.
1.2. Doelstelling en onderzoeksvragen De doelstelling van het onderzoek was tweeledig, te weten 1) meer inzicht verkrijgen in hoe Rotterdammers de (acceptatie van) diversiteit en de onderlinge verhouding tussen groepen in de stad ervaren, en 2) aanknopingspunten vinden om het ontspannen samenleven in diversiteit binnen de stad te bevorderen. Het onderzoek richt zich daarbij op de ervaringen en inzichten van Rotterdammers met en zonder migratieachtergrond van diverse leeftijden en opleidingsniveaus. De volgende vragen zijn hierbij leidend geweest: • • • • •
In hoeverre voelen de respondenten zich thuis in Rotterdam? In hoeverre ervaren de respondenten dat ze zichzelf kunnen zijn in Rotterdam? In hoeverre ervaren de respondenten uitsluiting en/of discriminatie in Rotterdam? Hoe is het volgens hen gesteld is met de onderlinge verhoudingen tussen diverse bevolkingsgroepen in Rotterdam? Wat is er volgens hen nodig om het ‘ontspannen samenleven’ in diversiteit in Rotterdam te bevorderen?
1.3. Onderzoeksopzet 1.3.1. De initiële opzet van het onderzoek De gemeente Rotterdam heeft gevraagd om zes face-to-face focusgroepen te organiseren waarin de onderzoeksthematiek zou worden besproken, waarbij er werd uitgegaan van drie groepen met Rotterdammers mét een migratieachtergrond en drie groepen zonder. In beide gevallen diende er van de drie groepen één groep te bestaan uit hoger opgeleiden (wo- en hbo-opgeleiden) en twee groepen met mensen met een lager en middelbaar opleidingsniveau (basisschool t/m mbo-opgeleiden). Bij de twee groepen lager tot middelbaaropgeleiden diende verder onderscheid gemaakt te worden tussen (jong)volwassen tot en met 27 jaar en volwassenen van 28 jaar en ouder. Aanvullend werd verzocht rekening te houden met etnisch-culturele en religieuze achtergronden. De wens was verder om verschillende groepen met een niet-Westerse achtergrond vertegenwoordigd te zien, met name de vier grootste migrantengroepen.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
6
Figuur 1: Opzet focusgroepen 1. Opleiding: hbo+ Gemengde leeftijden Migratieachtergrond: ja
3. leeftijd: t/m 27 Opleiding t/m mbo
Totaal
4. Leeftijd: 28+ 2. Opleiding: hbo+ Gemengde leeftijden Migratieachtergrond: nee
5. Leeftijd: t/m 27 Opleiding t/m mbo 6. Leeftijd: 28+
1.3.2. Aanpassingen in de opzet en kenmerken van respondenten Tijdens het onderzoek zijn verschillende aanpassingen in de opzet doorgevoerd. Dit had onder andere te maken met de impact van de COVID-19-pandemie en aanverwante maatregelen. Allereerst hebben focusgroepen vanwege corona grotendeels online plaatsgevonden (zie § 1.3.4.). Daarnaast verliep de werving onder respondenten met een migratieachtergrond in deze periode niet gemakkelijk (zie § 1.3.3). Het bleek een uitdading om voldoende respondenten te vinden (vooral met een lager en middelbaar opleidingsniveau) die gelijktijdig beschikbaar waren en bleven. Verder gaven enkele vrouwen met een lager tot middelbaar opleidingsniveau aan wel deel te willen nemen aan een focusgroep, maar alleen als het gesprek zonder mannen zou worden gevoerd. Dit alles maakte het moeilijk om volledig vast te houden aan de scheiding naar opleidingsniveau en leeftijd. Uiteindelijk is besloten hieraan minder strikt vast te houden. Ook is er een extra groepsgesprek met alleen vrouwen georganiseerd. Daarnaast is er een extra groepsgesprek met statushouders georganiseerd. Het was een wens van de gemeente om enkele statushouders te spreken over de onderzoeksthematiek. In eerste instantie is gepoogd om statushouders binnen de groepen met een migratieachtergrond te betrekken.
Het bleek echter dat het taalniveau van de geworven statushouders op dat moment nog niet voldoende was om prettig deel te nemen aan deze gesprekken. Daarop is in overleg met de gemeente besloten om statushouders van Syrische afkomst, de grootste groep statushouders in Rotterdam, in een aparte groep te bevragen met een Arabischsprekende gespreksleider. Tot is slot er bij de respondenten zonder migratieachtergrond maar één gesprek met lager tot middelbaar opgeleide respondenten gevoerd. Dit heeft ermee te maken dat er op verzoek van de gemeente tijdens de werving van respondenten is gestreefd naar deelname van respondenten met verschillende religieuze achtergronden, waaronder personen met een joodsreligieuze achtergrond. Oorspronkelijk was bedacht dat zij mee zouden kunnen doen binnen de groepen zonder migratieachtergrond. Labyrinth kreeg vanuit enkele joodsreligieuze informanten echter te horen dat het prettiger zou zijn een aparte focusgroep te vormen. Dit heeft Labyrinth voorgelegd aan de opdrachtgever, die daarmee instemde. Als gevolg hiervan is één van de twee gesprekken met lager tot middelbaar opgeleiden komen te vervallen. Het andere gesprek met lager tot middelbaar opgeleiden is vervolgens gevoerd met mensen van verschillende leeftijden.
Ondanks bovengenoemde wijzigingen in de opzet en groepssamenstelling is er in zijn geheel een redelijke goede spreiding gerealiseerd qua opleidingsniveau en leeftijden. In totaal is er in acht groepen met 47 respondenten gesproken. Van de respondenten hadden 30 personen zelf of hun (groot)ouders een migratieachtergrond. Hiervan hadden 12 respondenten een hoger (hbo, wo) en 18 een lager of middelbaar opleidingsniveau (basisschool t/m mbo). Deze laatste groep bestond uit 11 (jong)volwassen tot en met 27 jaar en 7 volwassenen van 28 jaar en ouder. Van de groep zonder migratieachtergrond (17) hadden 11 respondenten een hoger opleidingsniveau (hbo, wo) en 6 een lager opleidingsniveau. Deze verdeling heeft ermee te maken heeft dat het selectiecriterium opleidingsniveau bij de Joodse groep is losgelaten, en die groep uit hoger opgeleiden bestond. De groep respondenten met een lager en middelbaar opleidingsniveau bestond uit 2 (jong)volwassen tot en met 27 jaar en
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
7
4 volwassenen van 28 jaar en ouder. Zeven herkomstgroepen waren tijdens de gesprekken vertegenwoordigd, waaronder de vier grootste migrantengroepen en Syrische nieuwkomers (zie Bijlage A voor een overzicht). Vergelijken we ondanks de beperkte omvang van de groepsgrootte (47), dan blijkt dat de verdeling jonger dan 28 jaar en ouder gelijk te zijn aan de CBS-leeftijdsstatiek van de gemeente Rotterdam (34% jonger dan 28 jaar). De verdeling onderwijs tot mbo versus mbo+ in de focusgroep is ook gelijk aan het Rotterdamse cijfer (30% lager onderwijs). Splitsen we mbo naar mbo en hbo, dan is de spreiding in de focusgroep wel afwijkend van de CBScijfers: er is overschatting van hbo in de focusgroep (30% CBS, 49% focusgroep). Vrouwen oververtegenwoordigd in de focusgroep (51% CBS, 68% focusgroep). Conform de wens is er een oververtegenwoordiging van respondenten met een migratieachtergrond (52% CBS, 64% focusgroep)
1.3.3. Ingezette wervingsmethoden Vanwege de coronamaatregelen konden er slechts in beperkte mate face-to-face wervingsmethoden ingezet worden. De werving heeft daarom grotendeels online plaats moeten vinden. Voor de werving is de periode van juni tot en met juli 2020 een socialemedia-advertentie uitgezet waarin Rotterdammers werden uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. Ook zijn oproepen verspreid via de socialemedia-kanalen van Labyrinth. Geïnteresseerden konden zich aanmelden via de website of door te bellen of te mailen naar Labyrinth Onderzoek & Advies. In de advertentie is aangegeven dat het over ontspannen samenleven in het diverse Rotterdam zou gaan. Dit leidt er doorgaans toe dat vooral bewoners die hier een mening over hebben zich aanmelden. Daarnaast is er gericht geworven via lokale organisaties en verbanden (bijvoorbeeld [religieuze] zelforganisaties en wijkraden) en sleutelinformanten, het netwerk van Labyrinth in de gemeente en de sneeuwbalmethode. Dit laatste houdt in dat met behulp van geworven respondenten nieuwe respondenten uit hun netwerk zijn aangetrokken. Deze drie methoden zijn onder meer ingezet om groepen mensen te betrekken die minder goed online werden bereikt.
Mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond en een lager opleidingsniveau, mannen in het bijzonder, bleken bijvoorbeeld minder geneigd om zich online aan te melden voor het onderzoek. Ook zijn er op deze wijze gericht deelnemers geworven met een Joodse en een Syrische achtergrond. Om Rotterdammers te stimuleren deel te nemen aan het onderzoek is er gewerkt met een incentive. Deelnemers kregen als blijk van dank voor hun deelname en inbreng tijdens de gesprekken een cadeaubon van €20. Desondanks bleek het een uitdaging om in de coronaperiode voldoende (diverse) respondenten voor het onderzoek te vinden. Ook was er sprake van enige uitval door respondenten die op het laatste moment afhaakten. Hierdoor duurde de werving voor de focusgroepen langer dan voorzien. Het resultaat van de uitgebreide wervingsfase is wel dat de groep respondenten die aan het onderzoek heeft deelgenomen divers en veelstemmig is.
1.3.4. Procedure dataverzameling In de focusgroepen is het gesprek gevoerd aan de hand van een gespreksleidraad die in overleg met de gemeente is opgesteld. De gespreksleidraad liet de nodige ruimte om tijdens de gesprekken de diepte in te gaan en onderwerpen te bespreken die door respondenten zelf naar voren werden gebracht. De focusgroepen zijn gehouden tussen eind juli en eind oktober 2020. Het was oorspronkelijk de bedoeling om de gesprekken op een fysieke locatie uit te voeren. Vanwege de corona-pandemie is ervoor gekozen deze grotendeels online te laten plaatsvinden. Zeven van de acht focusgroep gesprekken zijn volledig online uitgevoerd, en bij één groepsgesprek participeerde een deel fysiek en een ander deel online (groep met migratieachtergrond en gemengd opleidingsniveau; zie paragraaf 1.4). Dit was mogelijk binnen de toen geldende maatregelen en is gedaan omdat enkele respondenten de voorkeur gaven aan een fysiek gesprek terwijl een ander deel juist online wilde participeren.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
8
De online focusgroepen duurden circa anderhalf tot twee uur. Deelnemers kregen vooraf per e-mail de inloggegevens en informatie om deel te kunnen nemen aan het gesprek. Als zij dat wensten, konden deelnemers hun camera tijdens het gesprek uitzetten of hun naam anonimiseren. De gesprekken zijn op wat kleine technische problemen na soepel en zonder ongemakken verlopen. Van de acht focusgroepen zijn er zeven in het Nederlands gehouden door onderzoekers van Labyrinth. Het groepsgesprek met respondenten met een Syrische achtergrond is in het Arabisch gevoerd door een getrainde tweetalige gespreksleider, zodat respondenten hun ervaringen gemakkelijker konden delen en toelichten.
1.3.5. Verslaglegging, analyse en rapportage Zeven van de acht groepsgesprekken zijn opgenomen. Hiervan zijn er zes woordelijk getranscribeerd. Van het gesprek met Syrische statushouders, dat in het Arabisch is gevoerd, is door de gespreksleider een uitgebreid gespreksverslag gemaakt op basis van de opname. Relevante citaten zijn daarbij vanuit de opname woordelijk vertaald. Eén groepsgesprek (groep met jongeren met een migratieachtergrond; zie paragraaf 1.4) is op verzoek van de deelnemers niet opgenomen. Van dit gesprek is een gespreksverslag gemaakt met behulp van de aantekeningen van de focusgroep-assistent. Zowel de transcripten als de gespreksverslagen zijn geanonimiseerd. Vervolgens zijn alle kwalitatieve data per groep en op thema gerubriceerd. Voor de indeling in hoofdthema's zijn de thema’s uit de gespreksleidraad aangehouden. De gesprekken verliepen behoorlijk gestructureerd en alle data konden goed onder deze thema’s geschaard worden. De data zijn daarna geanalyseerd. Op basis daarvan zijn er binnen de hoofdthema’s diverse sub-thema’s aangebracht, die daarna zijn geanalyseerd en beschreven. In het volgende hoofdstuk gaan wij in op de resultaten van het onderzoek. De resultaten worden geïllustreerd met citaten uit de verschillende groepsgesprekken. Soms zijn deze citaten geredigeerd of ingekort ten behoeve van de leesbaarheid.
Wanneer er is ingekort wordt dat in de tekst aangegeven met ‘(…)’. Bepaalde onderwerpen zijn in de ene focusgroep uitvoeriger besproken dan in de andere, bijvoorbeeld omdat een onderwerp in deze groep meer of juist minder leefde. Dit is terug te zien in de resultaten. In de gesprekken is niet systematisch uitgevraagd hoeveel mensen een bepaalde ervaring hadden of herkenden. In de analyse is daarom niet gewerkt met aantallen. Een enkele keer kreeg een opmerking van een respondent veel bijval: in dat geval is dat wel benoemd. De bevindingen van dit kwalitatieve onderzoek zijn niet te veralgemeniseren naar de hele Rotterdamse bevolking of naar bepaalde groepen daarin. Dit heeft te maken met de onderzoeksopzet, het beperkte aantal respondenten en de wervingsmethoden. De resultaten geven een beeld van de diverse opvattingen en gevoelens die onder Rotterdammers voorkomen met betrekking tot het leven in de superdiverse stad.
