CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb5580 Bijlage 1 behorende bij 21bb7555 over Ontwerpbestemmingsplan Bospolder - Tussendijken

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: a. tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Bospolder-Tussendijken’;41.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

5.3.4

Riolering

Het bestemmingsplangebied valt grotendeels binnen rioleringsdistrict 11 (Tussendijken). Alleen in het noorden valt het plangebied op 2 locaties binnen rioleringsdistrict 5 (Spangen).

64

In het plangebied ligt een gemengd stelsel, wat betekend dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). De districten 5 en 11 voeren het afvalwater via district 3 (Het Westen) af naar de AWZI Dokhaven. Ook bevinden zich binnen deze districten verschillende overstorten naar de Nieuwe Maas. Deze vallen echter buiten het plangebied. Binnen het plangebied is wel een vuilwateroverstort aanwezig die overstort naar de Delfshavense Schie. Zowel voor uitstroom als voor overstort is het gebied dus afhankelijk van de Delfshavense Schie. Verder loopt dwars door het plangebied een persleiding (005AB). In het zuiden van het plangebied bevindt zich een streng van een regenwaterstelsel wat ten zuiden van het plangebied is gelegen. Ook wordt er momenteel een dwa-gemaal ontworpen ter plaatse van Park 1943, dit gemaal blijft onderdeel van het gemengde stelsel.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

Dit bestemmingsplan biedt mogelijkheden om panden te transformeren naar woningen of andere functies. Transformatiemogelijkheden hebben geen direct invloed op het oppervlaktewatersysteem, er geldt dan ook geen compensatie-eis voor de transformatiemogelijkheden. Mogelijk vindt er sloop en nieuwbouw plaats op de locatie Korfmakersstraat 127. Ook worden er nieuwbouwmogelijkheden geboden aan de Kleine Visserijstraat. Deze gronden zijn in de huidige situatie geheel verhard waardoor er geen sprake kan zijn van een toename van de verharding. Ook hier is daarom geen watercompensatie aan de orde. Verder zijn er plannen voor de bouw van maximaal 140 woningen op de Koplocatie en maximaal 140 woningen op de Staartlocatie van de Vierhavenstrip. Deze locaties zijn momenteel grotendeels onverhard en zullen waarschijnlijk grotendeel verhard worden. Omdat deze ontwikkelingen zich in buitendijks gebied bevinden, hanteert het HHD hier geen compensatienorm. Voor eventuele nu nog niet bekende sloop/nieuwbouw ontwikkelingen in het gebied, buiten de genoemde ontwikkelingen dus, is het nodig dat de noodzaak van de compensatieplicht bij een verhardingstoename in binnendijks gebied duidelijk is. De houding die het HHD opstelt bij een verhardingstoename in binnendijks gebied is gebaseerd op het 'stand-stil' beginsel.

Dit betekend dat er geen toename mag zijn van de kans op wateroverlast binnen het gebied. Compensatie kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door middel van het realiseren van extra waterberging of de trits vasthouden-bergen-afvoeren op de locatie waar de verslechtering optreedt. Het HHD heeft een online applicatie ontwikkeld die hier handvaten aan kan geven: de Watersleutel. Indien sprake is van een verhardingstoename in binnendijks gebied, wordt geadviseerd om samen met het HHD en passende oplossing of maatregel te zoeken. In de plannen zijn geen veranderingen in de huidige geldende waterpeilen voorzien.

5.4.2

Grondwater

Er vindt geen grootschalige toename van de verharding in het gebied plaats en er zijn daarnaast ook geen nieuwe ondergrondse objecten voorzien. De voorziene woningen/appartementen zullen worden gerealiseerd in een relatief groene en onverharde omgeving (Kop en Staart van de Vierhavenstrip). Hemelwater wat van de woningen en bijbehorende (verharde) tuinen komt, zal daarom redelijk goed kunnen infiltreren in de directe omgeving. In het gebied is geen oppervlaktewater aanwezig en het ligt tegen een primaire waterkering aan. Dit heeft invloed op het grondwater en ook op de infiltratie mogelijkheden ('badkuip effect'). Hier dient vooraf rekening mee gehouden te worden bij het dimensioneren van afkoppel en bergingsmaatregelen. Aanvullend hierop dient te worden opgemerkt dat de leeftijd van de riolering in het gebied van invloed zal zijn op de gemeten grondwaterstand. Het is aannemelijk dat de ontwateringsdiepte zal afnemen bij vervangen van de riolering, gezien het feit dat het riool nu lekkages heeft en daarmee de

65

grondwaterstand beïnvloedt. Bij het wijzigen van de grondwaterstanden door bijvoorbeeld extra infiltratie of de aanleg van een nieuwe riolering, dient rekening gehouden te worden met de kans op funderingsproblemen in het gebied. Ook met ondergrondse bouwlagen als kelders en souterrains dient rekening gehouden te worden. Een gedegen analyse hiervan is daarom noodzakelijk.

5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterkeringen In de kritische zones van de waterkering (de waterstaatswerken zelf) worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Wel grenzen de ontwikkelingslocaties op het Dakpark aan de waterkering. Deze locaties vallen dan ook binnen de beschermingszone van de betreffende waterkering. Er is overleg geweest met het HHD over deze ontwikkellocaties. Conform de beleidsregel medegebruik Delflandsedijk moet medegebruik (o.a. woningbouw) buiten het 'medegebruikvrije profiel' liggen. Om het medegebruikvrije profiel te kunnen bepalen is het van belang om het toekomstig profiel van de waterkering te bepalen. Toekomst wil hierbij zeggen, 100 jaar vooruit (DTH 100). Het blijkt dat op lange termijn verhoging van de waterkering op deze locatie nodig is, maar dat deze verhoging past binnen het huidige waterstaatswerk. Doordat beide ontwikkellocaties buiten het waterstaatswerk liggen vormt herontwikkeling geen beperking voor toekomstige verhoging. Bij herontwikkeling van de gronden in de zone van ca. 10 m uit de grens van het waterstaatswerk kunnen wel aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de hoogte van het maaiveld. Buiten deze zone gelden geen aanvullende voorwaarden, behalve dat het huidige maaiveld niet mag worden verlaagd. Wanneer de herontwikkeling van één van de locaties concreet wordt zal overleg plaatsvinden met het HHD.

Waterveiligheid binnendijks De ontwikkelingen (overwegend transformatiemogelijkheden) in het plangebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde in het binnendijks gebied niet significant toe.

Waterveiligheid buitendijks Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van het buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid, is de maaiveldhoogte van het gebied vergeleken met een waterstand gebaseerd op een terugkeertijd van 1/4.000 jaar in het jaar 2100. Hierbij is uitgegaan van de bovengrens van het KNMI G-scenario met een overstromingsdiepte tot NAP +3,84 meter. Hieruit blijkt dat het gebied op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water. Dit gegeven kan worden meegenomen bij het bepalen van de aanleghoogtes van de ontwikkelingen in het gebied. Eind 2014 is een nieuw concept-uitgiftepeilen beleid vastgesteld door het directieoverleg stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam. De gemeente wil uitgaan van een hoger veiligheidsniveau dan het Lokaal Individueel risico van de provincie. Zo wordt de kans op maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van functies verkleind. Daarom worden de volgende waterpeilen geadviseerd voor het buitendijkse gebied binnen het plangebied: een uitgiftepeil van NAP +3,60 m voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van NAP + 3,90 m voor kwetsbare functies.

