CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb15167 Bijlage 1 behorende bij 21bb15168 - ontwerpbestemmingsplan Hoofdweg 480 - 490 inclusief verbeelding

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 17. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Hoofdweg 480-490’30.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.3.8.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen nabij de Alexanderknoop (zie figuur 3.6) en bevindt zich buiten het gebied dat is aangewezen als hoogbouwzone. De maximale bouwhoogte (gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen ter plaatse van het plangebied bedraagt 70 meter. De dakrand blijft onder de 70 meter. Dit is geborgd door in de bestemmingsplanregels op te nemen dat de bouwhoogte maximaal 70 meter bedraagt. Omdat het bouwplan vanwege de hoogte niet als hoogbouw wordt aangemerkt is toetsing aan de Hoogbouwvisie niet aan de orde.

28

Figuur 3.6. Hoogbouw begrenzing Alexanderknoop Rotterdam (bron: Hoogbouwvisie 2019 Rotterdam)

29

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk wordt het plan nader toegelicht. Er wordt ingegaan op de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt alsmede de juridische planbeschrijving.

4.2

Ontwikkelingen

Het bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 omvat het plangebied aan de Hoofdweg 480 en 490 te Rotterdam. Het plan bestaat uit maximaal 375 woningen. Daarnaast zullen ook maatschappelijke en commerciële functies, waaronder een zorgcentrum (mogelijk maximaal 42 behandelkamers) en commerciële dienstverlening, culturele functies en eventueel kantoren (in de plaats van voornoemde functies) alsmede alle bij voornoemde functies bijbehorende voorzieningen worden toegestaan. Middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan horeca t/m categorie 2 worden toegestaan. De beoogde nieuwbouw bestaat uit een plint van vier lagen en een ensemble van twee torens en twee blokken van verschillende hoogtes (maximaal 70 meter) die aansluiten bij de hoogtes van de omgeving, zie onderstaand figuur. Figuur 4.1. Beoogde ontwikkeling, massaopbouw (Bron: KCAP Architects&Planners,d.d. 28 februari 2020)

4.3

Juridische planbeschrijving

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe functie in het plangebied gerealiseerd. De van toepassing zijnde bestemmingen worden hieronder nader toegelicht. 4.3.1

Gemengd

De bebouwing binnen het plangebied heeft de bestemming "Gemengd" gekregen. Binnen de bestemming "Gemengd" worden de volgende functies mogelijk gemaakt: maatschappelijke, commerciële en culturele voorzieningen in de vorm van een gezondheidscentrum, commerciële dienstverlening en wijkcentrum. Ook kantoren zijn mogelijk binnen de bestemming "Gemengd". Verder is middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voorzien in het realiseren van horeca. Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak en dienen qua bouwhoogte te voldoen aan de opgenomen maatvoeringsaanduidingen. Ook is een parkeergarage binnen deze bestemming mogelijk.

30

4.3.2

Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn, ook voet- en fietspaden, speeltoestellen en ook auto-ontsluitingen en parkeerplaatsen toegestaan. Het behouden van alsmede de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging is binnen de bestemming mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. De bestemming is zodanig opgezet dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.3.3

Verkeer - Verblijfsgebied

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterbergingen mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. 4.3.4

Waarde - Archeologie

Het plangebied kent een archeologische verwachtingswaarde. In lijn met het vigerende bestemmingsplan is vanwege deze archeologische verwachtingswaarde een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Deze dubbelbestemming geldt ter plaatse van zowel de bestemming 'Gemengd', 'Verkeer - Verblijfsgebied' als de bestemming 'Groen'. 4.3.5

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing In de planregels is opgenomen dat ontwikkelingen moeten voldoen aan de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018), zie paragraaf 3.3.7. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is in het bestemmingsplan in artikel 10 een bepaling opgenomen waarin staat dat alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid. In artikel 3.3 is volledigheidshalve ook een bepaling opgenomen, zodat wordt geborgd dat ook bij het wijzigen van het gebruik moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om rekening te houden met eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is een dynamische verwijzing opgenomen en is een eventuele rechtsopvolger van het beleidsdocument ook expliciet genoemd. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen.

Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

31

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2

Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3

Rotterdams en regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De regels van dit hoogheemraadschap zijn vastgelegd in de Keur van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder.

32

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen sprake van primair oppervlaktewater. Wel is ten zuiden van het plangebied sprake van een hoofdwatergang (primair oppervlaktewater). Een deel van het plangebied is aangewezen als oppervlaktewater 'overig water', zie figuur 5.1. Figuur 5.1. Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard

5.3.2

Grondwater

Voor grondwater is een peilbuis in de nabije omgeving van het plangebied gelegen (buiscode 135571). Deze peilbuis meet de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de gegevens blijkt dat het grondwater 1,2 meter onder het maaiveld bevindt. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. 5.3.3

Waterkering en waterveiligheid

Er liggen geen primaire of secundaire waterkering in, of direct aangrenzend aan, het plangebied. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkering die het plangebied beschermd heeft een overschrijdingskans van 1/100.000 per jaar. Dit houdt in dat deze waterkering bescherming biedt tot een bepaalde rivierwaterstand, waarbij de kans op overschrijding van deze waterstand 1 op 100.000 per jaar is. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico’s te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte (ten opzichte van het maaiveld) er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Hieruit blijkt dat bij een dijkdoorbraak bijna het hele plangebied (behalve het talud van de A16) onder water komt te staan met een

33

overstromingsdiepte tussen de 2 en de 5 meter. 5.3.4

Riolering

De bebouwing binnen het plangebied zal worden aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

De beoogde ontwikkeling betreft sloop en nieuwbouw op reeds verhard terrein. Een deel van de nieuwbouw is voorzien ter plaatse van 'overig water'. Dit betekent dat oppervlaktewater wordt gedempt. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat maximaal 640 m2 wateroppervlak wordt gedempt. Het oppervlaktewater dat wordt gedempt dat zal elders worden gecompenseerd. Voorafgaand aan de te verrichten werkzaamheden zal hiervoor een melding worden gedaan dan wel een watervergunning worden aangevraagd. De ten zuiden van het plangebied gelegen hoofdwatergang kent een onderhoudsstrook van 5 meter aan weerszijden. De beoogde ontwikkeling vindt plaats buiten deze onderhoudsstrook. Dit vraagt dan ook niet om nadere aandacht. 5.4.2

Grondwater

De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak. De toename betreft vooralsnog < 500 m2. Mocht deze waarde worden overschreden, dan zal watervergunning moeten worden aangevraagd en moet worden voorzien in watercompensatie. Gezien de diepte van de beoogde bebouwing heeft de ontwikkeling in zijn geheel geen invloed op de grondwaterstand aangezien de beoogde bebouwing zich boven het grondwaterpeil bevindt. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Aangezien geen waterkeringen in de nabije omgeving van het plangebied zijn gelegen heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op eventuele primaire en secundaire waterkeringen. Waterveiligheid De ontwikkeling in het gebied heeft geen invloed op de waterkering die het plangebied bescherming geeft. Daarmee is geen sprake van een significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. 5.4.4

Riolering

De ontwikkeling zal worden aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel. Ten aanzien van de belasting van het bestaande rioolstelsel worden geen belemmeringen verwacht.

34

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

6.2.1

Algemeen

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Met het op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging Besluit m.e.r. dient bij elk plan waarbij een vormvrije

35

m.e.r.-beoordeling aan de orde een aanmeldingsnotitie te worden opgesteld. 6.2.2

Plangebied

Het bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 maakt woningen en een diversiteit aan daarbij behorende voorzieningen mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een activiteit (categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Tabel 6.1 Relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is

D 11.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, In gevallen waarin de wijziging of activiteit betrekking heeft uitbreiding van op: een stedelijk 1°. een oppervlakte van ontwikkelings 100 hectare of meer, project met 2°. een aaneengesloten inbegrip van gebied en 2000 of meer de bouw van woningen omvat, of winkelcentra 3°. Een of bedrijfsvloeroppervlakte parkeerterrein van 200.000 m2 of meer. en.

