CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb426 Bijlage 1 behorende bij 21bb427 over Adviesnotitie lerende evaluatie Bestuursmodel Rotterdam 2018 – 2022

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 22. Het voorstel met betrekking tot het bestuursmodel ‘De wijk aan zet’, alsmede de derde tussenrapportage evaluatie van het bestuursmodel 2018-2022.34.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Een meer structurele en iteratieve dialoog leidt tot veel meer draagvlak en verrijking dan een eenmalig, geforceerd advies. 39

Op basis hiervan is ons pleidooi dan ook tweeërlei. Enerzijds is het zaak om meer te investeren op dialoog en co-creatie van beleid, en de inbreng van gebieden veel minder afhankelijk te maken van het recht op advies. Anderzijds is het zaak om het adviesrecht steviger aan te zetten, zodat wanneer gebieden daadwerkelijk iets aanhangig willen maken wat hen zwaar weegt, dit niet zondermeer terzijde kan worden geschoven. In de wereld van de medezeggenschap wordt dan bijvoorbeeld gesproken over een verzwaard adviesrecht. Ook in het Rotterdamse bestuursmodel kan een dergelijk principe meerwaarde hebben. Dan gelden er aanvullende eisen voor de wijze waarop een dergelijk advies moet worden behandeld en is het minder eenvoudig om het niet op te volgen. De gemeenteraad kan hier als ‘beroepsmogelijkheid’ een rol in spelen. 5.5.3 Het organiseren van participatie Zoals we zagen, lukt het sommige gebiedsorganen wel maar andere veel minder om een duidelijke rol als aanjager in participatietrajecten te vervullen. Het gebrek aan eigen expertise en menskracht op dit punt speelt hen nadrukkelijk parten, maar ook de ambivalentie in taak- en rolopvatting. Dat is een veelvoorkomende spanning bij de vormgeving van een meervoudige democratie.

Dat pleit ervoor om de gebiedsorganen in dit soort processen veel meer de rol van waakhond en adviseur te geven en het daadwerkelijk organiseren van participatie bij de ter zake kundige ambtenaren te laten. Het is dan aan de gebiedsorganen om te bewaken dat er voldoende ruimte is om te participeren, dat de participatie aansluit bij de wensen van de wijk en dat de resultaten serieus worden genomen. Als de participatie dan bijvoorbeeld qua tijdigheid, breedte en doorwerking te wensen overlaat zou het gebiedsorgaan daarover met gezag moeten kunnen escaleren. Door gebiedsorganen meer te betrekken bij participatieprocessen die vanuit de clusters of de gebiedsorganisatie worden georganiseerd wordt het netwerk van bewoners in de wijken tevens verstevigd. Versterking van dit sociaal kapitaal kan bijdragen aan meer betrokkenheid van bewoners bij hun leefomgeving. Daar waar het gaat om de eigen aangelegenheden (ongevraagde adviezen, wijkagenda) zou het daarentegen goed zijn als de gebiedsorganen zelf meer regie nemen over het participatieproces maar wel de kennis en expertise van de gebiedsorganisatie daarbij kunnen benutten. In lijn met het laatste verdient het aanbeveling om via de band van de gebiedsorganen democratische vernieuwing via meer participatieve vormen van gebiedsdemocratie aan te jagen.

Heel concreet denken we daarbij aan het werken met een buurtbegroting, die gekoppeld is aan de eigen programmeerruimte per wijk. Op meerdere plekken in Nederland wordt daar nu mee geëxperimenteerd. De wijkagenda bevat dan de uitkomsten van deze participatie en laat zien hoe deze programmeerruimte daadwerkelijk wordt ingevuld (zie ook 5.5.1). Zo kan een wijkagenda resulteren die daadwerkelijk burgernabij en gedragen is. De wens om meer te doen aan participatie leeft breed. Het is gemakkelijk om tussen representatieve en participatieve vormen van democratie een vorm van competitie te krijgen. Vertegenwoordigers claimen dan op grond van hun democratisch mandaat ‘de stem van het volk’ te kennen en te vertegenwoordigen. Andersom is een representatief orgaan in de ogen van sommige actieve burgers soms een sta in de weg om zelf te vertellen hoe het volgens hen moet of dat daadwerkelijk zelf ook gestalte te geven. De kunst is om hier productieve synergie te realiseren. Dat staat of valt bij de bereidheid van gebiedsvertegenwoordigers om zich bescheiden en dienstbaar op te stellen naar bewoners toe, maar ook om hen een rol te geven als waakhond en geweten op het punt van participatie. En om dus met de organisatie en bestuurders het gesprek te voeren over de “invited space”, de kaders (technisch, 40

inhoudelijk en procesmatig) waarbinnen participatie wordt georganiseerd. Op die manier organiseert Rotterdam een vorm van democratische controle op haar eigen participatiestrategie. Dat is zeker geen overbodige luxe, zowel omdat de inclusiviteit van participatieprocessen als de uiteindelijke responsiviteit op participatie nog regelmatig te wensen overlaat. 5.5.4 Het aanjagen van initiatief De huidige praktijk rond het toekennen van budget aan bewonersinitiatieven verschilt van orgaan tot orgaan. Het belang wat aan deze taak wordt gehecht eveneens. In theorie zouden gebiedsorganen een rol kunnen spelen in het aanjagen van initiatief. Met de eigen wijkagenda in de hand zouden ze initiatieven kunnen oprakelen, aansporen, verrijken en verbinden. Dit is dan niet zozeer een agenda voor de stedelijke organisatie of het bestuur, maar echt een agenda voor de wijk. Een dergelijke agenda bevat dan de inhoudelijke richting waarmee het gebiedsorgaan, daarbij ondersteund door de gebiedsorganisatie, haar bewoners uitnodigt om initiatieven te ontplooien. Wat ons betreft is de transparantie en slagvaardigheid inzake de zakelijke afdoening van bewonersinitiatieven erbij gebaat als het gebiedsorgaan daartoe wel de inhoudelijke kaders formuleert, maar de beoordeling en dus toekenning overlaat aan de gebiedsorganisatie.

En dus niet langer zelf deze beslissingen neemt en daar al dan niet in het openbaar uitvoerig over beraadslaagt met regelmatig onbegrip en onvrede bij bewoners tot gevolg. 5.6 Randvoorwaarden voor een goede taakuitoefening In het bovenstaande hebben we gepleit voor het continueren van een gekozen vorm van gebiedsvertegenwoordiging die (ook) nadrukkelijk op wijkniveau herkenbaar is. In deze paragraaf gaan we in op de vraag wat er onzes inziens nodig is om deze succesvol te laten opereren. Allereerst constateerden we hierboven reeds dat de omvang van vijf personen voor een wijkraad te klein is. Het biedt te weinig reservecapaciteit en te weinig mogelijkheden voor een onderlinge taakverdeling. Afhankelijk van de keuze die gemaakt wordt voor het schaalniveau, zal er sprake moeten zijn van een stevige versterking van de personele bezetting van de gebiedsorganen. Daarnaast constateerden we dat de figuur van een voorzitter of dagelijks bestuur met wat meer tijd om ‘de kar te trekken’ vaak node wordt gemist. Een voorzitter die als primus inter paris de functie van ambassadeur naar buiten en coördinator naar binnen kan vervullen maakt het gebiedsorgaan als geheel een stuk slagvaardiger.

Dit gaat dus een stap verder dan het technisch voorzitterschap van de vergaderingen en heeft zowel betrekking op het organiseren van de activiteiten van het gebiedsbestuur alsook het naar buiten toe vertegenwoordigen ervan. In dezelfde lijn is ook het pleidooi voor voldoende ondersteuning, zonder dat deze twee heren moet dienen, van belang. Er is veel lof en waardering voor wijkmanagers en gebiedsnetwerkers, maar de tijd die zij hebben om gebiedsorganen te ondersteunen is (zeer) beperkt en vaak opereren deze ambtenaren tussen twee vuren omdat zij zich ook met de clusters hebben te verhouden. Dat betekent onzes inziens tenminste twee dingen. Allereerst zal de gebiedsorganisatie, in casu de wijkmanager, meer mogelijkheden moeten krijgen om snel in te kunnen spelen op wat er in de wijk leeft. Dat betekent dat er arrangementen nodig zijn waarbij de wijkmanager kan bepalen wat er wanneer in de wijk moet gebeuren.