5.4.4

Riolering

Afvalwater Indien de planologische mogelijkheden voor nieuwe woningen benut worden komen er ca. 280 nieuwe woningen bij in het plangebied, wat leid tot een toename van de afvalwaterproductie ten opzichte van de huidige situatie. Ook de transformatiemogelijkheden die dit plan biedt voor een aantal schoolgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, alsmede de transformatiemogelijkheden binnen de bestaande gemengde

66

bestemmingen, kunnen zorgen voor een verandering in de invulling van de panden en hebben dus effect op de afvalwaterproductie. In algemene zin bestaat de verwachting dat het aantal woningen hierdoor toeneemt en het aantal m² niet-woonfuncties afneemt. Op basis van het aantal woningen en het aantal vierkante meters gebouwen met een niet-woonfunctie is een inschatting te maken van de verandering van de afvalwaterbelasting als gevolg van de ontwikkelingen. Het gaat om de volgende aantallen (deels bestaande uit aannames omdat niet alle ontwikkelingen zeker zijn): Nieuwbouwlocaties Dakpark, ca. 280 woningen; Nieuwbouwlocatie Kleine Visserijstraat, 2 woningen; Transformatie van gemeentelijk vastgoed, maximaal ca. 37 woningen; Transformatie van vrijkomende onderwijsgebouwen, maximaal ca. 65 woningen. De nieuwbouwlocaties Van Dorp-A3 en The Hudsons zijn buiten beschouwing gelaten omdat dit vervangende nieuwbouw van gesloopte woningen betreft. Bovendien zijn deze ontwikkelingen al mogelijk op basis van het vorige bestemmingsplan en reeds vergund. De nieuwe woningen als gevolg van transformatiemogelijkheden binnen de gemengde bestemmingen zijn ook buiten beschouwing gelaten omdat deze niet te voorspellen (of kwantificeren) zijn. De zittende te transformeren functies produceren bovendien ook al in bepaalde mate afvalwater.

Uit het bovenstaande volgt dat er sprake kan zijn van een maximale toename van ca. 385 woningen binnen het plangebied. Hier staat tegenover dat de te transformeren gebouwen in de huidige situatie ook afvalwater produceren. Het maximaal te transformeren vloeroppervlak is ca. 10.000 m² en bestaat voornamelijk uit onderwijsfuncties. Voor het bereken van de effecten op de afvalwaterproductie kunnen de onderstaande uitgangspunten aangehouden worden. De effecten staan beschreven in tabel 5.1. Omdat de transformatie-ontwikkelingen niet zeker zijn, is worst-case gerekend (ca. 10.000 m² onderwijsfuncties transformeert in ca. 100 nieuwe woningen). in een woning zijn gemiddeld 2,5 personen aanwezig die gemiddeld 12 liter afvalwater per persoon per uur produceren; gemiddelde belasting schoolgebouw: 2 tot 3 liter per uur/per leerling, in de berekening wordt uitgaan van 2,5 l/uur. Het maximaal aantal leerlingen is berekend door de bruto vloeroppervlakte van het gebouw te delen door de ruimte per leerling (ongeveer 7 m2 voor middelbare scholen, ongeveer 3,5 m2 voor basisscholen). Ontwikkeling

Toe- en afname als gevolg van de ontwikkeling

Productie afvalwater (m³/uur)

Dakpark (280 woningen)

+280 woningen

+8,4 m³/uur

Kleine Visserijstraat (2 woningen) +2 woningen

+0,06 m³/uur

Transformatie vastgoed (37 woningen)

+37 woningen -3.700 m² onderwijsfuncties

+1,11 m³/uur -2,6 m³/uur

Transformatie scholen (65 woningen)

+65 woningen -6,500 m² onderwijsfuncties

+1,95 m³/uur -4,55 m³/uur +4,37 m³/uur

Tabel 5.1: effecten op de afvalwaterproductie De gemeente Rotterdam ambieert het scheiden van de verschillende afvalstromen. Bij de nieuwbouw ontwikkelingen dient gekeken te worden naar de mogelijkheden om deze ambitie te realiseren. Bij transformatie zijn de mogelijkheden beperkter aangezien de gebouwen vaak reeds aangesloten zijn op een gemengd stelsel.

Hemelwater Bij nieuwbouw bestaat de wens om schoon en vuil water te scheiden. De gemeente Rotterdam heeft daarbij een voorkeur voor het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Dit leidt tot vermindering

67

van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. Rotterdam heeft bij nieuwe ontwikkelingen als uitgangspunt dat gebouweigenaren zelf hun hemelwater moeten verwerken. Concreet betekent dit het realiseren van een waterberging voor 50 mm regen per uur en 80 mm regen per dag, gerekend over het verhard oppervlak. Voor de ontwikkelingen in het plangebied kan dat bijvoorbeeld door te kiezen voor het laten afstromen van regenwater naar oppervlaktewater in de directe omgeving. Het lozen van hemelwater op oppervlaktewater moet altijd in overleg met het HHD. Ook dient te worden opgemerkt dat alle oppervlaktewaterlichamen die aan het gebied grenzen KRW-waterlichamen zijn. Een deel van de ontwikkelingen betreft functieverandering van bestaande gebouwen. Ook hier is de eerste keus om afvalen hemelwater gescheiden te verwerken. Voor de materiaalkeuze van de bebouwing gelden randvoorwaarden, aangezien verontreiniging van afstromend hemelwater voorkomen moet worden. Uitloogbare materialen vormen een belasting voor de waterkwaliteit, deze zijn niet onvoorwaardelijk toepasbaar. Voor het bepalen van een locatie specifieke en effectieve manier voor het scheiden van waterstromen heeft de gemeente Rotterdam een hemelwatermatrix ontwikkeld.

Deze matrix kan helpen bij het maken van een keuze van de juiste hemelwatervoorziening. De matrix is op te vragen bij cluster Stadsbeheer, afdeling Water van de gemeente Rotterdam. Verder stimuleert de gemeente toepassing van groene daken. Groene daken houden hemelwater tijdelijk vast en verminderen en vertragen de afvoer ervan. Groene daken worden echter niet meegeteld als compensatie voor de verharding. Andere maatregelen die een bijdragen kunnen leveren aan het langer vasthouden van hemelwater op eigen terrein zijn: waterpasserende verhardingen, groene tuinen en bijvoorbeeld regentonnen.

5.4.5

Waterkwaliteit

De ontwikkelingen hebben geen directe invloed op de waterkwaliteit van het oppervlaktewater in het plangebied. Wanneer wordt gekozen voor het laten afstromen van hemelwater naar het oppervlaktewater kan dit zowel positieve als negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. Afstemming met de waterbeheerder over deze maatregelen is daarom noodzakelijk.

