CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb15288 Bijlage behorende bij 21bb15282 over Ruimtelijke Onderbouwing Renovatie en Vervanging Van Brienenoordbrug

Gemeenteraad 3 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 13. Het voorstel met betrekking tot de afgifte van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen ten behoeve van de renovatie en vervanging van de Van Brienenoordbrug24.351 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.7.3

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Met de aanvraag van de benodigde watervergunningen en de inachtneming van eventuele mitigerende maatregelen worden negatieve effecten uitgesloten. De benodigde watervergunningen hebben betrekking op:  Het versneld afvoeren van hemelwater door nieuw verhard oppervlak;  Het bouwen in/nabij/boven de Nieuwe Maas.

4.8 Bodem 4.8.1

Wettelijk en beleidskader

In verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het projectgebied. Een nieuwe functie of activiteit mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste functie of activiteit. Bij consolidering van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie.

4.8.2 Onderzoek Huidige situatie Om de bodemkwaliteit in het gebied rond de Van Brienenoord brug in beeld te brengen is het bodeminformatiesysteem van de Milieudienst Rijnmond geraadpleegd. Aan weerszijde van de brug (noord- en zuidoever) zijn voormalige baggerspecieloswallen gelegen. In de baggerspecieloswallen is slib/waterbodem afkomstig uit (stads)havens gestort. Het slib is in het algemeen heterogeen sterk verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB, bestrijdingsmiddelen en minerale olie. Dit wordt bevestigd door de resultaten van de beschikbare bodemonderzoeken in het gebied. Bij de huidige inrichting en het huidige gebruik van het gebied is er geen sprake van risico’s. Uitvoeringsfase Gedurende de uitvoeringsfase van de brugrenovatie zal beperkt sprake zijn van ingrepen in de bodem. Eventuele grondwerkzaamheden hebben betrekking op het aanleggen/verleggen van kabels en leidingen. Om de renovatiewerkzaamheden aan de brug uit te kunnen voeren zullen werkterreinen worden ingericht. De werkterreinen worden gebruikt voor het plaatsen van het ketenpark en opslag van materiaal en materieel. Bij de inrichting van het werkterrein dient te worden voldaan aan de eisen uit de van toepassing zijnde Wet- en regelgeving. De werkterreinen worden in het algemeen ingericht met vloerplaten en/of halfverhardingen.

Door het aanbrengen van een verharding wordt contact met de onderliggende verontreinigde bodem voorkomen. Voor werkzaamheden waarbij ingrepen in de bodem nodig zijn, dient te worden voldaan aan de Wet bodembescherming. Dit betekent dat voor graafwerkzaamheden een BUS melding/saneringsplan

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 52/70 2021-10-05

dient te worden ingediend en uitvoering onder saneringscondities moet plaatsvinden. Eventueel vrijkomende verontreinigde grond die niet terug kan, wordt afgevoerd naar een verwerker. De graafwerkzaamheden zijn altijd projectmatig en dienen niet om de algemene bodemkwaliteit in het gebied te verbeteren. Daarentegen mag de uitvoering van de werkzaamheden de bodemkwaliteit niet verslechteren of bodemverontreiniging toevoegen (zorgplicht). Eind-/gebruikersfase Na de uitvoering van de renovatiewerkzaamheden worden de gebruikte werkterreinen in de oorspronkelijke staat hersteld. Eventuele bodemverontreinigingen veroorzaakt als gevolg van het gebruik van deze terreinen dienen conform de zorgplicht uit de Wet bodembescherming en Wet Milieubeheer te worden verwijderd/gesaneerd.

4.8.3 Conclusie Gedurende de uitvoeringsfase is de impact op de algemene bodemkwaliteit in het werkgebied beperkt. Noodzakelijke graafwerkzaamheden hebben niet tot doel de bodemkwaliteit te verbeteren. Terreinen gebruikt ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden worden na afronding in de oorspronkelijke staat hersteld. Na de renovatiewerkzaamheden is de bodemkwaliteit niet gewijzigd. Derhalve is de impact van de werkzaamheden op de bodemkwaliteit in het gebied te verwaarlozen.

4.9 Archeologie 4.9.1

Wettelijk en beleidskader

Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke naar verwachting op 1 juli 2022 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten. Gemeentelijk beleid Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: 1. te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; 2. te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; 3. te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met gemeentelijke monumenten, die opgenomen zijn in de gemeentelijke erfgoedverordening.

Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Het archeologisch instrumentarium sluit aan en is deels gebaseerd op het rijksbeleid en het provinciaal beleid dat is ontwikkeld naar aanleiding van het Europese Verdrag van Malta. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg plaats. Hiertoe vindt in ieder geval bureauonderzoek plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van dit onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Op basis van de Archeologische Waardenkaart Rotterdam is een uitsnede gemaakt van de omgeving van de Van Brienenoordbrug, zoals die hieronder is weergegeven:

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 53/70 2021-10-05

Legenda:

Figuur 4.8 Uitsnede uit de Archeologische Waardenkaart Rotterdam Indeling archeologische gebieden De indeling naar de verschillende archeologische waarden heeft wat toelichting nodig. Hieronder is per waardecategorie aangegeven hoe te handelen bij de verschillende archeologische waarden. 1. Gemeentelijke monumenten (voorheen: Archeologisch Belangrijke Plaatsen) Voor gronden binnen de categorie Gemeentelijke monumenten geldt dat de aanwezige archeologische relicten in de ondergrond in situ behouden moeten blijven. Als behoud niet mogelijk is, moet altijd archeologisch (voor)onderzoek plaats vinden. Voor een juiste situering van en uitgebreide toelichting bij de afzonderlijke Archeologisch Belangrijke Plaatsen, moet men de erfgoedverordening Rotterdam 2020 raadplegen. 2. Gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting. Voor grondroerende werkzaamheden in gebieden met categorie 2 (zeer hoge archeologische verwachting) is afhankelijk van de verstoringsdiepte, maar ongeacht het oppervlak van de uit te voeren werkzaamheden, een ontheffing en/of omgevingsvergunning verplicht. Voorgaande geldt echter niet voor werken en werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gebieden en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

Voor de verlening van een ontheffing en/of omgevingsvergunning moet een plan van de voorgenomen werkzaamheden worden voorgelegd aan het BOOR2. Op basis van dit plan beoordeelt het BOOR of in het voorliggende geval een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) voorafgaande aan de voorgenomen werkzaamheden noodzakelijk is. De locaties en toegestane verstoringsdiepten, waarvoor al dan niet een ontheffings- en/of omgevingsvergunningplicht geldt, vindt men op de Verbeelding (bestemmingsplankaart) en in de Regels bij de geldende Bestemmingsplannen. Is een specifieke archeologische paragraaf binnen een bestemmingsplan nog niet voorhanden, dan moet men hierover informatie inwinnen bij het BOOR. 3. Gebieden met een redelijk tot hoge archeologische verwachting.

