21bb15288 Bijlage behorende bij 21bb15282 over Ruimtelijke Onderbouwing Renovatie en Vervanging Van Brienenoordbrug
Tekst van het document
Rotterdam waarborgt haar bereikbaarheid op duurzame wijze. 9. Rotterdam combineert de aanpak van milieu en ruimtelijke ontwikkeling op creatieve wijze. 10. Rotterdam zet cultureel erfgoed en architectuur in als ontwikkelingsgericht.
Toetsing Het project VBB past binnen de relevante kernbeslissingen uit de Stadsvisie. Hoewel het project niet is benoemd in de Stadsvisie, voldoet het project in het bijzonder aan de kernbeslissingen 8 en 10. Door renovatie en vernieuwing van de VBB wordt de bereikbaarheid van stad en land op een duurzame wijze gewaarborgd. Bovendien wordt hierdoor een icoon en gezichtsbepalend element voor Rotterdam behouden. Hiervoor kan worden verwezen naar de omschrijving van het project en ook het onderdeel cultuurhistorie.
3.3.2
Gebiedsvisie Stadionpark (2018)
Vastgesteld op 1 februari 2018 door de Rotterdamse gemeenteraad Het projectgebied van VBB omvat onder andere de noordpunt van het Eiland van Brienenoord. Dit eiland maakt ook onderdeel uit van de Gebiedsvisie Stadionpark. Met de visie is beoogd om het gebied Stadionpark een sterkere samenhang en identiteit te geven. In de gebiedsvisie is de ontwikkeling voor Stadionpark verder uitgewerkt voor: het Waterfront: een sterk rivierfront met ruimte voor wonen, bedrijvigheid, recreatie; de Sportstad: een gebied voor actief sporten, recreatie en hoogwaardig wonen met daarbinnen icoon Feyenoord: het nieuwe stadion.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 26/70 2021-10-05
Figuur 3.2 de herkenbare delen van de Gebiedsvisie Stadionpark Toetsing De VBB bevindt zich boven de noordpunt van het Eiland van Brienenoord en een van de pijlers staat op dit eiland. Vanuit de Gebiedsvisie wordt voor het eiland vooral ingezet op de versterking en de realisering van de recreatieve voorzieningen en natuur. Een deel van het eiland zal tijdens de realisatiefase beperkt betreden worden om de bruggen te kunnen bereiken. Gezien ligging van VBB en de termijn van uitvoering is het project niet strijdig met de gebiedsvisie Stadionpark.
Figuur 3.3 Gedeelte Gebiedsvisie Stadionpark, Eiland van Brienenoord
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 27/70 2021-10-05
3.3.3
Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2016 – 2030+
Vastgesteld op 23 januari 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad Het verkeer- en vervoersbeleid is vastgelegd in het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2016- 2030+. Het plan geeft richting aan de wijze waarop de Rotterdamse mobiliteit zich op de lange termijn ontwikkelt (2030+) en welke keuzen hierbij gemaakt worden. Hierbij staan vanuit de Rotterdamse Mobiliteitsagenda drie vertrekpunten centraal: • de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam; • de economische vernieuwing en de daarbij behorende energietransitie; • de stedelijke mobiliteitstransitie van minder autoverkeer naar meer fiets en OV-gebruik. Vanuit deze vertrekpunten wordt ingezet op diverse beleidskeuzen. Zo wordt voor Rotterdam binnen de ring verder ingezet op de trend om het aantal autokilometers te laten dalen en in te zetten op meer duurzame vormen van mobiliteit (fiets, openbaar vervoer, schoon vervoer). Dit draagt ook bij aan de wens om te komen tot een gezondere leefomgeving. Voor de gebieden buiten de ring is het cruciaal dat sprake blijft van goede onderlinge verbindingen en verbindingen naar de binnenstad. Een en ander kan verder geoptimaliseerd worden door het realiseren van een samenhangend OV en wegennet. Hierbij is een nieuwe westelijke oeververbinding van belang, maar ook een nieuwe oostelijke oeververbinding kan voor een verschuiving op het rijkswegennet en het stedelijk hoofdnetwerk zorgen.
Het gaat hierbij niet alleen om oeververbindingen voor autoverkeer maar ook voor het openbaar vervoer. Ook het verder uitbreiden van het vervoer over water kan een belangrijke bijdrage leveren aan het creëren van een sterk en dicht samenhangend OV en wegennet. Toetsing Het project staat de vertrekpunten in het Stedelijk Verkeersplan niet in de weg. In feite betreft het een verbetering en continuering van de bestaande ring en de daaraan gekoppelde verbindingen. Het plan leidt niet tot een toename van gemotoriseerd wegverkeer (het aantal rijstroken blijft immers gelijk). Het project zorgt wel voor verbetering van de fietsverbinding over de Nieuwe Maas.
3.3.4 Welstand De gemeente Rotterdam heeft ruimtelijke kwaliteitscriteria opgesteld en vastgelegd in de Welstandsnota Rotterdam. Bebouwing (gebouwen en bouwwerken) in Rotterdam dient te voldoen aan deze criteria. De Van Brienenoordbrug maakt deel uit van de zogenaamde Ruit. Bouwwerken binnen de Ruit dienen te voldoen aan de volgende eisen:
Kleurgebruik is afgestemd op de infrastructuur en op de omliggende bebouwing.
Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk.
Toepassing van graffitivrij materiaal.
Toetsing Het brugontwerp wordt op het moment van schrijven nog nader uitgewerkt. Bij het brugontwerp wordt rekening gehouden met de kwaliteitscriteria als vastgelegd in de Welstandsnota Rotterdam voor zover het de Ruit betreft.
3.3.5
Duurzaamheid en circulariteit
Binnen Rotterdam speelt het streven naar duurzaamheid op diverse schaalniveaus een rol. De stad heeft de duurzaamheidsambities uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaamheid, Gezond in de stad, Koersnota Schone Lucht 2019-2022 en het Rotterdam Climate Initiative (RCI). Gemeente Rotterdam wil dat de stad in 2050 groener, schoner en volledig circulair is. Daarnaast beschrijft Gemeente Rotterdam in het Programma Rotterdam Circulair 2019 – 2023: ‘van zooi naar mooi’ (de route naar) haar duurzaamheidsambitie voor 2030: halvering van het gebruik van primaire grondstoffen.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 28/70 2021-10-05
Daarbij wordt circulariteit in relatie gebracht met zowel het verbeteren van werkgelegenheid, het optimaliseren van grondstofgebruik alsook de bijdrage aan de klimaatdoelstellingen. De gemeente benoemt de bouw als de sector waar de grootste circulaire sprongen gemaakt kunnen worden. Deze sector heeft voor Rotterdam dan ook topprioriteit en is benoemd als een van de vier sleutelsectoren. Toetsing In paragraaf 4.13 wordt onderbouwd hoe bij de vervanging van de Van Brienenoordbrug rekening wordt gehouden met de ambities aangaande duurzaamheid en circulariteit.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 29/70 2021-10-05
4 Omgevings‐ en milieuaspecten In dit hoofdstuk worden per paragraaf de verschillende omgevings- en milieuaspecten belicht die voor het project relevant zijn.