1.4. Omschrijving respondentgroepen Er zijn acht focusgroepen gehouden met Rotterdammers met een verschillend profiel. Vijf van deze groepen betreffen mensen met wortels elders. Het gaat om vier verschillende groepen met een migratieachtergrond (een groep hoogopgeleiden, een groep met diverse opleidingsniveaus, een groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen en een groep gemengd opgeleide jongeren) en een groep met Syrische nieuwkomers die vrij recent als statushouder in Rotterdam zijn komen wonen. De drie andere groepen betreffen respondenten zonder migratieachtergrond. Een groep bestaat uit hoogopgeleide respondenten (hbo/wo) en een tweede groep uit lager tot middelbaar opgeleide respondenten (basisonderwijs t/m mbo) zonder migratieachtergrond. De derde groep bestaat uit Joodse mensen zonder niet-Westers migratieachtergrond (een van hen is een Westerse migrant). Bij deze groep is niet geselecteerd op opleidingsniveau. Zij bleken allen hoger opgeleid te zijn (hbo/wo). Voor de leesbaarheid noemen we deze groep ‘respondenten met een Joodse achtergrond’, zonder de toevoeging dat zij geen niet-Westerse migratieachtergrond hebben. Als we in de tekst refereren naar respondenten zonder migratieachtergrond dan doelen we daarbij niet op de respondenten met een Joodse achtergrond.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
9
Rotterdammers met een migratieachtergrond Er zijn vier groepen respondenten met een migratieachtergrond geïnterviewd: De eerste groep hiervan bestond uit hoger opgeleide respondenten met een migratieachtergrond (12). Aan deze groep namen een twintiger, drie dertigers en een vijftiger deel. Iedereen was ouder dan 27 jaar. De groep bestond uit mensen met een Surinaams(-Ghanese), Turkse en Indische (Westerse) migratieachtergrond. De groep gemengd opgeleide respondenten met een migratieachtergrond bestond uit vier personen. Drie van hen waren hoger opgeleid (hbo, wo). De andere respondent had een mbo (middelhoge) opleiding. Vandaar de benaming ‘gemengd opgeleid’. De leeftijden liepen uiteen van in de twintig tot in de zestig. Niemand was jonger dan 28 jaar. De groep bestond uit mensen met een Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse en Colombiaanse migratieachtergrond. De volgende groep bestond uit lager en middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond. Hieraan namen acht respondenten deel, waaronder een aantal (jonge) moeders. Twee van hen waren zussen van elkaar. Zes van hen waren twintigers (waarvan vijf onder de 28 jaar). De groep bestond uit mensen met een Surinaamse, Marokkaanse, en Turkse migratieachtergrond. De groep gemengd opgeleide jongeren met een migratieachtergrond bestond uit zeven personen.
Twee van hen waren hoger opgeleid en vijf van hen lager tot middelbaar opgeleid. Allen waren jonger dan 28 jaar. Deze groep werd door de sneeuwbalmethode uniformer dan bedoeld; de groep bestaat geheel uit respondenten met een Surinaamse migratieachtergrond, waaronder zowel Hindoestanen als Afro-Surinamers. Van dit gesprek is geen uitgebreid verslag beschikbaar omdat er bezwaren waren tegen een opname. De vier hierboven genoemde groepen verschillen erg weinig in hun mening over de behandelde onderwerpen en de antwoorden tussen de groepen lopen nauwelijks uiteen. Alleen spreken de respondenten met een lager opleidingsniveau zich meer uit over armoede. In alle vier de groepen voelt men een duidelijke binding met Rotterdam en voelt men zich er thuis en veilig, hoewel discriminatie wel ervaren wordt. Het feit dat Rotterdam zo multicultureel is draagt daar zeker aan bij. ‘Iedereen is anders, dus leef en laat leven’ lijkt bij veel bewoners met een migratieachtergrond typerend te zijn voor de manier waarop ze in het leven staan. Syrische Rotterdammers Er zijn vijf statushouders van Syrische afkomst geïnterviewd. Het gaat om een twintiger, twee dertigers en twee veertigers. Twee van hen vormen een stel. Vier van hen zijn lager en middelbaar opgeleid en één respondent is hoger opgeleid. Het gesprek werd gevoerd in de eigen taal door een Syrische gespreksleider.
Deze respondenten wonen tussen de een en vijf jaar in Nederland. Ze zijn positief over Rotterdam, maar de mate waarin zij zich hier echt thuis voelen is verschillend. Degenen die hier wat langer zijn en de taal beheersen voelen zich meer thuis dan degene die hier net een jaar is en nog niet zoveel contacten heeft. Ze benadrukken allemaal het belang van het leren van de taal om te integreren in de Nederlandse maatschappij. Rotterdammers zonder migratieachtergrond Er zijn twee groepsgesprekken gehouden met Rotterdammers zonder migratieachtergrond. Aan de groep lager tot middelbaar opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond namen zes respondenten deel. Het ging om vier mannen en twee vrouwen verdeeld over de verschillende leeftijdscategorieën. Twee respondenten waren onder de 27. Verder zaten er twee dertigers, een veertiger, en een zestigplusser in de groep. De respondenten is deze groep hadden doorgaans contact met mensen met allerlei etnische achtergronden via het werk dat ze deden en/of de wijk waar ze woonden.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
10
De groep hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond bestond uit vier mannen en twee vrouwen. Deze groep was gemiddeld ouder: twee respondenten waren twintigers, drie tussen de 50 en 60 jaar en een van hen ouder dan 60. In deze groep was er meer verschil tussen de respondenten in de mate waarin ze contact hadden met diverse groepen mensen. Een deel gaf aan door de keuze van studie, buurt, werk en hobby’s toch vooral in witte kringen te verkeren, terwijl een ander deel juist erg actief betrokken is bij multiculturele initiatieven of in een heel multiculturele buurt woont. Beide groepen zijn behoorlijk tolerant naar de multiculturele samenleving en noemen dat ook wel typisch Rotterdams. In deze groepen is ook besproken hoe de respondenten het ervaren om tot een minderheid te gaan behoren in de superdiverse stad. Rotterdammers met een Joodse achtergrond Aan deze groep namen zes respondenten deel, drie mannen en drie vrouwen. Zij waren alle zes hoger opgeleid. Deze groep was gemiddeld het oudst: drie van hen waren veertigers, een was een vijftiger en twee waren zestigplussers. Twee van hen vormden een stel. Een van de deelnemers is geëmigreerd uit een Westers land en sinds jaren woonachtig in Rotterdam. De andere bewoners hebben een lange woongeschiedenis in de stad, vaak woont de familie al generaties in Rotterdam.
Een aantal deelnemers kende elkaar vanuit de joodse gemeenschap. De deelnemers in deze groep geven aan van Rotterdam te houden en zich met de stad verbonden te voelen. Zij kunnen genieten van de multiculturele sfeer, maar wijzen ook op negatieve kanten. Zij voelen zich niet overal in de stad vrij om hun joodse identiteit te tonen. Ook vertellen deelnemers hoe zij en anderen in hun omgeving te maken krijgen met antisemitische incidenten, variërend van gescheld tot daadwerkelijk fysiek geweld. Dit levert verdriet en boosheid op en de deelnemers in deze groep voelen zich ondanks hun verbondenheid met de stad steeds minder thuis in Rotterdam. In deze groep is het vertrekken uit de stad of zelfs uit Nederland het onderwerp van gesprek, en in enkele gevallen is daar al navolging aan gegeven.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
11
2
Thuis in Rotterdam 2.1. Inleiding In de focusgroepen begonnen we het gesprek met de vraag of de respondenten zich thuis voelen in de stad, en of zij zich een Rotterdammer voelen. En wat maakt iemand eigenlijk een Rotterdammer, is er iets dat Rotterdammers typeert of verbindt? We beginnen dit hoofdstuk met wat de respondenten van Rotterdam vinden en of ze zich met de stad verbonden voelen. Vervolgens gaan we in op wat volgens hen nu ‘typisch Rotterdams’ is. In de laatste paragraaf beschrijven we wie zich volgens de respondenten Rotterdammer mag noemen: wie horen daarbij?
