21bb7938 Bijlage 1 behorende bij 21bb7937 - ontwerp De Drukkerij inclusief verbeelding
Tekst van het document
5.4.2
Grondwater
De ontwateringsdiepte is groter dan 80 centimer, waardoor naar verwachting geen problemen ontstaan met de grondwaterstand in het plangebied. Daarnaast vind geen tot nauwelijks extra verharding plaats en vindt parkeren plaats op het maaiveld (begane grond) en op de verdiepingen (parkeerdek). Hiervoor hoeft niet in de grond te worden geroerd. Slechts ten aanzien vanuit de bouwwerkzaamheden en een liftbak (tot diep onder NAP) wordt in de grond gewerkt. Dit heeft naar verwachting geen grote gevolgen voor de grondwaterstand. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de waterkeringen van dijkring 14 (Zuid-Holland). Deze dijkring heeft een beschermingsniveau van 1/10.000 jaar. Dit houdt in dat de keringen bescherming bieden tegen het extreme hoogwaterpeil dat gemiddeld genomen eens in de 10.000 jaar voorkomt.
5.5
Conclusie water
Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
28
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Bedrijven en milieuzonering
6.2.1
Inleiding
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
29
tabel 6.1 richtafstanden bedrijven en milieuzonering
In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking.
De gemeente Rotterdam bestemt in bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.2.2
Plangebied
Er is onderzoek gedaan naar het omgevingsgeluid rondom het plangebied (Bijlage 4). Het plangebied is gelegen in gebied met verschillende functies, van winkels, scholen tot woningen. Het gebied kan daarmee getypeerd worden als een gemengd gebied. Dit betekent dat de afstanden in tabel 6.1 met één afstandstap verlaagd kunnen worden.
30
Figuur 6.1 Uitsnede vigerend bestemmingsplan, plangebied rood omlijnd
Er zijn verschillende functies rondom de projectlocatie onderzocht. De onderzochte functies zijn in onderstaande afbeelding weergegeven. De projectlocatie is hierin rood gearceerd.
Figuur 6.2 Uitsnede omgeving projectlocatie, onderzochte functies in kleur weergegeven
31
Figuur 6.3 Richtafstanden in relatie tot gevels en perceelgrens nieuwbouwplan (bron: Bijlage 4)
Bij het plangebied is vanaf de gevel van de woningen op circa 7 meter afstand de grens van de maatschappelijke voorzieningen gelegen. De afstand tot de perceelsgrens van het nieuwbouwplan bedraagt circa 5,5 meter. De maatschappelijk voorziening (op figuur 6.2 met blauw aangeduid) is gelegen tussen de Jaap van Hoekplaats, de Merkelbachstraat en de Berlagestraat. Maatschappelijke voorzieningen zijn blijkens het bestemmingsplan voorzieningen van sociale / culturele / medische / educatieve / recreatieve / levensbeschouwelijke aard dan wel ten behoeve van de openbare dienst. In dit geval is er een middelbare school op deze locatie gelegen. Ten zuiden van het plangebied is tevens een woongebouw (op figuur 6.2 met geel aangeduid) op circa 8 meter afstand vanaf de bestemmingsgrens van het plangebied gelegen. Dit gebouw is gelegen aan de Berlagestraat, Henk Speksnijderstraat en de Jaap van der Hoekplaats. Bij het gebouw zijn parkeerplaatsen gelegen. In dit gebouw zijn naast gestapelde woningen, praktijkruimten en op de begane grond in de plint maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Ten overstaan van de gestapelde woningen ten zuiden van het plangebied geldt dat er maatschappelijke voorzieningen in de plint gevestigd kunnen worden met een milieucategorie van 2. Daarnaast zijn praktijkruimten mogelijk met een milieucategorie van 1 (SBI-2008 8621).
