21bb15167 Bijlage 1 behorende bij 21bb15168 - ontwerpbestemmingsplan Hoofdweg 480 - 490 inclusief verbeelding
Tekst van het document
Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna volgt dat mogelijk broedvogels niet jaarrond beschermde nesten (cat.5), vleermuizen en algemene broedvogels ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn, zie ook tabel 6.2.
49
Tabel 6.2. Overzicht onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied (Bron: quickscan flora en fauna, zie ook bijlage 4)
Uit het nader ecologisch onderzoek (zie bijlage 5) volgt dat ter plaatse van het plangebied twee zomerverblijven en één paarverblijf voor de gewone dwergvleermuis en twee paarverblijven voor de ruige dwergvleermuis aanwezig zijn. Als gevolg van de geplande sloopwerkzaamheden worden de aanwezige verblijfplaatsen aangetast. Om het negatieve effect op de lokale populatie zoveel mogelijk te beperken zijn reeds mitigerende maatregelen getroffen door tijdelijk te voorzien in alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten. In de beoogde situatie wordt voorzien in permanente voorzieningen. Inpandig zullen verblijfplaatsen worden aangebracht. Voornoemde maatregelen dienen om het negatieve effect op de lokale populatie zoveel mogelijk te beperken en een ontheffing van de Wnb te verkrijgen om de beoogde werkzaamheden te kunnen uitvoeren. De ontheffing is reeds op 3 maart 2021 aangevraagd, zodat hiervoor een separate procedure wordt doorlopen. 6.10.3 Conclusie Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat - behalve vleermuizen - geen beschermde flora en fauna aanwezig is. Daarnaast is geen sprake van negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden.
Indien blijkt dat sprake is van de aanwezigheid van vleermuizen dan zal ervoor worden zorggedragen dat de juiste maatregelen worden getroffen en indien nodig een ontheffing wordt aangevraagd welke naar verwachting door het bevoegd gezag zal worden afgegeven.
6.11
Bezonning
6.11.1 Algemeen Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk voor een bestemmingsplanprocedure vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO- norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober.
50
6.11.2 Plangebied In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door KCAP Architects&Planners een bezonningsstudie uitgevoerd, zie bijlage 8. Daaruit volgt dat op 19 februari en 21 oktober sprake is van minimaal twee bezonningsuren. Daarnaast is op 21 januari en 22 november sprake van minstens drie bezonningsuren. De bezonningsstudie laat zien dat ter plaatse van de privé tuinen/gevels van de naastgelegen woningen wordt voldaan aan de lichte en zware TNO-bezonningsnorm. Figuur 6.3 Uitsnede bezonningsstudie
6.11.3 Conclusie Het aspect bezonning voldoet aan de van toepassing zijnde kaders.
6.12
Windhinder
6.12.1 Algemeen Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties winhinderonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een nokhoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht. 6.12.2 Plangebied Vanwege de geplande bouwhoogte van maximaal 70 meter, is door Peutz een windhinderonderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 9. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing. Tevens is een doorkijk gegeven naar het windklimaat op de daktuin (hierna: dek) van de beoogde bebouwing. Ter vergelijking is tevens het windklimaat in de huidige situatie inzichtelijk gemaakt. Aan de hand van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder.
51
Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met 'goed', 'matig' of 'slecht. Bij een goed windklimaat ondervindt men geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. In een dergelijke situatie heeft het merendeel van het publiek last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Activiteitenklasse 'langdurig zitten' is dusdanig kritisch dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. In onderhavig onderzoek is deze activiteitsklasse niet toegepast. Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek overgenomen. Windklimaat huidige bebouwingsituatie Uit de resultaten blijkt dat in de huidige situatie het windklimaat rond het plangebied goed is voor het criterium doorlopen. Hierbij is geen sprake van een overschrijding van het gevaarcriterium. Windklimaat op het maaiveld Uit de resultaten blijkt dat het te verwachten windklimaat rond de geplande bebouwing goed tot matig is voor het criterium doorlopen.
Er is geen sprake van een slecht windklimaat of een overschrijding van het gevaarcriterium. Met name bij de gebouwhoeken is plaatselijk sprake van een matig windklimaat voor doorlopen. De gebieden waar een matig windklimaat is vastgesteld betreft een deel van de openbare weg waar geen voetagngs en/of fietsers komen. Anderzijds betreft het ook een gedeelte waar zich op dit moment parkeerplaatsen en fiets- en voetpaden bevinden. Voor windgevoelige functies, zoals gebouwentrees, wordt het criterium slenteren gehanteerd. Voor de gebouwentrees van het eigen gebouw op de begane grond is een overwegend goed, en ter plaatse van de gebouwhoeken matig windklimaat vastgesteld. Het advies is dan ook de entrees zo ver mogelijk van de gebouwhoek vandaan te plaatsen. Het windklimaat bij de entrees van de bestaande woningen ten zuiden van het plan is enigszins kritisch, met een beoordeling goed tot op de grens van matig, beoordeeld met het criterium voor slenteren. Door het toevoegen van extra begroeiing kan het windklimaat hier lokaal worden verbeterd. Windklimaat op het dek Het dek heeft mogelijk een dubbele functie, namelijk als verblijfsgebied en als toegang tot woningen in de torens. Als verblijfsgebied is de categorie slenteren van toepassing, waarvoor een matig tot slecht windklimaat is vastgesteld.
Als toegang tot woningen is de categorie doorlopen van toepassing, waarmee een goed tot matig windklimaat is vastgesteld. Om het windklimaat op het dek te verbeteren kunnen windschermen worden toegevoegd tussen de torens van de geplande nieuwbouw. Bovendien zou lokaal het windklimaat kunnen worden verbeterd door het toevoegen van schermen rond terrasgebieden en rond gebouwentrees. Daarnaast kan aan de hand van de resultaten uit het onderzoek worden vastgesteld welke gebieden windtechnisch voor deze functies het meest gunstig zijn.