41

Daarnaast is het van belang dat de wijkmanager ook tegenover de gebiedsorganen een duidelijker positie krijgt en niet – zoals in sommige wijken of gebieden het geval is – als veredelde secretaris van deze organen wordt beschouwd en aangesproken. Een meer eigenstandige positie past in een systeem waarin er sprake is van checks & balances. De wijkmanager is in de wijk de ‘uitvoerende macht’ die in dialoog met de gebiedsvertegenwoordiging vormgeeft aan de realisatie van de agenda van de wijk. Als hij of zij ook ondersteunend is aan de gebiedsorganen, ontstaat gemakkelijk een conflict tussen verschillende petten. Wanneer een gebiedsorgaan meer secretariële ondersteuning nodig heeft, zal dat op een andere manier moeten worden georganiseerd, net als dat bij een griffie van een gemeenteraad het geval is. Aan de andere kant benadrukken we ook dat er behoefte is aan beter verwachtingsmanagement. We zien nu dat gebiedsvertegenwoordigers pas gaande de rit erachter komen dat hun rol slechts bescheiden (agenderend, adviserend) is en niet overeenkomt met de verwachtingen vooraf. Om frustraties te voorkomen is helderheid op voorhand van groot belang. Waarbij wij – zoals hierboven al gezegd – ervoor pleiten om de gebiedsvertegenwoordiging niet verder ‘uit te kleden’ maar juist hun positie steviger te markeren.

Dit zal ook ongetwijfeld de attractiviteit ervan voor potentiële nieuwe leden vergroten. 5.7 Een vruchtbare context voor een vitale gebiedsdemocratie De organisatie van de gemeente Rotterdam werkt hard aan het meer opgavegericht en wijkgestuurd werken. Dat is een waardevolle ontwikkeling, al is er nog genoeg werk aan de winkel voordat dit naar behoren functioneert. Al eerder is opgemerkt dat deze beweging een stevige representatie van het wijkbelang niet overbodig, maar juist mogelijk en wenselijk maakt. Op basis van deze evaluatie is het eerlijk om te constateren dat de gebiedsorganen voor een deel hun gebrekkige effectiviteit aan zichzelf te danken hebben, waarbij het ook waar is dat dit bij succes ook het geval is. Dat betekent dat er werk aan de winkel is om ervoor te zorgen dat de gebiedsorganen voldoende competent en slagvaardig zijn, en daarbij voldoende ondersteund worden. Maar ook dat de gebiedsorganen zelf de rol die zij hebben, moeten accepteren en moeten invullen, zonder te blijven hangen in hoe het vroeger was of in politiek-bestuurlijk positiespel waarbij het niet langer meer gaat over de inhoud. Tegelijkertijd is er ook werk aan de winkel als het gaat om de relatie met de clusters. De ontvankelijkheid voor inbreng van buiten blijft een voortdurend zorg- en aandachtspunt.

De recente pogingen om dit beter te organiseren zijn belangrijk en verdienen verdere uitwerking. Dat kan niet zonder meer ‘tegensturing’ vanuit de wijken. Daarbij zal de positie van de wijkmanager sterker moeten worden om ervoor te zorgen dat de agenda van de wijk daadwerkelijk ook doorwerkt in de agenda van de clusters en dat het oplossen van irritaties in straat of buurt niet afhankelijk is van de vraag wanneer dit toevallig op de planning van de clusters staat. Tot slot nog dit. De gemeenteraad speelt in het bestuursmodel van Rotterdam een centrale en zichtbare rol. Dat is ook de beleving van de Rotterdammer zelf, die de gemeenteraad meer vertrouwt dan de andere organen. Voor gebiedsvertegenwoordigers is de raad vaak een effectief kanaal om punten uit de wijk alsnog bij het college of de ambtelijke organisatie op de agenda te krijgen. Tegelijkertijd is het zaak dat, als gekozen wordt voor een sterkere positie van de gebiedsorganen, de rol van de gemeenteraad meebeweegt, naar een meer controlerende taak ten aanzien van de vraag of de wijk wel voldoende wordt gehoord en erkend. Gebiedsorganen zouden in die situatie meer hun 42

eigen boontjes moeten kunnen doppen en niet voortdurend de raad nodig hoeven hebben om hun zaak te bepleiten. Een meer controlerende rol voor de raad vraagt om een meer gestroomlijnde relatie tussen raad en gebiedsorganen, waarbij de raad als geheel zich op vaste momenten laat informeren door de gebiedsorganen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door twee keer per jaar kennis te nemen van de voortgang van de uitvoering van de wijkactieplannen en dit te bespreken met het college en dan ook te spreken over rapportages waarin de gebiedsorganen een update geven over de kwaliteit van de participatie die in hun wijk tot stand is gekomen. Daarmee krijgt de raad dus meer een rol als stelselbewaker in plaats van (selectieve) ombudsman. Zij zou zich in ieder geval minder moeten laten verleiden om te willen scoren met een issue op wijkniveau. Die eer zou ze aan de gebiedsorganen zelf moeten gunnen door hen in positie te brengen de eigen boontjes te doppen. Maar de raad neemt tegelijk haar eigen controlerende rol wel serieus door het college kritisch te controleren op de kwaliteit van de meervoudige democratie in de stad. 5.8 Een handreiking voor het vervolg Het aanpassen van het bestuursmodel verdient een zorgvuldige aanpak. De voorgaande keren is dit proces niet altijd even gestroomlijnd georganiseerd.

Dan werden er voorstellen uit diverse hoeken ingebracht en ontstond er een relatief chaotisch proces waarbij het ene amendement over het andere struikelde. Wij adviseren dat alle betrokken partijen met elkaar het gesprek voeren over de gewenste aanpassingen en daarbij voortdurend het model als geheel in het oog blijven houden en zich niet blindstaren op het eigen geliefkoosde element. Daarbij is het ook belangrijk, zeker ook waar het de gebiedsorganen betreft, om vooruit te kijken en niet te blijven hangen in positiespel. Belangrijker is het om met een open vizier op de toekomst en met in het achterhoofd de lessen uit de afgelopen jaren, aan de hand van enkele gedeelde ontwerpprincipes te bezien wat er veranderd moet worden. Ook is het onzes inziens belangrijk is om keuzes serieus te nemen en niet te veel het compromis op te willen zoeken, zoals dat in dit model en ook eerder wel is gebeurd. De ambivalentie die daaruit voortvloeit maakt een nieuw model bij voorbaat minder kansrijk. Het leidt in ieder geval tot strijdige verwachtingen en tot gemengde gevoelens over de resultaten. Zoals eerder ook benadrukt, bevelen wij aan om het model vooral aan te passen in het licht van de wens van bestuur en organisatie om meer wijkgestuurd en opgavegericht te willen werken.

Wijzigingen aan het model kunnen die beweging versterken en ondersteunen, maar in feite past de huidige structuur bij dat streven al komt op dit moment de complementariteit onvoldoende uit de verf. Daarbij willen we er wel voor waarschuwen om (te) veel te willen experimenteren. Wij adviseren om voort te bouwen op wat nu geleerd is, als het gaat om de structuur van het model en datgene wat werkt te versterken en daarop voort te bouwen. Dat laat uiteraard onverlet dat er met vormen van participatie in wijk en buurt verder kan worden geëxperimenteerd (waarbij ook aandacht kan zijn voor vormen van loting, digitale participatie en wellicht participatief begroten in het kader van een nieuwe opzet van de wijkagenda), alsook met nieuwe verbindingen tussen een representatieve wijkvertegenwoordiging en meer directe vormen van participatie.

