CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb616 Bijlage 1 behorende bij 21bb619 - ontwerpbestemmingsplan Vaststellen bestemmingsplan Tarwewijk

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Tarwewijk’.35.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

(In dit bestemmingsplan komt de bestemming 'Water - 1', dat veelal gebruikt wordt voor singels en dergelijk oppervlaktewater, niet voor.) Het water van de haven kan gebruikt worden met de bouwmogelijkheden voor havenactiviteiten, zoals voor op- en overslag, aanmeervoorzieningen, verkeer te water, de watertaxi en overige steigers, drijvende voorzieningen, pontons en dergelijke. De kernzone van de waterkering is op de verbeelding aangegeven met een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De beschermingszone van de dijk is bestemd met een aanduidingsregel 'vrijwaringszone - dijk'. Deze zone is mede bestemd voor onderhoud, bescherming of mogelijkheden voor versterking van de waterkerende functies van de dijk. Afwijken van het bouwverbod is mogelijk, waarbij eerst contact opgenomen moet worden met de beheerder van de waterkering. Op grond van de Keur van Hollandse Delta is het verboden (behoudens ontheffing) bouwwerken op te richten of houtgewassen te planten binnen een strook van 5 meter (gemeten vanuit de insteek van het talud) langs hoofdwatergangen respectievelijk boezemwatergangen, ten behoeve van het onderhoud van genoemde watergangen. Een belanghebbende met bouwvoornemens in een keurstrook (zoals aangegeven op de verbeelding) wordt geadviseerd om contact op te nemen met het waterschap (Hollandse Delta) over antwoord op de

40

vraag of voor het bouwproject in kwestie ontheffing verleend kan worden van het bouwverbod in de Keur. Voor de uitvoering van werken binnen de voor 'Waterstaat - Waterkering' bestemde zone zoals aangegeven op de verbeelding, is onverminderd de bepalingen van het bestemmingsplan terzake, vergunning vereist van het waterschap.

41

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. De Waterwet verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Het buitendijks gebied van Tarwewijk behoort tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen. Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen.

De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2

Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3

Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

42

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. (Zie Bijlage 2 Watertoets Tarwewijk.) De waterbeheerder voor het buitendijkse deel van het plangebied en het gedeelte Maashaven is Rijkswaterstaat. De waterbeheerder van het binnendijks gedeelte van het plangebied is Waterschap Hollandse Delta (WSHD). In het binnendijkse deel is geen open oppervlaktewater aanwezig. Wel ligt dwars door het plan een 'spuileiding' als hoofdwaterloop (H18499) die over de gehele lengte van 1200 meter verduikerd is. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Rijkswaterstaat is de waterbeheerder voor de Maashaven en het buitendijkse gebied. De waterbeheerder van het binnendijks gedeelte van het plangebied is Waterschap Hollandse Delta (WSHD). Het binnendijkse gedeelte van het plangebied ligt heeft een vast peil van NAP -2,4 m. In het plangebied is, afgezien van een stuk Maashaven, geen open oppervlaktewater aanwezig. Toch loopt er door het plangebied een hoofdwaterloop. Deze bestaat over de gehele lengte uit een duiker met een diameter van 40 cm. Deze duiker wordt soms aangeduid met ‘spuileiding’ en is in beheer bij WSHD. Ondanks de naam ‘spuileiding’ is deze duiker bedoeld voor watertoevoer. Deze hoofdwaterloop verbindt de Maashaven met de waterloop langs de Lange Hilleweg in de wijk Bloemhof en met de Valkeniersweide (beide buiten het plangebied). Aan de Maashavenzijde bevindt zich een inlaathevel met afsluiter. Vanwege het zoutgehalte van het water in de Maashaven staat deze inlaat vaak dicht, Bloemhof en Valkeniersweide worden dan via de Blauwe Verbinding (buiten het plangebied) van water voorzien. Binnen het plangebied komen geen overstorten uit op de hoofdwaterloop. De 'spuileiding' is bestemd door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'. Er geldt een bouwverbod. Afwijken kan, mits het belang van de hoofdwatergang niet wordt geschaad. 5.3.2

