CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb15167 Bijlage 1 behorende bij 21bb15168 - ontwerpbestemmingsplan Hoofdweg 480 - 490 inclusief verbeelding

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 17. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Hoofdweg 480-490’30.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Hoofdweg 480-490

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

5

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

6

Beschrijving van het plangebied

9

2.1

Huidig gebruik

9

2.2

Beoogde ontwikkeling

9

Beleid

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.2

Provinciaal beleid

13

3.3

Gemeentelijk beleid

22

Hoofdstuk4

Planbeschrijving

30

4.1

Inleiding

30

4.2

Ontwikkelingen

30

4.3

Juridische planbeschrijving

30

Water

32

5.1

Beleidskader

32

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

32

5.3

Huidige watersysteem

33

5.4

De wateropgave

34

Hoofdstuk6

Milieu

35

6.1

Inleiding

35

6.2

Milieu effectrapportage

35

6.3

Milieuzonering

37

6.4

Verkeer en parkeren

38

6.5

Geluid

40

6.6

Luchtkwaliteit

41

6.7

Bodem

43

6.8

Archeologie en cultuurhistorie

44

6.9

Externe veiligheid

45

6.10

Natuur

48

6.11

Bezonning

50

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk5

2

6.12

Windhinder

51

Hoofdstuk7

Handhaving

54

Hoofdstuk8

Financiële uitvoerbaarheid

55

Hoofdstuk9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

56

9.1

Vooroverleg

56

9.2

Participatie

56

Bijlagen Bijlage 1

M.e.r.-beoordelingsbesluit

Bijlage 2

Akoestischonderzoek

Bijlage 3

Ontwerp-besluit hogere waarden

Bijlage 4

Quick scan flora en fauna

Bijlage 5

Nader ecologisch onderzoek

Bijlage 6

Onderzoek stikstofdepositie

Bijlage 7

Bodemonderzoek

Bijlage 8

Bezonningsstudie

Bijlage 9

Windhinderonderzoek

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het voornemen bestaat om het perceel aan de Hoofdweg 480-490 te Rotterdam te herontwikkelen. Het plangebied ligt ten zuiden van de Hoofdweg en wordt verder begrensd door de Djeddalaan, het Akkabapad en de Semiramistuin. Het perceel aan de Hoofdweg 480-490 is in eigendom van Triple Living. Zij wensen om het gebied te herontwikkelen naar woningbouw, maatschappelijke- en commerciële functies. De beoogde herontwikkeling is niet mogelijk op basis van de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een planologische procedure benodigd. Vanwege de gewenste flexibiliteit is gekozen voor het opstellen van een (postzegel)bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan bestaat onder andere uit een toelichting met de daarbij behorende bijlagen, waarin wordt beschreven dat sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend document bevat deze toelichting.

1.2

Gekozen planopzet

Het plan heeft een ontwikkelingsgericht karakter, zodat de beoogde herontwikkeling mogelijk gemaakt kan worden en tevens de nodige flexibiliteit wordt geboden. De drie belangrijkste uitgangspunten voor het bestemmingsplan zijn: Realistisch bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen waarvan aannemelijk is dat deze in de planperiode worden verwezenlijkt, of waarvan in elk geval te verwachten is dat er op enig moment in de planperiode een begin mee gemaakt wordt. Flexibel bestemmingsplan. Omdat niet met zekerheid is te voorspellen welke ontwikkelingen zich precies gaan voordoen binnen de planperiode, is het essentieel dat binnen de kaders van het bestemmingsplan en passend binnen de milieuwet- en regelgeving voldoende speelruimte is om gedurende de planperiode effectief in te spelen op de feitelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat het bestemmingsplan flexibel moet zijn. Om zoveel mogelijk flexibiliteit te bieden is in het bestemmingsplan binnen het bestemmingsvlak uitwisseling van functies mogelijk gemaakt. Bestemmingsplan dat duurzaam ruimtegebruik bevordert. Het bestemmingsplan bevordert duurzaam ruimtegebruik doordat de kavels binnen het plangebied optimaal benut worden. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de wijze van bestemmen.

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in het stadsdeel Prins Alexander aan de Hoofdweg 480-490 te Rotterdam. De locatie ligt ten zuiden van de Hoofdweg en wordt verder begrensd door de Djeddalaan, het Akkabapad en de Semiramistuin. Aan de noordzijde (en noordwestzijde) van het plangebied is een gedeelte van het Alexandrium shoppingcenter gelegen, hier zijn megastores, een Woonmall en horecagelegenheden gesitueerd. Aan de oostzijde en zuidzijde van het plangebied zijn woningen gevestigd. Aan de westzijde van het plangebied is de Semiramistuin gelegen. In onderstaande figuur wordt het plangebied weergegeven.

