21bb15202 Bijlage 1 behorende bij 21bb14364 over toelichting Ontwerpbestemmingsplan RottaNova
Tekst van het document
47
toe te voegen voor het eventueel realiseren van een entresol. Een eventuele uitbreiding van 10% van 3.000 m2 bvo kan ook opgevangen worden in de parkeerbehoefte. Een uitbreiding van 300 m2 bvo aan bijvoorbeeld horeca betekent normatief een uitbreiding van de parkeerbehoefte met 0,4 x 3 = 1,2 parkeervoorzieningen. Dit valt binnen de parkeercapaciteit. Fietsparkeren Tevens geldt er een parkeernorm voor fietsparkeerplaatsen. In artikel 9 van de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018 is opgenomen dat zodra er geen voorschriften voor een (fietsen-)berging meer zijn opgenomen in de regeling die het Bouwbesluit 2012 opvolgt, bij nieuwbouw van woningen dan wel de transformatie of herbestemming tot woningen de parkeereis, bedoeld in tabel 4.3 van hoofdstuk 4 van deze beleidsregels geldt. In appartementsgebouwen moeten de fietsparkeerplaatsen in een gezamenlijke stalling uitgevoerd worden. Via het overgangsrecht is afdeling 4.11 Stallingsruimte voor fietsen bij nieuwbouw uit het Bouwbesluit 2003 tot en met 31 maart 2022 van kracht. Hierdoor dient niet te worden getoetst aan de gemeentelijke beleidsregeling inzake fietsparkeernormen, maar de landelijke regelgeving. Hierdoor wordt de norm gevolgd van 2 fietsparkeerplaatsen per woning. Er is een fietsparkeerbehoefte van 518 fietsparkeervoorzieningen voor de woningbouw.
Voor de commerciële voorzieningen zijn er 240 fietsparkeerplekken nodig. In het programma zijn er 663 fietsparkeerplaatsen voor woningen opgenomen in de centrale stallingsruimte. Voor de commerciële voorzieningen zijn er 255 fietsparkeerplaatsen opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan de fietsparkeerbehoefte. In de regels is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om tot ten hoogste 10% aan b.v.o. toe te voegen voor het eventueel realiseren van een entresol. Een eventuele uitbreiding van 10% van 3.000 m2 bvo kan ook opgevangen worden in de parkeerbehoefte. Een uitbreiding van 300 m2 bvo horeca betekent normatief een uitbreiding van de fietsparkeerbehoefte met 18 x 3 = 54 fietsparkeerplaatsen. Er is nog ruimte voor 160 parkeerplaatsen, waardoor de fietsparkeerbehoefte van een mogelijke uitbreiding opgevangen kan worden.
48
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu
Bedrijven en milieuzonering
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
tabel 5.1 richtafstanden bedrijven en milieuzonering De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. De gemeente Rotterdam gebruikt al sinds de jaren '50 instrumenten om bedrijven in te passen in de omgeving. Dit gebeurde eerst door middel van de Hinderwetverordening. Vanaf de jaren '70 werkt de gemeente met de Rotterdamse 'Staat van Inrichtingen'. Deze is afgeleid van de inrichtingen die zijn opgenomen in het Hinderbesluit en uitgebreid met een indeling in milieucategorieën. Begin jaren '90 heeft Rotterdam beleid vastgesteld waarbij voor de milieuzonering gebruik wordt gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van
49
wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 5.1.1
Relatie tot bestemmingsplan
5.1.1.1 Algemeen Het plangebied van de RottaNova is gelegen in het stadscentrum van Rotterdam, wat te kenmerken is als een gebied met functiemenging. De bestemming 'centrum' laat de activiteiten wonen, horeca en detailhandel toe. Zoals aangegeven zijn deze functies niet opgenomen in een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Er is immers geen sprake van een bedrijfsbestemming. Om te bepalen welke vorm van horeca en detailhandel hier toelaatbaar is, wordt derhalve gebruik gemaakt van de richtafstandenlijst van de VNG. In een gebied met functiemenging wordt de volgende systematiek gehanteerd: bedrijven van categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen bedrijven van categorie B: toelaatbaar als ze bouwkundig zijn afgescheiden van woningen bedrijven van categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd aan een hoofdweg Omdat in deze situatie sprake is van horeca en detailhandel in de plint van een wooncomplex, geldt dat maximaal een milieucategorie toelaatbaar is die aanpandig aan woningen gerealiseerd kan worden (categorie A). Voor een Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging wordt verwezen naar de bijlagen behorende bij de regels van dit bestemmingsplan. Op basis van een advies van de DCMR uit het bestuurlijk vooroverleg (zie paragraaf 6.2.2) wordt in het kader van functiescheiding de omliggende activiteiten nader beschouwd.
5.1.1.2 Activiteiten rondom het plangebied Om de effecten van bestaande activiteiten in kaart te brengen, wordt per activiteit de relatie tot de ontwikkeling beschouwd. Er zijn verschillende bronnen rondom het plangebied gelegen. De omliggende bronnen zijn onder andere: horeca; terrassen; technische installaties; het op- en afbouwen van de weekmarkt; de ontwikkeling van Rif 010; dakterras van de (basis-)school/kinderdagverblijf aan de Dominee Jan Scharpstraat; en eventuele andere bekende ontwikkelingen. Op de projectlocatie geldt momenteel het bestemmingsplan “Laurenskwartier 2002”, vastgesteld op 7 september 2000 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 10 april 2001. Ter plaatse van de projectlocatie geldt de bestemming 'Centrumdoeleinden'. Op basis van deze bestemming is reeds de functie wonen op de verdiepingen mogelijk. Daarnaast zijn tevens horeca en winkels mogelijk. Met de ontwikkeling worden dus niet andere functies gerealiseerd dan reeds toegestaan, maar het bouwplan kent grotere bouwhoogten. De omliggende bronnen dienen in de huidige situatie al rekening te houden met woningen op de projectlocatie. Voor de volledigheid wordt per genoemde activiteit ingegaan op de akoestische situatie en wordt ook naar omliggende geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, gekeken.