52
6.12.3 Conclusie In de geplande bebouwingsituatie is een goed tot lokaal matig windklimaat voor het criterium doorlopen vastgesteld. Er is geen sprake van een slecht windklimaat of een overschrijding van het gevaarcriterium. Rond de gebouwentrees van de geplande nieuwbouw is een overwegend goed, en rond de gebouwhoeken matig windklimaat vastgesteld. Het advies is dan ook de entrees zo ver mogelijk van de gebouwhoek vandaan te plaatsen. Het windklimaat bij de entrees van de bestaande woningen is enigszins kritisch, met een beoordeling goed tot op de grens van matig, beoordeeld met het criterium voor slenteren. Door het toevoegen van extra begroeiing kan het windklimaat hier lokaal worden verbeterd. Het windklimaat op het dek is matig tot slecht voor de categorie slenteren, en goed tot matig voor de categorie doorlopen. Het windklimaat kan lokaal worden verbeterd door het toevoegen van schermen tussen de torens van de geplande bouw, alsmede door het toevoegen van schermen rond terrasgebieden en rond gebouwentrees.
53
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. In het beleidsplan "naleving omgevingsrecht 2017-2021" staat beschreven hoe de gemeente haar taken op het gebied van het omgevingsrecht wil uitvoeren. Op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving voor (ver)bouwen, het gebruik en sloop van bestaande bouwwerken en gebruik van bijbehorende gronden heeft de afdeling Bouw- en Woningtoezicht het beleidsplan uitgewerkt in de "risicomatrix BWT 2018". Bij geconstateerde tekortkoming(en) bij vergunningverlening of bij overtredingen worden stimulerende maatregelen ingezet om het gedrag van de overtreder positief te veranderen. Als blijkt dat de inzet van de stimulerende maatregelen niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt eveneens conform het ‘beleidsplan naleving omgevingsrecht 2017-2021’ de landelijke handhavingsstrategie toegepast. Dit houdt in dat de afdeling gezien aard van de overtreding en gezien het gedrag van de overtreder in afstemming met ketenpartners zal interveniëren. Dat kan zijn door publiekrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving.
54
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. In het kader van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarmee zijn alle gemeentelijke kosten gedekt. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Rotterdam vervult hierin enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.
55
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, wordt het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. Naar aanleiding daarvan hebben DCMR, HHSK, BOOR en Rijkswaterstaat een reactie opgesteld. Deze reacties hebben ertoe geleid dat de archeologische dubbelbestemming in lijn is gebracht met het vigerende bestemmingsplan en in het akoestisch onderzoek zijn in overleg met de DCMR en RWS enkele wijzigingen doorgevoerd.
9.2
Participatie
Ten behoeve van de ontwikkeling zijn drie digitale informatiebijeenkomsten georganiseerd op respectievelijk 2 december 2020 en 28 januari en 23 maart 2021. Omwonenden en overige geinteresseerden konden zich voor deze bijeenkomsten aanmelden. De eerste twee sessies heeft de ontwikkelaar samen met de gemeente Rotterdam georganiseerd. Tijdens die sessies is toegelicht waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt, en zijn vragen vanuit de omgeving beantwoord. De vragen hadden met name betrekken op de hoogte van de bebouwing alsmede het aspect verkeer & parkeren. Andere onderwerpen die ter sprake kwamen waren: alternatieve (locatie van de) bouwplannen, waardeverandering bestaande woningen, groen, privacy, de bouwfase, het woningaanbod en de bestemmingsplanprocedure. De reacties hebben ertoe geleid dat samen met de geinteresseerden van gedachten wordt gewisseld over de invulling van de plint alsmede over de herinrichting van het openbaar gebied, zodat de ontwikkeling zoveel mogelijk meerwaarde voor de omgeving oplevert. De uitgangspunten voor het bestemmingsplan zijn niet gewijzigd.
56
Hoofdweg 480-490
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk1
Inleidende regels
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
Wijze van meten
8
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
9
Artikel 3
Gemengd
9
Artikel 4
Groen
12
Artikel 5
Verkeer - Verblijfsgebied
13
Artikel 6
Waarde - Archeologie
14
Hoofdstuk3
Algemene regels
16
Artikel 7
Antidubbeltelbepaling
16
Artikel 8
Algemene bouwregels
17
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
18
Artikel 10
Voorwaardelijke verplichting parkeren
19
Hoofdstuk4
Overgangs- en slotregels
20
Artikel 11
Overgangsrecht
20
Artikel 12
Slotregel
21
Bijlagen Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten
2
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
Plan
Het bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 van de gemeente Rotterdam. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0599.BP2190Hfdw480-on01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen). 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Archeologisch deskundige
Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.6
Bebouwing
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7
Bedrijven
De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels. 1.8
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.9
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.10
Bouwaanduidingen
Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.11
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.12
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.13
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
4
1.14
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.15
Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)
Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.16
Cultuur en ontspanning
Voorzieningen ten behoeve van culturele en sportieve activiteiten, zoals een cultureel centrum. 1.17
Dakterras en daktuin
Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een woning dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. 1.18
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.19
Dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. 1.20
Erf
Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.). 1.21
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.22
Gestapelde woningen
Woningen, gestapeld met woningen (soms ook gestapeld met andere functies, welke dan in de bestemmingsomschrijving vermeld dienen te zijn).
5
1.23
horeca
1.24
Kantoren
Gebouwen (c.q. deel van gebouwen) ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden van administratieve aard. 1.25
Maaiveld
De hoogte van het terrein nadat het gereed gemaakt is voor bebouwing. 1.26
Maatschappelijke voorzieningen
Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, cultuur, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. 1.27
Milieudeskundige
De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.28
Openbaar nutsvoorzieningen
Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.29
Peil (straat-)
a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein; c. indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.
6
1.30
Straatmeubilair
Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.31
Tuin
Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt. 1.32
Uitstekende delen aan gebouwen
Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.33
Water
Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. 1.34
Wet geluidhinder
De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.35
Wet ruimtelijke ordening
De wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.
7
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.2
de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. 2.5
de breedte van een gebouw
Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. 2.6
de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens
Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.