2.2. Ik hou van Rotterdam! Op de vraag of mensen zich verbonden voelden met Rotterdam ontstond een ware lofzang op de stad. De liefde voor Rotterdam blijkt groot en verreweg de meeste respondenten voelen zich beslist Rotterdammer. Het maakt daarbij niet uit of de respondenten lager of hoger zijn opgeleid, en ook niet of ze wel of geen migratieachtergrond hebben. Uit de antwoorden spreekt veel trots over het wonen in Rotterdam of een Rotterdammer zijn. Een respondent met een Joodse achtergrond zegt hierover: “Ik ben puur Rotterdammer, onze familie woont al honderden jaren in Rotterdam. Mijn ouders hebben ondergedoken gezeten in Rotterdam en in Groningen. Wij hebben altijd in de haven gewerkt. Mijn eigen bedrijf was in Rotterdam gevestigd. Wat voor taal ik ook sprak in het buitenland, ze hoorden altijd dat ik een Rotterdammer was en daar was ik trots op.” Een respondent uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen zegt over zichzelf: “Ik ben echt een nationalist hoor, ik ben echt een Rotterdammert! Nee, ik ben echt die-hard Rotterdam en anti-alles. Ik zou niet ergens anders kunnen wonen.
Ik ben meer mezelf, ik ben socialer, ik kan beter uit mijn woorden komen, ik ben gezelliger als ik met iemand ben uit Rotterdam en ik heb echt het meeste met deze stad.” Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Ik ben ook wel heel erg Rotterdam-georiënteerd. Heel mijn privéleven is gewoon in Rotterdam. En voordat ik bij [organisatie] werkte, was ik gewoon nog nooit in Zwolle geweest of iets dergelijks. Nu moet ik natuurlijk wel, maar in principe hoef je Rotterdam niet uit.” Een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond roemt haar uitzicht: “Dan denk ik: oké, dit is gewoon mijn stad. Ik kan het gewoon zien, terwijl eigenlijk heel Nederland erop afkomt en ik woon er gewoon. Ik heb het gewoon als uitzicht, dus dat is al één voorbeeld waardoor ik mij heel erg verbonden voel met Rotterdam. Maar ook de Willemsbrug en Erasmusbrug. Ik denk dat Rotterdam wel heel mooie bruggen heeft. Ook de kubuswoningen, de grote Rotterdamse markt, de Markthal. Ja, als ik dat gewoon zie, dat heeft gewoon eigenlijk heel Nederland niet.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
12
Dat vindt ook een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Ja. En als je met de auto over de Brienenoord rijdt en je kijkt naar links, dan zie je die skyline en dan gaat je hart toch wel een stukje harder kloppen, denk ik. Heb ik in ieder geval. Dan geniet je gewoon van het uitzicht en dat is hetzelfde als je op de Maasboulevard rijdt en je ziet de Willemsbrug en Erasmusbrug erachter. Ja, dat is gewoon de mooiste stad van Nederland. Van de wereld eigenlijk.” En een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Ik ben er echt wel trots op als ik nu dat… Hoe heet dat ding bij Boijmans? Hoe hebben we hem weer genoemd? Bloempot? Ik fietste er laatst langs en dan krijg ik toch echt een beetje een warm gevoel van kijk, dat hebben wij dan weer, zo'n raar ding. Ja, geweldig!” Het vele water in de stad en de mooie gebouwen worden vaak genoemd. Daarnaast zijn de respondenten trots op: het carnaval, het North Sea Jazz Festival, de marathon van Rotterdam en vele andere evenementen die in Rotterdam worden georganiseerd (bijvoorbeeld het Eurovisie Songfestival), maar ook plaatsen zoals Ahoy en de grote winkelcentra Zuidplein en Alexandrium. En Feyenoord: “Als Feyenoord kampioen wordt, heel de stad komt bij elkaar. Maakt niet uit welke leeftijd, welke cultuur, iedereen viert feest”, aldus een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond.
Bij sommige respondenten gaat de liefde voor de stad zo ver dat ze echt niet langer dan een paar dagen de stad uit willen. Een respondent met een gemengd opleidingsniveau en een migratieachtergrond: “Maar ja, als ik zeg maar een weekendje Amsterdam heb gepland, dan weet ik niet hoe snel ik daar weg moet wezen, omdat ik terug wil naar Rotterdam. Het moet echt niet langer duren dan een weekend! Persoonlijk zou ik daar nooit kunnen wonen, echt nooit. Ik weet niet beter, ik weet écht niet beter! Voor mij is Rotterdam echt gewoon mijn stad.” Een respondent uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen met migratieachtergrond stelt: “Nou, ik voel me best wel heel erg verbonden met Rotterdam. Het is ook als ik bijvoorbeeld een dagje naar het buitenland ga, bijvoorbeeld naar Antwerpen, dat als ik terugkom gewoon een soort van opgelucht ben als ik weer terug ben. Ik houd echt van Rotterdam, ik houd van de mensen om mij heen. Ik voel me gewoon echt goed hier snap je?” Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond heeft dat ook: “Ik heb zelf ook als ik gewoon op vakantie ben of iets, vind ik het hartstikke lekker tot gewoon na drie dagen, (…) en daarna begin ik ook gewoon de stad te missen.” Ook een Syrische statushouder heeft dit gevoel: “Als ik bijvoorbeeld naar Utrecht ga, heb ik het gevoel dat ik terug naar Rotterdam wil.
Ik ben gewend geraakt aan de mensen hier.” Twee respondenten met een migratieachtergrond hebben een tijdje buiten Rotterdam gewoond, maar dat is niet bevallen. Deze respondenten misten de diversiteit van de Rotterdamse wijken. De eerste, een dame van middelbare leeftijd met een Surinaamse achtergrond uit de groep met een gemengd opleidingsniveau: “Ik ben een tijdje weggeweest. Ik ben naar Berkel gegaan, Berkel en Rodenrijs, en ik ben weer gauw teruggekomen.” Ook het nieuwe gedeelte van Zuid beviel haar niet: “Nou, ik heb een jaartje op Zuid gewoond, ik zat te janken! Daar voelde ik me niet geaccepteerd. Maar ja, dat was een nieuwe wijk. Een nieuw blok. Dat waren yuppen en die groeten niet. In het centrum, iedereen groet mekaar. En daar in die blokken, ik wist niet eens wie m'n buurman was.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
13
Een andere respondent uit de groep reageert daarop met: “Rotterdam-Zuid hoef ik ook niet. Rotterdam-West, het centrum, Noord, daar is het leven.” Eerstgenoemde respondent vindt dat het nu wel beter wordt op Zuid: “Weet je wat het is met Rotterdam-Zuid? Daar woonden vroeger dus echt Brabanders, Zeeuwen, die woonden daar. Dat was een heel ander slag volk dan de mensen die aan deze kant van het water woonden. (…) Maar de mensen van Zuid zijn nou gewoner hoor. Gemixt.” De tweede respondent die een tijdje buiten Rotterdam woonde is een vrouw met een Marokkaanse achtergrond uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen. Ze had een mooie woning gevonden in Capelle, maar kon daar haar draai niet vinden. Ze had al voor het huis getekend en een maand huur en administratiekosten betaald, maar besloot alsnog in Rotterdam te blijven. Ze zegt over Capelle: “Maar ja, er zijn natuurlijk ook bepaalde groepen. Ja, wat moet ik zeggen? Ik kan er niet zoveel positiefs over kwijt eigenlijk. (..) ik draag natuurlijk best wel lange kleren en er wordt best weleens wat gezegd door een bepaalde groep mensen. En ja, dat is gewoon de minder leuke kant. Dus ja, ik kan er natuurlijk heel veel positiefs over zeggen, maar wat Rotterdam positief maakt zijn toch de buitenlanders.