Voor de praktijkruimten geldt dat in een gemengd een gebied een richtafstand van 0 meter aangehouden mag worden (10 meter in een rustige woonwijk). Hieraan wordt voldaan. Ten aanzien van de maatschappelijke voorziening dient in een worst case scenario een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied te worden aangehouden. Het woongebouw ligt op circa 8 meter afstand van gevel (tevens bestemmingsgrens) tot de nieuwe gevel van de woningen. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan. Echter geldt in dit geval dat op het moment van het vaststellen van dit bestemmingsplan de milieubelastende activiteit in het woongebouw niet aanwezig is. Het betreft een planologische mogelijkheid dat er maatschappelijke voorzieningen mogelijk zijn. Vanwege het feit dat deze activiteiten slechts in de plint mogelijk zijn, dienen zij al wat betreft het aspect geluid rekening te houden met de woningen die boven op de maatschappelijke voorziening op de verdieping gevestigd zijn. Hierdoor kan gemotiveerd van de richtafstand van 10 meter afgeweken worden. Mogelijk is de afstand gezien de positieve invloed van de constructie, zijnde o.a. de parkeergarage, groter dan 8 meter waardoor er wel wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Ten westen van de projectlocatie is winkelruimte (op figuur 6.2 aangeduid met de paarse kleur) mogelijk. Winkelruimte (SBI-2008 code 47, nr.
A) heeft een milieucategorie van ten hoogste 1, waardoor in een gemengd gebied een richtafstand van 0 meter mag worden aangehouden. Deze locatie is op een grotere afstand gelegen, waardoor aan deze richtafstand wordt voldaan.
32
Ten oosten van de projectlocatie is een andere maatschappelijke voorziening (op figuur 6.2 aangeduid met de oranje kleur) gesitueerd. Dit is een kerkgebouw. Voor een dergelijke activiteit is een milieucategorie van 2 opgenomen (SBI-2008 code 9491) . In een gemengd gebied dient een richtafstand van 10 meter aangehouden te worden. Het kerkgebouw is op circa 28 meter afstand gelegen. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. De school is blijkens de algemene lijst bij de VNG-brochure aangeduid met milieucategorie 2 (SBI-2008 code nr. 852, 8531 Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs). Dit houdt in dat in een gemengd gebied een richtafstand dient te worden aangehouden van 10 meter ten opzichte van de gevel van de woningen. Hieraan wordt niet voldaan. Geluid is in dit kader het meest doorslaggevend aspect dat de overschrijding veroorzaakt. Er is een aanvullend onderzoek naar de geluidbelasting van de middelbare school uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. De resultaten zijn onderstaand integraal weergegeven. Resultaten onderzoek weergeven Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 7 meter van het hek van het schoolplein tot de gevel van de geprojecteerde nieuwbouw.
De nieuw te realiseren woningen zijn deels gelegen binnen de richtafstand van 10 meter, die geldt voor een milieucategorie 2 waartoe de middelbare school behoort.
De VNG-publicatie omschrijft voor de beoordeling van geluidhinder het volgende stappenplan (beknopt samengevat voor de gebiedstypering gemengd gebied): Stap 1 Indien de richtafstanden niet worden overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. Het plan is dan mogelijk. Stap 2 (Vanaf deze stap is een geluidonderzoek noodzakelijk) Indien stap 1 niet toereikend is: Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: o 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); o 70 dB(A) maximale geluidniveaus LAmax (etmaalwaarde);
33
o 50 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Vrijstelling is dan mogelijk. Stap 3 Indien stap 2 niet toereikend is: Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: o 55 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); o 70 dB(A) LAmax (etmaalwaarde); o 65 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Vrijstelling is dan mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 dient de vrijstelling grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd te worden.
