CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb753 Bijlage 1 behorende bij 21bb749 - Goede ruimtelijke onderbouwing Coolsingel 75

Gemeenteraad 18 februari 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. Het voorstel met betrekking tot de afgifte van een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen voor het pand Coolsingel 75.28.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Uit het onderzoek van Peutz en de rapportage geluidwering van gevels van Buro Bouwfysica blijkt dat het hoogst berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de gevel in de nachtperiode 68 dB(A) bedraagt, inclusief 10 dB muziektoeslag. Bij deze woning dient de reductie van de gevel en beglazing ten minste RA = 43 dB(A) te bedragen teneinde te kunnen voldoen aan de grenswaarde voor het binnengeluidniveau van 25 dB(A) in de nachtperiode. Deze gevelreductie is aanzienlijk hoger dan de standaard gevelreductie van de woningen in dit bouwplan, waarvan wordt aangenomen dat die ten minste 30 dB(A) zal bedragen. In de rapportage geluidwering van gevels zijn alle benodigde geluidsisolerende maatregelen gespecificeerd voor de woningen waarbij de standaard gevelreductie onvoldoende is. Deze maatregelen betreffen voor de meeste woningen de toepassing gevelreductie van beter geluidisoleerde beglazing in het raam/deursysteem. Voor een aantal woningen is een dubbel raam/deursysteem met geluidisolereerde beglazing noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

32

6.4.3 Conclusie Onder voorwaarde van het treffen van extra geluidsisolerende maatregelen aan de gevel van een deel van de woningen in het bouwplan kan aan de eisen voor het binnengeluidniveau ten gevolge van het wegverkeerslawaai en ten gevolge van de hogere geluidgrenswaarden voor het horecalawaai voldaan worden. Na het treffen van de extra geluidsisolerende maatregelen zal in alle woningen sprake zijn van een goed woon‐ en leefklimaat. Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

6.5

Luchtkwaliteit

6.5.1 Toetsingskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

33

6.5.2 Projectgebied De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van een kantoorgebouw en de nieuwbouw van een appartementengebouw met commerciële ruimtes. In totaal worden 114 nieuwe woningen (appartementen) gerealiseerd en 3.194 m² aan commerciële ruimtes. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel van belang aan te tonen dat ter plaatse aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De maatgevende wegen waarop metingen zijn uitgevoerd betreft de Coolsingel. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 35,3 µg/m³ voor NO2, 22,8 µg/m³ voor PM10 en 14,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 11,4. 6.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

6.6

Bodem

6.6.1 Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische‐, of aardkundige waarde, energie‐opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.6.2 Projectgebied Het project betreft de sloop van bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwbouw. Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling zijn grondroerende werkzaamheden beoogd. Uit eerder onderzoek op de locatie is gebleken dat er sprake is van een verontreiniging in de bodem met lood, nikkel, koper en PAK. Het huidige pand is voorzien van een kruipruimte (tot ca.

1,5 m‐mv) en een kelder (tot ca. 3 m‐mv t.o.v. niveau Coolsingel). Het toekomstige pand wordt voorzien van een kelder tot ca. 4,5 m‐mv. Hiertoe is een bodemsanering noodzakelijk. Doel van het onderzoek is het gedetailleerder in kaart brengen van de kwaliteit van de vrijkomende grond ten behoeve van de afvoer. Naar aanleiding hiervan heeft Tritium Advies een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 20‐05‐2020). De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 9. In deze rapportage is de kwaliteit van de vrijkomende grond bij de beoogde ontwikkeling gedetailleerder in kaart gebracht. Op basis van deze resultaten dient na de sloop van de huidige bebouwing nader bodemonderzoek te worden verricht. Aan de hand van dit onderzoek kan worden vastgesteld of een BUS‐melding of uitgebreide sanering benodigd is. Conclusies van dit onderzoek zullen de datum van inwerkingtreding van de omgevingsvergunning bepalen.

Rho adviseurs voor leefruimte

34

6.6.3 Conclusie Er dient nog nader bodemonderzoek te worden verricht na dat de huidige bebouwing verwijderd is. Aan de hand van dat onderzoek kan worden vastgesteld of een BUS‐melding of uitgebreide sanering benodigd is. Na deze sanering vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

6.7

Externe veiligheid

6.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op‐ en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR (het plaatsgebonden risico, ofwel de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven) een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR (het groepsrisico, ofwel de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is); wel bestaat er een oriënterende waarde, op basis waarvan een verantwoordingsplicht geldt voor het GR. Deze verantwoordingsplicht is ten aanzien van het bevoegd gezag. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Rho adviseurs voor leefruimte

35

Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR.

Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.7.2 Projectgebied Groepsrisico Ten noorden van het projectgebied zijn de spoorlijn van Rotterdam naar Barendrecht en het station Rotterdam Centraal gelegen. Over dit spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Verder vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over het water langs corridor Rotterdam ‐ Duitsland. Hiervoor geldt vanwege de maatgevende stof GT3 een invloedsgebied van 1.070 meter. Het projectgebied ligt binnen dit invloedsgebied. Ten behoeve van het vigerende bestemmingsplan Lijnbaankwartier‐Coolsingel is het plaatsgebonden risico berekend voor de spoorlijn en is een berekening uitgevoerd om te kijken of de ontwikkelingen die dat planologisch mogelijk maakt voor een toename van het groepsrisico zorgen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. De ontwikkelruimte voor Coolsingel 75 is hierin meegenomen.