2

Het begrip BOOR staat voor Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam. In 2013/2014 is de naam gewijzigd in Archeologie Rotterdam. 9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 54/70 2021-10-05

Deze gebieden zijn opgedeeld naar gelang de diepte waarop de archeologische waarden worden verwacht, namelijk: 3.1 direct onder het maaiveld of op een dieper niveau. 3.2 beneden 0 meter NAP. 3.3 dieper dan 3 meter beneden NAP. NB. Ter plaatse ligt het maaiveld ongeveer op NAP. In gebieden met categorie 3 is voor grondroerende werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 200 vierkante meter, afhankelijk van de verstoringsdiepte, een omgevingsvergunning verplicht. Dit geldt niet voor werken en werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gebieden en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. Voor de verlening van en ontheffing en/of omgevingsvergunning moet een plan van de voorgenomen werkzaamheden worden voorgelegd aan het BOOR. Op basis van dit plan beoordeelt het BOOR of in het voorliggende geval een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) voorafgaande aan de voorgenomen werkzaamheden noodzakelijk is. De locaties en toegestane verstoringsdiepten, waarvoor al dan niet en ontheffing en/of omgevingsvergunning geldt, vindt men op de Verbeelding (bestemmingsplankaart) en in de Regels bij de geldende Bestemmingsplannen. Is een specifieke archeologische paragraaf binnen het Bestemmingsplan nog niet voorhanden, dan moet men hierover informatie in te winnen bij het BOOR. 4.

Gebieden met een redelijk tot hoge archeologische verwachting, waterbodems. In de gebieden met categorie 4 geldt dat bij ingrepen met een oppervlak van meer dan 200 vierkante meter en dieper dan de huidige onderwaterbodem, het BOOR moet beoordelen of een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Dit geldt niet voor werkzaamheden en werken gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gebieden. Voor de vervanging van de VBB zijn de gebieden met de categorieën 2, 3.1, 3.2 en 4 van belang. In het kader van de voorbereidende werkzaamheden is het planvoornemen voorgelegd aan het BOOR.

4.9.2 Onderzoek In het kader van de renovatie van de Van Brienenoordbrug is overleg geweest met de gemeente Rotterdam (BOOR) en is eveneens een beoordeling gevraagd over de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek, zoals ook wordt geëist op grond van de verschillende archeologische dubbelbestemmingen binnen de vigerende bestemmingsplannen waar het projectgebied is gelegen. Bij brief van 27 juni 2018, met kenmerk: AS18/09429-18/0014550, heeft de directeur Stadsbeheer Openbare Werken van de gemeente Rotterdam laten weten, dat er geen reden is tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek op locatie). In de brief is verder aangegeven dat de locatie van het projectgebied vrijgegeven kan worden zonder archeologische bemoeienis. Wel moet er rekening worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten. Doen zich toevalsvondsten voor, dan moet op basis van de Erfgoedwet, artikel 5.10 het bevoegd gezag (gemeente Rotterdam) worden geïnformeerd. In augustus 2021 is een hernieuwd advies gevraagd aan het de gemeente Rotterdam in verband met de gewijzigde plannen (vervanging in plaats van renovatie). Op 14 september 2021 heeft de gemeente Rotterdam bevestigd dat het advies van 27 juni 2018 ook op de basis van de gewijzigde plannen ongewijzigd blijft.

Onderbouwing Ter onderbouwing van voorgaande conclusie wordt het volgende aangegeven: Op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) wordt aan de locatie een redelijk tot zeer hoge archeologische verwachting toegekend. Voor het noordelijk werkterrein geldt conform het bestemmingsplan ‘Kralingseveer’ een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die ook een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2, respectievelijk 200 m2. Voor het zuidelijk werkterrein geldt

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 55/70 2021-10-05

volgens het bestemmingsplan ‘Oud-IJsselmonde’ een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2. De strengere marges hebben te maken met de aanwezigheid van historische dijktracés en de nabijheid van de historische kernen van de (voormalige) dorpen IJsselmonde en Kralingen. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit het inrichten van drie werkterreinen in verband met onderhoudswerkzaamheden aan de brug. De bouwwerkzaamheden zelf vinden op hoogte plaats. Bij de inrichting van de werkterreinen zal de bodem naar alle waarschijnlijkheid niet tot nauwelijks geroerd worden. De werkzaamheden overschrijden mogelijk toch de vrij scherpe marges van toegestane ontgravingsdiepte van de vigerende bestemmingsplannen. In verband hiermee is de archeologische plantoets uitgevoerd. Hieruit volgt dat de ontgravingen opgehoogd gebied betreffen; de huidige maaiveldhoogte ligt tussen de 3 en 5 meter + NAP, de oorspronkelijke maaiveldhoogte was 0 tot 1,5 meter - NAP. Eventuele grondroerende werkzaamheden zullen dus zeer waarschijnlijk het oorspronkelijke maaiveldniveau niet bereiken, eventuele archeologische waarden op dit niveau of in de natuurlijke afzettingen eronder worden daarom niet bedreigd.

In verband hiermee acht de gemeente Rotterdam een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk. Bij eventuele wijzigingen in het aanlegplan, specifiek een diepere ontgraving, kan een archeologisch vooronderzoek alsnog nodig zijn en dient het opnieuw aan de afdeling Archeologie te worden voorgelegd. Binnen het project worden aan de zuidoever ook waterbassins voor hemelwater gerealiseerd. De diepte van de ontgraving voor deze bassins blijft binnen de marge van de ophoging die destijds heeft plaatsgevonden. Er hoeft niet ontgraven te worden in de oorspronkelijk maaiveldhoogte, zodat het onderdeel archeologie is veiliggesteld. Hoewel de oppervlakte van de waterbassins met bijbehorende voorzieningen binnen de 100 m2 blijft, vormt dit geen voorwaarde voor toetsing aan archeologie, nu de ontgraving boven de oorspronkelijke maaiveldhoogte plaatsvindt.

4.9.3 Conclusie Voor de renovatie van de Van Brienenoordbrug en de daaraan gekoppelde aanleg en het gebruik van de werkterreinen zijn (met uitzondering van het ingraven van de olieafscheider) geen grondwerkzaamheden noodzakelijk. Hierdoor is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet aan de orde. De eventuele graafwerkzaamheden blijven beperkt tot de aanleg van waterbassins voor de opvang en zuivering van hemelwater van de Van Brienenoordbrug. Het ontgraven voor de aanleg van de waterbassins vindt enkel plaats in de destijds opgehoogde grond. Ontgravingen dieper dan de oorspronkelijke maaiveldhoogte zijn niet aan de orde, waardoor eventuele archeologische waarden in de bodem zeker zijn gesteld. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de omgevingsvergunningprocedure.