5.4.6

Klimaatkansen

Het realiseren van nieuwe woningen biedt kansen om in te spelen op de verwachte klimaatveranderingen. Hiervoor zijn een groot scala aan potentiele toepassingen voorhanden. Een deel van deze toepassingen zijn ook toepasbaar bij de transformatie van gebouwen. Hieronder worden er een aantal benoemt en kort toegelicht: groene daken. Het toepassen van groene daken zorgt voor een groen uiterlijk, extra waterberging en verminderd de kans op stedelijke hittestress. Goed te combineren met andere multifunctionele daken; waterpasserende verharding. Het toepassen van waterpasserende verhardingen zorgt voor een duurzame afvoer van regenwater naar de ondergrond en een afname van de belasting van het riool tijdens extreme regenbuien; helofytenfilters/wadi's. Het toepassen van een helofytenfilter of een wadi zorgt voor een groen uiterlijk, het natuurlijk zuiveren van regenwater en extra waterberging in de wijk; ondergrondse waterberging. Het toepassen van een ondergrondse waterberging zoals infiltratiekratten of een waterbergende funderingslaag zorgt voor extra waterberging. Ook hierbij geldt een afname van de belasting op het riool; scheiden van waterstromen. Het toepassen van waterscheiding zorgt voor een duurzame omgang met de verschillende waterstromen. De verschillende waterstromen in de wijk zijn: hemelwater, afvalwater en grijs water (douche, wasmachine en keuken).

Voordeel hiervan is dat waterstromen kunnen worden hergebruikt. Bijvoorbeeld door het sproeien van de tuin met hemelwater of het doorspoelen van het toilet met grijs water; hemelwaterafvoer naar de Nieuwe Maas. Gezien de ligging van het plangebied naast de Nieuwe

68

Maas, kan hier nuttig gebruik van gemaakt worden. Hemelwater kan relatief snel via het verharde oppervlak of via drainage/regenwaterafvoer naar het oppervlaktewater worden afgevoerd. Bovenstaande toepassingen zullen onderzocht worden wanneer de ontwikkelingen concreet worden.

69

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg -en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

6.2.1

Wetgeving, normen en beleid

6.2.1.1 Wet geluidhinder (Wgh) Voor de geluidbronnen wegverkeer, railverkeer en industrielawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Uitzondering hierop zijn 30 km/uur wegen. Deze zijn vrijgesteld van toetsing aan de Wgh.

Geluidzone Wegverkeerslawaai Alle wegen of stedelijke spoorwegen (trams) met een maximumsnelheid die hoger is dan 30 km/uur hebben een geluidzone. De zonebreedte langs een weg of (tram)spoorweg is afhankelijk van de ligging van de weg of (tram)spoorweg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en het aantal rijstroken of (tram)sporen van die weg of spoorweg. De voor dit onderzoek relevante wegen zijn stedelijke wegen bestaande uit twee of meer rijstroken, zoals de Mathenesserdijk, Vierhavensstraat en de

70

Schiedamseweg. Het onderzoek naar wegverkeerslawaai is opgenomen in paragraaf 6.2.2.1.

Railverkeerlawaai De spoorlijnen ten noorden van het plangebied zijn aangegeven op de geluidplafondkaart. De geluidzone van deze spoorlijnen is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond (GPP) op het betrokken referentiepunt. De GPP's langs de spoorlijnen ten noorden van het plangebied, variëren ter hoogte van het plangebied van 66,0 dB tot maximaal 75,3 dB. De geluidzone langs deze spoorlijnen bedraagt derhalve maximaal 1.200 meter. Het onderzoek naar railverkeerlawaai is opgenomen in paragraaf 6.2.2.2.

Industrielawaai In het Rijnmondgebied is voor meerdere industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers aanwezig zijn een geluidcontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein aanwezige bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidzone. Het gehele plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein 'Waal-Eemhaven'. Tevens bevindt een groot deel van het plangebied zich binnen de geluidzone van het industrieterrein 'Havens Noordwest Oost-Frankenland'. Deze industrieterreinen zijn daarom relevant voor het akoestisch onderzoek van dit bestemmingsplan. Het onderzoek naar industrielawaai is opgenomen in paragraaf 6.2.2.3.

Geluidgevoelige bestemmingen Als een bestemming als geluidgevoelig is aangemerkt gelden de regels uit de Wgh. In de Wgh worden woningen als geluidgevoelig aangemerkt. Ziekenhuizen, verpleeghuizen, onderwijsinstellingen en kinderdagverblijven worden als andere geluidgevoelige gebouwen aangemerkt. Standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen in het water voor woonschepen worden als geluidgevoelige terreinen aangemerkt. Dit bestemmingsplan maakt nieuwe woningen en geluidgevoelige maatschappelijke functies mogelijk.

Optrektoeslag Door de aanwezigheid van kruispunten en snelheidsbeperkende maatregelen kan de geluidbelasting vanwege het wegverkeer door het afremmen en optrekken toenemen. De Wgh schrijft voor om een straffactor toe te passen bij de berekende geluidbelasting voor de situaties waarbij sprake is van een met verkeerslichten geregeld kruispunt of snelheidsbeperkende maatregelen waardoor de gemiddelde snelheid ten minste gehalveerd wordt.

Voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidbelasting In tabel 7.2 zijn de relevante voorkeurswaarden en maximaal toelaatbare geluidbelasting voor de geplande woningen voor wegverkeers-, industrie- en railverkeerslawaai weergegeven. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde is onderzoek naar maatregelen noodzakelijk en/of kan ontheffing in de vorm van een hogere grenswaarde worden aangevraagd bij het college van Burgemeester en Wethouders. De geluidbelasting op de gevel van de locaties mag de in de Wgh genoemde maximale grenswaarde niet overschrijden.

71

Geluidgevoelige Bestemming

Voorkeurswaarde

Wegverkeer [dB]

Maximaal toelaatbare geluidbelasting (met ontheffing)

Railverkeer

Industrie

[dB]

[dB(A)]

Wegverkeer [dB]

Railverkeer [dB]

Industrie [dB(A)]

Woning

48

55

50

63

68

55/60**

Woning (vervangende nieuwbouw)

48

55

50

68

68

65

Tabel 7.2: voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wgh voor weg-, industrie- en railverkeerslawaai

Vervangende nieuwbouw Daarnaast kent de Wgh nog het begrip 'vervangende nieuwbouw', specifiek voor woningen. Wanneer er geen sprake is van een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden of een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur, kan een hogere waarde tot 68 dB voor stedelijke wegen verleend worden, en een hogere waarde tot 63 dB voor snelwegen. Het principe van vervangende nieuwbouw is van toepassing op een groot aantal locaties binnen het plangebied. Het gaat om de plinten van gemengde bebouwing die getransformeerd kunnen worden in woningen. Omdat er op de verdiepingen al wordt gewoond is er geen sprake van een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden of een ingrijpende wijziging van stedenbouwkundige functie of structuur.