8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Gemengd
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. bedrijven t/m categorie 2 als bedoel in 'Bijlage 1 Bedrijvenlijst categorie 1 en 2' behorende bij deze regels; c. maatschappelijke voorzieningen; d. dienstverlening; e. cultuur en ontspanning; f. kantoren; g. detailhandel; h. parkeergarages (boven- en/of ondergronds); i. voorzieningen behorend bij bovengenoemde functies, zoals groen, water, tuinen, ontsluitingswegen en -paden. met daaraan ondergeschikt: j. berg- en stallingsruimten; k. dakterrassen en daktuinen; l. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer; m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Op de voor 'Gemengd' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 3.2.2
Gebouwen
a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. de bouwhoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat de hoogstgelegen vloer van een gebruiksgebied niet hoger mag worden gerealiseerd dan 70 meter; c. het totaal aantal woningen mag niet meer bedragen dan 375. 3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan; b. uitstekende delen aan gebouwen, mogen niet meer dan 2 meter uit de gevel steken; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van dakterrassen mag de maximale bouwhoogte die geldt voor gebouwen overschrijden en niet meer dan 1,60 meter bedragen; d. voor gebouwen waar de maximale hoogte 16 meter bedraagt, zijn wind- en geluidschermen ten behoeve van dakterrassen en daktuinen toegestaan, met dien verstande dat: 1. de hoogte niet meer dan 2,40 meter bedraagt; 2. de wind- en geluidschermen minimaal 3 meter uit de dakrand dienen te staan. e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.
9
3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Algemeen
Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de in bijlage 1 bij deze regels horende lijst van bedrijfsactiviteiten; c. de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen; d. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; e. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf. 3.3.2
Niet-woonfuncties
De functies als bedoeld in artikel 3.1 onder b tot en met g zijn uitsluitend toegestaan indien: a. het bruto vloeroppervlak van de functies als bedoeld in artikel 3.1 onder c per vestiging niet meer dan 3.000 m2 bedraagt; b. het bruto vloeroppervlak van de functies als bedoeld in artikel 3.1 onder d per vestiging niet meer dan 300 m2 bedraagt; c. het bruto vloeroppervlak van de functies als bedoeld in artikel 3.1 onder e per vestiging niet meer dan 200 m2 bedraagt; d. het bruto vloeroppervlak van kantoren als bedoeld in artikel 3.1 onder f per vestiging niet meer dan 1.000 m2 bedraagt; e. het bruto vloeroppervlak van de voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 onder g per vestiging niet meer dan 300 m2 bedraagt; f. het gezamenlijk bruto vloeroppervlak van alle functies als bedoeld in onder artikel 3.1 onder b tot en met g niet meer dan 3.000 m2 bedraagt. 3.3.3
Toegestane bedrijven
De functies als bedoeld in 3.1 onder b, zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van bedrijven tot en met categorie 2 van de Bedrijvenlijst', zoals opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze regels. 3.3.4
Biologisch laboratorium
Ten aanzien van het bepaalde in lid 3.3.2 geldt dat een nieuw hoog-risico biologisch laboratorium niet is toegestaan. 3.3.5
Parkeren
Het gebruik van gronden of bouwwerken op kan uitsluitend worden toegestaan indien voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren, zoals opgenomen in de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" of de rechtsopvolger daarvan. 3.4
Afwijken van de gebruiksregels
3.4.1
Bedrijfsactiviteiten
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3.1 en 3.3.2 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.
10
3.4.2
Horeca
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1, voor het toestaan van horeca t/m categorie 2, mits: a. de horecafunctie op grond van het op dat moment van toepassing zijnde (horeca)beleid van de gemeente Rotterdam; b. het totale b.v.o. van de horeca functie maximaal 300 m2 bedraagt; c. het niet betreft een discotheek en/of bardancing; d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving.
11
Artikel 4 4.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor ''Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen als park en plantsoen; b. waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; c. straatmeubilair; d. uitstekende delen van gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; e. voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; f. voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen; g. terrassen ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming. 4.2
Bouwregels
Op de voor 'Groen' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3; b. bouwwerken - ondergronds en bovengronds - voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, mits niet groter dan 10 m3;. c. uitstekende delen aan gebouwen, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld. d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een hoogte van 2 meter.
12
Artikel 5 5.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; b. voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen; c. groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; d. bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen; e. geluidswerende voorzieningen; f. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; g. terrassen ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Op de voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. in de bestemming passende bouwwerken (geen gebouwen zijnde), zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds) niet groter dan 10 m3, abri's, alsmede niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, welke gebouwen niet groter mogen zijn 80 m3, b. uitstekende delen aan gebouwen als bedoeld in lid 5.1 onder f., niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld. 5.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1 sub a, voor de bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van terrassen, tot een maximum hoogte van 1,50 meter. Bij de afweging betrekken burgemeester en wethouders de op dat moment van toepassing zijnde en door hen vastgestelde kwaliteitseisen voor terrassen, zoals opgenomen in de "Horecanota Rotterdam 2017-2020" of de rechtsopvolger daarvan.
13
Artikel 6 6.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 6.2
Bouwregels
6.2.1
Rapport archeologisch deskundige
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 6.3.1. 6.2.2
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1
Verbod
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de hierna onder 6.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan. 6.3.2 a. b. c. d. e. f.
Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
grondbewerkingen (van welke aard dan ook); het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
6.3.3
Uitgezonderde werkzaamheden
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
14
6.3.4
Vergunning
Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 6.3.5
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
15
Hoofdstuk 3 Artikel 7
Algemene regels
Antidubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
16
Artikel 8 8.1
Algemene bouwregels
Afdekking van gebouwen
Ingeval noch de regels, noch de verbeelding duidelijkheid verschaffen over de wijze van afdekking van gebouwen, mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt. 8.2
Bouwvlak
Indien voor gronden welke voor bebouwing in aanmerking komen op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen, komen uitsluitend de gronden binnen het bouwvlak voor bebouwing in aanmerking, met dien verstande dat bouwwerken geen gebouwen zijnde, ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan. 8.3
Dakterrassen en daktuinen
Dakterrassen en daktuinen zijn toegestaan. Indien de maximum bouwhoogte - voor zover dit geen 70 meter betreft - van een gebouw is bereikt, dan zijn ten behoeve van het realiseren van een dakterras of daktuin de volgende bouwwerken toegestaan: a. een gebouwde voorziening voor de daktoegang op het dak, met een hoogte van maximaal 4 meter. b. een hekwerk met een hoogte van maximaal 1,6 meter, mits deze minimaal 1,5 meter uit de dakrand staat; c. uitsluitend daar waar de maximum bouwhoogte voor gebouwen 16 meter bedraagt: wind- en geluidsschermen, mits de hoogte niet meer dan 2,40 meter bedraagt en deze minimaal 3 meter uit de dakrand staat. 8.4
Geluidsgevoelige objecten
Bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder is de realisatie van Geluidsgevoelige objecten voorzover gelegen binnen een geluidzone, alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorkeurswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere waarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd. 8.5
Maximum bebouwingspercentage
Ingeval voor gronden welke voor bebouwing in aanmerking komen noch in de regels, noch op de verbeelding een maximum bebouwingspercentage is vermeld, mogen deze gronden volledig worden bebouwd. 8.6
Maximum bouwhoogte
Voor zover in de regels geen bepalingen zijn opgenomen terzake van de maximum toegestane bouwhoogte, gelden de maatvoeringsaanduidingen terzake op de verbeelding.