Resultaten onderzoek Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt veroorzaakt door stemgeluid, dat op grond van het Activiteitenbesluit van toetsing is uitgezonderd. Dit betekent dat de school als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet belemmerd wordt in haar activiteiten. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect stemgeluid te worden beoordeeld. Uit de toetsing van de berekeningsresultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 53 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan de toetswaarde van 50 dB(A) behorende bij stap 2 van de VNG-publicatie, maar wel aan de toetswaarde van 55 dB(A) behorende bij stap 3 van de VNG-publicatie. De geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) treedt uitsluitend op ter plaatse van de noordgevel van het plan, op (een gedeelte van) de eerste tot en met (een gedeelte van) de zevende bouwlaag. Maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door activiteiten die op grond van het Activiteitenbesluit van toetsing zijn uitgezonderd. Dit betekent dat de school als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet belemmerd wordt in haar activiteiten. Wel dienen in het kader van een goede ruimtelijke ordening deze activiteiten te worden beoordeeld.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het schreeuwen door leerlingen aan de rand van het plein geluidniveaus van ten hoogste LAmax = 83 dB(A) kan veroorzaken. De overige activiteiten veroorzaken geluidniveaus van ten hoogste LAmax = 74 dB(A). De optredende geluidniveaus zijn daarmee hoger dan de toetswaarde van 70 dB(A) zoals opgenomen bij stap 2 en 3 in de VNG-publicatie. De geluidbelasting van meer dan 70 dB(A) treedt uitsluitend op ter plaatse van een gedeelte van de noorden oostgevel van het plan. Voor deze gevels geldt dat de geluidbelasting vanaf de 7e bouwlaag 75 dB(A) of minder bedraagt en vanaf de 12e bouwlaag 70 dB(A) of minder bedraagt. Opgemerkt wordt dat het schreeuwen bij het hek maar zeer beperkt zal gebeuren, terwijl het schreeuwen rond de pannakooi en basketbalpaal vaker zal optreden omdat deze activiteiten schreeuwen en roepen uitlokken. Maatregelen en nadere afweging De optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zijn hoger dan de toetswaarde van stap 2 en de maximale optredende geluidniveaus zijn hoger dan de toetswaarde van stap 3. Dit betekent dat een
34
nadere afweging noodzakelijk is. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk is, maar dat wel maatregelen aan de zijde van de ontvanger mogelijk zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen. Ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omdat: de binnenwaarde van 35 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gewaarborgd is. de binnenwaarde van 55 dB(A) voor het maximale geluidniveau voor de reguliere activiteiten gewaarborgd is. de beoogde doelgroep van de woningen bewoners zijn die overdag, tijdens de activiteiten van de school, niet aanwezig zijn omdat zij aan het werk zijn. alle woningen toegang hebben tot een collectief dakterras aan de geluidsluwe zijde, waardoor bewoners ten alle tijden rustig buiten kunnen zitten. Gelet op het bovenstaande worden geen aanvullende bouwkundige maatregelen toegepast. 6.2.3
Conclusie
Ten aanzien van de school en de mogelijke maatschappelijke voorziening in het woongebouw dient gemotiveerd afgeweken te worden van de richtafstand van 10 meter. Er kan op basis van het bovenstaande afgeweken worden van de richtafstand voor de middelbare school. De maatschappelijke voorziening wordt reeds belemmerd door de woningen op de verdieping. Ten aanzien van de overige activiteiten wordt voldaan aan de richtafstanden. Een goed woon- en leefklimaat blijft gewaarborgd.
6.3
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.3.1
Plangebied
Er heeft reeds op de projectlocatie een drukkerij gezeten. Om deze reden is voor het bouwplan een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkwaliteit te analyseren voor de functie wonen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Arnicon en het onderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. Onderstaand zijn de resultaten integraal weergegeven. Resultaten Er is door Arnicon B.V. een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend asbest in bodemonderzoek conform NEN 5707 ter plaatse van de Jaap van der Hoekplaats 10-20 te Rotterdam uitgevoerd. De locatie, met een oppervlakte van circa 1.646 m , is in gebruik als drukkerij. De aanleiding tot het onderzoek is de geplande sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van een appartementencomplex op deze locatie. Wanneer de drukkerij gesloopt wordt, wordt ook de bestaande betonnen grond vloer gesloopt en verwijderd. 2
Tijdens het veldwerk is gebleken dat in het pand een betonvloer aanwezig is van 25 tot meer dan 50 cm dik. Onder deze vloer en bij de uitpandige boringen blijkt dat de toplaag tot een diepte van 0,5 á 1,0 m mmv hoofdzakelijk uit zand bestaat. De ondergrond bestaat tot de geboorde einddiepte van 3,0 m-mv
35
uit klei. Plaatselijk is onder de kleilaag vanaf 1,0 tot 2,0 m-mv veen aangetroffen. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 1,50 mmv. Bij zintuiglijk onderzoek zijn geen afwijkingen waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat in de bovengrond de achtergrondwaarden voor cadmium, kwik, lood, zink en PCB worden overschreden en in de ondergrond voor PCB. Bij toetsing aan de normen uit het besluit bodemkwaliteit voldoet de grond aan klasse industrie. Verder blijkt dat in de geanalyseerde monsters geen asbest is aangetroffen. In het grondwater wordt de streefwaarde voor barium wordt overschreden. Voor het overige zijn in de grond en in het grondwater geen verontreinigingen aangetroffen.
