CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb616 Bijlage 1 behorende bij 21bb619 - ontwerpbestemmingsplan Vaststellen bestemmingsplan Tarwewijk

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Tarwewijk’.35.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Voor deze planlocatie geldt dat de afstand tot het spoor minimaal 1,3 km bedraagt, tot de rijksweg A15 minimaal 2,7 km en tot de Nieuwe Maas minimaal 720 meter. De VRR kan dus op grond van haar beleid maatregelen adviseren ten aanzien van het risico van transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas. 6.7.1

Transport gevaarlijke stoffen over water

Voor transport van gevaarlijke stoffen over water op het traject Maasmond - Van Brienenoordbrug heeft de provincie Zuid-Holland in de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM), onderdeel Verordening Ruimte, extern veiligheidsbeleid opgesteld. De visie is op 9 juli 2014 vastgesteld en in augustus 2014 in werking is getreden. Van belang is de veiligheidszonering die genormeerd is in artikel 2.1.10 van de Verordening Ruimte. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met dit artikel uit de verordening Ruimte. 6.7.2

Conclusie

Conform het advies van de DCMR in de Quick Scan Milieu is voor dit bestemmingsplan geen verantwoording van het groepsrisico nodig. De reden hiervoor is dat het hele plangebied niet ligt binnen aandachtsgebieden van risicobronnen. Ook is het oeverbeleid van de Provincie Zuid-Holland niet van toepassing, omdat dit geen betrekking heeft op de insteekhaven. De Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond zal, ten aanzien van de bereikbaarheid van het plangebeid voor hulpverleningsdiensten en de bestrijdbaarheid van calamiteiten, advies uitbrengen in de planprocedure.

6.8

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te

61

dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).

Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.8.1

Rotterdams beleid

Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. 6.8.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Het bestemmingsplangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die impact zullen hebben op het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden en Natura 2000. Negatieve invloed beschermde gebieden als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zijn uitgesloten. 6.8.3

Soortbescherming

Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig, te weten huismus en gierzwaluw. In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor vogels met niet jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaatsen (categorie 5 soorten) en algemene broedvogels aanwezig. In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor de habitatrichtlijnsoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en meervleermuis. In het bestemmingsplangebied zijn potenties aanwezig voor Nationaal beschermde plantensoorten zoals Muurbloem en Schubvaren.

62

6.8.4

Ontwikkelingen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen die binnen een bestaande bestemming vallen, zoals sloop en nieuwbouw van woningen, renovaties of het herinrichting, dient voorafgaand nog flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Bij bestemmingsplanwijzing of een projectbestemmingsplan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Op 57 locaties vindt mogelijk transformatie plaats naar nieuwe functies. Hierbij zijn in het bestemmingsplan echter geen ruimtelijke ingrepen gepland. Negatieve effecten als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan zijn derhalve uitgesloten. Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

63

Hoofdstuk 7

Handhaving

In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017 - 2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.

64

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan legt hoofdzakelijk de planologische situatie vast die in het vorige bestemmingsplan al was opgenomen. In enkele gevallen is sprake van een inperking van de gebruiksmogelijkheden van een aantal bestaande panden. Deze inperking kan niet worden gezien als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro. Daarom is er geen sprake van een wettelijke verplichting tot het verhalen van de kosten. Bij andere locaties waar nieuwbouw kan plaatsvinden zijn de bouwmogelijkheden uit de geldende bestemmingsplannen overgenomen. Dit heeft dus geen financiële gevolgen voor het nieuwe bestemmingsplan. Het bestemmingsplan Tarwewijk is gezien het bovenstaande financieel uitvoerbaar. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

65

Hoofdstuk 9

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag; 3. WSHD, Waterschap Hollandse Delta; 4. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam; 5. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 6. DCMR, Milieudienst Rijnmond; 7. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 8. TenneT, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet; 9. Warmtebedrijf Rotterdam, beheerder warmtetransportnetwerk; 10. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 11. KPN Telecom; 12. VWS Pipeline Control; 13. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 14. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 15. Evides, beheerder drinkwatertransportleidingen; 16. Ministerie van Defensie; 17. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; 18. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 19. RWS, Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid.

9.1

GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM

Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de provincie bekeken moet worden. Aan de hand van de antwoorden op de vragen uit het formulier volgt dat het plan niet strijdig is met het provinciaal beleid. Uit de ingevulde antwoorden blijkt dat het ruimtelijke plan niet hoeft te worden toegezonden. Commentaar: Waarvan akte.

9.2

WSHD, Waterschap Hollandse Delta

WSHD geeft aan dat het plangebied zich bevindt in en nabij een duiker met functie hoofdwaterloop. Ook bevinden de plannen zich in de kern- en beschermingszone van een primaire waterkering. Daarom zijn de activiteiten vergunningsplichtig en dient de initiatiefnemer van een plan een vergunningsaanvraag te doen bij waterschap Hollandse Delta. Het adviesverzoek is geregistreerd onder dossiernummer VTH2020-2179. Commentaar: Waarvan akte.

66

9.3

VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van externe veiligheid advies uit over de verantwoording van het groepsisico en de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid. Zij doet dit door midddel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd. VRR geeft aan dat voor het beoordelen van het ruimtelijk plan het college van B&W een gemotiveerde afweging dient te maken tussen de overwegingen met betrekking tot externe veiligheid en de toegevoegde waarde van het ruimtelijk plan. Graag verneemt de VRR het besluit van B&W met betrekking tot de onderstaande adviespunten. VRR geeft aan dat zowel de Wet ruimtelijke ordening als de Wet veiligheidsregio's mogelijkheden bieden om maatregelen ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te borgen. Bij de Wet ruimtelijke ordening gaat het daarbij voornamelijk om voorwaarden die kunnen worden gesteld aan (het gebruik van) bestemmingen. Ook bouwkundige maatregelen kunnen in het bestemmingsplan geborgd worden. De Wet veiligheidsregio's biedt mogelijkheden op het gebied van organisatorische maatregelen en voorlichting. Voor dit plan geldt het volgende advies: 9.3.1

Bereikbaarheid en bluswater

Draag bij eventuele (her)ontwikkelingen zorg voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt hiervoor mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Commentaar: Dit wordt gezien als een algemeen advies. Hiervan wordt kennisgenomen. 9.3.2

Draag zorg voor een goede voorlichting

Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Commentaar: Zoals door de Veiligheidsregio wordt gesteld vallen deze adviezen niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld.