4.10 Cultuurhistorie 4.10.1 Wettelijk en beleidskader Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke naar verwachting op 1 juli 2022 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening dient te worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

4.10.2 Onderzoek Om de bouwgeschiedenis en daarmee ook de cultuurhistorie en de cultuurhistorische waarden van de Van Brienenoordbrug te beschrijven is door het Monumenten Advies Bureau een bouwhistorische verkenning uitgevoerd (Bouwhistorische verkenning met waardenstelling Van Brienenoordbrug Rotterdam, Monumenten Advies Bureau, 26 maart 2019, bijlage 5).

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 56/70 2021-10-05

Bij de vervanging van de brug wordt de belangrijke geschiedenis van de Van Brienenoordbrug zoveel mogelijk beleefbaar gehouden. In hoofdstuk 6 van de verkenning (bijlage 5) worden voldoende handvatten geboden over hoe om te gaan met de verschillende onderdelen van de brug bij onderhoud en renovatie. Voor meer details over het onderhoud en de renovatie wordt verwezen naar deze verkenning. Belangrijk is dat de brug een icoon is en blijft en dat in zijn vorm en omvang met de jaren alleen maar steviger is geworden. Om in het ontwerpproces de ‘ingenieurskunst’ van het icoon Van Brienenoordbrug terug te kunnen brengen naar de oorspronkelijke kwaliteit, te versterken en te ‘actualiseren’, is gekeken naar vijf aspecten die het behalen van deze doelen moeten bewerkstelligen en waarmee en cultuurhistorisch element van Rotterdam wordt behouden en versterkt. Het gaat hierbij om de volgende aspecten: 1. visuele samenhang; 2. inpassing in de omgeving; 3. duurzaamheid; 4. veiligheid; 5. onderhoudbaarheid. Op deze aspecten wordt hierna kort ingegaan. 1. Visuele samenhang: Dit thema betreft met name de relatie tussen de oude brug (gerenoveerde en naar oost verplaatste westboog) en de nieuwe brug (nieuwe westboog).

Door de bestaande, in het oog springende onderdelen van de oude brug te reduceren (ontrommelen) en het ontwerp van de nieuwe brug ‘stateof-the-art’ uit te voeren, wordt visuele ruis voorkomen en de relatie tussen de bruggen visueel versterkt en er ontstaat meer samenhang. 2. Inpassing in de omgeving: Dit thema heeft direct betrekking op een oorspronkelijk ontwerpmotief van de brug, namelijk dat de brug is ontworpen op het uitzicht vanaf de brug. Tegelijkertijd heeft dit thema betrekking op een belangrijk aspect van het VenR (Vervanging en Renovatie) programma waarin leefbaarheid als belangrijk onderwerp naar voren komt. Waar mogelijk worden daarom kansen benoemd. 3. Duurzaamheid: Dit thema heeft betrekking op alle onderdelen van zowel de oude als de nieuwe brug. Nieuwe toevoegingen zijn duurzaam qua ecologie en natuur. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen, (demontabele) onderhoudsarme detailleringen en constructies. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan de sloopwerkzaamheden, het demontageproces, en het bouwproces. 4. Veiligheid: Dit thema heeft betrekking op alle onderdelen op en rondom de brug. De vormgeving van de brug dient de veiligheidsvoorzieningen van de gebruiker en omwonenden te integreren en de sociale veiligheid te faciliteren. Daarbij wordt het zicht vanaf of op de brug zo min mogelijk belemmerd. 5.

Onderhoudbaarheid: Nieuwe toevoegingen aan de brug dienen onderhoudsvriendelijk te worden ontworpen. Dit houdt in dat er vlak en strak gedetailleerd wordt zonder richeltjes, uitstekende randen of hoeken, zodat verwering en corrosie tot een minimum worden beperkt. Vertaling in brugontwerp Een analyse van de kernkwaliteiten en diskwaliteiten van de brug laat zien dat de brug waarde heeft vanwege zijn ‘ingenieurskunst’, maar ook vanwege zijn onderscheidende, monumentale en iconische karakter in de context van de stad Rotterdam. Het huidige ensemble van de brug toont diverse tijdlagen echter met weinig samenhang. Er is daardoor geen sprake van een samenwerkend en elkaar versterkend geheel. De vormgevings- en inpassingsvisie is opgesteld met het doel om het icoon Van Brienenoordbrug terug te brengen op basis van de oorspronkelijke kwaliteit, deze te versterken en te ‘actualiseren’. Aan de hand van de twee bovengenoemde hoofdthema’s en drie basisaspecten per

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 57/70 2021-10-05

brugonderdeel, is het ontwerp van de nieuwe brug en al zijn onderdelen kritisch en zorgvuldig beschouwd. Samengevat pleit de visie voor het versterken van de cultuurhistorische waarde van het icoon Van Brienenoordbrug met als resultaat ‘gesamtkunst’, door: 1. Ingenieurskunst als credo wat betekent: ontrommelen van het geheel en een ‘state-of-the art’, duurzame, ‘smooth’ detaillering van de nieuwe westbrug, als ook de nieuwe componenten en onderdelen. 2. Onbelemmerd uitzicht op en vanaf de brug. 3. Een hoogwaardig kleur- en lichtplan. Tevens pleit de visie voor: 4. Een hoogwaardig, sociaal veilige, comfortabele fietsverbinding. 5. Zoveel mogelijk creëren van sociaal veilige en attractieve ondergebieden. Ingrepen Boogbruggen Oostboog wordt verwijderd en niet meer teruggeplaatst. Westboog wordt gerenoveerd en teruggeplaatst op de positie van de oostboog. Op de positie van de westboog komt een gloednieuwe boogbrug. Deze nieuwe brug zal in vorm en beeld op hoofdlijnen gelijk zijn aan de westboog maar strak en modern gedetailleerd en met de nieuwste technieken gemaakt (bijvoorbeeld volledig gelast in plaats van boutverbindingen). Belangrijkste uitgangspunt is de samenhang tussen beide bogen.