Het op- en afbouwen van de weekmarkt Rondom de locatie van de weekmarkt zijn reeds meerdere woningen gelegen. Bovendien ligt de weekmarkt op de Binnenrotte met een afstand van 30 meter op voldoende afstand van
50
de projectlocatie. Een weekmarkt kan in het kader van bedrijven en milieuzonering vergelijken worden met een supermarkt of andere detailhandel en kent een milieucategorie van 1 met een richtstand van 10 meter in het omgevingstype rustige woonwijk. Het gebied kan vanwege de verschillende functies worden gezien als een gemengd gebied en dan is de richtafstand 0 meter. Vanwege de toepassing van functiemenging in de hele omgeving, wordt dit ook gebruikt in het plan RottaNova. De Raad van State heeft in een uitspraak geoordeeld dat het toepassen van de systematiek van de VNG-brochure afdoende is voor de weekmarkt (ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1318, r.o. 6.2) en dat geen nader onderzoek benodigd is. Horeca en terrassen In de directe omgeving vindt functiemenging plaats. Dit betekent dat er geluidgevoelige functies gerealiseerd zijn met daarop of daaronder gemengde functies, zoals horecafuncties en terrassen. Zie bijvoorbeeld de Markthal waar boven een horecaplint woningen zijn gebouwd. De horeca moet al voldoen aan het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de woningen die boven deze functies zijn gerealiseerd. Bovendien ligt het plangebied met 30 meter afstand in het kader van functiescheiding buiten de richtafstanden voor horeca (milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter bij een rustige woonwijk en 0 meter in een gemengd gebied).
Rif 010 Bij de ontwikkeling van het Rif 010 is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en akoestisch onderzoek verricht voor de invloed op nabijgelegen woningen aan de Steigergracht. Uit het onderzoek is gebleken dat voor de woningen voldaan wordt en er jaarlijkse monitoring plaatsvindt. Binnen alle woningen wordt ook met het stemgeluid het binnen niveau van 35 dB(A) gehaald. De locatie van RottaNova wordt op een grotere afstand gerealiseerd dan de woningen die nabij Rif 010 zijn gelegen. Hierdoor wordt verwacht dat RottaNova geen akoestisch hinder ondervindt van Rif 010. Technische installaties Op de projectlocatie geldt momenteel het bestemmingsplan “Laurenskwartier 2002” met de bestemming 'Centrumdoeleinden'. Op basis van deze bestemming is reeds de functie wonen tot een bouwhoogte van 35 meter op de verdiepingen mogelijk. Met de ontwikkeling worden dus niet andere functies gerealiseerd dan reeds toegestaan, maar het bouwplan kent grotere bouwhoogten. De technische installaties moeten al voldoen aan de eisen die gelden voor geluidbelasting op de gevels van woningen op de projectlocatie. In de directe omgeving vindt functiemenging plaats. Dit betekent dat er geluidgevoelige functies gerealiseerd zijn met daarop of daaronder gemengde functies, zoals horecafuncties. Deze functies hebben ook koelinstallaties om voedselwaren te koelen.
Zie bijvoorbeeld de Markthal waar boven een horecaplint woningen zijn gebouwd. De installaties moeten in het kader van het Activiteitenbesluit al aan de normen voldoen voor de bestaande woningen. Hierdoor wordt er ook voor de nieuwbouw bij Rottanova aan de normen voldaan. Dakterras van de (basis-)school/kinderdagverblijf aan de Dominee Jan Scharpstraat Zoals eerder vermeld is reeds woningbouw mogelijk op de projectlocatie. Hierdoor dient de school met de dakspeelplaats al te voldoen aan de geluidnormen om te kunnen spreken van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen op de projectlocatie. Daarnaast is de school en de dakspeelplaats dichtbij andere bestaande woningen bij de Markthal en de Hang gelegen. Hierdoor dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor deze woningen sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. RottaNova komt op een grotere afstand dan de Markthal (circa 35 meter) te liggen. In het kader van functiescheiding bij de VNG-brochure wordt ook voldaan aan de richtafstand voor scholen (milieucategorie 2, 30 meter in een rustige woonwijk en 10 meter in een gemengd gebied). 5.1.1.3 Effecten op omliggende woningbouw door ontwikkeling Functies in de plint Het bestemmingsplan maakt in de plint verschillende functies, zoals horeca, detailhandel maar ook maatschappelijk en/of kantoorfuncties mogelijk.
