21bb5580 Bijlage 1 behorende bij 21bb7555 over Ontwerpbestemmingsplan Bospolder - Tussendijken
Tekst van het document
Er is eerder door de toezichthouder milieu bij bezoeken geen geuroverlast buiten de inrichting geconstateerd en er zijn bovendien geen (recente) geurklachten bekend met betrekking tot deze inrichting. Op basis van deze constateringen kan worden geconstateerd er geen onaanvaardbare geuremissie is ter plaatse van de Europoint-torens. Omdat de Koplocatie op grotere afstand van de fabriek ligt geldt deze constatering voor de beoogde woningbouwlocatie. Aan de overige richtafstanden voor stof, geluid en gevaar wordt voldaan omdat dit bedrijf op meer dan 50 m afstand van de Koplocatie ligt. De bedrijven die binnen het plangebied van deze beheersverordening liggen vormen geen beperking voor de ontwikkeling van de koplocatie.
Toetsing aan 'Keileweg en omgeving' Deze beheersverordening staat bedrijven t/m categorie 4.2 toe, deze hebben een richtafstand van 200 m t/m een gemengd gebied. Een aantal bedrijfspercelen ligt op kortere afstand dan 200 m vanaf de koplocatie. Het gaat om de Praxis en Leen Bakker tussen de Van Helmontstraat en Keileweg
83
(milieucategorie 3.2), een installatie- en bouwmaterialenbedrijf aan de Keileweg 10 (categorie 3.1), een bedrijfsverzamelgebouw aan de Keileweg 8 (categorie 2) en de Keilewerf aan de Vierhavensstraat 56 (categorie 3.2) en een werkplaats/atelier (categorie 3.2). Hoewel niet voldaan wordt aan de algemene richtafstand van 200 m, worden de nu aanwezige bedrijven niet in hun bedrijfsactiviteiten belemmerd, aangezien wel wordt voldaan aan de richtafstand voor een 3.2-bedrijf (50 m). Evengoed moet gekeken worden naar de planologische situatie, en niet naar de feitelijke situatie. Een nu aanwezig bedrijf kan namelijk vertrekken waarna er op basis van de beheersverordening alsnog een 4.2 bedrijf kan ontstaan. Hierover het volgende. Het M4H-gebied wordt de komende jaren herontwikkeld tot gemengd woon-werkgebied op basis van het Ruimtelijk Raamwerk (RR) en bijbehorend bestemmingsplan. De gronden aan de zuidzijde van de Keileweg zijn in het RR aangewezen als onderdeel van het gebied 'Makersmix Keilekwartier', waarbinnen een mix van bedrijven t/m categorie 3.1, wonen en voorzieningen mogelijk is. In het in opstelling zijnde bestemmingsplan voor het M4H-gebied zullen de gronden zoveel mogelijk ontwikkelingsgericht worden bestemd. Dit is echter afhankelijk van eigendomssituatie en/of lopende erfpacht- of huurcontracten.
Voor de genoemde gronden (dus binnen een afstand van 200 m vanaf de koplocatie) aan de zuidzijde van de Keileweg geldt dat deze vanwege de eigendomssituatie een bestemming krijgen die aansluit bij het programma uit het RR. Binnen deze bestemming is ten hoogste milieucategorie 3.1 toegestaan, waarmee ruimschoots voldaan wordt aan de richtafstand tot de koplocatie. Met de lopende erfpacht- en huurcontracten wordt de komst van zware bedrijvigheid tegengegaan in de periode tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, waarmee onaanvaardbare milieuhinder bij de koplocatie voorkomen wordt. De gronden binnen de 200 m-zone ten noorden van de Keileweg krijgen in het nieuwe bestemmingsplan waarschijnlijk een bedrijfsbestemming vanwege waarbinnen de huidige activiteiten toegestaan zijn (milieucategorie 3.2). Hier is sprake van een langlopend erfpachtcontract. Een wijziging van de bedrijfsactiviteiten zonder toestemming van de gemeente is daarom niet mogelijk, waardoor de komst van een bedrijf uit een hogere milieucategorie niet aan de orde is. De huidige bedrijven vormen geen beperking voor de ontwikkeling van de koplocatie. Door middel van grondpositie, erfpachtconstructies en het toekomstige gebiedsbestemmingsplan kan de komst van zware bedrijvigheid tegengegaan worden.
