21bb15202 Bijlage 1 behorende bij 21bb14364 over toelichting Ontwerpbestemmingsplan RottaNova
Tekst van het document
66
een kleine verschuiving in bezonning. Doordat de toren in het laatste ontwerp wat lager is, is er per saldo sprake van een lichte verbetering.
5.8.2
Windklimaat
Er is door Peutz een windklimaatonderzoek uitgevoerd in de windtunnel. Uit dit onderzoek komen de volgende resultaten naar voren: In de huidige bestemmingsplansituatie is het windklimaat gunstig. In de geplande bebouwingssituatie is het windklimaat op veel plaatsen rond het plan gunstig. Uitzonderingen hierop is het windklimaat bij de noordwesthoek op de Hoogstraat en zeer lokaal bij de hoeken van de zuidgevel. Significant verbeteren van het windklimaat op de Hoogstraat door het aanpassen van de gebouwmassa zou vragen om een forse verkleining van het aangestroomd oppervlak van de zuidwestgevel of het creëren van een laagbouwvoet aan de zuidwestzijde van het gebouwd. Het vergroten van de luifel aan de zuidwestzijde heeft significant effect in de directe omgeving van de luifel, waarbij afhangende schermen van belang zijn. Het windklimaat in de directe omgeving van de zuidwestgevel is hiermee te verbeteren tot minimaal matig. Op basis van het onderzoek is besloten om een verbrede luifel met afhangende schermen in het ontwerp en op de verbeelding op te nemen. In artikel 3.2.2 onder e is opgenomen dat ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - luifel' een luifel tot 5 meter uit het bouwvlak mag uitsteken. Hiermee kan een grotere luifel mogelijk gemaakt worden om het windklimaat te verbeteren aan de zuidwestzijde van het gebouw.
Conclusie Er is een gunstig windklaat binnen het plangebied. Uitzondering betreft de zuidwestzijde, waardoor een vergrote luifel wordt gerealiseerd. Deze luifel is opgenomen op de verbeelding en in de regels. Het windklimaat leidt niet tot een belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.9
Duurzaamheid
Rotterdam ambieert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de stad, de regio en de haven. Binnen de stad speelt het streven naar duurzaamheid op alle schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad als geheel, als op het niveau van de verschillende stadsdelen: de binnenstad, wijken en buurten en op het niveau van een gebouw. Deze duurzaamheidsambitie is uitgewerkt in een aantal beleidsplannen, zoals het Programma Duurzaamheid, Rotterdamse Woningkwaliteit (RWK), het Waterplan Rotterdam, Gezond in de stad, de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit (RAL) en het Rotterdam Climate Initiative (RCI). Duurzame energie Eén van de meest ambitieuze doelstellingen is om de CO2-uitstoot in 2025 met 50% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Ook wordt in 2025 gestreefd naar een energieneutrale gebouwde omgeving. Om een substantiële bijdrage aan deze doelstelling te leveren en energie te besparen, is het beleid van de gemeente Rotterdam er op gericht zoveel mogelijk woningen, bedrijven en voorzieningen aan te sluiten op een collectief warmtenet. Dit warmtenet omvat een stelsel van leidingen waardoor warm water wordt gepompt voor verwarming en warm tapwater. Daarbij wordt als warmtebron gebruik gemaakt van industriële restwarmte.
Bij grootschalige toepassing, op gemeentelijk niveau, wordt een grote milieuwinst behaald op het gebied van het broeikaseffect (Co2) en de lokale luchtkwaliteit (NOx). Dankzij de in 2007 doorgevoerde aanpassing van de bouwverordening wordt aansluiting op het warmtedistributienet bevorderd. Indien ter plaatse een warmtedistributienet aanwezig is, dan dient een te bouwen bouwwerk te worden aangesloten op dat net. Dit is aan de orde als het bouwwerk minder dan 40 meter van de dichtstbijzijnde leiding ligt, of als de kosten van de aansluiting niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 meter. De gemeente bevordert het opwekken van duurzame energie in de gebouwde omgeving. Kleine windmolens ('urban wind') en photovoltaïsche zonnepanelen (PV) zijn nu nog niet concurrerend met
67
netstroom, maar dat wordt in de nabije toekomst wel verwacht. Naast bovengenoemde maatregelen moeten nieuw op te richten gebouwen of gebouwen die gerenoveerd worden daarom wat betreft daklast ook geschikt zijn voor het (na)plaatsen van zonnepanelen, zonneboiler of een groen dak. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam dient bij het ontwerp van gebouwen rekening te worden gehouden met duurzaam bouwen principes en de energieprestatie eisen. Zo is het reeds langer het verplicht om een EPC-berekening (EnergiePrestatieCoëfficiënt) in de dienen in het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning. Duurzaam bouwen Bij duurzaam bouwen is de insteek om er zorg voor te dragen dat tijdens de hele kringloop van bouwen, renoveren en beheren van bouwwerken, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het Bouwbesluit geeft aan welk kwaliteitsniveau ten minste is vereist. In Rotterdam geldt daarnaast 'De Rotterdamse Woningkwaliteit' (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit en bestaat uit zes thema's: oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort.