Op basis van het huidige bestemmingsplan “Laurenskwartier 2002” is volgens de bestemming 'Centrumdoeleinden' al een mix van functies, zoals
51
woningbouw, horeca en winkels mogelijk. Een commerciële plint is dus reeds planologisch toegestaan onder woningbouw op de verdiepingen. Daarnaast vindt in de directe omgeving functiemenging plaats. Dit betekent dat er geluidgevoelige functies gerealiseerd zijn met daarop of daaronder gemengde functies, zoals horecafuncties. Op basis van een vooradvies van de DCMR is besloten om ook in het plangebied RottaNova functiemenging toe te passen. De functies worden bouwkundig van elkaar gescheiden. Op dit moment is nog niet duidelijk welke horecafunctie er in de plint komt en wat voor geluidsproductie deze functie gaat opleveren. Indien de horecafunctie zich er gaat vestigen, wordt een melding Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend bij het bevoegd gezag en daarbij wordt volgens de wettelijke voorschriften ook een geluidsonderzoek aangeleverd om aan te tonen dat aan de normen uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Voor het bestemmingsplantraject kan volstaan worden met de VNG-systematiek. Geluid door verkeersaantrekkende werking functies plangebied Woningen kunnen niet als een inrichting in het kader van de Wet milieubeheer worden gezien. De verkeersaantrekkende werking van deze woningen hoeft daarom ook niet onderzocht te worden. De verkeersaantrekkende werking van de winkels en horeca kan gezien worden als indirecte hinder.
Echter is term 'indirecte hinder' niet terug te vinden in de (de geluidparagraaf van) het Activiteitenbesluit. Ook is daarin niets geregeld over indirecte geluidhinder ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Daarom is de zorgplicht van toepassing op verkeersaantrekkende werking van een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De zorgplicht wordt nageleefd, omdat het verkeer via de bestaande parkeergarage van de Markthal naar RottaNova wordt geleid. Bezoekers komen via de Markthal naar het horeca en winkelgebied van RottaNova toe en gaan daarmee op in het reeds bestaande 'verkeershinder' van het gebied. Het laden en lossen vindt plaats binnen de grenzen van de inrichting (nabij de horeca) en zal voldoen aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Conclusie Door horeca, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen toe te staan dat aanpandig aan woningen kan worden gerealiseerd, treden er geen belemmeringen op bij de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
52
5.2
Bodem
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Indien nieuwbouw plaatsvindt, dient in het kader van de omgevingsvergunningverlening zorg gedragen te worden voor een goede bodemkwaliteit. Er is dan een bodemonderzoek nodig bij vergunningplichtige bouwwerken die als verblijfsruimte(n) gebruikt gaan worden. Van het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek kan geheel of gedeeltelijk vrijstelling worden verleend, als bij de gemeente reeds bruikbare historische informatie beschikbaar is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in een periode van minder dan twee jaar geleden daadwerkelijk een bodemonderzoek is uitgevoerd en sindsdien op het terrein geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Verkennend en nader bodemonderzoek 2008 In 2008 is voor de locatie een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd.
Aanleiding voor het onderzoek was het voornemen om ter plaatse van de locatie een woontoren met parkeergarage te realiseren. Het onderzoek is uitgevoerd door de gemeente Rotterdam en is als Bijlage 2 bij voorliggend bestemmingsplan gevoegd. De resultaten waren samenvattend als volgt. Uit het verkennend en nader bodemonderzoek blijkt dat op het zuidoostelijke deel van de locatie een voormalige stortplaats is gesitueerd. De bovengrond is hier hooguit licht verontreinigd, terwijl de ondergrond sterk verontreinigd is met koper, lood en/of zink en matig tot sterk verontreinigd met lood. De omvang van de verontreiniging is groter dan 25 m², waardoor sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Actualisatie / aanvullend bodemonderzoek 2013 Vervolgens is ter vaststelling van het eerdere bestemmingsplan ten behoeve van de RottaNova in december 2013 opnieuw een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door gemeente Rotterdam, de rapportage van 11 december 2013 is opgenomen in de bijlage Bijlage 1 bij voorliggende toelichting en toont de volgende onderzoeksresultaten. Uit de actualisatie- en aanvullend onderzoek blijkt dat de grond van maaiveld tot maximaal 7 m-mv voornamelijk licht verontreinigd is met één of meerdere zware metalen en plaatselijk met minerale olie en/of PCB.
In de zuidoosthoek is, evenals voorgaand onderzoek, een sterke verontreiniging met koper, lood en/of zink aangetoond. In onderhavig onderzoek is de verontreiniging in de laag 3 – 4 m-mv aangetoond. In het puinhoudende materiaal is geen asbest aangetoond. Het freatisch grondwater is hoogstens licht verontreinigd met enkele zware metalen. De hoeveelheid sterke verontreinigde grond met koper, lood en/of zink bedraagt ca. 280 m³. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit de risicobeoordeling blijkt dat geen sprake is van onaanvaardbare risico's als gevolg van de verontreiniging(en) met koper, lood en/of zink. De bodemkwaliteit vormt, met uitzondering van het zuidoostelijke deel, geen belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van nieuwbouw. Het zuidoostelijke deel is deels sterk verontreinigd, hiervoor dienen maatregelen in acht te worden genomen. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verkennend bodemonderzoek 2020 Ten behoeve van de aanvraag voor de omgevingsvergunning activiteit bouwen, is tevens een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V.. De rapportage van 9 september 2020 is bijgevoegd als Bijlage 3 bij voorliggend bestemmingsplan. De
53
resultaten worden hieronder samenvattend beschreven. Over het algemeen overschrijden de geanalyseerde parameters de achtergrondwaarden vanaf het maaiveld tot de geboorde diepte van 7,0 m-mv. In een tweetal grondmengmonsters overschrijdt het gehalte aan lood de interventiewaarde. Op de naastgelegen percelen zijn in het verleden tevens sterk verhoogde gehalten met onder andere lood aangetoond. Naar alle waarschijnlijkheid is er sprake van een heterogene diffuse verontreiniging met zware metalen in de grond. De aangetoonde verontreinigingen op naastgelegen perceel zijn op diverse dieptes aangetroffen. De verontreinigingen maken naar alle waarschijnlijkheid deel uit van een grotere verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat het gehalte PFOS licht verhoogd is aangetoond. Het gehalte overschrijdt de toepassingsnorm voor bodemfunctieklasse Landbouw/natuur, maar voldoet aan de toepassingsnorm voor bodemfunctieklasse Wonen. De licht aangetoonde concentraties in het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De sterk verhoogde gehalten lood in de grond geven in principe geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Echter, gezien op naastgelegen perceel tevens sterk verhoogde gehalten in de grond zijn aangetoond, is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek beperkt doelmatig.