43

Bijlagen Bijlage 1: Uitkomsten vignettenstudie ................................................................................................ 44 Bijlage 2: Uitkomsten enquête gebiedsbestuurders ........................................................................... 50 Bijlage 3: Uitkomsten enquête ambtenaren gebiedsorganisatie ....................................................... 63 Bijlage 4: Uitkomsten enquête ambtenaren clusters ......................................................................... 82 Bijlage 5: Uitkomsten resultaten bewonersenquête .......................................................................... 96

Bijlage 1: Uitkomsten vignettenstudie Onder 2258 bewoners van Rotterdam die lid zijn van het digitale stadspanel zijn vignettes uitgezet om te toetsen wanneer men meer geneigd is om deel te nemen aan een participatiebijeenkomst. We danken Vivian Visser (PhD student en onderzoeker aan de Erasmus Universiteit) voor haar bijdrage aan deze studie. De vignettes bestonden uit verschillende typen uitnodigingen waarin systematisch gevarieerd is met: 1) diegene die uitnodigt (gemeente, geloot wijkcomité of gekozen wijkraad), 2) hoe mensen worden uitgenodigd (algemeen, middels loting of door te verwijzen naar specifieke kennis die bewoners van het gebied hebben) en 3) wat voor soort participatie de bijeenkomst betreft (informeren, meedenken of meebeslissen middels stemmen over de wijkagenda). Opvallend is dat er gemiddeld genomen een behoorlijke bereidheid is onder de respondenten om deel te nemen aan een dergelijke participatiebijeenkomst, ongeacht het specifieke type van de uitnodiging. De bereidheid tot participatie is vrij groot (een gemiddelde score van 4,5 op een 7-puntsschaal) ten opzichte van wat men doorgaans kan verwachten aan opkomst bij dergelijke bewonersbijeenkomsten (hoewel hier geen specifieke data over beschikbaar is). In de paragraaf ‘Gemiddelde participatiebereidheid per vignette’ is de gemiddelde participatiebereidheid voor alle vignetten te vinden.

Daar is te zien dat vignetten A2X (gemeente, loting, informeren) en C2X (wijkraad, loting, informeren) de hoogste participatiebereidheid kennen (een gemiddelde score van 4,92 op een 7-puntsschaal). Voor vignette C1X (wijkraad, algemeen, informeren) geldt de laagste participatiebereidheid (een gemiddelde score van 4,26 op een 7puntsschaal). In de paragraaf ‘Gemiddelde participatiebereidheid per conditie’ is een algemeen overzicht te vinden van de participatiebereidheid uitgesplitst per verschillende condities. De verschillende vignetten (typen uitnodigingen) laten weinig verschillen zien in uitkomsten. De wijze waarop mensen worden uitgenodigd laat als enige conditie een significant effect zien. Mensen zijn gemiddeld genomen sterker geneigd om deel te nemen aan een participatiebijeenkomst wanneer ze geloot worden. Dus als er een selectievere groep bewoners wordt uitgenodigd voor een bijeenkomst en iemand is een van de uitverkorenen (zoals vermeld in de uitnodiging), dan is diegene iets sterker geneigd om op de bijeenkomst af te komen dan op het moment dat de uitnodiging meer algemeen is gericht op alle bewoners in de buurt. Blijkbaar trekt het exclusieve karakter en het idee dat iemands persoonlijke inbreng daarmee duidelijker of sterker wordt (ertoe doet) mensen aan.

Ook zien we dat opleidingsniveau in combinatie met de manier waarop mensen worden uitgenodigd een positief effect laat zien: hoger opgeleiden hebben een (nog) sterkere bereidheid om te participeren op het moment dat ze uitgenodigd worden op basis van loting (ingeloot zijn) dan lager 44

opgeleiden. Een verklaring zou kunnen zijn dat hoger opgeleiden meer vertrouwen hebben in het kunnen leveren van een impactvolle bijdrage dan lager opgeleiden. Opvallend is dat zowel de afzender als de vorm van participatie geen duidelijke effecten laten zien. Dus of de uitnodiging komt van ‘de gemeente’, een geloot wijkcomité of een gekozen wijkraad maakt geen verschil of mensen geneigd zijn deel te nemen aan de bijeenkomst. Ook – en dat is nog opmerkelijker – lijkt de vorm van participatie die in de uitnodiging wordt aangegeven (informeren, meedenken of meebeslissen middels stemmen over de wijkagenda) geen verschil te maken wat betreft de participatiebereidheid. Een belangrijke kanttekening bij de bevindingen is dat het gemiddeld opleidingsniveau van de respondenten erg hoog is. Gemiddeld genomen heeft 60% van de respondenten een hoog opleidingsniveau, 27% een middelbaar opleidingsniveau en slechts 14% een laag opleidingsniveau. Dit is duidelijk geen representatief beeld van de Rotterdamse bevolking. Opleidingsniveau speelt een belangrijke factor in de participatiebereidheid. Dit kan dus ten dele verklaren waarom de gemiddelde participatiebereidheid van de respondenten vrij hoog is. Ook is de gemiddelde leeftijd van de respondenten relatief hoog (57 jaar).

Een andere factor dat een duidelijk verband laat zien met de participatiebereidheid betreft de mate waarin mensen zich verbonden voelen met de buurt: niet verbazingwekkend zijn mensen die een sterke binding met de buurt voelen, eerder geneigd om te participeren dan mensen die dit minder of niet voelen. Deze factor speelt een dusdanige rol dat het de effecten van de verschillende condities tenietdoet (behalve dan bij de wijze waarop mensen worden uitgenodigd). Kenmerken van respondenten als het gebied waar ze wonen, leeftijd, geslacht, het vertrouwen dat ze hebben in de gemeente en huishoudsamenstelling laten geen duidelijke effecten zien op participatiebereidheid in dit deelonderzoek. Experimentele opzet vignette studie

Conditie

Door wie wordt uitgenodigd (I)

Levels (mogelijke manipulaties)

Tekst in vignette

A) Gemeente (ref)

[A: De gemeente B: Het wijkcomité C: De wijkraad] nodigt u van harte uit voor een B) Geloot buurtbijeenkomst. Wij [A: zetten ons in voor (wijkcomité) zaken die van belang zijn voor onze inwoners B: zijn door de gemeente willekeurig uitgeloot C) Gestemd om onze wijk te vertegenwoordigen C: zijn (wijkraad) door bewoners gekozen om onze wijk te vertegenwoordigen]

45

Hoe wordt uitgenodigd (II)

1) Algemeen (ref)

Wij nodigen [1: alle bewoners uit voor de buurtbijeenkomst 2: u uit voor de 2) Geloot buurtbijeenkomst omdat we u en 14 andere bewoners uitgeloot hebben. Op basis van een 3) Gericht o.b.v. loting onder alle huishoudens uit uw wijk bent kennis u geselecteerd 3: u uit voor de buurtbijeenkomst vanwege uw ervaringskennis van de buurt]

Waarvoor wordt uitgenodigd (III)

x) Informeren over wijkagenda (informeren) (ref) y) Meedenken over wijkagenda (adviseren) z) Stemmen op belangrijkste thema’s voor wijkagenda (meebeslissen)

Tijdens de bijeenkomst [x: zullen we u informeren over de wijkagenda en krijgt u de gelegenheid om vragen te stellen y: kunt u meedenken over de wijkagenda en krijgt u de gelegenheid om ons te adviseren z: kunt u meebeslissen over de wijkagenda: u krijgt de gelegenheid om te stemmen over de belangrijkste onderwerpen voor de wijkagenda. De wijkagenda beschrijft de onderwerpen waar wij ons de komende vier jaar mee bezig houden om uw wijk beter te maken.

[x: Kom meer te weten over de wijkagenda! y: Denk mee over de wijkagenda! z: Stem mee over de wijkagenda!]

Titel brief conform conditie III

Gemiddelde participatiebereidheid per vignette Participatiebereidheid Wie, hoe, waarvoor Vignette A1X

