CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb6300 Bijlage 1 behorende bij 21bb6299 over Jaarverslag BOOR 2020

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 15.1 Het voorstel met betrekking tot de jaarstukken en het jaarverslag 2020, alsmede de eerste voortgangsrapportage 2021 van de stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (BOOR)40.962 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

2020

9,83% 26,86% 44,68% 108,52% 27,10% 7,90%

2021* 10,21% 26,71% 41,83% 81,13% 28,89% 7,34%

2022* 10,58% 27,05% 43,06% 77,65% 25,88% 7,25%

2023* 10,96% 27,12% 43,66% 81,72% 27,60% 7,25%

2024* 11,51% 27,42% 45,47% 97,59% 29,33% 7,32%

2025* 12,16% 27,97% 47,01% 113,45% 31,62% 7,28%

1. BOOR streeft naar een minimaal weerstandsvermogen van 10% van de exploitatie. In 2020 haalt BOOR deze norm net niet. De komende jaren zal het weerstandsvermogen verder stijgen als gevolg van de verwachte positieve exploitatieresultaten. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de benoemde risico voor vereenvoudiging van de bekostiging voor het primair onderwijs en de aangepaste toepassing van de regels voor de opbouw van de voorziening groot onderhoud. 2. De solvabiliteit wordt berekend door het eigen vermogen en de voorzieningen, te delen door het balanstotaal. Dit wordt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeduid als solvabiliteit 2. Eind 2020 bedroeg de solvabiliteit 44,76%. De onderwijsinspectie hanteert – voor het toepassen van het financieel toezicht – een signaleringsgrens van de solvabiliteit van 30%. 3. De liquiditeit laat de verhouding tussen kortlopende vorderingen en schulden zien. De signaleringsgrens van de onderwijsinspectie is 75%. Onze liquiditeit blijft hier komende jaren ver boven. Een kanttekening hierbij is dat de liquiditeitsratio sterk wordt beïnvloed door de aannames in de ontwikkeling van de liquide middelen en de kortlopende schulden. Met name in latere jaren worden investeringen bij het begroten soms te laag ingeschat. 4.

Het kengetal kapitalisatiefactor laat zien of een instelling te veel kapitaal aanhoudt voor zijn (onderwijs)activiteiten. De kapitalisatiefactor wordt berekend door van het balanstotaal van een instelling de bedragen voor gebouwen en terreinen af te trekken en het dan overblijvende bedrag te delen door het totaal van de jaarlijkse baten. Als de kapitalisatiefactor boven een bepaalde signaleringsgrens uitkomt, zou dat erop kunnen wijzen dat het bestuur te veel kapitaal aanhoudt voor zijn onderwijsactiviteiten. De bovengrens van deze kapitalisatiefactor (voor grote schoolbesturen) bedraagt 35%. Ultimo 2019 bedraagt de kapitalisatiefactor van BOOR 29,49%. Door een toename van de investeringen (onder andere de Wolfert Lansing) neemt de kapitalisatiefactor de komende jaren af. Daarna stijgt deze weer. Het kengetal huisvestingsratio geeft aan welk deel van de totale lasten gebruikt is voor huisvestingskosten. Als de huisvestingsratio boven de 10% uit komt zou dat erop kunnen wijzen dat er teveel middelen aan huisvesting uitgegeven worden, waardoor er te weinig middelen over blijven om aan het primaire proces uit te geven. De huisvestingsratio voor BOOR bedraagt ultimo 2020 7,61% en daalt de komende jaren weer onder de 7% .

67

BOOR JAARVERSLAG 2020 - BESTUURSVERSLAG

4. Verantwoording van de financiën Analyse van het afgelopen boekjaar Het jaar 2020 wordt afgesloten met een verlies van € 4,4 miljoen. In dit resultaat moet rekening gehouden worden met het feit dat er € 5,8 miljoen aan lasten zijn opgenomen, waarvan de baten in 2019 zijn verantwoord. Als hier rekening mee gehouden wordt, is er sprake van een positief genormaliseerd resultaat van € 1,4 miljoen. Het resultaat is als volgt opgebouwd: Bedragen x € 1.000

Totaal baten Totaal lasten Financiële baten en lasten Resultaat

2020 297.488 300.609 -1.260 -4.381

Begroting 275.815 277.312 -497 -1.994

2019 285.691 280.004 -521 5.166

Een nadere analyse van het resultaat geeft het volgende beeld: Bedragen x € 1.000

Resultaat 2020 Vrijval uit bestemmingsreserve 2019 Genormaliseerd resutaat 2020

Resultaat -4.381 5.764 1.383

In het najaar van 2019 is een begroting opgesteld. Het resultaat in deze begroting was € 2 miljoen negatief. Op dat moment was nog niet bekend dat aan het eind van 2019 extra subsidies verstrekt zouden worden, waarvan de lasten in 2020 genomen moeten worden. Gedurende het jaar zijn twee voortgangsrapportages opgesteld die inzicht geven in het verloop van het resultaat. In 2020 zijn onderstaande resultaatverwachtingen gerapporteerd:

Begroting Prognose eerste voortgangsrapportage Prognose tweede voortgangsrapportage Resutaat

bedragen * €1.000 Resultaat Genormaliseerd resultaat -1.994 -7.051 -1.739 -4.683 629 -4.381 1.383

1. Eerste voortgangsrapportage In de eerste voortgangsrapportage is een negatief resultaat gepresenteerd van € 7 miljoen. Hierin opgenomen € 5,3 miljoen aan kosten waarvan de baten in 2019 zijn verantwoord. Als hier rekening mee gehouden wordt is het genormaliseerde resultaat € 1,7 miljoen negatief. Een resultaat dat iets beter is dan de afgegeven begroting. 2. Tweede voortgangsrapportage In de tweede voortgangsrapportage is het resultaat geprognotiseerd op € 4,7 miljoen negatief. Als rekening gehouden wordt met de € 5,3 miljoen aan kosten waarvan de baten in 2019 zijn verantwoord, is het genormaliseerde resultaat € 0,6 miljoen positief. 3. Werkelijk resultaat Het werkelijke resultaat wijkt slechts beperkt af van het voorspelde resultaat bij de tweede voortgangsrapportage. Alhoewel de baten hoger waren dan we hadden verwacht zijn er ook noodzakelijke extra kosten genomen vooral in de voorzieningen sfeer. Dit met het oog op risico’s die wij hebben geïdentificeerd. 68

BESTUURSVERSLAG - BOOR JAARVERSLAG 2020

Onderstaande tabel geeft een inzicht in afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke begroting.

Analyse resultaat 2020 in vergelijking met begroting 2020 Begroting 2020

bedragen * €1.000 -1.995

Tariefbijstellingen en groeibekosting Rijksbijdragen Aanpassingen overige subsidies OCW Aanpassingen bijdragen samenwerkingsverband Lagere inkomensoverdrachten

11.045 5.219 1.297 -123

Overige overheidsbijdragen en subsidies Overige baten Totale additionel baten

1.924 1.807

Hogere personeelslasten Hogere amortisatie en afschrijvingen Hogere huisvestingslasten Hogere overige lasten Totale additionele lasten

15.084 87 3.661 4.719

21.169

23.551

Financiele baten en lasten

-5,0

Resultaat ultimo 2020 Vrijval uit bestemmingsreserve 2019 Genormaliseerd resutaat

-4.381 5.764 1.383

Ten opzichte van de begroting lijken de personeelslasten sneller te stijgen dan de groei van de bekostiging. Hierbij moet echter nog rekening gehouden worden met het feit dat in de personeelslasten extra kosten zijn opgenomen waarvan de baten in 2019 zijn gerealiseerd. De stijging bij de huisvestingslasten worden voornamelijk veroorzaakt door o.a. hogere schoonmaakkosten als gevolg van corona en door het vormen van een extra voorziening voor groot onderhoud. De hogere overige lasten t.o.v. de begroting wordt veroorzaakt door hogere dotaties aan voorzieningen.