Een aantal van de duurzaam bouwen maatregelen kunnen worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen in het Laurenskwartier: Afkoppeling van hemelwater, zodat regen en afvalwater niet in hetzelfde riool terecht komen. Het schone regenwater kan in het gebied zelf worden vastgehouden. Geen zink gebruiken voor bijvoorbeeld dakgoten. Zink heeft de eigenschap uit te logen waarbij neerslag zink oplost in het regenwater. Een alternatief is stalen dakgoten. Gebruik hout met een milieukeur, bijvoorbeeld FSC. Het keurmerk FSC geeft aan dat het hout uit een goed beheerd bos afkomstig is. Pas waterbesparende maatregelen toe, bijvoorbeeld een waterbesparende douchekop of een waterbesparend toilet. Maak gebruik van zonne-energie zoals een zonneboiler of zonnecellen. Bekijk of nieuwe gebouwen uitgevoerd kunnen worden met een groen dak. Groene daken De gemeente Rotterdam stimuleert de aanleg van groene daken in Rotterdam. Zo is er een aantrekkelijke subsidie voor huiseigenaren en heeft de stad inmiddels een aantal gemeentelijke gebouwen voorzien van een groen dak. Wanneer groene daken op grote schaal worden toegepast dragen ze bij aan een duurzame en gezonde stad. Groene daken vangen regenwater op en voeren het vertraagd af. Hierdoor wordt het riool minder belast als het hard regent. Groene daken nemen stofdeeltjes op uit de atmosfeer en vormen zo een buffer tegen luchtvervuiling.
Daarmee leveren groene daken een bijdrage aan de vermindering van Co2-uitstoot. Een beplant dak isoleert het pand eronder. Daardoor blijft het vooral in de zomer koeler in huis. Bovendien stralen groene daken bij hogere temperaturen minder warmte uit waardoor het ook een gunstige invloed heeft op de omgevingstemperatuur. En natuurlijk wordt de stad groener, waardoor er meer kansen komen voor flora en fauna en de leefbaarheid wordt verbeterd. Relatie tot bestemmingsplan Er wordt gebruik gemaakt van stadsverwarming. Voor de daken wordt voor zonnepalen en groene daken gekozen. Tevens wordt bij de bouw gekozen voor natuurinclusief bouwen. Daarmee wordt het aspect duurzaamheid voldoende meegenomen in het ontwerp van de ontwikkeling.
68
5.10
Milieueffectrapportage
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieube-heer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Een stedelijk ontwikkelingsproject als de realisatie van het wooncomplex met detailhandel en horeca in de plint, is vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. onder D 11.2. Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Omdat er geen 2000 of meer woningen worden gerealiseerd, is er geen m.e.r.-beoordeling nodig. Betrekking tot het bestemmingsplan Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. onder categorie D11.2. Dit is de conclusie na het doorlopen van de beslisboom uit de Handreiking stedelijke ontwikkeling van 3 december 2017 opgesteld door de gemeente Rotterdam en DCMR. Het betreft de herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie van woon- en winkelpand (reeds gesloopt) naar een wooncomplex met (planologisch maximaal) ruimte voor 270 woningen en 1500 m2 commerciële voorzieningen (horeca, detailhandel) met parkeergarage. De functie en bestemming blijft 'Centrumdoeleinden'. Er is sprake van een bestaand stedelijk gebied. De nieuwe bestemming past in de directe omgeving. De verwachting is dat de herontwikkeling, met name met betrekking tot verkeer, geen ander of groter effect heeft. De verwachting is dat het verkeer in het heersende verkeersbeeld zal worden opgenomen. Parkeren kan voor het grootste deel op eigen terrein worden opgelost en voor het overige deel in de parkeergarage van de Markthal. Conclusie Er is geen m.e.r.-beoordelingsbesluit nodig, omdat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is.