17
Artikel 9 9.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen - met uitzondering van het overwogene omtrent de maximale bouwhoogte daar waar dit 70 meter betreft - afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie. 9.2
Afwijking toegestane bouwhoogte techniek
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwas installatie e.d., mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedraagt, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
18
Artikel 10
Voorwaardelijke verplichting parkeren
Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren, zoals opgenomen in de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" of de rechtsopvolger daarvan.
19
Hoofdstuk 4 Artikel 11 11.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
11.1.1 Aanwezige bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 11.2
Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.3
Overgangsrecht gebruik
11.3.1 Bestaand gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 11.3.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 11.3.3 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.3.4 Uitzonderingen op het overgangsrecht gebruik Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
20
Artikel 12
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Hoofdweg 480-490", gemeente Rotterdam.
21
LEGENDA Plangebied Plangebied
Enkelbestemmingen GD
Gemengd
G
Groen Verkeer - Verblijfsgebied
V-VB
Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie
WR-A
Bouwvlakken
70 42
bouwvlak
V-VB
GD
Maatvoeringen
16
maximum bouwhoogte (m)
70
Verklaringen
G 70
WR-A
32
ondergrond
BESTEMMINGSPLAN HOOFDWEG 480-490 Gemeente Rotterdam NL.IMRO.0599.BP2190Hfdw480-on01
schaal:
1:1000
voorontwerp:
29-10-2020 / MV
projectnr. OPDR: .
formaat:
A4
ontwerp:
29-07-2021 / ES
projectnr. VWP:
20MEERM018
concept:
09-07-2020 / ES
vastgesteld:
..-..-.... / tekenaar
bestandsnaam:
20MEERM018-009.dwg
Torenallee 45 5617 BA Eindhoven brengt data in kaart
www.viewpoint.nl
info@viewpoint.nl
040 304 10 85
Bedrijf sactiv iteiten obv VNG-lijst 2009 aangepast 2014 SBI-1993
milieucategorie 1 en 2
Bestemmingsplan xx 1 / 3
OMSCHRIJVING
SBI-2008
AFSTANDEN IN METERS
1581
1071
0
Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:
1581
1071
1
- verdampingscapaciteit < 7.500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens
1584
10821
0
Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:
1584
10821
3
- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken, productieoppervlak <= 200 m²
LUCHT
2
BODEM
1052
VISUEEL
1552
VERKEER
0
CATEGORIE
1051
GROOTSTE AFSTAND
-
1551
GEVAAR
10, 11
GELUID
10, 11
15
STOF
GEUR
nummer
aangepast planmer
-
15
INDICES
VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Zuivelproducten fabrieken: a
- consumptie-ijsfabrieken: productieoppervlak <= 200 m² en productiecapaciteit < 30.000 ton / jaar
10
0
30
0
30
2
1 G
1
30
10
30 C
10
30
2
1 G
1
30
10
30
10
30
2
1 G
1
30
10
30
10
30
2
1 G
1
10
0
30 C
0
30
2
1 G
1
10
10
30
10
30
2
2 G
2
10
10
30
0
30
2
1 G
1
- suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: productieoppervlak <= 200 m² en productiecapaciteit < a
15.000 ton / jaar
1584
10821
6
1586
1083
0
Koffiebranderijen en theepakkerijen:
1589.2
1089
0
Soep- en soeparomafabrieken:
1592
110102
0
Vervaardiging van ethylalcohol door gisting:
1102 t/m 1104 1593 t/m 1595
Vervaardiging van wijn, cider e.d.
18
14
-
18
14
-
182
141
20
VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en kledingtoebehoren (excl. van leer)
-
20
16
-
HOUT INDUST RIE EN VERVAARDIGING ART IKELEN VAN HOUT , RIET , KURK E.D.
2010.2
16102
0
Houtconserveringsbedrijven:
205
162902
22
58
-
22
58
-
2222.6
18129
Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen
10
0
30
0
30
2
1 P
1
2223
1814
A
Grafische afwerking
0
0
10
0
10
1
1 G
1
2223
1814
B
Binderijen
30
0
30
0
30
2
2 G
1
2224
1813
Grafische reproductie en zetten
30
0
10
10
30
2
2 G
1
B
2225
1814
Overige grafische activiteiten
30
0
30
10
30 D
2
2 G
1
B
223
182
Reproductiebedrijven opgenomen media
0
0
10
0
10
1
1 G
1
24
20
24
20
-
VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUCT EN
2442
2120
0
Farmaceutische productenfabrieken:
2442
2120
2
- verbandmiddelenfabrieken
10
10
30
10
30
2
2 G
1
26
23
-
10
10
30
10
30
2
1 G
1
30
10
30
10
30
2
1 G
1
30
10
30
10
30
2
1 G
1
30
0
30
0
30
2
1 G
1
Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken
UIT GEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCT IE VAN OPGENOMEN MEDIA B
-
VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT -, KALK- EN GIPSPRODUCT EN
26
23
-
262, 263
232, 234
0
262, 263
232, 234
1
30
26, 28, 33
-
30
26, 28, 33
-
VERVAARDIGING VAN KANT OORMACHINES EN COMPUT ERS
30
26, 28, 33
A
Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie
31
26, 27, 33
-
31
26, 27, 33
-
316
293
33
26, 32, 33
33
26, 32, 33
-
VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPT ISCHE APPARAT EN EN INST RUMENT EN
33
26, 32, 33
A
Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie
36
31
-
36
31
-
VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN niet elders genoemd
361
9524
2
Meubelstoffeerderijen bedrijfsoppervlak < 200 m²
0
10
10
0
10
1
1 P
1
362
321
Fabricage van munten, sieraden e.d.