9.4

DCMR, Milieudienst Rijnmond

DCMR geeft aan geen formele reactie te geven in het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Commentaar: Wij danken voor deze opmerking. Hiervan wordt kennisgenomen.

9.5

TenneT, beheerder hoogspanningsnet

TenneT dankt voor toezending van het concept. Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. TenneT heeft dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wenst veel succes bij de verdere uitwerking hiervan.

67

Commentaar: Wij danken voor deze reactie. Hiervan wordt kennisgenomen.

9.6

RWS, Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid

RWS geeft aan dat gezien de belangen van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid er geen aanleiding is voor een reactie op dit plan. Commentaar: Wij danken voor deze reactie. Hiervan wordt kennisgenomen.

9.7

Participatie en informatie

In de startfase heeft de gebiedsdirecteur enkele commissieleden aangewezen die een actieve rol vervullen bij het nieuw op te starten bestemmingsplan. De commissie maakt wensen/advies voor het nieuwe bestemmingsplan kenbaar bij de startbijeenkomst. Tijdens de startbijeenkomst is in overleg met betrokkenen besloten welke ontwikkelingen wel of niet worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Deze zijn in de startnotitie aangegeven. Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de gebiedscommissie om advies gevraagd. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, is een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging kan iedereen op een informatieavond vragen stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.

68

Bijlagen

69

Bijlage 1 Afbeelding Archeologie

70

92.500

92.700

92.900

93.100

93.300

93.500

93.700 435.200

435.200

92.300

435.000

435.000

Katendrecht

434.800

ven

434.400 434.200

434.200

434.400

434.600

s ha Maa

434.600

434.800

Kaappark

434.000 433.800

433.800

434.000

Tarwewijk

Carnisse

433.600

Waarde Archeologie 4

Waarde Archeologie 2

Waarde Archeologie 5

Waarde Archeologie 3

Waarde Archeologie 6

0

200m

plangebied

schaal 1:10.000 92.300

92.500

433.200

433.400

´

Waarde Archeologie 1

Vaanweide

Kaart: Gemeente Rotterdam 92.700

92.900

Bestemmingsplan Rotterdam Tarwewijk 2019. Plankaart archeologie.

93.100

93.300

93.500

433.000

433.000

433.200

433.400

433.600

Zuidplein

93.700

Bijlage 2 Watertoets T arwewijk

72

Gebiedsbestemmingplan Tarwewijk Wateradvies

Versie Definitief

Datum december 2019

Dossiernummer IB-2019-002

Opdrachtgever Stadsontwikkeling, Ruimte en Wonen, Roel Volman

Auteur Stadsontwikkeling, I-bureau, Marijn Meijer

Tweede lezer Stadsontwikkeling, I-bureau, Ria van der Zaag

Inhoudsopgave Samenvatting

3

1

Inleiding

5

2

Planbeschrijving bestemmingsplan

6

2.1

Nieuwe bestemmingen

7

3

Beleidskader

9

3.1

Landelijk

9

3.2

Provincie Zuid-Holland

13

3.3

Waterschap Hollandse Delta

13

3.4

Gemeente Rotterdam

14

4

Huidige waterhuishouding en klimaatbestendigheid

19

4.1

Oppervlaktewater

19

4.2

Grondwater

20

4.3

Riolering: afval- en hemelwater

22

4.4

Waterkwaliteit

23

4.5

Waterkeringen en waterveiligheid

26

4.5.1

Waterveiligheid binnendijks

26

4.5.2

Waterveiligheid buitendijks

27

4.6

Klimaatbestendigheid

29

5

Effecten op de waterhuishouding en klimaatkansen

32

5.1

Oppervlaktewater

32

5.2

Grondwater

32

5.3

Riolering: afval- en hemelwater

32

5.4

Waterkwaliteit

33

5.5

Waterkeringen en waterveiligheid

34

5.6

Klimaatkansen en duurzaamheid

35

6

Bibliografie

37

Bijlage 1 - Advies van beheerders

38

Bijlage 2 - Wettelijk- en beleidskader water

39

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

2 van 44

Samenvatting Bestemmingsplan Tarwewijk ligt in het gebied Rotterdam-Charlois. De huidige waterstructuur is een gevolg van de aanleg van de Maashaven en aansluitend industrievestiging en ontwikkeling van woongebieden in de periode 1898-1939. Het plangebied heeft buiten de Maashaven geen open oppervlaktewater en veel verhard oppervlak. Het plangebied kent een binnendijks en een buitendijks gedeelte. Het buitendijkse deel van het plangebied ligt binnen het waterstaatwerk Nieuwe-Waterweg maar binnen de vrijstellingszone vergunningplicht. Ontwikkelingen Het bestemmingsplan is overwegend conserverend. De voor de waterhuishouding belangrijkste ontwikkeling is het mogelijk maken van wonen op locaties met gemengde bestemmingen. Dit leidt in principe niet tot sloop of nieuwbouw. Er wordt dan ook geen toename van het verward oppervlak verwacht. Oppervlaktewater De waterbeheerder voor het buitendijkse deel van het plangebied en het gedeelte Maashaven is Rijkswaterstaat. De waterbeheerder van het binnendijks gedeelte van het plangebied is WSHD en ligt in peilgebied Y08.001 met vast peil NAP -2,4 m. In het binnendijkse deel is geen open oppervlaktewater aanwezig. Toch loopt er hoofdwaterloop H18499 (“spuileiding”) welke over de gehele lengte van 1200 meter verduikerd is. Grondwater De ontwateringsdiepte is bijna overal groter dan de vereiste 0,80 meter.