69
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel tevens een grondexploitatieplan vaststelt. De gemeenteraad kan bij de vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten om daarvan af te wijken, als het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een privaatrechtelijke overeenkomst met de betrokken initiatiefnemers. Om de herontwikkeling van de gronden binnen dit bestemmingsplan mogelijk te maken, is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de ontwikkelaar en de gemeente om zo de met dit plan gemoeide kosten anderszins te verzekeren.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie
Op 24 augusutus 2017 is een informatieavond georganiseerd door de Gebiedscommissie Centrum over de RottaNova. De informatieavond vond plaats in het Bibliotheektheater te Rotterdam. Aanwezigen zijn in de gelegenheid gesteld vragen te stellen over dan wel te reageren op de ontwikkelling. Voorts is aangegeven dat een vergadering plaatsvindt van de gebiedscommissie en de raadscommissie, die beiden openbaar zijn. Ook zijn alle aanwezigen gewezen op het inspreekrecht in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Vanwege de Covid-19 maatregelen heeft de geplande informatieavond van begin oktober 2020 geen doorgang kunnen vinden. In plaats van de informatieavond is een aantal informatiefilmpjes gemaakt over de plannen. Alle mensen die zich hadden aangemeld voor de informatiebijeenkomst hebben de filmpjes toegestuurd gekregen. Eind november 2020 zijn de filmpjes online gezet. Reacties en vragen van omwonenden worden door een zogeheten Q&A beantwoord. De Q&A is via de projectwebsite beschikbaar gesteld. 6.2.2
Bestuurlijk vooroverleg
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan gestuurd naar: Provincie Zuid-Holland; DCMR Milieudienst Rijnmond; Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; Prorail; Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; Luchtverkeersleiding Nederland; Gasunie; Evides; Stedin; KPN Telecom; Metropoolregio; Ministerie van Defensie; Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; MONET; Rijkswaterstaat, Directie Zuid-Holland; VWS Pipeline Control; Warmtebedrijf Rotterdam. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft formeel gereageerd en heeft
70
geconcludeerd dat het plan geen nadelige invloed heeft op het watersysteem. Het Hoogheemraadschap heeft daarom geen bezwaar tegen de vaststelling van het plan. Het Hoogheemschap heeft wel een tekstuele aanvulling meegegeven voor in de toelichting. Deze aanvulling is overgenomen. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft gereageerd en adviseert zorg te dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat zij zich zelf kunnen redden tijdens een calamiteit vanwege het vrijkomen van toxische stoffen door vervoer van gevaarlijke stoffen op de Nieuwe Maas. In paragraaf 5.4 is nader op dit advies ingegaan. De Luchtverkeersleiding Nederland stelt vast dat het plangebied zich bevindt in het deel van toetsingsvlakken behorende bij de communicatie-, navigatie en surveillance (cns) apparatuur van LVNL. Deze zone is echter enkel van toepassing op windturbines. Voor overige bouwwerken (niet zijnde windturbines) is niet nodig rekening te houden met het belang van de correcte werking van de cns apparatuur van Luchtverkeersleiding Nederland. Prorail heeft een formele reactie uitgebracht om de invloed van het bouwplan op de spoorbaan te duiden. Het waterpeil mag voor de stabiliteit van de spoorbaan en spoortunnel niet wijzigen.
Daarnaast moet geborgd worden dat de werkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan en tunnel, alsmede het ongehinderd gebruik hiervan. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling mogen er geen zettingen aan de spoortunnel plaatsvinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de nabijheid van de spoorbaan dient rekening gehouden te worden met het bepaalde in artikel 19 van de Spoorwegwet. De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft een reactie uitgebracht op de aspecten geluid, bodem, luchtkwaliteit (stikstof) en de m.e.r.-beoordeling. De DCMR stemt in met het aspect luchtkwaliteit en de stikstofbeoordeling. Daarnaast is naar het oordeel van de DCMR geen sprake van een categorie (D11.2) van het Besluit m.e.r. Het advies het aanzien van de aspecten geluid en bodem zijn verwerkt of worden in de uitvoering van meegenomen.
6.2.3
Zienswijzen en beroep
Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze 6 weken is een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan indienen. De ingekomen zienswijzen zijn beoordeeld en beantwoord in een Nota van Zienswijzen en waar noodzakelijk overgenomen in het bestemmingsplan. Vervolgens is er nog de mogelijk tot het instellen van beroep bij de Raad van State. Met de formele bestemmingsplanprocedure en omwonenden die op de hoogte zijn gehouden, wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende gewaarborgd.
71