Zeehavennorm In de Wet geluidhinder is ten aanzien van de voorkeurs- en maximale ontheffingswaarden voor industrielawaai een uitzondering gemaakt voor industrieterreinen met activiteiten die zeehavengebonden zijn en die noodzakelijkerwijs in de open lucht plaatsvinden. Maatregelen om lawaai bij de bron te beperken zijn daarom niet goed mogelijk. Ook ligt verplaatsing niet voor de hand vanwege de industriële ontwikkeling van een grootschalig havengebied. In geval van zeehaven gebonden activiteiten in de open lucht mag daarom een hogere waarde van ten hoogste 60 dB(A) worden verleend als de geluidbelasting op de gevel hoofdzakelijk bepaald wordt door zeehavengebonden activiteiten. Verder is de zeehavennorm alleen toepasbaar indien de woningen worden gebouwd in het kader van een herstructurering, planmatige verdichting van een bestaand woongebied of wanneer de woningen worden gebouwd aansluitend aan het bestaande woongebied en slechts sprake is van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied. In paragraaf 6.2.2.3 is onderbouwd hoe de Zeehavennorm toegepast is bij dit bestemmingsplan.

6.2.1.2 Individuele inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied ligt het bedrijf HIWA Rotterdam Port Cold Stores B.V. (hierna: HIWA). Het is een type C-inrichting met een omgevingsvergunning milieu. Dit betekent dat de standaardvoorschriften wat betreft geluidproductie uit het Activiteitenbesluit (50 dB(A)) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op 50 m van de inrichtingsgrens) niet van toepassing zijn en dat de geluidruimte is geregeld in de omgevingsvergunning milieu. Wel geldt dat het bedrijf ten hoogste 50 dB(A) mag veroorzaken op de dichtstbijzijnde woningen. Het bedrijf ligt op het gezoneerde industrieterrein Haven Noordwest Oost-Frankenland en de kortste afstand tussen de terreingrens van HIWA en de staart/Diepeveenlocatie bedraagt ca. 80 m. Overige ontwikkellocaties liggen op dermate grote afstand dat ze niet relevant zijn. Het onderzoek naar HIWA is opgenomen in paragraaf 6.2.2.4.

72

6.2.1.3 Rotterdams Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder Het Rotterdamse ontheffingsbeleid is alleen van toepassing op nieuwe woningen waarvoor hogere waarden moeten worden vastgesteld en geldt niet voor aanwezige woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Eén van de belangrijkste criteria van het gemeentelijke ontheffingsbeleid is het creëren van minimaal één geluidluwe gevel en indien van toepassing minimaal één geluidluwe buitenruimte per woning. Conform dit beleid wordt een gevel als geluidluw aangemerkt indien de geluidcumulatie van alle zoneplichtige (deel)bronnen binnen één bronsoort een bepaalde waarde niet overschrijdt. Voor wegverkeerslawaai is die waarde 53 dB en voor railverkeerslawaai 55 dB. De toetsing aan het Rotterdams Ontheffingsbeleid is opgenomen in paragraaf 6.2.3.4.

6.2.1.4 Actieplan Geluid Rotterdam Uit de Geluidkaarten 2012 blijkt dat 374.000 Rotterdammers op een plek wonen met te veel geluid. Hiervan zijn ruim 105.000 Rotterdammers (ernstig) gehinderd door geluid. Door de geluidkaarten is de hinder door wegverkeer, railverkeer, luchtvaart en het industrielawaai van gezoneerde industrieterreinen in kaart gebracht. Het stedelijk wegverkeer geeft de meeste hinder (92.230 gehinderden). Om deze problematiek aan te pakken en om te voldoen aan de wettelijke verplichting heeft Rotterdam het Actieplan geluid 2013-2018 opgesteld. Dit actieplan richt zich dan ook met name op het wegverkeer. Bij de aanpak van geluid is uitgegaan van een geluidbelasting van 55 dB, de zogenaamde plandrempel, voor het gehele Rotterdamse grondgebied. De plandrempel is afgeleid van een advies van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Vanaf 55 dB treden negatieve gezondheidsgevolgen op. In grote delen van de stad wordt de plandrempel van 55 dB overschreden. De plandrempel heeft betrekking op alle geluidbronnen afzonderlijk, dus zonder cumulatie van verschillende geluidbronsoorten. Wat de plandrempel voor wegverkeer betreft, is dat de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De plandrempel is een signaalwaarde en wordt alleen gebuikt voor het kiezen en afwegen van maatregelen in het kader van het actieplan.

6.2.2

Onderzoeksresultaten

Dit bestemmingsplan bevat een aantal ontwikkellocaties waar nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt worden. Zie figuur 6.1 en de kaart in Bijlage 1.

73

Figuur 6.1: onderzoekslocaties ak oestisch onderzoek

In totaal gaat het om 105 locaties. Bij het overgrote merendeel van de locaties (de 95 rood aangeduide en genummerde locaties in figuur 6.1) gaat om de begane grond van gemengde bebouwing. Het betreft panden met een gemende bestemming waar de functie wonen op de begane grond mogelijk is, maar waar in de huidige situatie niet-geluidgevoelige functies aanwezig zijn, zoals winkels of dienstverlening. Op de acht blauw aangeduide locaties met een letter is het onderzoek uitgevoerd over meerdere bouwlagen. Het betreft transformatie- of nieuwbouwlocaties, zoals de nieuwbouwlocaties op het Dakpark en aan de Kleine Visserijstraat. Overigens geldt niet voor alle onderzochte locaties dat er ook daadwerkelijk geluidgevoelige functies zijn toegestaan. Per locatie heeft nog een afweging plaatsgevonden, of is onderzoek uitgevoerd in het kader van voortschrijdend inzicht. Verder geldt dat The Hudsons zijn vergund en worden gerealiseerd op basis van de hogere waarden die bij het vorige bestemmingsplan verleend zijn, en dat deze ontwikkellocatie daarom niet meegenomen is in dit onderzoek.

6.2.2.1 Wegverkeerslawaai In tabel 6.1 in Bijlage 2 is de maximaal berekende geluidbelasting per locatie als gevolg van zoneplichtige wegen weergeven. Uit de tabel volgt dat op alle locaties voldaan kan worden aan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeerslawaai (63 dB) al dan niet met toepassing van het principe van vervangende nieuwbouw (68 dB). Op ca. de helft van de locaties wordt voldaan aan de voorkeurswaarde en voor de overige locaties worden hogere waarden aangevraagd (voor zover daar daadwerkelijk geluidgevoelige functies worden toegestaan in dit bestemmingsplan).

74

De geluidbelastingen vanwege de Tjalklaan, Westzeedijk inclusief trams, Lage Erfbrug inclusief trams, P.C. Hooftplein inclusief trams, Rochussenstraat, Groshansstraat, Marconistraat, Galvanistraat, Van Helmontstraat, Keilestraat, tramverkeer op de Nieuwe Binnenweg, Speedwellstraat, Lekstraat, IJsselstraat, Mathenesserplein inclusief trams, Mathenesserlaan inclusief trams, Vierambachtsstraat inclusief trams en Van Cittersstraat zijn onderzocht en liggen ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Omwille van de overzichtelijkheid van dit rapport zijn deze rekenresultaten niet in de tabel opgenomen.