De verontreinigingen maken naar alle waarschijnlijkheid deel uit van een grotere verontreiniging. Conform de Wet Bodembescherming (artikel 28 en 29) dient degene die voornemens is de bodem te saneren, dan wel handelingen te verrichten waarbij de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst een melding (d.m.v. BUS-melding of saneringsplan) te doen bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is in dezen de DCMR Milieudienst Rijnmond. In overleg met het bevoegd gezag zullen de sanerende maatregelen worden bepaald. Actualiserend bodemonderzoek, RottaNova Grotemarkt Rotterdam, 22 oktober 2020 De gemeente Rotterdam heeft een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied RottaNova. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Onderstaand zijn de resultaten weergeven. Bodemkwaliteit Op het oostelijke deel van de locatie is een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig. Zand en/of klei met bijmengingen van puin, kolengruis en/of baksteen zijn sterk verontreinigd met koper, lood, zink en/of PAK in de bodemlaag van 1,3 tot 7,0 m-mv. Op het westelijke deel van de locatie is de baksteenhoudende klei plaatselijk van 6,0 tot 6,4 m-mv matig verontreinigd met koper en lood. Verder is de grond op het westelijke deel van de locatie van 1,0 tot 7,0 m-mv ten hoogste licht verontreinigd.
Op de gehele locatie zijn de bovengrond (tot 1,0 m-mv) en het grondwater ten hoogste licht verontreinigd. Op de gehele locatie wordt in de grond vanaf maaiveld tot 7,0 m-mv zeer veel puin-, hout-, baksteenen/of kolengruisbijmengingen aangetroffen. Er is geen asbest aangetoond in de puinhoudende grond. De hypothese dat op het oostelijke deel van de locatie vanaf circa 1 m-mv sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK in de grond worden verwacht, kan worden bevestigd. De hypothese dat op de rest van de locatie vanaf 1 m-mv, in de bovengrond en in het grondwater ten hoogste lichte verontreinigingen worden verwacht, kan afgezien van een plaatselijke matige verontreiniging met koper en lood in de grond worden bevestigd. Gezien de onderzoeksresultaten is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwbouw op de locatie dient in verband met het aanwezige geval van ernstige bodemverontreiniging de bodem gesaneerd te worden. Hiervoor dient een
54
(BUS-)saneringsplan opgesteld te worden en dit plan dient goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Conclusie De bodemkwaliteit is voldoende onderzocht. Op een deel van het plangebied is wel een sterke verontreiniging ontdekt. Alvorens gestart kan worden met saneringswerkzaamheden, dient derhalve een melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag.
5.3
Ecologie
Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Relatie tot het bestemmingsplan Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Binnen de Wet natuurbescherming is een aantal gebieden als beschermd natuurgebied aangewezen. Eén van deze gebieden is het Natura 2000-gebied.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Nabij de projectlocatie zijn de navolgende Natura 2000-gebieden gesitueerd: Oude Maas Boezems Kinderdijk Oudeland van Strijen
Gelegen op circa 8,8 km afstand Gelegen op circa 10,6 km afstand Gelegen op circa 14,9 km afstand
Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand gelegen van de beoogde ontwikkeling waar mogelijk nog een bijdrage kan worden berekend. In de onderstaande figuur is een kaart opgenomen met de ligging van de projectlocatie ten opzichte van de omliggende natuurgebieden.
55
Figuur 5.3.1 Projectlocatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (bron: Qgis eigen bewerking)
Het plangebied maakt tevens geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. Er is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is toegevoegd als Bijlage 9 bij deze toelichting. Uit de berekening volgt dat ten aanzien van de aanleg- en de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn berekend. Een vergunning Wet Natuurbescherming is derhalve niet benodigd. Soortbescherming In het kader van soortenbescherming is er onderzoek gedaan naar beschermde diersoorten. Er bevindt zich ter plaatse van het plangebied een recreatief grasveld. In Bijlage 8 is het onderzoek opgenomen. Onderstaand zijn de resultaten weergegeven. Algemene voorkomende grondgebonden zoogdieren In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In de opgaande vegetatie komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is. Doden en vernielen van broedvogels/eieren/jongen moet worden voorkomen door de kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode 15 maart – 15 juli). Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan. Er is geconstateerd dat vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied de aanwezigheid van de (strikt) beschermde soortgroepen van reptielen en amfibieën, dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtige en
56
weekdieren in het plangebied uitgesloten is. De quickscan heeft uitgewezen dat het plangebied potentie heeft als leefgebied voor een aantal(strikt) beschermde soortroepen (conform Flora- en faunawet). Deze soortgroepen zijn: Zoogdieren – Vleermuizen; Vissen; Vaatplanten; Vogels. Het plangebied van 'Laurenskwartier' heeft een (redelijk) kleine tot zeer kleine potentie op de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. In de aanwezige bomen worden geen vaste rust- en verblijfplaatsen verwacht. Het plangebied heeft een potentie voor foerageergebieden en vliegroutes. Tijdens het veldbezoek zijn op de stenen kademuren van de watergangen diverse muurplanten aangetroffen, waaronder varens. Door de aanwezigheid van deze soorten dienen – zodra hier activiteiten gepland worden – ecologische maatregelen opgesteld en geborgd te worden teneinde een negatief effect te voorkomen of te mitigeren. Huismus Net naast het plangebied broeden huismussen. Omdat er buiten het plangebied vrijwel geen groen aanwezig is, dient het plangebied als essentieel foerageergebied voor deze huismussen. De plannen zullen leiden tot een significante afname van eiwitrijk voedsel (graszaden en insecten) voor jonge huismussen. Eiwitrijk voedsel is onmisbaar voor opgroeiende huismussen (BIJ12, 2017).