5

Figuur 1.1. Indicatieve begrenzing van het plangebied weergegeven op een luchtfoto (Bron: Google Maps

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank", vastgesteld op 3 oktober 2019 door de gemeenteraad van Rotterdam. Het plangebied heeft de bestemmingen 'Kantoor', 'Water', 'Groen' en 'Verkeer- Erf', met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Tevens gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingsplannen "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam" en "Parapluherziening biologische veiligheid". Ter plaatse van de gronden die bestemd zijn voor 'Kantoor' zijn de gronden bestemd voor kantoren en overige voorzieningen, zoals erf, ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen. Volgens de bouwregels mag het bestemmingsvlak volledig bebouwd worden. Daarbij dient wel rekening te worden gehouden met de maximale goot- en bouwhoogten. Voor het pand aan de westzijde van het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 14 meter. Voor het pand aan de oostzijde van het plangebied geldt een bouwhoogte van 20 meter. De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, met bijbehorende voorzieningen. De gronden met de bestemming 'Verkeer - Erf' zijn bestemd voor tuinen, terreinen ten behoeve van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen en waterlopen. Uitstekende delen aan gebouwen zijn toegelaten krachtens een aangrenzende bouwbestemming.

De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen alsmede voor uitstekende delen van gebouwen die zijn toegestaan volgens de aangrenzende bouwbestemming. Ook bij voornoemde functie behorende voorzieningen en voet- en fietspaden, ontsluitingswegen en parkeerplaatsen en

6

overige voorzieningen zijn toegestaan. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Figuur 1.2. Uitsnede vigerende bestemmingsplannen en daarop aangegeven het plangebied (Bron Qgis; PDOK, geraadpleegd op 9 juli 2020)

Naast het vigerende bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank" gelden ook de bestemmingsplannen "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam' en 'Parapluherzieningen biologische veiligheid' ter plaatse van het plangebied. Beide parapluherzieningen worden hieronder kort besproken. Parapluherziening parkeernormering Rotterdam Ter plaatse van het plangebied is de "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam", zoals vastgesteld op 14 december 2017, van kracht. In deze parapluherziening is een regeling in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die verwijst naar de parkeernormen voor auto's in het geldende beleid. Deze parapluherziening maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. In de huidige situatie is de "Beleidsregeling Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" het geldende beleid. De "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" is vastgesteld door de Raad van de gemeente Rotterdam op 1 februari 2018. Deze beleidsregeling is het instrument om het aantal benodigde auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De regeling waarborgt dat initiatiefnemers voldoende parkeercapaciteit realiseren voor auto en fiets bij ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In paragraaf 6.4 wordt hier dieper op ingegaan.

7

Parapluherziening biologische veiligheid Het doel van deze parapluherziening is om het vestigen of uitbreiden van biologische laboratoria met een hoog risico uitsluitend toe te staan als het beleids- en toetsingskader is getoetst en daaruit blijkt dat het laboratorium wenselijk is op de beoogde locatie. In onderhavig geval bestaat niet de wens om een biologisch laboratorium te vestigen. Voornoemde parapluherziening is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling en vormt daarmee geen belemmering of randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. In lijn met de parapluherziening is volledigheidshalve in de regels opgenomen dat een biologisch laboratorium niet is toegestaan. Relatie tot het plangebied De beoogde ontwikkeling bestaan voornamelijk uit woningen, daarnaast worden maatschappelijke en commerciële functies, kantoren en daarbij behorende voorzieningen mogelijk maakt. De beoogde bebouwing bestaat daarnaast uit meerdere bouwhoogten, variërend tussen 16 meter en maximaal 70 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet past binnen de regels van het geldende bestemmingsplan is een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het plangebied

Huidig gebruik

Het plangebied heeft een oppervlak van circa 6.000 m2. In de huidige situatie zijn twee gebouwen aanwezig met een bouwhoogtes variërend tussen de 11 meter en 26 meter. er plaatse van het plangebied is in de huidige situatie het Gezondheidscentrum Alexander gevestigd. Onderdeel van het gezondheidscentrum zijn onder meer een tandartspraktijk, een huisartsenpraktijk en een sportschool. De overige bebouwing staat leeg. De ruimte rondom de bebouwing is voornamelijk ingericht als parkeerterrein. Daarnaast is aan de westzijde een watergang aanwezig. In figuur 2.1 wordt de huidige situatie weergegeven. Figuur 2.1. Huidige situatie plangebied (Bron: Google Maps)