6.3.2
Conclusie
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging boven het in de bodemkwaliteitskaart vastgelegde achtergrondniveau wordt bevestigd. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming. De aangetoonde gehalten boven de achtergrondwaarden in de boven- en ondergrond worden beschouwd als verhoogde achtergrondwaarden en geven geen aanleiding tot de uitvoering van een nader onderzoek. Verder is er geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde materiaal. Bij het uitvoeren van de (sloop-)werkzaamheden wordt een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit om de bodemkwaliteit onder de betonnen vloer te kwalificeren. Dit laat onverlet dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is wat betreft het aspect bodem.
6.4
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.
36
6.4.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen kerngebieden, geen onderdelen van binnenstedelijke ecologische verbindingen en geen ambitielocaties gelegen. 6.4.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. (Het vervallen van de) Programmatische Aanpak Stikstof In het kader van de Wet natuurbescherming dient ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie te worden beoordeeld. Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn de Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen stikstofgevoelige habitattype voorkomen. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is het PAS komen te vervallen. De PAS mag niet meer als toestemmingsbasis voor activiteiten gebruikt worden. Daarnaast zijn de zogenoemde drempelwaarden vervallen.
Dit heeft tot gevolg dat iedere activiteit met een uitstoot van stikstof in beginsel vergunningplichtig kan zijn. Met een stikstofdepositieberekening wordt inzichtelijk gemaakt of er sprake is van een toename van stikstofdepositie en daardoor mogelijk vergunningplichtig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor deze ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening gemaakt. De berekening is opgenomen in Bijlage 9 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Ten behoeve van de stikstofdepositieberekeningen dient rekening gehouden te worden met de Natura 2000-gebieden rondom de projectlocatie. Nabij de projectlocatie zijn de navolgende Natura 2000-gebieden gesitueerd: 1. 2. 3. 4.
Boezems Kinderdijk Oude Maas Donkse Laagten Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein
Gelegen op circa 8,4 km afstand Gelegen op circa 11,9 km afstand Gelegen op circa 14,7 km afstand Gelegen op circa 15,9 km afstand
Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand gelegen van de beoogde ontwikkeling waar mogelijk nog een bijdrage kan worden berekend. In de volgende figuur is een kaart opgenomen met de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende natuurgebieden.
37
Figuur 6.4.1 Projectlocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden
De AERIUS-calculator 2020 geeft als uitkomst van de berekening dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het aspect stikstof vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de voormalige ecologische hoofdstructuur van het Rijk en de provincies. Het plangebied is niet gelegen in en in de nabijheid van het NNN-gebied. De ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit NNN-gebied. Hiervoor zijn de ontwikkelingen te beperkt van omvang.
6.4.3
Soortenbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
Vanwege de sloop-nieuwbouw van de drukkerij in het plangebied is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd door Buijs Eco Consult B.V. Deze quickscan is als Bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. De resultaten zijn onderstaand integraal weergegeven. Op de locatie zelf zijn over het algemeen, redelijk algemeen voorkomende soorten te verwachten. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze grondgebonden zoogdieren een provinciale vrijstelling. Naast grondgebonden zoogdieren kunnen echter wel vleermuizen en evt. vogels gebruik maken van de bebouwing en omliggende groene omlijsting. Omdat het gebouw in potentie geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen (het pand bevat open stoot- en dilatatievoegen naar de spouwmuur zonder isolatie en doorkruipmogelijkheden tot vermoedelijk onder - in ieder geval gedeelten – van het plat dak) is jaarrond vleermuisonderzoek (conform het vleermuisprotocol 2017) noodzakelijk, om de aanwezigheid/gebruik van vleermuizen vast te kunnen stellen, danwel uit te kunnen sluiten. Hiervoor heeft tijdens de terreininspectie van de quickscan reeds het winterbezoek plaatsgevonden. Hierbij zijn geen aanwijzingen gevonden van een winterverblijfplaats voor vleermuizen. Overige beschermde fauna of beschermde flora zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht.