De plannen zullen daarom indirect leiden tot vernietiging van huismusnesten in de Markthal. Indien de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd (periode 1 maart – 31 september) dan leidt dit mogelijk indirect tot vernietiging van jonge huismussen. Huismusnesten zijn jaarrond beschermd en rondom het nest dient voldoende leefgebied aanwezig te zijn om jonge huismussen te laten opgroeien. Er dient daarom een ontheffing op de Wnb ten aanzien van de huismus te worden aangevraagd. Deze is alleen te verkrijgen indien er sprake is van een in de Vogelrichtlijn genoemd belang: het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Ook dient de functionaliteit van de huismussenhabitat te worden gewaarborgd. Conclusie Uit het ecologisch onderzoek is naar voren gekomen dat er een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd is vanwege de aanwezigheid van de huismus in de naastgelegen Markthal.
Hiervoor wordt bij Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Het verkrijgen van deze ontheffing ligt, gelet op het groot algemeen belang dat met het plan wordt gediend, in de lijn der verwachting. In het kader van de gebiedsbescherming is naar voren gekomen dat ten aanzien van de aanleg- en de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn berekend en er geen significante negatieve effecten optreden voor de Natura 2000-gebieden. Daarnaast ligt het plangebied ook niet in een NNN-gebied. Een vergunning Wet Natuurbescherming is niet benodigd. Het aspect ecologie vormt voor de behandeling van het bestemmingsplan geen belemmering.
57
5.4
Externe Veiligheid
De externe veiligheid wordt bepaald door aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (productie, gebruik, opslag en vervoer) in en rond het projectgebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren (b.v.o. kleiner dan 1500 m2), winkels, horeca en parkeerterreinen. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het zgn. plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie, het Vuurwerkbesluit (2002, herziening 2004). Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden waarmee het verplicht wordt transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd vast te leggen in het bestemmingsplan.
Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb) voor onder andere hogedruk aardgastransportleidingen. Aan de andere kant is het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijke beleid en externe veiligheid beleid dienen dus goed te worden afgestemd. Een ruimtelijke onderbouwing of toelichting is geen instrument om de mate van risico's te beheersen, maar is wel een schakel tussen het externe veiligheidsbeleid en ruimtelijke ordening. De risico's worden door twee factoren bepaald: de kans dat zich een ongeval voordoet en de effecten van dat ongeval. Om te kunnen beoordelen wat wel en niet aanvaardbaar is, bestaan er twee risicomaten, namelijk het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van het plaatsgebonden risico (PR). Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken).
De grenswaarde voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten is 10–6 per jaar. Voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten betreft dit een richtwaarde. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. De officiële definitie van groepsrisico in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) luidt: 'de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is'. Het groepsrisico is geen norm, maar er geldt een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan beschreven in Bevi-artikel 12 voor Bevi-activiteiten en artikel 13 voor ruimtelijke plannen. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken. Relatie tot het bestemmingsplan Voor de beoordeling van de risico's is de landelijke risicokaart geraadpleegd. Tevens is gebruik gemaakt van het advies van DCMR en het onderzoek van Save voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de risicokaart, welke de risicobronnen in de omgeving inzichtelijk maakt. De projectlocatie is aangegeven met het groene kader.
58
Figuur 5.4.1 uitsnede risicokaart omgeving plangebied (bron: nederland.risicokaart.nl)
Risicovolle inrichting In het projectgebied zijn geen stationaire of mobiele risicobronnen aanwezig. Ten noorden van het projectgebied ligt een Shell tankstation op circa 880 meter en op circa 1020 meter health club met een chloorbad. De plaatsgebonden risicocontour van deze bedrijven ligt niet over het projectgebied. Tevens wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Transport over het spoor De locatie ligt nabij de spoorlijn Rotterdam-Barendrecht. De spoorlijn ligt naast het plangebied onder de grond. Buiten het plangebied bevindt zich de noordelijke in- en uitgang van de Willemsspoortunnel. Uit onderzoek blijkt dat de kansen van optreden van ongevallen in de Willemsspoortunnel lager zijn dan in het geval van een bovengronds spoor in een open lucht situatie. Deze lagere kans is een gevolg van de aanwezigheid van ontsporingsbeveiliging, de onmogelijkheid van flankbotsingen in de tunnel en het feit dat goederentreinen niet mogen stoppen in de tunnel. Er zijn in de Willemstunnel vier gescheiden tunnelbuizen. Een goederentrein mag pas een tunnelbuis binnenrijden als in die betreffende tunnelbuis geen andere trein aanwezig is. Door deze set van veiligheidsmaatregelen is een ongeluk met een goederentrein in de tunnel zeer onwaarschijnlijk.