De structuurvisie, De vaststelling van bedoeld in de het plan, bedoeld in artikelen 2.1, 2.2 en artikel 3.6, eerste lid, 2.3 van de Wet onderdelen a en b, ruimtelijke ordening, van de Wet en het plan, bedoeld ruimtelijke ordening in artikel 3.1, eerste dan wel bij het lid, van die wet. ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Gezien de ontwikkeling niet boven de drempelwaarde van 2.000 woningen dan wel 200.000 m2 of meer bvo is gelegen, ligt het totale plan onder de drempelwaarden, waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een planMER-plicht geldt (kolom 2). Op basis van Europese regelgeving dient een vormvrije-m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel van deze vormvrije-m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in voorliggend hoofdstuk van dit bestemmingsplan. Op grond van het bovenstaande en de opgestelde aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is het bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig.

Het bevoegd gezag heeft besloten dat in dit geval geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is toegevoegd als bijlage 1. 6.2.3

Conclusie

Het plangebied ligt niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Op grond van het bovenstaande is bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig.

36

6.3

Milieuzonering

6.3.1

Algemeen

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. 6.3.2

Plangebied

De gemeente Rotterdam heeft de VNG-lijst vertaald naar de Rotterdamse situatie en heeft daarbij een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voor gemengde gebieden of bij industriegebieden, en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden. In gebieden met functiemenging wordt een andere systematiek gehanteerd en is vaak een combinatie van wonen en werken mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. Bedrijven in of nabij het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een woongebied. In deze gebieden kunnen bedrijven in milieucategorie 2 (indicatieve afstand tot woningen 30 meter) als passend worden gezien. In de omgeving van het plangebied zijn ten zuiden en oosten reeds woningen aanwezig. Volgens het vigerende bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank" zijn daar bedrijven tot en met een milieucategorie 1 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter.

Ten noorden van het plangebied is conform het bestemmingsplan "Alexanderknoop" bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. De gronden waar dit is toegestaan zijn gelegen op een afstand van ruim 100 meter, waarmee aan de richtafstand van 100 meter wordt voldaan. Onderhavig bestemmingsplan bevat bestemmingen waarbinnen maatschappelijke en commerciële functies, waaronder een zorgcentrum (42 behandelkamers) en, culturele functie (200 m2), commerciële dienstverlening (ca. 300 m2 bvo) en eventueel kantoren zijn toegestaan. Daarbij zijn bedrijven met maximaal een milieucategorie 2 toegestaan en kan horeca t/m categorie 2 met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid worden toegestaan. Op gebouwniveau kan worden uitgegaan van functiemenging. De activiteiten zijn aan te merken als een categorie A dan wel B conform de Staat van functiemenging. Dit betekent dat ze direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, omdat deze activiteiten zodanig weinig milieubelastend zijn dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Hinderveroorzakende bedrijven zijn dus niet toegestaan op basis van dit bestemmingsplan, waarmee een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. 6.3.3

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied zal gezien de beoogde functies sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

37

6.4

Verkeer en parkeren

6.4.1

Algemeen

Het plan omvat het realiseren woningen en daarbij behorende voorzieningen alsmede diverse commerciële en maatschappelijke functies. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking in deze paragraaf inzichtelijk gemaakt. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018'. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie').

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een plan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Rotterdam is een 'zeer sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in het 'rest bebouwde kom'. 6.4.2

Plangebied

Parkeren Volgens het parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam is het plangebied gelegen in 'Zone C'. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de normen die voor dat gebied gelden. Vanwege de beoogde flexibiliteit is de exacte invulling van het plangebied op dit moment nog niet bekend. Om ervoor te zorgen dat in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen (dan wel het bij het wijzigen van het gebruik wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid is in de planregels een verwijziging opgenomen naar het van toepasssing zijnde parkeerbeleid waarin de parkeernormen zijn opgenomen. Bij het toepassen van de normen kan gezien de diversiteit aan functies rekening worden gehouden met het dubbelgebuik. Niet alle functies zullen immers op hetzelfde moment worden gebruikt. Daarnaast zijn binnen het gemeentelijke parkeerbeleid meerdere normcorrectiefactoren benoemd waarmee (gedeeltelijke) vrijstelling van de parkeernorm kan worden verkregen. De volgende bijzondere vrijstellingen gelden: nabijheid OV-stations (reductie van 40% mogelijk op de parkeereis); extra fietsparkeerruimte (reductie van max. 10% op de autoparkeereis); deelauto's (autoparkeereis kan met max. 20% verlaagd worden); mobility as a Service (MaaS) (autoparkeereis kan met max. 20% verlaagd worden). De bijzondere vrijstellingen kunnen bij elkaar worden opgeteld.