Grondwater

Voor het peilen van het grondwater ligt er een aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij bijna elke peilbuis groter dan de vereiste 0,80 meter. Alleen een peilbuis in de Wevershoekstraat in de Millinxbuurt (peilbuis 130563-43) voldoet niet aan de vereiste 0,80 meter. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. In het binnendijkse gedeelte van het plangebied gelden verschillende uitgiftepeilen. Op veel plekken ligt het huidige maaiveld onder deze uitgiftepeilen. Indien het maaiveld weer teruggebracht wordt op het uitgiftepeil zal de ontwateringsdiepte ter plaatse van peilbuis 130563-43 nog steeds niet voldoende zijn, In de wijk staat nog een aantal panden met houten paalfunderingen, grondwateronderlast en paalrot zijn hier aandachtspunten.

43

5.3.3

Waterkering

In het plangebied ligt een primaire waterkering. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd. Deze primaire waterkering en de beschermingszones aan weerszijden daarvan hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' gekregen. Het plangebied ligt grotendeels binnendijks, binnen de primaire waterkering. Primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu is niet groter dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering in het plangebied betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1 : 3.000. Het noordelijke gedeelte van het plangebied ligt buitendijks. Dit betekent dat hoog water op de Nieuwe Maas (gedicteerd door zeewaterstand, Maeslantkering en rivierafvoer) niet wordt tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van en in verbinding met dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. 5.3.4

Riolering

Het bestemmingsplangebied valt grotendeels binnen rioleringsdistrict 25 (Carnisse). De Millinxbuurt valt echter binnen rioleringsdistrict 28 (Het Zuiden) terwijl de buitendijkse zone tussen de Brielselaan en de Maashaven deel uit maakt van riooldistrict 23 (Charlois). In het plangebied ligt een gemengd stelsel. Dit betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater via het districtsgemaal Amelandseplein wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District 25 voert via District 23 het afvalwater af naar AWZI Dokhaven. District 28 voert via het rioolgemaal Pretorialaan het water met een persleiding naar district 25. Binnen het plangebied is één vuilwateroverstort aanwezig. Deze komt uit op de Maashaven direct naast de eerder genoemde inlaathevel. Voor het gehele plangebied is een rioolvervanging gepland. Bij de daarbij noodzakelijke herinrichting van de buitenruimte moet de buitenruimte zo veel mogelijk teruggebracht worden op het uitgiftepeil.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

De ontwikkelingen in het gebied bestaan voornamelijk uit het transformeren van winkelfunctie naar woonfunctie binnen bestaande gebouwen. Er wordt geen toename van het verhard oppervlak verwacht. Ook is er vooralsnog geen nieuw oppervlaktewater voorzien. Indien er toch een verhardingstoename ontstaat, bijvoorbeeld bij de herinrichting van een groenzone, en deze groter is dan 500 m2, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap. 5.4.2

Grondwater

Er vindt geen grootschalige toename van de verharding plaats en er zijn geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden, door het bestemmingsplan, geen effecten op de grondwaterstand verwacht.

44

5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterveiligheid binnendijks Het plangebied ligt grotendeels binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van Ringdijk 17. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering in het plangebied betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1 : 3.000. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatiesysteem overstromingen. De maximale waterdiepte in het plangebied ten gevolge van een overstroming is opgenomen in onderstaande figuur.

Figuur Potentiële waterdiepte bij doorbraak primaire kering Doordat de berekening op een hoog abstractieniveau is uitgevoerd, is het detailniveau van de kaarten beperkt. Wel kan uit de kaart worden opgemaakt dat in het plangebied een waterdiepte kan ontstaan van 1,8 meter. Bij een dergelijke diepte is evacuatie in geval van een overstroming noodzakelijk. Waterveiligheid buitendijks Het noordelijke gedeelte van het plangebied ligt buitendijks. Dit betekent dat hoog water op de Nieuwe Maas (gedicteerd door zeewaterstand, Maeslantkering en rivierafvoer) niet wordt tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van en in verbinding met dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. De kans op slachtoffers in het buitendijks gebied is dan ook gering. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiële schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beide afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben.

Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies. Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn. Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting.