2.2

Beoogde ontwikkeling

Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing binnen het plangebied te slopen en nieuwbouw te realiseren. Het toekomstige programma bestaat uit maximaal 375 woningen. Daarnaast wordt voorzien in maatschappelijke en commerciële voorzieningen in de vorm van een gezondheidscentrum, cultureleen commerciële dienstverlening. De maximale bouwhoogte varieert van 16 tot 70 meter, waarbij de hoogste dakrand maximaal 70 meter hoog zal zijn. Op de lagere bouwdelen zullen daktuinen kunnen worden gerealiseerd. Binnen in het plan bevindt zich een bovengrondse parkeergarage en een fietsenstalling. De maatschappelijke en commerciële functies zullen zich voornamelijk in de plinten bevinden. Aan de Hoofdweg zijde wordt het Gezondheidscentrum Alexander geherhuisvest met een oppervlakte van maximaal 3.000 m2. Daarnaast is ten behoeve van de flexibiliteit in het plan ruimte voor commerciële dienstverlening met een oppervlakte van 300 m2 bvo en een culturele functie van 200 m2 bvo. Ook is het mogelijk deze vierkante meters in te vullen met een kantoorfunctie en wordt horeca t/m categorie 2 met een oppervlakte van maximaal 300 m2 middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid toegestaan.

9

Daarbij wordt het aantal vierkante meters van alle voorzieningen gezamenlijk gemaximaliseerd op 3.000 m2 bvo. In onderstaande figuren is de massaopbouw weergegeven en is een impressie van de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. Figuur 2.2. Beoogde ontwikkeling, massaopbouw (Bron: KCAP Architects&Planners,d.d. 28 februari 2020)

Figuur 2.3. Indicatieve uitstraling beoogde ontwikkeling (Bron: KCAP Architects&Planners,d.d. 31 maart 2021)

Mede ten behoeve van de aansluiting op de Semiramistuin zal de naastgelegen watergang (deels) worden gedempt. De omvang van deze watergang zal elders, binnen hetzelfde peilgebied, worden gecompenseerd. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.

10

Hoofdstuk 3 3.1

Beleid

Rijksbeleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) en het opleggen van aanwijzingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Vastgesteld op 11 september 2020 In de Nationale Omgevingsvisie zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 3.1 Afwegen met de NOVI (Bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier

11

prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot het plangebied Uit de uitwerking van prioriteit 3 volgt dat steden zich duurzaam dienen te ontwikkelen, dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag en dat de voorkeur uitgaat naar verstedelijking binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is één van de beleidskeuzes (beleidskeuze 3.3, onder prioriteit 3) “Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio, toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze ingepast.

Het woningaanbod in de regio's sluit daarbij aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse”. Verder worden in de Nationale omgevingsvisie onder meer de volgende nationale belangen benoemt: 4. Waarborgen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. De opgave bij Nationaal belang 5 is het vergroten van de woningvoorraad in een fijne leefomgeving om te voorzien in de huidige behoefte aan woningen. De beoogde woningen dragen bij aan de woningbehoefte binnen de gemeente Rotterdam en worden binnen stedelijk gebied gerealiseerd, zie hiervoor paragraaf 3.2. Tevens wordt voorzien in het woonsegment waar onder meer de grootste behoefte aan is, zie ook paragraaf 3.2 en 3.3. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke aspecten en inpassing van het plan zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving) gerealiseerd wordt, zie hiervoor hoofdstuk 6. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' en diverse nationale belangen met bijbehorende opgave(n).

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden.

12

3.1.2.1 Relatie tot het plangebied Geen van de onderwerpen uit het Barro zijn van toepassing binnen het plangebied. Derhalve legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid, voor een goed systeem van ruimtelijke ordening, juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, ,5 en 6 waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is het volgende opgenomen: “De toelichting bij een bestemmingsplan (of uitgebreide omgevingsvergunning, red.) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Een stedelijke ontwikkeling wordt in het Bro gedefinieerd als een "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". 3.1.3.1 Relatie tot het plangebied Op basis van artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook dient overprogrammering te worden voorkomen. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is hiervoor het uitgangspunt.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 375 woningen. De voorgenomen ontwikkeling wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling conform het Bro, derhalve dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden gemotiveerd. De ladder wordt gemotiveerd in paragraaf 3.2 en 3.3.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, de Omgevingsverordening Zuid-Holland en het Programma Ruimte. In de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan. 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. Naar een klimaatbestendige delta

13

2. 3. 4. 5. 6.

Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal.

Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie Figuur 3.1. Soorten ontwikkeling

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook

14

ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. 3.2.1.1 Relatie tot het plangebied Beoogd wordt om de huidige bebouwing in het plangebied te slopen en nieuwbouw te realiseren. Binnen de nieuwbouw worden woningen, maatschappelijke functies, commerciële functies en kantoren gerealiseerd, alsmede daarbij behorende voorzieningen. Om te beoordelen of de ruimtelijke ontwikkeling passend is het plan getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. Daaruit blijkt dat de locatie is gelegen in het 'Veencomplex - veen' en 'Steden en Dorpen', zie figuur 3.2. Figuur 3.2. Uitsnede kaart "Laag van stedelijke occupatie", plangebied indicatief rood omlijnd (Bron: http://gebiedsprofielen.zuid-holland.nl/)