6.2.2.2 Railverkeerslawaai In tabel 6.2 in Bijlage 2 is de maximaal berekende geluidbelasting op de gevels van de locaties weergegeven als gevolg van het railverkeer op de spoorlijnen ten noorden van het plangebied. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen op locatie A, B en I wordt overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 68 dB voor woningen wordt daarbij niet overschreden. De geluidbelasting bij de overige locaties voldoet aan de voorkeurswaarde van 55 dB voor woningen.

6.2.2.3 Industrielawaai In tabellen 6.3.1 en 6.3.2 in Bijlage 2 is de maximaal berekende geluidbelasting op de gevels van de locaties weergegeven als gevolg van industrielawaai. Het industrielawaai is afkomstig van de gezoneerde industrieterreinen Waal-Eemhaven (tabel 6.3.1) en Havens Noordwest en Oost-Frankenland (tabel 6.3.2), dat voor een groot deel bestaat uit het Merwe-Vierhavensgebied.

Waal-Eemhaven Op ca. twee derde van de onderzoekslocaties wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Bij het merendeel van de overige locaties ligt de geluidbelasting tussen 50 en 55 dB(A). Ter plaatse van de kop- en staartlocatie zijn belastingen van 57 dB(A) berekend. Deze liggen boven de reguliere maximale ontheffingswaarde maar met gebruikmaking van de zeehavennorm kunnen toch hogere waarden verleend worden. Op het industrieterrein Waal-Eemhaven vindt namelijk veel containeropslag en -overslag plaats. Deze zeehavengebonden activiteiten worden noodzakelijkerwijs in de openlucht verricht. Bij de kop- en staartlocatie gaat het om nieuwbouw in aansluiting op het bestaande woongebied. Qua vloeroppervlak en aantal nieuwe woningen (maximaal 100 per locatie) is sprake van een beperkte uitbreiding van het bestaande woongebied. Verder gaat het om een beperkte overschrijding van de reguliere maximale ontheffingswaarde. Op grond van bovenstaande motivatie kan voor deze twee ontwikkellocaties de zeehavennorm toegepast worden. Indien de zeehavennorm niet toegepast zou worden hadden grote delen van zowel de kop- als de staart/Diepeveenlocatie met dove gevels uitgevoerd moeten worden.

Overigens moeten grote delen van de koplocatie in beginsel alsnog uitgevoerd worden met dove gevels, aangezien hier geluidbelastingen van meer dan 55 dB(A) worden berekenend als gevolg van het gezoneerde industrieterrein Havens Noordwest en Oost-Frankenland. Hier vinden geen zeehavengebonden activiteiten plaats dus toepassing van de zeehavennorm is hier niet mogelijk. De geluidbelasting van dat industrieterrein zal de komende jaren echter afnemen waardoor de mogelijkheid bestaat dat afgezien kan worden van dove gevels tegen de tijd dat de locatie ontwikkeld wordt. Zie uitleg hier onder.

Havens Noordwest en Oost-Frankenland Op vrijwel alle locaties binnen de geluidzone wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB (A). Voor de locaties D-1 en G geldt dat wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB (A). Op een groot deel van de gevels locaties B en C, de koplocatie van het Dakpark, worden belastingen berekend tussen de 55 en 59 dB(A). Hiervoor kan geen hogere waarden verleend worden omdat de zeehavennorm niet toegepast kan worden. In figuur 6.2 zijn de betreffende geveldelen gevisualiseerd. Zie ook Bijlage 3

75

van de regels, waar een meer uitgebreide visualisatie opgenomen is.

Figuur 6.2: geveldelen van de koplocatie waar de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt overschreden (rood aangeduid)

Omdat niet kan worden voldaan aan de Wgh moeten maatregelen getroffen worden aan de geluidbelaste zijden van de nieuwbouw. Te denken valt aan gebouwgebonden geluidschermen, dove gevels, een akoestisch gunstige indeling van de woningen of toepassing van loggia's. Zowel het Rotterdamse deel van Haven Noordwest-Oost Frankenland, het Merwe-Vierhavensgebied (M4H), als het Schiedamse deel zal de komende jaren grotendeels geherzoneerd worden. Dit betekent dat grote delen van het gebied aan het gezoneerde industrieterrein onttrokken worden. Voor het M4H-gebied gebeurt dit dit omdat het gebied herontwikkeld gaat worden naar een gemengd woon- en werkgebied. Er is reeds gestart met de ruimtelijke planvorming voor het herzoneren en de herontwikkeling van M4H. Vooruitlopend hier op is een ruimtelijke procedure gevolgd voor de transformatie van de Europointtorens II en III. Uit de akoestische onderzoeken die hiervoor uitgevoerd zijn blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de torens na de herzonering ruim onder de maximale ontheffingswaarde van 55 dB (A) komt te liggen. Het herzoneren zal er zeer waarschijnlijk ook voor zorgen dat ter plaatse van de koplocatie voldaan wordt aan de maximale ontheffingswaarden. Tegen de tijd dat deze locatie daadwerkelijk herontwikkeld gaat worden kan opnieuw akoestisch onderzoek gedaan worden op basis van de dan beschikbare inzichten.

Indien de geluidbelasting daadwerkelijk onder de maximale ontheffingswaarde blijkt te liggen kan worden afgezien van de gevelmaatregelen. Vooralsnog is het echter niet mogelijk af te wijken van de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Daarom is in de regels van dit bestemmingsplan bepaald dat de gevels waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden in beginsel uitgevoerd moeten worden als dove gevel. Figuur 6.2 is ook in de bijlagen van de regels van dit bestemmingsplan opgenomen, en wordt vanuit het artikel 'Wonen' verwezen naar deze bijlage (Bijlage 3). Door middel van een afwijkingsbevoegdheid kan afgeweken worden van de bepaling over dove gevels indien nader akoestisch onderzoek uitwijst dat alsnog voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde of maximale ontheffingswaarde uit de Wgh. Anticiperend dat laatste zijn op voorhand hogere waarden verleend van 55 dB(A). Het is namelijk niet mogelijk hogere waarden te verlenen bij de

76

omgevingsvergunning die bij de afwijkingsbevoegdheid hoort. Overigens kan ook een vliesgevel of gebouwgebonden geluidscherm toegepast worden in plaats van een dove gevel als onderzoek uitwijst dat hiermee voldaan wordt aan de Wgh. Dan hoeft niet gewacht te worden op herzonering van het M4H.