In het verleden zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de risico's en mogelijke effecten van het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn. Inmiddels is het Basisnet spoor van kracht geworden. Dit heeft een positief effect op de berekende risico's. Plaatsgebonden risico Uit het onderzoek van Save is gebleken dat ten aanzien van het plaatsgebonden risicocontour het volgende valt te stellen. Uit de berekening blijkt dat een 10-6 risicocontour wordt berekend, ongeacht welke vervoersgegevens worden gehanteerd. Echter het plaatsgebonden risico valt in geen van deze gevallen over de planlocaties en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Groepsgebonden risico De ontwikkeling RottaNova zal door zijn afstand tot het bovengrondse deel van het spoor geen invloed hebben op het groepsrisico, oftewel het groepsrisico zal niet wijzigen als gevolg van deze ontwikkeling. Transport over water De locatie ligt op ca. 700 meter van de Nieuwe Maas. Over deze rivier vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Advies van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond is noodzakelijk. Het bestemmingsplan is in het kader van het bestuurlijk vooroverleg voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
Vanwege de afstand wordt uitgegaan van de 1% letaliteitscontour van het worst case scenario bij het bepalen van het resteffect en voor het bepalen van maatregelen met betrekking tot
59
zeer kwetsbare bestemmingen. Dit betekent dat 1% van blootgestelde mensen tijdens een calamiteit in de worst case scenario komt te overlijden. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond adviseert daarom zorg te dragen voor goede voorlichting voor zelfraadzaamheid van mensen bij een calamiteit door het vrijkomen van toxische stoffen door het (instantaan) falen van een tankcompartiment van een binnenvaartschip met ammoniak op de Nieuwe Maas. Conclusie Gelet op het bovenstaande is het plangebied op dermate grote afstand van risicobronnen gesitueerd dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Nadere berekeningen of verantwoordingen in het kader van Externe Veiligheid zijn niet noodzakelijk.
5.5
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen onderwijsgebouwen ziekenhuizen verpleeghuizen verzorgingstehuizen psychiatrische inrichtingen kinderdagverblijven. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Ook dan zal eerst de gevelbelasting bepaald dienen te worden. Langs een (toekomstige) spoor- en verkeersweg en industriegebieden ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde voor woningen bedraagt 48 dB ten aanzien van wegen, 55 dB ten aanzien van spoorwegen en 50 dB ten aanzien van industriegebieden. Door middel van een hogere waarde kan door het bevoegd gezag een hogere geluidsbelasting (hogere waarde) worden toegestaan. Deze verhoging is mogelijk tot een maximaal toelaatbare waarde.
De hoogte van deze maximaal toelaatbare waarde is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de ligging van de geluidsgevoelige bestemming in binnenstedelijk of buitenstedelijk gebied. Voor woningen in stedelijk gebied bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB ten aanzien van wegen en 68 dB ten aanzien van spoorwegen. Voor industriegebieden bedraagt de maximale ontheffingswaarde 55 dB voor geprojecteerde woningen en 60 dB voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen. Indien gevelbelastingen boven deze ontheffingswaarde optreden is een geluidsgevoelige bestemming alleen mogelijk indien deze gevels doof worden uitgevoerd. Een blinde gevel, een dove gevel, een geluidsscherm dat bouwkundig is verbonden met het gebouw en de geluidswalzijde van geluidswalwoningen worden in de Wet geluidhinder namelijk specifiek benoemd als zijnde geen gevel. Op een gevel waarin geen te openen delen, zoals ramen, deuren en ventilatievoorzieningen zitten hoeft vanuit de Wet geluidhinder niet getoetst te worden. Relatie tot het bestemmingsplan Wonen is een geluidgevoelige functie, de nieuwe woningen bevinden zich binnen de zones langs meerdere wegen binnen de bebouwde kom: Blaak, de Verlengde Willemsbrug en de Mariniersweg. Om die reden is een onderzoek Wet geluidhinder benodigd. Conform het Rotterdams geluidbeleid zullen ook 30 km/uurwegen in het onderzoek worden beschouwd.
60
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone rond een industrieterrein. Wel kunnen zich dichtbij de nieuwe woningen andere, bestaande functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven bevinden, waardoor bedrijfsgeluid eveneens dient te worden onderzocht. Onderzoek Ten behoeve van het voorliggend bestemmingsplan is door onderzoeksbureau Cauberg Huygen akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van 8 juli 2020 is als bijlage opgenomen bij voorliggend bestemmingsplan. De resultaten worden hieronder samenvattend beschreven. Wegverkeerslawaai Blaak: de geluidbelasting ten gevolge van weg- en tramverkeer op de Blaak bedraagt ten hoogste 48 dB Lden na aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Er zijn geen hogere waarden benodigd. Binnenrotte: de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Binnenrotte bedraagt ten hoogste 47 dB Lden na aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Er zijn geen hogere waarden benodigd. Hoogstraat: de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Hoogstraat bedraagt ten hoogste 39 dB Lden na aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Er zijn geen hogere waarden benodigd. Mariniersweg: de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Mariniersweg bedraagt ten hoogste 39 dB Lden na aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden.
Er zijn geen hogere waarden benodigd. Verlengde Willemsbrug: de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Binnenrotte bedraagt ten hoogste 43 dB Lden na aftrek. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden. Er zijn geen hogere waarden benodigd. Cumulatie De gecumuleerde geluidbelasting LVL,cum, inclusief de geluidbelastingen vanwege 30 km/uur wegen, bedraagt ten hoogste 56 dB, zonder toepassing van de aftrek art. 110g Wgh. Bedrijfsgeluid Voor het plangebied en de omgeving (stadscentrum) is sprake van een gebied met functiemenging. Binnen de planlocatie worden bedrijven tot en met milieucategorie 2 van de VNG-bedrijvenlijst toegestaan, vergelijkbaar met de omgeving van het plangebied (bestemmingsplan Laurenskwartier). Aan de regels van het bestemmingsplan wordt een Staat van Bedrijfsactiviteiten met toegestane bedrijven categorie A en B gevoegd. Categorie B bedrijven binnen het plangebied kunnen worden ingedeeld bij categorie A indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van woningen binnen het plangebied evenveel of minder milieuhinder wordt veroorzaakt als bij bedrijven die onder categorie A vallen, zo nodig na het treffen van geluidreducerende gebouwmaatregelen.