Analyse sectorresultaat Bedragen x € 1.000

VO

2020

Baten

111.482

104.273

7.209

Lasten

109.407

103.374

6.033

758

497

262

1.317

403

914

Financiële baten en lasten Resultaat Vrijval uit bestemmingsreserve 2019

659

Genormaliseerd resutaat 2020

1.976

Begroting

Verschil

Het resultaat van de sector vo is € 0,9 miljoen hoger dan begroot. Er was sprake van hogere baten door hogere tarieven voor dekking van de gemiddelde personele last (€ 2,6 miljoen), extra baten vanwege de bekostiging van nieuwkomers (€ 1,4 miljoen) en meer overige baten. Daarnaast veroorzaken de baten vanuit de penvoerderschappen STO (€ 1,2 miljoen) en OSR (€ 1,6 miljoen) een aanzienlijk deel van de stijging van de baten. Wegens COVID-19 waren er minder ouderbijdragen en bijbehorend minder kosten voor leerlingactiviteiten. De personeelslasten zijn € 4,9 miljoen hoger door de inzet van meer eigen personeel tegen hogere lasten (nieuwe CAO 2020) en de inhuur voor vervanging van directie, van zieke medewerkers, ondersteuning wegens COVID-19 en onderwijs aan meer nieuwkomers . De overige lasten zijn gestegen door het uitvoeren van genoemde penvoerderschappen, meer kosten voor inventaris en apparatuur en een aantal voorzieningen dat getroffen werd. 69

BOOR JAARVERSLAG 2020 - BESTUURSVERSLAG

Bedragen x € 1.000

(Speciaal) basis onderwijs

2020

Baten

133.028

124.426

8.603

Lasten

135.442

126.519

8.924

410

0

410

Resultaat

-2.824

-2.093

-731

Vrijval uit bestemmingsreserve 2019

4.027

Genormaliseerd resutaat 2020

1.203

Financiële baten en lasten

Begroting

Verschil

De baten van de sector (s)bao zijn € 8,4 miljoen hoger dan begroot. De belangrijkste oorzaken zijn hogere Rijksbekostigingen door hogere tarieven ter dekking van de 4,5% cao verhoging en door extra subsidie inhaal- en ondersteuning i.v.m. COVID-19. Daarnaast zien we hogere inkomsten vanuit het samenwerkingsverband door wijziging van de bekostigingssystematiek naar vaste budgetten. De lasten zijn €8,8 miljoen hoger dan begroot. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn hogere salariskosten en overige personeelskodten (€ 7,3 miljoen) onder andere veroorzaakt door 4,5% cao-verhoging. Hogere lasten voor huisvesting, schoonmaak, licenties en andere kosten (€ 3,4 miljoen. De kosten voor externe inhuur zijn € 1,5 miljoen lager. Bedragen x € 1.000

(Voortgezet) speciaal onderwijs

2020

Begroting

Verschil

Baten

51.967

47.674

4.293

Lasten

52.099

47.978

4.121

Financiële baten en lasten

83

Resultaat

-215

Vrijval uit bestemmingsreserve 2019

1.078

Genormaliseerd resutaat 2020

863

83 -304

89

De baten van de sector (v)so zijn € 4,3 miljoen hoger dan begroot. Dit betreft grotendeels (€ 2,8 miljoen) de indexatie van de rijksbekostiging ter dekkingen van de gestegen loonkosten in de CAO en vanuit het afgesloten convenant 2019. Daarnaast zijn er meer inkomsten vanuit de gemeente voor ROB beste leraren en werkdrukvermindering en ESF (€ 0,9) en er is een eenmalige bijdrage ontvangen van het participatiefonds ter dekking van de gestegen loonkosten als gevolg van de herwaardering van OOP-functies binnen de sector (€ 0,6 miljoen). De stijging van de lasten (inclusief financiële lasten) ad € 4,2 miljoen bestaat uit hogere loonkosten voortvloeiend uit de CAO (€ 2,5 miljoen) en meer kosten voor externe inhuur en nascholing voor de invulling van de projecten ROB beste leraren en werkdrukvermindering en voor de invulling van ziektevervanging (€ 1 miljoen). Tot slot zijn de voorzieningen voor langdurig blijvend zieken en jubilea met een bedrag van € 0,5 miljoen vrijgevallen. Bedragen x € 1.000

ABB Baten Lasten Financiële baten en lasten Resultaat Nog naar sectoren te alloceren resultaat Resultaat na nog te alloceren resultaat

2020 Begroting 1.011 163 911 163 9 0 91 0 2.750 -2.750

0 0

Verschil 848 748 9 91 0 0

De baten voor bestuur en BOOR Services zijn hoger door detacheringen en doordat binnen BOOR Services activiteiten zijn uitgevoerd waar subsidie voor ontvangen is. De nog te alloceren voorziening betreft een voorziening die vooralsnog op bestuurlijk niveau is genomen om te anticiperen op het risico van een veranderende toepassing van de richtlijnen voor de jaarverslaggeving in de voorziening voor groot onderhoud. Dit risico wordt naar alle waarschijnlijkheid in 2023 manifest. 70

BESTUURSVERSLAG - BOOR JAARVERSLAG 2020

Verdeling van de lasten over de sectoren In onderstaande grafiek zijn de lasten 2020 met de vergelijkende cijfers 2019 verdeeld over de drie onderwijssectoren en de kosten voor ABB (Administratie, Beheer en Bestuur). De verdeling is daarbij als volgt: In verband met de veranderende toepassing van de richtlijnen voor de jaarverslaglegging is in 2020 een extra voor voorziening groot onderhoud gevormd die in een later stadium nog ten laste van de sectoren wordt gebracht. De kosten ABB stijgen 0,5% naar 4,6%. Deze stijging wordt vooral veroorzaakt door personele voorzieningen die moesten worden gevormd en niet waren voorzien in de begroting.

Financiële positie De balans en staat van baten en lasten leiden tot onderstaande kengetallen. Deze kengetallen zijn vergeleken met de signaleringswaarde zoals de onderwijsinspectie deze hanteert. De inspectie heeft niet voor alle kengetallen een signaleringswaarde bepaald. Met behulp van de signaleringswaarde bepaalt de inspectie of er mogelijk sprake is van een financieel risico en of er aanleiding is om een nader onderzoek in te stellen. Bedragen x € 1.000

Kengetallen balans Eigen vermogen Balanstotaal Solvabiliteit 1 Eigen vermogen + voorzieningen Balanstotaal Solvabiliteit 2 Vlottende activa Kortlopende schulden Liquiditeit (current ratio) Eigen vermogen excl. bestemmingsreserves Totale baten Weerstandsvermogen Activa Gebouwen Activa -/- gebouwen Totale baten incl. financiële baten Kapitalisatiefactor

Signalerings waarde onderwijs inspectie 31 december 2020 31 december 2019 € 29.249 € 33.630 € 108.884 € 103.467 26,86% 32,50% € 48.644 € 49.962 € 108.884 € 103.467 44,68% 48,29% < 30% € 47.773 € 50.943 € 44.024 € 36.648 108,51% 139,0% > 75% € 27.675 € 26.291 € 297.488 € 285.691 9,30% 9,20% < 5% € 108.884 € 103.467 € 28.272 € 25.460 € 80.612 € 78.007 € 297.488 € 285.692 27,10% 27,30% > 35%

71

BOOR JAARVERSLAG 2020 - BESTUURSVERSLAG

Bedragen x € 1.000

Kengetallen staat van baten en lasten Resultaat Totale baten Rentabiliteit Personeelslasten Totale lasten Aandeel personele lasten Materiële lasten Totale lasten Aandeel materiële lasten Totale lasten Leerlingen (1 oktober voorgaand jaar) Totale lasten per leerling (bedragen x € 1) Huisvestingslasten + afschrijving gebouwen Totale lasten Huisvestingsratio

2020 -€ 4.381 € 297.488 -1,47% € 245.002 € 300.609 81,50% € 55.607 € 300.609 18,50% € 300.609 30.389 € 9.892 € 23.745 € 300.609 7,90%

2019 € 5.166 € 285.691 1,81% € 232.702 € 280.004 83,11% € 47.302 € 280.004 16,89% € 280.004 30.483 € 9.186 € 20.488 € 280.004 7,32%

Signalerings waarde onderwijs inspectie

< -10%

-

-

-

> 10%

De ratio’s zijn in lijn met de verwachtingen. Alle ratio’s scoren ten opzichte van de signaleringsgrens positief. De totale lasten per leerling en de huisvestingsratio ontwikkelen zich naar een scenario waar er meer lasten zijn. Het is essentieel deze lasten in de toekomst te beheersen danwel gecompenseerd te krijgen.