Opgemerkt wordt dat vanwege het seizoen beschermde soorten nu niet in het gebied kunnen zijn opgemerkt die er op een ander moment wel aanwezig zijn.
38
In de omringende bomen, struweel en in de hedera aan de noordgevel kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Ook zouden op het dak scholekster, stormmeeuw etc. tot broeden kunnen komen. Op basis van de luchtfoto is niet duidelijk te zien welke dakbedekking het pand heeft zodat geschiktheid voor evt. dakbroeders niet geheel valt uit te sluiten. Aangezien de bebouwing geen hellend dak met pannen heeft wordt het in beginsel niet geschikt geacht voor eventueel jaarrond beschermde vogels (huismus en gierzwaluw). Vleermuizenonderzoek Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling is een nader vleermuizen onderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Op de locatie is meermaals de aanwezigheid van drie vleermuissoorten aangetroffen; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De gewone dwergvleermuis is vooral een object/gebouw bewonende soort. Deze soort is tijdens de veldbezoeken in het plangebied niet met een verblijfplaats aangetroffen. De gewone dwergvleermuis is foeragerend op het parkeerplein en met een verblijfplaats ten noorden van het plangebied vastgesteld. Invliegers, uitvliegers en/of zwermen is in het plangebied niet waargenomen. Daarnaast zijn er nog enkele soorten die maar een enkele keer zijn waargenomen; dit zijn de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis (hoofdzakelijke boombewoners).
De te kappen bomen en de bomen in de directe omgeving van het plangebied bevatten geen zichtbare gaten, kieren en scheuren en hierbij zijn geen in- en/of uitvliegers bij waargenomen. Wel worden deze bomen (net als het overig openbaar groen in de directe omgeving) gebruikt als foerageergebied. Bij de voorgenomen kap van twee bomen (van beperkte omvang) gaat geen essentieel foerageergebied of een vliegroute verloren. Paarverblijfsplaatsen (van gewone dwergvleermuis) zijn door middel van baltsroep aangetoond. Op basis van de locatie van de baltsroep in vlucht is, met behulp van het volgen van de vluchten en het fysiek invliegen in een open stootvoeg in het gebouw, de paarverblijfplaats ten noorden van het plangebied aangetoond. Dit is niet waargenomen in de bebouwing van het plangebied. Omdat er geen vaste verblijfplaatsen of andere beschermde functies voor vleermuizen zijn vastgesteld kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden met het in acht nemen van de beschreven mitigerende maatregelen (buiten het kwetsbaar broed/voortplantingsseizoen) zonder verdere beperking worden uitgevoerd. Een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming is hierdoor niet aan de orde. Door de werkzaamheden buiten deze kwetsbare perioden uit te voeren wordt ook invulling gegeven aan het Zorgvuldig handelen principe en wordt verstoring en/of vernietiging van nesten van algemene broedvogels voorkomen.
6.4.4
Conclusie
Beschermde fauna of beschermde flora zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht in het plangebied. Opgemerkt wordt dat vanwege het seizoen beschermde soorten die nu niet in het gebied kunnen zijn op een ander moment wel aanwezig kunnen zijn. Er zijn daarnaast geen vaste verblijfplaatsen of andere beschermde functies voor vleermuizen vastgesteld in het plangebied. Daarmee kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden met het in acht nemen van de beschreven mitigerende maatregelen (buiten het kwetsbaar broed/voortplantingsseizoen) zonder verdere beperking worden uitgevoerd. Een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming is hierdoor niet aan de orde. De projectlocatie ligt niet in of in de nabijheid van het NNN. Daarnaast zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j berekend in het kader van Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
39
6.5
Externe Veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik.
Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico.
Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Relatie tot het bestemmingsplan Voor de beoordeling van de risico's is de landelijke risicokaart geraadpleegd.