De buitenlanders maken Rotterdam toch echt tot Rotterdam.” Slechts twee respondenten geven expliciet aan geen innige band met Rotterdam te voelen. De ene, een respondent uit de groep lager tot middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond, zegt daarover: “Ik voel me niet echt verbonden aan – dan zeg ik weer Nederland, aan Rotterdam. En dat is gewoon iets persoonlijks. Met het weer, dan wil je toch liever naar je eigen land. Dat is het enige. En soms met het racisme, dat je je soms niet verbonden voelt als iemand met een andere etniciteit.” Een tweede respondent, uit de groep lager tot middelbaar opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond, voelt zich prima in Rotterdam maar ervaart geen enorm sterke binding: “Nou ja, ik heb helemaal niet zo'n sterk gevoel met de stad als de rest dat heeft blijkbaar. Het is voor mij gewoon de stad waar ik woon. En dat is niet per se… Mijn vrienden komen ook van overal en nergens.” Ten slotte nemen de statushouders uit Syrië wat dit onderwerp betreft een andere positie in. Zij geven aan zich nog niet helemaal thuis te voelen en dat heeft te maken met het feit dat ze er nog niet zo lang wonen. Eén van hen zegt: “Ik heb nog geen ervaring met Nederlandse mensen, dus zou ik het niet weten. Ik woon hier pas een jaar, dus het is moeilijk om te zeggen of ik me thuis voel of niet. Dus dat gevoel is er in elk geval nog niet.
Ik zou me wel thuis voelen als ik de taal goed spreek, als ik hier voor langere tijd woon, als ik een baan heb als verpleegkundige – want ik heb mijn diploma meegenomen – ook dat ik mijn weg kan vinden.” Een statushouder die inmiddels vijf jaar in Rotterdam woont beaamt dat het beter wordt: “Ik woon al vijf jaar hier in Rotterdam. Dat gevoel was niet meteen zo, het was zoals elke persoon die op een vreemde plek terecht komt. Maar met de loop van de tijd is mijn gevoel veranderd en ik voel me erg thuis in Rotterdam, omdat ik dat ook wilde. Ik wilde met mensen in aanraking komen en de cultuur leren kennen.” Eén van de statushouders voelt zich wel thuis in Nederland:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
14
“Ik ben heel blij dat ik naar Nederland kwam. Als ik bijvoorbeeld naar andere landen ga dan krijg ik het gevoel dat ik terug wil gaan. En op het moment dat ik de Nederlandse grenzen oversteek word ik meer ontspannen.” Een andere respondent merkt daarbij op dat ze hun moederland niet kunnen vergeten: “We zijn een emotioneel volk en er zijn nog gevoelens naar ons land. We houden onze identiteit en cultuur. En we proberen een goed beeld te geven. We integreren hier, maar zonder onze oorsprong te vergeten.”
2.3. Typisch Rotterdams We vroegen de respondenten wat Rotterdammers typeert. Ook daar zijn de respondenten, ongeacht hun achtergrond, vrij eensgezind over. In alle focusgroepen worden dezelfde karakteristieken genoemd. Ten eerste zijn Rotterdammers behulpzaam en sociaal, ze staan voor elkaar klaar. In Rotterdam zal het niet gauw gebeuren dat iemand valt en geen hulp krijgt, of een oude vrouw een zware tas moet tillen. Een lager of middelbaar opgeleide vrouw met een Marokkaanse achtergrond: “Ik zie sowieso best wel veel verschillen, sowieso qua persoon, qua cultuur en qua persoonlijkheid verschillen de mensen. Maar ik denk uiteindelijk hebben heel veel Rotterdammers toch wel een beetje hetzelfde karakter. Dat behulpzame, dat sociale, dat spontane. Ik denk dat dat echt wel karaktereigenschappen zijn die haast wel in iedere Rotterdammer zitten, naast sowieso wel de persoonlijke verschillen.” Twee andere respondenten uit deze groep beamen dat. De één zegt: “Als iemand het zwaar heeft, dan word je 100% gewoon geholpen. Dat is gewoon wat mensen met normen en waarden hebben meegekregen uit hunzelf. Want dat maakt Rotterdam Rotterdam.
Dat iedereen voor elkaar klaarstaat.” En de ander: “Ik stond twee weken geleden bijvoorbeeld met pech op de weg en ik hoefde niemand te vragen: kan je me helpen? Ze kwamen zelf naar mij toe snap je? Niet iedereen is zo, maar de meeste Rotterdammers zijn best behulpzaam, aardig.” Ten tweede zijn Rotterdammers recht door zee. Een respondent uit de groep met een gemengd opleidingsniveau en een Colombiaanse achtergrond vindt dat wel fijn: “Ik vind dat Rotterdammers, die hebben hun hart op de tong, dus je merkt gelijk als ze iets niet prettig vinden. Dan zullen ze het toch wel snel laten merken. Dus dan weet je ook gelijk: oh, hier heb ik wat aan of hier kan ik niks mee. Ja, ook al is het niet in jouw straatje, je kan er in ieder geval wel over praten. Je komt er niet na een jaar achter: oh, hij dacht er zo over of zo.” Een lager of middelbaar opgeleide vrouw met een migratieachtergrond, die eerder aangaf nooit ergens anders te kunnen wonen: “En weet je, een beetje dat zweverige dat hebben wij Rotterdammers niet. Wij staan gewoon met beide poten op de grond zal ik maar zeggen. En wij zijn gewoon heel erg nuchter en helder.” Een lager of middelbaar opgeleide respondent zonder migratieachtergrond typeert de Rotterdammer als “recht door zee en niet achter je ellebogen” en “Rotterdammers zijn allemaal straight on, rechttoe en eerlijk. De echte
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
15
Rotterdammer!”. Twee andere respondenten zonder migratieachtergrond denken dat niet iedereen buiten Rotterdam daar even gecharmeerd van is. Een lager of middelbaar opgeleide respondent: “Ik onderstreep dat wel, want ik werk in het hele land en je merkt ook dat als mensen vanuit andere regio's bij ons op kantoor komen, dat ze soms zelfs wel aan de directe cultuur moeten wennen. En ik merk ook dat dat in andere delen van Nederland, ja, zijn mensen minder direct. Hier is niemand eigenlijk op zijn mondje gevallen.” En een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Ik denk dat als je het echt over de Rotterdammer in het algemeen hebt, ik vind dat we over het algemeen heel erg direct zijn. En dat hoor ik ook vaak van mensen terug. Van ‘nou, je neemt niet echt een blad voor je mond en je bent niet altijd even genuanceerd in je uitspraken.’” Daarnaast worden Rotterdammers volgens enkele respondenten zonder migratieachtergrond beslist getypeerd door de ‘niet lullen maar poetsen’-mentaliteit. Een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond stelt bijvoorbeeld: “Tenminste, (…) ik denk dat dat wel slaat op veel Rotterdammers die ik ken, die gewoon eigenlijk altijd doorgaan en aan onzin helemaal niks hebben. Dat is mijn algemene idee.