Het richtpunt voor ontwikkelingen gelegen binnen 'Veencomplex - veen' is: ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij diepe veenpakketten gericht op het beperken van bodemdaling. De richtpunten voor ontwikkelingen gelegen binnen 'Steden en dorpen' zijn: ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand; cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt; historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied; bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra

aandacht. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van woningen. Daarnaast maken maatschappelijke, commerciële - en culturele functies onderdeel uit van de ontwikkeling en wordt ook kantoor mogelijk gemaakt. Het plangebied is momenteel bestemd voor kantoorfuncties. Gezien de

15

ligging nabij centrumgebied Alexandrium en diverse woonwijken passen de beoogde activiteiten bij de schaal en aard van het gebied. Daarmee is sprake van inpassing. Het plan heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. Met de beoogde ontwikkeling wordt gestreefd naar behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is aandacht voor de beeldkwaliteit van de beoogde bebouwing ten opzichte van de omgeving en wijze van ontsluiting. Hiermee past het plan binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.

16

3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid-Holland; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid-Holland, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II van de Omgevingsverordening Zuid-Holland, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m2 per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d.

bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling 3.2.2.1 Relatie tot het plangebied Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Het plan past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Op onderstaand figuur is te zien dat het plangebied is gelegen binnen BSD. De contour bestaand stadsen dorpsgebied 2018 is vastgesteld op 20 februari 2019. Figuur 3.3. Bestaand stads- en dorpsgebied 2018, plangebied indicatief rood omlijnd (bron: https://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied/)

Aangezien het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt daarmee voldaan aan het uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur op dergelijke locaties plaatsvinden. In

17

onderhavig geval is sprake van inpassing van een ontwikkeling die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, zie ook paragraaf 3.2.1. In de planregels wordt vastgelegd dat alleen kleinschalige kantoren tot een bruto vloeroppervlakte van 1.000 m2 per vestiging zijn toegestaan. Ladder voor duurzame verstedelijking De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van een gemengde bestemming mogelijk, waarbinnen woningen, maatschappelijke -, commerciële - en culturele functies, kantoren zijn toegestaan, alsmede daarbij behorende voorzieningen. Woningbouw Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte worden door de provincie de Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) gebruikt. De provincie stelt de hoogste uitkomst vast als regionale behoefte aan nieuwe woningen in een bepaalde periode. Hierdoor is er, in plaats van de eerder gehanteerde bandbreedte, één richtgetal per regio. In de praktijk betekent dit dat voor regio's waar de TR lager dan de WBR uitvalt, de WBR het uitgangspunt voor de behoefte is, en voor regio's waar de TR hoger dan de WBR uitvalt, de TR dat is. Voor Rotterdam Oost is de TR bepalend voor het uitgangspunt van de behoefte. Tabel 3.1 betreft een weergave van de TR van de regio Rotterdam voor komende periode.

18

Tabel 3.1 Trendraming regio Rotterdam (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)

Uit de TR blijkt voor de periode 2020-2030 een te verwachten woningvoorraadtoename van 1.280 woningen voor Rotterdam Oost. Het toevoegen van maximaal 375 woningen draagt bij aan de woningbehoefte in de regio. 3.2.3

Woningmarktverkenning Zuid-Holland 2016

In de woningmarktverkenning worden demografische ontwikkelingen en veranderingen op de woningmarkt beschreven. In de verkenning wordt gewerkt met twee soorten cijfers: 1. de kwalitatieve behoefteprognose, uitgedrukt in huishoudens; en 2. de gevolgen van die behoefte voor de voorraadontwikkeling van de gehele woningmarkt, uitgedrukt in woningen. Woningmarkt verkenning Regio's: Stadsregio Rotterdam In de Stadsregio Rotterdam neemt het totaal aantal huishoudens toe van 594 duizend in 2017 tot 642 duizend in 2030. Dit komt neer op een toename van 48 duizend ofwel 8%. Tussen 2017 en 2030 neemt vooral het aantal 65- en 75-plussers toe. In de leeftijdsklasse 45-64 jaar zal een afname van het aantal huishoudens te zien zijn. Naar samenstelling gezien vindt de sterkste toename plaats bij alleenstaanden. Ook de aantallen eenoudergezinnen, paren zonder kind en paren met kind(eren) zullen nog bescheiden groeien. Bekeken naar inkomen zal in het gehanteerde inkomensscenario Nul (0% reële inkomenstoename per jaar vanaf 2018) in elke inkomensklasse het aantal huishoudens toenemen. De woningbehoefte in de Stadsregio Rotterdam neemt tot 2030 het meest toe in de koopsector, met name in het eengezinssegment. In de huursector neemt de behoefte aan eengezinshuurwoningen toe en de behoefte aan meergezinswoningen juist af.