40
Figuur 6.3. Uitsnede landelijke risicokaart, plangebied groen omlijnd
6.5.1
Transport gevaarlijke stoffen over weg
Rijksweg A16 Aan de oostkant van het plangebied is de A16 gelegen. Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Plaatsgebonden risico De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg. De veiligheidszone van wegdeel Z54 (Knooppunt Terbregseplein - afrit 25 Rotterdam centrum) is volgens de circulaire basisnet 38 meter van de as van de weg. Binnen deze afstand zijn geen ontwikkeligen gepland en daarmee is het plaatsgebonden risico niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. In de regeling Basisnet is voorgeschreven dat de ontwikkelingen tot 200 meter uit de wegas in de berekening van het groepsrisico moeten worden meegenomen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1050 meter. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de A16. Hierdoor hoeft de ontwikkeling niet meegenomen te worden in de berekening van het groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine.
Deze stoffen hebben een relatief beperkte
41
effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied van dit wegdeel van de A16 voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter. Het plangebied is daar met een afstand van 1050 meter tot de A16 op voldoende afstand gelegen. Rijksweg A20 Ten noorden van het plangebied is de rijksweg A20 gelegen.Over deze in het Basisnet opgenomen Rijksweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Plaatsgebonden risico De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg. De veiligheidszone van wegdeel Z51 (Knp. Terbregseplein - afrit 17 (Nieuwerkerk aan den IJssel) is volgens de circulaire basisnet 32 meter van de as van de weg. Binnen deze afstand zijn geen ontwikkeligen gepland en daarmee is het plaatsgebonden risico niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. In de regeling Basisnet is voorgeschreven dat de ontwikkelingen tot 200 meter uit de wegas in de berekening van het groepsrisico moeten worden meegenomen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1200 meter. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de A20. Hierdoor hoeft de ontwikkeling niet meegenomen te worden in de berekening van het groepsrisico.
Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied van dit wegdeel van de A20 voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter. Het plangebied is daar met een afstand van 1200 meter tot de A20 op voldoende afstand gelegen. 6.5.2
Transport gevaarlijke stoffen over rail
Over de spoorlijn ligt traject 30100 Rotterdam Lombardijen-Breukelen worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Plaatsgebonden risico De veiligheidszone van de spoorlijn ligt 7 meter uit het hart van de spoorbundel. Voor dit bestemmingsplan betekent dit dat 10-6 /jr plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen van dit bestemmingsplan, aangezien het plangebied op circa 1020 meter afstand is gelegen. Groepsrisico Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. Het plangebied is buiten het invloedsgebied van de spoorlijn gelegen. Er dient ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied geen groepsrisicoberekening plaats te vinden. Plasbrandaandachtsgebied Naast het risicobeleid wordt door middel van een plasbrandaandachtgebied ook rekening gehouden te worden met de effecten van een ongeluk met de meest vervoerde gevaarlijke stoffen. Dat zijn de zeer brandbare vloeistoffen, zoals benzine. Deze stoffen hebben een relatief beperkte effectafstand, waarmee bij bouwplannen op een reële manier rekening gehouden kan worden. Het plasbrandaandachtgebied voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30 meter vanaf de rand van het spoor. Het plangebied is niet hierin gelegen.