Alleen peilbuis 130563-43 voldoet niet aan deze vereiste. Op veel plekken in het plangebied ligt het maaiveld onder het uitgiftepeil. Er zijn in het plan geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. Er worden geen effecten op de grondwaterstand verwacht. Riolering: afval- en hemelwater Het binnendijkse deel van het bestemmingsplan valt in rioleringsdistricten 25 en 28. Het buitendijkse deel maakt deel uit van riooldistrict 23. In het plangebied ligt een gemengd stelsel. Er is 1 riooloverstort behorende bij district 23. De door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zullen leiden tot een toename van het aantal woningen en daarmee een toename van de rioolbelasting bij droog weer. Voor het gehele plangebied is een rioolvervanging in voorbereiding. Waterkwaliteit De Maashaven is onderdeel is van het KRW-waterlichaam NL94_8; Nieuwe Maas. Deze voldoet niet aan een goede chemische toestand en matig aan een goede ecologische toestand. Waterkeringen en waterveiligheid In het plangebied ligt een primaire waterkering met een overstromingsnorm van 1:3000. Bij een eventuele overstroming kan een waterdiepte ontstaan van 1,8 meter; evacuatie is dan noodzakelijk. Deze waterkering is getypeerd als een Sterke Urbane Dijk waarbij vaak sprake is van integratie van dijkversterking mét stadsontwikkeling rond de dijk.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

3 van 44

De primaire waterkering moeten worden bestemd met de (dubbel-) bestemming ‘WaterstaatWaterkering’ en ‘vrijwaringszone-dijk’. In de zones van de waterkering worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het buitendijks gebied is op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water en heeft daarom een uitgiftepeil van minimaal NAP +3,60 m voor de basisfuncties en minimaal NAP + 3,90 m voor vitale en kwetsbare functies (waaronder ontsluitingswegen). Deze peilen moeten worden vastgelegd in de Regels van het nieuwe bestemmingsplan De mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde binnendijks niet significant toe. Nautische veiligheid Het plangebied ligt op ongeveer 500 meter van de begrenzing van de vaarweg Nieuwe Maas en daarmee ruim buiten de vrijwaringszone Rijksvaarwegen. Klimaat Het plangebied heeft, vanwege het binnendijks ontbreken van oppervlaktewater, geen wateropgaaf. Maar het plangebied is niet klimaatrobuust en heeft in het binnendijkse gedeelte een flink tekort aan open oppervlaktewater en onverharde bodem. Het is daardoor gevoelig voor hittestress en voor wateroverlast bij grote hoeveelheden neerslag. Conform het Urgentiedocument Rotterdams Weerwoord is waterpasseerbare verharding één van de klimaatadaptieve maatregelen om invulling te geven aan de stedelijke klimaatopgave.

Daarnaast wordt geadviseerd om het maaiveld minimaal terug te brengen naar uitgiftepeil, te zoeken naar mogelijkheden tot de realisatie van oppervlaktewater, ondergrondse waterberging en het scheiden van waterstromen. Rijkswaterstaat ontvangt graag het voorontwerp bestemmingsplan wanneer dit beschikbaar is.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

4 van 44

1

Inleiding Voor plangebied ‘Tarwewijk’ in het zuiden van Rotterdam stelt de gemeente Rotterdam een nieuw bestemmingsplan op. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt een waterparagraaf opgenomen. Dit wateronderzoek geeft een beeld van de effecten van het plan op de waterhuishouding en vormt daarmee een advies voor genoemde waterparagraaf. De ligging en begrenzing van het plangebied zijn in Figuur 1-1 met een rode contour weergegeven.

Figuur 1-1 Bestemmingsplangebied Tarwewijk Dit rapport is in concept ter advies aan de waterbeheerders van het gebied aangeboden waarna de adviezen in de definitieve versie zijn doorgevoerd. In bijlage 1 is het volledige advies van de beheerders weergegeven. Voor Tarwewijk gaat het om de volgende beheerders: • Waterschap Hollandse Delta – waterbeheerder regionaal water; • Rijkswaterstaat – waterbeheerder havens • Gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) – rioolbeheerder.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

5 van 44

2

Planbeschrijving bestemmingsplan Bestemmingsplan Tarwewijk ligt in het gebied Charlois. De plangrens, zie Figuur 1-1, wordt gevormd door Maastunnelplein, Maashaven, Dordtselaan, Zuidplein en Pleinweg. De zuidzijde van de Maashaven ligt in het plangebied en ook de woonbuurten Verschoorbuurt, Wolphaertsbuurt, Tarwebuurt en Millinxbuurt. De woonbuurten zijn van de Maashaven gescheiden door de gebouwen van de graanindustrie langs de Brielselaan. Buiten het plangebied blijven drie blokken in de Mijnkintbuurt. Voor twee daarvan is recent een bestemmingsplan vastgesteld. Voor het derde blok wordt binnenkort een aparte bestemmingsplanprocedure opgestart. De Tarwewijk ligt ter plaatse van de vroegere Katendrechtse-, Charloisse- en Hillepolders. Deze polders hadden elk hun eigen waterhuishouding. Van de vroegere oppervlaktewaterstructuur van deze polders is niets meer overgebleven als gevolg van de aanleg van de Maashaven in de periode 1898-1905. Bij de aanleg van dit havenbekken ten behoeve van graanoverslag is de noordrand van het plangebied opgehoogd met de vrijkomende grond. Ook de grondwaterhuishouding moet door de aanleg van deze haven ingrijpend veranderd zijn. De Maashaven vormt nu de noordelijke begrenzing van het plangebied.

Figuur 2-1 het bestemmingsplangebied rond 1915. In 1914 en 1915 vestigden zich de graanverwerkende bedrijven Meneba en Quaker-Oates aan de Maashaven. Voor de werknemers van deze bedrijven werden vervolgens door particuliere ontwikkelaars woonbuurtjes aangelegd. Hier lag geen sterke planning aan ten grondslag. In 1939

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

6 van 44

hebben de woonbuurten in het plangebied ongeveer de huidige vorm gekregen. De enige, nu nog aanwezige, historische structuren waar nog restanten van aanwezig zijn, zijn stukjes van de Katendrechtse Lagedijk en van de voormalige verbindingsweg tussen Dordrecht en Katendrecht. Het plangebied heeft buiten de Maashaven geen open oppervlaktewater en relatief weinig groen. Er is dus relatief veel verhard oppervlak.