Voor het plangebied wordt ten minste gebruik gemaakt van de volgende factoren: de afstand van de ontwikkellocatie tot het OV; de realisatie van een collectieve fietsparkeervoorziening; de plaatsing/levering van deelauto's.

38

Door toepassing van deze correctiefactoren wordt afstand gedaan van de mogelijkheid dat toekomstige bewoners en gebruikers van de commerciële dienstverlening, het cultureel centrum, het gezondheidscentrum en eventuele kantoren in aanmerking komen voor een parkeervergunning op straat. Parkeeroplossing De totale normatieve parkeerbehoefte voor de beoogde ontwikkeling met in acht name van de genoemde normcorrecties is afhankelijk van de exacte invulling van het plangebied. Wel kan worden aangegeven dat rekening wordt gehouden met 10 vaste parkeerplaatsen voor hetzelfde aantal deelauto's. Binnen het plangebied worden circa 180 parkeerplaatsen gerealiseerd. Tevens wordt gebruik gemaakt van de in de directe omgeving van de ontwikkeling aanwezige 42 parkeerplaatsen op straat. De circa 180 inpandige parkeerplaatsen staan primair ter beschikking van de bewoners en het personeel van commerciële functie, het cultureel centrum en het gezondheidscentrum. Bewoners en personeel krijgen geen parkeervergunning, dus parkeren niet in de omgeving. De parkeerplaatsen op straat staan primair ter beschikking van bezoekers van de horeca, het cultureel centrum en het gezondheidscentrum. Zij kunnen ook parkeren in de parkeergarages van het winkelcentrum Alexandrium.

Een onderdeel van de parkeeroplossing is het beschikbaar stellen van 10 deelauto's waarmee - in combinatie met een collectieve fietsparkeervoorziening - een deel van de mobiliteitsbehoefte van de bewoners van de woningen wordt gefaciliteerd. De parkeeroplossing houdt er rekening mee dat deze deelauto's geparkeerd staan op 10 vaste parkeerplaatsen in de parkeergarage van de ontwikkeling. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geborgd dat in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Ontsluiting en verkeersgeneratie Ontsluiting van de in het plangebied aanwezige parkeergarage vindt plaats haaks op Djeddalaan. Dit komt overeen met de ontsluiting van het plangebied in de huidige situatie. De situatie met de ventweg blijft gehandhaafd en verwacht wordt dat het verkeer op deze manier goed kan worden afgewikkeld. Het plangebied wordt ontsloten door de Djeddalaan en de Hoofdweg. Via beide wegen bereikt men de doorgaande weg Hoofdweg. De Hoofdweg kruist met de Capelseweg, welke vervolgens zorgt voor een goede verbinding met de snelweg A20. Verder is aan de Hoofdweg op een afstand van circa 40 meter van het plangebied een bushalte gesitueerd. Daarnaast is op een afstand van circa 550 meter van het plangebied een station met trein-, metro- en busverbinding gelegen.

Hiermee is het plangebied goed aangesloten op het openbaar vervoer. In de toekomstige situatie zullen naar verwachting ruim 1.200 mvt/etmaal plaatsvinden. In de huidige situatie zijn dit er reeds ruim 1.000. Aangezien dit betekent dat minder dat 1 auto per twee minuten extra gebruik zal maken van de ontsluitingswegen worden geen knelpunten voorzien. 6.4.3

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied voor de verschillende vervoerswijzen is goed. Het grootste deel van de parkeerbehoefte wordt gerealiseerd binnen eigen terrein. Het overige deel, bestemd voor bezoekers van de commerciële dienstverlening, wordt opgevangen op parkeerplaatsen in de directe omgeving. De te realiseren parkeervoorziening en ontsluiting is hiermee afdoende.

39

6.5

Geluid

6.5.1

Algemeen

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.