Voor het vigerende bestemmingsplan zijn twee groepsrisicoberekeningen uitgevoerd: een berekening met de persoonsdichtheid langs het spoor na de ontwikkeling van Rotterdam Central District (RCD) en het Laurenskwartier (de autonome ontwikkeling), en een berekening met de autonome ontwikkelingen en de geringe toename van de persoonsdichtheid die door het bestemmingsplan Lijnbaankwartier‐Coolsingel wordt veroorzaakt. Uit beide berekeningen komt een groepsrisico van 2,3 maal de oriëntatiewaarde. Het bestemmingsplan Lijnbaankwartier‐Coolsingel en daarmee ook de beoogde ontwikkeling zorgt dus niet voor een toename van het groepsrisico. De volledige realisatie van het RCD is als uitgangspunt genomen bij de autonome ontwikkeling. Het staat echter niet vast dat het RCD gerealiseerd zal worden met het omvangrijke programma waarmee eertijds rekening is gehouden, deze ontwikkeling gaat in ieder geval minder snel. De autonome ontwikkeling die werkelijk zal plaatsvinden zal derhalve tot een lagere persoonsdichtheid langs het spoor leiden dan waarmee in de berekening rekening is gehouden. Hoeveel minder is moeilijk vast te stellen, daarom is van een worst‐case benadering uitgegaan.

Vanwege de ligging van het projectgebied binnen de invloedsgebieden van de transportroutes over het spoor en over het water is het benodigd een beperkte verantwoording af te leggen voor de gevolgen van de ontwikkeling op het groepsrisico. Hierbij wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid.

Rho adviseurs voor leefruimte

36

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het projectgebied wordt ontsloten via de Coolsingel en biedt daarmee vlucht‐ en toegangsmogelijkheden vanuit verschillende richtingen. Tevens is eventuele brand in het gebouw vanaf verschillende hoeken te bestrijden. De bestrijdbaarheid en bereikbaarheid worden goed geacht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen 117 appartementen en circa 2.500 m² gerealiseerd worden. De mogelijk aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders (of medewerkers) de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen.

Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Plaatsgebonden risico De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rails ligt tussen de Willemsspoortunnel en de Schiekade op 7 meter uit het hart van het spoor (het midden van de vier sporen). De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour blijft binnen het spoorterrein en vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Plasbrandaandachtsgebied Langs het spoor Rotterdam‐Barendrecht geldt tot 30 meter vanaf de buitenste spoorstaaf een plasbrandaandachtsgebied. Nieuwbouw binnen een plasbrandaandachtsgebied moet voldoen aan vereisten voor brandwerendheid/branddoorslag en het uit kunnen zetten van de mechanische ventilatie, dit is vastgelegd in de regeling Bouwbesluit 2012. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het plasbrandaandachtsgebied.

6.7.3 Conclusie Een calamiteit met het transport van gevaarlijke stoffen in of nabij het Lijnbaankwartier‐Coolsingel kan leiden tot een zeer groot aantal dodelijke slachtoffers en gewonden. Een dergelijke calamiteit heeft een kans op voorkomen van minder dan 1 keer in de miljoen jaar. Dit is in vergelijking met andere ongevalkansen van andere gebeurtenissen klein. Als voorbeeld kan worden genoemd een kans van eenmaal op 10.000 jaar op een overstroming. Dit verklaart waarom het risico op een calamiteit met zeer veel dodelijke slachtoffers, uitgedrukt als kans maal effect, toch aanvaardbaar zou kunnen zijn. De waarde van 2,3 maal de oriëntatiewaarde is aanvaardbaar gelet op:  het voorkomen van (ongewenste) leegstand van vastgoed in de stad en de in dit projectgebied gewenste transformatie van kantoren naar woningen en maatschappelijke voorzieningen;  het gegeven dat de ontwikkelingen in het bestemmingsplan Lijnbaankwartier‐Coolsingel niet zorgen voor een stijging van het groepsrisico.  De goede bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid voor de locatie.

Rho adviseurs voor leefruimte

37

6.8

Natuur

6.8.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ontwikkeling die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van

Rho adviseurs voor leefruimte

38

dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het project moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 6.8.2 Projectgebied Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oude maas ligt op circa 9 km in zuidwestelijke richting. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige natuurgebied is Solleveld & Kapittelduinen en ligt op ongeveer 21 kilometer ten westen van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op circa 3,5 km van het projectgebied.

In onderstaande figuur is de ligging ten opzichte van deze gebieden weergegeven.

Figuur 6.1 Projectgebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland Rho adviseurs voor leefruimte

39

Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden door emissies van de bouw‐ en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10. De bijbehorende berekeningen van de bouw‐ en de gebruiksfase zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 11 en 12. In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase wordt geen depositiebijdrage binnen Natura 2000‐gebieden berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Soortenbescherming Om de mogelijke effecten van het plan op beschermde soorten te onderzoeken, is er een Quickscan Flora en Fauna (Nipa Milieutechniek bv rapport 17083, d.d. 26 oktober 2018) opgesteld. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 14. Uit deze quickscan blijkt dat effecten op beschermd plant‐ en diersoorten kan worden uitgesloten. De quickscan uit 2018 was een actualisatie van een in 2015 uitgevoerd verkennend natuuronderzoek (zie bijlage 13) van Tuitert Natuuronderzoek (kenmerk AT/2015/22.07, d.d.