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van bestaande in de omgeving en nieuwe woningen in het plangebied geen onaanvaardbare hinder wordt ondervonden door bestaande bedrijven in de omgeving of door nieuwe bedrijven in het plan. Een nadere uitwerking is opgenomen in paragraaf 5.1. Conclusie Er zijn voor het plan geen hogere waarden benodigd. Alle gevels kunnen direct als geluidluwe gevel worden aangemerkt.
5.6
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde lucht-kwaliteitseisen opgenomen. Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) in
61
werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Luchtkwaliteitseisen vormen nu geen belemmering voor ontwikkelingen, als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde, of een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Op 7 juni 2012 is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen aangepast, zodat het mogelijk wordt gemaakt om bij ministeriële regeling (Regeling NIBM) bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën aan te wijzen waarbinnen geen gebruik meer kan worden gemaakt van de NIBM-grond. Het gaat om gebieden waar de grenswaarde voor PM10 wordt overschreden of waar overschrijding van de grenswaarde dreigt. Dit betreft naar verwachting een enkele gemeente in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met veel intensieve veehouderijen, en pluimveehouderijen in het bijzonder. De aanwijzing van gebieden en broncategorieën zal plaatsvinden in nauwe samenspraak met betrokken overheden en sectoren en zal gepubliceerd worden in de Regeling NIBM. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.
De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht.
De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.
62
Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. Relatie tot het bestemmingsplan Bij ontwikkelingen dient middels de NIBM-tool onderzocht te worden of één stof de 3%-grens overschrijdt en daarmee het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit verslechterd. Mits de verkeersaantrekkende werking niet uitzonderlijk toeneemt, zal de ontwikkeling deze grens niet overschrijden. Verkeersgeneratie Voor de verkeersgeneratie naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling worden de kengetallen van het CROW (publicatie 381) gebruikt. De gemeente Rotterdam, waar de planlocatie ligt wordt, met een omgevingsadressendichtheid van 3.941, aangemerkt als zeer sterk stedelijk. Binnen Rotterdam ligt de planlocatie in het centrumgebied. Op basis van deze gegevens de maximale verkeersgeneratie woningen en voorzieningen bepaald worden.
Tabel 5.1 Verkeersgeneratie per etmaal
In totaal zal de ontwikkeling een verkeersgeneratie van 1.492 verkeersbewegingen per etmaal met zich meebrengen. Er wordt op basis van CROW-kengetallen ervan uitgegaan dat daarvan per woning 0,02 vrachtverkeer betreffen. Daarnaast wordt uitgegaan van 10 vrachten per etmaal ten behoeve van de commerciële ruimten, wat gezamenlijk neerkomt op circa 16 vrachtwagenbewegingen per etmaal. Middels de NIBM-tool is onderzocht wat het effect van deze mogelijke ontwikkelingen op het aantal verkeersbewegingen per etmaal is. Uit deze analyse blijkt dat sprake is van een bijdrage van 1,10 µg/m3 aan NO2 en 0,24 µg/m3 aan PM10.
Figuur 5.6.1 Uitsnede NIBM-tool
63
Goed woon- en leefklimaat Op www.atlasleefomgeving.nl (geraadpleegd op 11 december 2020) is te zien dat ter plaatse van het plangebied de grootschalige achtergrondconcentraties in 2018 van stikstofdioxide NO2 30,1 µg/m3 , van fijnstof PM10 22,15 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 13,9 µg/m3 zijn. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.
Tabel 5.2 Achtergrondconcentraties NO2, OM10 en PM 2,5 ter plaatse van plangebied
Het Rotterdams beleid schrijft voor dat er binnen de contouren van de grenswaarden geen nieuwe woningen mogen worden gebouwd. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van overschrijdingen van de grenswaarden, zodat aan dit beleid wordt voldaan. Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Ook is een goed woon- en leefklimaat gewaarbrogd. Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.7
Water
Sinds 2003 is het doorlopen van de watertoets wettelijk verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg met de initiatiefnemer en de waterbeheerder, aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Relatie tot het bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits-, waterkeringen, - en waterkwaliteitsbeheer. Het beleid van het Hoogheemraadschap is verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021. De regels zijn opgenomen in de Keur, met daarbij de Leggerkaart. Waterkwaliteit Bij de realisatie van nieuwbouw mogen geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt op plaatsen, die in contact zouden kunnen komen met hemelwater. De voorgenomen ontwikkeling heeft hiermee geen invloed op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Voor de bouw is het noodzakelijk een bouwput te slaan. In alle gevallen zullen negatieve effecten op de omgeving, zoals zettingen, wateroverlast en onderlast voorkomen worden. Bij het Hoogheemraadschap geldt mogelijk een vergunningplicht voor het onttrekken van grondwater voor het drooghouden van de bouwput.