Staartlocatie De kortste afstand tussen de Staartlocatie en de grens van het M4H-gebied is ca. 60 m. Daarom zijn net als bij de Koplocatie alleen bedrijven uit de categorie 3.2 of hoger relevant. Rondom de IJsselhaven ligt het bedrijf HIWA, dat gekoelde sappen op- en overslaat en verwerkt. De containers met de drums waarin het sap zit worden aangevoerd met zelflossende binnenvaartschepen. Heftrucks en terminaltrekkers zorgen ervoor dat de producten intern worden getransporteerd naar de koelcellen of productiegebouwen. Het bedrijf heeft meerdere loodsen rondom de IJssel- en Lekhaven en de kortste afstand tussen het terrein en de Staartlocatie bedraagt ca. 60 m. Het bedrijf valt in categorie 5.1 (richtafstand tot gemengd gebied 300 m) vanwege het aspect geluid. In paragraaf 6.2 is aangetoond dat voldaan wordt aan de relevante grenswaarden voor geluid. De richtafstanden voor de aspecten geur, stof en gevaar bedragen respectievelijk 10, 0 en 50 m. Vanwege de afstand tot de Staartlocatie vormen deze aspecten geen beperking.
6.4.3
Conclusie
Ter plaatse van de toekomstige woningen is geen sprake van onaanvaardbare hinder als gevolg van nabijgelegen bedrijven. Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.
84
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. In de Regeling NIBM zijn categorieën van gevallen aangewezen die worden aangemerkt als NIBM projecten. Voor enkel woningbouw betekent dit dat bij een eenzijdige verkeersontsluiting niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen worden gebouwd onder het NIBM regime en bij een tweezijdige ontsluiting 3.000 woningen. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt.
Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe
85
bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
6.5.1
Onderzoek planologische mogelijkheden
De luchtkwaliteit is in gemengde- en woongebieden met name afhankelijk van de verkeersaantrekkende werking van de in dat gebied aanwezige functies. Elke functie (wonen, detailhandel, bedrijvigheid etc.) heeft een bepaalde verkeersaantrekkende werking. Zo heeft detailhandel de grootste verkeersaantrekkende werking, terwijl een kantoor of horeca relatief weinig verkeer aantrekt. Op bepaalde vormen van onderwijs na (middelbaar, hoger en voortgezet onderwijs) hebben woningen de laagste verkeersaantrekkende werking. Door het bieden van bepaalde planologische mogelijkheden kunnen functies van gronden en gebouwen in een gebied wijzigen. Wanneer functies wijzigen heeft dat gevolgen voor de verkeersaantrekkende werking van de betreffende gebouwen en gronden, en dat heeft weer gevolgen voor de luchtkwaliteit in een gebied. Dit bestemmingsplan biedt planologische mogelijkheden waardoor functies van gebouwen en gronden kunnen wijzigen. Het gaat om de volgende mogelijkheden: Nieuwbouwlocaties Dakpark, ca. 280 woningen (zie ook paragraaf 4.3.1); Nieuwbouwlocatie Kleine Visserijstraat, ca. 2 woningen (zie ook paragraaf 4.4.4); Transformatie van gemeentelijk vastgoed, maximaal ca. 37 woningen. (zie ook paragraaf 4.4.4); Transformatie van vrijkomende onderwijsgebouwen, maximaal ca.
50 woningen (zie ook paragraaf 4.4.3); Transformatie van een onbekend aantal ruimtes in de plinten van bestaande bebouwing. Nieuwe woningen Uit het bovenstaande volgt dat dit bestemmingsplan maximaal ca. 385 nieuwe woningen mogelijk maakt, waarvan een deel al mogelijk was op basis van het vorige bestemmingsplan. Dit aantal ligt onder het maximum van 1.500 nieuwe woningen uit de Regeling NIBM wat betekent dat er geen nadere toetsing aan de grenswaarden hoeft plaats te vinden. Overigens hebben het gemeentelijk vastgoed en de eventueel vrijkomende onderwijsgebouwen in de huidige situatie ook een bepaalde verkeersaantrekkende werking die komt te vervallen in geval van transformatie. Bij de transformatiepanden is dus niet uitsluitend sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen.