4.1 Milieueffectrapportage 4.1.1
Wettelijk en/of beleidskader
In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is bepaald dat voor bepaalde activiteiten vooruitlopend op de vaststelling van een plan of het verlenen van een vergunning – moet worden bepaald of er een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het Besluit m.e.r. maakt daarbij onderscheid tussen de verplichting een milieueffectrapport (MER) op te stellen (m.e.r.-plicht) en de verplichting om te beoordelen of de voorgenomen activiteit vanwege bijzondere omstandigheden mogelijk toch belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarvoor alsnog een MER moet worden opgesteld (m.e.r.-beoordelingsplicht). Op 1 januari 2021 is de ‘Verzamelwet IeW 2019’ in werking getreden. Deze wet bevat onder andere wijzigingen in de procedure voor de ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Een m.e.r.-beoordelingsbesluit is sindsdien niet langer een indieningsvereiste voor de aanvraag van de omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan. Ook hoeft het bevoegd gezag niet meer binnen zes weken na indiening van de m.e.r.beoordelingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. In plaats daarvan stuurt de initiatiefnemer de m.e.r.-beoordelingsnotitie mee bij de vergunningaanvraag.
4.1.2
Onderzoek
Voor de voorgenomen activiteit (vervanging van boogbruggen/brugkleppen) geldt op grond van het Besluit m.e.r., onderdeel C geen directe m.e.r.-plicht. Omdat de activiteiten wel vallen onder het begrip ‘wijziging of uitbreiding van een (auto)snelweg of autoweg 1 ’ is voor het project wel een m.e.r.beoordeling uitgevoerd (Mer-beoordeling Van Brienenoordbrug, Royal HaskoningDHV ARUP, 11 oktober 2021, bijlage 2). Omdat niet wordt voldaan aan de indicatieve drempelwaarde uit kolom 2 van categorie D1.1 (tracélengte van vijf kilometer of meer), kan in casu worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, waarin wordt beoordeeld of er, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III bij de EU Richtlijn inzake milieueffectbeoordeling, mogelijk toch belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is ingegaan op de hoofdcriteria: de kenmerken van het project; de projectlocatie; de kenmerken van de potentiële effecten.
1
Zie kolom 1 van onderdeel D1.1 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. In onderdeel A is de definitie van ‘wijziging’ vrij ruim: een reconstructie of verandering anderszins van aangelegde werken, ingerichte gebieden of bestaande inrichtingen. 9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 30/70 2021-10-05
4.1.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde effectstudies en de m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten op de beschouwde milieuaspecten. Wel is op onderdelen nader onderzoek vereist om deelaspecten te kunnen realiseren zonder dat nadelige milieueffecten optreden. Op voorhand zijn echter geen onoverkomelijke obstakels gesignaleerd. Uit geen van de effectstudies blijkt dat, met het (eventueel) toepassen van de noodzakelijke (mitigerende) maatregelen, belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Daarom is het opstellen van een MER ten behoeve van een m.e.r. procedure niet noodzakelijk. De opgestelde m.e.r.-beoordelingsnotitie wordt gelijktijdig met de aanvraag omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan ingediend bij het bevoegd gezag ter verkrijgen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
4.2 Natuur: soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dient rekening gehouden te worden met beschermde dier- en plantensoorten, beschermde (Natura 2000-)gebieden en houtopstanden. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Deze paragraaf gaat in op de soortenbescherming; de gebiedsbescherming is onderwerp van paragraaf 4.3. Het onderwerp houtopstanden is voor dit project niet relevant, omdat er ter plaatse geen houtopstanden zijn.
4.2.1
Wettelijk en beleidskader
Wnb: soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen (zoals grootschalige renovatie) die resulteren in overtreding van één of meer verbodsbepalingen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt bovendien het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor activiteiten die uit een bestemmingsplan c.q. omgevingsvergunning voortvloeien dient voor de start van de betreffende activiteiten een Wnb-ontheffing te worden aangevraagd indien negatieve effecten op beschermde soorten en/of hun essentiële leefgebiedsfuncties optreden. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan c.q. het verlenen van de omgevingsvergunning dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd, zoals volksgezondheid en openbare veiligheid. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 31/70 2021-10-05
2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: i. de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of ii. de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. De provincies zijn in eerste instantie bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet Natuurbescherming.
De minister van LNV is alleen in specifieke gevallen bevoegd gezag (artikel 1.3, lid 5, van de Wnb). Voor voorliggend plan is het Rijk (bij monde van RVO) bevoegd gezag, omdat het een project betreft dat direct verband houdt met hoofdinfrastructuur, in dit geval Rijkswegen. Ten aanzien van werken in de NNN is de provincie ZuidHolland het bevoegde gezag. Er is echter geen ontheffing nodig, indien gewerkt kan worden volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en) én de activiteit. Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De provincie Zuid-Holland handhaaft in haar Omgevingsverordening Zuid-Holland onder andere de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die vielen onder de vrijstelling in de Flora-en faunawet voor algemeen voorkomende soorten (Ffwet -tabel 1 AMvB art. 75). Alleen voor de soorten molmuis, ondergrondse woelmuis en tweekleurige bosspitsmuis is deze vrijstelling komen te vervallen, omdat blijkt dat deze soorten niet of nauwelijks voorkomen in Zuid-Holland, zodat een provinciale vrijstelling voor die soorten niet opportuun is.
Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd worden (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Tenslotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
4.2.2
Onderzoek
Verwachtte effecten op beschermde soorten Ten behoeve van het project is een natuurtoets (Natuurtoets project Van Brienenoordbrug, Royal HaskoningDHV ARUP, 1 oktober 2021, bijlage 3) uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat in en rond het beoogde projectgebied meerdere beschermde soorten voorkomen, zoals bever, steenmarter, Atlantische steur, vleermuizen (zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, en watervleermuis) en broedvogels zonder jaarrond beschermd nest.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 32/70 2021-10-05
Daarnaast komen mogelijk ook broedvogels met een jaarrond beschermd nest en de libellensoort rivierrombout voor op het Eiland Van Brienenoord. De reconstructie van de brug heeft mogelijk negatieve effecten op bestaande verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en betonnen brugdelen. Ook zijn er mogelijk negatieve effecten op bestaande vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Mogelijk leiden de werkzaamheden op het Eiland Van Brienenoord tot verstoren en/of beschadigen en vernielen van burchten en leefgebied van de bever, omdat vestiging van deze soort binnen enkele jaren plaats kan vinden. Daarnaast zijn er effecten denkbaar op steenmarter en rivierrombout. Verder kan kap van nestbomen leiden tot directe vernietiging van potentieel jaarrond beschermde nesten. Daarnaast kan optische verstoring en geluidsverstoring leiden tot het afbreken van broedgevallen van al dan niet jaarrond beschermde nesten.
Effecten onderwatergeluid Er worden vooralsnog geen verstorende effecten (hinder als gevolg van onderwatergeluid) op de steur in de Nieuwe Maas verwacht, indien gewerkt wordt met conventionele technieken, waarbij naar de huidige inzichten niet geheid wordt in de waterbodem of nabijgelegen landbodems. Effecten op andere soortgroepen (vaatplanten, amfibieën en reptielen) zijn vooralsnog uitgesloten.
Effecten lichthinder Licht kan effect hebben op aanwezige en passerende dieren. In het lichtontwerp is hiermee rekening gehouden. Strooilicht wordt tegengegaan om vleermuizen en broedende vogels niet te storen. Mitigerende maatregelen en aanvullend onderzoek Effecten op beschermde soorten (welke kunnen leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen van de Wnb) zijn in beginsel met mitigerende maatregelen te voorkomen. Aanvullend soortenonderzoek is in dat geval niet nodig, een ontheffingsaanvraag evenmin. Op basis van de doorlooptijd van het project, verspreid over meerdere jaren, is het praktisch onhaalbaar om kwetsbare perioden te allen tijde te ontzien. Wel kan er rekening gehouden worden met de hoeveelheid nachtwerk en inzet van verlichting. Omdat in deze rapportage benoemde mitigerende maatregelen niet zonder meer haalbaar zijn, wordt aanvullend onderzoek naar meerdere soortgroepen noodzakelijk geacht. Zo wordt aanvullend onderzoek nodig geacht naar het voorkomen van de bever op het Eiland Van Brienenoord geadviseerd in het jaar voorafgaand aan de werkzaamheden aldaar, tenzij alsnog blijkt dat potentiële beverleefgebieden op voorhand ontzien kunnen worden. Aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nesten op het Eiland Van Brienenoord is ook noodzakelijk, omdat de kans op aantasting van de functionaliteit van nestlocaties niet op voorhand uitgesloten is.
Onderzoek naar aanwezigheid van essentiële leefgebiedsfuncties (in het bijzonder verblijfplaatsen in bomen en brugdelen en vliegroutes langs de brug) is nodig omdat verstorende werkzaamheden niet buiten het vleermuisactieve seizoen kunnen worden uitgevoerd. Indien voorkomen van verstoring van geschikte leefgebieden niet haalbaar blijkt, is tot slot aanvullend onderzoek nodig naar het voorkomen van de rivierrombout en/of steenmarter op het Eiland Van Brienenoord. Gezien de beperkte houdbaarheid van aanvullend ecologisch onderzoek is het raadzaam om deze onderzoeken op een zodanig moment uit te voeren dat ze geldig zijn bij de start van de uitvoering. Uitgaande van een geldigheidsduur van drie jaar na uitvoering is het raadzaam om deze onderzoeken niet eerder dan een jaar voor uitvoering plaats te laten vinden. Vervolgens kan op grond hiervan een ecologisch werkplan opgesteld worden en - indien eventueel toch noodzakelijk – alsnog een Wnbontheffing worden aangevraagd
.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 33/70 2021-10-05
Als de werkzaamheden vallen onder een goedgekeurde gedragscode (bijvoorbeeld de Gedragscode van RWS (2017, vastgesteld en goedgekeurd op 29 september 2018)) met ecologisch werkplan, dan wordt voorkomen dat er ten aanzien van voornoemde beschermde soorten verbodsbepalingen worden overtreden. Omdat meest kwetsbare periodes van diverse soortgroepen niet altijd ontzien kunnen worden, moet in het kader van de gedragscode soortenbescherming van Rijkswaterstaat een ecologisch werkplan worden opgesteld. Aangezien uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat in casu het opstellen van een MER niet noodzakelijk is (zie paragraaf 4.1), is de Gedragscode van RWS van toepassing en is er geen Wnb-ontheffing nodig. In het contract met de nog te selecteren aannemer wordt opgenomen dat deze dient te werken volgens de Gedragscode. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor toetsing van dit document en hiernavolgende onderzoeken en het te zijner tijd op te stellen ecologisch werkplan.
4.2.3
Conclusie
Wanneer de werkzaamheden vallen onder de Gedragscode van RWS en er gewerkt wordt volgens een ecologisch werkplan, is er geen Wnb-ontheffing nodig voor beschermde soorten. Voorafgaande aan de daadwerkelijke werkzaamheden dienen de gebieden opnieuw onderzocht te worden op de aanwezigheid van beschermde soorten.