Daarbij zal een aantal noodzakelijke en daarmee beeldbepalende aanpassingen aan de gerenoveerde westboog als onderlegger dienen voor de vormgeving van de nieuwe boogbrug waarmee hun onderlinge samenhang is gewaarborgd. Pijlers Bovenzijde pijlers 1990 wordt verwijderd om bogen te kunnen uitvaren/verwijderen. Hierbij wordt ook het bedienhuis weggehaald. Pijlers 1965 blijven intact. De pijlers zullen worden voorzien van een geperforeerde bekleding die enerzijds zorgt voor visuele samenhang tussen de oudste en nieuwste pijlers maar anderzijds ook de oorspronkelijke verschillen zichtbaar laat door de perforaties heen. De constructieve toevoegingen op de pijlers zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm van de pijlers Fietspad Aan de gerenoveerde boog zal een nieuw fietspad met eveneens nieuw leuningwerk worden bevestigd. De vormgeving van het nieuwe leuningwerk is een eigentijdse interpretatie van de oorspronkelijke leuning die als belangrijk beeldkenmerk is aangemerkt. De oude leuning 1-op-1 terugplaatsen kan niet omdat deze niet voldoet aan de nu geldende minimale veiligheidseisen en ook vanuit het oogpunt van comfort en gevoel van veiligheid voor fietsers een hogere leuning noodzakelijk is. Val en basculekelder De ingrepen aan de basculekelder zullen aanzienlijk zijn zeker in relatie tot de bouwhistorie van deze onderdelen.

Denk hierbij aan geheel vervangen van beide vallen + bijbehorend bewegingswerk. Desondanks wordt zoveel mogelijk gewerkt in de geest van de bouwhistorie van de basculekelder.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 58/70 2021-10-05

Kleur en verlichting Esthetische verlichting van bogen is nu aanwezig en komt terug, aangevuld met esthetische verlichting van alle drie de vallen en ook de kopse zijden pijlerbekleding. Openbare verlichting op hoofdrijbanen boogbruggen komen op buitenzijde boog te staan afgeleid van de situatie uit 1965. Openbare verlichting van fietspad op boogbruggen is verwerkt in het leuningwerk. De kleurstelling van de nieuwe brug zal passend zijn bij de brug zelf, passend binnen de reeks grote Maasbruggen in de stad Rotterdam maar duidelijk anders zijn dan de huidige kleurstelling.

4.10.3 Conclusie Met de renovatie en vervanging van de Van Brienenoordbrug wordt, met toepassing van technieken van deze tijd, zoveel mogelijk aangesloten bij het karakter en de uitstraling van de huidige brug. De cultuurhistorische waarde van de brug blijft hierdoor behouden en de verschillende tijdslagen blijven zichtbaar.

4.11 Ontplofbare oorlogsresten In het kader van deze ruimtelijke onderbouwing is bekeken in hoeverre ontplofbare oorlogsresten een risico vormen bij de noodzakelijke werkzaamheden aan en rond de Van Brienenoordbrug (Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten vervanging Van Brienenoordbrug, Royal HaskoningDHV, 21 oktober 2021, bijlage 6). Er is in de ontwerpfase onderzoek gedaan om zo inzichtelijk te maken of er onnodige risico’s ontstaan in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden. In deze paragraaf wordt eerst een toelichting gegeven en het juridisch kader geschetst. Daarna wordt ingegaan op het zoekgebied, de onderzoeksresultaten benoemd en conclusies getrokken en wordt het onderzoek ingekaderd voor wat betreft de grondroerende werkzaamheden.

4.11.1 Wettelijk en beleidskader In Nederland zijn in de (Eerste en) Tweede Wereldoorlog (WOII) veel munitie en explosieven achtergebleven in de (water)bodem, die niet tot ontploffing zijn gekomen: ontplofbare oorlogsresten (OO). Op het moment dat in de nabijheid van deze ontplofbare oorlogsresten trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze alsnog afgaan. Denk bijvoorbeeld aan werkzaamheden als graven, boren, heien en grondverzet. Dit levert gevaar op voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, uitvoerders en andere personen in de omgeving van de werkzaamheden. Om de risico’s van ongewenst afgaan van OO zoveel mogelijk te beperken, is voldoende en goed vooronderzoek (en indien nodig vervolgstappen opsporing) door een deskundige belangrijk. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar (en de ruiming van) eventuele explosieven ligt in eerste instantie bij RWS als opdrachtgever/initiatiefnemer van de graaf- en grondwerkzaamheden. Het opsporen van OO die als gevolg van de WOII in de (water)bodem zijn achtergebleven, mag op grond van het Arbobesluit alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor gecertificeerd zijn. Bijlage XII bij de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling bij de Arbowet) bevatte het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE).

Deze is per 1 januari 2021 vervangen door het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). In het CS-OOO staat beschreven welke bronnen in het vooronderzoek (tenminste) moeten worden geraadpleegd en op welke wijze de beoordeling van het bronnenmateriaal moet plaatsvinden. Hiermee is de ‘minimale onderzoeksinspanning' voor het vooronderzoek omschreven. De gemeente is bevoegd gezag voor openbare orde en veiligheid. Gemeente Rotterdam heeft een bommenkaart ontwikkeld die voldoet aan de minimumeisen vanuit de WSCS-OCE (thans CS-OOO). Als een locatie op deze bommenkaart staat aangegeven, wil dit niet zeggen dat er ook daadwerkelijk oorlogsresten liggen. De gemeente heeft wel aanwijzingen dat dit het geval is. Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied OO aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. Conform het CS-OOO wordt het vooronderzoek bij de conclusie “verdacht” gevolgd door vervolgonderzoek (opsporing).

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 59/70 2021-10-05

4.11.2 Onderzoek Het grootste deel van het terrein rond de Van Brienenoordbrug (weergegeven in figuur 4.9) is niet verdacht wat betreft OO. Grondroerende werkzaamheden zoals voorzien3, vinden plaats buiten OOverdachte gebieden. Op basis van deze inventarisatie is dan ook geen aanvullend onderzoek of OOopsporingswerkzaamheden benodigd. Aan de oostzijde van brug, oa bij de kade Merode wordt nog gezocht naar een tijdelijke ligplaats voor de bruggen. Bij die zoektocht dient wel rekening gehouden te worden met OO-verdachte locaties.