Transformatie plinten Binnen de gemengde bestemmingen zijn legio aan transformatiemogelijkheden. Deze hebben ook gevolgen voor de luchtkwaliteit. Vanwege de veelheid aan panden en mogelijkheden is het echter onmogelijk een concreet scenario vast te stellen. De verwachting is dat de verdeling van de functies detailhandel, dienstverlening, bedrijven en horeca over panden in grote lijnen gelijk blijft. Wel kan gezien de huidige trends aangenomen worden dat het aandeel detailhandel af zal nemen. Ook zijn er de afgelopen periode een aantal winkelpanden getransformeerd in woningen, bijvoorbeeld aan de Mathenesserweg. Het bovengenoemde betekent voor de luchtkwaliteit dat deze in ieder geval niet zal verslechteren. Indien winkelpanden getransformeerd worden in woningen of een andere functie, heeft dat een gunstig effect op de luchtkwaliteit aangezien detailhandel de hoogste verkeersaantrekkende werking heeft.
6.5.2
Onderzoek huidige luchtkwaliteit
Grenswaarden De in de Wet luchtkwaliteit genoemde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 01- 01-2015 en is 40 µg/m3. De grenswaarde voor fijnstof (PM10) is 40 µg/m3 en geldt sinds 01- 07-2011. Het aantal dagen waarop de daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 voor PM10 mag worden overschreden is 35.
86
Deze daggemiddelde grenswaarde wordt overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 32,4 µg/m3 en hoger.
Actuele waarden Volgens de NSL Monitoringstool-2017 wordt in het plangebied aan de grenswaarde voor NO2 voldaan. Ook wordt aan de grenswaarden (daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijnstof voldaan. De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in Rotterdam en omgeving ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.
6.5.3
Conclusie
De planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt dragen niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek kan achterwege blijven. De transformatiemogelijken in de plinten kunnen een verbetering van de luchtkwaliteit tot gevolg hebben. De huidige luchtkwaliteit voldoet aan de relevante grenswaarden. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
6.6
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
6.6.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. Wat algemene bodemkwaliteit betreft is het plangebied zowel in de contactzone (van 0 tot 1 m beneden maaiveld) als in de zone van 1 tot 2 m beneden maaiveld licht verontreinigd. De bodemkwaliteit is echter schoon genoeg voor de functie 'wonen' en vormt dus geen beperking voor de beoogde ontwikkelingen. Wel zal voor de ontwikkelingen in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen nader onderzoek gedaan moeten worden als dit gepaard gaat met bodemroerende werkzaamheden.
6.6.2
Conclusie
Het aspect 'bodemkwaliteit' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
87
6.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op-en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, sporen, buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.
Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR).
6.7.1
Transport gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas
Plaatsgebonden risico Volgens de Regeling Basisnet kent dit deel van de deze rivier geen 10-6/jr plaatsgebonden risico.
Groepsrisico Uit de eindrapportage van Basisnet Water [Ministerie I&M-2011] blijkt dat er in de huidige situatie in de binnenvaartcorridors geen knelpunten zijn, en dat zeer ruim aan de referentiewaarden (dit zijn maximale transporthoeveelheden per stofcategorie) wordt voldaan. In deze eindrapportage wordt op basis van een risicoanalyse de conclusie getrokken dat er een onrealistisch grote hoeveelheid goederen vervoerd moet
88
worden voordat er sprake is van een PR 10-6 contour. Verder wordt geconcludeerd dat het groepsrisico om diezelfde reden langs binnenvaartcorridors geen probleem vormt. Bij de risicoanalyse die hieraan ten grondslag ligt, is rekening gehouden met een groei van maximaal een factor 10 ten opzichte van de huidige transportsituatie. Voor de autonome groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen per binnenvaart betekent het bovenstaande dat zich voor de binnenvaart geen overschrijdingen van de referentiewaarden uit de Regeling basisnet zullen voordoen. Omdat het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas kleiner is dan 30% van de oriëntatiewaarde is een categorie ‘lichte’ verantwoording aan de orde, hetgeen het volgende inhoudt. De zelfredzaamheid van de aanwezigen in het plangebied is, gelet op de verblijfsfuncties en de verkeersinfrastructuur, groot. Dit zal ook gelden voor de nieuwe woningen. Dit aspect wordt benoemd in het bestemmingplan. Het groepsrisico van de Nieuwe Maas neemt door de ontwikkelingen binnen het plangebied niet toe en geeft geen beperkingen voor dit bestemmingplan. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.