Gemiddelde score participatie bereidheid Gemeente, algemeen, informeren

4,4311

N 75

46

A1Y

Gemeente, algemeen, meedenken

4,2813

64

A1Z

Gemeente, algemeen, meebeslissen

4,8684

76

A2X

Gemeente, geloot, informeren

4,9167

72

A2Y

Gemeente, geloot, meedenken

4,7323

66

A2Z

Gemeente, geloot, meebeslissen

4,5446

71

A3X

Gemeente, kennis, informeren

4,2807

76

A3Y

Gemeente, kennis, meedenken

4,7315

72

A3Z

Gemeente, kennis, meebeslissen

4,7884

63

B1X

Wijkcomité, algemeen, informeren

4,3427

71

B1Y

Wijkcomité, algemeen, meedenken

4,5771

67

B1Z

Wijkcomité, algemeen, meebeslissen

4,4018

73

B2X

Wijkcomité, geloot, informeren

4,6806

72

B2Y

Wijkcomité, geloot, meedenken

4,7215

73

B2Z

Wijkcomité, geloot, meebeslissen

4,2857

70

B3X

Wijkcomité, kennis, informeren

4,7593

72

B3Y

Wijkcomité, kennis, meedenken

4,3470

73

B3Z

Wijkcomité, kennis, meebeslissen

4,5048

70

C1X

Wijkraad, algemeen, informeren

4,2564

78

47

C1Y

Wijkraad, algemeen, meedenken

4,2895

76

C1Z

Wijkraad, algemeen, meebeslissen

4,6184

69

C2X

Wijkraad, geloot, informeren

4,9156

75

C2Y

Wijkraad, geloot, meedenken

4,6667

75

C2Z

Wijkraad, geloot, meebeslissen

4,8952

70

C3X

Wijkraad, kennis, informeren

4,6765

68

C3Y

Wijkraad, kennis, meedenken

4,4267

75

C3Z

Wijkraad, kennis, meebeslissen

4,3563

58

Total

4,5661 1920

Gemiddelde participatiebereidheid per conditie

48

49

Bijlage 2: Uitkomsten enquête gebiedsbestuurders Leeswijzer In deze bijlage maken we onderscheid tussen leden van de wijkcomités (WC), leden van de wijkraden (WR) en leden van de gebiedscommissies (GC). Deze laatste groep verdelen we in drie subgroepen, te weten: • • •

Gebiedscommissies in de gebieden waar ook wijkcomités actief zijn (GC_WC): Prins Alexander, Delfshaven en Charlois Gebiedscommissies in de zogenaamde buitengebieden (GC_BG): Hoek van Holland, Rozenburg, Pernis en Hoogvliet Overige gebiedscommissies (GC)

Veelal is er gebruik gemaakt van stellingen (of vragen) die samen een zogenaamde schaal vormen. In die gevallen wordt steeds eerst een grafiek getoond met de frequentieverdeling van de antwoorden, gevolgd door een gemiddelde score per stelling (of vraag) voor de 5 onderscheiden typen gebiedsbesturen. Tevens staat dan het gemiddelde van de schaal weergegeven. Dit laatste eventueel exclusief de vragen die statistisch niet bij de betreffende schaal horen. Respons In onderstaande tabel staat de respons per type bestuur weergegeven. De respons is helaas bij de kleinste groep (leden wijkcomités) het laagst. Bij de overige groepen is de respons redelijk. Type bestuur

populatie

respons

Percentage

GC

67

33

49%

GC_BG

43

19

44%

GCW

45

19

42%

WC

27

9

33%

WR

67

33

49%

Totaal

249

113

45%

Resultaten Figuur 1a De rol van en het werk in het gebiedsbestuur

50

In hoeverre komt het werk in het gebiedsbestuur overeen met uw verwachtingen vooraf? Hoe goed is de relatie tussen uw gebiedsbestuur en de clusters op stadsniveau? Hoe goed wordt uw gebiedsbestuur op dit moment ambtelijk-organisatorisch ondersteund? Hoe goed is uw gebiedsbestuur tijdens de 1e lockdown ambtelijk-organisatorisch ondersteund bij het… In hoeverre vindt u uw collega-leden toegerust om hun taken als gebiedsbestuurslid uit te voeren? Hoe goed voelt u zich toegerust om uw taken als gebiedsbestuurslid uit te voeren? 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% heel slecht

slecht

onvoldoende

voldoende

goed

heel erg goed

De meningen lopen nogal uiteen. Wat de verschillen zijn per gebiedstype is te zien in de volgende grafiek.

Figuur 1b De rol van en het werk in het gebiedsbestuur (per type gebiedsbestuur) schaal gemiddelde

In hoeverre komt het werk in het gebiedsbestuur overeen met uw verwachtingen vooraf? Hoe goed is de relatie tussen uw gebiedsbestuur en de clusters op stadsniveau? Hoe goed wordt uw gebiedsbestuur op dit moment ambtelijk-organisatorisch ondersteund? Hoe goed is uw gebiedsbestuur tijdens de 1e lockdown ambtelijk-organisatorisch ondersteund? In hoeverre vindt u uw collega-leden toegerust om hun taken als gebiedsbestuurslid uit te voeren? Hoe goed voelt u zich toegerust om uw taken als gebiedsbestuurslid uit te voeren? 1,0 WR

WC

1,5

2,0

2,5

3,0

GC_WC

GC

GC_BG

3,5

4,0

4,5

5,0

5,5

6,0

De verschillen tussen de diverse type gebiedsbestuur zijn relatief gering.

51

Figuur 2 De rol die het gebiedsbestuur inneemt binnen het bestuursmodel van de gemeente WR WC GC_WC GC GC_BG 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

Belangenbehartiger

Aanspreekpunt

Adviseur van stadsbestuur

Makelaar tussen stadsbestuur en bewoners

Aanjager van participatie

Klankbord voor stadsbestuur en ambtenaren

Bestuurder van gebied/wijk

Samenwerkingspartner voor organisaties

100%

Anders

In de enquête is gevraagd om in één zin de rol te benoemen die het gebiedsbestuur inneemt binnen het bestuursmodel van de gemeente. De respondenten konden kiezen tussen vooraf gecodeerde antwoorden. ‘Belangenbehartiger van (de bewoners in) het gebied of de wijk’ wordt door bijna alle type gebiedsbestuurders het vaakst genoemd. Alleen de leden van de wijkcomités noemen 'aanspreekpunt voor bewoners in het gebied of de wijk’ vaker. Figuur 3 Meeste tijd besteed aan WR WC GC_WC GC GC_BG 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

Belangenvertegenwoordiging

Advisering stadsbestuur

Stimuleren participatie en initiatieven

Vergaderen met ambtenaren

Beoordelen subsidieaanvragen

Toezien op uitvoering wijkagenda

90%

100%

Anders

Een groot deel van de leden van de wijkraden en van de gebiedscommissies in de buitengebieden besteedt de meeste tijd aan belangbehartiging. Leden van de wijkcomités en van de gebiedscommissies in de gebieden met een wijkcomité besteden veel tijd aan advisering aan het stadsbestuur en vergaderen met (gebieds)ambtenaren.

52

Figuur 4 Belangrijkste taak WR WC GC_WC GC GC_BG 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

Belangenvertegenwoordiging

Advisering stadsbestuur

Stimuleren participatie en initiatieven

Beoordelen subsidieaanvragen

Toezien op uitvoering wijkactieplan

Anders

90%

100%

Belangenvertegenwoordiging wordt als belangrijkste taak gezien door veel gebiedsbestuurders. Opmerkelijk is dat veel leden van gebiedscommissies in de gebieden met een wijkcomité advisering aan het stadbestuur als hun belangrijkste taak zien. Ook ‘stimuleren participatie en initiateven door bewoners’ wordt door veel respondenten als hoofdtaak genoemd. Dat is opvallend genoeg bijna niet het geval bij leden van gebiedscommissies in de gebieden met een wijkcomité. ‘Toezien op uitvoering wijkactieplan’ wordt door nagenoeg niemand genoemd als belangrijkste taak. Later in deze rapportage zien we wat de respondenten daarvan vinden als er expliciet naar wordt gevraagd. Figuur 5a Tevredenheid over de resultaten en invloed van eigen gebiedsbestuur COVID-19 heeft de resultaten en invloed van het gebiedsbestuur beperkt. Ik ben tevreden met de meerwaarde die het gebiedsbestuur heeft voor de wijk. Ik ben tevreden met de invloed die het gebiedsbestuur heeft op datgene wat het stadsbestuur doet. Het gebiedsbestuur is in staat in te spelen op de eigenheid van ons gebied. Ik ben tevreden met de mogelijkheden die ik binnen het gebiedsbestuur heb om initiatieven in onze wijk… Ik ben tevreden met de mogelijkheden die ik binnen het gebiedsbestuur heb om de belangen van ons… Ik ben tevreden over de resultaten die het gebiedsbestuur voor ons gebied heeft behaald.