4.3 Natuur: gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dient rekening gehouden te worden met beschermde dier- en plantensoorten, beschermde (Natura 2000-)gebieden en houtopstanden. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Dit hoofdstuk gaat in op de gebiedsbescherming voor Natura 2000 en NNN. Beschermde dier- en plantensoorten zijn in paragraaf 4.2 besproken. Het onderwerp houtopstanden is voor dit project niet relevant, omdat er ter plaatse geen houtopstanden zijn.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 34/70 2021-10-05
4.3.1
Wettelijk en beleidskader
Wnb: Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van de Natura 2000-gebieden, bestaande uit de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden (Vrl-en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt op grond van de Wnb een vergunningplicht. Middels een natuurtoets dient te worden onderzocht of een activiteit mogelijk (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
De provincie heeft in hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2020) regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Natuurwaarden buiten het NNN Ook buiten het NNN zijn grote natuurwaarden aanwezig in de provincie Zuid-Holland. Behoud, herstel en verdere ontwikkeling van deze natuurwaarden dragen substantieel bij aan de biodiversiteit in de provincie. Aanvullend wordt door de provincie in de Omgevingsverordening ingezet op de volgende opgaven: 1. het realiseren van een natuurmantel in de vorm van een groenblauwe dooradering rondom de natuurkernen in het NNN; 2. het in stand houden van de belangrijke leefgebieden voor weidevogels in blijvend agrarisch gebied door agrarisch natuurbeheer; 3. het vergroten van de biodiversiteit in recreatiegebieden; 4. het benutten van de mogelijkheden voor tijdelijke natuur op braakliggende terreinen
4.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van het project is een natuurtoets (Natuurtoets project Van Brienenoordbrug, Royal HaskoningDHV ARUP, 1 oktober 2021, bijlage 3) uitgevoerd. Het plangebied overlapt deels met beschermde natuurgebieden of ecologische verbindingszones, zie figuur 4.1. Het plan- en werkgebied ligt op geruime afstand van Natura 2000-gebieden.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 35/70 2021-10-05
Figuur 4.1 NNN in het projectgebied (https://pzh.maps.arcgis.com ) Natura 2000: stikstofdepositie Als gevolg van stikstofdepositie tijdens de uitvoeringsfase kunnen effecten op Natura 2000-gebieden worden verwacht. Per 1 juli 2021 is echter in het Besluit natuurbescherming een partiële vrijstelling voor de bouwfase in werking getreden. Hierdoor vervalt de Wnb-vergunningverplichting (of het maken van een stikstofberekening) als de stikstofdepositie vanwege het project alleen optreedt in de bouw- en aanlegfase en mits in de gebruiksfase geen aanvullend stikstofeffect optreedt dan wel te verwachten valt. Omdat in de gebruiksfase de verkeerssituatie ongewijzigd blijft, worden in die fase geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden. Een vergunningplicht voor stikstofdepositie is in die fase dan ook niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland Er kan afhankelijk van de exacte locatie en dimensionering van werkterreinen, hulpconstructies en omleidingsroutes een tijdelijke aantasting optreden van gebieden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren als gevolg van de renovatie en vervanging van de brugdelen van de Van Brienenoordbrug. Overleg met de provincie Zuid-Holland en de terreinbeheerder wordt aanbevolen om schade en eventuele consequenties tijdig in beeld te brengen.
4.3.3
Conclusie
Ten aanzien van de gebiedsbescherming worden geen negatieve effecten verwacht. Wanneer uit de verdere uitwerking van de plannen blijkt dat alsnog een tijdelijke aantasting van het NNN optreedt of op kan treden, dienen in overleg met de provincie Zuid-Holland en/of RVO en de terreinbeheerder de eventuele schade en consequenties in beeld gebracht te worden.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 36/70 2021-10-05
4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1
Wettelijk en beleidskader
Bij de beoordeling van een omgevingsvergunningaanvraag voor afwijking van het bestemmingsplan zijn twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van deze afwijking voor de (lokale) luchtkwaliteit. Verder moet nagegaan worden of de gewenste ontwikkeling past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die vanwege hun aard en functie gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit, zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen en ook woningen. Op basis van titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. Vastgesteld kan worden dat met name de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in Nederland op meerdere plaatsen worden overschreden. Het gaat hierbij vooral om stedelijk gebied langs drukke wegen. Over het algemeen wordt wel aan de andere grenswaarden voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die al dan niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de volgende situaties kan meegewerkt worden aan ruimtelijke ontwikkelingen:
er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Beleid gemeente Rotterdam Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken, is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. In de aanpak zijn verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Om een voorbeeld te geven is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent verder een Beleidsregel buitenklimaat ter bevordering van de luchtkwaliteit in de omgeving van scholen en kinderopvanglocaties. De beleidsregel moet toegepast worden bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 37/70 2021-10-05
4.4.2 Onderzoek De vervanging van de bruggen heeft geen invloed op het verkeersaanbod en/of de verkeersstromen in de gebruiksfase. In de aanlegfase worden verkeersstromen tijdelijk verplaatst, maar er wordt gebruik gemaakt van bestaande routes. Daardoor valt het project onder de categorie ‘Niet in betekenende mate’ en hoeft er geen onderzoek plaats te vinden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit in de gebruiksfase. Tijdens de aanlegfase mag de luchtkwaliteit niet onevenredig verslechteren. Daartoe wordt het verkeersaanbod gereduceerd middels een nog te ontwikkelen maatregelenpakket van verkeers- en mobiliteitsmanagement.
4.4.3 Conclusie De uitvoering van het project wordt niet belemmerd door de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Ter plaatse van het projectgebied zal sprake zijn van een ongewijzigde situatie. De gemeentelijke Beleidsregel buitenklimaat is niet van toepassing.
4.5 Geluid 4.5.1
Wettelijk en beleidskader
Wegverkeerslawaai en scheepvaartlawaai Toetsing aan grenswaarden is wettelijk gezien niet van toepassing bij tijdelijke situaties (de aanlegfase). Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden nagegaan of sprake is van relevante geluidseffecten op gevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsen gezondheidzorggebouwen) in de omgeving. Bekeken dient te worden of er geen relevante verslechtering ontstaat van het woon- en leefklimaat. Wijzigingen zijn voor het menselijk oor hoorbaar vanaf circa 2-3 dB. Bij een verdubbeling van de verkeersintensiteit is sprake van een toename van ongeveer 3 dB. Een toename van 10 dB ervaart een persoon als een verdubbeling van het geluid. In de gebruiksfase wordt ervan uitgegaan dat de situatie, voor wat betreft geluid, gelijk is aan de bestaande situatie, zie paragraaf 4.4.2. Daarmee is een akoestisch onderzoek en toetsing aan wettelijke grenswaarden niet van toepassing. Bouwlawaai Gedurende meerdere jaren zal er gedurende relatief korte perioden sprake zijn van bouwlawaai tijdens de bouwwerkzaamheden. Het betreft hier het plaatsen en verankeren van de twee boogbruggen en de beweegbare bruggen. Zware werkzaamheden als stralen, spuiten, klinken en verven vinden plaats op de tijdelijke bruggenwerf. De inzet van hijsmaterieel kan ter plaatse een geluideffect hebben. Dit effect zal zoveel mogelijk beperkt worden.
Onderwatergeluid Het aspect onderwatergeluid is relevant voor de ecologie. Derhalve wordt verwezen naar paragraaf 4.2.2.
4.5.2
Onderzoek
Wegverkeer (gebruiksfase) Wanneer de Van Brienenoordbrug is vervangen/ gerenoveerd, worden er voor wat betreft het wegverkeer geen geluidseffecten verwacht ten opzichte van de situatie met de huidige brug: De rijstrookinrichting blijft gelijk aan de bestaande situatie. De geometrie van de brug blijft in hoofdlijnen gelijk. Hetzelfde type geluidreducerend asfalt (enkellaags ZOAB) wordt toegepast. Er is geen toename van het verkeer (geen verkeersaantrekkende werking).