De behoefte aan eengezinskoopwoningen en eengezinshuurwoningen neemt het sterkst toe in buitencentrummilieus. De groeiende behoefte aan meergezinskoopwoningen is het duidelijkst terug te zien in centrum-stedelijke en buiten-centrummilieus. De afname van de behoefte aan meergezinshuurwoningen is zichtbaar in de buiten-centrummilieus.

19

20

3.2.3.1 Relatie tot het plangebied Uit het beleid blijkt dat behoefte is aan koopwoningen en huurwoningen in de vrije sector. De beoogde ontwikkeling voorziet in een combinatie van huur- en koopwoningen. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met het woonbeleid. Overige functies De voorgenomen ontwikkeling maakt maximaal 3.000 m2 aan maatschappelijke, commerciële en culturele functies mogelijk, waaronder een zorgcentrum. Ook kan sprake zijn van een kantoor of kleinschalige bedrijvigheid. Kantoren zijn momenteel reeds toegestaan. Bovendien is momenteel het zorgcentrum reeds ter plaatse van het plangebied gevestigd en deze wordt in het beoogde plan hervestigd. Hiermee blijft in de huidige behoefte voorzien. De overige functies zijn beperkt in omvang en zijn mede vanwege de goede bereikbaarheid en aansluiting op het nabijgelegen Semiramistuin wenselijk. 3.2.4

Programma Ruimte

Het Programma ruimte (20 februari 2019) is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatie specifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. Bebouwde ruimte en mobiliteit Een intensiever gebruik van steden en dorpen vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer en draagt daardoor bij aan de keuzemogelijkheid voor reizigers en vervoerders. Andersom kan de capaciteit op het infrastructuurnetwerk helpen om keuzes te maken waar en wanneer er verdicht en geconcentreerd kan worden. De provincie streeft er naar de agglomeratiekracht te vergroten. Ruimtelijke ontwikkelingen bij Stedenbaanstations In het Programma Ruimte is ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen bij Stedenbaanstations het voldoende operationele doel opgenomen: "Gemeenten en regio’s stimuleren om ruimtelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied zoveel mogelijk te realiseren binnen de invloedsgebieden van de stations en haltes van Stedenbaan".

Op Overheid.nl HOV invloedsgebieden - nationaal is het volgende opgenomen: “Afgesproken is om te werken met cirkelvormige invloedsgebieden rondom de stations en de haltes, gedifferentieerd naar de verschillende categorieën: de stations van de hoofd- en regionale spoorverbindingen en de metrostations van de Stadsregio Rotterdam hebben een straal van 1200m; de overige haltes hebben een straal van 800m.”. 3.2.4.1 Relatie tot het plangebied Met het voorliggende plan wordt het plangebied intensiever gebruikt. Dit wordt op zodanige wijze gedaan dat dit past bij de aard en schaal van het gebied. Uit het Programma Ruimte wordt duidelijk dat gemeenten en regio's stimuleren om ruimtelijke ontwikkelingen binnen BSD zoveel mogelijk te realiseren binnen invloedsgebieden van de stations en haltes van Stedenbaan. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 600 meter van het station Alexander Rotterdam, hiermee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van het openbaar vervoer. Het plangebied is daarmee is gelegen in een gebied waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen worden gestimuleerd. Ten aanzien van deze locatie zijn in het Programma Ruimte geen aanvullende afspraken/richtlijnen opgenomen. De beoogde ontwikkeling en bijhorende functies zijn in lijn met het Programma Ruimte.

21

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen tot 2022 worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Als het gaat om een aantrekkelijke woonstad dan wordt ingezet op het bouwen in bestaand stedelijk gebied om in de woningbehoefte te voorzien. Ontwikkelen van attractieve woonmilieus Een van de hoofddoelen het bereiken van een evenwichtige bevolkingssamenstelling. Het belangrijkste middel daarvoor is het tegengaan van selectieve migratie. De stad moet zó aantrekkelijk zijn, dat Rotterdammers niet uit de stad wegtrekken. Voor jonge gezinnen is het belangrijk dat er kindvriendelijke woonmilieus zijn.

Belangrijke doelgroepen zijn sociale stijgers, studenten en pasafgestudeerden en jonge gezinnen. Ook moet voorzien worden in goede huisvesting voor de ouderen in de stad. De stad moet aantrekkingskracht uitoefenen op bewoners die vrij kunnen kiezen op de woningmarkt. Rotterdam maakt onderscheid in drie typeringen gewilde woonmilieus: Het plangebied is gelegen binnen een gebied waar een groen-stedelijk woonmilieu gewenst is, zie figuur 3.4. Hetgeen typerend voor het woonmilieu 'groen stedelijk' is opgenomen in figuur 3.5. Figuur 3.4. Kanslocaties gewenste woonmilieus (Stadsvisie Rotterdam 2030)