0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee oneens

enigszins mee oneens

enigszins mee eens

helemaal mee eens

De respondenten zijn niet tevreden over de invloed die zij hebben op het stadsbestuur. 53

Figuur 5b Tevredenheid over de resultaten en invloed van eigen gebiedsbestuur (per type gebiedsbestuur) schaal gemiddelde (excl. COVID)

tevreden met meerwaarde die GB heeft voor de wijk tevreden met invloed GB op datgene wat het stadsbestuur doet Het GB is in staat in te spelen op de eigenheid van ons gebied/wijk tevreden met mogelijkheden binnen GB om initiatieven in onze wijk te bevorderen tevreden met mogelijkheden binnen GB om de belangen gebied/wijk te behartigen tevreden over resultaten GB voor ons gebied/wijk

COVID-19 heeft de resultaten en invloed van het GB beperkt 1,00 GC_WC

GC

1,50

GC_BG

2,00 WR

2,50

3,00

3,50

4,00

WC

De leden van gebiedscommissies in de buitengebieden zijn over alle aspecten minder tevreden dan de overige gebiedsbestuurders. Leden van de wijkcomités zijn juist meer tevreden.

Figuur 6a Verhoudingen met andere onderdelen bestuursmodel (gemiddelde rapportcijfers) samenwerking tussen uw GB en andere GB-en communicatie tussen GB en de clusters communicatie tussen GB en B&W betrokkenheid B&W bij uw GB betrokkenheid gemeenteraad bij uw GB kwaliteit inbreng bewoners mate waarin bewoners betrokken zijn in uw GB

WR

1

2

WC

GC_WC

3

4 GC

5

6

7

8

9

10

GC_BG

Op bijna alle aspecten wordt gemiddeld een onvoldoende gescoord. Over de mate waarin bewoners zijn betrokken bij het gebiedsbestuur en de kwaliteit van hun inbreng zijn de respondenten nog het meest positief. 54

Figuur 6b Verhoudingen met andere onderdelen bestuursmodel (percentage onvoldoendes) samenwerking tussen uw GB en andere GB-en communicatie tussen GB en de clusters communicatie tussen GB en B&W betrokkenheid B&W bij uw GB betrokkenheid gemeenteraad bij uw GB kwaliteit inbreng bewoners mate waarin bewoners betrokken zijn in uw GB

WR

0%

10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

WC

GC_WC

GC

GC_BG

Er worden veel onvoldoendes gegeven. Figuur 7a Functioneren van eigen gebiedsbestuur GB positieve invloed op totstandkoming initiatieven GB weet voldoende bewoners te betrekken bij… GB weet voldoende bewoners te mobiliseren voor… GB weet bewoners goed te informeren over… GB goed in staat bewoners te betrekken bij… doorlooptijden adviesaanvragen bieden voldoende… GB krijgt voldoende ruimte voor ongevraagd adviezen. stadsbestuur reageert tijdig op de door GB… GB weet wat het stadsbestuur met de adviezen doet stadsbestuur neemt de adviezen van GB serieus stadsbestuur doet daadwerkelijk iets met adviezen GB Ik kan bewoners goed uitleggen waarover GB wel en… Binnen GB wordt op een goede manier samengewerkt GB kan op informele manier invloed uitoefenen op… GB heeft de benodigde capaciteiten om goed te… Ondanks COVID-19 hebben we als GB een goede… 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee oneens

enigszins mee oneens

enigszins mee eens

helemaal mee eens

55

Figuur 7b Functioneren van eigen gebiedsbestuur (per type gebiedsbestuur) schaal gemiddelde

GB positieve invloed op totstandkoming initiatieven GB weet voldoende bewoners te betrekken bij wijkagenda en WAP GB weet voldoende bewoners te mobiliseren voor input GB weet bewoners goed te informeren over belangrijke ontwikkelingen GB goed in staat bewoners te betrekken bij uitvoering WAP doorlooptijden adviesaanvragen bieden voldoende ruimte om bewoners te betrekken GB krijgt voldoende ruimte voor ongevraagd adviezen. stadsbestuur reageert tijdig op de door GB uitgebrachte adviezen GB weet wat het stadsbestuur met de adviezen doet stadsbestuur neemt de adviezen van GB serieus stadsbestuur doet daadwerkelijk iets met adviezen GB Ik kan bewoners goed uitleggen waarover GB wel en niet gaat Binnen GB wordt op een goede manier samengewerkt GB kan op informele manier invloed uitoefenen op stadsbestuur GB heeft de benodigde capaciteiten om goed te functioneren Ondanks COVID-19 hebben we als GB een goede manier gevonden om ons werk goed te kunnen blijven doen

WR

WC

1,0

1,5

2,0

GC_WC

GC

GC_BG

2,5

3,0

3,5

4,0

56

Figuur 8a Eventuele verbeteringen GB moet grotere rol spelen bij totstandkoming wijkagenda. wijkagenda moet op een ander moment vastgesteld worden WAP zou meer bepalend moeten zijn voor waar GB zich mee bezig houdt Clusters en GB zouden samen moeten optrekken bij uitvoering WAP GB moet niet zelf verantwoordelijk zijn voor organiseren van participatie GB zou toezichthoudende rol op bewonersparticipatie moeten krijgen Vertegenwoordiging van bewoners op wijkniveau is beter dan vertegenwoordiging op gebiedsniveau 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee oneens

enigszins mee oneens

enigszins mee eens

helemaal mee eens

Figuur 8b Eventuele verbeteringen (per type gebiedsbestuur) schaal gemiddelde (excl. vertegenwoordiging wijk/gebiedsniveau

GB moet grotere rol spelen bij totstandkoming wijkagenda. wijkagenda moet op een ander moment vastgesteld worden WAP zou meer bepalend moeten zijn voor waar GB zich mee bezig houdt Clusters en GB zouden samen moeten optrekken bij uitvoering WAP GB moet niet zelf verantwoordelijk zijn voor organiseren van participatie GB zou toezichthoudende rol op bewonersparticipatie moeten krijgen

Vertegenwoordiging van bewoners op wijkniveau is beter dan vertegenwoordiging op gebiedsniveau

WR

WC

1,0

1,5

2,0

GC_WC

GC

GC_BG

2,5

3,0

3,5

4,0

57

Figuur 9 Betrekken van bewoners op basis van loting WR WC GC_WC GC GC_BG 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Doorlopende vertegenwoordiging van bewoners op basis van loting (zoals in een wijkcomité) is een goed idee. Incidentele vertegenwoordiging (af en toe) van bewoners bij bepaalde thema’s op basis van loting is een goed idee. Het betrekken van bewoners in het gebiedsbestuur via loting is geen goed idee. Anders

Figuur 10 Geloot gebiedsbestuur betere afspiegeling dan gekozen leden WR WC GC_WC GC GC_BG 0%

10%

20%

helemaal mee eens

30%

40%

enigszins mee eens

50%

60%

70%

enigszins mee oneens

80%

90%

100%

helemaal mee oneens

58

Figuur 11 Welke vorm van gebieds- of wijkbestuur gewenst voor de hele stad WR WC GC_WC GC GC_BG 0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Alleen gebiedscommissies

Gebiedscommissies met daarbij gelote wijkcomités

Alleen wijkraden

Alleen gelote wijkcomités

Anders

Voor iedere bestuursvorm is een aantal specifieke stellingen voorgelegd. Daarbij zijn steeds zowel positief als negatief geformuleerde stellingen gebruikt. Omdat het niet overal dezelfde vragen zijn, worden de resultaten per type gebiedsbestuur gepresenteerd.

Figuur 12a Specifieke stellingen leden wijkcomité (positieve stellingen) Als ik niet was ingeloot, was ik waarschijnlijk nooit politiek actief geworden Het bestuur is met de invoering van wijkcomités dichter bij de bewoners komen te staan De gemeente heeft mij goed voorbereid op het werk dat het wijkcomité met zich meebrengt Bewoners in mijn wijk weten mij goed te vinden Ik kan goed contact leggen met bewoners in de wijk Ik heb mijn werk als wijkcomitélid ten tijde van COVID19 goed kunnen uitvoeren 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

59

Figuur 12b Specifieke stellingen leden wijkcomité (negatieve stellingen) Ik heb het gevoel dat ik mijn best moet doen om mezelf te bewijzen als vertegenwoordiger van de bewoners Ik heb het gevoel dat de werkzaamheden voor het wijkcomité te veel tijd van mij vragen De afstemming met de gebiedscommissie is moeilijk 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

Figuur 13a Specifieke stellingen leden wijkraad (positieve stellingen) Het bestuur is met de invoering van wijkraden dichter bij de bewoners komen te staan Ik ben goed voorbereid door de gemeente op het werk dat de wijkraad met zich meebrengt Bewoners in mijn wijk weten mij goed te vinden Ik kan goed contact leggen met bewoners in de wijk Ik heb mijn werk als wijkraadslid ten tijde van COVID-19 goed kunnen uitvoeren 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