Figuur 4.9 Scope werkzaamheden VBB t.b.v. aanvullend onderzoek CE dec 2019 Bovengenoemde informatie is verkregen via de actuele ‘bommenkaart’ van de gemeente Rotterdam (figuur 4.10) en onderzoek op grondgebied van de gemeente Capelle aan den IJssel, opgesteld volgens de WSCS-OCE (thans CS-OOO). Op basis van de bommenkaart van de gemeente Rotterdam blijken enkele gebieden nabij de Van Brienenoordbrug OO-verdacht (paarse contouren in figuur 4.10). Binnen deze verdachte gebieden zijn geen graafwerkzaamheden voorzien. Voor het deel op de noordoever dat op grondgebied van de gemeente Capelle aan den IJssel valt, zijn de resultaten van een onderzoek op deze locatie bruikbaar: 150079 – 013 eindrapport VO 102A Nieuwe Maas. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat ook dit gebied geen extra verdachte gebieden oplevert. Bij deze beoordeling is aanvullend rekening gehouden met een veiligheidsmarge van 10 meter (straal) rondom op afwerpmunitie verdachte gebieden in verband met mogelijke effecten van trillingen. Dit omdat nog niet duidelijk (bepaald) is hoe trillingen bijdragen aan het laten afgaan van bepaalde ontstekers.

3

Denk bijvoorbeeld aan grondroerende werkzaamheden t.b.v. o.a.: - Onderzoeken, waaronder grondonderzoek, inspectie pijlers, lokaliseren K&L; - Realisatie: aanbrengen HWA, aanleg werkterreinen en kranenplatform, plaatsen hulpconstructies, meerpalen/ankers voor brugwissel, aanleg/verplaatsen K&L. Daarnaast is ruimte nodig voor het tijdelijk parkeren van afgekoppelde bruggen in de nabijheid van de brug. Er vindt nog onderzoek plaats naar de locatie van de tijdelijke afmeerplaatsen (‘parkeerplaatsen’), waarbij o.m. wordt gedacht aan de bestaande kade aan de oostkant (Merode).

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 60/70 2021-10-05

Figuur 4.10 Uitsnede Bommenkaart Gemeente leven/bommenkaart/ geraadpleegd in oktober 2021

Rotterdam

https://www.rotterdam.nl/wonen-

Verantwoording De toets op aanwezigheid van OO is uitgevoerd met advisering van de adviseur Ontplofbare Oorlogsresten van RWS. Daarbij is uitgegaan van de CS-OOO die per 1 januari 2021 de WSCS-OCE vervangt. Met de overgang van WSCS-OCE naar CS-OOO is het Historisch vooronderzoek (HVO) uit de wet- en regelgeving gehaald. In afwachting van de uitwerking aanpak certificering en vooronderzoeken, maakt RWS gebruik van de aanpak vooronderzoeken zoals onder de voormalige WSCS-OCE gold. Met de gevolgde processtappen waarvan deze memo het resultaat is, heeft RWS voldaan aan haar wettelijke verplichtingen in het kader van de Arbowet.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 61/70 2021-10-05

Advies vervolg  Aanvullend onderzoek als wijziging uitvoering/scope Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is er geen reden voor aanvullend onderzoek. Indien er toch grondroerende werkzaamheden verricht worden binnen het OO-verdacht gebied en/of binnen de aanvullende 10-meterzone, dan is aanvullend onderzoek wel nodig. Mocht die situatie zich voordoen, dan is het advies opnieuw contact op te nemen met de adviseurs Ontplofbare Oorlogsresten van RWS.  Proces toevalsvondsten contractueel borgen Met het volgen van de processtappen heeft RWS voldaan aan haar wettelijke verplichtingen in het kader van de Arbowet. Uiteindelijk is er sprake van een restrisico, namelijk het onverwacht aantreffen van een explosief door de aannemer. Indien een OO onverwacht wordt aangetroffen, is de aannemer contractueel verplicht dit te melden aan het bevoegd gezag en aan RWS. Dit proces wordt contractueel vastgelegd en nader beschreven in het ‘Protocol onverwacht aantreffen van (vermoedelijke) OO’ dat in het contract met de aannemer wordt opgenomen.  Bommenkaart koppelen aan systeemgrenzen Op basis van de huidige plannen, vinden geen (grondroerende) werkzaamheden plaats binnen OOverdachte gebieden. Om te borgen dat ook bij eventuele wijzigingen van de plannen de verdachte gebieden inzichtelijk zijn, wordt de systeemgrens om de verdachte gebieden heengelegd.

Contractueel mag de aannemer geen werkzaamheden uitvoeren buiten de systeemgrens. De uitsnede van de bommenkaart van de gemeente Rotterdam met verdachte gebieden zal (met de extra veiligheidszone van 10 meter (straal) in verband met trillingen) als tekeninglaag worden toegevoegd aan de tekening van de bestaande situatie. De aanpassing van de systeemgrens garandeert dat ook op de andere tekeningen de OO-verdachte gebieden (met veiligheidsmarge) buiten het werkterrein vallen. Mochten bij wijziging van de (grondroerende) werkzaamheden toch verdachte gebieden geraakt worden, dan wordt dit vroegtijdig duidelijk omdat de aannemer toestemming nodig heeft om buiten de systeemgrens te werken.

4.11.3 Conclusie Het grootste deel van het terrein rond de Van Brienenoordbrug is niet verdacht wat betreft OO. Grondroerende werkzaamheden zoals voorzien, vinden plaats buiten OO-verdachte gebieden. Op basis van deze inventarisatie is dan ook geen aanvullend onderzoek of OO-opsporingswerkzaamheden benodigd. Het onderdeel ontplofbare oorlogsresten vormt daardoor geen belemmering voor de uitvoering van dit project VBB.

4.12 Externe veiligheid 4.12.1 Wettelijk en beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Hieronder valt onder andere het vervoer van gevaarlijke stoffen over bijvoorbeeld de weg. Een incident op de weg met een tankauto met gevaarlijke stoffen kan ertoe leiden dat gevaarlijke stoffen vrijkomen. Als gevolg hiervan kunnen mensen komen te overlijden. De risico’s van dergelijke ongelukken worden uitgedrukt in de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarnaast bestaat er de plicht om het groepsrisico in bepaalde gevallen te verantwoorden en dient ingegaan te worden op het plasbrandaandachtsgebied. Basisnet Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is geregeld in het zogenaamde basisnet. Het basisnet maakt onderscheid tussen de vervoerszijde en de ruimtelijke zijde. Op wijzigingen aan de vervoerszijde zijn de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten , (verder aangeduid met ‘Beleidsregels EV-beoordeling’) van toepassing. Zie onderstaand kader voor een toelichting op wat het basisnet inhoudt.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 62/70 2021-10-05

Basisnet Het basisnet vormt het wettelijk kader om de spanning te beheersen tussen: 1. de noodzaak en toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen 2. de behoefte om de fysieke ruimte langs en boven de infrastructuur intensiever te benutten 3. het bieden van een maatschappelijk geaccepteerd beschermingsniveau aan mensen die wonen, werken en recreëren langs transportroutes die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gebruikt kunnen worden. Het basisnet houdt een netwerk van voor het (doorgaande) vervoer van gevaarlijke stoffen van belang geachte infrastructuur in, waaraan een begrensde risicoruimte wordt gegund. Langs of op elke (vaar- en spoor-)weg die deel uit maakt van het basisnet worden plaatsen aangewezen waar het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer mag bedragen dan hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is. Gezamenlijk vormen deze plaatsen (denkbeeldige) risicolijnen langs of op het basisnet die voor het vervoer beschikbare risicoruimte aangeven. Binnen die risicoruimte gelden ruimtelijke beperkingen. De risicoruimte wordt gevormd door de plaatsgebonden risico 10-6 per jaar contour, maar de erbij horende risicoplafonds zijn gebaseerd op het maximale risico dat het vervoer van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken.