22 juli 2015). Geconcludeerd is dat de onderzoekslocatie geen geschikt leefgebied vormt voor beschermde soorten. Op 6 november 2020 heeft NIPA milieutechniek bv een actualisatie uitgevoerd (N17083.001, d.d. 6 november 2020). Zij bevestigen hierin (zie bijlage 15) dat de locatie niet geschikt is voor beschermde soorten. Uitgesloten kan worden dat de voorgenomen sloop van het pand een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Het planvoornemen is uitvoerbaar binnen het gestelde in de Wet natuurbescherming. 6.8.3 Conclusie Het aspect ecologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

40

Rho adviseurs voor leefruimte

41

Hoofdstuk 7

7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. In dit geval wordt tussen de initiatiefnemende partij en de gemeente Rotterdam een overeenkomst gesloten, waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over de dekking van toe te rekenen kosten door de initiatiefnemende partij. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gewaarborgd.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling kan niet worden vergund op basis van het vigerende bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12 Wabo kan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken worden van het geldende bestemmingsplan. Een belangrijke voorwaarde om te mogen afwijken is dat er wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de beginselen van een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening:  de ontwikkeling sluit aan bij de geldende beleidskaders (H2)  de ontwikkeling wordt op een passende wijze ingepast (H3 en H4);  de ontwikkeling is uitvoerbaar gelet op de onderzoeken naar de verschillende omgevingsaspecten (H5 en H6).

Rho adviseurs voor leefruimte

42

Rho adviseurs voor leefruimte

Bijlagen

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

BOOR

Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam

Rotterdam Coolsingel 75

Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen

D.E.A. Schiltmans en A.J. Guiran

BOORrapporten 622

ROTTERDAM COOLSINGEL 75

Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen

D.E.A. Schiltmans en A.J. Guiran

Tekeningen: M.F. Valkhoff

BOORrapporten 622 2017

Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam

COLOFON Titel

Rotterdam Coolsingel 75. Een bureauonderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Status definitief Auteur(s) drs. D.E.A. Schiltmans en drs. A.J. Guiran Tekenaar(s) M.F. Valkhoff Opsteller(s) afbeeldingen drs. D.E.A. Schiltmans Projectcode BOORrapporten 622 Projectleider drs. D.E.A. Schiltmans Projectmedewerker(s) R.D. van Dijk en drs. A.J. Guiran Toets Beheer en Beleid drs. A.J. Guiran Autorisatie BOOR

Autorisatie bevoegd gezag

drs. M.M. Sier hoofd Onderzoek en Rapportage

drs. A.H. Carmiggelt gemeente Rotterdam

ISSN 1873-8923 Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Telefoon 010-4898500 E-mail boor@rotterdam.nl Copyright © BOOR Rotterdam, februari 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Het BOOR aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

versie 1.0

SAMENVATTING

Algemeen In opdracht van The Missing Link heeft de afdeling Onderzoek en Rapportage van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) van de gemeente Rotterdam in november en december 2016 een verkennend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied Coolsingel 75 te Rotterdam. Het onderzoek bestond uit het verrichten, beschrijven, analyseren en bemonsteren van vier mechanische boringen. Er is geboord vanaf het maaiveld tot minimaal 7,67 m - NAP (8,00 m - mv) en maximaal 8,64 m - NAP (8,00 m - mv). Voorafgaand aan het veldonderzoek is voor het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is verricht omdat bij de nieuwbouw in het plangebied grond- en heiwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd die ten minste reiken tot 3,95 m - NAP. Indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze hierbij worden aangetast of vernietigd. Resultaten Uit het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar de historische situatie, de bodemopbouw ter plaatse en de bekende archeologische waarden in (de omgeving van) het plangebied, komt naar voren dat voor het gehele plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum.

Vindplaatsen uit deze perioden kunnen in het plangebied aangetroffen worden in de top van eventueel aanwezige kwelderafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer) of stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld). Vindplaatsen uit de Bronstijd worden in het geheel niet verwacht in het plangebied. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). Het veen kan echter aangetast zijn door de latere middeleeuwse overstromingen van het gebied en/of menselijke activiteiten van na de overstromingen. Voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf de 12e/13e eeuw) geldt eveneens voor het gehele plangebied een redelijke hoge tot hoge archeologische verwachting. Voor vindplaatsen uit de Nieuwe tijd geldt voor het gehele plangebied echter een zeer hoge archeologische verwachting. Dit hangt samen met de ligging van het plangebied langs de Coolsingel en binnen de stadsuitbreiding van Rotterdam, die in de loop van de van de 17e eeuw plaatsvond. Vooral voor het aantreffen van bewoningsporen en vondsten die gerelateerd kunnen worden aan de loodwitmakerij in het zuidelijke deel van het plangebied geldt een zeer hoge archeologische verwachting.

De verwachte archeologische waarden bevinden zich in de top van het overstromingsdek (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren) en in of op ophogingslagen op het overstromingsdek. Uit het verkennend inventariserend veldonderzoek blijkt dat de diepere ondergrond in het plangebied voornamelijk bestaat uit komafzettingen die gerekend kunnen worden tot de Formatie van Echteld (vanaf minimaal 6,79 m - NAP; 6,17 m - mv). Naar beneden toe gaan de komafzettingen mogelijk over in estuariene afzettingen, maar dit is op basis van onderhavig onderzoek niet met zekerheid te zeggen. Op de komafzettingen bevindt zich een veenpakket dat gerekend kan worden tot de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket (vanaf gemiddeld 6,20 m - NAP; 6,04 m - mv). De top van het veen, waargenomen op een minimale diepte van 5,13 m - NAP (4,49 m - mv), is aangetast door enerzijds antropogene activiteiten en anderzijds door de erosieve werking van de laatmiddeleeuwse overstromingen in het gebied en derhalve niet meer intact aanwezig. Direct op het veen is in één boring een dunne kleilaag aangetroffen die gerekend kan worden tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren (vanaf 7,08 m - NAP; 7,41 m - mv). Het betreft het restant van het overstromingsdek dat vermoedelijk gevormd is rond het midden van de 12e eeuw. Ook de top van deze kleilaag is aangetast door antropogene activiteiten.