Handen uit de mouwen en doorgaan en niet al te veel onzin.” Twee respondenten met een lager of middelbare opleiding merken op: “No-nonsense typjes” en “En niet opgeven … Nee! Gewoon doorpakken, gewoon doorgaan en dan werken. Kijk, je kan ontevreden wezen over je leven, dan zal je er wat aan moeten doen. Als Rotterdammer doe je dat dan ook. Je gaat niet bij de pakken neerzitten.” Rotterdammers hebben ook een kenmerkend accent, zo merkt een aantal respondenten op. Ondanks de verschillen in cultuur en leeftijd pikt één van de lager of middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond de Rotterdammer er zo uit: “Ik merk meteen een grote overeenkomst als ik buiten Rotterdam kom en ik ben bijvoorbeeld een keer op Scheveningen Strand en ik ga ergens een drankje doen en je hebt alleen maar Hagenezen. En laten we zeggen, er zit iemand die uit Rotterdam komt, dan valt dat meteen op en dat herken je wel meteen. Dus als overeenkomst vind ik de communicatie, het accent en de manier waarop we praten. De duidelijke taalfouten die we maken die eigenlijk helemaal niet kloppen. De natte -t, weet je: ik ga op m'n brommert, op m'n scootert. En ja, dat is toch wel echt iets wat Rotterdams is. En dat doet een Turkse of Marokkaanse man van 70 ook en dat doet een jonge jongen van 20 ook, dus dat is wel een grote overeenkomst.
En ik denk dat dat ons ook met elkaar verbindt.” Tenslotte wordt in verschillende groepen opgemerkt dat Rotterdammers gewend zijn aan diversiteit. In alle vier de groepen respondenten met een migratieachtergrond benoemen veel respondenten dat kunnen leven tussen mensen van verschillende komaf kenmerkend is voor de Rotterdammer. Ze ervaren een mix van culturen om zich heen en gedijen daar wel bij. Een jongere met een migratieachtergrond denkt dat ‘sociaal zijn en diversiteit’ Rotterdammers bindt. Juist omdat ze allemaal anders zijn, zijn Rotterdammers volgens hem meer geneigd om elkaar te helpen en accepteren. Een Syrische statushouder vindt dat de overeenkomst tussen Rotterdammers is “dat ze allemaal in aanraking komen met aan andere culturen en dat de meesten van hen de verschillen respecteren”. Het is echter niet duidelijk of alle respondenten met een migratieachtergrond de Nederlanders zonder migratieachtergrond daar ook toe rekenen. Uit sommige uitspraken (zie ook hoofdstuk 4) lijkt het alsof respondenten onderscheid maken tussen ‘wij alle mensen met een migratieachtergrond’ en ‘de Nederlanders’.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
16
Ook door respondenten zonder migratieachtergrond wordt het samenleven in de superdiverse stad genoemd als iets dat typisch Rotterdams is. Een lager of middelbaar opgeleide respondent: “Ik denk dat wij wel heel uniek zijn met zoveel verschillende nationaliteiten binnen onze stad, die hier echt wonen, want op mijn middelbare school zaten al, geloof ik, vijftig verschillende nationaliteiten. Dus dat zegt, denk ik, wel iets over de stad, dat wij gewoon… Ja, dan zijn we daarin wel een wereldstad.” En een hoger opgeleide respondent: “Want wat ik het meest Rotterdams vind, juist omdat we zo een multiculti stad zijn, vind ik de Rotterdammer over het algemeen tolerant, geïnteresseerd in anderen”. Een andere hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond vindt de tolerantie juist wat tegenvallen: “Er werd net ook tolerantie genoemd en dat zou ik niet zo direct Rotterdams noemen. Ik mis dat eigenlijk wel een beetje, tolerantie. En juist omdat er zo direct op elkaar gereageerd wordt, is er ook nooit, of tenminste nooit, is er wat minder ruimte misschien om toch jezelf te zijn. Misschien mag ik het niet zeggen, maar als ik in Amsterdam ben, dan voel ik mij toch meer wereldburger dan in Rotterdam.
En in Rotterdam heb ik toch wel het gevoel dat iedereen een beetje in zijn eigen groepje leeft en dat er bijvoorbeeld minder ruimte is voor homoseksualiteit.” Deze respondent wijst ook op de verkiezingsuitslag in Rotterdam-Zuid “waar twee partijen (LPF en Denk) die toch wel ook heel veel mensen uitsluiten dan echt de grootste partijen worden, dat zegt wel veel over wat mij betreft ook gebrek aan tolerantie juist.” Hij geeft ook aan dat Rotterdam zich weliswaar profileert als inclusieve stad maar dat arme mensen ondertussen de stad uit worden gejaagd: “Soms heb ik het idee dat ik in een soort marketingcampagne loop of zo. Weet je wel, dat Rotterdamse beeld, juist dat ‘niet lullen maar poetsen', dat staat tegenwoordig op elke reclamebord door de gemeente neergezet en men is heel erg trots op dat imago van ‘deze stad hebben we samen opgebouwd’. Rotterdam Make It Happen, dat lees je een paar keer per dag. Maar tegelijkertijd draagt dat hele marketingwezen bij aan een soort stad die steeds minder toegankelijk wordt. Ik ging laatst een limonade drinken met mijn vriendin en die limonade was 4,50! En ik viel haast van mijn stoel! Dan denk ik van ja, zo inclusief vind ik dat helemaal niet. Dus als ik een verschil moet noemen, dan is het niet zwart-wit, maar dan is het echt arm-rijk, dat ik momenteel zie.”
2.4. Wanneer ben je een Rotterdammer? Vervolgens werd aan de respondenten gevraagd wanneer zij iemand tot Rotterdammer rekenen. De respondenten geven uiteenlopende meningen. Sommigen geven aan dat iedereen die van de stad houdt en zich een Rotterdammer voelt zich een Rotterdammer mag noemen. Het maakt daarbij niet uit hoelang je er woont en of je er nog wel woont. “En of je daar nou drie jaar woont of heel je leven, dat maakt niet uit. Het is hoe je je voelt, en als je je fijn voelt, dan ben je gewoon Rotterdammer”, aldus een gemengd opgeleide respondent met een migratieachtergrond. Een andere respondent, uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond, is het daar mee eens: “Stel dat je bijvoorbeeld opgegroeid bent in Rotterdam, al is het maar twee jaar hè, en je gaat ergens anders wonen en je voelt je echt in je hart gewoon Rotterdammer, dan ben je voor mijn gevoel gewoon een Rotterdammer.” Een hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond: “Ik denk niet dat je per se in Rotterdam hoeft te wonen om je een Rotterdammer te voelen. En ik denk ook niet dat er ‘een Rotterdammer’ bestaat”. Een Syrische statushouder: “Ik voel me een Rotterdammer, ik zie geen verschil tussen mij en de anderen. Toen ik eerst naar Rotterdam kwam, had ik het gevoel dat ik een buitenlander was.