Oeverbeleid Indien ontwikkelingen zoals nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt worden binnen 40 meter van de oever van de Nieuwe Maas dient rekening te worden gehouden met artikel 2.1.10 van de provinciale Verordening Ruimte. Het plangebied ligt op minimaal 250 meter van de Nieuwe Maas, daarmee is dit oeverbeleid van de provincie Zuid-Holland niet van toepassing voor dit bestemmingsplan.
Conclusie Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Het groepsrisico is veel kleiner dan de oriëntatiewaarde, de ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op dit groepsrisico. Het oeverbeleid van de provincie Zuid-Holland is niet van toepassing omdat geen nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt langs de oever.
6.7.2
Inrichtingen
6.7.2.1 Inrichtingen Merwe-Vierhavensgebied Plaatsgebonden risico In het Merwe- en Vierhavensgebied (M4H) liggen koel- en vrieshuizen van Hiwa en Continental Juice aan de IJsselhaven. Voor deze bedrijven gelden 10-6 plaatsgebonden risicocontouren vanwege de aanwezige ammoniak koelinstallaties (Regeling externe veiligheid inrichtingen). De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van alle risicovolle bedrijven in M4H liggen op ruime afstand van het plangebied. De risicocontouren vormen dus geen beperking voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.
Groepsrisico De ammoniak koelinstallaties van Hiwa en Continental Juice kennen volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen geen groepsrisico’s. De vergunning van Rotterdam Fruit Wharf is voor het deel gevaarlijke stoffen ingetrokken, hieruit volgt dus ook geen groepsrisico. Het reduceerstation van de Gasunie kent volgens de regelgeving geen groepsrisico. Het invloedsgebied voor het groepsrisico van het LPG tankstation aan de Gustoweg ligt op grote afstand van het plangebied.
Conclusie Het 10-6 plaatsgebonden risico van de bedrijven in het naastgelegen Merwe- en Vierhavensgebied is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Er zijn geen groepsrisico’s.
89
6.7.2.2 Inrichtingen Waal-Eemhaven Groepsrisico Een aantal ontwikkellocaties liggen binnen de invloedsgebieden van het groepsrisico van de volgende inrichtingen in het Waal- en Eemhavengebied: Broekman Project Services, Heijplaatweg 4; Uniport Multipurpose Terminals B.V., Zaltbommelstraat 10; C. Steinweg Handelsveem, Dodewaardstraat 12-14. De plaatsgebonden risicocontouren van deze bedrijven liggen allemaal op zeer ruime afstand van het plangebied. Door de DCMR zijn met het programma SafetiNL 6.54 indicatieve berekeningen uitgevoerd op basis van programmagegevens en kentallen voor de populatietoename als gevolg voor de ontwikkellocaties. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van significante toenames van het groepsrisico: Broekman Project Services: het groepsrisico blijft voor en na aanpassing kleiner dan 0,01 maal de oriëntatiewaarde; Uniport Multipurpose Terminals B.V.: het groepsrisico kent een kleine toename bij afronding van 0,34 maal de oriëntatiewaarde naar 0,35; C. Steinweg Handelsveem: het groepsrisico blijft 0,33 maal de oriëntatiewaarde. Conclusie De ontwikkelingen van dit plan hebben geen significante invloed op de groepsrisico's van bedrijven aan de overkant van de Nieuwe Maas (het Waal-Eemhavengebied).
6.7.3
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
6.8
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen; -het behouden en ontwikkelen van natuur, - het behouden en herstellen van de biodiversiteit, -het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en -het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk
90
gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.
6.8.1
Rotterdams beleid
Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland.