22

Figuur 3.5. Typering gewilde woonmilieus

3.3.1.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en op basis van de woonvisie gelegen in het zoekgebied 'groen stedelijk' woonmilieu, zie figuur 3.5. Beoogd wordt om primair woningen te realiseren, hierbij worden eveneens commerciële, maatschappelijke en culturele voorzieningen gerealiseerd. Hiermee zijn de ondersteunende voorzieningen ook op orde. Daarnaast is het plangebied gelegen naast de Semiramistuin en wordt een daktuin binnen het plan gerealiseerd. Derhalve is sprake van veel openbaar groen. De ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten die zijn geformuleerd voor een groenstedelijk milieu en is dan ook in lijn met de stadsvisie van Rotterdam. 3.3.2

Woonvisie Rotterdam, koers naar 2023, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie, vastgesteld door de gemeenteraad Rotterdam op 15 december 2016, verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. Rotterdam heeft een drietal ambities: meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren;

23

zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde; de basis op orde houden. Tot 2030 wordt een toename van ten minste 36.000 woningen in het midden- en hoge segment reëel geacht. 3.3.2.1 Relatie tot het plangebied De beoogde ontwikkeling voorziet in de behoefte aan woningen binnen de gemeente Rotterdam. Het zorgt eveneens voor een gedifferentieerd woningbestand, een van de prioriteiten van de gemeente. Tevens zullen de woningen energiezuinig (aardgas vrij) gerealiseerd worden. Daarmee sluit het plan aan bij de uitgangspunten van de woonvisie. 3.3.3

Visie Werklocaties 2030

Vastgesteld op 2 april 2009 door de Rotterdamse gemeenteraad Op 2 april 2009 heeft de gemeenteraad van Rotterdam de visie Werklocaties 2030 vastgesteld. Deze visie is de ruimtelijk-economische uitwerking van de Stadsvisie Rotterdam 2030 en tevens een vertaling naar de werklocaties in de regio Rotterdam. Werklocaties zijn gebieden waarin de economische functie(s) dominant aanwezig zijn. Het doel van de Visie Werklocaties 2030 is de bijdrage van de verschillende deelgebieden aan de gewenste economische ontwikkeling van Rotterdam en regio in kaart te brengen. De visie Werklocaties 2030 geeft inzicht in de vraag naar welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn en in de match tussen publieke en private belangen. Het gaat hier om het vaststellen van de hoofdlijnen voor de ruimtelijk - economische ontwikkeling. Hierdoor ontstaat een kader voor de toetsing van projecten op hun bijdrage aan de doelen van de Stadsvisie Rotterdam 2030. Vanuit dit perspectief wordt Rotterdam gekenmerkt door drie ontwikkelingszones met belangrijke werklocaties: de haven- en industriële zone (Maasvlakte 2, Stadshavens en Ridderster), de kennis- en dienstenzone (Rotterdam Airpark/Schieveen, Alexander en Spaanse Polder/Noordwest) en het kerngebied (Binnenstad, Hart van Zuid, Stadionpark en Kralingse Zoom). In de visie Werklocaties zijn vier strategieën geformuleerd: 1. 2. 3. 4.

In samenwerking met de omliggende regio's voorzien in de behoefte aan bedrijventerrein Het overschot aan kantorenlocaties terug te brengen Het versterken van voorzieningenniveau in de stad Het stimuleren van functiemenging in woongebied

3.3.3.1 Relatie tot het plangebied Met de beoogde herontwikkeling van het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan het voorzieningenniveau in de stad en wordt tevens functiemenging gestimuleerd. Daarnaast worden de vierkante meters aan kantoorfuncties gereduceerd. Dit sluit aan bij de strategieën van de visie Werklocaties. 3.3.4

Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld op 1 november 2016 door het college van B&W van Rotterdam In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede

24

lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven.

Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium. Rotterdam bruist!; de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Om te zorgen dat Rotterdam een aantrekkelijke, veilige stad is en vooral blijft, wordt gebiedsgericht gewerkt. Ieder gebied kent zijn eigen dynamiek, uitdagingen en ontwikkelopgaven. Vanuit die gedachte wordt de ontwikkeling van de horeca- sector gebiedsgericht ingevuld. Door gebiedsgerichte sturing voegen ondernemers met passende concepten waarde toe aan wijken, buurten en straten. Hiertoe wordt per gebied een horecagebiedsplan opgesteld met daarin een visie ten aanzien van horeca. Rotterdam kent 14 gebieden, het gebied 'Prins Alexander' is hier een van. Voor het stadsdeel Prins-Alexander is het horecagebiedsplan Prins-Alexander 2019-2021 opgesteld.

