CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb12981 Bijlage 2 behorende bij 21bb12979 - Rotterdams Omgevingseffectrapport ( ROER )

Gemeenteraad 2 december 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 11. Het voorstel tot vaststelling van de Omgevingsvisie Rotterdam ‘De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen’25.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De verwachting is dat het grootste deel van de structuren op ecologisch vlak niet van hoge waarde is. De groenstructuren, die een verbinding kunnen vormen, worden vaak onderbroken door barrières (wegen e.d.). Daarnaast heeft de focus bij inrichting en beheer van groen de afgelopen jaren op andere functionaliteiten dan de waarde voor de natuur gelegen.

Huidige situatie Op basis van beschikbare gegevens over o.a. bodemkwaliteit, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit zijn de condities voor biodiversiteit niet gunstig. De biodiversiteit staat onder druk, in Rotterdam, in de kleine kernen en in de landbouwgebieden rond de stad. Het aantal planten en dieren neemt af. In sommige soortgroepen zien we een desastreuse afname. Kanttekening daarbij is dat er nog onvoldoende bekend is over de biodiversiteit in Rotterdam. De verzamelde ecologische data geven nog geen gebiedsdekkend beeld. De focus van het onderzoek lag op beschermde soorten, waardoor data over overige soort(groep)en ontbreekt.

Autonome ontwikkeling Het effect van woningbouw en verdichting in de binnenstad op ecologische verbondenheid hangt o.a. af van de ruimte voor het verbeteren/aanbrengen

36

Autonome ontwikkeling Door de toenemende ecologische verbondenheid en de toenemende aandacht voor natuur, zowel binnen de gemeente, als bij bewoners en particuliere ontwikkelaars is de verwachting dat de biodiversiteit in de autonome ontwikkeling zal verbeteren. 3.2.3.6 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

3.2.4

Landschap en cultureel erfgoed

3.2.4.1 Ambities

Indicator

Ambitie

Stedelijk landschap

Behoud en versterking van de bestaande landschappelijke waarden en kwaliteiten [Welstandsnota Rotterdam]

Havenlandschap

Behoud en versterking van de bestaande landschappelijke waarden en kwaliteiten [Welstandsnota Rotterdam]

Buitengebied

Behoud en versterking van de bestaande landschappelijke waarden en kwaliteiten [Welstandsnota Rotterdam]

Archeologisch erfgoed

Behoud en versterking van de bestaande archeologische waarden en kwaliteiten [Erfgoedwet en Erfgoedverordening Rotterdam 2020]

Gebouwd erfgoed

Behoud en versterking van de bestaande cultuurhistorische waarden en kwaliteiten [Erfgoedwet en Erfgoedverordening Rotterdam]

Landschappelijk erfgoed

Behoud en versterking van de bestaande cultuurhistorische waarden en kwaliteiten [Erfgoedwet en Erfgoedverordening Rotterdam]

Beschermde natuurgebieden Ecologische kerngebieden Ecologische verbondenheid Biodiversiteit

37

3.2.4.2 Stedelijk landschap Huidige situatie In de deelstudie Natuur, landschap en cultureel erfgoed en daarvoor geraadpleegd materiaal is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de huidige kwaliteit van het stedelijk landschap. Aandacht is besteed aan historische linten en dijken, kernen en (tuin-)dorpen, water- en groenstructuren, het centrum met de wederopbouw-architectuur en de hoogbouw met skylinevorming. Conclusie is dat de kwaliteit van karakteristieke landschappen in het stedelijk gebied overwegend goed is. Veranderingen in het verleden lieten de oorspronkelijke karakteristiek niet altijd, maar wel grotendeels intact. Autonome ontwikkeling In de autonome situatie blijven de historische kernen van de voormalige zelfstandige dorpen in Rotterdam intact. Hetzelfde geldt voor veel historische linten en dijken, hoewel deze wel gevoelig zijn voor veranderingen door toevoeging van bouwvolumes en vervanging door sloop-nieuwbouw. Ook de landschappelijke waarden van de wijken staan onder druk. 3.2.4.3 Havenlandschap Huidige situatie De ruimtelijke structuur van de haven weerspiegelt zijn ontwikkeling vanuit het centrum van de stad richting zee: van oost naar west nemen maat en schaal van de kavels, de havenbekkens en de activiteiten toe en verandert het gebied van vorm en karakter.

Kenmerkend voor Rotterdam is het uitgestrekte havengebied. Het stedelijk deel van Rotterdam kent een serie getransformeerde havens, van de havens in de oude stadsdriehoek (Leuvehaven e.a.), tot het Entrepotgebied, de omgeving rond de Rijnhaven en de Lloydpier. Het RDM-gebied is nu een gebied voor de maakindustrie, er is onderwijs gevestigd en veel oude gebouwen en bekkens worden hergebruikt en zijn opgeknapt. Vooral in de gebieden waar de havenactiviteit nog een rol speelt, zoals bij het Merwe- en Vierhavengebied en de Maashaven bepaalt de haven door de havenbekkens, de activiteiten aan en op de kades het karakter van het landschap. Dikwijls spelen markante gebouwen – en de maat ervan - daarbij ook een rol. Naar het westen toe neemt de maat en schaal toe. Op prominente plekken aan water en wegen is al jaren extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van gebouw en plek. Wel geldt dat hele delen van de haven niet bereikbaar, niet doorwaadbaar zijn. De beleving van het karakteristieke havenlandschap is vanaf het water misschien wel groter dan vanaf de wal, alleen behoort het water niet tot de dagelijkse gebruiksruimte van de bewoners van Rotterdam. Autonome ontwikkeling In de autonome situatie blijft de karakteristieke ruimtelijke structuur naar verwachting intact. Er zullen geen grootschalige ingrepen in waterbekkens en transformaties van gebieden en pieren zijn.

In autonome situatie blijven de huidige havens dus aanwezig. Een uitzondering geldt voor Maasvlakte 2 waarvan nog delen in gebruik worden genomen, waarbij ook sprake kan zijn van demping.

38

3.2.4.4 Buitengebied

3.2.4.5 Archeologisch erfgoed

Huidige situatie De buitengebieden van Rotterdam bestaan uit: • duingebied van Hoek van Holland • zeekleipolders (Oranjebuiten- & Bonnenpolders) • veenontginningen en droogmakerijen aan de noordrand van de stad • enkele door stad en haven ingeklemde gebieden: Landtong Rozenburg, Eiland van Brienenoord, polder De Esch.

Huidige situatie Figuur 3.11 geeft inzicht in de archeologische waarden van Rotterdam. Figuur 3.11: Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (GisWeb)

In (een deel van) deze gebieden zijn inspanningen gepleegd om de kwaliteit te verhogen en het voortbestaan als buitengebied te waarborgen. In het duingebied is dat vooral ingegeven vanuit natuurdoelstellingen (N2000), in de noordrand, de Landtong Rozenburg en het Eiland van Brienenoord (getijdenpark) gelden gecombineerde natuur- en recreatiedoelen. In de Oranje- en Bonnenpolder is door het verbeteren en aanleggen van nieuwe verbindingen (fietsroutes), verblijfsplekken (bankjes) en informatieborden over bijzondere plekken de kwaliteit als buitengebied voor recreatie verbeterd. Autonome ontwikkeling In de autonome situatie blijven de buitengebieden hun huidige kwaliteiten behouden.