30
10
10
10
30
2
1 G
1
363
322
Muziekinstrumentenfabrieken
30
10
30
10
30
2
2 G
2
3663.1
32991
Sociale werkvoorziening
0
30
30
0
30
2
1 P
1
40
35
40
35
-
PRODUCT IE EN DIST RIBUT IE VAN ST ROOM, AARDGAS, ST OOM EN WARM WAT ER
40
35
C0
Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:
40
35
C1
- < 10 MVA
0
0
30 C
10
30
2
1 P
1
40
35
D0
Gasdistributiebedrijven:
40
35
D3
- gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. cat. A
0
0
10 C
10
10
1
1 P
1
40
35
D4
- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C
0
0
30 C
10
30
2
1 P
1
40
35
E0
Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:
40
35
E2
- blokverwarming
10
0
30 C
10
30
2
1 P
1
41
36
-
41
36
-
WINNING EN DIST RIBUT IE VAN WAT ER
41
36
B0
Waterdistributiebedrijven met pompvermogen:
41
36
B1
- < 1 MW
0
0
30 C
10
30
2
1 P
1
45
41, 42, 43
-
45
41, 42, 43
-
BOUWNIJVERHEID
45
41, 42, 43
3
- aannemersbedrijven met werkplaats: bedrijfsoppervlak< 1000 m²
0
10
30
10
30
2
1 G
1
Aardewerkfabrieken: a
- vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW en productiecapaciteit < 100 ton / dag
L
VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKT R. MACHINES, APPARAT EN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie niet elders genoemd
-
B
-
B
B
Bedrijf sactiv iteiten obv VNG-lijst 2009 aangepast 2014 SBI-1993
INDICES
BODEM
0
30
10
30
2
2 P
1
B
0
0
10
10
10
1
1 G
1
GELUID
LUCHT
VISUEEL
VERKEER
CATEGORIE
GROOTSTE AFSTAND
10
Autobeklederijen
GEVAAR
Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
STOF
-
AFSTANDEN IN METERS
GEUR
nummer -
45, 47
aangepast planmer
-
-
45, 47
50
HANDEL/REPARAT IE VAN AUT O'S, MOT ORFIET SEN; BENZINESERVICEST AT IONS
501, 502, 504 451, 452, 454 45204
Bestemmingsplan xx 2 / 3
OMSCHRIJVING
SBI-2008
50
5020.4
milieucategorie 1 en 2
B
5020.5
45205
Autowasserijen
10
0
30
0
30
2
3 P
1
503, 504
453
Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires
0
0
30
10
30
2
1 P
1
505
473
0
Benzineservisestations:
505
473
3
- zonder LPG
30
0
30
10
30
2
3 P
1
51
46
-
51
46
-
5122
4622
Grth in bloemen en planten
10
10
30
0
30
2
2 G
1
5134
4634
Grth in dranken
0
0
30
0
30
2
2 G
1
5135
4635
Grth in tabaksproducten
10
0
30
0
30
2
2 G
1
5136
4636
Grth in suiker, chocolade en suikerwerk
10
10
30
0
30
2
2 G
1
5137
4637
Grth in koffie, thee, cacao en specerijen
30
10
30
0
30
2
2 G
1
5138, 5139 4638, 4639
Grth in overige voedings- en genotmiddelen
10
10
30
10
30
2
2 G
1
514
464, 46733
Grth in overige consumentenartikelen
10
10
30
10
30
2
2 G
1
5153
4673
0
Grth in hout en bouwmaterialen:
5153
4673
2
- algemeen: bedrijfsoppervlak <= 2000 m²
0
10
30
10
30
2
1 G
1
5153.4
46735
4
zand en grind:
5153.4
46735
6
- algemeen: bedrijfsoppervlak <= 200 m²
0
10
30
0
30
2
1 G
1
5154
4674
0
Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:
5154
4674
2
- algemeen: bedrijfsoppervlak < = 2.000 m²
0
0
30
0
30
2
1 G
1
5155.2
46752
Grth in kunstmeststoffen
30
30
30
30 R
30
2
1 G
1
5156
4676
Grth in overige intermediaire goederen
10
10
30
10
30
2
2 G
2
519
466, 469
Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.
0
0
30
0
30
2
2 G
1
52
47
-
52
47
-
527
952
0
0
10
10
10
1
1 P
1
55
55
-
55
55
-
5551
5629
Kantines
10
0
10 C
10
10 D
1
1 P
1
5552
562
Cateringbedrijven
10
0
30 C
10
30
2
1 G/P 1
60
49
-
60
49
-
6022
493
T axibedrijven
0
0
30 C
0
30
2
2 P
1
603
495
Pomp- en compressorstations van pijpleidingen
0
0
30 C
10
30 D
2
1 P
1
63
52
63
52
-
DIENST VERLENING T .B.V. HET VERVOER
6312
52109
B
Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)
0
0
30 C
10
30
2
2 G
1
10
0
30 C
0
30
2
3 P
1
B
GROOT HANDEL EN HANDELSBEMIDDELING
DET AILHANDEL EN REPARAT IE T .B.V. PART ICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)
LOGIES-, MAALT IJDEN- EN DRANKENVERST REKKING
VERVOER OVER LAND
B
-
Autoparkeerterreinen, parkeergarages, met een oppervlakte van 100 ha of meer of een a
bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m3 of meer
6321
5221
1
64
64
-
64
53
-
641
531, 532
Post- en koeriersdiensten
0
0
30 C
0
30
2
2 P
1
642
61
A
T elecommunicatiebedrijven
0
0
10 C
0
10
1
1 P
1
642
61
B0
zendinstallaties:
642
61
B2
- FM en T V
0
0
0 C
10
10
1
1 P
2
642
61
B3
- GSM en UMT S-steunzenders (indien bouwvergunningplichtig)
0
0
0 C
10
10
1
1 P
2
71
77
-
71
77
-
711
7711
Personenautoverhuurbedrijven
10
0
30
10
30
2
2 P
1
714
772
Verhuurbedrijven voor roerende goederen niet elders genoemd
10
10
30
10
30 D
2
2 G
2
72
62
72
62
-
COMPUT ERSERVICE- EN INFORMAT IET ECHNOLOGIE
72
62
A
Computerservice- en informatietechnologie-bureaus e.d.