Mogelijk bovenmatig eigen vermogen Bovenmatig eigen vermogen Totaal eigen vermogen

2020

Privaat eigen vermogen Feitelijk eigen vermogen Normatief eigen vermogen Mogelijk bovenmatig eigen vermogen

Er zijn momenteel geen indicaties van bovenmatig eigen vermogen.

Rotterdam, 26 april 2021 College van bestuur, Huub van Blijswijk Voorzitter

72

29.249

2019 33.630

0 29.249 71.081 -

0 33.630 62.267 -

BESTUURSVERSLAG - BOOR JAARVERSLAG 2020

5. Verslag algemeen bestuur Het bestuur van BOOR is ingericht volgens het one-tier board bestuursmodel. Het algemeen bestuur heeft een aantal bestuurlijke taken, houdt intern toezicht, geeft advies, legt extern verantwoording af en is werkgever van de leden van het college van bestuur. Het interne toezicht betreft de strategie, de doelen en het beleid van BOOR. In ieder geval één keer per jaar bespreekt het algemeen bestuur de invulling van de maatschappelijke taak van BOOR, de strategie van de stichting en de risico’s en de beheersing daarvan.

Prioriteiten Topprioriteit van het algemeen bestuur is (het verbeteren van) de onderwijskwaliteit. Dat is waar het in het onderwijs om te doen is. Daarnaast is de continuïteit van het onderwijs een prioriteit, zeker tegen de achtergrond van de coronacrisis en het tekort aan bevoegde leraren. Gezonde financiën en een efficiënte bedrijfsvoering vormen hiervoor een belangrijke randvoorwaarde. Bij zijn aantreden heeft het algemeen bestuur de aanbevelingen van de commissie Governance openbaar onderwijs, www.boorbestuur.nl/commissiecohen, omarmd en leidend verklaard bij de uitoefening van zijn taak. Belangrijk speerpunt is de cultuurverandering binnen de organisatie. Twee componenten hebben hierbij prioriteit: • Een bestuurlijke cultuur van bescheidenheid gericht op het onderwijs en de scholen. De scholen moeten zich volledig kunnen concentreren op het aanbieden van kwaliteitsonderwijs aan alle leerlingen met al hun onderwijsbehoeften. Het bestuur en het management zijn dienstbaar aan het primaire proces. • Een professionele cultuur waarbinnen iedereen aangesproken wordt op de eigen taken en verantwoordelijkheden. Een cultuur van afspraak is afspraak, waarin alle medewerkers verantwoordelijkheid nemen. We proberen steeds beter de samenhang met de strategische koers, het jaarplan en de bestuurscontracten tot uiting te brengen.

De strategische koers en het jaarplan vormen de basis voor de bestuurscontracten van de leden van het college van bestuur, en de managementcontracten van de bovenschools directeuren en rectoren en van de directeuren en schoolleiders.

Aandachtsgebieden in 2020 Vanzelfsprekend heeft een aantal corona-gerelateerde onderwerpen in 2020 de bestuurstafel gedomineerd. Daarbij valt te denken aan het terugdringen van leerachterstanden, opvang van kwetsbare leerlingen en veiligheid van het personeel. Echter, ook een aantal onderwerpen op bedrijfsvoeringsvlak kregen meer urgentie door de coronacrisis. Zo speelden bijvoorbeeld kwesties als toereikende ventilatie op scholen, digitale toegankelijkheid en cybersecurity en oplopende schoonmaakkosten. Andere belangrijke onderwerpen waar het bestuur in 2020 veel aandacht aan heeft besteed zijn onderwijskwaliteit, het lerarentekort, leiderschap en organisatieontwikkeling, identiteit en burgerschap, spreiding van de onderwijsvoorzieningen en de samenwerking met andere schoolbesturen, in het bijzonder de ontwikkeling van een convenant VO op Noord en voor het basisonderwijs de gesprekken over het toekomstperspectief van kleine scholen. Op het gebied van bedrijfsvoering waren het beleid financiële sturing inclusief weerstandsvermogen, ICT en de daaruit te behalen voordelen voor onder andere het onderwijs op afstand en het lerarentekort, de eerste resultaten van de professionalisering van de inkoopfunctie en de verdere verbetering van de bedrijfsvoering prioriteiten.

Op het gebied van huisvesting vroegen de naderende nieuwbouwprojecten en de landelijke gesprekken over de voorziening groot onderhoud om aandacht. De maatschappelijke taak van BOOR en het imago van de stichting zijn regelmatig terugkerende thema’s in

73

BOOR JAARVERSLAG 2020 - BESTUURSVERSLAG

de besprekingen van het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur heeft in het najaar een zelfevaluatie gedaan. Voor meer informatie over de besproken onderwerpen in de bestuursvergaderingen en de audit- en onderwijscommissie, zie onder kopje commissies.

Samenstelling Het algemeen bestuur bestaat uit zes personen. De eerste bestuurstermijn van de oorspronkelijke leden17 van het algemeen bestuur liep af per februari 2017. De leden van het algemeen bestuur zijn per die datum door de gemeenteraad herbenoemd voor vier jaar. Om continuïteit in het bestuur te waarborgen, en opgebouwde kennis te behouden en over te brengen, is het wenselijk dat de leden van het algemeen bestuur niet gelijktijdig aftreden. Hiertoe is een rooster van aftreden vastgesteld, waarin er ‘getrapt’ afscheid genomen wordt van de bestuurders uit het algemeen bestuur. Daarmee wordt een balans gecreëerd tussen behoud van kennis en ervaring enerzijds en vernieuwing anderzijds. Dat betekent dat niet alle leden de volledige termijn van vier jaar volmaken. In 2020 hebben enkele mutaties plaatsgevonden of zijn voorbereid: • Ter voorbereiding op het aftreden van mevrouw Miriam Scha volgens het rooster van aftreden per 15 februari 2020, is in 2019 geworven voor een lid van het algemeen bestuur en daarbinnen voorzitter van de remuneratiecommissie en lid van de onderwijscommissie, met aandachtsgebied HRM. Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad mevrouw Jessica van Wingerden per 1 maart 2020 benoemd tot lid van het algemeen bestuur. Miriam Scha is op 29 februari 2020 afgetreden.

• Volgens het rooster van aftreden zou ook de heer Paul Zevenbergen per 15 februari 2020 het algemeen bestuur verlaten. Daarom is in 2019 geworven voor een lid van het algemeen bestuur en daarbinnen lid van de onderwijscommissie, met aandachtsgebied Onderwijskwaliteit. Op 20 februari 2020 heeft de gemeenteraad de heer Hamit Karakus per 1 maart 2020 benoemd tot lid van het algemeen bestuur. Paul Zevenbergen is op 29 februari 2020 afgetreden. • Volgens het rooster van aftreden hebben de heer Philip Geelkerken en mevrouw Marianne van den Anker het algemeen bestuur respectievelijk per 1 en per 15 februari 2021 verlaten. Het algemeen bestuur heeft in 2020 een nieuwe voorzitter en een nieuw lid geworven, die in november middels een officiële brief bij de gemeente Rotterdam zijn voorgedragen. In de raadvergadering van 18 februari 2021 heeft de gemeenteraad mevrouw Mariëtte Hamer tot voorzitter en de heer Leen Paape tot lid van het algemeen bestuur benoemd.. De samenstelling van het algemeen bestuur in 2020, alsmede de hoofd- en nevenfuncties van de leden, zijn hierboven te vinden.