Binnen de gemeente zijn er 42 Archeologisch Belangrijke Plaatsen met een gezamenlijk oppervlak van bijna 54 ha. Het gaat hierbij om gemeentelijk beschermde archeologische monumenten. Er zijn enkele concentraties zichtbaar: in de binnenstad in de omgeving van de Binnenrotte (8 plaatsen) en in Overschie (14 plaatsen) met name rond de Kandelaarweg. Bij Archeologisch Belangrijke Plaatsen gaat het om locaties waarvan zeker is dat er archeologische waarden aanwezig zijn in de ondergrond.

39

Het gebied met een zeer hoge archeologische verwachting (exclusief de Archeologisch Belangrijke Plaatsen) is bijna 2400 ha groot. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om zones waar middeleeuwse dijken of (bekende) rivierduinen zich in de ondergrond bevinden. Ook worden gebieden met een redelijk tot hoge verwachting onderscheiden. De staat van de archeologische waarden is zeer divers en varieert, afhankelijk van locatie en diepte, van ‘volledig afwezig/verstoord’ tot ‘van nationaal belang’. Autonome ontwikkeling Behoud in de bodem (in situ) van archeologische waarden is het uitgangspunt van het archeologiebeleid. Indien behoud niet mogelijk is, moeten de archeologische waarden worden gedocumenteerd (bijv. door een opgraving). Door het bodemarchief te documenteren en te onderzoeken neemt de archeologische kennis toe. Al met al wordt de staat van archeologische waarden ook bij de autonome ontwikkeling als redelijk beoordeeld. Daarbij wordt benadrukt wordt dat dit (bouw-)activiteit maatwerk vereist is. In de overgrote meerderheid blijft het archeologisch veldwerk hierbij beperkt tot het uitvoeren van een onderzoek door middel van grondboringen en slechts in een klein aantal gevallen is er sprake van proefsleuven of een daadwerkelijke opgraving.

3.2.4.6 Gebouwd erfgoed Huidige situatie Rotterdam telt negen beschermde stadsgezichten, 657 rijksmonumenten en 488 gemeentelijke monumenten. Ook bevinden zich in de stad monumentale bomen. De beschermde stadsgezichten zijn aangeduid op figuur 3.12. De meeste monumenten zijn in het centrum en omringende stadswijken te vinden, maar ook op Zuid, in de oude (voormalige) dorpskernen, in de duinen en in de oudere havengebieden staan monumenten. De rijksmonumentale Van Nellefabriek is aangewezen als UNESCO werelderfgoed. De staat van het gebouwde erfgoed is overwegend goed. Veranderingen in het verleden lieten het gebouwd erfgoed niet altijd, maar wel grotendeels intact of droegen op enige wijze bij aan versterking daarvan. Autonome ontwikkeling De komende jaren zal het areaal aan beschermd gebouwd erfgoed vooral op gemeentelijk niveau toenemen. Met de versnelling van de Top 100, het gemeentelijk project voor aanwijzing van gemeentelijke monumenten, zijn de belangrijkste bouwwerken dan beschermd. Het is de verwachting dat de staat van het gebouwd erfgoed, mede dankzij de beschermingsregimes, overwegend goed zal blijven.

40

Figuur 3.12: Beschermde stadsgezichten in Rotterdam (GisWeb)

Autonome ontwikkeling De komende jaren zal het areaal aan beschermd gebouwd erfgoed vooral op gemeentelijk niveau toenemen. Met de versnelling van de Top 100, het gemeentelijk project voor aanwijzing van gemeentelijke monumenten, zijn de belangrijkste bouwwerken dan beschermd. Het is de verwachting dat de staat van het gebouwd erfgoed, mede dankzij de beschermingsregimes, overwegend goed zal blijven. 3.2.4.7 Landschappelijk erfgoed Huidige situatie De duinen van het Vinetaduin, buitenplaats De Tempel en Het Park in het centrum van de stad behoren tot het landschappelijk erfgoed van Rotterdam. Daarnaast is er nog landschappelijk erfgoed, dat beleidsmatig beschermd wordt door de provincie. In Rotterdam bestaat dit provinciaal beschermd erfgoed voornamelijk uit rivieren en kanalen, dijken, oude wegen, polders, de kuststrook, molen- en landgoedbiotopen en militaire verdedigingswerken met hun schootsvelden. Op dit moment is de staat van het landschappelijk erfgoed redelijk. Autonome ontwikkeling In de autonome situatie zal de staat van het landschappelijk erfgoed naar verwachting gelijk blijven. Positief is dat recent verschillende gebieden zijn overgedragen voor beheer aan daartoe gekwalificeerde partijen.

41

Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Stedelijk landschap Havenlandschap

3.3.

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving.

3.3.1

Geluid

3.3.1.1

Ambities

Indicator

Ambitie {Bron]

Geluidhinder

Percentage geluidgehinderden in Rotterdam neemt niet verder toe [Europese richtlijn Omgevingslawaai, Koersnota geluid 2019-2023]

Stille gebieden

Relatief stille, groene gebieden op loopafstand (600 meter) als tegenhanger van drukte.

Buitengebied Archeologisch erfgoed Gebouwd erfgoed Landschappelijk erfgoed

9

3.3.1.2 Geluidhinder Huidige situatie Tabel 3.2 geeft inzicht in het berekende aantal geluidgehinderden van verschillende geluidbronnen. In totaal zijn ongeveer 180.000 woningen blootgesteld aan een geluidniveau van 55 dB of meer op de gevel9. In Rotterdam ondervindt ongeveer 1 op de 6 inwoners (ernstige) geluidhinder van wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer of industrie.

Boven 55dB cumulatief nemen gezondheidseffecten sterk toe (zo beschreven in Koersnota geluid 2019 – 2023 en GGD richtlijn geluid).

42

Tabel 3.2: Overzicht ernstig gehinderden (>55dB per etmaal) en slaapverstoorden per geluidsbron in Rotterdam. Bron: Ontwerp Actieplan Geluid 2019-2023, geluidsbelasting in 2016.

op trajecten met meerdere lijnen waarbij de trams in asfalt of straatstenen zijn gelegen speelt geluid vanwege trams een dominante rol. Dit is bijvoorbeeld het geval op (delen) van de Coolsingel. De geluidbelasting op gevels van woningen langs de stedelijke hoofdwegen ligt veelal boven de wettelijke grenswaarden. Op veel woningen is sprake van geluidbelastingen die boven de 60 dB Lden liggen (zie figuur 3.13). Langs hoofdstedelijke wegen door oudere stadsbuurten, zoals de Henegouwerlaan, ‘s-Gravendijkwal, Pleinweg en Strevelsweg kan deze geluidbelasting oplopen tot boven de 70 dB Lden.

1) Het aantal ernstig gehinderden is een deel van het aantal gehinderden.