Tevens lijkt de kleilaag diep weggedrukt. Een eventuele vroegere 3

fase van de overstromingsafzettingen van het Laagpakket van Walcheren is niet aangetroffen tijdens onderhavig onderzoek. Op de natuurlijke ondergrond ligt een dik pakket ophogingslagen, dat gerelateerd kan worden aan de kade of wal langs de Coolsingel, de 17e-eeuwse stadsuitbreiding van Rotterdam ten westen van de Coolsingel en de daarna voortschrijdende inrichting en het gebruik van het gebied (vanaf minimaal 2,24 m - NAP; 2,57 m - mv). De bovenste bodemlaag in het plangebied wordt gevormd door een (sub)recent opgebracht pakket bouwzand met een gemiddelde dikte van 232 cm. Op basis van de aangetroffen komafzettingen, de aangetaste top van het veen en de geroerde overstromingsafzettingen worden in het plangebied geen archeologische waarden van vóór de Nieuwe tijd verwacht. Tijdens het verkennend inventariserend veldonderzoek is echter een 249 tot 484 cm dik pakket ophogingslagen aangetroffen dat op basis van het aangetroffen vondstmateriaal gedateerd kan worden in de 17e eeuw en later. De top bevindt zich op een minimale diepte van 2,24 m - NAP (2,57 m - mv). De onderzijde is waargenomen op een maximale diepte van 6,78 m - NAP (7,07 m - mv). Het vermoeden bestaat dat het antropogene pakket in ieder geval deels intact aanwezig is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het zuidelijke deel van het plangebied mogelijk al vanaf de 17e eeuw een loodwitfabriek heeft gestaan.

Tijdens het veldonderzoek zijn juist in deze zone veel fragmenten aardewerk van de loodwitfabricage aangetroffen (BOOR-vindplaatscode 12-92). Mogelijk is ook een met afval dichtgestorte kuil aangeboord. In het noordelijke deel ontbreekt het industriële afval. Direct ten noorden van het terrein van de loodwitmakerij, zoals dat in 1832 op de kadastrale kaart is aangegeven, is op dat moment een met kleine huisjes volgebouwd achtererf aanwezig. Mogelijk besloeg de loodwitmakerij oorspronkelijk een groter terrein. Concluderend kan gesteld worden dat de kans zeer groot is dat bij de geplande werkzaamheden, die te minste reiken tot 3,95 m - NAP, archeologische waarden verstoord zullen worden. Vermoedelijk zijn in het zuidelijke deel van het plangebied onder de huidige bebouwing, souterrains en kelder resten van de loodwitfabriek en afval van de fabricage van loodwit aanwezig. Ook worden in het zuidelijke deel resten van andere historische bebouwing verwacht. Aanbevelingen Op grond van het bureauonderzoek en het verkennend inventariserend veldonderzoek luidt de aanbeveling voor het plangebied Coolsingel 75 te Rotterdam dat er archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is in het zuidelijke deel van het plangebied.

Voorgesteld wordt om in deze zone, direct aansluitend op de sloop van de huidige bebouwing, souterrains en kelder, een (beperkt) archeologisch onderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van de geplande werkzaamheden (waaronder het uitgraven van de bouwput) uit te voeren. De exacte vorm van dit onderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de geplande werkzaamheden en de wijze waarop deze worden uitgevoerd. Nader overleg over de inpassingsmogelijkheden van de archeologische werkzaamheden in de bouwstroom is dan ook gewenst. Voor het noordelijke deel van het plangebied hoeven geen voorzieningen te worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien. Zonder verder archeologisch onderzoek kan in deze zone worden gestart met de voorgenomen werkzaamheden. De begrenzing van beide zones is weergegeven in afbeelding 7.

4

INHOUDSOPGAVE

blz.

SAMENVATTING ......................................................................................................... 3 1 1.1 1.2 1.3

INLEIDING........................................................................................................ 7 Inleiding ............................................................................................................ 7 Plaats onderzoek binnen de Archeologische Monumentenzorg....................... 7 Administratieve gegevens onderzoek ............................................................... 8

2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4 2.5.5 2.5.6 2.6 2.7

BUREAUONDERZOEK.................................................................................. 11 Doel ................................................................................................................ 11 Plangebied en onderzoeksgebied .................................................................. 11 Plangebied ...................................................................................................... 11 Onderzoeksgebied.......................................................................................... 11 Huidige situatie plangebied............................................................................. 11 Geplande werkzaamheden ............................................................................. 11 Aandachtspunten ............................................................................................ 12 Beleidsinstrumenten ....................................................................................... 12 Historische situatie.......................................................................................... 12 Geologische gegevens ................................................................................... 13 Archeologische gegevens...............................................................................

14 Luchtfoto’s ...................................................................................................... 15 Actueel Hoogtebestand Nederland ................................................................. 15 Gespecificeerde archeologische verwachting ................................................ 16 Advies ............................................................................................................. 17

3 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2

VERKENNEND INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .......................... 21 Doel en onderzoeksvragen ............................................................................. 21 Methoden ........................................................................................................ 21 Resultaten....................................................................................................... 22 Geologie ......................................................................................................... 22 Archeologie ..................................................................................................... 23

4 4.1 4.2

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................... 31 Conclusies ...................................................................................................... 31 Aanbevelingen ................................................................................................ 32

GERAADPLEEGDE BRONNEN................................................................................ 35 AFKORTINGEN ......................................................................................................... 37 BIJLAGE 1: BOORSTATEN ..................................................................................... 39