6.2.2.4 Individuele inrichtingen Alleen de staart/Diepeveenlocatie is relevant voor het onderzoek naar HIWA. Er is onderzocht welke geluidbelasting op de verschillende geveldelen te verwachten is op basis van de huidige vergunde geluidruimte. Zie tabel 6.4 in Bijlage 2. Uit het onderzoek naar het maximale geluidniveau (LAmax ) blijkt dat overal voldaan wordt aan de maximaal toegestane niveaus. Verder blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT of LAeq) op vrijwel alle geveldelen lager is dan 50 dB(A). Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Alleen op de gevel aan de zijde van de inrit van de parkeergarage en de eerste 10 m van de gevel evenwijdig aan de Vierhavensstraat (gemeten vanuit de hoek die het dichtst bij HIWA ligt) zijn belastingen van 51 en 52 dB(A) berekend, vanaf een hoogte van 25,5 m. Hier wordt niet voldaan aan de bepaling dat HIWA maximaal 50 dB(A) LAr,LT op de gevels van de dichtstbijzijnde woningen. Deze geveldelen moeten uitgevoerd worden als dove gevel om HIWA niet in haar bedrijfsvoering te beperken. Dit is vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Ook is het mogelijk de gevels van de nieuwbouw te voorzien van een vliesgevel of gebouwgebonden geluidsscherm, indien nader akoestisch onderzoek uitwijst dat de geluidbelasting op de achterliggende gevel daarmee 50 dB(A) of lager is.

Dit geldt alleen vanaf een hoogte van 25,5 m ten opzichte van het maaiveld. Hiervoor is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in de regels. Een andere mogelijkheid is het wijzigen of herzien van de omgevingsvergunning milieu, zodat het bedrijf ter plaatse maximaal 52 dB(A) LAr,LT mag veroorzaken. Deze waarde is vergunbaar omdat de geluidniveaus voor de dag-, avond- en nachtperiode onder de grenswaarden voor de perioden liggen (respectievelijk 55, 50 en 45 dB(A)). Ook het wijzigen of herzien van de milieuvergunning is als afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Hiervoor is namelijk medewerking van het bedrijf noodzakelijk.

6.2.2.5 Cumulatie van geluid Op 15 locaties is er op een aantal rekenpunten sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde vanwege wegverkeer, railverkeer en of industrie. Derhalve is een cumulatie van meerdere bronsoorten aan de orde.

6.2.3

Hogere waarden en maatregelen

Wet geluidhinder Bij een overschrijding van een voorkeurswaarde uit de Wgh bestaat de verplichting om te onderzoeken of de geluidbelasting mogelijkerwijs door middel van maatregelen tot de voorkeurswaarde teruggebracht kan worden. Bij het toepassen van maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen maatregelen aan de bron, in de overdracht en bij de ontvanger. Een belangrijk criterium van het al dan niet treffen van maatregelen is de doeltreffendheid of redelijkheid van de maatregelen. In de volgende paragrafen is er per geluidbron ingegaan op mogelijke maatregelen.

Actieplan geluid De cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege alle onderzochte zoneplichtige wegen is bij 47 van de in totaal 105 locaties lager dan of gelijk aan 55 dB. De geluidbelasting op deze locaties voldoet aan de plandrempel van 55 dB, zoals genoemd in het Rotterdams Actieplan geluid 2013-2018. Bij de overige locaties is de cumulatieve geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g van de Wgh, vanwege alle onderzochte zoneplichtige wegen hoger dan 55 dB. De plandrempel van 55 dB wordt bij deze locaties overschreden. Net als bij het verlenen van hogere waarden moeten in het kader van het

77

Actieplan geluid geluidreducerende maatregelen ter beperking van de geluidbelasting worden overwogen.

6.2.3.1 Wegverkeerslawaai Op 56 locaties wordt de voorkeurswaarde (48 dB) overschreden vanwege één of meerdere wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) dan wel voor woningen met toepassing van vervangende nieuwbouw (68 dB) worden daarbij niet overschreden. Er is onderzoek gedaan of er bron-, overdracht- of ontvangermaatregelen. Bij bronmaatregelen kan gedacht worden aan vermindering van (vracht)verkeer, snelheidsverlaging en/of toepassing van stillere wegdekken. Uit het onderzoek blijkt dat het verminderen van verkeer en een snelheidsverlaging niet aan de orde is vanwege de belangrijke verkeersfunctie van de wegen. Door het vervangen van het bestaande wegdek op een aantal wegen zoals de Schiedamseweg, Mathenesserweg of Marconiplein, kan de een geluidreductie van 2 á 3 dB gerealiseerd worden. Door op een aantal wegen de tramrails te vervangen kan een reductie tot 6 dB behaald worden. Met deze maatregelen kan op een beperkt aantal locaties voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar op de overige locaties is de geluidbelasting niet voldoende teruggebracht worden om aan deze waarde te voldoen. De kosten van het vervangen van wegdek wegen naar verwachting niet op tegen de baten en bovendien hebben stillere asfalttypes een aantal nadelen, zoals een hogere slijtagegevoeligheid.

Bij overdrachtsmaatregelen kan gedacht worden aan afstandsvergroting of afschermende maatregelen, zoals een geluidscherm. Afstandvergroting is geen optie omdat het veelal om bestaande bebouwing gaat. Voor zover de ontwikkellocaties nog niet bestaand zijn is afstandsvergroting evenmin aan de orde vanwege de beperkte beschikbare ruimte. Afschermende maatregelen in de vorm van een geluidsscherm zijn om stedenbouwkundige redenen niet wenselijk of mogelijk. Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken, moet bij woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB (norm voor de geluidluwe gevel conform het ontheffingsbeleid Rotterdam) door een akoestisch gunstige indeling van woningen een goed akoestisch klimaat worden gecreëerd. Hierbij kan worden gedacht aan de situering van niet-geluidgevoelige functies aan de wegzijde en de situering van geluidgevoelige ruimtes, met name (hoofd)slaapkamers, voor zover mogelijk aan de minst belaste gevels. Volgens het Bouwbesluit 2012 bedraagt de maximaal toegestane geluidbelasting vanwege een weg in een verblijfsgebied 33 dB. Het realiseren van een binnenwaarde van 33 dB in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

6.2.3.2 Railverkeerslawaai Als gevolg van het railverkeer wordt de voorkeurswaarde voor woningen (55 dB) op locatie B met maximaal 1 dB overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor woningen (68 dB) wordt daarbij niet overschreden. Uit het onderzoek blijkt bron- of overdrachtsmaatregelen financieel niet haalbaar zijn, niet doelmatig zijn of niet haalbaar zijn. Wat betreft ontvangersmaatregelen geldt hetzelfde als bij wegverkeerslawaai.

6.2.3.3 Industrielawaai De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt op vier locaties vanwege het industrieterrein Havens Noordwest en Oost-Frankenland overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege dit industrieterrein voor nieuwe woningen (55 dB(A)) wordt daarbij op locaties B en C overschreden. Verder wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) op 37 locaties vanwege het industrieterrein Waal-Eemhaven overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein Waal-Eemhaven voor nieuwe woningen met toepassing van de zeehavennorm (60 dB(A)) wordt daarbij niet overschreden. Voor beide industrieterreinen is reeds een saneringsprogramma vastgesteld en uitgevoerd. Daarin zijn alle mogelijke bronmaatregelen onderzocht en uitgevoerd. Havens Noordwest en Oost-Frankenland wordt in de toekomst grotendeels gedezoneerd. Het plaatsen van lange en hoge schermen langs het

78

industrieterrein of het plangebied is niet doelmatig, financieel niet haalbaar en stedenbouwkundig ongewenst. Wat betreft ontvangersmaatregelen geldt hetzelfde als bij rail- en wegverkeerslawaai.