Over heel Rotterdam gezien is het geluid van stedelijke wegen verantwoordelijk voor de meeste geluidhinder. Van de woningen die zijn blootgesteld aan 55 dB Lden of meer op de gevel, is bij ongeveer 94% van de gevallen het wegverkeer de dominante bron. Hier betreft het meestal geluid van binnenstedelijke wegen (91%). In de andere gevallen zijn de rijkswegen de dominante bron. Voor de meeste stedelijke wegen geldt dat het autoverkeer veruit de meest dominante geluidbron is, ook ten opzichte van tramlijnen. Alleen

Bij het bovenstaande moet opgemerkt worden dat niet alle wegen in Rotterdam zijn meegenomen in de geluidberekeningen. Rustige wegen zitten niet in de geluidsmodellen. Daarnaast is uit de geluidbelastingkaarten niet duidelijk welke woningen gesaneerd zijn (waar geluidsisolerende maatregelen zijn toegepast) vanwege het wegverkeerslawaai. Railverkeer is de dominante bron van geluid voor ongeveer 4% van de gevels die zijn blootgesteld aan 55 dB Lden. Industriegeluid is in ongeveer 3% van de gevallen de meest dominante bron. Met name in de gebieden bij de haven (Heijplaat) en de kleine kernen (Pernis, Rozenburg) is industrie een factor van belang als het gaat om geluidsoverlast.

43

Figuur 3.13: Geluidsbelasting van verkeer in Rotterdam in 2016. Bron: Ontwerp Actieplan Geluid 2019-2023.

Figuur 3.14: Geluidhinder in Rotterdam in 2016. Bron: Ontwerp Actieplan Geluid 2019-2023.

Bij deze cijfers moet wel aangemerkt worden dat dit berekende aantallen zijn, gebaseerd op het percentage geluidgehinderden bij bepaalde geluidniveaus op de gevel. Hierin zijn geluiden zoals burengerucht en horeca niet meegenomen. Als hiernaar gevraagd wordt in enquêtes zoals de GGD gezondheidsmonitor, is dit in Rotterdam de belangrijkste bron van hinder, na wegverkeer.

44

Figuur 3.15: Bronnen van geluidhinder in Rotterdam in 2016. Bron: GGD gezondheidsmonitor 2016

Bij slaapverstoring is het beeld vergelijkbaar. Buren en horeca zorgen voor slaapverstoring bij 30% van de Rotterdammers in het Centrum. Voor geheel Rotterdam is dit percentage 29%. Wanneer je de percentages optelt van wegverkeer, dan is dat de meest dominante geluidbron van slaapverstoring (41%). Naast bewoners, kunnen buren ook horeca en winkels zijn.

Figuur 3,16: Bronnen slaapverstoring, 19 t/m 64 jaar in Rotterdam Centrum, 2016. Bron: GGD Rotterdam-Rijnmond, gezondheid in kaart, Gezonde Leefomgeving

Een klein percentage van de Rotterdammers ondervindt hinder van vliegverkeer. Uit de gezondheidsmonitor 2016 blijkt echter dat de lokale situatie anders kan zijn. In Overschie en Hillegersberg-Schiebroek geeft respectievelijk 8,4 en 8,5% van de bewoners aan ernstige hinder te ondervinden van vliegtuiglawaai. Hiermee is dit een van de meest voorkomende bronnen van hinder voor deze wijken.

45

Autonome ontwikkeling In de autonome situatie daalt het percentage verplaatsingen met de auto. Het percentage verplaatsingen met de fiets zal navenant stijgen, net als het aandeel bewegingen met OV. Daarnaast zal er een groei zijn in vol-elektrische voertuigen. Deze laatste groei zal met name effect hebben op de 30 km/uur-wegen en bij kruisingen. Boven de 30 km/uur zal het rolgeluid van de banden belangrijker worden dan het motorgeluid. In de autonome ontwikkeling is de verwachting dat de bevolkingsdichtheid toeneemt, verstedelijking zich uitbreidt en het verkeer groeit. In het algemeen zal er sprake zijn van een toename van de niveaus van geluidbelasting. Wel is door verkeersingrepen een afname van het verkeer te zien in het van het centrum (Weena, centrum passage). Verkeer zal, vooral ’s nachts, meer geluidhinder veroorzaken, ondanks dat de technologie de modaliteiten stiller maakt. Deze geluidhinder kan veroorzaakt worden door het laagfrequente geluid als gevolg van (vracht)verkeer op snelwegen. Voor sommige mensen is dit geluid hoorbaar als een hinderlijke bromtoon. Andere geluidbronnen die naar verwachting meer hinder gaan veroorzaken, zijn mechanische ventilatiesystemen, warmtekrachtpompen en windturbines, vaak ingezet als energiebesparende maatregelen.

Door klimaatverandering kan het aantal koelingssystemen in de bebouwde omgeving en de geluidhinder van buren tijdens warmere en langere zomers toenemen. Op het Rijkswegennetwerk rond de stad zorgen de verlengde A16 en de Blankenburgtunnel voor kleine verschuivingen in de blootstelling aan geluid. Significante veranderingen in geluidgehinderden en slaapverstoring zijn door deze ontwikkelingen niet te verwachten. Wel zal voor 2030 de sanering van de geluidhinderknelpunten langs het Rijkswegen- en hoofdspoorwegenetwerk zijn afgerond. Veel gevallen van ernstige hinder en slaapverstoring

als gevolg van deze bronnen zullen dan zijn afgenomen. Aan de andere kant zal er dichter bij de snelweg gebouwd worden, omdat hier nog ruimte is voor woningbouw. Al met al zal de hinder langs snelwegen hierdoor gelijk blijven of toenemen. De industriegebieden zullen zich blijven ontwikkelen, met een combinatie van voortzetting van het bestaande en het accommoderen/inbreiden van nieuwe industrie (energietransitie) waardoor er intensiever gebruik gemaakt zal worden van het havengebied. De toegewezen geluidsruimte zal hierdoor opgevuld worden. Aan de andere kant zal de woningbouw oprukken in de richting van de haven. Bij de haven gaat het hier, zeker bij nestgeluid van schepen, vaker om laagfrequent geluid, wat moeilijk te weren is. Hierdoor zal een complexe situatie ontstaan waarbij rekening moet worden gehouden met de haven, woningbouw en leefkwaliteit. Voor het vliegverkeer wordt meer hinder verwacht indien woningbouwontwikkelingen nabij RTHA geprojecteerd zijn. 3.3.1.3 Stille gebieden Huidige situatie In het onderzoek Stille groene gebieden, waarde van groen in de stad’ is geinventariseerd welke gebieden in Rotterdam op loopafstand van relatief stille gebieden liggen. In figuur 3.17 zijn de grotere groengebieden te zien, met daaromheen een contour van 600 meter.

Hieruit valt op te maken dat grote gedeelten van Rotterdam niet bedekt zijn, wat betekent dat grote aantallen mensen geen toegang hebben tot groene, stille gebieden op loopafstand. Vaak zijn dit mensen die wonen op geluidbelaste locaties. Dus juist op plekken waar een noodzaak is aan stille gebieden op loopafstand, zijn deze er niet.

46

Figuur 3.17: Parken met 600 meter contour.