5

Klimaat Landschap Vegetatie

Geologie 2000

Archeologische perioden Nieuwe tijd

1500

Duinkerke III Tiel III

Late Middeleeuwen B

1000 500

Late Middeleeuwen A

Subatlantic koeler vochtiger

Duinkerke II Tiel II

Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd

0 500

Late IJzertijd Duinkerke I Tiel I

Midden-IJzertijd Vroege IJzertijd

1000 1500

loofbos

Midden-Bronstijd

Duinkerke 0 Tiel 0

Subboreaal koeler droger

2000 2500

Laat Neolithicum

Calais III Gorkum III

Holoceen

3500

Vroege Bronstijd

Calais IV Gorkum IV

3000

Late Bronstijd

Midden-Neolithicum

4000 4500

Calais II Gorkum II

Vroeg Neolithicum Atlanticum warm vochtig

5000 5500 6000

Calais I Gorkum I

6500 Mesolithicum

7000 7500

Boreaal warmer

den

Preboreaal warmer

berk

Late Dryas kouder

toendra

8000 8500 9000 Kreftenheye

Pleistoceen

9500

6

Laat-Paleolithicum

1

INLEIDING

1.1

Inleiding

In opdracht van The Missing Link heeft de afdeling Onderzoek en Rapportage van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) van de gemeente Rotterdam een verkennend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied Coolsingel 75 te Rotterdam. Voorafgaand aan het veldonderzoek is voor het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd. Het plangebied is weergegeven in afbeelding 1. Het onderzoek is verricht omdat bij de nieuwbouw in het plangebied grond- en heiwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd die ten minste reiken tot 3,95 m - NAP. Indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze hierbij worden aangetast of vernietigd. 1.2

Plaats onderzoek binnen de Archeologische Monumentenzorg

Het proces van Archeologische Monumentenzorg (AMZ) bestaat uit de volgende stappen: Stap 1. De inventarisatie van archeologische waarden in een plangebied. Een inventarisatie bestaat doorgaans uit het uitvoeren van een bureauonderzoek (met als doel het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting), gevolgd door een inventariserend veldonderzoek. Bij een inventariserend veldonderzoek kan onderscheid gemaakt worden in een verkennende fase (toetsen en aanvullen gespecificeerde archeologische verwachting), een karterende fase (vaststellen en begrenzen archeologische vindplaatsen) en een waarderende fase (bepalen waarde aan de hand van fysieke en inhoudelijke kwaliteit van vindplaatsen). De inventarisatie resulteert in het opstellen van een (selectie)advies, aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen (stap 2). Stap 2. Het nemen van een selectiebesluit op grond van de resultaten van de inventarisatie (het beleid ten aanzien van vindplaatsen). Het selectiebesluit houdt in dat een vindplaats wel of niet als behoudenswaardig wordt gekwalificeerd. In het geval van behoudenswaardige vindplaatsen vindt uitvoering van het selectiebesluit plaats; uitgangspunt hierbij is het streven naar behoud in situ van vindplaatsen (stap 3).

In het geval van niet-behoudenswaardige vindplaatsen is het proces van Archeologische Monumentenzorg afgerond. Stap 3. Het uitvoeren van het selectiebesluit door: het in situ veiligstellen van archeologische informatie van behoudenswaardige vindplaatsen door fysieke bescherming, dan wel het veiligstellen van archeologische informatie van behoudenswaardige - maar niet in situ te handhaven - vindplaatsen door documentatie ervan door opgraving voorafgaand aan de werkzaamheden in het plangebied, dan wel het verifiëren dat geen archeologische informatie ongedocumenteerd verloren gaat door archeologische begeleiding van de werkzaamheden in het plangebied. Het voorliggende rapport bevat het verslag van de eerste stappen van de inventarisatie van archeologische waarden in het plangebied Coolsingel 75: het bureauonderzoek en de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek. Het veldonderzoek bestond uit het uitvoeren van vier mechanische boringen. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het verkennend inventariserend veldonderzoek worden aanbevelingen gedaan ten aanzien van de omgang met aanwezige archeologische waarden en archeologische verwachtingen in het plangebied Coolsingel 75.

7

Het onderzoek komt voort uit het door BOOR opgestelde advies (A2015101) en is uitgevoerd conform de ‘Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek en nietgravend inventariserend veldonderzoek in de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse en Westvoorne (versie 2.5)’ uit 2013. Het bureauonderzoek is tevens uitgevoerd conform de specificaties LS01 tot en met LS05, vastgelegd in het protocol 4002 Bureauonderzoek van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems versie 3.3 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen). Het bureauonderzoek is gerapporteerd conform de specificatie LS06 van dat protocol. Het verkennend inventariserend veldonderzoek is tevens uitgevoerd conform de specificaties VS01 en VS03, vastgelegd in het protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek van de KNA Landbodems versie 3.3 van de SIKB (http://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen). Het verkennend inventariserend veldonderzoek is gerapporteerd conform de specificatie VS05 van dat protocol. 1.3

Administratieve gegevens onderzoek

Soort onderzoek Plangebied Naam Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Oppervlakte Kadastrale gegevens Beheerder(s)/eigena(a)r(en) grond Opdrachtgever Bevoegd gezag Naam organisatie Naam deskundige Uitvoering onderzoek Naam instelling/bedrijf Naam Senior KNA Prospector Datum onderzoek Archis-onderzoeksmeldingsnummer Resultaat onderzoek BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer Plaats en beheer documentatie Plaats en beheer vondstmateriaal

bureauonderzoek en verkennend inventariserend veldonderzoek Coolsingel 75 Coolsingel 75 Rotterdam Rotterdam 92.447/437.445, 92.487/437.457, 92.507/437.394 en 92.466/437.381 circa 2800 m2 Rotterdam 4E AFD AF 855 onbekend The Missing Link gemeente Rotterdam drs. A.H. Carmiggelt BOOR drs. D.E.A. Schiltmans november en december 2016 4023418100 12-92 gelijk aan Archis-onderzoeksmeldingsnummer archief BOOR onder de projectcode BOORrapporten 622 depot BOOR