42
6.5.3
Transport over water
Het plangebied is op circa 4100 meter afstand gelegen van de Maas waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarmee is het plangebied op voldoende afstand van de risicobron gelegen. 6.5.4
Leidingen
Op circa 830 meter afstand is een aardgastransportleiding van GasUnie gelegen. De aardgastransportleiding (nummer W-521-04) is een relevante risicobron met betrekking tot externe veiligheid. Plaatsgebonden risico De 10 -plaatsgebonden risicocontour is berekend op het hart van de leiding. De norm voor het plaatsgebonden risico levert daarom geen beperking op voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. -6
Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico wordt met name bepaald door de afstand van personen tot de risicobron (de aardgastransportleiding) en de (lage) persoonsdichtheid in het gebied aan weerszijde van de risicobron. Gezien de grote afstand tussen de buisleiding en het plangebied wordt aangenomen dat het groepsrisico door de ontwikkeling niet overschreden wordt. Binnen het plangebied bevindt zich geen invloedsgebied van een aardgastransport leiding. 6.5.5
LPG-tankstations
Op circa 1100 meter afstand is een LPG-tankstation gelegen. Vanwege de aanwezigheid van een opslagtank voor LPG en het vulpunt van deze opslagtank is het tankstation een relevante risicobron voor het bestemmingsplan. Plaatsgebonden risico De 10 -plaatsgebonden risicocontouren rond het vulpunt (110 meter), de ondergrondse opslagtank (25 meter) en de afleverzuil (15 meter) van het tankstations zijn op voldoende afstand gelegen, zodat het plaatsgebonden risico geen invloed heeft op de ontwikkeling in het plangebied. -6
Groeprisico De invloedsgebieden groepsrisico van 150 meter rondom het vulpunt en de opslagtank liggen op voldoende afstand van het plangebied, zodat er geen verantwoording van het groepsrisico hoeft plaats te vinden. 6.5.6
Risicovolle inrichtingen
Op circa 830 meter afstand is een gasdruk-regel en meetstation gelegen. Plaatsgebonden risico De 10 -plaatsgebonden risicocontour is berekend op 25 meter. Het plangebied is hier ruim voldoende vandaan gelegen. -6
Het plangebied ondervindt geen belemmering van deze risicovolle inrichting. 6.5.7
Veiligheidsregio Rotterdam en Gasunie
In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening, is het aspect externe veiligheid voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam (VRR) en de Nederlandse Gasunie. De Veiligheidsregio heeft geen relevante externe veiligheidsaspecten tot dit plan geconstateerd. De Nederlandse Gasunie komt tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van het dichtst bij gelegen aardgastransportleiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.
43
6.5.8
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan "De Drukkerij".
6.6
Geluid
6.6.1
Inleiding
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels.
De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen onderwijsgebouwen ziekenhuizen verpleeghuizen verzorgingstehuizen psychiatrische inrichtingen kinderdagverblijven. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Ook dan zal eerst de gevelbelasting bepaald dienen te worden. Langs een (toekomstige) spoor- en verkeersweg en industriegebieden ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde voor woningen bedraagt 48 dB ten aanzien van wegen, 55 dB ten aanzien van spoorwegen en 50 dB ten aanzien van industriegebieden. Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde. De hoogte van deze maximaal toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied.
Voor woningen in stedelijk gebied bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB ten aanzien van wegen en 68 dB ten aanzien van spoorwegen. Voor industriegebieden bedraagt de maximale ontheffingswaarde 55 dB voor geprojecteerde woningen en 60 dB voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen. Indien gevelbelastingen boven deze ontheffingswaarde optreden is een geluidsgevoelige bestemming alleen mogelijk indien deze gevels doof worden uitgevoerd. Een blinde gevel, een dove gevel, een geluidsscherm dat bouwkundig is verbonden met het gebouw en de geluidswalzijde van
44
geluidswalwoningen worden in de Wet geluidhinder namelijk specifiek benoemd als zijnde geen gevel. Op een gevel waarin geen te openen delen, zoals ramen, deuren en ventilatievoorzieningen zitten hoeft vanuit de Wet geluidhinder niet getoetst te worden. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.6.2
Plangebied
Het bestemmingsplan "De Drukkerij" maak het mogelijk dat er woningen komen aan de locatie van de Jaap van der Hoekplaats 10-20. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidsgevoelige objecten worden beschouwd. Onderzoek Ten behoeve van het voorliggend bestemmingsplan is door onderzoeksbureau Buro Bouwfysica een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 4 behorende bij deze toelichting. Wegverkeerslawaai
Alleen vanwege het verkeer op de Berlagestraat is een maximale geluidbelasting berekend van 50 dB op de oostgevel van het laagbouwdeel. Voor alle overige 30 km/uur wegen is de geluidbelasting kleiner of gelijk aan 48 dB. Om een oordeel te kunnen geven over deze geluidbelasting is de normstelling voor gezoneerde wegen toegepast. De voorkeursgrenswaarde wordt derhalve alleen op de oostgevel van het laagbouwdeel beperkt overschreden met 2 dB. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Omdat het een niet-gezoneerde weg betreft, is het vaststellen van hogere waarden niet mogelijk. Omdat de vaststelling van een hogere waarde niet mogelijk is, is formeel geen toetsing aan het geluidbeleid vereist. Uit kwalitatief oogpunt zijn de geluidbelastingen getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid en kan het volgende worden geconcludeerd: Vanwege de beperkte overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en het gegeven dat de oostgevel van het laagbouwdeel in het huidige ontwerp niet voorzien wordt van te openen delen is het niet doelmatig om bron- of overdrachtsmaatregelen te treffen om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De gecumuleerde geluidbelastingen op de gevels waaraan verblijfsruimten zijn gesitueerd, zijn lager dan 53 dB (vermeld met aftrek van art. 110g Wgh).