Autonome ontwikkeling In de autonome situatie zal met name gebouwd worden op geluidbelaste locaties waar moeilijk een stille, aangename zijde gerealiseerd kan worden. Daarnaast zijn op deze locaties geen stille, groene plekken op loopafstand aanwezig. Zonder specifiek beleid om deze locaties te voorzien van relatief rustige aantrekkelijke plekken (waarbij rustige gebieden ook kleine pleintjes of hofjes kunnen zijn), zal het aantal mensen dat woont op een geluidbelaste locatie zonder relatief stille gebieden binnen loopafstand verder toenemen, de mogelijkheid om nieuwe, relatief stille gebieden te creëren afnemen. Op plekken waar op dit moment “eilandjes” met relatief lage geluidbelasting aanwezig zijn, kunnen deze verstoord worden doordat steeds meer gebruik wordt gemaakt van airconditioning of warmtepompen. Voor de grotere parken zal dit probleem niet spelen. 3.3.1.4 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Geluidhinder Stille gebieden

47

Autonome ontwikkeling

3.3.2

Luchtkwaliteit

Figuur 3.18: Stikstofdioxide (NO2) in het Rijnmondgebied (2004-2024). Bron: Gemeente Rotterdam, 2018, Koersnota Schone Lucht 2019-2022

3.3.2.1 Ambities

Indicator

Ambitie [Bron]

Concentraties NO2, fijnstof en roet

Vanaf 2025 voldoen aan de WHO-advieswaarden [Koersnota schone lucht 2019-2022]

Blootstelling

Komen tot een vermindering van het aantal hoogblootgestelde inwoners10 [Koersnota lucht 2019- 2023]

3.3.2.2 Concentraties NO2, fijnstof en roet Huidige situatie Bij zowel NO2 als fijnstof (PM10 en PM2,5) is een duidelijke afname te zien tussen 2004 en 2018 (zie figuren 3.18 en 3.19). Bij PM2,5 is een vergelijkbare trend te zien (zie figuur 3.20). Voor het jaar 2020/2021 is er alleen bij de Doklaan nog sprake van een wettelijke overschrijding. De knelpunten worden veroorzaakt door hoge verkeersintensiteiten op wegen.

10 Hoogblootgestelde inwoners zijn mensen die langdurig verhoogd worden blootgesteld aan hoge concentraties luchtverontreiniging. Binnen deze groep wordt ook specifiek gekeken naar hooggevoelige groepen.

Hooggevoelige groepen zijn mensen die vanwege leeftijd (kinderen en ouderen) of ziekte extra gevoelig zijn voor luchtverontreiniging.

48

Figuur 3.19: Fijnstof (PM10) in het Rijnmondgebied (2004-2024). Bron: Gemeente Rotterdam, 2018, Koersnota Schone Lucht 2019-2022

Voor zowel fijnstof als stikstofdioxide geldt dat het halen van de WHO-advieswaarden niet mogelijk is met alleen Rotterdams beleid. Voor fijn stof geldt dat ruim 80% van de optredende concentraties is afkomstig van buiten de regio. In de huidige situatie is het beleid gericht op het verder terugdringen van luchtverontreiniging, waardoor de luchtkwaliteit nagenoeg voldoet aan de wettelijke Europese norm. Aan de WHO-advieswaarden voor fijnstof wordt nog niet overal voldaan in de huidige situatie. Voor roet geldt dat op de meeste plekken in de stad wordt voldaan aan de WHO-richtwaarde.

Figuur 3.20: Fijnstof (PM2,5) in het Rijnmondgebied (2011-2017). Bron: DCMR, 2021, MOI register.

Autonome ontwikkeling Voor de autonome ontwikkeling geldt dat het verkeer schoner wordt, ondermeer door implementatie van het Schone Lucht Akkoord. Hierdoor en door de verlaging van de achtergrondconcentraties nemen ook de concentraties luchtverontreinigende stoffen af. Naast de positieve trends zijn er ook uitdagingen. De motoren van auto’s worden weliswaar steeds schoner, maar er komt nog steeds fijnstof vrij door bandenslijtage. Ook speelt de trend van verstedelijking een rol. Door de verdichting wonen steeds meer mensen in de nabijheid van drukke wegen. Hiermee gaat een deel van de gezondheidswinst door het schonere verkeer verloren. Daarnaast speelt de trend van verstedelijking een rol. Door de binnenstedelijke verdichting komen er meer mensen in de nabijheid van drukke wegen te wonen. Hiermee gaat een deel van de gezondheidswinst verloren. Per saldo is de ontwikkeling echter positief: het aantal inwoners dat aan hoge concentraties luchtverontreiniging wordt blootgesteld, zal naar verwachting in omvang afnemen. Dit effect wordt versterkt door de Beleidsregel buitenklimaat die

49

zich richt op de luchtkwaliteit in de buurt van scholen en kinderdagverblijven. De luchtkwaliteit verbetert wel in de autonome situatie, maar het is dus een uitdaging om met de voorziene trends de meer ambitieuze WHO-advieswaarden te halen. 3.3.2.3 Blootstelling Huidige situatie Voor het aantal blootgestelde inwoners zijn er geen aparte normen gesteld of richtwaarden beschikbaar. Op basis van de concentraties is een expertbeoordeling gegeven van de bestaande situatie. Voor de hooggevoelige groepen is gekeken naar locaties met gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke wegen liggen. Het vetrekpunt daarbij is de Beleidsregel buitenklimaat bij scholen en kinderdagverblijven. Autonome ontwikkeling Door de lagere concentraties van luchtverontreinigende stoffen en door het beleid van de gemeente zal de blootstelling van hooggevoelige groepen naar verwachting minder worden.

3.3.2.4 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Concentraties NO2, fijnstof en roet Blootstelling

3.3.3

Veiligheid

3.3.3.1 Ambities

Indicator

Ambitie [Bron]

Externe veiligheid

Zoveel als mogelijk voorkomen dat bewoners worden blootgesteld aan EV-risico’s en het beperken van de gevolgen van incidenten [Landelijk beleid en Koersnota omgevingsveiligheid (in voorbereiding)].

Waterveiligheid

Bescherming bieden tegen overstromingen [Waterwet, provinciale Waterverordening, Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden, Beleid uitgiftepeilen Rotterdam, Watertoets]

50

3.3.3.2 Externe veiligheid

Figuur 3.21: Vervoer van gevaarlijke stoffen, Rotterdam. Bron: Signaleringskaart, 2020

Huidige situatie Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het transport, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Bij ‘snel ontwikkelende technologieën’ gaat het bijvoorbeeld om windturbines of andere (onvoorziene) technologieën die door de energietransitie opkomen. In Rotterdam vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, water, spoor en door buisleidingen (figuur 3.21). De risico’s daarvan worden onder meer gereguleerd door de bepalingen (o.a. aantallen transporten) van de Basisnetten voor weg, water en spoor. Daarnaast zijn met name in de haven van Rotterdam meerdere bedrijven aanwezig die gevaarlijke stoffen opslaan, transporteren en/of verwerken (figuur 3.22). Om de risico’s te beheersen is een zogenaamde veiligheidscontour rond een deel van de havengebieden vastgelegd. Binnen deze contour mogen alleen functioneel gebonden activiteiten plaatsvinden met bijbehorende maatregelen.