Commissies Het algemeen bestuur kent drie commissies: de auditcommissie, de remuneratiecommissie en de onderwijscommissie. De commissies hebben een voorbereidende en adviserende taak. Leden van het algemeen bestuur adviseren en ondersteunen het college van bestuur verder incidenteel vanuit hun eigen expertise en achtergrond (onderwijsinhoudelijk, financieel, personeelsbeleid, huisvesting, communicatie en dergelijke).

17 74

Benoemd na het rapport van de commissie Cohen in 2013.

BESTUURSVERSLAG - BOOR JAARVERSLAG 2020

Auditcommissie De auditcommissie adviseert het algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd over de rechtmatigheid en doelmatigheid van het financieel beheer en beleid van stichting BOOR (besteding van de Rijksmiddelen, opbouw weerstandsvermogen, begrotingszaken, eventuele bezuinigingstaakstellingen), bedrijfsvoering, ICT, inkoop en huisvesting. In de auditcommissie is in 2020 gesproken over het jaarverslag en jaarrekening 2019, het verslag bij de jaarrekening en de managementletter van de accountant (deze documenten zijn ook besproken met de accountant), de begroting 2021, financiële (bij)sturing inclusief het weerstandsvermogen, de financiële impact van de coronacrisis en het lerarentekort, treasury, ICT en cybersecurity, de evaluatie van het inkoopbeleid, de spendanalyse, de spreiding van onderwijsvoorzieningen, de bouwprojecten en de bijkomende risico’s, het MJOP, de voorziening voor groot onderhoud en de verbetering van de bedrijfsvoering. Naast twee leden van het algemeen bestuur maakt ook een extern deskundig lid deel uit van deze commissie: Naam

Hoofdfunctie

Nevenfuncties

De heer Rens Knegt, extern lid auditcommissie

Eigenaar Paradera Consultancy

• Lid raad van commissarissen Brightlands Maastricht Health Campus BV • Voorzitter raad van commissarissen Optixolar Holding BV • Voorzitter raad van toezicht ROC Albeda • Bestuurslid theatervereniging Sociëteit Casino Den Bosch

De heer Rens Knegt is in de bestuursvergadering van 23 april 2014 door het algemeen bestuur benoemd tot extern lid van de auditcommissie per 1 augustus 2014. Het algemeen bestuur heeft de heer Knegt voor zijn eerste termijn benoemd tot het aflopen van de termijn van het algemeen bestuur, dat was 15 februari 2017. Vervolgens is de heer Knegt door het algemeen bestuur herbenoemd voor een tweede termijn, tot 15 februari 2021. Materieel is de heer Knegt daarmee bijna zeven jaar lid van de audit commissie na afloop van zijn tweede termijn. Op 7 december 2020 heeft het algemeen bestuur besloten het extern lidmaatschap van de heer Knegt met een jaar te verlengen, tot 15 februari 2022. Remuneratiecommissie De remuneratiecommissie voert namens het algemeen bestuur en met input van betrokkenen binnen en buiten de organisatie de functionerings- en beoordelingsgesprekken met de leden van het college van bestuur. De basis daarvoor wordt gevormd door het koersdocument, het jaarplan en de bestuurscontracten. Onderwijscommissie De onderwijscommissie adviseert het algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd over zaken die de onderwijskwaliteit betreffen.

In de onderwijscommissie is de aandacht in 2020 uiteraard veel uitgegaan naar (online) thuisonderwijs, het terugdringen van de leerachterstanden die ontstonden als gevolg van de corona-maatregelen, de veiligheid van het personeel in corona-tijd en de opvang van kwetsbare leerlingen. Daarnaast was er aandacht voor grote thema’s als de verbetering van de kwaliteit in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs, de voorbereiding van het herstelonderzoek van de Inspectie in maart 2021, het lerarentekort met daaraan gerelateerd anders organiseren, de samenwerking tussen onderwijs en zorg, de uitkomsten van de tevredenheidsonderzoeken, Passend Onderwijs en het terugdringen van het aantal thuiszitters, HR-ontwikkelingen; onder andere het beleid rondom exitgesprekken, verzuim, kwaliteit van leiderschap en de ontwikkeling van personeel.

75

BOOR JAARVERSLAG 2020 - BESTUURSVERSLAG

Vergaderingen In 2020 zijn vijf bestuursvergaderingen geweest. Onder andere zijn het jaarplan en de begroting 2021 en het jaarverslag en de jaarrekening 2019 van BOOR vastgesteld. Vanzelfsprekend waren de coronacrisis en corona-gerelateerde onderwerpen bij elke vergadering onderwerp van gesprek. Daarnaast kwamen vele onderwerpen op het gebied van personeelsbeleid, onderwijshuisvesting, onderwijskwaliteit, bedrijfsvoering, medezeggenschap en de communicatie met personeel, ouders en leerlingen aan bod.18 Ook vroegen zowel de werving van een lid college van bestuur als de werving van een lid en voorzitter voor het algemeen bestuur aandacht. Bij de bestuursvergaderingen zijn altijd de leden van het algemeen bestuur en het college van bestuur aanwezig. Incidenteel zijn er, afhankelijk van de agendapunten, medewerkers van BOOR Services aanwezig. Het is mogelijk om als toehoorder het openbare gedeelte van de vergadering bij te wonen. De vergaderingen kennen ook een besloten gedeelte, waarin vertrouwelijke zaken worden besproken. Waar mogelijk wordt de uitkomst van deze besprekingen medegedeeld in het openbare deel van de vergadering. De agenda wordt voor elke vergadering openbaar gemaakt en na elke vergadering worden de kernpunten gepubliceerd. Uiteindelijk worden de vastgestelde verslagen geplaatst. De stukken zijn te vinden op www.boorbestuur.nl/bestuursvergaderingen.

Zelfevaluatie Wegens de landelijke corona-maatregelen heeft er geen fysieke retraite kunnen plaatsvinden in 2020. Het bestuur heeft daarom een schriftelijke zelfevaluatie gedaan. Gedachte is om een volgende keer weer met behulp van een externe een zelfevaluatie te organiseren. De reacties uit de schriftelijke ronde zijn bijeengebracht en besproken tijdens de bestuursvergadering op 7 december 2020. Uit de reacties blijkt dat de leden over het algemeen content zijn met: • De herkenbaarheid en invulling van de rollen • De agendasetting • De open en professionele cultuur • De werkwijze met commissies • De relatie tussen algemeen bestuur en college van bestuur • Informatievoorziening over belangrijke ontwikkelingen en incidenten. Daarnaast is er een aantal aandachtspunten. Het wringt dat BOOR zich bevindt in een periode van veel bestuurswisselingen, terwijl er tegelijk als gevolg van de corona-maatregelen weinig fysiek contact mogelijk is. Hieraan verwant is het voeling krijgen en/of behouden met de basis, het onderwijs, middels schoolbezoeken een aandachtspunt (ook niet mogelijk als gevolg van corona). Ten derde komt de klankbordrol nog onvoldoende uit de verf. Ook al komen de juiste onderwerpen ter tafel, de wens is geuit om thema’s die spelen eerder te bespreken en aan de cvb-leden is gevraagd dilemma’s daarin te delen.

Tegelijk is een oproep gedaan om helder te zijn in de adviesrol versus de toezichtrol. Het bestuur heeft daarom op 7 december de volgende zaken besloten: • De retraite die in juni gepland staat, wordt naar voren gehaald (maart). Het bestuur komt dan na de start van de nieuwe voorzitter en het nieuwe lid algemeen bestuur, fysiek bijeen (in een grote ruimte). Op die manier kunnen de leden elkaar beter leren kennen, de rollen van algemeen bestuur en college van bestuur verkennen en werkafspraken maken;

18

76

Onderwerpen die tijdens de vergadering van het algemeen bestuur worden besproken, zijn voorbereid in de commissies. Zie onder ‘auditcommissie’ en ‘onderwijscommissie’ een uitgebreidere weergave van de onderwerpen waarover ook in het algemeen bestuur is gesproken.