Figuur 13b Specifieke stellingen leden wijkraad (negatieve stellingen) Ik heb het gevoel dat ik mijn best moet doen om mij te bewijzen als vertegenwoordiger van de bewoners in mijn wijk Ik heb het gevoel dat de werkzaamheden voor de wijkraad te veel tijd van mij vragen De afstemming met de andere wijkraden is moeilijk 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

60

Figuur 14a Specifieke stellingen leden gebiedscommissie met een wijkcomité in gebied (positieve stellingen) Het bestuur is met de invoering van wijkcomités dichter bij de bewoners komen te staan Het wijkcomité is vanwege haar schaal beter in staat om belangen van een wijk te vertegenwoordigen dan… Het wijkcomité vormt een goede aanvulling op het bestuursmodel van de gemeente Rotterdam Dankzij het wijkcomité komen er meer initiatieven vanuit de wijk tot stand Het samenspel tussen gebiedscommissie en wijkcomité verloopt goed Mensen in mijn gebied weten mij goed te vinden Ik kan goed contact leggen met bewoners in het gebied Ik heb mijn werk als gebiedscommissielid ten tijde van COVID-19 goed kunnen uitvoeren 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

Figuur 14b Specifieke stellingen leden gebiedscommissie met een wijkcomité in gebied (negatieve stellingen)

Ik heb het gevoel dat de werkzaamheden voor de gebiedscommissie te veel tijd van mij vragen

De invoering van wijkcomités maakt het moeilijker om effectief de belangen te behartigen van bewoners dan in de situatie met alleen een gebiedscommissie 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

61

Bij onderstaande grafieken is geen onderscheid gemaakt tussen leden van gebiedscommissies in de buitengebieden en de overige gebieden.

Figuur 15a Specifieke stellingen leden gebiedscommissie zonder wijkcomité in gebied (positieve stellingen) De invoering van wijkcomités in ons gebied zou het makkelijker maken om bewoners te betrekken bij het… De invoering van wijkraden in ons gebied zou het makkelijker maken om bewoners te betrekken bij het… Bewoners in mijn gebied weten mij goed te vinden Ik kan goed contact leggen met bewoners in het gebied Ik heb mijn werk als gebiedsbestuurslid ten tijde van COVID-19 goed kunnen uitvoeren 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% helemaal mee eens

enigszins mee eens

enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

Figuur 15a Specifieke stellingen leden gebiedscommissie zonder wijkcomité in gebied (negatieve stellingen)

Ik heb het gevoel dat de werkzaamheden voor de gebiedscommissie te veel tijd van mij vragen 0% helemaal mee eens

enigszins mee eens

10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% enigszins mee oneens

helemaal mee oneens

62

Bijlage 3: Uitkomsten enquête ambtenaren gebiedsorganisatie Respons In totaal zijn er 117 ambtenaren van de gebiedsorganisatie in april 2020 uitgenodigd om de enquête over het gebiedsbestuur en de interactie met de clusters in te vullen. Daarvan hebben er 74 gehoor gegeven aan dit verzoek. Dat is een mooi responspercentage van 63 procent.

Beoordeling functioneren en competenties gebiedsbesturen Figuur 1 Gemiddelde totaalscores functioneren en competenties gebiedsbestuursleden naar type gebiedsbestuur

participatieve representatie

participatieve competenties

interne capaciteiten

1

2

3

4

Geb_cie

Wijkraden

Wijkcomités

5

6

7

Figuur 1 laat het gemiddelde oordeel zien van gebiedsambtenaren over de competenties, capaciteiten en vertegenwoordigende kwaliteiten (representatie) van de leden van de gebiedsbesturen. Hier komt een kritisch beeld uit naar voren. Gebiedsambtenaren zijn kritisch over de kwaliteit en het functioneren van de gebiedsbesturen, de ‘interne capaciteiten’ (over de discussies tijdens vergaderingen, het kunnen organiseren van participatie, hun bijdrage aan de adviezen, hun proactieve houding en het beschikken over voldoende leiderschapskwaliteiten). Hetzelfde geldt voor de bestuurlijke en participatieve competenties om een goede bijdrage te kunnen leveren (het gaat hier om kennis over het functioneren van de gemeente, politieke contacten en expertise op dossiers). Iets positiever, maar nog steeds kritisch - zeker wat betreft de wijkraden en wijkcomités - zijn de gebiedsambtenaren over de representatieve kwaliteiten van de gebiedsbesturen (het vertegenwoordigen van de lokale belangen, het goed op de hoogte zijn van wat er speelt in de wijk, invloed van bewoners en het hebben van een lokaal netwerk). Er zijn duidelijke en consistente verschillen te zien tussen de drie typen gebiedsbesturen: de competenties, capaciteiten en kwaliteiten worden het hoogste beoordeeld voor wat betreft de leden van de gebiedscommissies, gevolgd door de leden van de wijkraden.

De leden van de wijkcomités worden hier het laagst op beoordeeld. Alleen de gebiedscommissieleden scoren gemiddeld een nipte voldoende.

63

Beoordeling toegevoegde waarde gebiedsbestuur voor participatie Figuur 2a geeft de frequentie scores weer op de positieve stellingen met betrekking tot het effect van het gebiedsbestuur op besluitvorming en de toegevoegde waarde van het gebiedsbestuur voor participatie. Figuur 2b toont de scores op de negatief geformuleerde stellingen. Het merendeel van de gebiedsambtenaren (meer dan 50%) vindt dat de gebiedsbesturen geen negatieve invloed hebben op de snelheid van besluitvormingsprocessen als ook om consensus te bereiken. Tevens vindt het merendeel dat het gebiedsbestuur de ambtelijke invloed op het besluitvormingsproces niet vermindert. Hoewel er meer spreiding is wat betreft de positieve impact van het gebiedsbestuur op de dienstverlening vanuit de clusters, is de groep die hier negatief over denkt (oneens) groter (ruim 40%) dan de groep die hier positief tegenover staat (ruim 30%). Of wensen en vragen sneller op de juiste plek terecht komen door het gebiedsbestuur is een onuitgemaakte zaak volgens de groep respondenten: ongeveer evenveel mensen zijn het hiermee eens als oneens. Wel is de groep die positief denkt over de impact van het gebiedsbestuur op het betrekken van een bredere groep Rotterdammers in de besluitvorming groter dan de groep die het hiermee oneens is (een kleine 40% tegenover ruim 30%).

Ook is bijna de helft positief over de bijdrage van het gebiedsbestuur aan een betere afstemming van de inhoud en uitvoering van beleid op wat er speelt in de wijk of het gebied. Bewoners worden door een iets groter deel echter niet gezien als partners in het besluitvormingsproces (ruim 40% is het oneens met deze stelling tegenover ongeveer 30% eens). Er komt een duidelijk beeld naar voren over de interactie tussen clusters en gebiedsbesturen. Hier zijn de gebiedsambtenaren overwegend kritisch op. Zo’n 55% vindt dat er geen goede uitwisseling van informatie plaats vindt en dat de gebiedsbesturen de clusters niet helpen om meer wijkgericht te werken. Net als de clusterambtenaren geeft een groot deel van de gebiedsambtenaren aan dat het wijkgericht werken ook goed zonder de gebiedsbesturen kan (ook hier is zo’n 70% van de ambtenaren het met deze stelling eens).