45

Om een indicatie te geven van de kwetsbaarheid voor wateroverlast van het bestemmingsplangebied is de waterdiepte ten opzichte van het maaiveld berekend bij een hoogwatersituatie in het huidige klimaat met een terugkeertijd van 1/4.000 jaar. De gebruikte waterhoogte is NAP + 3,44 meter. Dan blijkt dat er op basis van de huidige maaiveldhoogtes bij maatgevende waterhoogtes van 1/4.000 jaar wateroverlast in het gebied ontstaat. Ter plaatse van de wegen en kades gaat het om maximaal 50 cm water. 5.4.4

Riolering

Afvalwater De ontwikkelingen in het bestemmingsplan zullen leiden tot een toename van het aantal woningen en een afname van kantoor, winkel, horeca en maatschappelijke functies. Op basis van het aantal woningen en het aantal vierkante meters kantoren is een inschatting gemaakt van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen. De inschatting komt uit op een toename van 0,6 m3/uur. De toename van de rioolbelasting van 0,6 m3/u bij droog weer van het hele plangebied zal door het rioolsysteem verwerkt kunnen worden. Hemelwater Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Na bergen op eigen terrein zal het water alsnog vertraagd afgevoerd moeten worden. In het plangebied is afvoer naar oppervlaktewater niet mogelijk vanwege het ontbreken van binnendijks open water. Onderzocht kan worden of de neerslag van een deel van de wijk afgekoppeld kan worden naar de duiker van hoofdwaterloop H18499 (de “spuileiding”).

Het overige deel kan afgevoerd worden via het nog aan te leggen gescheiden stelsel. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Een deel van de ontwikkelingen betreft functieverandering van bestaande gebouwen. Ook hier is de eerste keus om afval- en hemelwater gescheiden te verwerken. Opstellen rioolplan Voor het bepalen van de afvoer van afval- en hemelwater is een rioolplan opgesteld.

46

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r.. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1

Plangebied

Als ontwikkeling maakt het bestemmingsplan Tarwewijk wonen mogelijk op locaties met gemengde bestemmingen. Dit leidt niet tot sloop of nieuwbouw. Circa 9.090 m2 aan gemengde bestemmingen (bedrijven, winkels, opslag, horeca) kunnen worden omgezet naar circa 92 woningen (aangeduid in geel in de onderstaande figuur).

47

De niet gebruikte wijzigingsbevoegdheid 'Rijsoordpad' (circa 18 woningen) wordt in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen en is dus in bestemmingsplantechnische zin geen nieuwe ontwikkeling. Er is nog geen concrete ontwikkeling in beeld. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde ontwikkeling moet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. En als een ontwikkeling zoals omschreven in het besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in onderdeel D 11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. Er dient een zowel een plan m.e.r.-beoordelingsbesluit als een project m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de plan/projectm.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd.

Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het college neemt, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een plan/projectm.e.r.-beoordelingsbesluit. De strekking van dit besluit is dat er, gezien de plan/projectm.e.r.-beoordeling (zie hieronder), vanwege het bestemmingsplan Tarwewijk geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het plan/project m.e.r.-beoordelingsbesluit ligt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan als afzonderlijk besluit ter inzage, en is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Planm.e.r.-beoordeling Voor de vaststelling van een bestemmingsplan is deze planm.e.r.-beoordeling noodzakelijk, volgens artikel 3 lid 2 onder a van de SMB-richtlijn omdat het bestemmingsplan met de heroverweging van de

48

wijzigingsbevoegdheden met een omvang van 18 woningen, een kader vormt voor een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D 11.2 behorende bij het Besluit m.e.r. Verder is het plan kaderstellend voor de mogelijkheid voor de vestiging van diverse bedrijven die mogelijk project-mer plichtig zijn. Projectm.e.r.-beoordeling Daarnaast is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk volgens artikel 2 lid 5 onder b van het Besluit m.e.r., omdat de omvang van 92 woningen onder de drempelwaarde van 2000 woningen ligt. Bovendien valt de wijziging van industrieterrein “Maas- en Rijnhaven” onder categorie D11.3 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De wijziging van het industrieterrein ligt onder de drempelwaarde van 75 hectare. Conclusie Het college van B&W is bevoegd gezag in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en daarmee bevoegd het m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. B&W heeft besloten dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelinge gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. Zie ook Bijlage 3 M.e.r.-beoordelingsbesluit.