2.1

Nieuwe bestemmingen Het bestemmingsplan is overwegend conserverend; het nieuwe bestemmingsplan kent weinig veranderingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan (vigerend in oktober 2019). Daarnaast wordt vooral conform feitelijk gebruik bestemd. Voor deze toets zijn er de volgende aandachtspunten: - Opnemen beeldbepalende panden in het bestemmingsplan met dubbelbestemming Cultuurhistorie om een drempel op te werpen tegen sloop. Bij gelijkblijvende functie leidt het niet slopen van panden ook niet tot veranderingen in de waterhuishouding. Onderzoek naar effecten op de waterhuishouding is in dit stadium niet nodig. - Bouwplanontwikkelingen. De niet gebruikte wijzigingsbevoegdheid Rijsoordpad wordt in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen en is dus bestemmingsplantechnisch geen nieuwe ontwikkeling. De wijzigingsbevoegdheid maakt ter plaatse van maatschappelijke voorzieningen en groen ook wonen mogelijk. Aangenomen kan worden dat bij de ontwikkeling van dit gebied het verhard oppervlak toe zal nemen. Er isechter nog geen concrete ontwikkeling in beeld. In het kader van dit bestemmingsplan is voor deze ontwikkeling nu geen onderzoek nodig. - Wonen mogelijk maken op locaties met gemengde bestemmingen. Zie figuur 2.2. Dit leidt niet tot sloop of nieuwbouw. 9090m2 gemengde bestemmingen (bedrijven, winkels, opslag, horeca) worden mogelijk omgezet naar 92 woningen.

Afhankelijk van het gebruik voorafgaand aan het wonen leidt dit mogelijk tot een verandering van de rioolbelasting. - Dezoneren bedrijventerrein Maashaven. Er zijn geen concrete plannen voor woningbouw ter plaatse van het huidige bedrijventerrein aan de Maashaven. Dezonering van dit bedrijventerrein wordt daarom in dit bestemmingsplan nog niet mogelijk gemaakt. Wel wordt voorbereid op een toekomstige verkleining van de zone. Dit betreft vooral geluidsaspecten. Voor de watertoets kan met een algemene opmerking worden volstaan.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

7 van 44

Figuur 2-2 gemengde bestemmingen om te zetten naar wonen.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

8 van 44

3

Beleidskader In dit hoofdstuk wordt kort het beleidskader geschetst dat voor dit wateradvies relevant is. Het gaat hierbij vooral om het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente. In bijlage 2 is een uitgebreid overzicht van het overkoepelende beleid (rijksbeleid en provinciale beleid) opgenomen.

3.1

Landelijk De Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000) (KRW) beschermt de waterkwaliteit van alle wateren en stelt doelen om ervoor te zorgen dat de chemische en ecologische ‘goede toestand’ wordt bereikt. Voor de KRW-waterlichamen in het plangebied is hiervoor het ‘Goede Ecologisch Potentieel (GEP)’ van belang. Dit is de toestand die voor sterk veranderde en kunstmatig aangelegde waterlichamen bereikt moet worden. Het Europees beleid is er eerst op gericht het Goed Ecologisch Potentieel te bereiken, waarvoor een reeks randvoorwaarden is opgesteld. Het beheersen van de stoffen in het water is hier onderdeel van, net als het beëindigen of verregaand reduceren van de lozing van de zogenaamde prioritair gevaarlijke stoffen. De KRW is vertaald in Nederlandse regelgeving met het ‘Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009’ en de ‘Ministeriële Regeling Monitoring kaderrichtlijn water’. Hierin staan de normconcentraties voor de te lozen stoffen vermeld. Verder zijn van belang de Europese Richtlijn Prioritaire Stoffen en de nieuwe Europese richtlijn ‘Industriële Emissies, 2011’. Ruimtelijke adaptatie In 2014 is de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie genomen. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hebben hierin de gezamenlijke ambitie vastgelegd dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.

Bij (her)ontwikkelingen mag geen extra risico op schade en slachtoffers ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Waterwet en waterbesluit Primaire waterkeringen Op 1 januari 2017 zijn nieuwe normen voor de primaire waterkeringen opgenomen in de Waterwet. In het nieuwe waterveiligheidsbeleid, dat opgenomen is in het Nationaal Waterplan 2016-2021 [1] staat de bescherming van mensen en economische waarde centraal. Dit is vertaald in de volgende twee doelen: 1. Dat iedereen die in Nederland achter een primaire waterkering woont uiterlijk per 2050 kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. dat de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 per jaar); 2. Dat meer bescherming wordt geboden op plaatsen waar sprake kan zijn van grote groepen dodelijke slachtoffers, grote economische schade of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang. Met deze waterveiligheidsaanpak krijgt iedere bewoner van Nederland die woont achter een primaire kering een vergelijkbaar beschermingsniveau.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

9 van 44

Waterkeringen die al het gewenste beschermingsniveau bieden, worden goed op orde gehouden. Waar de waterkeringen een hoger beschermingsniveau moeten bieden, vindt dijkversterking of rivierverruiming plaats. Voor de regio is het beleid verder uitgewerkt in het DeltaprogrammaRijnmond-Drechtsteden [2]. Op basis van de nieuwe risicobenadering zijn nieuwe normen voor de dijken in Rijnmond-Drechtsteden voorgesteld (Figuur 3-1), deze normen zijn ook opgenomen in de gewijzigde Waterwet.

Figuur 3-1 Normspecificaties voor primaire waterkeringen, uitgedrukt in een overstromingskans per dijktraject [2] De dijken in het gebied Rijnmond Drechtsteden zijn ingedeeld in verschillende typen (Figuur 3-2). De dik in het plangebied is ingedeeld als Sterke Urbane Dijk. In de tussentijdse wijziging van het waterplan [3] is opgenomen dat de ruimte rond deze dijken intensief en voor verschillende functies wordt gebruikt. Daarom vraagt de uitwerking van opgaven en oplossingen om een brede blik op de verschillende vormen van ruimtegebruik. Bij een urbane dijk is vaak sprake van integratie van dijkversterking met stadsontwikkeling rond de dijk. Door de integratie van waterveiligheid en ruimtelijke ontwikkeling kunnen verschillende doelen gerealiseerd worden. Het Deltadeelprogramma adviseert stad en waterschap als vanzelfsprekende (financiële) partners op te laten trekken om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