8

in

tte

Ro tte ka de

ade

Ro

Rott ek

Linker Rotteka de hof

Linker

Rechter

438.000

f

Lombard kade

Stokviskad e

Lombardho

Karneme lksbrug

Ste ige r Ha sng Wolfshoek

plaats

m se

Leuvehaven

e h of

wa t kad er e

He pla ren at s

rot t

437.500

kade Wijn

Bie

r ha

fe Juf

v en

en

Baan

437.000

437.500

k Hoogstraat

Branders

Vesthof

n have Wijn

de rka

en

av

200m

e ad sk er ak m p e he Sc Schaal 1:7.500

de Re

rijh

at rstra Juffe

n have

sente Reg rug seb

f erho Juff

cS

n have Wijn

v sha Gla

a d ei h

t

g bru hip

te Wit f hho Wit de an thla Boo liam Wil

rte Zwa rdenstr Paa

Jongkindstraat

traat Mols

n have Wijn

traa

t straa Wijn

jweri Brou t straa

rns thoo Pos

c nes Kra

hie Sc

t traa

aat

at stra

tsw ach eg

gel

Afb. 1. Ligging van het plangebied Coolsingel 75 te Rotterdam.

0

t

1e wstr Nieu hof

Hang

Plein 1940

Blekerstraat

ngde Verle straat w Nieu

t

Leuvekolk

Pim Fortuynplaats

at wstra Nieu

aa erstr Keiz

rs teyn f ho

r rwee Kee

Gouvernestraat

g Han

2e str uw of Nie h

e Bulg

rs Visse dijk

t mark Grote

a stra harp

ht

Zijl

n Sc

c gra

aat

Ja Ds.

str Hoog

W

Soetenbrug

Soeten steeg

g bru

e Wijd str. Kerk

ma

Wijn

´

t

g

teWes enwag Vlas hof rkt

er n eig eze

e Nauw r. st Kerk

bru

rt vaa

at

St

2e Blekerhof

Boshoek

loo

tt Kra

a nstr

en

age stew We

and

f

s ans rtm Ha tr dss

ts ach

aar mg Boo

dr Een

dr Een rsin s te We

het Landje

rs

tte

ns re hof au -L St rt aa ev lfts seDe Delft

ez Rod

3e

t straa Hoog

Schilderstraat

Zeven huis steeg

te Bo

ro en

rt pe Op

r

Grote-

kerkplein

4e

Churchill plein

se dam

raa . Sp kstr n ba

ne t gij raa Ba st

k Blaa est1e W of kh blaa

l

nn Bi

e eve

2e

n uwe tr s Lee

in egple

92.500

9

lfts De

an

iths

tte

t

ho evelt Van nbarn Olde

a Lijnb

de W

f

d ezan Rod

L

aat

te Wit

t t ra a

er nw

Raam

E SING

tr kijns

Schielands tuin

D AL

UY ER

1e

eRod hof d zan

L COO

v. Aert of h Nes

ne Hen

at stra

tr dss

ts ach

me Krom og bo Elle

Meent brug

plein Beurs rse trave Beurs plein rs u e B

e

esing e

plaa bts co Ja nt Si is kv g u to rd

vaarthof

Smitsstr aat

Jonker Franshof Korte Brantstr.

at S ba br tra m bs Lo en co nn Ja t Bi n Si r nt e t ee wa g M rvis bru de te hof ok vis ka Bo oot St Stok ard f b sl o m rth Lo pe Op nt ee DelftseM n-

r aa ev

r str.

aat

nw Binne

t aa

437.000

urg

Sint Jaco b

ro en nn Bi

e ol dm or No

ee

ev

lfts De

s ag Ha

aan em Halv ge sa pas

str Lucia Sint-

tr kijns

s.

t aa

laak

aar mg Boo

str

at

92.000

Witte de Withbrug

a rk

tr. ents

str an

dr Een

m

p eum Mu s

h v. G

orm Do

lt dtp lan Bij

tr ders Tuin

eu Mus

tra ns ke bo Ho

Hoboken plein

str. Zand Raam plein

Bulgerstey n

est2e W of h blaak

tb Wes

plein

Cris

str pijn

weg

of ardh mga Boo

EendrachtsRochussen hof

an

n Va

rel Ka hof rman l Doo Kare

traat buss Jaco

traat ritss Mau

weg Maurits

Westersingel

at

b en mp Po

er

nt Mee

rs trave Beurs

ts plaa evelt nbarn Olde Van

stra evelt nbarn

Hermesplantsoen

t straa Nes van Aert

Jan sen Evert ts plaa

Tom ders Man hof

huis Stad

plein

tr.

t

ts plaa

Olde Van

a Lijnb

traa

nts Ghe Van

ans

t straa tman Zou

st Joo s rt kae Ban ats pla

A MIR AD

-

ikstr.