Maar na een tijdje kreeg ik het gevoel van thuis voelen.” Als voorbeelden worden ook mensen die decennia in de haven werken maar net buiten Rotterdam wonen of mensen die naar een omliggende gemeente zijn verhuisd genoemd: zij kunnen zich gerust Rotterdammer noemen.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
17
Een enkeling is wat strikter in de leer en vindt dat je in Rotterdam geboren en getogen moet zijn, of ten minste je vormende jaren (kindertijd en puberteit) in de stad moet hebben doorgebracht. Deze respondenten associëren een Rotterdammer zijn vooral met de stad goed kennen. Twee respondenten uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen zeggen daarover: “Oké, als je geboren bent, opgegroeid, als je de eerste vijftien jaar, dan heb je toch wel veel van de wijk, van de plaats mee. Dat is echt meer de leeftijd qua ontdekken (…). Want dan ben je ook het meest buiten, denk ik. In de jongere jaren ga je toch wel vaak rondjes en dan kom je vrienden tegen en dan ga je naar de buurten waar die vrienden wonen.” En: “Als je echt een tour kan geven aan iemand die van buiten komt. Dat je de weg weet en alles. Ja, je moet eigenlijk alles weten van Rotterdam, ook van de bombardementen vroeger.” Twee respondenten met een migratieachtergrond vinden dat een Rotterdammer verschillende identiteiten moet kunnen integreren en moet kunnen leven met de diversiteit in de stad. Een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond: “Ik ben ook Rotterdammer, ik ben ook een Surinamer en ik ben ook een Ghanees. En waarom ben ik dat? Omdat ik er woon en leef.
En kijk, als je in staat bent om je de Rotterdamse cultuur eigen te maken of waar je ook bent, dan kun je er leven.” Een lager of middelbaar opgeleide vrouw met een migratieachtergrond: “Nou, ik ben pas drie jaar een Rotterdammer, maar ik voel me een Rotterdammer omdat ik vind als je best wel goed kan omgaan met verschillende etnische groepen, dat je een echte Rotterdammer bent.” Een andere vrouw uit deze groep vindt dat je je een Rotterdammer mag noemen “als je een positieve bijdrage levert aan het vormen van de stad en een bijdrage levert aan bijvoorbeeld de economie, de netheid, de orde. Als je betrokken bent met bijvoorbeeld je eigen wijk”. We zien dus dat bewoners met een migratieachtergrond zichzelf aanduiden als Rotterdammer, maar zien respondenten zonder migratieachtergrond hen ook zo? In de groep hoger opgeleide respondenten zonder migratieachtergrond ontstaat hier een discussie over wanneer een respondent aangeeft contact te hebben met allerlei soorten mensen “of dat dan Rotterdams is of allochtoon, dat is om het even eigenlijk”. De gespreksleider vraagt haar daarop of iemand met een migratieachtergrond dan niet als een Rotterdammer ziet. De respondent steekt de hand in eigen boezem: “Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik de allochtone mensen niet als Rotterdammers zag destijds. Ja.
Ik word nu een beetje met mijn neus op de feiten gedrukt, omdat mijn jongste zoon zijn verloofde, die heeft Kaapverdiaanse ouders, maar die komt uit Rotterdam en die staat er dus ook op dat ze Rotterdamse is. Dus daar word ik wel mee geconfronteerd. Geconfronteerd is een groot woord, maar dat hoor ik wel regelmatig dat zij er een hekel aan heeft als mensen zeggen van ‘jij bent toch Kaapverdiaans’. Dan zegt ze: ‘nee, ik ben Rotterdams.’” Een andere respondent uit deze groep reageert hierop met: “Ik geef Nederlandse les aan anderstaligen, volwassenen voornamelijk. En ik merk daarbij dat zij zich over het algemeen ook wel heel erg Rotterdammer voelen. En zij vinden het ook echt wel vervelend als anderen hen alleen maar zien als Turks of Marokkaans of waar ze dan ook vandaan komen, zij willen ook heel graag Rotterdammers zijn en zo gezien worden.”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
18
De gespreksleider vraagt daarop of mensen met een migratieachtergrond uit bijvoorbeeld Polen ook als migranten of allochtonen worden gezien. Daarop antwoordt een derde respondent: “Nou, dat wordt vaak niet als allochtoon gezien binnen Rotterdam. Nee. Nee, er wordt al gauw een plakker opgeplakt van of je bent Turks of je bent Marokkaans of je bent Surinaams, Antilliaans of zo. En dan houdt het wel op, maar Chinezen zijn oké, want die werken hard en die hebben lekker eten. En Koreanen zijn allemaal hoogbegaafd en spelen op een harp. En nou ja, ik weet het ook niet, maar dat zijn de oordelen inderdaad.” Het lijkt erop dat de respondenten zonder migratieachtergrond wisselend over dit thema denken. Een aantal van hen ziet Rotterdammers met een migratieachtergrond als immigranten, ook als ze weten dat zij in de stad Rotterdam zijn opgegroeid.
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
19
3
Jezelf kunnen zijn in Rotterdam 3.1. Inleiding Vrijwel alle respondenten voelen zich thuis in Rotterdam en verbonden met de stad. Betekent dit ook dat zij altijd zichzelf kunnen zijn en hun leven kunnen leiden zoals zij dat willen? Daarover gaat dit hoofdstuk. In de gesprekken komt naar voren dat jezelf zijn niet voor iedere Rotterdammer vanzelfsprekend is. Dit is vooral het geval voor mensen met een joodse of LHBTI-achtergrond. De specifieke situatie van deze Rotterdammers beschrijven we in aparte paragrafen (§3.3 en §3.4). We gaan eerst in op de situatie van de andere respondenten.
3.2. Ruimte om naar eigen inzicht je leven te leven De meeste respondenten voelen de ruimte om ongehinderd hun leven in te richten zoals ze zelf willen. Een hoger opgeleide respondent met een migratieachtergrond zegt hierover: “Ja, ik kan natuurlijk niet voor andere mensen praten, maar voor mij persoonlijk: ja, ik kan volledig mezelf zijn, m'n eigen leven invullen zoals ik dat wil in de stad Rotterdam. En ik voel die vrijheid ook volledig.” Drie andere respondenten uit deze groep beamen dat: “Voor mij is er hetzelfde antwoord, ik heb niet echt het idee dat ik me in enige wijze zou moeten beperken tot iets.” en “Voor mij hetzelfde.” en “Ik ook hoor, ik voel me echt thuis en geaccepteerd. Ik heb geen rare dingen meegemaakt denk ik.” Ook onder de lager en middelbaar opgeleide respondenten met een migratieachtergrond overheerst dat gevoel: “Ik denk dat Nederland wel open is en Rotterdam is best wel vrij is. Ja, Nederland in het algemeen is wel vrij en open. Ik denk dat je best wel je ding kan doen, maakt niet uit waar je bent eigenlijk in Nederland,” aldus een lager of middelbaar opgeleide vrouw met een migratieachtergrond. Een Syrische statushouder denkt dat ook: “Hier in Rotterdam accepteren mensen elkaar en je kunt je eigen rituelen doen zonder dat iemand jou stoort.” Er zijn natuurlijk wel grenzen maar dat vinden de respondenten normaal.