0
0
10
0
10
1
1 P
1
72
58, 63
B
Datacentra
0
0
30 C
0
30
2
1 P
1
L
POST EN T ELECOMMUNICAT IE
VERHUUR VAN T RANSPORT MIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN
-
74, 77, 78, 74
80tm82
-
74, 77, 78, 74
80tm82
7481.3
74203
OVERIGE ZAKELIJKE DIENST VERLENING Foto- en filmontwikkelcentrales
10
0
30 C
10
30
2
2 G
1
7484.4
82992
Veilingen voor huisraad, kunst e.d.
0
0
10
0
10
1
2 P
1
90
37, 38, 39
90
37, 38, 39
-
MILIEUDIENST VERLENING
9001
3700
A0
RWZI's en gierverwerkingsinrichting, met afdekking voorbezinktanks:
9001
3700
B
rioolgemalen
30
0
10 C
0
30
2
1 P
1
9002.2
382
A0
Afvalverwerkingsbedrijven:
9002.2
382
A7
10
10
30
30 R
30
2
1 G
1
-
B
-
a
- verwerking fotochemisch en galvano-afval
B
L
Bedrijf sactiv iteiten obv VNG-lijst 2009 aangepast 2014 SBI-1993
milieucategorie 1 en 2
Bestemmingsplan xx 3 / 3
OMSCHRIJVING
SBI-2008
AFSTANDEN IN METERS
INDICES
BODEM
LUCHT
Chemische wasserijen en ververijen
30
0
30
30 R
30
2
2 G
1
B
L
9301.3
96013
A
Wasverzendinrichtingen
0
0
30
0
30
2
1 G
1
9301.3
96013
B
Wasserettes, wassalons
0
0
10
0
10
1
1 P
1
9302
9602
Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten
0
0
10
0
10
1
1 P
1
9305
9609
Persoonlijke dienstverlening niet elders genoemd
0
0
10 C
0
10 D
1
1 P
1
GELUID
STOF
B
GEVAAR
96012
GEUR
-
9301.2
nummer
VISUEEL
VERKEER
CATEGORIE
GROOTSTE AFSTAND
aangepast planmer
-
96
93
93
93
OVERIGE DIENST VERLENING
P/a DCMR Milieudienst Rijnmond Bezoekadres: Parallelweg 1 3112 NA Schiedam
M.e.r.-beoordelingsbesluit
Postadres: Postbus 843 3100 AV Schiedam Website: www.dcmr.nl Afdeling: Reguleren Advies en Omgeving
Contact: info@dcmr.nl Uw kenmerk: Ons kenmerk: 9999216362_9999963094 Bijlagen: Betreft: m.e.r.-beoordelingsbesluit Hoofdweg 480 490 Datum: 21 juli 2021
Hierbij besluiten wij dat geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld voor het bestemmingsplan Hoofdweg 480 - 490. Dit woninbouwproject met maatschappelijke en commerciële functies is gelegen in het stadsdeel Prins Alexander aan de Hoofdweg 480-490 te Rotterdam. Als uitgangspunt geldt dat alleen een MER hoeft te worden opgesteld, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Deze m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd conform paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en is gebaseerd op uw aanmeldnotitie, d.d. 13-08-2020, projectnummer 19255.
Voorgenomen activiteit De ontwikkeling behelst de realisatie van maximaal 346 woningen. Daarnaast wordt voorzien in maatschappelijke en commerciële voorzieningen in de vorm van een gezondheidscentrum, culturele- en commerciële dienstverlening. Ook is het eventueel mogelijk dat in plaats van voornoemde functies sprake zal zijn van een kantoorfunctie. Ten behoeve van de flexibiliteit worden alle voornoemde functies mogelijk gemaakt. Wel wordt het aantal vierkante meters van deze voorzieningen gemaximaliseerd op 2.700 m2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo). De maximale bouwhoogte varieert van 15 tot 75 meter, waarbij de hoogste verdiepingsvloer maximaal 70 meter hoog zal zijn. Op de lagere bouwdelen zullen daktuinen worden gerealiseerd. Binnen in het plan bevindt zich een bovengrondse parkeergarage van vier lagen met een fietsenstalling op de begane grond. De maatschappelijke en commerciële functies bevinden zich in de plinten. Aan de Hoofdweg zijde wordt het Gezondheidscentrum Alexander geherhuisvest met ruimte voor 23 behandelkamers. Daarnaast is in het plan ruimte voor commerciële dienstverlening met een oppervlakte van 120 m2 bvo en een culturele functie van 160 m2 bvo. Noodzakelijkheid m.e.r.-beoordelingsbesluit De voorgenomen activiteit valt onder: M.e.r.