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 38/70 2021-10-05
Door de autonome groei van het wegverkeer zal het geluid wel toenemen. Deze toename kan opgevangen worden door de toepassing van meer geluidreducerend tweelaags ZOAB. De boogbruggen worden hiertoe geschikt gemaakt, maar vooralsnog uitgevoerd met enkellaags ZOAB net als in de bestaande situatie. Wegverkeer (aanlegfase) Ten tijde van de vervanging van de boogbruggen (eerst de westelijke boogbrug, dan de oostelijke) wordt het verkeer over één boogbrug geleid. Het aantal rijstroken neemt in deze tijdelijke situatie af van twaalf naar zes (drie rijstroken per rijrichting). De (as van de) verkeersstroom, de geluidbron, wordt daarmee verplaatst met circa 17 meter in respectievelijk oostelijke en westelijke richting. Naast deze verplaatsing van de verkeersstroom zullen er tijdens de vervanging van de bruggen ook wijzigingen ontstaan in de verkeerscirculatie in de omgeving van de brug. In deze paragraaf is het volgende nader beschouwd: De geluidseffecten vanwege de verschuiving van de verkeersstroom op de brug bij omwonenden. De geluidseffecten door gewijzigde verkeerscirculatie in de omgeving van de brug. Uitgangspunten onderzoek tijdelijke situatie Voor de ligging van de weg in de tijdelijke situatie, is uitgegaan van de ontwerptekeningen.
Voor het bepalen van de geluidseffecten van de verschuiving van de verkeersstroom is gebruik gemaakt van een geluidmodel, opgesteld in het rekenprogramma Geomilieu (versie 2020.1.2.), dat voldoet aan Standaardrekenmethode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In het model zijn de huidige en tijdelijke wegliggingen opgenomen en de omgeving van de brug. De verkeersgegevens zijn afkomstig uit het geluidregister van Rijkswaterstaat. Voor het bepalen van de geluidseffecten van de wijziging in verkeerscirculatie is gebruik gemaakt van de gegevens uit het verkeersmodel Van Brienenoord (d.d. 14 oktober 2020) (referentie/ westbrug/ oostbrug, etmaalintensiteiten in werkdagen). De toename is berekend door middel van een emissieverschilvergelijking. Er is geen rekening gehouden met eventuele snelheidsverlaging in de tijdelijke situatie en het ontbreken van de afscherming van de brugboog die wordt vervangen. Geluidseffecten verschuiving verkeersstroom naar één brugdeel In figuur 4.2 zijn de geluidseffecten weergegeven van de situatie waarbij het verkeer over één boogbrug rijdt ten opzichte van de referentiesituatie (= verkeer over beide boogbruggen). De woningen met een geluidbelasting van 50 dB of hoger en een wijziging in de geluidbelasting op de gevel zijn in beeld gebracht.
Vervanging westelijke boogbrug (verkeer rijdt over de oostelijke boogbrug)
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Vervanging oostelijke boogbrug (Verkeer rijdt over de westelijke boogbrug)
Revisie: 1.0 39/70 2021-10-05
Groen = afname geluidbelasting t.o.v. referentie Geel = toename 1 dB Oranje = toename 2-3 dB Figuur 4.2. Geluidseffecten door verschuiving van de verkeersstroom Geluidseffecten door gewijzigde verkeerscirculatie In onderstaande tabel zijn de etmaalintensiteiten opgenomen van de situatie: waarbij het verkeer op beide bruggen rijdt; waarbij het verkeer enkel over de westbrug rijdt; met alleen verkeer over de oostbrug. De gegevens zijn afkomstig uit het Verkeersmodel Van Brienenoordbrug.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 40/70 2021-10-05
Tabel 4.1 Geluidseffecten bij wijziging verkeerscirculatie bij vervanging bruggen Wegvak
A4 (over nieuwe Maas) A15 West A16 (van Brienenoordbrug) A16 ten zuiden van VBB A20 West Maastunnel Erasmusbrug Willemsbrug
Etmaalintensiteit in motorvoertuigen per etmaal (werkdagen) 2026 2026 2026 referentie Vervanging Vervanging Westbrug Oostbrug 135.200
181.200
179.300
161.400
188.600
185.100
126.400
161300
161.000
148.700
144.700
142.600
115.200 55.900 41.100 23.900
105.100 69.900 52.800 37.600
104.800 70.800 53.300 38.500
Toename geluid t.g.v. het wegverkeer in [dB]
1,3 0,7
1,2 0,6
1,1
1,1
-0,1 -0,4 1,0 1,1 2,0
-0,2 -0,4 1,0 1,1 2,1
Bovenstaande etmaalintensiteiten zijn worst-case, zonder reductie van verkeer. In werkelijkheid zal het verkeersaanbod met een maatregelenpakket van verkeers- en mobiliteitsmanagement worden gereduceerd. Het maatregelenpakket is nog in ontwikkeling. De verwachting is dat als het maatregelenpakket vastgesteld is nog een definitieve doorrekening nodig zal zijn om de conclusies al dan niet gestand te kunnen doen. Uit bovenstaande tabel blijkt dat de toename, omgerekend naar decibellen maximaal 2 dB bedraagt. Bij actualisatie van de verkeersgegevens worden de geluidseffecten (verschuiving as verkeersstroom en wijzigingen in verkeerscirculatie) gecombineerd. De verschuiving van de verkeersstroom heeft toe- en afnames van het geluid tot gevolg bij de omliggende woningen. De toename is maximaal 2 à 3 dB op enkele woningen. De wijziging in verkeerscirculatie heeft tot gevolg dat in de omgeving op wegen een toename is te zien van maximaal 2 dB. Dat is een nauwelijks waarneembaar effect op de omliggende woningen en andere geluidgevoelige functies. Gezien de beperkte perioden dat de tijdelijke situatie zich voordoet van een aantal maanden in totaal en de beperkte toename is geen sprake van grote verslechtering van het woon- en leefklimaat in de tijdelijke situatie.