BESTUURSVERSLAG - BOOR JAARVERSLAG 2020

• Het algemeen bestuur besluit om over de schoolbezoeken werkafspraken te maken in de retraite. Een suggestie is om online werkbezoeken te organiseren en online aan te haken bij verschillende gremia; • Het algemeen bestuur besluit de uitgangspunten van toezicht en de klankbord/adviesrol te bespreken in de bijeenkomst in maart en daar de thema’s te bepalen waarop het bestuur gezamenlijk richting wil bepalen komend jaar. • In de commissies wordt in 2021 verder nagedacht over invulling van een extern lidmaatschap, of flexibel blijven door het wisselend uitnodigen van expert en/of een brugfunctie voor één of meerdere leden; • Het algemeen bestuur benoemt het behoud van voeling en verbinding met de Rotterdamse samenleving tot een aandachtspunt, om met elkaar te verkennen in de retraite;  

Overige contacten BOOR is een publieke organisatie die verantwoording wil afleggen, zowel verticaal als horizontaal over de resultaten die worden bereikt met de inzet van publieke middelen. De voorzitters en leden van het algemeen bestuur en het college van bestuur leggen regelmatig schriftelijk en mondeling verantwoording af aan de gemeenteraad van Rotterdam: de subcommissie BOOR en de commissie Zorg, Onderwijs, Cultuur en Sport en de raad in zijn geheel. Ook spreken de voorzitter van het algemeen bestuur en de voorzitter van het college van bestuur met regelmaat de wethouder Onderwijs en de directeur Jeugd en Onderwijs van de gemeente Rotterdam. Helaas hebben de leden van het algemeen bestuur wegens de coronacrisis minder schoolbezoeken kunnen afleggen dan gebruikelijk. Wel hebben zij (digitaal) vergaderingen van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden bijgewoond en heeft de voorzitter van het algemeen bestuur tweemaal gesproken met de voorzitters van de drie gemeenschappelijke medezeggenschapsraden.

Toezichtkader gemeente De toezichthoudende rol van de gemeente is beschreven in een toezichtkader. Hierin is de informatie- en verantwoordingsverplichting van het bestuur aan de gemeenteraad opgenomen. In 2018 is het toezichtkader bijgesteld, passend bij de ontwikkeling van BOOR in de laatste jaren. De informatie- en verantwoordingsverplichting van stichting BOOR in het toezichtkader en de uitwerking ervan is geactualiseerd en beide zijn samengevoegd tot één document. Het toezichtkader is te vinden op www.boorbestuur.nl/toezichtkader. Bij de voortgangsrapportages wordt het gemeentelijk toezichtkader gebruikt.

Toezicht op de doelmatige besteding van de Rijksmiddelen Op basis van de advisering door de auditcommissie en het gesprek daarover tijdens de eigen vergaderingen heeft het algemeen bestuur vastgesteld dat, voor zover zij dat kon nagaan, de middelen doelmatig en rechtmatig zijn verkregen en verstrekt. Het algemeen bestuur heeft deze conclusie, naast interne informatie, mede getrokken op basis van de verslaglegging van de externe accountant.

Rotterdam, 26 april 2021 Algemeen bestuur, Mariëtte Hamer Voorzitter

77

BOOR JAARVERSLAG 2020 - JAARREKENING

B. Jaarrekening 6. Balans De balans per 31 december, na verwerking van het resultaat, is als volgt: Bedragen x € 1.000

Activa Vaste activa Materiële vaste activa (1) Financiële vaste activa (2)

31 december 2020

31 december 2019

61.046 65

52.459 65

Vlottende activa Vorderingen (3)

13.936

12.999

Liquide middelen (4) Totaal activa

33.837 108.884

37.944 103.467

31 december 2020 29.249 19.395 16.216 44.024

31 december 2019 33.630 16.332 16.857 36.648

108.884

103.467

Passiva Eigen vermogen (5) Voorzieningen (6) Langlopende schulden (7) Kortlopende schulden (8) Totaal passiva

78

JAARREKENING - BOOR JAARVERSLAG 2020

7. Staat van baten en lasten De staat baten en lasten is als volgt: Bedragen x € 1.000

Baten Rijksbijdragen OCW (9) Overige overheidsbijdragen en subsidies (10) Overige baten (11) Totaal baten

2020

Begroting

2019

269.347 16.206 11.935 297.488

251.255 14.283 10.277 275.815

259.571 14.174 11.946 285.691

Lasten Personele lasten (12)

245.002

230.107

232.702

Afschrijvingen (13)

5.322

5.235

4.917

Huisvestingslasten (14)

22.701

19.235

19.567

Overige lasten (15) Totaal lasten

27.584 300.609

22.735 277.312

22.818 280.004

-3.121 -1.260 -4.381

-1.497 -497 -1.994

5.687 -521 5.166

Saldo baten en lasten Financiële baten en lasten (16) Resultaat

79

BOOR JAARVERSLAG 2020 - JAARREKENING

8. Kasstroomoverzicht Het kasstroomoverzicht is als volgt:

Operationele kasstroom Saldo baten en lasten Correcties op resultaat: - Afschrijvingen (14) - Mutaties voorzieningen (6) - Discontering voorzieningen (16) Veranderingen in vlottende middelen: - Vorderingen (3) - Kortlopende schulden exclusief bankkrediet Kasstroom uit bedrijfsoperaties

Bedragen x € 1.000

2020

2019

-3.121

5.687

5.322 3.063 -757

4.917 1.514 0

-937 7.373 10.943

917 1.345 14.380

Ontvangen rente (16) Betaalde rente (16) Totaal operationele kasstroom

0 -502 10.441

0 -521 13.859

Investeringskasstroom Investeringen in materiële vaste activa (1) Desinvesteringen vaste activa (1) Totaal investeringskasstroom

-13.911 4 -13.907

-8.508 179 -8.329

0 0 -641 -641

0 4.000 -633 3.367

-4.107

8.897

Financieringskasstroom Aflossing/opname bankkrediet (7) Opname langlopende schulden (7) Aflossing langlopende schulden (7) Totaal financieringskasstroom Totaal kasstroom

Toelichting Ten opzichte van 2019 is de kasstroom € 13 miljoen lager. Dit kan worden verklaard doordat in 2019 een lening is opgenomen van € 4 miljoen en in 2019 van OCW circa € 7 miljoen vanuit extra Rijksbekostiging ontvangen is dat in 2020 uitgegeven is. Aan de andere kant is € 3,3 miljoen minder geïnvesteerd in materiële vaste activa. In onderstaande tabel zijn de begin- en eindstanden van de geldmiddelen opgenomen: Bedragen x € 1.000

Kas- en banktegoeden op 1 januari Beginsaldo geldmiddelen

2020 37.944 37.944

Kas- en banktegoeden op 31 december Eindsaldo geldmiddelen

33.837 33.837

37.944 37.944

Mutatie geldmiddelen

-4.107

8.897

80

2019 29.047 29.047

JAARREKENING - BOOR JAARVERSLAG 2020

9. Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling Algemeen Activiteiten van de rechtspersoon Stichting BOOR verzorgt het openbaar (speciaal) basisonderwijs, voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in Rotterdam. In totaal zijn er 74 scholen, waar dagelijks aan ruim 30.000 leerlingen wordt lesgegeven. Stichting BOOR is feitelijk gevestigd op Schiekade 34, Postbus 23058 te Rotterdam en is ingeschreven bij het handelsregister onder nummer 24424572.

Verslaggevingsperiode De jaarrekening is opgesteld uitgaande van een verslaggevingsperiode van een kalenderjaar.

Continuïteit De jaarrekening is opgesteld uitgaande van een continuïteitsveronderstelling. Daarbij heeft de coronacrisis slechts zeer beperkte invloed op de continuïteit van de activiteiten van Stichting BOOR.

Vergelijkende cijfers De vergelijkende cijfers zijn ongewijzigd, met uitzondering van enkele herrubriceringen in het resultaat.