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1

Plangebied

Voor de gebiedstypering wordt gebruik gemaakt van de kaart bij het boekje Bedrijven en Milieuzonering Rotterdam. Daarop is een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voorgemengde gebieden of bij industriegebieden, en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden. Bedrijven in of nabij het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een 'Gemengd woongebied' met aan de rand van de Maashaven een strook met 'Industriegebied I'. In een gemengd woongebied kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Een bedrijf in milieucategorie 3 is toegestaan op minimaal 30 meter van woningen, deze bedrijven komen thans in het woongebied niet voor.

49

In het gemengd woongebied worden bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Een uitzondering hierop vormen de volgende bedrijfsactiviteiten: handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Dit zijn eveneens activiteiten in milieucategorie 2, maar vanwege de verkeersaantrekkende werking en het gegeven dat deze bedrijven soms gebruik gaan maken van het verblijfsgebied worden deze bedrijven niet als passend in een woonwijk gezien. Daarom hebben de huidige bedrijven die deze activiteiten uitoefenen een maatbestemming gekregen, en zijn nieuwe bedrijven niet toegestaan. De strook met bedrijven ten noorden van de Brielselaan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als 'Industriegebied I'. Binnen dit gebied zijn activiteiten in milieucategorie 1 t/m 4 toegestaan. In dit gebied zijn een aantal bedrijven in milieucategorie 4 gevestigd. Deze bedrijven voldoen aan de minimale afstand van 50 meter tot de woningen.

Overige activiteiten in of nabij het plangebied In de Maassilo is een discotheek gevestigd. Voor discotheken geldt een indicatieve afstand van 30 meter tot woningen in verband met geluid. Vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening is een discotheek op deze locatie dus passend. Los daarvan moet in het kader van de vergunning zorg worden gedragen voor een goede geluidsisolatie. 6.3.2

Conclusie

In bestemmingsplan Tarwewijk en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan. Voor het gemengd woongebied binnen het bestemmingsplan zijn geen bedrijven toegelaten uit een categorie hoger dan 2. Voor de strook aan de Maashaven zijn geen bedrijven toegelaten uit een categorie hoger dan categorie 4.2 (en plaatselijk 3.2). Bedrijven met een categorie hoger dan 4.2 zijn dan ook niet in de lijst opgenomen.

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.

Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van

50

dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Tarwewijk maakt het mogelijk dat op zo'n 56 locaties de begane grond van panden tevens voor 'wonen' wordt gebruikt, waar nu nog sprake is van een gemengd gebruik. Vaak gaat het om kleine bedrijfsruimten waarboven woningen zijn gelegen. Deze locaties moeten op grond van de Wet geluidhinder bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan als nieuwe geluidgevoelige objecten worden beschouwd. Het betreft de 56 op onderstaande kaart aangegeven locaties.

Voor dit plan zijn de geluidbronnen wegverkeer, railverkeer en industrielawaai wettelijk relevant. Het aspect luchtvaartlawaai is voor dit bestemmingsplan niet van belang. De beoogde ontwikkelingen liggen namelijk niet binnen de geluidzone van een luchtvaartterrein. Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing (GRO) van het bestemmingsplan en conform het ontheffingsbeleid Wgh van gemeente Rotterdam wordt ingegaan op de invloed van andere relevante niet-wettelijke geluidbronnen binnen of in de directe omgeving van het plangebied op de beoogde locaties zoals 30 km/uur-wegen. Het bevoegd gezag (college van burgemeester en wethouders) kan bij haar besluitvorming over het bestemmingsplan het geluid afkomstig van deze niet-wettelijk geluidbronnen in overweging nemen. 6.4.1

dezoneren

Als een bestemmingsplan wordt opgesteld voor een nieuw gezoneerd bedrijventerrein of een gewijzigd gezoneerd bedrijventerrein dan moet volgens de Wgh een geluidzone (de 50 dB(A)-contour) in het bestemmingsplan worden opgenomen. Deze geluidzone is gebaseerd op de "planologische" geluidbelasting van de bedrijven op het gezoneerde bedrijventerrein. De zone mag niet kleiner zijn dan de 50 dB(A)-contour van de geluidbelasting van de bestaande bedrijven. Begrenzing industrieterrein De begrenzing van een industrieterrein wordt bepaald door de bestemming van de gronden. Dit blijkt uit de definitie van “Industrieterrein in de Wgh (“terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven

51

voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen”). Artikel 41, vierde lid Wgh bevat een mogelijkheid voor de gemeenteraad om de grens van een industrieterrein vast te leggen buiten het bestemmingsplan om. Dit lid is toegevoegd om de mogelijkheid te bieden om bestemmingsplannen “te repareren” (zie aanpassing Wgh bij invoering Chw). Opheffen geluidzone Het opheffen van een bestaande geluidzone kan alleen door het wijzigen van het bestemmingsplan in combinatie met het opheffen van het ‘bedrijventerrein' in de zin van artikel 1 Wgh. Het opheffen van een vastgestelde geluidszone kan bovendien alleen maar plaatsvinden als er zich op het bedrijventerrein geen grote lawaaimakers meer mogen vestigen en er geen grote lawaaimakers meer aanwezig zijn op het terrein (artikel 41 Wgh). Er is dan dus geen sprake meer van een gezoneerd bedrijventerrein zoals bedoeld in de Wgh. Verbeelding bestemmingsplan Geluidszones rond een bedrijventerrein moeten in een bestemmingsplan opgenomen worden als gebiedsaanduiding. In het SVBP2008 is bepaald hoe geluidszones op de verbeelding aangegeven moeten worden. Verandering van de zone Bij de bepaling van de ligging van de zone wordt over het algemeen uitgegaan van de "planologische" geluidbelasting.

Dit is de geluidbelasting van de bestaande bedrijven op het gezoneerde bedrijventerrein plus de geprognosticeerde geluidbelasting van lege percelen en de geprognosticeerde groei van de geluidbelasting van bestaande bedrijven. De ligging van de 50 dB(A) contour is door de geprognosticeerde geluidbelasting van lege percelen en de geprognosticeerde groei van de geluidbelasting van bestaande bedrijven deels een planologische keus. Wanneer in een gebied in transitie een kleinere geluidzone noodzakelijk is (bijvoorbeeld om woningbouw mogelijk te maken) dan kan ervoor gekozen worden om een nieuwe kleinere zone vast te stellen op basis van de bestaande (vergunde) geluidbelasting van de bedrijven op het bedrijventerrein. Er wordt dan voldaan aan de vereisten van de Wgh. Ook worden de bestaande milieubelangen van bestaande bedrijven gerespecteerd. Het is nodig om in de toelichting van het bestemmingsplan de inperking van akoestische mogelijkheden van het bedrijventerrein te motiveren. Aan de andere kant kan voor een ruimere zone gekozen worden als een uitbreiding van industriële activiteiten gewenst is. Hierdoor kunnen bestaande woningen als "nieuwe" woningen in de zone komen te liggen. Voor deze woningen moeten nieuwe hogere waarden worden vastgesteld of bestaande hogere waarden worden aangepast. Ook hiervoor is een motivering nodig. 6.4.2

Wegverkeer

Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.

Bij nieuwe geluidgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan is akoestisch

52

onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4) In bijlage 5a van het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht van de rekenresultaten weergegeven van de zoneplichtige wegen en tramsporen bij de onderzochte locaties. De geluidbelastingen vanwege de Brielselaan en de Strevelsweg zijn onderzocht en liggen ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Omwille van de overzichtelijkheid van dit rapport zijn deze rekenresultaten niet in de bijlage opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op een groot aantal locaties vanwege alle voor deze locaties relevante zoneplichtige stedelijke wegen aan de voorkeurswaarde (48 dB) voldoet. Op de 22 overige onderzochte locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) worden daarbij niet overschreden. 6.4.3