Scheepvaart (aanlegfase) Ten tijde van de vervanging van de Van Brienenoordbrug wordt de scheepvaart tijdelijk omgeleid via de Oude Maas. Geluidseffecten ten gevolge van de gewijzigde vaarroutes op de omgeving worden bij vaststelling van deze routes in beeld gebracht als bekend is om welk type schepen, aantallen en bronvermogen het gaat. Bouwlawaai Gedurende meerdere jaren zal er gedurende relatief korte perioden sprake zijn van bouwlawaai als gevolg van de bouwwerkzaamheden ter plaatse. Het betreft hier het plaatsen en verankeren van de twee boogbruggen en de beweegbare bruggen. Zware werkzaamheden als stralen, spuiten, klinken en verven vinden plaats op de tijdelijke bruggenwerf. De inzet van hijsmaterieel kan ter plaatse een geluideffect hebben. Dit effect zal zoveel mogelijk beperkt worden. Omdat de wijze van uitvoeren nog geenszins duidelijk is, worden in het contract met de aannemer eisen ten aanzien van geluidhinder meegegeven. Dat betekent dat de aannemer of moet kiezen voor uitvoeringsmethoden die geen onevenredige geluidhinder veroorzaken of mitigerende maatregelen moet toepassen. Hiermee wordt ernstige geluidhinder tijdens de aanlegfase voorkomen.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 41/70 2021-10-05
4.5.3
Conclusie
Er is geen negatief akoestisch effect te verwachten in de gebruiksfase. Gezien de beperkte periode dat de tijdelijke situatie zich voordoet (een aantal maanden in totaal) en de beperkte toename is geen sprake van grote verslechtering van het woon- en leefklimaat in de tijdelijke situatie. Er worden eisen aan de aannemer meegegeven om ernstige geluidhinder tijdens de uitvoeringsfase te voorkomen. Het planvoornemen is uitvoerbaar voor wat betreft het aspect geluid.
4.6 Lichthinder In deze paragraaf worden de effecten op het thema lichthinder op personen beschreven. De lichteffecten die mogelijk hinder kunnen veroorzaken doen zich voor in de: Aanlegfase: verlichting op bouwterreinen. Gebruiksfase: architectonische verlichting (aanstralen van de brug) en de functionele openbare verlichting. Deze effecten worden bekeken bij omwonenden, weggebruikers, bestuurders van vaartuigen, natuurliefhebbers en astronomen en getoetst aan de richtlijnen van de NSVV (zie hieronder).
4.6.1
Wettelijk en beleidskader
Voor het aspect lichthinder bestaat geen wettelijk toetsingskader, maar de kansen op lichthinder worden veelal beoordeeld aan de hand van de richtlijnen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV), Richtlijn Lichthinder 2020. In haar aanbeveling voor onder andere openbare verlichting, terreinverlichting en bij aanstraling van objecten heeft de NSVV gebieds- en periodeafhankelijke grenswaarden opgenomen voor de lichtemissie van verlichtingsinstallaties ter voorkoming van lichthinder. De grenswaarden die in de richtlijn worden gesteld zijn afhankelijk van de aanwezige mate van verlichting in de desbetreffende omgeving. Er worden vijf zones onderscheiden: duisternisgebied, natuurgebied, landelijk gebied, stedelijk gebied en stadscentrum. Door de aanwezigheid van woonwijken dicht bij de Van Brienenoordbrug, wordt uitgegaan van zone stedelijk gebied (E3). Tabel 4.2 Grenswaarden voor de maximale verlichtingssterkte ter voorkoming van lichthinder bij omwonenden t.g.v. bouwterreinverlichting en bij aanstraling objecten
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 42/70 2021-10-05
Tabel 4.3 Grenswaarden voor de lichtimmissie ter plaatse van een vensteropening in een gevel van een omwonende en de lichtemissie van een verlichtingsinstallatie voor openbare verlichting ter voorkoming van lichthinder bij omwonenden.
4.6.2 Onderzoek Ten behoeve van de vervanging van de Van Brienenoordbrug is een onderzoek uitgevoerd naar lichthinder (Memo lichthinder, Royal HaskoningDHV ARUP, 1 september 2021, bijlage 4). Uitgangspunten Bij het bepalen van de lichteffecten in de aanleg- en gebruiksfase is uitgegaan van de voorziene lichtbronnen en de inrichting van de bouwplaatsen ten behoeve van de aanlegfase en en het lichtontwerp van de bruggen ten behoeve van de gebruiksfase. Effecten Aanlegfase (verlichting bouwterreinen) Tijdelijke lichthinder op en rondom de bouwplaats dient voorkomen te worden. Tijdens de uitvoering worden hiertoe maatregelen getroffen door de aannemer. Effecten Gebruiksfase (openbare verlichting, aanstraling brug) De Van Brienenoordbrug wordt tijdens de gebruiksfase op de volgende manieren verlicht: Architecturaal: de brug wordt aangestraald waarmee de architectonische elementen van de brug worden verlicht; Openbare verlichting: voor de verkeersveiligheid van weggebruikers. De Van Brienenoordbrug loopt over de Nieuwe Maas (figuur 4.3). De verlichting van de brug heeft mogelijk invloed op omwonenden, weggebruikers en bestuurders van vaartuigen die onder de brug door varen. Aan de zuidzijde van de brug zijn woningen gelegen met zicht op de brug.
De dichtstbijzijnde woningen liggen aan de Flying Dutchmanstraat (460 meter tot boogbrug en 400 meter tot snelweg), Oude IJsselmondsehoofd (260 meter tot boogbrug en 195 meter tot snelweg) en Zuiddiepje (320 meter tot boogbrug en 175 meter tot snelweg).
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 43/70 2021-10-05
2
3
1 Figuur 4.3 Locatie Van Brienenoordbrug, met aan de zuidzijde woningen (1 = Zuiddiepje, 2 = Oude IJsselmondsehoofd, 3 = Flying Dutchmanstraat) Architecturale verlichting De architecturale verlichting is gebaseerd op de volgende verlichtingsprincipes die met elkaar kunnen worden gecombineerd om verschillende sferen en scenario’s te creëren: boogbrug uplighting, accentuering van de kabels (brughangers), pijlerverlichting (strijklicht), projectie op beweegbaar bruggedeelte (zie Figuur 4.4). De projectie op het beweegbare bruggedeelte is niet meegenomen in deze beoordeling omdat deze alleen van toepassing is op het moment dat de beweegbare bruggen geopend zijn (circa 15min bij in totaal 150 openingen/jaar).