6.2.3.4 Rotterdams ontheffingenbeleid Wegverk eer De gecumuleerde geluidbelasting inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh is vanwege de zoneplichtige wegen bij de locaties per bouwlaag berekend. Uit het onderzoekt blijkt dat het merendeel van de ontwikkellocaties beschikt over minimaal één geluidluwe gevel en daarmee voldoet aan het ontheffingenbeleid. Locaties 2, 4, 5, 7 t/m 12, 15, 16, 20, 25, 58, 75, 76, B, C, D1 en D2 (of delen daarvan) beschikken echter niet over een geluidluwe gevel. Realisatie van minimaal één geluidluwe gevel per woning op deze locaties vraagt aandacht. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld om dat het bestaande bebouwing betreft (transformatie), dan is het mogelijk gemotiveerd af te wijken van het ontheffingenbeleid.

Motivatie afwijken De hierboven genoemde locaties 2 t/m 20 liggen aan de Mathenesserweg. Voor deze locaties is er voor gekozen om af te wijken van het ontheffingenbeleid omdat de aanpak van de Mathenesserweg (het verbeteren van de leefbaarheid, zie paragraaf 4.3.3) prevaleert boven het ontheffingenbeleid. Een groot deel van de locaties heeft overigens een achtertuin, wat extra woonkwaliteit met zich meebrengt ter compensatie van het ontbreken van een geluidluwe gevel. Bij locatie 25 wordt afgeweken omdat het terugdringen van onbenutte detailhandelsmogelijkheden op basis van het gemeentelijk detailhandelsbeleid prevaleert. Ook hier zijn een achtertuinen aanwezig ter compensatie. Overigens kunnen de winkelruimten ook transformeren naar andere functies dan woningen. Voor locaties 75 en 76 wordt afgeweken omdat het voorkomen van leegstand, het laten vervallen van onbenutte detailhandelsmogelijkheden en het zoveel mogelijk creëren van een rustig woon- en leefklimaat hier prevaleert. Bovendien dragen deze mogelijkheden bij aan het oplossen van het woningtekort in de stad. Locatie 58 is deels ingevuld met een apotheek en deels met woningen. Mocht de apotheek ooit verdwijnen dan zal op dat moment onderzocht worden hoe extra woonkwaliteit gerealiseerd kan worden. Er is een binnenterrein aanwezig dat hiervoor wellicht kansen biedt.

Locaties B t/m D betreffen nieuwbouwlocaties en dragen substantieel bij aan de woningbehoefte binnen de stad. Deze locaties zijn hard nodig om bij te dragen aan de doelstelling van het college wat betreft woningbouw. Bij de uitwerking van het ontwerp zal onderzocht worden op welke manier er een zo goed mogelijk akoestisch klimaat gecreëerd kan worden. Ook kan door bijvoorbeeld binnentuinen extra woonkwaliteit toegevoegd worden.

Railverkeer Uit de rekenresultaten blijkt dat alle locaties vanwege railverkeerslawaai over minimaal één geluidluwe gevel beschikken en daarmee aan het ontheffingsbeleid voldoen.

Industrie De gecumuleerde geluidbelasting vanwege de industrieterreinen Waal-Eemhaven en Havens Noodwest en Oost-Frankenland is bij de locaties per bouwlaag berekend. Uit het onderzoekt blijkt dat het merendeel van de ontwikkellocaties beschikt over minimaal één geluidluwe gevel en daarmee voldoet aan het ontheffingenbeleid. Uit het onderzoek blijkt verder dat: delen (veelal in de kopgevels) van locaties 26, 30, 32, 48, 65, 68, 73, 77, B, C, G, D1 en D2 niet beschikken over een geluidluwe gevel en; ontwikkellocaties 76 en 84 aan alle zijden door het industrielawaai geluidbelast zijn.

79

Realisatie van minimaal één geluidluwe gevel per woning op deze locaties vraagt aandacht. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld om dat het bestaande bebouwing betreft (transformatie), dan is het mogelijk gemotiveerd af te wijken van het ontheffingenbeleid.

Motivatie afwijken Bij locatie 26 wordt afgeweken omdat het terugdringen van onbenutte detailhandelsmogelijkheden op basis van het gemeentelijk detailhandelsbeleid prevaleert. Wanneer de te transformeren ruimtes bij de bovenliggende woningen worden getrokken ontstaat de kans om op de achterbouw een dakterras aan te leggen en zo extra woonkwaliteit te bieden. Overigens kunnen de winkelruimten ook transformeren naar andere functies dan woningen. Voor locaties 30 en 32 geldt dezelfde motivatie, alleen zijn hier vrijwel overal achtertuinen aanwezig voor de extra woonkwaliteit. Op locatie 48 is nu een garagebedrijf aanwezig, met uitsterfconstructie. Mocht het garagebedrijf vertrekken en het pand wordt getransformeerd naar woningen dan draagt dit substantieel bij aan een beter woon- en leefklimaat. Locaties 65, 68, 73, 76, 77 en 84 liggen in een rustige woonbuurt en transformatie naar een woning draagt bij aan een rustiger woon- en leefklimaat. Er zijn achtertuinen aanwezig, wat zorgt voor extra woonkwaliteit ter compensatie. Voor locaties B, C, G, D1 en D2 geldt dezelfde motivatie om af te wijken als bij wegverkeerlawaai. Voor alle locaties geldt dat met transformatie wordt bijgedragen aan het tegengaan van het woningtekort in de stad.

Het geluid als gevolg van Havens Noordwest en Oost-Frankenland zal overigens de komende jaren verminderen vanwege het grotendeels dezoneren van dit gezoneerde industrieterrein.

6.2.3.5 Hogere waarden In de vorige paragrafen is aangetoond dat het niet haalbaar of doelmatig is om bron- en overdrachtsmaatregelen te treffen vanwege de verschillende geluidsbronnen. Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in Bijlage 3 weergegeven. Deze waarden zijn bij het college van Burgemeester en Wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan als hogere waarden aangevraagd en vastgesteld, zie bijlage PM (het hogere waarde-besluit ligt separaat ter inzage, het definitieve besluit zal opgenomen worden in de bijlagen van het vastgestelde bestemmingsplan).

6.2.4

Conclusie

Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai en naar omliggende individuele inrichtingen. Daaruit blijkt dat op een groot deel van de ontwikkellocaties voldaan kan worden van de voorkeurs- of maximale ontheffingswaarden. Voor de koplocatie kunnen alleen hogere waarden verleend worden tot 55 dB(A) omdat de maximale ontheffingswaarde voor industrielawaai overschreden wordt. Omdat de feitelijke geluidbelasting hoger ligt moeten hier dove gevels toegepast worden. Bij de staartlocatie worden op een zeer beperkt aantal geveldelen de maximale waarden uit het Activiteitenbesluit overschreden. In de regels zijn daarom bepalingen opgenomen over het toepassen van dove gevels of het anderszins treffen van maatregelen. Het aspect 'geluid' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.

80

6.3

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. Dit bestemmingsplan is vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig.