Figuur 3.22: Risicovolle bedrijven, Rotterdam. Bron: Signaleringskaart, 2020

Er zijn in Rotterdam geen situaties waarbij (zeer) kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties gevestigd zijn binnen de aanwezige PR10-6 contouren.

51

Ten aanzien van het groepsrisico wordt op enkele plekken de landelijke richtwaarde (ook wel oriëntatiewaarde genoemd) overschreden. Het gaat daarbij om Hoogvliet, Alexanderknoop, Feyenoord City en het centrum. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de hoge personendichtheid in combinatie met transport van gevaarlijke stoffen. Tot slot moet ook bij Rotterdam The Hague Airport rekening worden gehouden met externe veiligheid. De luchthaven heeft een PR10-6 contour waarbinnen geen (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn toegestaan. Daarnaast dient bij nieuwbouw rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Het gaat daarbij om het scenario dat een vliegtuig neerstort. Figuur 3.23: Aandachtspunten groepsrisico

toenemen op een locatie waar al sprake is van een hoog groepsrisico (zie figuur 3.23). Ondersteunend aan de woningbouw worden zeer kwetsbare gebouwen gerealiseerd zoals kinderopvang en basisscholen. Ten aanzien van de energietransitie gaan 85.000 woningen van het aardgas af. De huidige trends wat betreft warmtenet, zon- en windenergie zetten door. Het verkeer wordt schoner. Hierdoor kunnen mogelijk nieuwe omgevingsveiligheidsrisico’s ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan de risico’s behorende bij decentrale energiesystemen, windturbines en waterstoftankstations. De elektrificatie van het verkeer kan op den duur leiden tot minder tankstations waarbij conventionele brandstoffen zoals LPG en benzine worden aangeboden. Aan de andere kant leidt elektrificatie ook weer tot nieuwe uitdagingen, zoals het brandgevaar van accu’s in elektrische voertuigen. De toename van bewoners in de binnenstad leidt tot een complex inpassingsvraagstuk. Daarnaast komen er door de energietransitie mogelijk extra risicobronnen bij. 3.3.3.3 Waterveiligheid

Autonome ontwikkeling In de autonome situatie worden verspreid over de binnenstad 20.000 woningen gebouwd. Voor de binnenstad zijn het spoor en de Nieuwe Maas de belangrijkste risicobronnen. Door de woningbouw zullen meer bewoners worden blootgesteld aan risico’s van deze bronnen. Het groepsrisico zal verder

Huidige situatie Bij het thema waterveiligheid gaat het om het overstromingsrisico. Het overstromingsrisico is de kans dat een overstroming optreedt maal de gevolgen (slachtoffers, schade e.d.) die een overstroming heeft. Dit gaat over een mogelijke overstroming van Rotterdam ten gevolge van hoogwater op de rivieren. Deze indicator gaat niet over neerslag (zie daarvoor de deelstudie Bodem en Water) of de veiligheid van het drinkwater. Er wordt onderscheid gemaakt in binnendijks en buitendijks gebied. Binnendijks gebied wordt beschermd door de primaire waterkeringen langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. Voor een overstroming binnendijks

52

moet eerst de waterkering doorbreken. Buitendijks gebied wordt niet beschermd door primaire waterkeringen, voor een deel wel door de Maeslantkering. In Rotterdam zijn de buitendijkse gebieden onder andere de havens, het Scheepvaartkwartier, Kop van Feijenoord en Noordereiland, zie figuur 3.24. Figuur 3.24: Buitendijkse gebieden van Rotterdam op de kaart. Blauwe gebieden: buitendijkse havengebieden, oranje gebieden: stedelijke buitendijkse gebieden.

Het grootste deel van de Rotterdamse primaire waterkeringen voldoet in de huidige situatie aan de wettelijke veiligheidseisen. Enkele dijkvakken langs de noordoever van de Nieuwe Maas voldoen niet aan de wettelijk gestelde eisen (nabij Maasboulevard/Boompjes en nabij Parksluizen). De Waterschappen nemen de benodigde voorbereidingen om de dijken in de toekomst te versterken. De status van de afgekeurde dijkvakken is geen acuut waterveiligheidsprobleem. De regionale waterkeringen voldoen aan de provinciale waterveiligheidseisen.

De laagst gelegen buitendijkse stedelijke kades van Rotterdam overstromen 10-15 keer per jaar. In de meeste gevallen leidt dit niet tot economische schade, de kans op een slachtoffer is erg klein. Eens in de 2 tot 10 jaar is er sprake van echt wateroverlast met economische schade tot gevolg door overstroming van de buitendijkse gebieden. Water komt in kelders van de laagstgelegen panden en wegen raken onbegaanbaar. Om de overstromingsrisico’s te beheersen hanteert de gemeente het uitgiftepeilenbeleid buitendijks. De meeste projecten handelen hiernaar. Het havengebied is grotendeels gelegen in het buitendijks gebied. Op dit moment is het havengebied goed beschermd tegen hoogwater, er hebben nog geen overstromingen plaatsgevonden. In de haven is de kans op wateroverlast ten gevolge van hoogwater kleiner dan in de stad, orde grootte 10 tot 100 jaar voor de laagste gebieden. Om het overstromingsrisico te beheersen, zijn per deelgebied van de haven adaptatiestrategieën ontwikkeld, inclusief mogelijke maatregelen om met overstromingsrisico’s om te gaan. Het Havenbedrijf Rotterdam handelt naar de strategieën om de havengebieden ook voor de toekomst op een acceptabel veiligheidsniveau te blijven houden. De eerste maatregelen staan gepland voor uitvoering (Tuimelkade Europoort).

Autonome ontwikkeling Ten opzichte van de huidige situatie leidt de autonome ontwikkeling tot een beperkte toename van de kans op een overstroming buitendijks door zeespiegelstijging en verhoogde rivierafvoeren in de toekomst en bodemdaling. De sluitfrequentie van de Maeslantkering (bij 3.00m+NAP bij Rotterdam) zal bijvoorbeeld toenemen van grofweg ééns in de 10 jaar in 2021 naar eens in de 5 jaar in 2040. Ook zal sprake zijn van een beperkte toename van

53

de gevolgen van een overstroming. De autonome ontwikkeling leidt tot meer mensen, meer economische activiteit, meer bebouwing en infrastructuur. De omvang van een dijkdoorbraak in schade, slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting neemt toe.

3.3.3.4 Samenvatting

Ondanks deze toename van zowel kans als gevolg blijft de beoordeling positief. Dit is omdat het bestaande beleid (uitgiftepeilen en adaptatiestrategieën) zich richt op het meegroeien met de zeespiegelstijging, waardoor de toename van de kans wordt ondervangen.

Externe veiligheid

Ook leidt de autonome ontwikkeling ten opzichte van de huidige situatie tot een beperkte toename van de kans op een overstroming van binnendijks gebied door zeespiegelstijging en verhoogde rivierafvoeren in de toekomst en door bodemdaling. Er moet ook rekening worden gehouden met een beperkte toename van de gevolgen. De autonome ontwikkeling leidt tot meer mensen, meer economische activiteit, meer bebouwing en infrastructuur. De omvang van een dijkdoorbraak in schade, slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting neemt toe. Het is de inschatting dat de normering van de primaire waterkeringen dit voor de variant autonome ontwikkeling nog kan opvangen. Het oordeel over de autonome situatie in 2040 voor binnendijks gebied blijft hiermee, net als in de huidige situatie ‘overwegend goed’.