Figuur 4.4 Architecturale verlichting, indicatief
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 44/70 2021-10-05
Over de architecturale verlichting van de brug is het volgende te vermelden: Verlichtingssterkte: Gezien de afstand tot de woningen wordt verwacht dat ten gevolge van de architectonische verlichting wordt voldaan aan de grenswaarden voor verlichtingssterkte uit de NSVV. Upward Light Ratio: De architecturale verlichting is opgenomen in het lichtplan als uplights. Idealiter wordt bij verlichting voor het aanstralen van objecten het object zelf verlicht of er wordt verlichting toegepast dat van boven naar beneden is gericht. De verlichting in het huidige lichtplan wordt gedurende de nacht gedimd om lichtvervuiling zoveel mogelijk te beperken; Luminantie: De gemiddelde luminantie voor omwonenden mag in deze omgevingszone 10 candela per vierkante meter (cd/m2) bedragen. In het lichtontwerp zijn lichtsimulaties weergegeven van de architecturale verlichting. De hoogste luminanties zijn te vinden aan de onderkant van de twee bogen. In alle gevallen blijft de luminantie onder de 10 cd/m2. Dit betekent dat de gemiddelde luminantie daaronder zit waardoor aan deze grenswaarde wordt voldaan. Kleurstelling: De verlichting kan door middel van RGBW lichtbronnen diverse kleuren aannemen. Hierbij wordt rekening gehouden met de hemelhelderheid. Verblinding: Met goede afstelling van de armaturen (niet richting weggebruikers en vaartuigen) wordt hinder vanwege verblinding niet verwacht.
Herkenningspunt: De verlichting die is aangebracht voor aanstraling van de brug kan voor schippers mogelijk een positieve bijdrage leveren. Door dit herkenningspunt kunnen zij zich makkelijk oriënteren. Openbare verlichting De functionele openbare verlichting bestaat uit snelwegverlichting en fietspadverlichting. De snelweg en het fietspad worden door armaturen verlicht. Van de snelwegverlichting is geen strooilicht te verwachten. De fietspadverlichting dient bij nader ontwerp te voldoen aan de gestelde grenswaarde. Door de grote afstand tot woningen (dichtstbijzijnde op 175 meter van de snelweg), door het lichtontwerp en doordat er momenteel ook geen klachten zijn, wordt in de gebruiksfase ook geen lichthinder verwacht. Effecten ecologie Licht kan een effect hebben op aanwezige en passerende dieren. In het lichtontwerp is hiermee rekening gehouden door het tegengaan van strooilicht. Hierdoor worden vleermuizen en broedende vogels niet gestoord.
4.6.3
Conclusie
Op basis van het lichtontwerp, zal de omgeving (omwonenden en fauna) naar verwachting geen lichthinder ondervinden van de architecturale en openbare verlichting.
4.7 Water 4.7.1
Wettelijk en beleidskader
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets omvat het gehele proces van het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van wateraspecten in plannen en besluiten. Dit resulteert uiteindelijk in de waterparagraaf. De waterparagraaf is ‘een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding’. In de waterparagraaf neemt de initiatiefnemer het wateradvies op van de waterbeheerder, motiveert de eventuele afwijkingen hiervan en stelt eventuele compenserende of mitigerende maatregelen voor. In verschillende beleidsvisies wordt gestreefd naar een veilig, gezond, duurzaam en robuust watersysteem in landelijk en stedelijk gebied. Hierna wordt kort een overzicht gegeven van de belangrijkste beleidsuitgangspunten die van toepassing zijn voor deze watertoets. Nationaal en Europees beleid Waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 45/70 2021-10-05
In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan geeft de ambities weer in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is een verdere uitwerking van het nationaal beleid. In het NBW hebben het rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zich als taak gesteld om de wateropgave in beeld te brengen en oplossingsrichtingen uit te werken. Het NBW-actueel (2011) is een actualisatie van het NBW uit 2003. Het NBW-actueel benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij daarbij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren.
Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard Het waterbeleid van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is verwoord in: Waterbeheerplan Met mensen en water, 2016-2021 Keur HHSK
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 46/70 2021-10-05
Figuur 4.5 Ligging waterkeringen in beheer bij het HHSK en het WHD Waterbeheerplan 2016 -2021 In het waterbeheerplan ‘Met mensen en water’ worden de uitdagingen voor de planperiode beschreven en hoe die te bereiken. Omdat nieuwe ontwikkelingen (zoals de actualisatie van het klimaatakkoord) of voortschrijdend inzicht aanleiding kunnen geven voor een andere, betere aanpak dan nu voorzien, zijn in dit plan geen concrete maatregelen vastgelegd. Jaarlijks wordt bekeken welke maatregelen het meest geschikt zijn om de doelen uit dit plan te bereiken. De programma’s richten zich op (1) veilig en bewoonbaar (waterveiligheid), (2) voldoende, schoon en aantrekkelijk water (watersysteem), (3) gezuiverd water (afvalwaterketen en emissies) en (4) veilige wegen (wegen).
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 47/70 2021-10-05
Keur HHSK De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Voor sommige werkzaamheden zijn in de keur algemene regels opgesteld. Als aan deze regels wordt voldaan, is geen watervergunning nodig. De werkzaamheden moeten wel bij het waterschap worden gemeld. Waterschap Hollandse Delta Het waterbeleid van Waterschap Hollandse Delta (WHD) is verwoord in: Het waterbeheerprogramma 2016-2021 Keur WHD Waterbeheerprogramma 2016-2021 Het waterbeheerprogramma (WBP) bevat het meerjarige beleid en de doelen van waterschap Hollandse Delta. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie (Deltaprogramma) de belangrijkste ontwikkeling. Verder zijn in het programma voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en waterketen de doelen uitgewerkt. Keur WHD In de keur van het waterschap staan onder andere regels die dijken, wegen en wateren beschermen. Voor sommige werkzaamheden zijn in de keur algemene regels opgesteld. Als aan deze regels wordt voldaan, is geen watervergunning nodig. De werkzaamheden moeten wel bij het waterschap worden gemeld.