categorie : D11.2 Activiteit : Stedelijk ontwikkelingsproject Drempelwaarde : 100 hectare, 2.000 woningen, 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlak. Voor dit bestemmingsplan is een m.e.r.-beoordelingsbesluit noodzakelijk, volgens artikel 2 lid 5 onder b van het besluit m.e.r., omdat de voorgenomen activiteit - zijnde een stedelijk ontwikkelingsproject - een omvang heeft van maximaal 346 woningen en dit onder de drempelwaarde van 2000 woningen ligt en een maximale bedrijfsvloeroppervlak (bvo) van 2.700
Blad: 2/3 Ons kenmerk: 9999216362_9999963094
m2 en dit onder de drempelwaarde van 200.000 m2 bvo ligt. Ook blijft het te bebouwen gebied ruim onder de 100 hectare. Besluit Er hoeft geen MER te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. Argumentatie Op basis van onderstaande argumenten zijn wij tot de conclusie gekomen dat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te voorzien. Dit woningbouwproject met maatschappelijke en commerciële functies komt in de plaats van een tweetal bestaande kantoorgebouwen met parkeergelegenheid. Verkeer: Het projectgebied wordt ontsloten door de Djeddalaan en de Hoofdweg. Via beide wegen bereikt men de doorgaande weg, de Hoofdweg. De Hoofdweg kruist met de Capelseweg, welke vervolgens zorgt voor een goede verbinding met de snelweg A20. Verder is aan de Hoofdweg op een afstand van circa 40 meter van het projectgebied een bushalte gesitueerd. Daarnaast is op een afstand van circa 550 meter van het projectgebied een station met trein-, metro- en busverbinding gelegen. Hiermee is het projectgebied goed aangesloten op het openbaar vervoer. Volgens de rekentool bedraagt de verkeersgeneratie in totaal gemiddelde 2.248 bewegingen per etmaal.
Aangezien in de huidige situatie – het tweetal kantoorgebouwen - ook reeds sprake is van een verkeersaantrekkende werking zal dit naar verwachting niet tot knelpunten leiden en daardoor zal er ook geen sprake zijn van mogelijke aanzienlijke negatieve milieugevolgen. Geluid: aangezien met het bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt binnen een geluidzone van een weg is in het kader van de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek Hoofdweg 480 – 490, rapportnummer M+P.MEES.20.09.1 d.d. 31 maart 2021). De geluidsbelasting afkomstig van de wegen Djeddalaan, Hoofdweg en de Rijksweg A20 is hoger dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde die de wettelijke kader van wegverkeerslawaai toestaat. Er is geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van railverkeerslawaai. Er zijn hogere waarden nodig vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van verschillende wegen. Er is sprake van cumulatie van geluid van verschillende bronnen. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt maximaal 65 dB (in wegverkeerslawaai-equivalenten, exclusief aftrek). In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan er overwogen worden diverse maatregelen te treffen voor het reduceren van de geluidsbelasting.
Er kan gedacht worden aan de volgende maatregelen: ▪Het toepassen van stil asfalt op de niet-rijkswegen, zoals een stil steenmastiekasfalt (SMA) of dunne geluidsreducerende deklaag. Echter hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat voor langzaam rijdend verkeer met veel optrekken, afremmen, op- en afdraaien de meeste wegdekken niet duurzaam genoeg zijn; ▪Bij de rijksweg is een geluidsreducerend wegverharding toegepast. Het geluidsniveau zou kunnen worden beperkt met een scherm. Vanwege de afstand tot de weg zou de schermlengte ten minste 2.000 m moeten bedragen om effectief te zijn. Een dergelijk scherm is voor alleen dit plan zeer kostbaar en daarmee niet doelmatig. Daarbij komt het feit dat andere geluidsbronnen het geluid van de rijksweg overstemmen, waarmee het effect op de woonbeleving nihil zou zijn; ▪Door een slimme situering van bepaalde bestemmingen (bijvoorbeeld niet geluidsgevoelige bestemmingen) aan de hoog geluidsbelaste gevels, kan door de afschermende werking voor andere geluidsgevoelige bestemmingen een goed akoestisch woon-en leefklimaat gecreëerd worden; ▪Uiteraard kunnen er ook maatregelen toegepast worden bij de ontvanger: loggia’s, geluidschermen aan gevel (vlies of raam) of indeling van de woningen (slaapkamers aan minst belaste zijde).
Bij de omgevingsvergunningsaanvraag dient een rapport ingediend worden met daarin berekeningen van de geluidswering conform het Bouwbesluit 2012 [2] om zo het binnenniveau te garanderen. Deze verplichting is aanwezig omdat er een hogere waarden verleend moet worden.
Blad: 3/3 Ons kenmerk: 9999216362_9999963094
Luchtkwaliteit: dit project blijft ver onder de drempelwaarden van 1.500 woningen en 100.000 m2 bedrijfsvloeroppervlak en kwalificeert zich daardoor voor de Niet in betekende mate (NIMB)regelingen, hetgeen betekent dat er ook ten aanzien van de luchtkwaliteit geen mogelijke aanzienlijke negatieve milieugevolgen zijn te verwachten.
Bezwaar en beroep Op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht is deze beoordeling een voorbereidingsbesluit, waarop geen bezwaar of beroep mogelijk is, tenzij aangetoond kan worden dat dit besluit belanghebbende rechtstreeks treft. Derden kunnen bij het ontwerpbesluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) wel bezwaar maken tegen de m.e.r.beoordeling
Burgemeester en Wethouders van Rotterdam Namens dezen,
Concerndirecteur Stadsontwikkeling H.M. van Bockxmeer
van M+P | Onderdeel Müller-BBM groep
Mensen met oplossingen
Rapport
Akoestisch onderzoek Hoofdweg 480-490, Rotterdam
M+P.MEES.20.09.1 | 31 maart 2021
Colofon Opdrachtnemer
M+P raadgevende ingenieurs BV
Opdrachtgever
Triple Living Alexandrium BV Michel de Braeystraat 55 B-2000 ANTWERPEN
Opdrachtnummer
-
Titel
Akoestisch onderzoek, Hoofdweg 480-490, Rotterdam
Rapportnummer
M+P.MEES.20.09.1
Revisie
3
Datum
31 maart 2021
Aantal pagina‘s
41
Auteurs
ing. Erik Olink ing. Hoi-Suen Batenburg
Contactpersoon
ir. Theodoor Höngens | 0297-320651 | aalsmeer@mp.nl
M+P
Visserstraat 50 | 1431 GJ Aalsmeer Wolfskamerweg 47 | 5262 ES Vught www.mp.nl | onderdeel van de Müller-BBM groep | Lid NLingenieurs | ISO 9001 gecertificeerd
Copyright
2
© M+P raadgevende ingenieurs BV | Niets van deze rapportage mag worden gebruikt voor andere doeleinden dan is overeengekomen tussen de opdrachtgever en M+P (DNR 2011 Artikel 46).