10 van 44

Figuur 3-2 Dijken in de regio Rijnmond-Drechtsteden [2] Buitendijkse gebieden In de Waterwet is geregeld dat bewoners en gebruikers van buitendijkse gebieden zelf verantwoordelijk zijn voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen in geval van een overstroming en zelf het risico dragen van waterschade. De gemeenten en de veiligheidsregio’s hebben de taak de veiligheidssituatie en de noodzaak van aanvullende maatregelen te beoordelen. Zij stellen bewoners en gebruikers op de hoogte van de veiligheid en de risico’s. De provincies kunnen nader beleid opstellen voor de buitendijkse veiligheid. Het Rijk stelt de kaders voor buitendijkse ontwikkeling, gericht op de waterveiligheid binnendijks. Welk beschermingsniveau bereikt moet worden in buitendijks gebied is niet vastgelegd in wetgeving. In het kader van het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden [2] is de ‘Strategische adaptatieagenda Buitendijks’ opgesteld [4]. Deze agenda benoemt activiteiten om de waterveiligheid in buitendijks gebied in de regio op de korte en lange termijn te handhaven ten bate van de leefbaarheid en de economie. Gebruik waterstaatswerken Volgens de Waterwet en bijbehorend waterbesluit is het verboden om zonder toestemming van de minister van Infrastructuur en Milieu iets anders te doen met een waterstaatswerk, dan waarvoor het bedoeld is.

Voor bouwen in of rond een waterstaatswerk moet daarom een vergunning in het kader van de Waterwet worden aangevraagd. Uitzondering hierop zijn de gebieden die door het Waterbesluit zijn aangewezen als gebieden met een vrijstelling van de vergunningplicht (op dit onderdeel van de regelgeving). Van deze gebieden is bepaald dat ze uit rivierkundig oogpunt minder van belang zijn. Deze gebieden blijven wel deel uit maken van het rivierbed en kunnen bij hoogwatersituaties onder water komen te staan (artikel 6.16 Waterbesluit).

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

11 van 44

Een klein deel van het plangebied ligt in buitendijks gebied, dat deel uitmaakt van het stroomgebied van de Nieuwe-Waterweg. De kaart uit het Waterbesluit voor het plangebied zijn weergegeven in Figuur 3-3. Uit de kaart is op te maken dat het plangebied valt binnen het gebied waarop vrijstelling van bovengenoemde vergunningplicht van toepassing is.

Figuur 3-3 Kaart Waterbesluit, bron: Ministerie van Verkeer en waterstaat, Waterbesluit Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO) Nationale ruimtelijke belangen zijn beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Juridisch zijn deze belangen onder meer geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Voor het plangebied zijn van belang. • Rijksvaarwegen (titel 2.1) Om een vlotte en veilige doorvaart op de bestaande rijksvaarwegen te handhaven zijn in het Besluit algemene ruimtelijke ordening regels opgenomen over zogenoemde vrijwaringzones langs de Nieuwe-Waterweg en de Nieuwe Maas. In de vrijwaringszone moet rekening gehouden worden met het voorkomen van belemmeringen voor: • de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; • de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur; • de scheepvaart; • het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; • de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; • het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

12 van 44

De vrijwaringszone is voor een Zeehaventoegang 40 m gerekend vanaf de begrenzing van de vaarweg en voor een splitsing 50 m. Gaat het alleen om een vaarweg waar de grootste schepen mogen varen dan is de vrijwaringszone 25 m. Ter hoogte van het plangebied is de vrijwaringszone 25 meter. Het plangebied zelf ligt echter wel gedeeltelijk binnen het waterstaatswerk maar buiten de vaarweg. De afstand van de grens van het plangebied tot de grens van de vaarweg is ruim 500 meter. Dus het plangebied ligt ruim buiten de vrijwaringszone. • Grote rivieren (titel 2.4) In deze titel worden algemene eisen gesteld aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen in het rivierbed. Hiermee wordt voorkomen dat zonder meer werken worden toegestaan die een bedreiging vormen voor de waterafvoer. • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament (titel 2.11) Deze titel legt vast dat primaire waterkeringen de bestemming ‘waterkering’ krijgen in het bestemmingsplan. De beschermingszone krijgt de bestemming ‘vrijwaringszone-dijk’ of ‘vrijwaringszone-waterstaatswerk’. Voor nieuwe bestemmingen binnen de zones van de waterkering geldt dat deze geen nadelige invloed mogen hebben op de waterkering.

3.2

Provincie Zuid-Holland Waterverordening Zuid-Holland [5] Normen voor regionale keringen in het plangebied zijn vastgelegd in de waterverordening van de Provincie. Buitendijkse gebieden De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico’s. Gemeenten moeten bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte (VR). De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken [6]. De oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) in deze methodiek bedraagt 1x10-5 [7].

3.3

Waterschap Hollandse Delta WSHD is de waterkwaliteit- en –kwantiteitbeheerder voor alle binnendijks oppervlaktewater aan de linker Maasoever. De strategie en het beleid van waterschap Hollandse Delta is vooral gericht op: het bieden van veiligheid tegen wateroverlast; veilige (vaar)wegen en voldoende en schoon oppervlaktewater.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

13 van 44

Daarnaast werkt het waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van “water”, met oog voor de ecologie en het landschap en zo dat water meebepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen. Waterbeheerprogramma 2016-2021 [8] Begin 2016 is een nieuw waterbeheer programma van kracht geworden. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem [9] In deze nota zijn toetsingskaders en beleidsregels opgenomen die het uitgangspunt vormen voor plantoetsing en vergunningverlening. Relevant voor het bestemmingsplan zijn onder meer de regels over watercompensatie. Dempingen van oppervlaktewaterlichamen moeten volledig gecompenseerd worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening. Een toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door het aanleggen van water met een oppervlakte van 10 % van de verharding. Voor de compensatie voor demping of extra verharding is er sprake van een voorkeursvolgorde: 1. nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; 2. nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; 3. nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Daarnaast zijn in deze nota regels opgenomen voor het werken in of nabij waterkeringen. Allereerst moet bij werken in de waterkering of in de beschermingszone de nut en noodzaak worden aangetoond. Werken worden alleen toegestaan als sprake is van een zwaarwegend belang en de waterkerende functie van de waterkering nu en in de toekomst is geborgd.