Railverkeer

In het plangebied rijden de metrolijnen D en E op de Mijnsherenlaan (e.o) op een verhoging. De zone van deze metro is 100 meter aan weerszijde van het spoor. Er rijden per etmaal ca. 340 rijtuigen per richting. In het onderzoeksgebied betreft het een rijsnelheid van 40 km/uur en bestaat de bovenbouw uit blokkenspoor. De rand van de metrobak is als een ‘zwevend scherm’ ingevoerd in het geluidmodel. Er zijn geen spoorwegen uit het hoofdspoornet nabij het plangebied. De dichtstbij gelegen hoofdspoor is de lijn Rotterdam – Dordrecht/Breda op meer dan 1.400 meter. Het projectgebied ligt daarmee buiten de zone van het spoor. In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht van de rekenresultaten bij de onderzochte locaties weergegeven vanwege railverkeerslawaai, alsmede een overzicht van het rekenmodel. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen op 17 locaties vanwege railverkeer wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 68 dB voor woningen wordt daarbij niet overschreden. De geluidbelasting bij de overige locaties voldoet aan de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen. 6.4.4

Industrielawaai

Alle locaties liggen binnen de geluidzone van het industrieterrein Waal- en Eemhaven en die van Maasen Rijnhaven. Deze industrieterreinen zijn derhalve relevant voor de locaties. In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de geluidbelastingen bij de onderzochte locaties ten gevolge van het industrieterrein Waal- en Eemhaven en Maas- en Rijnhaven. In Tabel 8 van het akoestisch onderzoek is de maximaal berekende geluidbelasting vanwege de industrieterreinen per locatie weergegeven. Uit Tabel 8 blijkt dat de geluidbelasting vanwege beide industrieterreinen op alle locaties aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voldoet. 6.4.5

Conclusie

Als het voor het bestemmingsplan nodig is om hogere waarden vast te stellen moet op basis van de Wet geluidhinder eerst worden gekeken of de geluidbelasting teruggebracht kan worden door bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen of maatregelen t.p.v. de geluidbelaste locatie. In het kader van een GRO moet worden gekeken naar de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen. En op basis van Rotterdams beleid moeten nieuwe woningen in principe ten minste 1 geluidluwe gevel hebben. Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige situaties), moet worden gemotiveerd. Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: de hoogte van de geluidbelasting vanaf zoneplichtige geluidbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); de hoogte van de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen);

53

de gecumuleerde geluidbelasting; maatregelen aan de geluidbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidbelaste locatie; de regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidsbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB). 6.4.5.1 Cumulatie geluid Op meerdere locaties is er op een aantal rekenpunten sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege wegverkeer en/of railverkeer. Daarom is een cumulatie van meerdere bronsoorten aan de orde. In bijlage 8 van het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de cumulatieve geluidbelastingen vanwege wegverkeer, railverkeer en/of industrie. In deze bijlage is de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven op rekenpunten waar sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde door meer dan één geluidbron. De daarbij gebruikte (cumulatieve) geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn exclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De cumulatie is uitgevoerd conform Bijlage 1 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG2012).

Omdat niet alle geluidbelasting even hinderlijk zijn, zijn conform het RMG2012 de geluidniveaus omgerekend naar equivalenten van de bronsoort waarvoor de ontheffing moet worden verleend. Het aantal rekenpunten waarop een significant hogere gecumuleerde geluidbelasting is berekend (ten opzichte van de geluidbelasting van alleen wegverkeer of railverkeer) is beperkt. En op deze punten is de geluidbelasting zonder cumulatie vaak al hoger dan de maximaal toegestane geluidbelasting. De gemeente ziet daarom geen aanleiding om op basis van de gecumuleerde geluidbelasting tot een andere afweging ten aanzien van het vaststellen van hogere waarden te komen dan op basis van de geluidbelasting per geluidbron. 6.4.5.2 Ontheffingsbeleid Rotterdam Het Ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Van een geluidluwe gevel/buitenruimte is sprake als de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen niet hoger is dan 53 dB en de gecumuleerde geluidbelasting van alle spoorwegen niet hoger is dan 55 dB.