Alle woningen beschikken derhalve over een geluidluwe zijde.
45
Alle woningen beschikken over een geluidluwe buitenruimte. De wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid vormen derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Goed woon- en leefklimaat geluidproductie middelbare school Op circa 6 meter afstand vanaf de gevel van de te bouwen woningen is de bestemmingsgrens van middelbare school gelegen. Zoals in paragraaf 6.2 als is uiteengezet, wordt wat betreft het aspect geluid niet voldaan aan de minimale richtafstand in het kader van Bedrijven en milieuzonering. Naar de activiteiten van de school is onderzoek gedaan en blijkt dat er voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat. In paragraaf 6.2 zijn de resultaten van het onderzoek nader uiteengezet. 6.6.3
Conclusie
De wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid vormen derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van de geluidbelasting van de school wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
6.7
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse
46
aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. 6.7.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen circa 109 woningen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m ) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan "De Drukkerij" blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 3
Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde. De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. 3
6.7.2
Conclusie
Het bestemmingsplan "De Drukkerij" zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan "De Drukkerij".
6.8
Milieueffectrapportage
6.8.1
Beleidskader
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Het bestemmingsplan "De Drukkerij" maakt 109 woningen mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een activiteit (stadsproject, categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. De ontwikkelmogelijkheden blijven echter ruim onder de drempelwaarde van deze activiteit. Daarom kan (met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
47
6.8.2
Conclusie
De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals een NNN-gebied of een Natura 2000 gebied. Uit onderzoek blijkt dat er geen hoger rekenresulaten dan 0,00 mol/ha/jaar zijn gemeten. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in Hoofdstuk 6 van dit bestemmingsplan. De ontwikkeling is naar aard en omvang geen stedelijk ontwikkelingsproject, omdat de milieurelevantie ten aanzien van de bedrijfsbestemming minder ingrijpend van aard is. Daarnaast is de functie van wonen al veelvuldig aanwezig in het plangebied. Het plan kan daarmee niet worden gekwalificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject ex D 11.2 van het Besluit m.e.r. Op grond van het bovenstaande is het bestemmingsplan "De Drukkerij" niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig.
6.9
Duurzaamheid en energie
Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven. Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. Deze duurzaamheidsambitie is uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaamheid, Rotterdamse Woningkwaliteit (RWK), het Waterplan Rotterdam, Gezond in de stad, de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit (RAL) en het Rotterdam Climate Initiative (RCI). 6.9.1
Duurzaam bouwen
Bij duurzaam bouwen is de insteek om ervoor zorg te dragen dat tijdens de hele kringloop van bouwen, renoveren en beheren van bouwwerken, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het Bouwbesluit geeft aan welk kwaliteitsniveau ten minste is vereist. In Rotterdam geldt daarnaast 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema's: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Een aantal van de duurzaam bouwen maatregelen kan worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen door: de afkoppeling van hemelwater, zodat regen en afvalwater niet in hetzelfde riool terecht komen. Het schone regenwater kan in het gebied zelf worden vastgehouden; geen zink te gebruiken voor bijvoorbeeld dakgoten. Zink heeft de eigenschap uit te logen waarbij neerslag zink oplost in het regenwater. Een alternatief is stalen dakgoten; het gebruik van hout met een milieukeur, bijvoorbeeld FSC. Het keurmerk FSC geeft aan dat het hout uit een goed beheerd bos afkomstig is; de toepassing van waterbesparende maatregelen, bijvoorbeeld een waterbesparende douchekop of een waterbesparend toilet; de toepassing van zonne-energie, zoals een zonneboiler of zonnepanelen; de uitvoering van nieuwe gebouwen met een begroeid dak. 6.9.2