3.4

Gemeente Rotterdam Rotterdams Weerwoord [10] Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

14 van 44

inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken. De belangrijkste versterkingen zijn: • Vergroening van de stad als adaptatiemaatregel om hitte tegen te gaan, draagt ook bij aan de vertraging van neerslag. • Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is goed voor gebieden met (te) lage grondwaterstanden. • Waterbergende voorzieningen op gebouwen combineren met verkoelende maatregelen (groen dak) draagt bij aan reductie van wateroverlast en hitte. Zonnepanelen op groene daken hebben een hogere opbrengst. • Hoger aanleggen van vitale voorzieningen reduceert zowel risico’s van overstroming vanuit de rivier als door extreme neerslag. De belangrijkste belemmeringen zijn: • Meer bomen en groen in de stad zorgt voor een grotere watervraag die de gevolgen van droge perioden versterken. • Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is nadelig voor gebieden met (te) hoge grondwaterstanden.

Gemeentelijk Rioleringsplan Rotterdam [11] Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2016-2020 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de grondwater- en rioleringstaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. Voor de planperiode 2016-2020 heeft Rotterdam vier doelen geformuleerd: • Beschermen van de volksgezondheid door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater. • Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren en verwerken van hemelwater. • Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied. • Rotterdammers van dienst zijn en bewustwording tot stand brengen over hun rol in het stedelijk watersysteem door actief communiceren en de Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven handelingsperspectieven te laten zien. Ook is in het plan een streefbeeld opgenomen voor de lange termijn (Figuur 3-4). Door de mondiale en regionale ontwikkelingen ziet Rotterdam er in 2050 anders uit en heeft dan andere behoeften. Het afvalwatersysteem kan bijdragen in het aanvullen van de tekorten die zullen ontstaan. Energie, warmte, grondstoffen en gezuiverd zoet water, die vrijkomen bij de be- en verwerking van afvalwaterstromen, worden teruggewonnen en hergebruikt.

Rotterdam sluit op deze manier kringlopen van grondstoffen, energie en water. De belangrijkste aanpassing voor de lange termijn is ontvlechten van het bestaande stedelijke watersysteem: zo veel mogelijk waterstromen scheiden. Dit is het basisprincipe van de kringloop en voor droge voeten. Deze lange termijnvisie is verder

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

15 van 44

uitgewerkt door de werkgroep Lange termijn Visie van RoSa (Rotterdamse samenwerking in de afvalwaterketen) [12].

Figuur 3-4 Streefbeeld (afval)waterkringloop [11] Om de lange termijnvisie waar te kunnen maken is het belangrijk dat bij nieuwe ontwikkelingen al wordt ingezet op het scheiden van afvalwater – en hemelwater. De huidige ondergrondse voorzieningen hebben onvoldoende capaciteit voor de verwachte klimaatveranderingen. Rotterdam heeft nieuwe ideeën nodig om de oplossingen te vinden in de bovengrondse ruimtelijke inrichting van de stad. Afstemming en samenwerking met ontwerpers, ingenieurs, private partijen en partners in waterbeheer is hierbij cruciaal. Hierbij wordt in het plan uitgegaan van een gebiedsgerichte aanpak. Voor het Centrum en het rustig stedelijk gebied wordt gestreefd naar de realisatie van voldoende waterberging en vertraging van de afvoer van hemelwater. Afkoppelen van verhard oppervlak en aanleg van gescheiden stelsels worden kleinschalig en doelmatig ingezet. De hoofdstromen voor de inzameling en het transport van afvalwater en hemelwater blijven gemengde systemen. Voor buitendijkse gebieden geldt dat het hemelwater zoveel mogelijk rechtstreeks afgevoerd wordt naar de rivier. Waterveiligheidsbeleid gemeente Rotterdam [13] Het gemeentelijk waterveiligheidsbeleid is geborgd in de beleidsnotitie Waterveiligheid binnen de gemeente Rotterdam [13]. B&W hebben dit beleid op 29 mei 2018 vastgesteld.

Waterveiligheid in de Rotterdamse delta heeft permanente aandacht nodig, en zal in de toekomst nog meer aandacht nodig hebben als gevolg van klimaatverandering. Binnen de gemeente dient waterveiligheid op de juiste wijze meegenomen te worden bij de ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, MER, gebiedsvisies) en bouwontwikkelingen.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

16 van 44

Buitendijks is de gemeente verantwoordelijk voor de afweging van overstromingsrisico’s bij ruimtelijke ontwikkelingen en voor communicatie over de overstromingsrisico’s. Daarnaast heeft de gemeente, samen met andere partijen, een rol in de crisisbeheersing bij dijkdoorbraken en hoogwater in het buitendijks gebied. Om buitendijks de veiligheid tegen overstroming te waarborgen is gelijktijdig met de beleidsnotitie waterveiligheid ook de Herijking beleid (grond)uitgiftepeilen in buitendijks gebied vastgesteld [14]. Dit beleid is bedoeld om de risico’s bij een overstroming in het buitendijks gebied te beheersen voor nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen. Bij de oude methode gold een standaard gronduitgiftepeil dat in de praktijk soms onnodig hoog bleek of waaraan voorbijgegaan werd omdat het praktisch of financieel onhaalbaar bleek. De nieuwe methode maakt onderscheid in een basispeil voor ‘gewone’ functies als huizen en een hoger basis+ uitgiftepeil voor kritieke functies zoals bijvoorbeeld elektriciteitskasten (omdat een overstroming hier voor een groter maatschappelijk effect zorgt). De peilen moeten worden vastgelegd in de regels van het nieuw vast te stellen bestemmingsplannen. Afwijken van de peilen mag ook, maar alleen als dat onderbouwd en overlegd wordt met de uitgiftepeilencommissie.

De gemeente gaat uit van een hoger veiligheidsniveau dan de oriëntatiewaarde van het risico op individueel overlijden (LIR) van 1x10-5 die de provincie ZuidHolland hanteert [5]. Zo wordt de kans op maatschappelijke ontwrichting en grote economische schade door het uitvallen van functies verkleind. Het herijkte uitgiftepeilenbeleid buitendijks richt zich primair op nieuwe ontwikkelingen of herstructureringen en geven in termen van maaiveldhoogtes de minimale vereisten voor het waarborgen van waterveiligheid. Onderscheid wordt gemaakt tussen gebieden buiten en binnen de stormvloedkeringen. Voor gebieden binnen de keringen is het advies een uitgiftepeil van minimaal NAP +3,60 m voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van minimaal NAP + 3,90m voor vitale en kwetsbare functies. Watersensitive Rotterdam [15] De beweging Water Sensitive Rotterdam koppelt gebiedsopgaven en projecten aan de water- en klimaatopgaven in de stad. Op deze manier wordt gewerkt aan het realiseren van de ambities uit de Rotterdamse Adaptatiestrategie. Het koppelen is hierbij essentieel. Elke verandering in Rotterdam is een kans om met partijen in de stad actief, de gestelde ambities invulling te geven.