Rotterdams beleid Wanneer in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen mogelijk wordt gemaakt moet onderzocht worden of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.5.2

Plangebied

Door M+P raadgevende ingenieurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op het bouwplan. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 2. De resultaten uit het onderzoek zijn hieronder opgenomen. De geluidsbelasting afkomstig van de wegen Djeddalaan en Hoofdweg is hoger dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en lager dan de maximale ontheffingswaarde (63 (dB) die het wettelijk kader van wegverkeerslawaai toestaat. De geluidbelasting bedraagt respectievelijk 53 dB en 61 dB. Gezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient een hogere waarde besluit vastgesteld te worden door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Rotterdam. Ten gevolge van de Rijksweg A20 sprake van verhoogde geluidsbelastingen lager dan de maximale ontheffingswaarde (53 dB) en hoger dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De maximale geluidbelasting bedraagt namelijk 51 dB. Deze geluidbelasting treedt voornamelijk op aan de noordzijde van de bouwvolumes. Vanwege deze geluidbelasting is eveneens een hogere waardenbesluit nodig. Daarnaast is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van railverkeerslawaai (55 dB). Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het spoor maximaal 56 dB bedraagt aan de noordzijde van de bebouwing. Vanwege railverkeer zijn daarom ook hogere waarden nodig. Er is sprake van cumulatie van geluid van verschillende bronnen.

De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt maximaal 65 dB. Aangezien de woningen aan het Bouwbesluit moeten voldoen zal in dat kader moeten worden geborgd dat sprake is van een zodanige geluidswering dat het binnenniveau kan worden gegarandeerd. Bij de verdere uitwerking van het plan zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met een slimme

40

situering van bepaalde bestemmingen (niet geluidsgevoelige bestemmingen) aan de hoog geluidsbelaste gevels, zodat door de afschermende werking voor andere geluidsgevoelige bestemmingen een goed akoestisch woon- en leefklimaat gecreëerd kan worden. Daarnaast zullen ook gebouw gebonden maatregelen worden getroffen. Denk bijvoorbeeld aan loggia's, geluidschermen aan gevel (vlies of raam) of indelingen van de woningen (slaapkamer aan minst belaste zijde) en wordt ook een buitenruimte gecreëerd, zodat zoveel mogelijk aan het gemeentelijke geluidbeleid wordt voldaan. 6.5.3

Conclusie

In dit geval is een besluit hogere waarden nodig vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van verschillende wegen en railverkeerslawaai. Het ontwerp-besluit tot hogere waarden is toegevoegd als bijlage 3. Bij de verdere uitwerking van het plan zal ervoor worden zorggedragen dat aan het geluidbeleid van de gemeente wordt voldaan.

6.6

Luchtkwaliteit

6.6.1

Algemeen

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde.

Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. 6.6.2

Plangebied

In het bestemmingsplan worden er nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Toetsing van het plan aan het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve aan de orde. Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen woningen en maatschappelijke en commerciële voorzieningen in de vorm van een gezondheidscentrum, culturele functie en commerciële dienstverlening en eventuele kantoorruimte. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de

41

Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 blijven hier ruim onder. De motorvoertuigbewegingen worden afgewikkeld via de Hoofdweg. Deze weg kent een breedte van minimaal 12 meter (defaultwaarde NIBM-tool is 5 meter). Daarbij is deze weg op afstand van meer dan 15 meter vanaf het plangebied gelegen (defaultwaarde NIBM-tool is 5 meter). Op basis van voorgaande uitgangspunten is de NIBM-tool ingevuld, zie ook figuur 6.2. Op basis van de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het plan is de NIBM-tool ingevuld. Opgemerkt wordt dat daarbij rekening is gehouden met de lagere verkeersaantrekkende werking als gevolg van bijvoorbeeld de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer alsmede het inzetten van deelauto's (zie ook paragraaf 6.4.2). Uit de NIBM-tool volgt dat uitgaande van een worst case situatie de ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de heersende achtergrondconcentraties.

42

Figuur 6.2 Uitsnede NIBM-tool 2021

Op de kaartviewer van de NSL-tool (geraadpleegd op 27 juli 2021) is te zien dat ter plaatse van het plangebied de totale concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 in 2020 respectievelijk 26,6 µg/m3, 19,6 µg/m3 en 11,6 µg/m3 bedragen (rekenpunt ID 15951766). De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is dit 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is dit 25 µg/m3. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zal de concentraties van zowel fijn stof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven. 6.6.3

Conclusie

Het bestemmingsplan Hoofdweg 480-490 zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan.