Waterveiligheid – buitendijks

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Waterveiligheid – binnendijks

3.3.4

Gezond gedrag

3.3.4.1 Ambities

Indicator

Ambitie

Voldoende beweging

Rotterdammers leiden binnen hun wensen en mogelijkheden een actief leven, zowel sociaal als fysiek. Rotterdammers zijn mobiel, gaan regelmatig naar buiten en werken aan hun conditie op een manier die bij hen past [Gezond 010 – het akkoord]

54

Gezonde voedselomgeving

Rotterdammers zijn zich bewust zijn van hun gezondheid en kunnen daarin zelfstandig keuzes maken. Ze wisselen ongezonde en gezonde keuzes met elkaar af en ervaren geen belemmering om gezonde keuzes te maken [Gezond 010 – het akkoord]

Mentale gezondheid

Rotterdammers zijn veerkrachtig, hebben tijd en ruimte om te ontspannen en draagkracht en draaglast zijn in balans. Hun leven wordt niet beheerst door zorgen en stress en ze kunnen omgaan met de tegenslagen van het leven [Gezond 010 – het akkoord].

Rookvrije generatie

In 2040 minder dan 5% rokers [Nationaal Preventieakkoord]

In onderzoek voor Rotterdam Loopt konden deelnemers aangeven waar het wel of niet prettig was om te wandelen. De figuren 3.25 en 3.26 tonen de resultaten. Wat opvalt aan de kaarten is dat in het centrum prettige en onprettige wandelplekken zich dichtbij elkaar bevinden, terwijl het noorden van Rotterdam in het algemeen veel prettige looplocaties kent. Het zuiden van Rotterdam lijkt daarentegen relatief weinig prettige looplocaties te kennen. Figuur 3.25: Beleving wandelplekken Rotterdam-Noord

3.3.4.2 Voldoende bewegen Huidige situatie In Nederland is er een norm voor gezond bewegen, de zogeheten Nederlandse Norm voor Gezond bewegen (NNGB). Advies is om per week 150 minuten intensief te sporten en minstens tweemaal per week aan spier- en botversterkende activiteiten te doen. In 2017 voldeed 54% van de Rotterdamse inwoners tussen 19-64 jaar aan deze beweegrichtlijn. Bij ouderen (65+) was dit percentage lager, 25%. Rotterdam blijft achter bij andere grote steden en het landelijke gemiddelde (groep 19-64: 56% en groep 65+: 37%). Ook zijn er grote verschillen tussen wijken. In Noord voldoet bijvoorbeeld 65% van de inwoners tussen de 19 en 64 jaar aan de beweegrichtlijn, terwijl dit in IJsselmonde 45% is.

55

Figuur 3.26: Beleving wandelplekken Rotterdam-Zuid

Autonome ontwikkeling Toekomstige ontwikkelingen op het gebied van leefstijl zijn gunstig als het gaat om voldoende bewegen. Landelijk is de verwachting dat in 2030 68% van de inwoners van Nederland voldoen aan de beweegrichtlijn. Ook hierna is de verwachting dat het aantal mensen dat voldoet aan de beweegrichtlijn blijft stijgen. De achterstand van Rotterdam in vergelijking met andere grote steden wat betreft voldoen aan de beweegrichtlijn blijft. De verdere verdichting van de stad zal de ruimte voor groen en brede voetgangerspaden onder druk zetten. Ook kan dit leiden tot een toename van gemotoriseerd verkeer, wat de openbare verblijfsruimte minder prettig kan maken. Daartegenover staat dat een verdichting van woonlocaties en werklocaties en winkels kan leiden tot meer bestemmingen binnen loopafstand. Dit kan ervoor zorgen dat de noodzaak om gebruik te maken van de auto vermindert, waardoor mensen eerder geneigd zijn om meer te lopen of gebruik te maken van fiets en openbaar vervoer.

Ook op het gebied van fietsen is nog veel te verbeteren. In Rotterdam voldoet minder dan 60% van de fietspaden aan de norm voor voldoende breedte. Rotterdammers zijn kritisch over de verkeersveiligheid in hun wijk, deze geven zij gemiddeld een 6,2. De bestaande fietsroutes hebben verschillende uitdagingen, zoals ontbrekende en zwakke schakels in de fietsroutes, een stedelijk netwerk dat niet overal aansluit op het regionale en provinciale netwerk, een hoofdfietsroutenetwerk dat niet fijnmazig genoeg is om 70% van de fietskilometers af te leggen en de doorstroming en wachttijden bij kruispunten die om aandacht vragen.

3.3.4.3 Gezonde voedselomgeving Huidige situatie Overgewicht onder kinderen is en blijft een probleem in Rotterdam. 47% van de Rotterdammers tussen de 19 en 64 jaar heeft overgewicht, waarvan 16% obesitas. Boven de 64 jaar is dat zelfs 64%, waarvan 22% obesitas, zie figuur 3.27.

56

Figuur 3.27: Obesitas in Rotterdam

De veranderde voedselomgeving in de buurt wordt regelmatig genoemd als één van de belangrijkste omgevingskenmerken die bijdraagt aan de toename van overgewicht en obesitas. De afgelopen 15 jaar is het aantal voedselaanbieders in Rotterdam met bijna een kwart toegenomen. In 2004 waren er 1750 aanbieders, en dit aantal is toegenomen tot 2165 aanbieders in 2018. Deze toename is groter dan de relatieve toename in bevolking over dezelfde tijdsperiode. Het aantal fastfoodlocaties is met 37% toegenomen in 15 jaar. Het aandeel versaanbieders is gehalveerd . Hierbij is in de sociaal zwakkere wijken de groei van het aantal fastfoodaanbieders groter (57%). Voedsel is dus makkelijker beschikbaar geworden, waarbij het aandeel ongezonde voeding is gestegen.

Reclame voor (ongezond) voedsel is alomtegenwoordig. Zowel op reclameborden / -uitingen in gemeentelijk beheer, als bij reclame van private partijen. Denk hierbij ook aan sponsoring van (sport)evenementen. Als partner van de Alliantie stop kindermarketing ongezonde voeding wil Rotterdam kindermarketing voor ongezonde voeding bij evenementen en gemeentelijke voorzieningen zoals zwembaden en sporthallen tegengaan. De alliantie komt op voor de rechten van het kind om op te groeien in een gezonde omgeving en pleit ervoor dat fabrikanten kindermarketing uitsluitend inzetten voor gezonde voedingsmiddelen. Dit zijn de voedingsmiddelen die passen binnen de Schijf van Vijf. Volkstuinen bieden een plek waar mensen in contact worden gebracht met gezonde voeding door dit zelf te verbouwen. De impact hiervan is echter beperkt, aangezien de volkstuin meestal alleen toegankelijk is voor de huurder en niet iedereen een volkstuin ook gebruikt voor het verbouwen van voedsel. De vraag naar volkstuinen is gegroeid tijdens de Coronacrisis. Daarnaast zijn er stadstuinen waar mensen zelf kruiden mogen plukken, zoals de Rotterdamse Munt, de Voedseltuin Rotterdam en het voedselbos Kralingen. Volkstuincomplexen zijn niet (altijd) openbaar toegankelijk en stadstuinen bevinden zich niet voor iedereen in de buurt.