Een respondent uit de groep lager en middelbaar opgeleide vrouwen met een migratieachtergrond: “Ja, het is best wel dat je kan leven hoe je wilt, vind ik. Soms moet je wel rekening houden – wij Surinamers houden bijvoorbeeld van feestjes geven. En in bepaalde buurten op bepaalde tijdstippen kan het niet. Dus dat eigenlijk, maar verder kan je wel leven zoals je wil, ja.” Een Syrische statushouder zegt dat mensen zich niet met je bemoeien zolang je niet iets doet wat niet de bedoeling is. Als iets niet mag en je weet dat niet, dan krijg je het wel te horen: “Bijvoorbeeld als ik de supermarkt binnenkom met een alcohol fles dan zou de Nederlander wel zeggen van ‘hee dat is niet toegestaan.’”
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
20
Een respondent uit de groep met een gemengd opleidingsniveau vindt dat haar islamitische, gelovige ouders “wel hun vrijheid krijgen om hun geloof te uiten en ook om hun cultuur te uiten. Dus ja, ik denk wel dat iedereen hier de vrijheid wel krijgt om te doen en laten wat die zelf wil zeg maar, maar wel binnen bepaalde grenzen natuurlijk.” Een Syrische statushouder is nog wat op zoek naar zijn weg hierin: “In het begin toen ik naar Nederland kwam, als mijn baard een beetje groeide was ik bang en vroeg me af hoe mensen mij zien. Gaan ze mij accepteren of gaan ze bang voor me zijn. Maar nu doe ik het gewoon zonder dat gevoel te krijgen. Maar ik heb wel het gevoel dat ze liever mensen zonder baard hebben. Maar niemand kan tegen jou iets zeggen. Ik ben niet helemaal geaccepteerd, wel half-half.” Ook de respondenten zonder migratieachtergrond voelen de ruimte om hun leven te leven. Een lager of middelbaar opgeleide respondent zegt daarover: “Ik denk dat het ook wel het voordeel is van een grote stad, dat je ook gewoon je eigen vrienden kan zoeken en je eigen gelegenheden. Je hoeft niet per se naar hetzelfde toe en iedereen kan zijn eigen ding doen. Ik denk dat daar vooral het verschil in zit.” In de groep hoger opgeleide respondenten wordt wel naar voren gebracht dat het nafluiten en naroepen van met name jonge vrouwen wel irritante vormen aanneemt in bepaalde wijken.
Zo zegt een mannelijke respondent: “Ik hoor wel van bijvoorbeeld vriendinnen – we gaan wel eens hardlopen door Rotterdam-Zuid, maar dat durven ze niet in hun eentje te doen. Ze worden daar wel nageroepen, als je een vrouw bent van mijn leeftijd, dat gebeurt gewoon en ze geven ook wel aan dat het voornamelijk wordt gedaan door mensen met een migratieachtergrond.” Een andere man uit deze groep herkent dit. Hij traint net als een vriendin voor een hardloopwedstrijd: “We gingen afzonderlijk van elkaar trainen. En ik kan als jongen gewoon trainen wat ik wil en zij is misschien wel vijf keer nagefloten, nagesist, nageroepen, tot het moment dat ze gewoon achter die jongens is aangerend en ze de huid vol heeft gescholden, omdat ze het gewoon echt zat was. Nou ja, zij en ik, allebei, doen ons best om de multiculturaliteit als een verrijking te zien, maar ze moest ook toegeven dat het vijf van de vijf keer toch mensen met een andere cultuur waren die haar nafloten. En ja, misschien is het gewoon ook een heel ander waardesysteem. Dat zij dat bijvoorbeeld niet vervelend bedoelen, maar het wordt wel als vervelend ervaren. Je wordt toch geseksualiseerd en je wilt gewoon niet de hele dag aan seks denken, zeker niet als je gewoon aan het hardlopen bent. Het is warm, dus dat doe je in een korte broek.
En je wilt gewoon niet geseksualiseerd worden.” Een vrouwelijke respondent bevestigt dit: “Ja. Ik heb ook wel als jonge, blonde vrouw wel wat meer meegemaakt dan alleen maar naroepen. En echt betasten en dat soort dingen. Ja, dus ik was heel lang op mijn hoede. Dat verdwijnt wel als je wat ouder wordt, dan laten ze je links liggen, maar dat maakt het niet minder erg.” Daarna verzucht ze: “Al mijn vriendinnen hebben jonge meiden, tienerdochters, en daar kijk ik wel eens naar van ‘o god, ik ben toch blij dat ik die meiden niet heb’, want ik zou mij echt geen raad weten.” Opvallend is dat respondenten zonder migratieachtergrond vooral denken dat andere groepen Rotterdammers hun leven niet kunnen leven zoals zij willen. Zo denkt een lager of middelbaar opgeleide respondent dat vluchtelingen wel op eieren zullen lopen, omdat de ‘gewone’ Rotterdammer zich minder ondersteund voelt. Er zou daarom weerstand tegen statushouders zijn. Een hoger opgeleide respondent zegt hierover:
Rapportage: ‘Samenleven in de superdiverse stad’
21
“Ik kan volledig doen en laten wat ik wil, maar ik realiseer mij ook wel dat ik in een bevoorrechte positie zit en dat er heel veel mensen zijn die dat niet kunnen,” Een andere hoger opgeleide respondent zonder migratieachtergrond beaamt dit: “Ik ben gescheiden en ik woon hier en ik doe wat ik wil en ik werk waar ik wil. Mijn buurvrouw is ook gescheiden, is Marokkaans en nou, die komt de deur niet uit. En dat doet ze deels zelf, maar ook deels omdat er toch een grote sociale controle is en ze gewoon de mogelijkheden niet heeft en het ook niet ziet of niet… Ja. Die horizon heeft zij niet.” Deze kanttekening plaatst ook een lager of middelbaar opgeleide vrouw met een Marokkaanse achtergrond: “Kijk, we praten over Rotterdam en Nederland dan zeg ik: ja, je kan doen wat je wil. Maar praat ik nou over bepaalde geloven of bepaalde culturen, dan kan dat niet. Kijk, ik kan het wel als ik dat wil, want je moet gewoon schijt aan hen hebben en dan moet het mij niet boeien wat zij zeggen, maar als ik dan naar mijn geloof en zo kijk, dan kan ik niet alles wat ik wil. Maar als ik dan kijk naar Rotterdam en Nederland, ja ik denk dat je in principe wel kan leven hoe je zou willen leven.” Een ander opvallend thema dat naar voren wordt gebracht betreft de relatie tussen kunnen leven zoals je wilt leven en de financiële middelen daarvoor hebben.