3.3.4.1 Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen in Het stadsdeel Prins-Alexander. In paragraaf 3.3.8 wordt nader ingegaan op het daarvoor geldende horecagebiedsplan. 3.3.5

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waar bij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen

25

het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ICT; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

3.3.5.1 Relatie tot het plangebied Met voorliggend bestemmingplan wordt herontwikkeling van het plangebied mogelijk gemaakt. Het plan voorziet in hoofdzaak in woningen en daarnaast in maatschappelijke, commerciële en culturele functies, eventueel kantoren alsmede daarbij behorende voorzieningen. Het plangebied is goed bereikbaar met het openbaar vervoer en per auto. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de bereikbaarheid van het gebied, zie ook paragraaf 6.4. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het verkeersplan.

3.3.6

Horecagebiedsplan 2019 - 2021 Gebied Prins Alexander

Vastgesteld op 25 juni 2019 door het college van B&W van Rotterdam Om te zorgen dat Rotterdam een aantrekkelijke, veilige stad is en vooral blijft, wordt gebiedsgericht gewerkt. Dit is een van de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en het programma Veilig @Rotterdam. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z'n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca. Door per wijk en/of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen kunnen bekende en nog onbekende horeca ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan is zowel een visie- als uitvoeringsdocument. Dat wil zeggen dat enerzijds op basis van de aard en het karakter van het gebied het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de komende jaren wordt geschetst. De ruimtelijke ontwikkeling, de economische stand van zaken c.q. het vestigingsklimaat en de veiligheidssituatie worden hierin meegenomen. Anderzijds wordt ook aangegeven hoe die ontwikkeling concreet vormgegeven en uitgevoerd kan worden. De specifieke invulling wordt verwerkt in een horecagebiedsplan zoals in dit geval het gebied Prins Alexander. Het gebied Prins Alexander is hoofdzakelijk een woongebied.

Het gebied heeft acht wijken: Kralingseveer, Prinsenland/'s Gravenland, Het Lage Land, Oosterflank, Ommoord, Zevenkamp en Nesselande. Het centrumgebied en het Alexandrium Shopping Center, Megastores en Woonmall vallen onder de wijk Oosterflank, maar gezien dit gebied los gezien kan worden van de woonwijk, wordt dit gebied apart toegelicht in het horecagebiedsplan. Oosterflank Oosterflank is gebouwd in de jaren tachtig en bestaat uit eengezinswoningen en (voornamelijk lage) appartementencomplexen. In het oosten ligt de met groen omgeven Capelseweg, die de gemeentegrens met Capelle aan den IJssel markeert. De wijk ligt ook in het zuiden aan de gemeentegrens met Capelle; een groene buffer met sportvoorzieningen en uitloper van het Schollebos. Aan de westzijde wordt Oosterflank begrensd door de metro langs de Prins Alexanderlaan. De wijk is gebouwd als ‘bloemkoolwijk’, een wijk met woonerven. Tussen de huizenrijen en flats zijn singels en groenstroken met bomen aangelegd. De wijk bestaat uit zo’n 5.400 woningen. De Evenaar en De Grote Beer zijn de hoofdwegen in de wijk. De wijk wordt ontsloten door de metro met de haltes Prinsenlaan, Oosterflank en

26

Alexander. Station Rotterdam Alexander is een NS Intercity treinstation. Oosterflank heeft ruim 10.500 inwoners en een vrij gemiddelde leeftijdsopbouw. Het aandeel ouderen is iets hoger dan gemiddeld. In het noorden van Oosterflank ligt winkelgebied Alexandrium en het kantoren- en bedrijventerrein rond de Marten Meesweg. Het winkelcentrum Alexandrium heeft een regionale functie. De woonwijk, het winkelcentrum en de kantorenlocatie liggen weliswaar in dezelfde CBS-wijk, maar de woonwijk functioneert als een losse entiteit. De woonwijk beschikt over veel voorzieningen. Ook zijn er diverse speelplekken en voetbalveldjes. De Semiramistuin is een kleinschalig wijkpark aan de noordrand van de wijk. Voor het woongebied geldt de algemene ontwikkelrichting consolideren. Als het gaat om activiteiten die vrijgesteld zijn van de vergunningplicht is variant 0.2 niet toegestaan. Consolideren wordt in het gebiedsplan als volgt omschreven: "Er zijn geen nieuwe horeca inrichtingen toegestaan. Ook is een verzwaring van activiteiten en/of categorieën niet mogelijk en kan het vloeroppervlakte en terras van bestaande inrichtingen in principe niet toenemen. Dit tenzij het een gering aantal m2 inpandig betreft of eisen worden gesteld in landelijke wetgeving waardoor ondernemers gedwongen worden aanpassingen in het pand aan te brengen.