Dit betekent onder meer: • samen met initiatiefnemers nagaan op welke wijze wederzijdse toegevoegde waarde gecreëerd kan worden ten aanzien van de water- en klimaatopgaven; • maatregelen nemen in de haarvaten van het watersysteem, om zodoende de robuustheid te vergroten; • de zichtbaarheid van water- en klimaatmaatregelen waarderen, om het waterbewustzijn en de aantrekkelijkheid van de stad, te vergroten. Hemelwater wordt in deze benadering als een grondstof beschouwd welke we, waar mogelijk, lokaal moeten benutten. Hierdoor kunnen transportafstanden en -middelen voor het afvoeren en toevoeren van water gereduceerd worden. Structuurvisie Stadshavens [16]

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

17 van 44

Voor de transformatie van de stadhavens is in 2011 een structuurvisie opgeteld. Een klimaatbestendige inrichting is een belangrijke voorwaarde voor een aantrekkelijk werk- en woonmilieu. ‘Klimaatbestendig’ houdt in dat wateroverlast ondanks de buitendijkse ligging niet voorkomt of dat de gevolgen van de overlast voorzien en beperkt zijn. Deze opgave biedt kansen voor innovatieve oplossingen die als showcase kunnen dienen voor een stad die zich wil bekwamen in deltatechnologie en deltadesign. Het beleid in de structuurvisie is later verder uitgewerkt in de herijking van de buitendijkse uitgiftepeilen. De structuurvisie gaat uit van gescheiden afvoeren van regen- en afvalwater. Waarbij directe afvoer naar de Maas als belangrijke optie wordt gezien. Verder wordt gesteld dat de capaciteit van RWZI Dokhaven vrijwel geheel wordt benut. Bij grootschalig nieuw programma zal een visie op het verwerken van afvalwater nodig zijn. Het gedeelte van het bestemmingsplangebied te noorden van de Brielselaan behoort tot het Stadshavensgebied.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

18 van 44

4

Huidige waterhuishouding en klimaatbestendigheid Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de huidige waterhuishouding binnen het plangebied. Ingegaan wordt op de aspecten oppervlaktewater, grondwater, afval- en hemelwater, waterkwaliteit, waterkeringen en waterveiligheid. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over klimaatbestendigheid.

4.1

Oppervlaktewater Figuur 4-1 geeft een overzicht van het oppervlaktewatersysteem in en rondom het bestemmingsplangebied. Voor de Maashaven en het buitendijkse gebied is de waterbeheerder Rijkswaterstaat. De waterbeheerder van het binnendijks gedeelte van het plangebied is Waterschap Hollandse Delta (WSHD). Het binnendijkse gedeelte van het plangebied ligt in peilgebied Y08.001 en heeft een vast peil van NAP -2,4 m. In het plangebied is, afgezien van een stuk Maashaven, geen open oppervlaktewater aanwezig. Toch loopt er door het plangebied een hoofdwaterloop (H18499). Deze bestaat echter over de gehele lengte uit een duiker met een diameter van 40 cm. De lengte van deze duiker is bijna 1200 meter. Deze duiker wordt soms aangeduid met ‘spuileiding’ en is eigendom van, en in beheer bij, Waterschap Hollandse Delta. Ondanks de naam ‘spuileiding’ is deze duiker bedoeld voor watertoevoer. Deze hoofdwaterloop verbindt de Maashaven met waterloop langs de Lange Hilleweg in de wijk Bloemhof en met de Valkenierswei (beiden buiten het plangebied). Aan de Maashavezijde bevindt zich een inlaathevel (Hevel Brielselaan, H00187) met afsluiter (26720AF). Vanwege het zoutgehalte van het water in de Maashaven staat deze inlaat vaak dicht, Bloemhof en Valkenierswei worden dan via de Blauwe Verbinding (buiten het plangebied) van water voorzien.

Binnen het plangebied komen geen overstorten uit op de hoofdwaterloop.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

19 van 44

Figuur 4-1 Oppervlaktewatersysteem

4.2

Grondwater Voor grondwater zijn er veel peilbuizen in het plangebied. De ligging van de peilbuizen met de gemiddelde ontwateringsdiepte (afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil) zijn weergegeven in Figuur 4-2. De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij bijna elke peilbuis groter dan de vereiste 0,80 meter. Alleen een peilbuis in de Wevershoekstraat in de Millinxbuurt (peilbuis 130563-43) voldoet niet aan de vereiste 0,80 meter.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

20 van 44

Figuur 4-2 Locatie peilbuizen en gemiddelde ontwateringsdiepte (gegevens uit grondwateratlas, 2016) In het binnendijkse gedeelte van het plangebied gelden een aantal verschillende uitgiftepeilen. Op veel plekken ligt het huidige maaiveld onder deze uitgiftepeilen. Indien het maaiveld weer teruggebracht wordt op uitgiftepeil zal de ontwateringsdiepte ter plaatse van peilbuis 130563-43 nog steeds niet voldoende zijn, In de wijk staan nog een aantal huizen met houten paalfunderingen, grondwateronderlast en paalrot zijn hier aandachtspunten. In Figuur 4-3 zijn de gebieden weergegeven waar risico is op funderingsproblemen.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

21 van 44

Figuur 4-3 Risicogebieden houten paalfunderingen

4.3

Riolering: afval- en hemelwater Het bestemmingsplangebied valt grotendeels binnen rioleringsdistrict 25 (Carnisse). De Millinxbuurt valt echter binnen rioleringsdistrict 28 (Het Zuiden) terwijl de buitendijkse zone tussen de Brielselaan en de Maashaven deel uit maakt van riooldistrict 23 (Charlois). Zie Figuur 4-4. In het plangebied ligt een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater via het districtsgemaal Amelandseplein wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District 25 voert via District 23 het afvalwater af naar AWZI Dokhaven. District 28 voert via het rioolgemaal Pretorialaan het water met een persleiding naar district 25. Binnen het plangebied is één vuilwateroverstort aanwezig welke uitkomt op de Maashaven direct naast de in paragraaf 4.1 genoemde inlaathevel. Voor het gehele plangebied is een rioolvervanging gepland. Bij de daarbij noodzakelijke herinrichting van de buitenruimte moet deze zoveel mogelijk teruggebracht worden op uitgiftepeil (zie 4.2).