64

Figuur 2a Oordeel over effect en toegevoegde waarde van gebiedsbesturen op participatie (positieve stellingen) Input van de gebiedsbesturen verbetert de dienstverlening van de clusters naar de wijken door het introduceren van nieuwe zienswijzen en ideeën. Door het gebiedsbestuur neemt een bredere groep Rotterdammers deel aan besluitvorming. Via het gebiedsbestuur zijn bewoners partners in het besluitvormingsproces. Er vindt goede uitwisseling van informatie plaats tussen de clusters en gebiedsbesturen De gebiedsbesturen helpen de clusters om meer wijkgericht te werken. Dankzij de gebiedsbesturen kan de inhoud en uitvoering van het gemeentelijk beleid beter afgestemd worden op wat er leeft in de wijk. Dankzij de gebiedsbesturen komen wensen en vragen van Rotterdammers sneller op de juiste plek terecht. Ook zonder de gebiedsbesturen is het goed mogelijk om wijkgericht te werken 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

n.v.t./geen mening

Figuur 2b Oordeel over effect en toegevoegde waarde van gebiedsbesturen op participatie (negatieve stellingen) Input van de gebiedsbesturen vermindert de invloed van de ambtelijke organisatie op het besluitvormingsproces. Input van de gebiedsbesturen zorgt voor substantiële vertragingen in het besluitvormingsproces. Input van de gebiedsbesturen maakt het moeilijk om consensus te bereiken en het besluitvormingsproces af te ronden. 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

n.v.t./geen mening

65

Beoordeling responsiviteit van de clusters op input vanuit de gebiedsbesturen Figuur 3 geeft de rapportcijfers weer die de gebiedsambtenaren hebben gegeven aan de responsiviteit van de clusters op de adviezen en de wijkagenda of het wijkactieplan. Responsiviteit verwijst hierbij naar de kwaliteit van de adviesaanvragen (gevraagde adviezen), het reageren op ongevraagde adviezen, het in acht nemen van de wijkagenda of het wijkactieplan, de terugkoppeling op adviezen, de inhoudelijke behandeling van adviezen en de doorlooptijd van adviezen. Er zijn duidelijke verschillen tussen de clusters zichtbaar. De gebiedsambtenaren die ervaring hebben met de clusters Bestuurs- en Concernondersteuning (BCO), Dienstverlening en Maatschappelijke Ontwikkeling zijn gematigd positief: voldoende scores op alle aspecten (6 tot 6,5). Het cluster Stadsbeheer scoort gemiddeld net onder een 6. Nog kritischer zijn de ambtenaren die te maken hebben met de clusters Werk & Inkomen (W&I) en Stadsontwikkeling. Vooral W&I scoort duidelijke onvoldoendes op de responsiviteit. Stadsontwikkeling komt op een aantal aspecten op een (nipte) voldoende uit (kwaliteit van de adviesaanvragen, inhoudelijke behandeling van adviezen, terugkoppeling op adviezen), op een paar aspecten op een (nipte) onvoldoende (in acht neming van de wijkagenda en reageren op ongevraagde adviezen).

Figuur 3 Oordeel over de responsiviteit van de clusters (rapportcijfers) *Per abuis doorlooptijd adviezen bij SO niet gevraagd. *N voor W&I is erg klein (6). Overige clusters steeds meer dan 20.

kwaliteit adviesaanvragen vanuit

reageren op ongevraagde adviezen

inachtneming wijkagenda/WAP

terugkoppeling op adviezen

inhoudelijke behandeling adviezen

doorlooptijd van adviezen 0

1 BCO

2 DV

3 SB

4 MO

W&I

5

6

7

8

9

10

SO

66

Beeld over houding en wijkgericht werken van de clusters bij de gebiedsambtenaren Figuur 4 geeft de scores (op een 7-puntschaal) weer van het beeld dat de gebiedsambtenaren hebben over de houding van de clusters omtrent samenwerking, gebiedsgericht werken en het serieus nemen van het gebiedsbestuur. Hier is ook een aantal duidelijke verschillen tussen de clusters te zien. Over het algemeen zijn de gebiedsambtenaren gematigd kritisch over deze houding, behalve t.o.v. het cluster Dienstverlening. Dit clusters schiet er in positieve zin uit. Maatschappelijke Ontwikkeling en stadsbeheer scoren hier ook ‘voldoende’ op. Op W&I en Stadsontwikkeling is men wederom wat kritischer over deze houding, evenals op BCO. Dit geldt met name voor de stellingen over het serieus nemen van het gebiedsbestuur. Stadsontwikkeling valt in negatieve zin op wat betreft het ingericht zijn om wijkgericht te werken. Ondanks de wat lagere scores op een aantal aspecten is men, gemiddeld genomen, wel tevreden over de samenwerking. Hier scoren alle clusters een voldoende op, al scoort BCO op beide aspecten die te maken hebben met samenwerking relatief laag. Figuur 4 Beeld over houding van de clusters omtrent samenwerking en afstemming met het gebied

participatie afgestemd met gebiedsorganisatie

neemt het gebiedsbestuur serieus

goed ingericht om wijkgericht te werken.

samenwerking gemiddeld genomen goed

voldoende geïnvesteerd in afstemming en samenwerking 1 BCO

DV

2 SB

3 MO

W&I

4

5

6

7

SO

67

Rolopvatting van de gebiedsambtenaren Figuur 5a laat de rolopvatting van de gebiedsambtenaren zien. Te zien is dat gebiedsambtenaren verschillende rollen op zich nemen in het bestuursmodel. Het merendeel van de gebiedsambtenaren geeft aan vooral een verbindende rol te spelen: mensen en processen in de wijk verbinden met de juiste mensen en processen in de clusters (bijna 60% geeft deze rol als eerste, tweede of derde keus). Meer dan 40% speelt een oplossende rol (het passend maken van adviezen en signalen uit de wijk bij het werk van de clusters). Een derde veel gekozen rol is het faciliteren van de gebiedsbesturen in de vorm van aansturen en helpen bij bewonersparticipatie (middels buurtnetwerken en discussiemomenten). Figuur 5a Rolopvatting van de gebiedsambtenaren 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Verbindend

Oplossend

Faciliterend

Sturend 1e

Innoverend 2e

Mediërend

Procedureel Organiserend

3e

Figuur 5b en 5c laten zien in hoeverre de gekozen rollen verschillen voor de verschillende typen gebiedsbesturen. Hieruit blijkt duidelijk dat gebiedsmedewerkers die naast de gebiedscommissie ook contact met wijkcomités hebben hun sturende rol (proactieve houding in het opstellen van adviezen en de agenda) belangrijker vinden dan gebiedsmedewerkers die geen contact hebben met wijkcomités. Gebiedsmedewerkers die uitsluitend met gebiedscommissies te maken hebben vinden hun verbindende rol minder belangrijk dan medewerkers die ook met een wijkcomité of een wijkraad hebben te maken. Daarentegen nemen deze gebiedsambtenaren een meer faciliterende rol op zich. Verder nemen gebiedsambtenaren die contact hebben met zowel een gebiedscommissie als een wijkraad, in vergelijking tot gebiedsambtenaren die dat niet hebben, vaak een procedurele rol op zich.

68

Figuur 5b Belangrijkste rolopvatting van de gebiedsambtenaren, per type gebiedsbestuur waar men contact mee heeft.

1e voorkeur 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

Verbindend

Mediërend Procedureel Organiserend Oplossend geb_cie

GC en WC

Faciliterend Innoverend

Sturend

GC en WR

Figuur 5c Twee belangrijkste rolopvattingen van de gebiedsambtenaren, per type gebiedsbestuur waar men contact mee heeft.

1e en 2e voorkeur 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

Verbindend

Mediërend

Procedureel Organiserend Oplossend geb_cie

GC en WC

Faciliterend

Innoverend

Sturend

GC en WR

69

Eigen beoordeling verbindend vermogen Figuur 6 laat de frequentieverdeling zien op vragen gericht op het eigen verbindend vermogen en verbindend handelen. Over het algemeen vinden de gebiedsambtenaren dat zij hun verbindende rol tussen clusters en gebiedsbestuur goed kunnen uitvoeren. Zo geeft ongeveer 65% aan dat ze op tijd de mensen binnen de clusters weten te mobiliseren en voor een goede informatie-uitwisseling kunnen zorgen tussen clusters en bewoners. 70% kan een goede verbinding leggen tussen relevante afdelingen en bewonersinitiatieven en bijna 90% geeft aan goede relaties met partijen in de wijk te hebben en te onderhouden. De meest negatieve score duidt op een relatief gebrek aan vermogen (bij zo’n 20% van de gebiedsambtenaren) om signalen uit de wijk op de agenda van de clusters te zetten. Figuur 6 Verbindend vermogen en handelen van gebiedsambtenaren in relatie tot de clusters (eigen beoordeling)

weet op tijd juiste mensen binnen clusters te mobiliseren

zet signalen uit de wijk op agenda clusters

faciliteer samenwerking tussen afdelingen en wijkbewoners leg goede verbinding tussen afdelingen en bewoners(initiatieven)

goede relaties met partijen in de wijk

zorg voor goede info uitwisseling tussen clusters en bewoners(initiatieven)