4.12.2 Onderzoek De vervanging van de Van Brienenoordbrug is onderzocht op het aspect externe veiligheid (Deelonderzoek externe veiligheid, Royal HaskoningDHV ARUP, oktober 2021, bijlage 7). Plaatsgebonden risico Het project leidt niet tot een (dreigende) overschrijding van het PR- risicoplafond van de A16. Er is geen sprake van een toename van de transporten gevaarlijke stoffen en ook van een wijziging van de ongevalsfrequentie. Dit betekent dat het project geen consequenties heeft voor het PR- plafond van relevante wegvakken van de rijksweg A16 zoals opgenomen in de Regeling Basisnet. Groepsrisico Het wegvak van de A16 dat binnen het projectgebied ligt heeft geen GR-plafond. Domino-effecten Voor het aspect domino-effecten is gekeken of in de omgeving van het tracé Brzo-inrichtingen, inrichtingen met opslag van explosieven voor civiel gebruik en windturbines zijn gelegen die mogelijk invloed kunnen hebben op de externe veiligheidsrisico’s van de A16. In de omgeving van de weg bevinden zich geen Brzo-inrichtingen. Tevens zijn er in de omgeving van de weg geen inrichtingen aanwezig met opslag van explosieven voor civiel gebruik. Ten aanzien van windturbines blijkt dat er één windturbine nabij de weg ligt. Deze ligt op voldoende afstand van de weg.

Aanlegfase In de aanlegfase vinden geen veranderingen aan de A16 plaats ten opzichte van de plansituatie die van invloed zijn op externe veiligheid. De effecten van de aanlegfase zijn daarom voor het milieuaspect externe veiligheid gelijk aan de effecten van de plansituatie. Tevens is er geen aanleiding tot onderzoek voor de beoordeling van de effecten van de tijdelijke omleidingsroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De boogbruggen en beweegbare bruggen worden op de tijdelijke werf gerealiseerd en enkel ter plaatse geplaatst en verankerd. Daarbij wordt geen gebruik gemaakt van gevaarlijke stoffen.

4.12.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect externe veiligheid bestaan er geen risico’s voor de renovatie van de Van Brienenoordbrug.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 63/70 2021-10-05

4.13 Nautische veiligheid 4.13.1 Wettelijk en beleidskader Nautische veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van het gebruik van vaarwegen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient in dit geval aandacht te zijn voor dit aspect.

4.13.2 Onderzoek Inleiding Deze memo beschrijft de aanpak die het project VBB volgt om de nautische veiligheid te beheersen. De nautische veiligheid wordt primair gewaarborgd door de verkeersregels waar de scheepvaart zich aan moet houden. Tijdens en na de werkzaamheden zal hier niets aan veranderen. Bovendien geldt dat de afmetingen en het gebruik van de vaarweg op elkaar zijn afgestemd en daarmee inherent veilig zijn. Om de vaarwegbeheerder in de gelegenheid te stellen (waar nodig) passende maatregelen te nemen om de veiligheid op de vaarweg te garanderen, levert het project input inclusief modelgegevens aan. Hierbij maken we onderscheid tussen maatregelen benodigd:  direct rond de Van Brienenoordbrug tijdens uitvoering;  op de omleidingsroute voor scheepvaart bij stremming Nieuwe Maas en bij stremming van hoge scheepvaart;  tijdens transport van bruggen tussen werf en bruglocatie. Stakeholders Bij het vaststellen van de benodigde maatregelen zijn de volgende stakeholders betrokken:  Havenbedrijf Rotterdam (HbR), met name Dienst Havenmeester Rotterdam. Bespreken en vaststellen van benodigde maatregelen voor gebied waar HbR vaarwegbeheerder is (met name rond de brug zelf);  Rijkswaterstaat VWM: Vaarwegbeheerder voor omvaarroute;  Werkgroep Scheepvaart VBB: opstellen scheepvaartverkeerssimulatie en afstemming van vaarweggebruikers.

Deelnemers zijn CBRB, BLN-Schuttevaer-, HbR en RWS.  Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR): toestemming verkrijgen voor stremming Nieuwe Maas. Nautische veiligheid per projectfase Er zijn verschillende fases te onderscheiden waarbij de inherente nautische veiligheid op de vaarweg mogelijk wijzigt: 1. Definitieve situatie: na de vervanging van de bruggen. 2. Tijdelijke situatie: tijdens werkzaamheden aan de vaste bogen. 3. Tijdelijke situatie: tijdens de werkzaamheden aan de beweegbare brug. 4. Tijdelijke situatie: tijdens transport bruggen van/ naar werf. 5. Tijdelijke situatie: tijdens de brugwissels. 1. Definitieve situatie: na de vervanging van de bruggen De situatie na de vervanging van de bruggen is gelijk aan de huidige situatie (één-op-één vervanging). De nautische veiligheid zal daarom niet veranderen. 2. Tijdelijke situatie: tijdens werkzaamheden aan de vaste bogen Tijdens de werkzaamheden aan de vaste bogen zal de breedte van de vaarweg onder de brug tijdelijk worden versmald. Als er sprake is van één vrije doorvaart onder de vaste overspanning zal deze niet smaller zijn dan 110 m (tweeweg verkeer CEMT-klasse VIc). Als er sprake is van twee afzonderlijke doorvaarten onder de vaste overspanning zal elk van deze doorvaarten niet smaller zijn dan 66 m. Deze versmalling van de vaarweg is afgestemd met de vaarwegbeheerder (RWS en HbR).