Rijkswaterstaat Naast dat in het plangebied beide waterschappen de waterbeheerders zijn, geldt dat de realisatie van het plan voornamelijk plaatsvindt in het beheergebied van Rijkswaterstaat. Voor dit gebied geldt het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, zie ook paragraaf 3.1) voor grote rivieren. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 48/70 2021-10-05
Figuur 4.6 Waterstaatkundig beheer RWS (bron: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/@178053/beheergrenzen-rws-3a/) Onderdelen zijn vanuit de Barro van toepassing, zodat: een veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; er geen belemmering is voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Toepassing beleid waterbeheerders De waterbeheerder toetst of de ontwikkeling niet tot ongewenste effecten op het watersysteem leidt. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden opgesteld om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Het waterschap Hollandse Delta heeft hiervoor: Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014 Algemene regel voor het watersysteem en de wegen 2014 Het HHSK heeft hiervoor: Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen Algemene regels bij de wegenverordening 2012
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 49/70 2021-10-05
4.7.2
Onderzoek
Oppervlaktewater Het plangebied ligt voor het overgrote deel ‘boven’ en in de Nieuwe Maas. Het plangebied ligt buiten de waterkeringen van de waterschappen. Het afstromend wegwater wordt in de huidige situatie rechtstreeks op de Nieuwe Maas geloosd. In de toekomstige situatie wordt een zuiverende voorziening toegepast, welke deels binnen het beheergebied van de waterschappen zijn gelegen. Zowel op de zuidoever als op de noordoever wordt een zuiverende voorziening ingericht. Verandering planontwikkeling in relatie tot het watersysteem Ten opzichte van de bestaande situatie zijn de volgende aspecten van de nieuwe situatie van invloed op het watersysteem: Definitieve situatie De westboog wordt met 2 meter verbreed. Dit betekent dat in totaal 600 m2 ‘extra verharding boven de Nieuwe Maas’ gerealiseerd wordt; Het afstromend wegwater van de bruggen (oost en west) wordt in de toekomstige situatie afgevangen en middels een zuiverende voorziening alsnog geloosd. De helft van het afstromend wegwater zal aan de zuidkant op de Nieuwe Maas plaatsvinden. De andere helft van het afstromend wegwater zal aan de noordzijde plaatsvinden. De locatie van deze zuiverende voorziening is nog niet bekend. De locatie van het zuidelijk werkterrein (onder de aanbruggen) is in de definitieve situatie mogelijk beoogd als ruimte voor afvoeren van hemelwater vanaf de brug.
Hierbij wordt gedacht aan 2 bakken van 25x5 meter, van circa 3 meter hoog (bron: verslag 1e KES gesprek Waterschap Hollandse Delta, d.d. 2 maart 2020). De locatie van de zuiverende voorziening aan de noordzijde is voorzien op het bestaande verharde terrein onder de aanbruggen en ligt in het beheergebied van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Het zuidelijk werkterrein is voorzien buiten de voorliggende kering van het waterschap Hollandse Delta. Het bedienhuis met aanwezige sanitaire voorziening heeft na renovatie in principe geen functie meer. Tijdelijke situatie In de tijdelijke situatie in de periode 2026-2028 zijn de bogen voor onderhoud op een locatie elders. Gevolgen van het plan op het watersysteem Het groot onderhoud van de bruggen heeft een beperkte invloed op het watersysteem van de waterbeheerders. Onderstaand worden de effecten op het watersysteem benoemd. Benodigde compensatie waterberging – toename verhard oppervlak Door het groot onderhoud van de bruggen neemt in de toekomstige situatie het verhard oppervlak boven de Nieuwe Maas met 600 m² toe (2 meter verbreding x 300 meter) en 125 m² per oever voor de zuiverende voorziening onder de aanbruggen. De verbreding zorgt er niet voor dat er een afname van het bergend vermogen plaatsvindt van de Nieuwe Maas.
De invloed op de afvoercapaciteit van de rivier is verwaarloosbaar en blijft nagenoeg gelijk. Zuiverende voorziening voor afstromend wegwater De zuiverende voorziening aan de zuidzijde bevindt zich op grotendeels onverhard terrein aan de buitenzijde van de kernzone van de waterkering van het Waterschap Hollandse Delta. De toename van verharding heeft geen invloed op de afvoercapaciteit of het bergend vermogen van de rivier. Het afstromende wegwater wordt na zuivering weer geloosd op de Nieuwe Maas.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 50/70 2021-10-05
The link ed image cannot be display ed. The file may hav e been mov ed, renamed, or deleted. Verify that the link points to the correct file and location.
Figuur 4.7 Voorgenomen locaties voor de hemelwaterafvoer, respectievelijk noord‐ en zuidzijde van de brug Wel moet bij de constructie van deze zuiverende voorziening rekening worden gehouden met dat deze in extreme situaties onder water kan komen te staan, omdat de voorziening buitendijks is gelegen. Indien de zuiverende voorziening in de (buiten)beschermingszone van de waterkering is gelegen dient een vergunning of melding bij het waterschap Hollandse Delta worden aangevraagd c.q. worden gedaan. Aan de noordzijde is de zuiverende voorziening gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. De zuiverende voorziening is geprojecteerd onder de aanbruggen (exacte locatie nog niet bekend). In de bestaande situatie is de locatie onder de aanbruggen volledig verhard, waardoor de toename van het verhard oppervlak nagenoeg niet veranderd. Voor een toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² is bij HHSK geen compensatie benodigd. Waar en waarop lozing van het water uit de zuiverende voorziening plaatsvindt is nog niet bekend. Aan de oostkant van de aanbruggen op circa 120 meter is een waterzuivering van het Hoogheemraadschap gesitueerd. Wellicht bestaat de mogelijkheid om het afstromend wegwater na zuivering direct naar de waterzuivering te brengen.
Als toch besloten wordt het water vanuit de zuiverende voorziening te lozen op het oppervlaktewatersysteem dan betekent dit dat er circa 2925 m² (150 meter lengte, 12 rijstroken per richting, 3,25 meter gemiddelde breedte rijstroken) extra water (dat voorheen rechtstreeks in de Nieuwe Maas kwam) wordt geloosd in het watersysteem van het Hoogheemraadschap. In dat geval dient er extra water te worden gecompenseerd. Het plan kan dan gezien worden als middelgrote ontwikkeling (groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare). Minimaal 10% van deze toename moet dan worden gecompenseerd (292,5 m²). Deze oppervlaktewatercompensatie is mogelijk op het terrein van de rioolwaterzuivering dat op circa 300 meter vanaf de zuiverende voorziening ligt. De afspraken hierover dienen nog nader met het Hoogheemraadschap te worden afgestemd.
9V9589-30-DO-RP-ROB-125611
Revisie: 1.0 51/70 2021-10-05
Indien de zuiverende voorziening in de beschermingszone van de waterkering wordt geprojecteerd dan dient een vergunning te worden aangevraagd of wel een melding gedaan te worden bij het Hoogheemraadschap. Doordat het afstromend wegwater niet langer rechtstreeks op het water van de Nieuwe Maas wordt geloosd zal dit ten gunste zijn van de waterkwaliteit. Sanitaire voorziening bedienhuis Als in de toekomst de sanitaire voorziening in de brug gehandhaafd blijft dan mag dit niet langer rechtstreeks geloosd worden op de Nieuwe Maas. Er wordt een voorziening gemaakt om het afvalwater te verzamelen en af te voeren. Tijdelijke situatie De benodigde voorzieningen voor de tijdelijke periode van 2026 tot 2028 zijn nog onvoldoende in beeld. Als hierover meer duidelijkheid is, dient afstemming met de waterbeheerders plaats te vinden. De verwachting is echter dat dit slechts een zeer beperkt effect heeft op het watersysteem.