6.7

Bodem

6.7.1

Algemeen

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.2

Plangebied

Door ATKB is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Uit het onderzoek volgt dat: De bodem op de locatie bestaat tot 2,5 m-mv uit zand. Vanaf 2,5m-mv tot de maximale boordiepte uit veen. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op 1,53 m-mv. In de bodem is vanaf maaiveld tot 1,0 m-mv in beperkte mate baksteen en een plaatselijke repaclaag aangetroffen. Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de grond en de plaatselijk aangetroffen puinlaag is analytisch geen asbest vastgesteld. De bovengrond is plaatselijk (boorpunt 01) licht verontreinigd met de parameters PCB, PAK en

43

minerale olie. De herkomst van de lichte verontreinigingen is niet bekend. De baksteenhoudende ondergrond en de zintuiglijk schone bovengrond zijn niet verontreinigd. Op basis van de vastgestelde gehalten PFAS is de grond op de locatie elders toepasbaar. De kwaliteit van de boven en ondergrond voldoen tenminste aan bodemfunctieklassen Natuur (daarmee is de kwaliteit ook geschikt voor wonen) Het grondwater is licht verontreinigd met barium, deze is naar verwachting van nature aanwezig. Gezien de resultaten is de bodemkwaliteit voldoende voor de beoogde (woon)functie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 6.7.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek vraagt het aspect bodem niet om nadere aandacht en staat dit de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.

6.8

Archeologie en cultuurhistorie

6.8.1

Algemeen

Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het archeologische beleid van de gemeente Rotterdam is vastgelegd in de Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's) en de Archeologieverordening Rotterdam. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats.

Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

44

6.8.2

Plangebied

Archeologie Het plangebied kent volgens de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) deels een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde en deels een redelijk tot hoge archeologische verwachting. Conform het bestemmingsplan "Het Lage Land" geldt voor de locatie een dubbelbestemming archeologie. Dit betekent dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren. Dit geldt voor bodemingrepen die dieper reiken dan 1 meter beneden het maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 200 m2 beslaan. Met de beoogde ontwikkeling worden voornoemde drempelwaarden overschreden. Door wederom een archeologische dubbelbestemming op te nemen zijn de gronden mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) heeft aangegeven dat werkzaamheden die niet dieper reiken dan 13 meter - NAP naar verwachting geen probleem vormen. Op dit moment is de exacte omvang van de bodemverstorende werkzaamheden onbekend. Het BOOR zal in het kader van de omgevingsvergunning en op basis van een uitgewerkt funderingsplan toetsen of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

De op de gronden van toepassing zijnde dubbelbestemming blijft op verzoek van het BOOR in dit bestemmingsplan van toepassing. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn op basis van de monumentenkaart van de gemeente Rotterdam geen monumenten gesitueerd en is geen sprake van een beschermd stadsgezicht. Het dichtstbijzijnde monument is gelegen op een afstand van circa 500 meter. Gezien deze afstand kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet zorgt voor veranderingen aan/ in het dichtstbijzijnde monument. 6.8.3

Conclusie

Met het opnemen van een dubbelbestemming ter plaatse van het gehele plangebied (ter plaatse van de bestemming 'Gemengd', 'Verkeer-Verblijfsgebied' en de bestemming 'Groen') is geborgd dat in geval van bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 1 meter - NAP een omgevingsvergunning nodig is waarbij aangetoond moet worden dat eventuele aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord.

6.9

Externe veiligheid

6.9.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.

Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van

45

haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico.

Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.9.2

Plangebied

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In het kader van de externe veiligheid zijn nabij de beoogde ontwikkeling een aantal risicobronnen gesitueerd, zie risicokaart in figuur 6.3, het plangebied is aangeven met een paars kader en een paarse ster. Het voorgenomen initiatief is geen risicovolle activiteit. Figuur 6.3 Uitsnede risicokaart (Bron: risicokaart Nederland)

46

Plaatsgebonden risico Op een afstand van circa 280 meter is het aardgasstation Uniper RoCa gelegen. Gekeken is of het plangebied gelegen is binnen de risicocontouren. Het plangebied is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren 10-6, zie figuur 6.3. Hiermee vormen dergelijke contouren geen belemmering voor de realisatie van kwetsbare objecten, zoals woningen, binnen het plangebied. Groepsrisico Op een afstand van circa 460 meter van het plangebied zijn meerdere buisleidingen gelegen, dit betreffen aardgasleidingen van Gasunie. Hierbij dient met betrekking tot het groepsrisico gekeken te worden of het plangebied binnen de 1%-letaliteitscontour van de buisleidingen ligt. Indien het plan hierbinnen ligt, moet het groepsrisico worden berekend. De 1% letaliteitscontour voor deze buisleidingen ligt op 150 en 170 meter, hiermee is het plan buiten deze 1% letaliteitscontour gelegen. Er hoeft geen groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. Tevens dient gekeken te worden of het plangebied gelegen is binnen het gebied 200 meter van een transportroute, artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het plangebied is niet binnen 200 meter van de transportroute over de weg (A20) en het spoor gelegen, het plangebied ligt op een afstand van ca. 550 meter van de weg en op ruim 200 meter van het spoor.

Hierdoor hoeft eveneens geen uitgebreide groepsrisicoverantwoording (zoals: QRA-berekeningen) plaatst te vinden. Echter, het plangebied is wel binnen het invloedsgebied van het spoor gelegen, waardoor een beperkte groepsrisicoverantwoording benodigd is. Volgens artikel 7 Bevt moet in dat kader aandacht besteed worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Verantwoording In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario 'toxisch gas'. De mogelijke maatregelen ten einde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. Wat betreft de toxische wolk zijn eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Naar verwachting zullen in zeer beperkte mate personen aanwezig zijn die niet zelfredzaam zijn. Indien dat wel het geval is zullen ze te allen tijde aanwezig onder leiding van een of meerdere zelfredzame volwassene.

Op die manier kunnen ze onder leiding van deze volwassene(n) in veiligheid worden gebracht. Gezien voorgaande zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen. Er worden weliswaar ter plaatse van het plangebied maatschappelijke zorgfuncties mogelijk gemaakt, maar ook deze personen zullen onder leiding van zelfredzame personen in veiligheid worden gebracht. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen voor aanwezige personen. De toekomstige bevolking dient goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Hiertoe zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld moeten worden. Het is immers raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijde van een mogelijke ramp. Indien nodig zal tevens een calamiteitenplan opgesteld worden. 6.9.3

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute met gevaarlijke stoffen. Bij de nadere uitwerking van het plan zal aandacht worden besteed aan de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regels en beleidskaders.

47

6.10

Natuur

6.10.1 Algemeen Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur.

In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen.

Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van een kerngebied of van een (potentiële) binnenstedelijke ecologische

48

verbinding. 6.10.2 Plangebied Beoogd wordt om het plangebied te herontwikkelen. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt nieuwbouw gerealiseerd. Op dit moment is een kantoorpand aanwezig binnen het plangebied en enkele bomen. De nieuwbouw zal bestaan uit maximaal 375 woningen, maatschappelijke en commerciële functies, waaronder een zorgcentrum, commerciële dienstverlening, culturele functies, eventueel kantoren en een parkeergarage. Om de te bepalen op de voorgenomen plannen leiden tot een overtreding van de natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd door milieuadviesbureau ATKB. De quickscan is opgenomen in bijlage 4 en hieronder gedeeltelijk overgenomen. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen).

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand (circa 9 kilometer) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. De kans op negatieve effecten als gevolg van de extra stikstof die als gevolg van het plan vrijkomt, is vooraf niet uit te sluiten. Vanwege de recente uitspraak van de Raad van State ten aanzien van de Programmatische Aanpak Stikstof is het noodzakelijk om middels een AERIUS berekening te kwantificeren of er een meetbare toename is van stikstofdepositie op kwetsbare gebieden in de aanlegof gebruikersfase. In bijlage 6 is het stikstofdepositieonderzoek toegevoegd. Daaruit blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. Soortbescherming Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt dan wel geschikt is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=da0b635d-f051-4477-b599-2d72387fe418