6.8.1.1 Plangebied Op de natuurkaart is te zien dat in de Mathenesserdijk, in het oostelijk deel van het bestemmingsplangebied, een groene wijkdooradering aanwezig is. Dit betreffen bomen langs de Delfshavense Schie. Overige elementen worden binnen het bestemmingsplan niet weergegeven. De Delfshavense Schie, direct grenzend aan het bestemmingsplangebied ten oosten van de Mathenesserdijk, maakt deel uit van het Waternetwerk. Ter hoogte van de IJsselhaven wordt de kade aangemerkt als kansrijk voor vergroening van havenbekkens.
6.8.2
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen).
6.8.2.1 Plangebied Het bestemmingsplangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die impact zullen hebben op deze gebieden. Het bestemmingsplan voorziet niet in grootschalige verandering van de functie, het onderhoud of het overall gebruik van de ruimtelijke inrichting van het gebied. Significant negatieve invloed op Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zijn daarom uitgesloten.
6.8.3
Soortbescherming
Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
91
alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is.
Vleermuizen In de natuurdatabase zijn geen waarnemingen van vleermuizen bekend. In de omgeving van het bestemmingsplangebied zijn meerdere waarnemingen van gewone dwergvleermuis opgenomen. Het is zeer aannemelijk dat deze waarnemingen een verre van compleet beeld van de aanwezigheid van vleermuizen in het bestemmingsplangebied schetst. In dit stedelijk gebied en met name langs de grote rivieren zoals de Nieuwe Maas kunnen ook de Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Tweekleurige vleermuis voorkomen. Nagenoeg alle bebouwing in het bestemmingsplangebied is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De overgrote meerderheid van de bebouwing bevat open stootvoegen, ventilatiespleten, dilatatievoegen en/of metalen dakstrips welke toegang verschaffen tot de spouwmuren en nissen in de gevels. Hier is potentie voor winter-, zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen aanwezig. Verspreid in het bestemmingsplangebied is hoogbouw en zijn massieve gebouwcomplexen (zoals schoolgebouwen en appartementencomplexen) aanwezig. Deze zijn zeer geschikt als massawinterverblijfplaats voor met name gewone dwergvleermuis. Voor boombewonende vleermuizen is het bestemmingsplangebied ongeschikt. Enkel de bomenrij langs de westzijde van het bestemmingsplangebied is potentieel geschikt voor paarverblijfplaatsen en zomerverblijfplaatsen voor Ruige dwergvleermuis.
Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich meerdere lijnvormige structuren (kaden, gevellijnen, parken en tuinen) die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als functioneel leefgebied als foerageergebied en/of (essentiële) vliegroute. Voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd.
Vogels In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Dit betreft een waarneming van zes huismussen ter plaatse van de ontwikkellocaties aan de Hudsonstraat. Tijdens het veldbezoek werden in een achtertuin aan de Van Duylhof roepende huismussen gehoord. Het merendeel van de achtertuinen in het bestemmingsplangebied is echter niet vrij toegankelijk (deze zijn overwegend afgesloten met poorten). Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat er meerdere locaties met huismussen aanwezig zijn. Voor deze soort is in het bestemmingsplangebied potentieel geschikt habitat voor voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig (bebouwing, tuinen, pleinen, jaarrond groen struweel, voedselaanbod). Met name vanwege de ligging in een woonwijk welke zeer geschikt is voor huismus (schuine daken met dakpannen bieden geschikte verblijfplaatsen, groene tuinen bieden voedsel en veiligheid). De aard van de bouwconstructies van de bebouwing binnen het plangebied en de aanwezigheid van schuilgelegenheid in de vorm van struweel en opslag bieden geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Voor overige vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaats in de gebouwen (zoals Gierzwaluw) is het bestemmingsplangebied eveneens geschikt, vanwege de ligging in een oudere woonwijk.
Onder meer schuine daken met dakpannen bieden geschikte verblijfplaatsen. Voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in bomen is het plangebied ongeschikt. Naast deze beschermde soorten kunnen algemene boom-, struweel-, gebouwen dakbroedende vogelsoorten in het bestemmingsplangebied verwacht worden, zoals winterkoning, merel, spreeuw, kleine mantelmeeuw, stadsduif en kauw.
Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, opgenomen in de Habitatrichtlijn. Geschikt habitat voor deze soorten is afwezig. In het bestemmingsplangebied kunnen wel nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht. Dit betreffen soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Met name egel, konijn en meerdere soorten (spits)muizen kunnen zich goed handhaven in een stedelijke omgeving
92
met beperkte groengebieden. De Steenmarter wordt sinds enige jaren in de omgeving van het plangebied waargenomen. Geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen zijn in het bestemmingsplangebied afwezig. Hiervoor is in het bestemmingsplangebied teveel verstoring aanwezig. Het plangebied kan worden gebruikt als functioneel leefgebied (jachtgebied).
Vissen Open water is enkel aanwezig in de Delfshavense Schie. Deze watergang is ongeschikt voor vissen uit de Habitatrichtlijn (zoals Houting) en Nationaal beschermde soorten (zoals de Grote modderkruiper. Wel kunnen hier algemeen voorkomende vissen worden aangetroffen (zoals baars).
Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor habitatrichtlijnsoorten reptielen en amfibieën. In het bestemmingsplangebied kunnen wel nationaal beschermde amfibieën worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Met name Bruine kikker en Gewone pad kunnen zich goed handhaven in een stedelijke en industriële omgeving met beperkte groene dekking.
Planten Langs de Spangensekade zijn kademuren aanwezig. Op één plaats, ter hoogte van huisnr. 180/182 werd op de kade een groeiplaats van muurvaren aangetroffen. Daarnaast zijn groeiplaatsen van de niet meer beschermde steenbreekvaren bekend1.Geschikt habitat voor de Nationaal beschermde soorten blaasvaren, schubvaren en muurbloem is in het plangebied afwezig. Deze planten hebben oude kalkrijke muren en kades nodig, die in het plangebied afwezig zijn. Dichtstbijzijnde groeiplaatsen zijn in de Voorhaven aanwezig. Het plangebied is ongeschikt voor andere beschermde vaatplanten. Geschikt habitat als kalkrijke graslanden, duinen, vochtige veengronden, is afwezig. De aangetroffen plantensoorten betreffen veelal zeer algemene kruiden als grote brandnetel, grote weegbree, straatgras.
Overige soortgroepen Overige vogel- of habitatrichtlijnsoorten of nationaal beschermde soorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied.
Zorgplicht Naast een aantal strikt beschermde Habitatrichtlijnsoorten zijn ook nationaal beschermde soorten te verwachten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen kleine zoogdieren (konijn, mol, egel, diverse muizensoorten) en algemene amfibieën (Gewone pad, en Bruine kikker). Voor deze soorten geldt de Zorgplicht van de Wet natuurbescherming.
6.8.4
Ontwikkelingen
In deze paragraaf wordt beschreven wat de verschillende ontwikkelingen (voor zover relevant) die dit bestemmingsplan mogelijk maakt voor gevolgen hebben op eventueel aanwezige beschermde soorten.
Aanpak Mathenesserweg De bebouwing aan de Mathenesserweg is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. In de aan de bebouwing grenzende tuinen en openbaar groen is potentieel geschikt functioneel leefgebied voor
93
huismus en vleermuizen aanwezig. De voorgenomen aanpassing in het bestemmingsplan heeft, mits er geen ingrepen plaatsvinden aan de buitenschil van de gebouwen, geen schadelijke effecten op beschermde flora en fauna. Indien renovatie, sloop, of isolatiewerkzaamheden aan de buitenschil (gevels en daken) plaatsvinden is onderzoek en toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen.
Woningbouw Dakpark Functioneel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen kunnen hier aanwezig zijn. Onderzoek en toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is dus nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen.
Onderwijsgebouwen Deze bebouwing is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen en kan potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van huismus en gierzwaluw herbergen, alsook functioneel leefgebied voor vleermuizen en huismus. Onderzoek en toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is dus nodig alvorens met de sloop, renovatie en/of nieuwbouw kan worden aangevangen.
Punt en Schipper en van Dorp A3 Deze projecten zijn reeds in uitvoering en in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen is onderzoek gedaan naar beschermde soorten.
Nieuwbouw Kleine Visserijstraat Er is in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig en de gronden zijn volledig verhard. Beschermde soorten worden daarom niet verwacht.