Autonome ontwikkeling Op dit moment zijn er nog geen vastgestelde richtlijnen voor de voedselomgeving in Rotterdam, dus zal de autonome ontwikkeling gestuurd worden door de algemene trend in Nederland. Als de trend die hierboven wordt beschreven aanhoudt, zal met name in de sociaal zwakkere gedeelten van de stad het aantal aanbieders van fastfood verder toenemen, tegenover een verdere afname van het aantal versaanbieders.

57

3.3.4.4 Mentale gezondheid Huidige situatie In Rotterdam heeft 10,4% van de 19 t/m 64-jarigen een hoog risico op een depressie of een angststoornis. Onder ouderen (65 jaar en ouder) ligt dit op 8,0%. Dit is hoger dan in de rest van de Rijnmond regio (hier is dit respectievelijk 8,9 en 6,3%). Het risico verschilt per wijk, waarbij met name inwoners in Feijenoord een hoog risico hebben op psychische problematiek. Figuur 3.28: Risico op depressie of angststoornis in Rotterdam

In Rotterdam gaf in 2016 14% van de inwoners van 19 jaar en ouder aan zich ernstig eenzaam te voelen, ten opzichte van 12% in de rest van de regio Rijnmond. Dit percentage is gestegen ten opzichte van de jaren ervoor (8% in 2008, 14% in 2012). Eenzaamheid komt hierbij onder ouderen als onder volwassenen (19 t/m 64 jaar) ongeveer evenveel voor. Wel zijn er verschillen tussen wijken. Met name in Feyenoord, IJsselmonde en Charlois komt eenzaamheid veel voor. Figuur 3.29: Eenzaamheid in Rotterdam

58

De mate waarin de buitenruimte invloed heeft op de mentale gezondheid is nog moeilijk aan te geven. In ieder geval kan de buitenruimte zo worden ingericht dat deze zo min mogelijk stress oplevert en geen belemmering vormt om aan activiteiten deel te nemen die een positief effect hebben op de mentale gezondheid. Hieronder vallen onder andere een buitenruimte met voldoende groen, een goede toegankelijkheid, voldoende rust, een goede sociale cohesie en het stimuleren van meer bewegen. Deze aspecten worden in andere paragrafen van het ROER besproken. De beoordeling komt voor de meeste aspecten uit op redelijk. Wat hierbij opvalt is dat de probleemgebieden voor deze indicatoren zich allemaal opstapelen in dezelfde delen van de stad. De stadswijken Zuid, West en Centrum scoren slechter als het gaat om groen, een goede toegankelijkheid, de balans tussen rust en reuring, de mate van sociale samenhang en hoe uitnodigend deze gebieden zijn om te bewegen. Dit zijn ook de gebieden waar problematiek op het gebied van mentale gezondheid zich het meeste voordoet. Autonome ontwikkeling Meerdere van bovengenoemde aspecten, die voor een goede mentale gezondheid zorgen, verslechteren in de autonome ontwikkeling en krijgen de beoordeling matig in de respectievelijke deelstudies. Dit komt met name doordat de toegenomen woningbouw en verdichting de publieke ruimte onder druk zet.

3.3.4.5 Rookvrije generatie Huidige situatie 29% van de Rotterdammers van 19 t/m 64 jaar en 15% van de Rotterdammers van 65 jaar en ouder rookt. Van de jeugd heeft 7% van de 13 t/m 16-jarigen wel eens een sigaret gerookt, waarbij 3% wekelijks een sigaret of meer rookt. 3% van de kinderen onder de 18 jaar vindt roken acceptabel.

Onder Rotterdammers komt roken het meest voor in de wijken Charlois (32%) en Kralingen-Crooswijk (29%), zie figuur 3.30. Figuur 3.30: Percentage rokers, 19 jaar en ouder 2016

De gemeente heeft in samenwerking met private partners en instellingen gewerkt aan het invoeren van rookvrije zones. Hiertoe is in 2020 een pilot uitgevoerd bij het Erasmus Medisch Centrum, de Hogeschool Rotterdam en het Erasmiaans Gymnasium. Ook is een rookvrije zone ingericht voor de ingang van het gemeentekantoor op de Wilhelminakade en heeft het RET roken verboden in al haar eigen gebouwen en op eigen terreinen. Op andere plekken (zoals Ikazia Ziekenhuis en Sint Franciscus Gasthuis) zijn op eigen initiatief van de instelling rookvrije zones ingesteld op het eigen terrein. Uit de resultaten van de pilot blijkt dat het rookvrij maken van dit soort buitenruimtes kan leiden tot een vermindering van het aantal rokers in deze zones met 45%.

59

Er is in Rotterdam een dalende trend in het aantal rokers. De daling van het aantal rokers zien we vooral in de wijken met een hogere Sociaal Economische Positie. De wijken met lagere Sociaal Economische Positie blijven achter. In sommige wijken, zoals Charlois en Feyenoord en IJsselmonde, is zelfs sprake van een lichte toename. Autonome ontwikkeling Door landelijk beleid (verhoging van accijns op en het verminderen van verkoopplekken voor tabaksproducten) zal het aantal rokers blijven dalen. De trend lijkt er ook op te wijzen dat de sociale acceptatie van roken zal blijven dalen. Landelijk zou het huidige aantal rokers van 23% volgens de trends van de volksgezondheid toekomstverkenning in 2040 gedaald zijn tot 14%. De verwachting is dat het aantal rokers in Rotterdam ook zal dalen. De doelstelling van het nationaal preventieakkoord (5% rokers in 2040) wordt hiermee niet behaald. 3.3.4.6 Samenvatting

Indicator Voldoende bewegen Gezonde voedselomgeving Mentale gezondheid Rookvrije generatie

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

3.4.

Woonomgeving.

3.4.1

Woningen

3.4.1.1 Ambities

Indicator

Ambitie [Bron]

Kwaliteit van de woningen

In 2030 zijn de woningen van goede kwaliteit en energiezuinig [Woonvisie 2030, Thuis in Rotterdam addendum Woonvisie 2030, Rotterdams WeerWoord].

Balans in woonsegmenten

Woningvoorraad in balans op wijkniveau en in relatie tot het woonmilieu van de Rotterdammer [Woonvisie 2030. Gebiedsatlas 2.0 ontwikkeling woningvoorraad].

Toekomstbestendigheid

De diverse woningtypen passen bij de verscheidenheid van de bewoners en bij het karakter van de verschillende Rotterdamse wijken [Woonvisie 2030, Programma Langer Thuis Studentenakkoord].

3.4.1.2 Kwaliteit van de woningen Huidige situatie De kwaliteit van woningen wordt bepaald door tal van factoren. In deze rapportage wordt de staat van de woningvoorraad beoordeeld aan de hand van de kwaliteit van de fundering, het bouwjaar, het energielabel, de klimaatbestendigheid en het aandeel kwetsbare meergezinswoningen.