ij ler Ga

aan

nen e Bin Oud

g nwe inne eB

at lstra Doe

huis Stad

f eho

traat ritss Mau

Wes tersingelbrug

Gouvernedwarsstr

e

ne Hen

lein

l Oude

d iska Kru

nb e Lij Kort

Schouwburgplein

Westen

anAmm at stra

an

hof

kad Kruis

oorm el D Kar

p Kruis

e tunn plein Kruis

at nstra viere Bata

Die rga arde sing el

Wijkpark

a Lijnb

n baa Lijn

t straa Kruis

n de ien Vr g bru

Goud s

burg

ater Doelw

st

t

a Plaz

-zuid

Schiedamse Ve

traa

na Wee

na Wee

ritsMau

pen Pom

Hofplein

el

Graaf Balder

Karnemelksehaven

aat

Dirk

l aa rmir Ad Ruyte ug br de

rts Poo

estr

o rt

tunn

de nla an

burg wen Cou

ts Delf

o tsep Delf

na Wee

Stroveer

oorSp rug gelb

sin

eg rw

Gravin Adelastr

Str ove

of tseh Delf

Stationsplein

Gouvernestraat

Katshoek

te wa

Raampoortstr.

len Mo

k fdij Ho

Molenwaterweg

in eple

aa t

Ho fdij

at

g we

Zuster Henneke plein

ts Delf

Vr ien

a astr

r.

kel Bo

er He

t traa

Sint-Mariastraat

No or dp le

Benthemplein

ies Sch

Bloemkwekersstraat

aa t

at

at tra ss ie r en v o Pr

Proveniers plein

uw Nie

-

eg kelw r Bo Hee

Korte

l ge

t

93.000

Ro tte str

Leuvehaven

t aa str ys

t

rug

sin rs

Bo Vi ek jve ho rh rs of ts st tra ra at a

Al mo nd es tra at bo sh of

sali Ro

at ra st on m Si

Slu

t uts ch

raa

rsb enie

g el ing kbru rss r nie Ke

ie en ov Pr

nie str .

de r st r.

Rid

r de

rs ae W

st as

t aa str nd de

Z as

438.000

at tra Be rs nt ge he lin m i st Te ra

de ka

n Va n Va

rsij Ve

ola Nic

e ov Pr

v Pro

Va oRo

at tra lks

1e Blekerhof

t

ns ee br O

at tra

e hi Sc

raa

´

Ungerplein

er ho fst r

t dts aa

Lo ob Jac

at tra iss

at

bo ss tr.

Sc ho ter

R de er

tra rs

92.500

Zo m

t Pie

ffe he Sc

re str. ar M er st e e M

An tho

92.000

Kaart: Gemeente Rotterdam 93.000

E RW TE

10

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doel

Het uitvoeren van een bureauonderzoek is de eerste stap in de inventarisatie van archeologische waarden in een plangebied. Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Aan de hand hiervan wordt de gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied opgemaakt en wordt een beslissing genomen over het al dan niet uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek en de wijze waarop dit moet worden verricht. De gespecificeerde archeologische verwachting wordt door middel van het inventariserend veldonderzoek getoetst en eventueel aangevuld. 2.2

Plangebied en onderzoeksgebied

2.2.1

Plangebied

Het plangebied Coolsingel 75 is gelegen in de wijk Cool in het stadscentrum van Rotterdam (Afb. 1). De locatie wordt begrensd door de Sint-Luciastraat in het westen en de Coolsingel in het oosten (Afb. 2). Verder wordt het plangebied begrensd door bestaande blokken met bebouwing aan het Stadhuisplein in het noorden en de Aert van Nesstraat in het zuiden. De totale oppervlakte bedraagt circa 2800 m2. Het plangebied staat afgebeeld op kaartblad 37H van de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000); de centrumcoördinaten zijn 92.476/437.420. 2.2.2

Onderzoeksgebied

Het onderzoeksgebied is het plangebied. Daar waar voor het bureauonderzoek gegevens van buiten het plangebied worden gebruikt, wordt dat in de tekst aangegeven. 2.3

Huidige situatie plangebied

Ten tijde van het onderzoek was de bestaande bebouwing in het plangebied nog aanwezig. Onder een deel van het huidige gebouw zijn ondiepe souterrains aanwezig (Afb. 2). De bovenkant van de vloer van deze souterrains bevindt zich op 0,95 m beneden peil. Bij een peil van 0,55 m + NAP komt dit overeen met 0,40 m - NAP. Daarnaast is ook een kelder aanwezig (Afb. 2). De bovenkant van de vloer van deze kelder bevindt zich op 3,00 m beneden peil. Dit komt overeen met 2,45 m - NAP. De hoeken van het huidige gebouw en de aanwezige liftschacht bevinden zich op 3,45 m - NAP. In hoeverre de bodem is geroerd dan wel afgegraven bij de bouw van het huidige gebouw is niet bekend. Ook informatie over de hoeveelheid aanwezige heipalen en de inheidiepte ervan ontbrak ten tijde van het onderzoek. 2.4

Geplande werkzaamheden

De bestaande bebouwing in het plangebied, zowel bovengronds als ondergronds, zal worden gesloopt. De bestaande kelder zal worden afgebroken, waarna over het gehele oppervlak van het plangebied (circa 2800 m2) een nieuwe kelder wordt gebouwd. De bovenkant van de vloer van deze nieuwe kelder is gepland op circa 3,50 m - NAP. De onderkant van de betonnen kelderbak is gepland op circa 3,95 m - NAP. De nieuwe 11

liftschacht komt op circa 4,45 m - NAP te liggen. Opgemerkt wordt dat de uiteindelijke uitgraafdieptes dieper zullen liggen. De exacte omvang van de nieuwe fundering is nog onbekend. Informatie over de hoeveelheid geplande heipalen (waarschijnlijk schroefpalen) en de geplande inheidiepte ontbrak ten tijde van het onderzoek. 2.5

Aandachtspunten

2.5.1

Beleidsinstrumenten

Archeologische Waardenkaart Rotterdam De Archeologische Waardenkaart (AWK) Rotterdam (BOOR 2005), vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam op 31 januari 2006, bestaat uit een tweetal kaarten: de Archeologische Kenmerkenkaart en de hierop gebaseerde Archeologische Waarden- en Beleidskaart. Volgens de Archeologische Waarden- en Beleidskaart ligt het plangebied Coolsingel 75 in een zone met een zeer hoge archeologische verwachting. Deze verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied binnen de historische stadskern van Rotterdam. Het plangebied ligt in een gebied waar bewoningssporen uit de periode na circa 1600 worden verwacht. Het gemeentelijk archeologisch beleid in deze is dat grondwerkzaamheden (inclusief heien), afhankelijk van de verstoringsdiepte, maar ongeacht het oppervlak van de uit te voeren werkzaamheden, dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.

Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland Volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) Zuid-Holland, opgenomen in kaart 1b (Archeologie waarden) van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland 2007), bevinden zich binnen of nabij het plangebied Coolsingel 75 geen terreinen van hoge archeologische waarde, geen terreinen van zeer hoge archeologische waarde en geen terreinen van zeer hoge archeologische waarde (tevens wettelijk beschermd). Volgens de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland is het plangebied wel gelegen binnen een historische stads- of dorpskern. Bestemmingsplan Lijnbaankwartier Coolsingel Het plangebied Coolsingel 75 valt binnen het bestemmingsplan Lijnbaankwartier Coolsingel. In bestemmingsplannen dient het gemeentelijk archeologisch beleid nader uitgewerkt en vastgelegd te worden. Conform het vigerend bestemmingsplan geldt voor het gebied ten westen van de Coolsingel (Waarde Archeologie 3), waarbinnen het plangebied is gelegen, een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,50 m - mv en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan. 2.5.2

Historische situatie

Het plangebied maakte oorspronkelijk deel uit van een omvangrijk (klei-op-)veengebied dat in de 10e-11e eeuw werd ontgonnen. De ontwatering van het veen resulteerde in een daling van het maaiveld. Om het land tegen overstromingen te beschermen werden aan het einde van de 12e en in de 13e eeuw een reeks dijken aangelegd. Op en aan deze dijken concentreerde zich vervolgens de bewoning. In de loop van de 13e eeuw kwam het plangebied binnendijks te liggen met de aanleg van de lijn Hofdijk-Korte HoogstraatSchiedamsedijk. Bij de dam in de Rotte (ter plaatse van de huidige Hoogstraat), aangelegd in circa 1270, ontstond de stad Rotterdam. In 1358-1360 werd toestemming verleend voor de aanleg van vesten rondom de jonge stad. De Coolvest - later genoemd Coolsingel - maakte deel uit van deze omgrachting van de stad. Rond 1500 kwam aan de binnenzijde van de 12

gracht een rondom gesloten stadsmuur tot stand. In de 16e eeuw werden de verdedigingswerken gemoderniseerd en werd de Coolsingel verbreed. Pas in de loop van de 17e eeuw werden er voor zover bekend aan de buitenzijde van de Coolsingel bouwwerken toegestaan. Er ontstond een soort bedrijventerrein avant la lettre, met een grote diversiteit aan bedrijven, waaronder blekerijen, brouwerijen, molens en loodwitmakerijen. Ook werden er tuinen en buitenplaatsen aangelegd. Het plangebied is gelegen in het gebied dat in de loop van de 17e eeuw werd uitgebreid en omvat enkele achterterreinen van de oudste bebouwing langs de westzijde van de Coolsingel. De oudste bebouwing direct langs de Coolsingel valt buiten het plangebied. Op de oudste kadastrale kaart van 1832 (www.hisgis.nl) is binnen het plangebied, van noord naar zuid bekeken, het achterterrein van een blekerij (het bleekveld), een met kleine huisjes volgebouwd achtererf en een deel van het erf en de gebouwen van de loodwitfabriek van Abraham Demmers zichtbaar (Afb. 3). Ten noorden van het plangebied ligt dan een terrein behorende bij de pas opgerichte schouwburg. Vooral de locatie van de loodwitfabriek van Abraham Demmers trekt de aandacht.

Uit historische bronnen is bekend dat ene Abraham van Coperen, samen met zijn schoonmoeder Anna van Diemen, al in de 17e eeuw een loodwitmakerij bezat aan de Coolsingel (Hazewinkel 1934, 73-74). Het vermoeden bestaat dat deze op dezelfde locatie gevestigd was, omdat er geen andere loodwitmakerijen aan de Coolsingel bekend zijn. Maar mogelijk was het terrein oorspronkelijk groter. In 1699 werd de loodwitmakerij verkocht aan Josua van den Kerckhoven en Bruyn de Wit. Ook werd de bijbehorende inventaris verkocht. Uit de inventarislijst blijkt dat onder meer “10500 groote broeypotten” en “32500 droogpotjes” werden overgenomen. Het Hollandse loodwit kreeg vooral in de 18e eeuw bekendheid. Rotterdam was in de 17e tot 19e eeuw het belangrijkste centrum van de loodwitfabricage in Nederland. Bij een vluchtige inventarisatie in 1988, in verband met het bodemvervuilende aspect van de loodwitindustrie, konden 24 loodfabrieken worden aangewezen (Roeloffzen 1988). De locatie van de loodwitmakerij aan de Coolsingel werd toen gedacht onder het huidige Stadhuisplein, ten noorden van het plangebied. Loodwit was een basisgrondstof voor de bereiding van verf (zie bijvoorbeeld Mac Lean 1979). Er waren verschillende fabricagemethodes van het loodwit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=9de95afb-ec51-4ed3-97b6-758d72eadabd