6.3.1

m.e.r.-beoordelingsplicht

Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. Het mogelijk gemaakte programma moet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Het aantal nieuwe woningen bedraagt maximaal ca. 385 en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Gelet op bovenstaande geldt dat voor dit bestemmingsplan een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden opgenomen. Op basis van deze beoordeling dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de drie criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:

1. Kenmerken van het project De nieuwe woningen bestaan deels uit nieuwbouwprojecten (locaties Dakpark en Kleine Visserijstraat) en deels uit transformatiemogelijkheden (gemeentelijk vastgoed en vrijkomende onderwijsgebouwen). Vanwege de relatief hoge dichtheid is het ruimtebeslag van de nieuwbouwwingen beperkt, voor de transformatiemogelijkheden geldt dat er geen sprake is van ruimtebeslag. Er kan in beperkte mate sprake zijn van cumulatie met de ontwikkelingen in het aangrenzende M4H-gebied. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen (anders dan huisvuil) is niet aan de orde bij de nieuwe woningen, evenmin is er sprake van grootschalige verontreiniging. Weliswaar trekken de nieuwe woningen extra verkeer aan, maar in paragraaf 6.5 is aangetoond dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de huidige luchtkwaliteit. Andere vormen van hinder zijn niet aan de orde en ook van een toename van risico op ongevallen is geen sprake.

2. Plaats van het project De nieuwbouw- en transformatielocaties liggen verspreid binnen het plangebied, dat reeds een sterk stedelijk karakter heeft. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bedraagt ca. 7 km en de afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied bedraagt ca. 250 m. Door de grote afstand tot deze gebieden en de relatieve kleinschaligheid van de ontwikkelingen zijn negatieve gebieden effecten op deze natuurgebieden uitgesloten.

3. Kenmerken van het potentiële effect

81

De nieuwe woningen en voorzieningen trekken verkeer aan, dit heeft gevolgen voor de luchtkwaliteit en het veroorzaakt geluid. Voor zover het om nieuwe woningen door transformatie gaat staat daar tegenover dat er ook verkeersbewegingen komen te vervallen (die van de huidige functie). Het verkeer zal hoofdzakelijk via de doorgaande wegen aan de randen van het plangebied afgewikkeld worden. De effecten van de ontwikkelingen verspreiden zich op die manier over een groot gebied en worden gezien de aard en stedelijkheid van dit gebied aanvaardbaar geacht.

6.3.2

Conclusie

Gezien de bovenstaande m.e.r.-beoordeling heeft het college besloten dat voor dit bestemmingsplan geen MER wordt gemaakt. Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.

6.4

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave.

6.4.1

Plangebied

Bospolder - Tussendijken kan zowel gezien worden als een levendig gebied met functiemenging (aan de doorgaande wegen) als een rustige woonwijk (het binnengebied). De meeste bedrijvigheid bestaat uit kleinschalige bedrijfjes, winkels, dienstverlening en horeca en is gevestigd in de plinten van de gemengde bebouwing aan de randen van het gebied. Dergelijke bedrijvigheid valt in milieucategorie 1 of 2 en is op basis van het type gebied direct naast of onder woningen toelaatbaar. Er is in de huidige situatie dan ook geen sprake van milieuhinder als gevolg van de in het gebied aanwezige bedrijven. Grootschalige bedrijfslocaties of bedrijven uit een hogere categorie dan 2 komen niet voor binnen het gebied. Het opnemen van maatbestemmingen is daarom niet aan de orde.

82

6.4.2

M4H-gebied

Ten zuidwesten van het plangebied ligt het M4H-gebied. Dit is een haven- en bedrijventerrein dat is aangewezen als gezoneerd industrieterrein, wat betekent dat er grote lawaaimakers aanwezig mogen zijn. De geldende planologische kaders voor dit gebied bestaan uit twee beheersverordeningen: 'Keileweg en omgeving' die geldt voor de gronden rondom de Keileweg en 'Handels- en Industrieterreinen Merwehavens/Vierhavens' die voor de rest van het gebied geldt. De eerstgenoemde beheersverordening staat bedrijvigheid t/m categorie 4.2 toe en ter plaatse van de voormalige Ferrofabriek categorie 5.3. De Ferrofabriek heeft echter recentelijk een andere functie gekregen door middel van een ruimtelijke procedure, dus hier is geen sprake meer van bedrijvigheid. De richtafstand van categorie 4.2-bedrijvigheid is 200 m tot aan een gemengd gebied. De andere beheersverordening betreft een voortzetting van het planologische regime uit 1936. Hierin is slechts bepaald dat de gronden gebruikt mogen worden voor handel, nijverheid en verkeer. Bedrijfscategorieën en richtafstanden bestonden toen nog niet. Op het Dakpark worden op relatief korte afstand van het M4H-gebied twee woningbouwontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit zijn de twee ontwikkellocaties die het dichtst bij het M4H-gebied liggen en dus maatgevend zijn.

Voor de koplocatie zijn beide beheersverordeningen relevant, voor de staartlocatie is alleen 'Handels- en Industrieterreinen Merwehavens/Vierhavens' relevant. Omdat deze beheersverordening niet uitgaat van richtafstanden zijn de feitelijk aanwezige bedrijven beschouwd. anwege de breedte van de Vierhavensstraat (ca. 50 m) zijn alleen bedrijven uit categorie 3.2 of hoger relevant, aangezien deze een richtafstand van 50 m of meer hebben tot aan een gemengd gebied.

Koplocatie Toetsing aan 'Handels- en Industrieterreinen Merwehavens/Vierhavens' Aan de Van Helmontstraat, evenwijdig aan de Vierhierhavensstraat en het dichst bij de koplocatie, zijn een autobedrijf (categorie 2), een nutsvoorziening (categorie 2) en een kantoorgebouw aanwezig. De overige bedrijven tussen de Galvanistraat en Van Helmontstraat vallen overwegend in categorie 3.2 of 2, en ten noorden van de Galvanistraat zijn helemaal geen bedrijven aanwezig, hier staan de Europointtorens en de KFC. Er is één bedrijf tussen de Galvanistraat en Van Helmontstraat dat in een hogere milieucategorie valt. Dit is de chocoladefabriek van Baronie-De Heer uit categorie 5.1 (richtafstand 300 m), op ca. 80 m van de Koplocatie. Het bedrijf vervaardigt chocolade en suikerwerk. Het aspect 'geur' veroorzaakt de meeste hinder, en bepaalt de richtafstand van 300 m. De overige richtafstanden zijn 30 m voor stof, 50 m voor geluid en 30 m voor gevaar. Dit bedrijf is onderzocht in het kader van de ruimtelijke procedure om Europoint II en III (direct ten noorden van dit bedrijf) te transformeren naar woongebouwen. Uit dit onderzoek blijkt het volgende. Bij het productieproces komen geen dampen vrij. Het productieproces houdt in dat er vloeibare chocolade met eventuele toevoegingen in diverse vormen worden gegoten. Dit wordt daarna afgekoeld en verpakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=ed5d0e99-7bd0-4cfd-b924-5852bcdf8bca