Bij woningen met een geluidluwe gevel wordt gesteld dat deze een goede geluidkwaliteit hebben, ook als de geluidbelasting op andere gevels van de woning hoog is, omdat dan aan ten minste één kant van de woning buiten kan worden gezeten of een raam open kan zonder last te hebben van het lawaai. Wegverkeer De gecumuleerde geluidbelasting inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh is vanwege de zoneplichtige wegen bij de locaties per bron berekend. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat een deel van) locatie 52 niet beschikt over een geluidluwe gevel. Realisatie van minimaal één geluidluwe gevel per woning op deze locaties vraagt aandacht. De overige locaties beschikken wel over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid. Railverkeer Uit de rekenresultaten blijkt dat (delen van) locaties 32 ,33 en 42 niet beschikken over een geluidluwe gevel. Realisatie van minimaal één geluidluwe gevel per woning op deze locaties vraagt aandacht. De overige locaties beschikken wel over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid. Industrie Uit de rekenresultaten blijkt dat elke locatie op elke gevel voldoet aan de voorkeurswaarde. Voor industrielawaai beschikken dus alle locaties over een geluidluwe gevel.

Bij de transformatie van (bedrijfs- en kantoor)gebouwen naar woningen gelden er in tegenstelling tot de nieuwbouw van woningen geen geluidsnormen voor het geluidniveau binnen de woning (de binnenwaarde). Bij voorkeur hebben deze woningen een binnenwaarde van 33 dB, maar het vastleggen van deze waarde zou een grote belemmering vormen voor transformatie omdat de gevels van bestaande

54

panden lastig tot dit niveau zijn te isoleren. Een binnenwaarde van 38 dB wordt bij stedelijk wonen als acceptabel gezien. Daarom is in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd dat woningen in voormalige bedrijfs- en kantoorgebouwen aan een binnenwaarde van maximaal 38 dB moeten voldoen. 6.4.5.3 Hogere waarden Vanwege de bovenstaande redenen zal aan het college worden voorgesteld de hoogste berekende geluidbelasting van een geluidbron (een weg, een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein) op een locatie als hogere waarde vast te stellen. Deze hogere waarde geldt dan als maximaal toegestane geluidbelasting vanwege de betreffende geluidbron op de betreffende locatie.

55

56

6.5

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.

De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.

57

6.5.1

Plangebied

Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. (Notitie NIBM bijdragen in Bijlage 6) De ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreft het mogelijk maken van wonen op locaties met gemengde bestemmingen. Dit leidt niet tot sloop of nieuwbouw. Circa 9.090 m2 aan gemengde bestemmingen (bedrijven, winkels, opslag, horeca) kunnen worden omgezet naar circa 92 woningen (aangeduid in geel in de onderstaande figuur). De niet gebruikte wijzigingsbevoegdheid 'Rijsoordpad' (max. 18 woningen) wordt in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen en is dus in bestemmingsplantechnische zin geen nieuwe ontwikkeling. Er is nog geen concrete ontwikkeling in beeld.

Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en ten minste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan Tarwewijk blijven hier ruim onder, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Aan de hand van de anti-cumulatieregeling wordt beoordeeld of het project afzonderlijk kan worden bekeken of dat ook andere ontwikkelingen binnen een straal van 1.000 m dienen te worden meegenomen bij de bepaling of het project NIBM is. Hierbij is het van belang om te bepalen of de ontwikkellocaties gebruik maken van dezelfde ontsluitingsweg. Bij deze analyse wordt een ontsluitingsweg gedefinieerd als een weg waar minimaal 50 procent van het verkeer vanuit de nieuwe ontwikkeling overheen gaat. Indien plannen gebruik maken van dezelfde ontsluitingsweg dienen ze te worden gecumuleerd. Cumulatie van de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan met ontwikkelingen in de directe omgeving is niet aan de orde.