Dit zal moeten blijken uit een effectenstudie. Waterkwantiteit Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur verharde oppervlakten aan te brengen met een totale oppervlakte van meer dan 500 m2, waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, wordt gebracht op het oppervlaktelichaam. Het grootste deel van de projectlocatie is al verhard. Een watervergunning en compensatie is daarom niet noodzakelijk. Veiligheid en beschermde gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen beschermingszone van een waterkering, maar wordt ten westen begrensd door een kunstwerk en waterboezem met beschermingszone. Het is verboden zonder
64
watervergunning van het waterschapsbestuur gebruik te maken een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone. Het bestemmingsplan maakt geen werkzaamheden mogelijk in de waterboezem en de beschermingszone.
Riolering Het uitgangspunt is dat het hemelwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten. Echter, door de ligging van het plangebied in het centrumgebied is het de vraag of scheiden doelmatig is en dezelfde voordelen oplevert als in de buitenwijken. Bij de ontwikkeling van de locaties zal in overleg met de rioolbeheerder en de waterbeheerder bepaald moeten worden hoe de afvoer van hemelwater het beste plaats kan vinden. Relatie tot het bestemmingsplan Het bestemmingsplan maakt geen werkzaamheden mogelijk in waterstaatswerken met een beschermingszone. Tevens is geen werkzaamheden in- of op een oppervlaktelichaam. Daarnaast is de verharding binnen het project minimaal. Hierdoor is geen watervergunning benodigd. Uitloogbare materialen mogen niet worden gebruikt op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater en bovendien mag schoon hemelwater niet afgevoerd worden naar de riolering. Het uitgangspunt is dat het hemelwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten. Conclusie Water vormt hiermee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Uit het bestuurlijk vooroverleg is gebleken dat het Hoogheemraadschap geen bezwaar heeft tegen de vaststelling van het plan.
5.8
Bezonning en windhinder
Gelet op de geplande hoogbouw is voor de RottaNova door adviesbureau Peutz een bezonningsstudie en windhinderonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6 en Bijlage 7). De resultaten van het onderzoek zijn onderstaand integraal opgenomen.
65
5.8.1
Bezonning
Randvoorwaarden bezonning Er zijn door de gemeente Rotterdam op twee plaatsen eisen gesteld aan de bezonning: 1. In het Randvoorwaardendocument RottaNova 28 januari 2014 2. In de Hoogbouwvisie Rotterdam In het randvoorwaarden document zijn met betrekking tot de bezonning de volgende eisen opgenomen: woningen moeten tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag krijgen in de periode van 19 februari tot 21 oktober. Uitgaande van een zonhoogte van meer dan 10 graden boven de horizon. Bezonningsduur ter plaatse van voor- en achtergevel mogen bij elkaar worden opgeteld. Geen verdere verslechtering in situaties met minder dan 2 mogelijke zon-uren. Meetmoment is 19 februari. Effect wordt gemeten in straal van 3 x de hoogte van de toren. Meetpunt op 0,75 meter hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag. Het effect van de geplande nieuwbouw van het plan RottaNova op de bezonning van de omringende woningen is onderzocht en getoetst aan de door de gemeenten opgestelde eisen. Hierbij wordt zowel een vergelijk gemaakt met het vigerende bestemmingsplan als het plan uit 2014 dat door de gemeente in Nota van Uitgangspunten als referentie voor de bezonning van de woningen aan de Hoogstraat en de Markthal wordt genoemd. Daarnaast is de absolute bezoningsduur van de woningen onderzocht, waarbij getoetst is aan een norm die gebaseerd is op de zgn. lichte TNO-norm.
Vergelijk plan 2014 en plan 2020 Aanvullend aan de eisen aan de bezonningsduur gebaseerd op de lichte TNO-norm is in de Nota van Uitgangspunten (d.d. 21 november 2020) omschreven dat de bezonning van de directe omgeving (Hoogstraat/Grotemarkt) 'per saldo' niet mag verslechteren t.o.v. het bouwplan uit 2014 tussen 10.00 en 16.00 uur binnen de maatgevende periode (21 maart tot 21 september). Daarnaast mag de bezonning van het Grote Kerkplein en de Laurenskerk niet achteruit gaan ten opzichte van de situatie met het bouwplan uit 2014 in dezelfde toetsingsperiode. Resultaten bezonningsstudie Hoogstraat en Laurenskerk De bezonning van de woningen in de Hoogstraat is in de nieuwe bestemmingsplansituatie gunstiger dan die in het huidige bestemmingsplan. Een aantal woningen in de toren aan de Binnen Rotte en één woning aan het Grote Kerkplein kennen wel een achteruitgang, maar voldoen in de nieuwe bebouwingssituatie nog steeds aan de door de gemeentex gestelde norm. De afname van de mogelijke bezonningsduur ten opzichte van het plan uit 2014 ter plaatse van de woningen aan de Hoogstraat is beperkt en lokaal en wordt voor een deel verklaard door de balkons en gedeeltelijk gecompenseerd door een toename van de bezonningsduur op andere locaties en tijdstippen. Op de Laurenskerk is nauwelijks sprake van een wijziging van de bezonning.
Door de toegenomen breedte van de torens op laag niveau is er een beperkte afname van de bezonning op laag niveau aan de randen van de toetsperiode. Doordat de torens wat lager zijn geworden is er per saldo echter een toename van de bezonning op de kerk. Markthal Ten aanzien van de Markthal is per saldo geen sprake van een afname van de bezonning op de Markthal. De wijzigingen vinden daarbij plaats buiten de door de gemeenten gestelde toets-periode, namelijk na 16.00 uur. Grote Kerkplein Op het Grote Kerkplein is er door de veranderde vorm van de toren op de momenten dat er schaduw valt