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

22 van 44

Figuur 4-4 Overzicht rioleringssysteem

4.4

Waterkwaliteit Het plangebied ligt aan de Maashaven die onderdeel is van het KRW-waterlichaam Nieuwe Maas.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

23 van 44

Waterkwaliteit Nieuwe Maas De Nieuwe Maas is een KRW-waterlichaam (NL94_8; Nieuwe Maas). Gegevens over de waterkwaliteit zijn beschikbaar in de factsheets die een bijlage vormen bij de stroomgebiedsplannen 2016-2021 [17]. De gebruikte factsheet is bijgewerkt tot 16 oktober 2018. De Nieuwe Maas wordt gekarakteriseerd als een sterk veranderd waterlichaam, van het type: Overgangswateren-Estuarium met matig getijdenverschil (O2). Type O2 hebben een specifieke functie voor diadrome (CA), estuarine (ER), marien juveniele (MJ) en mariene seizoens (MS) visgilden. Vissen behorend tot de gilden ER, MJ en MS zijn expliciet gevoelig voor habitatverlies. Tot het marien juveniele (MJ) visgilde horen veel soorten die commercieel belangrijk zijn zoals; Haring, Poon, Bot en Schol. De status “sterk veranderd waterlichaam” betekent dat de Nieuwe Maas door menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat dit vanwege de huidige gebruiksfuncties als haven en vaarweg niet door herstelmaatregelen ongedaan gemaakt kan worden. Voor een sterk veranderd waterlichaam is herstel naar een Goede Ecologische Toestand (GET) meestal niet haalbaar. Voor sterk veranderde waterlichamen zijn daarom aangepaste normen geformuleerd; het Goed Ecologisch Potentieel (GEP). De huidige chemische en ecologische toestand en de verwachting voor 2021 en 2027 zijn opgenomen in tabel 4.1.

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

24 van 44

Tabel 4.1 Chemische en ecologische toestand Nieuwe Maas, bron [17] Voor de ubiquitaire stoffen, die al verboden zijn maar nog jarenlang in het systeem aanwezig blijven, worden de normen overschreden en is de verwachting dat dat ook in de toekomst zo zal zijn. Van de niet-ubiquitaire stof fluorantheen is ook sprake van normoverschrijding die naar verwachting zal voortduren tot na 2027. De voor het aanwezig zijn van een aquatisch ecologisch systeem noodzakelijke fysische chemie is matig op orde. De visstand is matig op orde. Dit is voor een belangrijk deel veroorzaakt door het ontbreken van geschikt habitat voor estuarine en marien juveniele vissen. Voor de estuarine soorten speelt daarnaast de slechte waterchemie een rol. Macrofauna en overige waterflora is voor het gehele waterlichaam goed. De kwaliteit van Fytoplankton was in de periode 2010-2012 slechter dan ervoor en erna. De verwachting is dat de biologische kwaliteit inclusie fytoplankton in 2027 op orde zal zijn. Er zijn normoverschrijdingen van specifieke toxische stoffen in dit waterlichaam (met name aromaten en zware metalen). Deze overschrijdingen zullen naar verwachting voortduren tot na 2027. Samenvattend kan worden gesteld dat de Maashaven niet voldoet aan een goede chemische toestand en matig voldoet aan een goede ecologische toestand.

Vanwege deze na 2027 voortdurende normoverschrijdingen is het totaaloordeel voor 2027 matig. Omdat niet alle KRW-doelen gehaald kunnen worden in 2021 wordt de realisatie van een aantal doelen gefaseerd tot na 2021. Er wordt tot 2021 niet overgegaan tot doelverlaging. Om op termijn aan de KRW-doelstellingen te voldoen is er een maatregelen pakket opgesteld waarvan de uitvoering doorloopt tot 2027. Voor het bestemmingsplangebied zijn de volgende maatregelen van belang:

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

25 van 44

-

-

4.5

RWS_x2080-c-Natuurvriendelijke oevers: flauw talud. Dit programma omvat de aanleg van 5 km natuurvriendelijke oevers waarvan 1 km in de Maashaven (in januari 2018 nog in planfase). RWS-Y5006 -Pilot en verkenning naar mogelijkheden NVO’s. Dit programma betreft een inventarisatie van locaties waar na 2021 nog natuurvriendelijke oevers gerealiseerd kunnen worden.

Waterkeringen en waterveiligheid Waterkeringen In het plangebied ligt een primaire waterkering. De ligging van de kering is in Figuur 4-6 weergegeven. Rondom de waterkeringen worden verschillende beschermingszones gehanteerd.

Figuur 4-5 Ligging waterkeringen

4.5.1

Waterveiligheid binnendijks Het plangebied ligt grotendeels binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald

Wateradvies

Dossiernummer

Versie

Datum

Pagina

Tarwewijk

IB-2019-0002

Definitief V1

december 2019

26 van 44

in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkering in het plangebied betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1 : 3.000. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen is er een landelijk informatiesysteem overstromingen [19]. De maximale waterdiepte in het plangebied ten gevolge van een overstroming is opgenomen in Figuur 4-7. Doordat de berekening op een hoog abstractieniveau is uitgevoerd is het detailniveau van de kaarten beperkt. Wel kan uit de kaart worden opgemaakt dat in het plangebied een waterdiepte kan ontstaan van 1,8 meter. Bij een dergelijke diepte is evacuatie in geval van een overstroming noodzakelijk.

Figuur 4-6 Potentiële waterdiepte bij doorbraak primaire kering [19] 4.5.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e41f314f-ec6f-4d78-a3f8-11477400f980