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen die binnen een bestaande bestemming vallen, zoals sloop en nieuwbouw van woningen, renovaties of het herinrichting, dient voorafgaand nog flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Bij bestemmingsplanwijzing of een projectbestemmingsplan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
6.8.5
Conclusie
Het bestemmingsplan is 'aanvaardbaar' vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming, met dien verstande dat ontwikkelingen op projectniveau getoetst te worden aan de relevante natuurwetgeving op het moment dat ze concreet worden. Uitgangspunt bij deze ontwikkelingen is dat voldoende mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen, waardoor het verkrijgen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk is. Het aspect 'natuur' vormt geen beperking voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
94
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
95
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
The Hudsons De gronden zijn in eigendom van de gemeente Rotterdam. Naar verwachting wordt in 2019 wordt gestart met de bouw. Voor het project is een grondexploitatie opgesteld, waarmee het kostenverhaal verzekerd is. Om die reden kan afgezien worden van het opstellen van een exploitatieplan.
Kop- en Staart/Diepeveenlocatie Dakpark Vrijwel alle gronden zijn in bezit van de gemeente Rotterdam. Voor beide locaties zal een grondexploitatie worden opgesteld, waarmee het kostenverhaal verzekerd is. Voor het kleine deel dat niet in bezit is van de gemeente zal (voor vaststelling van dit bestemmingsplan) een anterieure overeenkomst worden afgesloten met de ontwikkelaar om het kostenverhaal te verzekeren. Om die reden kan afgezien worden van het opstellen van een exploitatieplan.
Overig Voor het overige legt het bestemmingsplan overwegend de planologische mogelijkheden vast die in de vorige bestemmingsplannen al waren opgenomen. De enige wijziging ten opzichte van deze bestemmingsplannen betreft een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van een aantal bestaande panden. Aangenomen kan echter worden dat er als gevolg van deze verruiming geen sprake zal zijn van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening. Voor deze gebruiksverruiming is dan ook geen sprake van een wettelijke verplichting tot kostenverhaal.
96
Hoofdstuk 9 9.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie Ruimte en Milieu; Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; Tennet, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet; Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; K.P.N. Telecom; N.V. Nederlandse Gasunie; Ministerie Infrastructuur en Milieu; Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid ; Rijksluchtvaartdienst; Luchtverkeersleiding Nederland; Prorail; Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR); Metropoolregio Rotterdam Den Haag; Monet, beheerder telecommunicatiemasten; VWS Pipelinecontrol. Er is een reactie ontvangen van de in de volgende paragrafen genoemde overlegpartners.
9.1.1
Hoogheemraadschap van Delfland
Het Hoogheemraadschap van Delfland geeft aan te kunnen instemmen met het bestemmingsplan. Wel wordt er op gewezen dat er een tekstuele omissie staat in de paragraaf over waterpeilen. Reactie gemeente Rotterdam De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan en omissie over de waterpeilen zal worden aangepast.
9.1.2
Tennet
Tennet geeft aan dat er twee ondergrondse 150 kV verbindingen door het gebied lopen, en dat deze correct op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen. Wel wordt verzocht artikel 26.4.1 onder 'a' aan te vullen met de activiteit/werkzaamheid 'rooien'. Wortels van diepwortelende bomen of struiken kunnen namelijk rondom kabels zijn gegroeid. Het verwijderen van de wortels kan de veiligheid en leveringszekerheid van de hoogspanningskabels in gevaar brengen.
Reactie gemeente Rotterdam Er is tegemoet gekomen aan het verzoek en de regeling is op de gevraagde wijze aangevuld.
97
9.1.3
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR)
De VRR geeft aan dat er geen relevante veiligheidsaspecten zijn geconstateerd. Reactie gemeente Rotterdam De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan.
9.1.4
Provincie Zuid-Holland
De provincie geeft aan te kunnen instemmen met het plan omdat er geen provinciale belangen in het geding zijn. Reactie gemeente Rotterdam De gemeente neemt de reactie ter kennisgeving aan.
98
Bijlagen
99
Bijlage 1 Onderzoekslocaties akoestisch onderzoek
100