M+P.MEES.20.09.1
Samenvatting In opdracht van Triple Living Alexandrium BV is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op het bouwplan aan Hoofdweg 480-490 te Rotterdam. Hier worden appartementen, commerciële functies en daarbij behorende voorzieningen gerealiseerd. Het uitvoeren van dit akoestisch onderzoek is voor zowel ten behoeve van het bestemmingsplan als voor de omgevingsvergunningaanvraag. De toetsing wordt in het kader van Wet geluidhinder uitgevoerd. Het beoordelen van de geluidsbelasting gaat volgens het hogere waarde beleid van gemeente Rotterdam en aan een ‘goede ruimtelijke ordening’. De geluidsbelasting afkomstig van de lokale wegen Djeddalaan en Hoofdweg is hoger dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde die het wettelijke kader van wegverkeerslawaai toestaat. Datzelfde geldt voor geluid afkomstig van de Rijksweg A20. Er dient eerst een hogere waarde vastgesteld worden door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Rotterdam. Er is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van railverkeerslawaai. In dit geval zijn hogere waarden nodig vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van verschillende wegen. Er is sprake van cumulatie van geluid van verschillende bronnen. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt maximaal 65 dB (in wegverkeerslawaai-equivalenten, exclusief aftrek).
Er kan er overwogen worden diverse maatregelen te treffen voor het reduceren van de geluidsbelasting. Gedacht kan worden aan de volgende maatregelen: ▪ Het toepassen van stil asfalt op de niet-rijkswegen, zoals een stil steenmastiekasfalt (SMA) of dunne geluidsreducerende deklaag. Echter hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat voor langzaam rijdend verkeer met veel optrekken, afremmen, op- en afdraaien de meeste wegdekken niet duurzaam genoeg zijn; ▪ Bij de rijksweg is een geluidsreducerend wegverharding toegepast. Het geluidsniveau zou verder kunnen worden beperkt met een scherm. Vanwege de afstand tot de weg zou de schermlengte ten minste 2.000 m moeten bedragen om effectief te zijn. Een dergelijk scherm is voor alleen dit plan zeer kostbaar en daarmee niet doelmatig. Daarbij komt het feit dat andere geluidsbronnen het geluid van de rijksweg overstemmen, waarmee het effect op de woonbeleving nihil zou zijn; Door een slimme situering van bepaalde bestemmingen (bijvoorbeeld niet geluidsgevoelige bestemmingen) langs drukke wegen, kan door de afschermende werking voor andere geluidsgevoelige bestemmingen een goed akoestisch woon-en leefklimaat gecreëerd worden; ▪ Uiteraard kunnen er ook maatregelen toegepast worden bij de ontvanger: loggia’s, geluidschermen aan gevel (vlies of raam) of indeling van de woningen (slaapkamers aan minst belaste zijde).
Bij de bouwvergunningsaanvraag dient een rapport ingediend worden met daarin berekeningen van de geluidswering conform het Bouwbesluit 2012 [2] om zo het binnenniveau te garanderen. Deze verplichting is aanwezig omdat er een hogere waarden verleend moet worden.
M+P.MEES.20.09.1 | 31 maart 2021
3
Inhoud 1
Inleiding
5
2 2.1 2.2
Situatie en uitgangspunten Situatie Uitgangspunten
6 6 7
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Wettelijk kader Wegverkeerslawaai Railverkeerslawaai Gemeentelijk beleid Rotterdam Cumulatie
8 8 9 9 10
4 4.1 4.2 4.3 4.4
Bepalingsmethode en invoergegevens Wegverkeer Railverkeer Invoergegevens wegverkeer Invoergegevens railverkeer
11 11 11 11 13
5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.2 5.3
Rekenresultaten, beoordeling een aanbeveling Rekenresultaten Wegverkeer Railverkeer Beoordeling en aanbeveling Voorstel vast te stellen Hogere Waarden
14 14 14 15 15 16
6
Literatuur
17
bijlage A
Figuren
18
bijlage B
Rekenresultaten
22
4
M+P.MEES.20.09.1
1
Inleiding In opdracht van Triple Living Alexandrium BV is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op het bouwplan aan Hoofdweg 480-490 te Rotterdam. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing binnen het plangebied te slopen en nieuwbouw te realiseren. Het toekomstige programma bestaat uit maximaal 375 woningen. Daarnaast wordt voorzien in enkele andere functies zoals horeca / (commerciële) dienstverlening, buurtfunctie / cultuur en ontspanning, gezondheidscentrum, kantoren en detailhandel. De plannen hebben tot gevolg dat het bestemmingsplan moet worden aangepast. Zodoende is dit akoestisch onderzoek uitgevoerd voor zowel het bestemmingsplan als voor de omgevingsvergunningaanvraag. De resultaten van het akoestisch onderzoek worden gepresenteerd in dit rapport. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven waar het onderzoeksgebied zich bevindt en welke geluidsbronnen getoetst zijn. Bij nieuwe ruimtelijke plannen moet aangetoond worden dat er sprake is van een aanvaardbare akoestische kwaliteit. Zodoende wordt de toetsing in het kader van de Wet Geluidhinder uitgevoerd. Het ‘wettelijk kader’ wordt beschreven in hoofdstuk 3. De ‘bepalingsmethode en invoergegevens’ worden opgesomd in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd inclusief conclusies en aanbevelingen.
M+P.MEES.20.09.1 | 31 maart 2021
5
2
Situatie en uitgangspunten
2.1
Situatie Het onderzoeksgebied is Hoofdweg 480-490 te Rotterdam. Gezien de ligging binnen de zones van diverse wegen en het spoor moeten de geluidsaspecten worden beschouwd. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de volgende zoneplichtige wegen: ▪ Capelseweg; ▪ Djeddalaan; ▪ Grote Beer; ▪ Hoofdweg primair; ▪ Hoofdweg secundair; ▪ Kleine Beer/Schorpioenstraat; ▪ Watermanweg; ▪ Rijksweg A20. De zonebreedte van het spoor is afhankelijk van de geluidsproductieplafonds (GPP = 67 dB) en is ter plaatse 600 m. Het bouwplan ligt binnen de geluidszone. Het plangebied wordt weergegeven in figuur 1.