De versmallingen worden op de gebruikelijk wijze nautisch gemarkeerd en met de scheepvaart gecommuniceerd. Daarnaast zal tijdens de versmalling van de vaarweg actieve lokale scheepvaartbegeleiding aanwezig zijn en zal er in de versmalling een oploopverbod gelden. Deze maatregelen kunnen voor de scheepvaart tot minimale vertraging leiden. De schepen behouden de vrijheid om de route onder de van Brienenoordbrug te blijven varen, maar kunnen ook kiezen voor de alternatieve route via de Oude Maas.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 64/70 2021-10-05

Wat betreft de nautische veiligheid is een lichte verschuiving van verkeersstromen richting de Oude Maas mogelijk. 3. Tijdelijke situatie: tijdens de werkzaamheden aan de beweegbare brug Tijdens de werkzaamheden aan de beweegbare brug wordt de passeerbaarheid van de brug voor de hoge vaart onmogelijk. Voor de hoge vaart wordt een omvaarroute gebruikt over de Oude Maas. Op het moment dat meer duidelijk is over de uitvoering van de werkzaamheden aan de beweegbare brug, zal nadere afstemming plaatsvinden met de stakeholders. 4. Tijdelijke situatie: tijdens transport bruggen van/ naar werf Er vindt vier keer een transport van een brug op pontons plaats. De exacte locatie van de brugwerf is nog niet bekend, maar het transport zal waarschijnlijk via de Nieuwe Maas en Oude Maas zijn, en resulteren in een dynamische stremming. 5. Tijdelijke situatie: tijdens de brugwissels Tijdens de brugwissels wordt de vaarweg onder de van Brienenoordbrug volledig gestremd voor de scheepvaart. Alle schepen zullen dan van de route via de Oude Maas gebruik moeten maken. Op de Oude Maas neemt de verkeersintensiteit toe. Met behulp van een scheepvaartverkeerssimulatie is de verwachtte situatie onderzocht. Het te verwachten gevolg van stremming van de van Brienenoordbrug is dat: 1. Het drukker wordt op de alternatieve vaarweg.

Bij grotere drukte op een vaarweg is het gebruikelijk dat schepen hun snelheid verminderen en op kortere afstand van elkaar gaan varen, vergelijkbaar met de situatie op de weg. 2. De bruggen op de alternatieve route vaker en langer open moeten voor de scheepvaart en dat het aantal wachtende schepen voor de bruggen toeneemt. Figuur 4.11 toont het gemiddeld aantal scheepspassages per dag op de alternatieve vaarwegen in de situatie met en zonder stremming bij de VBB. De getoonde data corresponderen met de drukke maanden juni en juli. Hieruit volgt dat:  De stremming bij de VBB resulteert in een (ruime) verdubbeling van het gemiddeld aantal scheepspassages op de Oude Maas.  De stremming bij de VBB resulteert in een beperkte toename van het gemiddeld aantal scheepspassages op de Noord (zie data ‘Alblasserdamsebrug’).  De stremming bij de VBB resulteert in een toename van de hoeveelheid zeevaart op de alternatieve vaarwegen (Oude Maas en Noord).

Figuur 4.11: Gemiddeld aantal scheepspassages per dag op de alternatieve vaarwegen in de situatie met en zonder stremming bij de VBB

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 65/70 2021-10-05

Figuur 4.12 toont het gemiddeld aantal brugpassages per dag bij een geopende brug in de situatie met en zonder stremming bij de VBB. De getoonde data corresponderen met de drukke maanden juni en juli. Hieruit volgt dat de stremming bij de VBB resulteert in:  een toename van circa 79% van het gemiddeld aantal brugpassages per dag bij de Alblasserdamsebrug (Noord);  een toename van circa 90% van het gemiddeld aantal brugpassages per dag van de Spooren Verkeersbrug Dordrecht;  een toename van circa 16% van het gemiddeld aantal brugpassages per dag bij de Spijkenisserbrug;  een beperkte toename van het gemiddeld aantal brugpassages per dag bij de Botlekbrug. Het verschil met de Spijkenisserbrug wordt mede veroorzaakt door het feit dat de Botlekbrug een grotere doorvaarthoogte heeft.

Figuur 4.12: Gemiddeld aantal brugpassages per dag bij een geopende brug in de situatie met en zonder stremming bij de VBB Figuur 4.13 toont het gemiddeld aantal brugopeningen per dag in de situatie met en zonder stremming bij de VBB. De getoonde data corresponderen met de drukke maanden juni en juli. Hieruit volgt dat de stremming bij de VBB resulteert in:  een toename van circa 76% van het gemiddeld aantal brugopeningen per dag van de Alblasserdamsebrug (Noord);  een toename van circa 76% van het gemiddeld aantal brugopeningen per dag van de Spooren Verkeersbrug Dordrecht;  een toename van circa 15% van het gemiddeld aantal brugopeningen per dag van de Spijkenisserbrug;  een beperkte toename van het gemiddeld aantal brugopeningen per dag bij de Botlekbrug. Het verschil met de Spijkenisserbrug wordt mede veroorzaakt door het feit dat de Botlekbrug een grotere doorvaarthoogte heeft. Er dient opgemerkt te worden dat het model het openingsregime van de bruggen in acht neemt. Zo gaan de Botlekbrug en Spijkenisserbrug voor de commerciële vaart ‘op verzoek’ open, en is de Spooren Verkeersbrug Dordrecht gebonden aan een openingsregime volgens schema.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 66/70 2021-10-05

Figuur 4.13: Gemiddeld aantal brugopeningen per dag in de situatie met en zonder stremming bij de VBB Het aantal schepen dat (op de drukste momenten) moet wachten op een brugopening neemt in de situatie met stremming bij de VBB (in absolute zin) licht toe (zie Error! Reference source not found. 4.4). Hieruit volgt dat het toegenomen aantal schepen dat een brugopening nodig heeft (zie figuur 4.13) vooral ‘opgevangen’ wordt door een toename in het aantal brugopeningen (zie figuur 4.14). Hierdoor neemt ook de duur van een opening beperkt toe. De openingsduur van de Spoor- en Verkeersbrug Dordrecht is sowieso beperkt tot 6 minuten. Tabel 4.4 maximale lengte wachtrij met en zonder stremming bij de Van Brienenoordbrug Brug Maximale lengte wachtrij Maximale lengte wachtrij (geen stremming) (stremming) Alblasserdamsebrug 3 4 Botlekbrug 2 2 Spijkenisserbrug 2 2 Spoor- en Verkeersbrug Dordrecht 2 3 Validatie scheepvaartmodel De resultaten van het model zijn getoetst met de verkeerspost Botlek voor de situatie op de kruising Oude Maas – Scheur/Nieuwe Waterweg/Nieuwe Maas. De geschetste situatie tijdens de afsluiting werd als redelijk gezien en niet veel anders dan een druk moment op een willekeurige dag. Eenzelfde toets heeft plaatsgevonden op de verkeerspost Dordrecht.