3.3.6.1 Relatie tot het plangebied Ter plaatse van het plangebied zijn in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan. Vanwege de omvang van de ontwikkeling is horeca ondanks de uitgangspunten in het horecagebiedsplan wel degelijk gewenst. Het gaat daarbij om het realiseren van een kleinschalige horecafunctie welke een wijkfunctie heeft. Naar verwachting wordt het horecagebiedsplan in 2021 geactualiseerd waarbij zal horeca ter plaatse van het plangebied mogelijk zal worden gemaakt. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarom in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om horecafunctie met een gering aantal vierkante meters (300 m2 bvo) toe te staan wanneer dit past binnen het gemeentelijke beleid en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving. 3.3.7

Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018

Vastgesteld op 1 februari 2018 door de Rotterdamse Gemeenteraad De beleidsregeling 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018' is het instrument om het aantal auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De regeling waarborgt dat initiatiefnemers voldoende parkeercapaciteit realiseren voor auto en fiets bij ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Tot nu toe waren de autoparkeernormen vastgelegd in de Rotterdamse Bouwverordening. Door een wijziging in de Wet ruimtelijke ordening vervalt deze regeling per 1 juli 2018. De nieuwe beleidsregels voor parkeernormen worden vastgelegd in bestemmingsplannen via een 'voorwaardelijke verplichting'. In de toekomst worden de parkeernormen in alle nieuwe en te actualiseren bestemmingsplannen met een voorwaardelijke verplichting geregeld. Als de normen via bestemmingsplannen zijn geborgd, moet elke aanvraag voor een omgevingsvergunning aan de beleidsregeling getoetst worden. De gemeente toetst ook aan deze normen als er voor een bouwplan een afwijking nodig is van het bestemmingsplan. Naast de wijziging in de wet waren er meer redenen om de parkeernormen te evalueren en actualiseren: In 2012 zijn de Rotterdamse parkeernormen ingrijpend gewijzigd. Met de gemeenteraad is destijds afgesproken om de wijzigingen die zijn doorgevoerd te evalueren.

Deze evaluatie vormt mede de basis voor het nieuwe parkeernormenbeleid en is opgenomen in bijlage 4. In het collegeakkoord 2014 - 2018 en in de daaruit voortkomende Rotterdamse mobiliteitsagenda 2015 - 2018 wordt sterk ingezet op stimuleren van de fiets, “meer groen en minder blik”: Een autoluwere binnenstad, de fiets centraal (o.a. meer stallingen bij bouwontwikkelingen) en meer auto’s in garages en minder op straat. Na vaststelling van het Parkeerplan 2016 - 2018 is de afkoopregeling komen te vervallen. Het bleek lastig om voldoende autoparkeerplaatsen in de buurt ter beschikking te stellen. Om toch voldoende maatwerk te bieden is een extra vrijstellingsbepaling voor kleine bouwprojecten in betaald parkeergebied aangekondigd. De markt vraagt om meer flexibiliteit en vraag gestuurde locatiegerichte parkeernormen. Deze nieuwe beleidsregeling faciliteert in deze vraag en geeft meer sturing en duidelijkheid aan het gebiedsgerichte parkeernormenbeleid.

27

3.3.7.1 Relatie tot het plangebied Binnen het plangebied wordt voorzien in eigen parkeergelegenheid ten behoeve van de bewoners en bezoekers van de boogde functies. Met de beoogde invulling kan aan het van toepassing zijnde parkeerbeleid worden voldaan. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. 3.3.8

Hoogbouwvisie 2019 Rotterdam

Op 16 oktober 2019 is de Hoogbouwvisie 2019 vastgesteld. In de hoogbouwvisie is aangegeven waar, hoe en waarom hoogbouw in Rotterdam wenselijk is. De visie is een middel om tot kwalitatief goede hoogbouw te komen en schetst de ambities die de stad heeft op het gebied van het realiseren van hoogbouw die bijdraagt aan een aantrekkelijke stad. Deze hoogbouwvisie is een tweede update van de visie uit 2000, een eerste update vond plaats in 2011. De hoogbouwvisie kent drie schaalniveaus: de stad, de straat en het gebouw. Op elk van de niveaus zijn er onderwerpen die relevant zijn voor hoogbouw. In de visie zijn op het niveau van de stad hoogbouwzones aangegeven. De grens van de hoogbouwzone voor de binnenstad blijft en wordt uitgebreid met Pompenburg en de omgeving Rijnhaven. Daarnaast worden nog drie gebieden toegevoegd waar ook hoogbouw mogelijk wordt gemaakt. Het gaat hier om Feyenoord City, Hart van Zuid en Alexanderknoop. De minimale grens van de definitie hoogbouw is 70 meter. Indien sprake is van hoogbouw is toetsing aan de hoogbouwvisie aan de orde. Aspecten als windhinder, bezonning, woonklimaat, bereikbaarheid, parkeren en inpassing in het bestaande stedelijk weefsel (bebouwing en openbare ruimte) zullen daarbij in de besluitvorming moeten worden afgewogen. Gebouwen die niet als hoogbouw worden aangemerkt, behoeven niet aan de Hoogbouwvisie getoetst te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=da0b635d-f051-4477-b599-2d72387fe418