58

De locaties waar nieuwe woningen mogelijk zijn liggen niet binnen contouren langs wegen waar de grenswaarden van 40 microgram per m3 worden overschreden. Daarmee wordt voldaan aan het Rotterdamse beleid om geen nieuwe woningen te realiseren in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe scholen en kinderdagverblijven mogelijk binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg. De bestemming Maatschappelijk - 1 staat kinderdagverblijven toe. Stikstof en Natura 2000-gebieden Daarnaast is aanvullend een berekening gemaakt met Aerius 2.0 in het kader van het nieuwe stikstofbeleid. Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen zouden effecten kunnen ontstaan op Natura 2000-gebieden. Gelet op de afstand (>10 km) tot Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkeling zijn directe effecten zoals verstoring, effecten op waterhuishouding en dergelijke op voorhand uit te sluiten. Effecten die wel op grotere afstand kunnen plaatsvinden zijn depositie effecten als gevolg van toename van stikstofemissies. Het rekenresultaat van de berekening is dat er een bijdrage aan de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden is van afgerond 0,00 mol/ha/jr. Waarmee aan de norm wordt voldaan. (Toelichting: de afrondingsregel in Aerius 2.0: is als volgt: groter dan of gelijk aan 0,005 wordt 0,1 en kleiner dan 0,005 wordt 0,00.) 6.5.2

Conclusie

In en rondom dit plangebied wordt in de huidige situatie aan de grenswaarden voldaan. Ook in de toekomst (tot 2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. De ontwikkelingen genereren minder verkeer dan het aantal van maximaal 3.000 woningen dat bij een tweezijdige ontsluiting mag worden gebouwd onder de NIBM-regelgeving (Besluit NIBM, Regeling NIBM). In de analyse is aangetoond dat het plan Tarwewijk een niet in betekenende mate bijdrage geeft aan de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit en tevens aan het Rotterdamse beleid. Het bestemmingsplan geeft ook geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Van verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten of een significant verstorend effect op soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, is geen sprake. Daarmee is het bestemmingsplan uit oogpunt van de Natuurbeschermingswet uitvoerbaar.

6.6

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.

59

6.6.1

Plangebied

In 2000 is de Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam opgesteld. Dit document geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. In de Bodemkwaliteitskaart Rotterdam is het volgende te vinden over de bodemkwaliteit in de Tarwewijk: Vanaf 1915 wordt begonnen met het bouwrijp maken van de Tarwewijk. Er wordt opgehoogd met zand en klei dat deels koolas- en puinhoudend is. Daarnaast hebben de bewoners binnenterreinen opgehoogd met koolassen uit eigen kachel. Hierdoor zijn zowel de contactzone (de bovenste 1 meter) en de ondergrond matig vervuild. Er waren en zijn veel bedrijfjes in de wijk. De kans op puntbronnen (plaatselijke concentraties van vervuiling) is daardoor groot. In de strook met bedrijven ten noorden van de Brielselaan is de contactzone ook matig vervuild maar de ondergrond is schoon. Er is her en der sprake van puntbronnen veroorzaakt door brandstoftanks en morsplaatsen. Het bestemmingsplan Tarwewijk voorziet niet in nieuwbouw waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn. Het milieuaspect bodemverontreiniging speelt geen rol bij de functiewijzigingen van bestaande panden, en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

6.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting.

Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo

60

laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Onderzoek externe veiligheid en verantwoording groepsrisico Ten behoeve van het bestemmingsplan is een rapport opgesteld (zie Bijlage 7), waarbij de resultaten worden gebruikt als toets aan wet- en regelgeving en aan beleid. en de uitwerking van de bestuurlijke verantwoording groepsrisico externe veiligheid. Risicobronnen Het plangebied ligt niet binnen het groepsrisico aandachtsgebied van gevaarlijke stoffen over het water, het spoor of over de weg. Dit betekent dat een groepsrisicoverantwoording niet nodig is. Wel moet ingegaan worden op de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid. In dit kader is advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) nodig. Bij ontwikkelingen die liggen binnen het invloedsgebied hanteert de VRR voor haar advies de volgende richtlijnen: Spoor: vanaf 750 meter tot ruim 4.000 meter geen aanvullende maatregelen. Weg: vanaf 400 meter tot ruim 4.000 meter geen aanvullende maatregelen. Water: tot 1.200 meter vanaf de vaarweg zijn de maatregelen die de VRR adviseert gebaseerd op de kwetsbaarheid van het object, de afstand tot de risicobron en de scenario's die daar van toepassing zijn (hittestraling/druk/toxisch).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e41f314f-ec6f-4d78-a3f8-11477400f980