De verkeersbegeleiders hier vonden een inschatting op basis van de model visualisatie moeilijk te maken en willen de situatie in hun trainingssimulator nabootsen om een betere indruk te krijgen. Deze toets zal nog uitgevoerd worden. Mitigerende maatregelen De vaarwegbeheerder heeft mitigerende maatregelen beschikbaar om hinder en stremming op de vaarweg te minimaliseren indien dit nodig blijkt. In eerste plaatst gebruikt de vaarwegbeheerder de modelgegevens als uitgangspunt voor de treffen maatregelen. De maatregelen zijn:  Communicatie met de scheepvaartbedrijven om deze bewust te maken van de mogelijke vertragingen op de alternatieve routes gedurende de brugwissels. De scheepvaart krijgt hierdoor de mogelijkheid om de planning van afvaarten aan te passen aan de verwachtte situatie.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 67/70 2021-10-05

 

Communicatie met de wegbeheerders en gemeentes om deze bewust te maken van de mogelijke vertragingen voor het wegverkeer door een toename van het aantal brugopeningen en de duur daarvan. Communicatie met de scheepvaart en waarschuwen voor vertraging en instellen van snelheidsbeperkingen.

In alle gevallen zal het drukker worden op de alternatieve routes maar met de grotere druktes worden vaarsnelheden (van nature of gedwongen) aangepast en worden de negatieve consequenties van incidenten steeds kleiner. Met betrekking tot de scheepvaartveiligheid en de werkzaamheden op en rond de brug hebben uitgebreide overleggen plaatsgevonden met Havenbedrijf Rotterdam (HbR). Om de veiligheid van passerende schepen en (project)medewerkers te garanderen zijn eisen gesteld aan de uitvoering en veiligheidsmaatregelen. Het project geeft deze eisen mee aan aannemer.

4.13.3 Conclusie De werkzaamheden aan de brug zullen invloed hebben op de nautische veiligheid, maar door het treffen van maatregelen (in overleg met de nautisch beheerder) ontstaat een beheerste situatie.

4.14 Kabels en leidingen 4.14.1 Wettelijk en beleidskader Bij het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van bestaande kabels en leidingen. In ruimtelijke plannen dient in ieder geval aandacht te zijn voor ruimtelijk relevante kabels en leidingen als hogedrukaardgastransportleidingen, hoogspanningsleiding en drukriolen.

4.14.2 Onderzoek en conclusie Als gevolg van de werkzaamheden bestaat er geen effect op ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Het ontwerp voor de brug voorziet eveneens in het verleggen danwel aanleggen van voor de bruggen benodigde kabels en leidingen in en rond de bruggen.

4.15 Circulariteit en duurzaamheid De Van Brienenoordbrug is een kunstwerk van Rijkswaterstaat. Het project Van Brienenoordbrug zoekt naar mogelijkheden om bij te dragen aan de doelen van Rijkswaterstaat. Die sluiten in grote lijnen aan bij de duurzaamheidsthema’s waar gemeente Rotterdam zich op richt. De drie duurzaamheidsspeerpunten van Rijkswaterstaat zijn: - Circulaire economie - Duurzame gebiedsontwikkeling - Energie & Klimaat Voor twee van deze speerpunten zijn concrete en ambitieuze doelen gesteld: Rijkswaterstaat wil klimaatneutraal zijn en circulair werken in 2030. Binnen het project Van Brienenoordbrug wordt onderzocht met welke duurzaamheidsmaatregelen bijgedragen kan worden aan de genoemde doelen van Rijkswaterstaat. Uitwerking van de ambities Binnen het project Van Brienenoordbrug wordt onderzocht met welke duurzaamheidsmaatregelen bijgedragen kan worden aan de genoemde doelen van Rijkswaterstaat, via ontwerpkeuzes dan wel door gebruik van kennis en kunde van de markt. Voor elk speerpunt zijn meerdere kansen benoemd om duurzaamheid in het project te implementeren, waarvan de haalbaarheid nader wordt onderzocht en afgewogen.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 68/70 2021-10-05

Zo wordt in het kader van duurzame gebiedsontwikkeling onder andere gekeken naar meekoppelkansen voor de definitieve afwerking van de werkterreinen na oplevering van het werk. Met het oog op energie & klimaat worden bijvoorbeeld de mogelijkheden verkend om de emissies van de bouwplaats te beperken (zou bijdragen aan de ambitie van een gezonder Rotterdam). Circulariteit (specifiek waarde behoud en waarde creatie) krijgt in het ontwerp vorm door onder meer de bestaande westboog te hergebruiken ten behoeve van de nieuwe oostboog (dit draagt bij aan een circulair Rotterdam).

4.16 Overige aspecten 4.16.1 Geurhinder Werkzaamheden als stralen, spuiten, klinken en verven vinden plaats op de tijdelijke werf welke geen onderdeel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing. Het plaatsen en verankeren van de boogbruggen en de beweegbare bruggen zal geen geurhinder veroorzaken. In de gebruiksfase zal er geen sprake zijn van geurhinder.

4.16.2 Stofhinder Werkzaamheden als stralen, spuiten, klinken en verven vinden plaats op de tijdelijke werf welke geen onderdeel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing. Het plaatsen en verankeren van de boogbruggen en de beweegbare bruggen zal geen stofhinder veroorzaken. In de gebruiksfase zal er geen sprake zijn van een toename van stofhinder.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 69/70 2021-10-05

5 Uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid

Bij ontwikkelingen die door middel van een omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, is het noodzakelijk aan te geven in hoeverre de beoogde plannen economische uitvoerbaar zijn en wie de risicodragende partij is. Het project wordt gerealiseerd in opdracht van Rijkswaterstaat, die daarvoor Rijksgelden heeft gereserveerd. Alle daarmee samenhangende kosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente en andere overheden worden geen kosten verwacht. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet nodig. Voor het verhaal van eventuele kosten (waaronder begrepen eventuele planschade) zal tussen de gemeente Rotterdam en Rijkswaterstaat een (anterieure) overeenkomst worden gesloten, zodat het verhaal van deze kosten en de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan afdoende verzekerd is.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bestuurlijk vooroverleg Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht juncto artikel 5.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de ontwerpomgevingsvergunning en bijbehorende ruimtelijke onderbouwing toegezonden aan de volgende besturen en diensten:  Waterschap Hollandse Delta  Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard  Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid Procedure De aanvraag omgevingsvergunning en bijbehorende stukken (waaronder deze ruimtelijke onderbouwing) zullen overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. Gedurende die termijn heeft eenieder de gelegenheid om een zienswijze op het plan in te dienen.

9V9589-30-DO-RP-ROB-125611

Revisie: 1.0 70/70 2021-10-05

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b1f1b14d-6e50-4c2d-9183-101eb5f927a5