Algemene grondslagen voor de opstelling van de jaarrekening De jaarrekening over 2020 is opgesteld conform de richtlijnen van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. In deze regeling is bepaald dat de bepalingen van Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (in het bijzonder RJ 660 Onderwijsinstellingen) van toepassing zijn met inachtneming van de daarin aangeduide uitzonderingen. De grondslagen die worden toegepast voor de waardering van activa en passiva en de resultaatbepaling zijn gebaseerd op historische kosten, tenzij anders vermeld in de verdere grondslagen. Baten en lasten worden tijdsevenredig toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat reguliere onderwijstaken gelijkmatig over het schooljaar zijn verspreid. Winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Lasten en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden voor het einde van het verslagjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. De bedragen in de jaarrekening worden gepresenteerd in duizenden euro’s. Als gevolg van afrondingen zijn in sommige gevallen geringe verschillen ontstaan. Deze verschillen tasten het getrouwe beeld van de jaarrekening niet aan en zijn geen belemmering voor het verkrijgen van het vereiste inzicht.

In diverse tekstuele toelichtingen en in enkele tabellen worden nog bedragen in euro’s vermeld.

Financiële instrumenten Financiële instrumenten worden bij de eerste opname verwerkt tegen reële waarde, waarbij (dis)agio en de direct toerekenbare transactiekosten in de eerste opname worden meegenomen. Indien echter financiële instrumenten bij

81

BOOR JAARVERSLAG 2020 - JAARREKENING

de vervolgwaardering worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de staat van baten en lasten, worden direct toerekenbare transactiekosten direct verwerkt in de staat van baten en lasten.

Reële waarde De reële waarde van de in de balans opgenomen financiële instrumenten verantwoord onder kasmiddelen, kortlopende vorderingen en kortlopende schulden benadert de boekwaarde ervan. De reële waarde van een financieel instrument is het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en van elkaar onafhankelijk zijn. • De reële waarde van beursgenoteerde financiële instrumenten wordt bepaald aan de hand van de biedprijs. • De reële waarde van niet-beursgenoteerde financiële instrumenten wordt bepaald door de verwachte kasstromen contant te maken tegen een disconteringsvoet die gelijk is aan de geldende risicovrije marktrente voor de resterende looptijd vermeerderd met krediet- en liquiditeitsopslagen. Een financieel actief dat niet wordt gewaardeerd tegen reële waarde met waardewijzigingen in de staat van baten en lasten wordt op iedere verslagdatum beoordeeld om te bepalen of er objectieve aanwijzingen bestaan dat het actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan.

Een financieel actief wordt geacht onderhevig te zijn aan een bijzondere waardevermindering indien er objectieve aanwijzingen zijn dat na de eerste opname van het actief zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die een negatief effect heeft gehad op de verwachte toekomstige kasstromen van dat actief en waarvan een betrouwbare schatting kan worden gemaakt. Objectieve aanwijzingen dat financiële activa onderhevig zijn aan een bijzondere waardevermindering omvatten het niet nakomen van betalingsverplichtingen en achterstallige betaling door een debiteur, herstructurering van een aan de stichting toekomend bedrag onder voorwaarden die de stichting anders niet zou hebben overwogen, aanwijzingen dat een debiteur of emittent failliet zal gaan, en het verdwijnen van een actieve markt voor een bepaald effect. Aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen van vorderingen worden zowel op het niveau van specifieke activa als op collectief niveau in aanmerking genomen. Van afzonderlijk belangrijke vorderingen en beleggingen wordt beoordeeld of deze individueel onderhevig zijn aan bijzondere waardevermindering.

Van afzonderlijk belangrijke vorderingen en beleggingen die niet individueel onderhevig zijn gebleken aan bijzondere waardevermindering en van afzonderlijk niet belangrijke vorderingen wordt collectief beoordeeld of deze onderhevig zijn aan bijzondere waardevermindering, dit door samenvoeging van vorderingen en beleggingen met vergelijkbare risicokenmerken. Bij de beoordeling van de collectieve waardevermindering gebruikt de stichting historische trends met betrekking tot de waarschijnlijkheid van het niet nakomen van betalingsverplichtingen, het tijdsbestek waarbinnen incassering plaatsvindt en de hoogte van gemaakte verliezen. De uitkomsten worden bijgesteld als het bestuur van oordeel is dat de huidige economische en kredietomstandigheden zodanig zijn dat het waarschijnlijk is dat de daadwerkelijke verliezen hoger dan wel lager zullen zijn dan historische trends suggereren. Verliezen worden opgenomen in de staat van baten en lasten. Rente op het aan een bijzondere waardevermindering onderhevige actief blijft verantwoord worden via oprenting van het actief met de oorspronkelijke effectieve rente van het actief.

Bijzondere waardeverminderingsverliezen onder de (geamortiseerde) kostprijs van de beleggingen in effecten die tegen reële waarde worden gewaardeerd, met verwerking van waardewijzigingen in het eigen vermogen, worden direct ten laste van de staat van baten en lasten verantwoord.

82

JAARREKENING - BOOR JAARVERSLAG 2020

Een bijzonder waardeverminderingsverlies met betrekking tot een tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd financieel actief wordt berekend als het verschil tussen de boekwaarde en de contante waarde van de verwachte toekomstige kasstromen, gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rente van het actief. Als in een latere periode de waarde van het actief, onderhevig aan een bijzondere waardevermindering, stijgt en het herstel objectief in verband kan worden gebracht met een gebeurtenis die plaatsvond na de opname van het bijzondere waardeverminderingsverlies, wordt het bedrag uit hoofde van het herstel (tot maximaal de oorspronkelijke kostprijs) opgenomen in de staat van baten en lasten. De stichting maakt geen gebruik van afgeleide instrumenten (derivaten). Voor de grondslagen van primaire financiële instrumenten wordt verwezen naar de behandeling per balanspost. Verbonden partijen Als verbonden partij worden alle rechtspersonen aangemerkt waarover overheersende zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis kan worden uitgeoefend. Ook rechtspersonen die overwegende zeggenschap kunnen uitoefenen worden aangemerkt als verbonden partij. Daarnaast zijn andere sleutelfunctionarissen in het management van Stichting BOOR en nauwe verwanten verbonden partijen.

Transacties van betekenis met verbonden partijen worden toegelicht voor zover deze niet onder normale marktvoorwaarden zijn aangegaan. Hiervan wordt toegelicht de aard en de omvang van de transactie en andere informatie die nodig is voor het verschaffen van het inzicht.

Grondslagen voor waardering van activa en passiva Algemeen Activa en verplichtingen worden in het algemeen gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs of de actuele waarde. Indien geen specifieke waarderingsgrondslag is vermeld vindt waardering plaats tegen de verkrijgingsprijs. In de balans, de staat van baten en lasten en het kasstroomoverzicht zijn referenties opgenomen. Met deze referenties wordt verwezen naar de toelichting. Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar de stichting zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Indien een transactie ertoe leidt dat nagenoeg alle of alle toekomstige economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot een actief of verplichting aan een derde zijn overgedragen, wordt het actief of de verplichting niet langer in de balans opgenomen.

Verder worden activa en verplichtingen niet meer in de balans opgenomen vanaf het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van waarschijnlijkheid van de toekomstige economische voordelen en/of betrouwbaarheid van de bepaling van de waarde.

Vergelijking met voorgaand jaar (stelselwijziging) De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorgaande jaar, uitgezonderd voorzieningen. De voorzieningen worden (als gevolg van de wijziging in RJ 252) met ingang van 2020 gewaardeerd op contante waarde, tenzij de looptijd naar verwachting beperkt is tot 1 jaar. In 2019 was alleen de voorziening jubileum contant gemaakt. De gehanteerde disconteringsvoet bedraagt 1% zijnde de

83

BOOR JAARVERSLAG 2020 - JAARREKENING

betrokken rente op schatkistbankieren voor Stichting BOOR (2019: 1%). De vergelijkende cijfers 2019 zijn niet aangepast. De impact van deze stelselwijziging op het resultaat 2020 bedraagt circa € 678.000. Schattingen De opstelling van de jaarrekening vereist dat het bestuur oordelen vormt en schattingen en veronderstellingen maakt die van invloed zijn op de toepassing van grondslagen en de gerapporteerde waarde van activa en verplichtingen, en van baten en lasten. De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken van deze schattingen. De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld. Herzieningen van schattingen worden opgenomen in de periode waarin de schatting wordt herzien en in toekomstige perioden waarvoor de herziening gevolgen heeft. Bij de voorzieningen is aangegeven welke veronderstellingen de basis vormen voor de getroffen voorziening.

Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd op verkrijgingprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen, ontvangen investeringssubsidies en eventuele bijzondere waardeverminderingen. De afschrijvingen worden gebaseerd op de geschatte economische levensduur en worden berekend op basis van een vast percentage van de verkrijgingprijs, rekening houdend met eventuele residuwaarde. Er wordt afgeschreven vanaf het moment van ingebruikname. Het minimumbedrag voor een investering bedraagt € 2.500 in het VO en € 500 in het PO. De gebouwen en terreinen binnen Rotterdam zijn juridisch en economisch eigendom van de gemeente Rotterdam en hebben vanuit dit oogpunt derhalve geen waarde op de balans van de stichting. Er zijn inmiddels afspraken gemaakt met de gemeente Rotterdam om het juridisch eigendom over te dragen aan BOOR. Dit zal gefaseerd, in meerdere tranches, plaatsvinden. Onder de materiële vaste activa zijn ook begrepen de investeringen in het voortgezet onderwijs, waarvoor geen vergoeding werd ontvangen en die plaatsvinden in of aan gebouwen die door het Rijk c.q. de gemeente zijn gefinancierd. Dit betreft de volgende investeringen: capaciteitsuitbreidingen, vervangen van installaties (niet onderhoud) en overige interne aanpassingen die levensduur verlengend zijn voor het betreffende pand of het complex.

Uitgangspunt bij alle investeringen is dat deze, zoals aangegeven, levensduur verlengend zijn voor het betreffende pand of het complex. Overheidssubsidies worden in mindering gebracht op de kostprijs van de activa waarop de subsidies betrekking hebben. De gebouwen en terreinen in de gemeente Lansingerland zijn door volledige doordecentralisatie eigendom van BOOR. Deze gebouwen worden gewaardeerd op verkrijgingprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen, ontvangen investeringssubsidies en eventuele bijzondere waardeverminderingen.

Afschrijvingen Materiële vaste activa worden vanaf het moment van gereedheid voor ingebruikneming afgeschreven over de verwachte toekomstige gebruiksduur van het actief. Over terreinen wordt niet afgeschreven. De afschrijvingstermijn wordt gebaseerd op de economische levensduur. Op grond hiervan zijn afschrijvingstermijnen vastgesteld. Het is een school toegestaan een kortere afschrijvingstermijn te hanteren, indien de geprognosticeerde levensduur korter is dan de vermelde termijn. De maximale termijnen zijn als volgt:

84

JAARREKENING - BOOR JAARVERSLAG 2020

Gemiddeld %

Termijn

Aanpassing gebouwen

7%

10-55 jaar

Gebouwen en terreinen

Gymzalen

8%

37,5 jaar

Inventaris en apparatuur

Inventaris en stoffering

7%

3-23 jaar

Inventaris en apparatuur

Audiovisuele installaties

15%

3-25 jaar

Inventaris en apparatuur

Elektronische apparatuur

14%

3-25 jaar

Inventaris en apparatuur

Infrastructuur

11%

3-12,5 jaar

Inventaris en apparatuur

12%

6,25-15 jaar

21%

1-25 jaar

Andere bedrijfsmiddelen

Machines Hardware/software/ audiovisuele middelen Muziekinstrumenten

13%

5-10 jaar

Andere bedrijfsmiddelen

Lesmateriaal

11%

2,25-10 jaar

Omschrijving Gebouwen en terreinen

Activa

Inventaris en apparatuur

Op materiële vaste bedrijfsactiva in uitvoering en vooruitbetalingen op materiële vaste activa wordt afgeschreven op moment van ingebruikname.

Financiële vaste activa De waarborgsommen worden initieel gewaardeerd tegen reële waarde. Vervolgens worden deze gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. Bijzondere waardeverminderingen worden in mindering gebracht op de staat van baten en lasten. Waardeverminderingen BOOR beoordeelt op iedere balansdatum of er aanwijzingen zijn dat een vast actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief vastgesteld. Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde voor het individuele actief te bepalen, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort. Van een bijzondere waardevermindering is sprake als de boekwaarde van een actief hoger is dan de realiseerbare waarde; de realiseerbare waarde is de hoogste van de opbrengstwaarde en de bedrijfswaarde. Een bijzonder-waardeverminderingsverlies wordt direct als last verwerkt in de staat van baten en lasten onder gelijktijdige verlaging van de boekwaarde van het betreffende actief. De opbrengstwaarde wordt in eerste instantie ontleend aan een bindende verkoopovereenkomst; als die er niet is, wordt de opbrengstwaarde bepaald met behulp van de actieve markt waarbij normaliter de gangbare biedprijs geldt als marktprijs.

De in aftrek te brengen kosten bij het bepalen van de opbrengstwaarde zijn gebaseerd op de geschatte kosten die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan de verkoop en nodig zijn om de verkoop te realiseren. Voor de bepaling van de bedrijfswaarde wordt een inschatting gemaakt van de toekomstige netto kasstromen bij voortgezet gebruik van het actief/de kasstroomgenererende eenheid; vervolgens worden deze kasstromen contant gemaakt waarbij een disconteringsvoet wordt gehanteerd. De disconteringsvoet geeft geen risico’s weer waarmee in de toekomstige kasstromen al rekening is gehouden. Indien wordt vastgesteld dat een bijzondere waardevermindering die in het verleden verantwoord is, niet meer bestaat of is afgenomen, dan wordt de toegenomen boekwaarde van de desbetreffende activa niet hoger gesteld dan de boekwaarde die bepaald zou zijn indien geen bijzondere waardevermindering voor het actief zou zijn verantwoord. Ook voor financiële instrumenten beoordeelt BOOR op iedere balansdatum of er objectieve aanwijzingen zijn voor bijzondere waardeverminderingen van een financieel actief of een groep van financiële activa. Bij objectieve aanwijzingen

85

BOOR JAARVERSLAG 2020 - JAARREKENING

voor bijzondere waardeverminderingen bepaalt BOOR de omvang van het verlies uit hoofde van de bijzondere waardeverminderingen, en verwerkt dit direct in de staat van baten en lasten. Bij een investering in eigen-vermogensinstrumenten gewaardeerd tegen kostprijs wordt de omvang van de bijzondere waardevermindering bepaald als het verschil tussen de boekwaarde van het financiële actief en de best mogelijke schatting van de toekomstige kasstromen, contant gemaakt tegen de actuele vermogenskostenvoet voor een soortgelijk financieel actief. Het bijzondere-waardeverminderingsverlies wordt slechts teruggenomen indien er aanwijzingen zijn dat een in voorgaande jaren in de jaarrekening verwerkt verlies als gevolg van waardevermindering niet meer aanwezig is of veranderd is.

Vervreemding van vaste activa Voor verkoop beschikbare vaste activa worden gewaardeerd tegen boekwaarde of lagere opbrengstwaarde.

Vlottende activa Vorderingen Vorderingen en overlopende activa worden na eerste opname gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs op basis van de effectieve rentemethode, verminderd met bijzondere waardeverminderingsverliezen. Voor vorderingen en overlopende activa, waar niet expliciet rente wordt berekend en sprake is van korte looptijden, is het effect van disconteren in het algemeen gering. Voor deze post is de nominale waarde gehanteerd als invulling van de grondslag geamortiseerde kostprijs. Huisvestingsprojecten Onder de vorderingen is ook de post huisvestingsprojecten opgenomen. Dit betreffen projecten waarvoor BOOR als bouwheer functioneert en waarvan de kosten op basis van een beschikking terug worden gekregen van de gemeente. Op het moment dat de kosten hoger zijn dan het door de gemeente beschikte bedrag wordt een voorziening getroffen.