Ik ken voldoende mensen binnen de clusters

kan voldoende mensen binnen de clusters bereiken 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

70

Ervaren rol ambiguïteit en rolconflicten Figuur 7a laat de beoordeling van gebiedsambtenaren zien over de mate waarin zij hun rol (taak, werkzaamheden, doelen) duidelijk vinden. Het beeld is helder: over het algemeen ervaren gebiedsambtenaren hierover weinig ambiguïteit of onduidelijkheden, waarbij met name de verantwoordelijkheden helder zijn. Enige uitzondering is de mate waarin men duidelijke, geplande doelstellingen ervaart: hier geeft zo’n 30% aan dat dit niet het geval is. Figuur 7b en 7c gaat in op de mate waarin ambtenaren rolconflicten of spanningen in rolopvatting ervaren in hun werkzaamheden. Het beeld qua rolconflicten is minder positief: 30 tot 40% geeft aan dat hij of zij regelmatig opdrachten krijgt zonder de benodigde mankracht en dat hij of zij vaak een regel moet negeren om zijn of haar werk goed te kunnen doen. En ruim 40% geeft aan dat hij of zij dingen moet doen waarvan hij of zij vindt dat die anders gedaan moeten worden. Wat betreft spanningen tussen de gemeentelijke organisatie en ‘de wijk’ is het beeld minder duidelijk, maar over het algemeen positief: het merendeel (meer dan 50%) ervaart hier geen spanningen of onverenigbare verzoeken en een aanzienlijk deel scoort hier ‘niet eens/niet oneens’ (zo’n 30%). Figuur 7a Ervaren rol ambiguïteit van de gebiedsambtenaren Ik weet wat mijn verantwoordelijkheden zijn.

Er bestaan duidelijke, geplande doelstellingen voor mijn werk. Ik weet hoe mijn werk bijdraagt aan de doelen van de gemeente Ik weet precies wat partijen, initiatieven en netwerken in de wijk van mij verwachten. Ik weet precies wat directe collega’s binnen mijn wijk van mij verwachten. Ik weet precies wat er van mij wordt verwacht in mijn werk. 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

71

Figuur 7b Ervaren rolconflict (middelen) van de gebiedsambtenaren Ik laat wijkbelangen zwaarder wegen dan stadsbelangen. Ik moet vaak een regel negeren om m’n werk goed te kunnen doen Ik krijg opdrachten zonder de mankracht om deze te voltooien Ik moet dingen doen waarvan ik vind dat die anders gedaan moeten worden 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

Figuur 7c Ervaren spanningen in rolopvatting van de gebiedsambtenaren mijn werk wordt door de gemeentelijke organisatie of… Verzoeken vanuit afdelingen binnen organisatie… Ik ontvang onverenigbare verzoeken vanuit partijen in… Ik ontvang onverenigbare verzoeken vanuit… 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

Ervaren autonomie Figuur 8 laat de ervaren autonomie van gebiedsambtenaren zien in hun werkzaamheden. Hierover is men duidelijk: 80 tot 90% ervaart voldoende tot veel autonomie in het werk, dat wil zeggenmogelijkheden om eigen initiatief te nemen, zelfstandigheid en vrijheid. Figuur 8 Ervaren autonomie in werkzaamheden

72

Mijn baan geeft mij de mogelijkheid om veel eigen initiatief te nemen Mijn baan geeft mij veel mogelijkheden tot zelfstandigheid en vrijheid Mijn baan biedt genoeg mogelijkheden voor zelfstandig denken en handelen Ik heb voldoende vrijheid om te doen wat ik wil in mijn baan 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

Ervaren ondersteuning Figuur 9 laat de ervaren ondersteuning in de werkzaamheden van gebiedsambtenaren zien. Een aanzienlijk deel is hier kritisch over: ruim 40% geeft aan dat de gebiedsorganisatie niet over voldoende middelen en bevoegdheden beschikt om goede ondersteuning aan het gebiedsbestuur te kunnen bieden (tegenover zo’n 30% die dit wel vindt). Ook geeft zo’n 35% aan dat men zich niet gesteund voelt vanuit de ambtelijke top, terwijl bijna de helft (45 tot 50%) aangeeft deze steun wel te ervaren. Kortom, de meningen hierover zijn behoorlijk verdeeld.

Figuur 9 Ervaren ondersteuning in werkzaamheden We voelen ons gesteund vanuit de ambtelijke top van de organisatie We beschikken over voldoende middelen om goede ondersteuning aan het gebiedsbestuur te kunnen leveren We beschikken over voldoende bevoegdheden om goede ondersteuning aan het gebiedsbestuur te kunnen leveren 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

2

3

4

5

6

Helemaal eens

Ervaren rompslomp Gemiddeld geven de respondenten een 5,4 aan de mate waarin men administratieve rompslomp ervaart. Bijna een derde ervaart veel administratieve rompslomp in de organisatie (een score van 7 of hoger op een schaal van 0 tot 10), ruim een derde geeft een 4 of lager en een derde een 5 of een 6.

73

Figuur 10 mate van ervaren administratieve rompslomp

Administratieve last

weinig middelmatig veel

Ervaren hiërarchie in de organisatie Gemiddeld genomen ervaren de gebiedsambtenaren relatief weinig hiërarchie in de organisatie: een gemiddelde score van 4,6 (op een schaal 0 tot 10). Bijna de helft geeft een 4 of lager, bijna een kwart een 5 of een 6. Bijna een derde ervaart veel hiërarchie in de organisatie (scoren een 7 of hoger). Figuur 11 mate van ervaren hiërarchie

Hiërarchie

weinig middelmatig veel

Algemene stellingen over de verschillende typen gebiedsbesturen Figuur 12a en 12b laten de frequenties zien op de stellingen specifiek over wijkcomité als vorm van gebiedsbestuur. Dit beeld laat duidelijk zien hoe gebiedsambtenaren hierover denken: het overgrote merendeel is heel kritisch over deze vorm van gebiedsbestuur. De ambtenaren vinden het geen goede aanvulling op het bestuursmodel en willen unaniem dat dit niet in alle wijken wordt ingevoerd. Ze vinden ook dat er problemen spelen in het samenspel tussen wijkcomités en gebiedscommissies en dat het geen waarde toevoegt ten aanzien van het beter betrekken van 74

bewoners. De enige score die minder negatief is, is voor de stelling dat gebiedsbestuur op wijkniveau helpt om de wijk te kunnen vertegenwoordigen: bijna 60% is hierover neutraal of positief. Figuur 13a en 13b laten de stellingen over de wijkraad zien. Ook dit beeld is vrij eenduidig: gebiedsambtenaren zijn kritisch over de toegevoegde waarde m.b.t. het beter betrekken van bewoners. Het maakt de afstemming met andere wijken (middels het gebiedsoverleg) moeilijker. Ook vindt het merendeel (zo’n 65%) van de gebiedsambtenaren dat wijkraden het moeilijker maken om effectief de belangen te behartigen van bewoners dan in de situatie met alleen gebiedscommissies. Figuur 14a en 14b laten de stellingen over de wijkcomités en wijkraad zien die zijn gesteld aan de gebiedsambtenaren die momenteel alleen met gebiedscommissies te maken hebben. Dit beeld sluit aan bij de voorgaande: men is kritisch over het invoeren van wijkcomités en wijkraden op bredere schaal. Men ziet daarvan geen toegevoegde waarde als het gaat om het beter betrekken van bewoners in besluitvorming of uitvoering dan in een situatie met alleen gebiedscommissies.

Wat betreft de mate waarin de belangen van bewoners beter behartigd kunnen worden in een situatie met wijkraden of wijkcomités in plaats van enkel gebiedscommissies is men verdeeld (figuur 14a): de groep die het eens is met deze stellingen is ongeveer net zo groot als de groep die het oneens is met de stellingen. Figuur 12a Negatief geformuleerde stellingen over het wijkcomité Het wijkcomité maakt het werk voor de gebiedscommissie moeilijker De invoering van wijkcomités maakt het moeilijker om effectief de belangen te behartigen van bewoners dan… Het gebiedsoverleg is met de komst van de wijkcomités moeilijker geworden Ik heb het gevoel dat de werkzaamheden voor de wijkcomités te veel tijd van mij vragen 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Helemaal oneens

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=dda51c1b-dbb3-4ad0-8e92-c1a490e3b406