In de waardering van huisvestingsprojecten worden de kosten die direct betrekking hebben op het project (zoals personeelskosten voor werknemers direct werkzaam aan het project, kosten van constructiematerialen, kosten van grond en terreinen en afschrijving van installaties en uitrusting die bij de uitvoering van het project worden gebruikt), de kosten die toerekenbaar zijn aan projectactiviteiten in het algemeen en toewijsbaar zijn aan het project (onder meer verzekeringskosten, kosten van ontwerp en technische assistentie en overheadkosten van projectactiviteiten) en andere kosten die contractueel aan de gemeente kunnen worden toegerekend, begrepen. We rekenen geen rente op schulden over het tijdvak van het project. De presentatiewijze wordt per individueel project bepaald. De projecten worden als volgt gepresenteerd: • Als vordering met betrekking tot de huisvestingsprojecten voor de projecten die in 2021 doorlopen en waarvoor BOOR meer kosten heeft gemaakt dan het ontvangen subsidiebedrag. • Als overige vordering voor de projecten die in 2020 zijn afgerond en waarbij nog een restant subsidiebedrag van de gemeente moet worden ontvangen. • Als kortlopende schuld voor de lopende projecten waarvoor een voorschot op de subsidie is ontvangen die hoger is dan de op dat moment gemaakte kosten.

• Als overige schuld voor de afgeronde projecten indien het eindsaldo aan de gemeente moet worden terugbetaald. Liquide middelen Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en deposito’s met een looptijd korter dan twaalf maanden. Rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder schulden aan kredietinstellingen onder kortlopende schulden. Liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. De liquide middelen staan ter vrije beschikking van BOOR tenzij anders vermeld. 86

JAARREKENING - BOOR JAARVERSLAG 2020

Eigen vermogen Onder het eigen vermogen zijn de algemene reserve en de bestemmingsreserves gepresenteerd. De algemene reserve bestaat uit de reserves die ter vrije beschikking staan van het bestuur. De bestemmingsreserves zijn door het bestuur gevormd voor een specifiek doel. Deze zijn omschreven in de toelichting op de balans.

Voorzieningen Een voorziening wordt in de balans opgenomen wanneer er sprake is van: • een in rechte afdwingbare of feitelijke verplichting die het gevolg is van een gebeurtenis in het verleden; • waarvan een betrouwbare schatting kan worden gemaakt; en het waarschijnlijk is dat voor afwikkeling van die verplichting een uitstroom van middelen nodig is. Onder de voorzieningen worden de personele voorzieningen en de overige voorzieningen gepresenteerd. Tenzij anders aangegeven worden de voorzieningen opgenomen tegen de beste inschatting van uitgaven die vereist zijn om de bestaande verplichting af te wikkelen op balansdatum, dit tegen contante waarde. De toevoegingen vinden plaats door middel van een dotatie ten laste van de staat van baten en lasten. Uitgaven vinden rechtstreeks plaats ten laste van de voorzieningen, met uitzondering van de ww-voorziening. Voor alle voorzieningen, tenzij anders vermeld, is een disconteringsvoet van 1% gebruikt. Waarbij dit toegepast is op de jaarlagen na jaar 1. De volgende voorzieningen zijn in de jaarrekening opgenomen: • Voorziening jubilea: Medewerkers hebben recht op een jubileumuitkering bij een dienstverband van 25, 40 en 50 jaar. De voorziening jubilea dient ter dekking van deze financiële verplichting aan de medewerkers.

Bij de berekening is rekening gehouden met de zogenaamde blijfkans van een medewerker, een verwachte salarisstijging per jaar en een disconteringvoet waartegen de bedragen contant worden gemaakt. De disconteringsvoet waarmee is gerekend bedraagt 1% (2019: 1%). • Voorziening duurzame inzetbaarheid: voor medewerkers die hebben geopteerd om de extra uren uit de cao voor een langere periode op te sparen, is een voorziening op de balans gevormd. De voorziening is berekend aan de hand van het aantal gespaarde uren en het tarief zoals opgenomen in de cao voortgezet onderwijs. Voor medewerkers van 57 jaar en ouder in het primair onderwijs bestaat eveneens de mogelijkheid uren te sparen. Uit een inventarisatie onder de scholen blijkt dat er nagenoeg geen gebruik gemaakt wordt van deze mogelijkheid, waardoor is afgezien om hiervoor een voorziening te vormen. • Voorziening spaarverlof: voor medewerkers in het vo die ervoor gekozen hebben om jaarlijks een deel van hun verlofuren te sparen gedurende minimaal 4 jaar is een voorziening op de balans gevormd. De voorziening is berekend aan de hand van het aantal gespaarde uren en het tarief zoals opgenomen in de cao voortgezet onderwijs. Uit een inventarisatie onder de (s)bao scholen blijkt dat er nagenoeg geen gebruik gemaakt wordt van deze mogelijkheid, waardoor is afgezien om hiervoor een voorziening te vormen voor het (s)bao.

Deze voorziening is tegen nominale waarde opgenomen. • Voorziening voormalig personeel in loondienst: Bij de verzelfstandiging in 2008 is een voorziening gevormd voor loonkosten van specifiek aangewezen medewerkers van de voormalige Dienst Openbaar Onderwijs (DOO) van de gemeente Rotterdam. De loonkosten van deze medewerkers komen voor rekening van BOOR zolang deze medewerkers in dienst van de gemeente blijven. Voor het bepalen van de omvang van de voorziening zijn de huidige loonkosten van betreffende medewerkers tot hun pensioendatum meegenomen. Deze voorziening is tegen nominale waarde opgenomen. • Voorziening ww ex-medewerkers: BOOR betaalt een kwart van de ww-uitkeringskosten van voormalig medewerkers uit het voortgezet onderwijs. De voorziening is gebaseerd op een inschatting van de toekomstige kosten

87

BOOR JAARVERSLAG 2020 - JAARREKENING

voor BOOR van de huidige voormalig medewerkers. Voor de ww-uitkeringskosten van voormalig medewerkers in het primair onderwijs die niet door het participatiefonds worden vergoed is eveneens een inschatting van de toekomstige kosten gemaakt. • Voorziening langdurig blijvend zieken: BOOR betaalt de salarissen van een aantal medewerkers die al langere tijd ziek zijn en waarschijnlijk niet meer terug zullen keren in het arbeidsproces. Voor deze salarislasten is een voorziening gevormd. • Onderhoudsvoorziening gebouwen: In 2015 heeft BOOR (vanuit het weerstandsvermogen) een voorziening gevormd voor het voorziene onderhoud. Bij de bepaling van de voorziening groot onderhoud ultimo 2020 wordt gebruik gemaakt van de tijdelijke uitzonderingsbepaling in de RJO artikel 4 lid 1c. Er is een financieel overzicht gemaakt van de onderhoudskosten voor de komende 20 jaar. Voor panden die op korte termijn vervangen gaan worden, wordt niet meer gedoteerd aan de voorziening » Primair onderwijs. De meerjarenonderhoudsplannen (MJOP) voor het primair onderwijs zijn in de periode 20182020 herijkt conform de RGD-BOEI methodiek19 en met een tijdshorizon van 20 jaar. Na de inspectie van het totale gebouwenbestand is er een onderhoudsplan per pand opgesteld. Hiermee is de impact bepaald voor het meerjarenonderhoud en de benodigde dotatie voor de sector (s)bao van BOOR als geheel. » Voortgezet onderwijs.

De actualisatie van de onderliggende meerjaren- onderhoudsplannen (MJOP) voor het voortgezet onderwijs (2015-2035) is in 2019 gerealiseerd. Op basis van de nieuwe schouw is een nieuw dotatie en onttrekkingsschema bepaald. • Overige voorzieningen: Onder overige voorzieningen is een aantal voorzieningen opgenomen waaronder voor het herontwerp Zuid. Daarnaast zijn voorzieningen opgenomen voor op balansdatum een lopende disputen met tegenpartijen. Deze voorzieningen zijn tegen nominale waarde opgenomen.

Lang- en kortlopende schulden Langlopende en kortlopende schulden en overige financiële verplichtingen worden na eerste opname gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs op basis van de effectieve rentemethode. De aflossingsverplichtingen voor het komend jaar van de langlopende schulden worden opgenomen onder kortlopende schulden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=adc37a7e-7ee8-4f90-9d62-0d98120b68f4