60

De kwaliteit van de fundering wordt bepaald door het type fundering en de ondergrond. Grofweg zijn er drie type fundering: houten palen, betonnen palen of op staal (ongefundeerd). Bij een te lage grondwaterstand kunnen problemen ontstaan met houten paalfunderingen. Vooral panden die gebouwd zijn vóór 1950 hebben een verhoogd risico op funderingsproblemen (figuur 3.31), waardoor scheurvorming en scheefstand kan ontstaan. Ongefundeerde woningen zijn extra kwetsbaar voor ongelijkmatige zetting van de ondergrond.

bouwbesluit. Van deze woningen nemen we dan ook aan dat ze van goede kwaliteit zijn. Zo’n 12,5% van de Rotterdamse woningen is gebouwd vanaf 2000.

Figuur 3.31: Risico op funderingsherstel (Kwaliteitsatlas)

Tot 1975 waren in bouwvergunningen geen isolatiemaatregelen opgenomen. Deze huizen zijn veelal gebouwd zonder spouwisolatie, enkel glas of moderne badkamer. Grofweg kan worden gesteld dat alle woningen vanaf de jaren ’80 een vorm van spouwisolatie hebben. Van deze woningen die zijn gebouwd in de periode 1980 -2000, oftewel circa 25% van de bestaande voorraad, mag je een zekere (energetische) kwaliteit van veronderstellen. Het overige deel van de woningvoorraad (65%) is van voor 1980. Uit de vitaliteitsatlas blijkt dat 20% van de Rotterdamse woningen te maken heeft met achterstallig onderhoud.

Het bouwjaar van de woning zegt iets over de kwaliteitseisen waaraan de woning wettelijk moet voldoen bij de bouw. Sinds 2000 geldt het verbeterde

Nog niet voor alle Rotterdamse woningen is een geldig energielabel. Zo’n 143.000 woningen hebben een energielabel C of beter (bron RVO, 2020), dat is ongeveer 45% van de Rotterdamse woningvoorraad. Meer dan 80.000 woningen hebben een lager energielabel en van 92.000 woningen is nog geen geldig energielabel vastgesteld.

61

Figuur 3.31: Energetische kwaliteit woningen (kwaliteitsatlas)

De strategie voor de verduurzaming van woningen richt zich vooral op bestaande bouw. Door nationale wet en regelgeving is duurzaamheid bij nieuwbouw al geborgd. Zo is er geen aardgasaansluiting meer bij nieuwbouw en gaat het energielabel al richting energieneutraal. Extreem weer zoals hevige neerslag en extreme hitte komen steeds vaker voor. Om schade en overlast te voorkomen moeten woningen klimaatbestendig zijn. Om de kwetsbaarheid van panden voor neerslag te bepalen is er het bluelabel. Bij bluelabel A en B is er enkel water tegen de gevel en de kans op schade zeer klein. Bij label E, stroomt water het pand in bij een hevige regenbui. In 2018 heeft 86,7% van de panden een bluelabel A of B, dus 13,3% van de panden is kwetsbaar voor (hevige) neerslag. Extreme hitte kan zorgen voor een overhitte woning. Hierdoor kunnen mensen binnenshuis geen verkoeling vinden, hun nachtrust verslechtert en arbeidsproductiviteit daalt. Dit speelt bij verschillende soorten woningen. Enerzijds bij huizen met een goede isolatie maar een ontbrekend ventilatiesysteem. Daarnaast zijn ook woningen met een plat dak kwetsbaar voor extreme hitte. Dit probleem speelt in de hele stad, met name in het centrum en de stadswijken wordt hitte als een probleem ervaren (figuur 3.32).

62

Figuur 3.32: Percentage Rotterdammers van 19 jaar en ouder dat bij aanhoudend weer onvoldoende verkoeling vindt in de woning. (Gezondheidsmonitor, 2016)

Autonome ontwikkeling De gemeente Rotterdam stimuleert de funderingsaanpak. De gemeente voert wijkgerichte aanpakken ten behoeve van funderingsonderzoek uit en jaagt funderingsherstel aan met inzet van het landelijk fonds funderingsherstel. De verwachting is dus dat door deze aanpak de komende jaren meer panden een goede fundering krijgen. De gemeente stimuleert het onderhoud van de woningen. In sommige wijken, zoals binnen het NPRZ (Nationaal Programma Rotterdam Zuid), wordt bewust in de woningvoorraad ingegrepen ingegeven vanuit een lage woonkwaliteit. In de periode 2012-2030 worden 35.000 woningen binnen NPRZ aangepakt (1/3e van de voorraad). Het gaat om 12.000 corporatiewoningen en 23.000 particuliere woningen. (bron NPRZ uitvoeringsprogramma 20192022).

Kwetsbare meergezinswoningen zijn meergezinswoningen zonder lift, met een woningoppervlak van minder dan 75m² en een WOZ-waarde van minder dan €130.000 (peiljaar 2007). Dit zijn kwetsbare woningen op de woningmarkt. In Rotterdam is 24% van de woningen aangemerkt als een kwetsbare meergezinswoning. Deze woningen liggen vooral in de oudere wijken op Zuid en in het westen van de stad. Uitschieters zijn Carnisse (80%), Oud Mathenesse/Witte dorp (64%), Bergpolder (56%), Tarwewijk (54%) en Charlois (49%). (wijkprofiel, 2020)

Richting 2040 (vanaf de huidige situatie) worden er binnen NPRZ 45.000 woningen opgeknapt, waarvan 10.000 sloop en 9000 vervangende nieuwbouw. Buiten NPRZ worden nog eens 25.000 woningen opgeknapt. Om de energielabels te verbeteren wordt ingezet op de woningverbetering zoals in NPRZ. Ook zijn er al vijf gebiedsaanpakken voor energietransitie: Reyerdijk/Groot IJsselmonde, Pendrecht-Zuidoost, Rozenburg, Lage Land Oost (Prinsenland) en Bospolder-Tussendijken. Hier komt een samenhangende, duurzame gebiedsaanpak. Tot 2040 worden 73.000 woningen aangesloten op het warmtenet en worden 65.000 woningen beter geïsoleerd. Rotterdam zet in de college periode 2018-2022 in op het verbeteren van de bluelabels.

63

Door klimaatverandering neemt de kans op hevige neerslag toe, waardoor het verbeteren van de blue label relevant blijft. Ook zal het aantal warme nachten toenemen (zie ook de deelstudie woonomgeving, indicator Urban Heat Island effect). Hierdoor wordt de opgave voor verkoeling in woningen groter. Wel is te zien dat er een hoge dynamiek is in de bestaande woningvoorraad in de wijken waar mensen nu onvoldoende verkoeling vinden. Dit biedt kansen om de grootschalige renovatie en/of nieuwbouw rekening te houden met klimaatbestendig bouwen. Vooral op Zuid wordt flink geïnvesteerd in verbetering van de bestaande woningvoorraad. Dit is ook het gebied waar veel kwetsbare meergezinswoningen liggen. Door sloop-nieuwbouw en samenvoeging zal het aantal kwetsbare meergezinswoningen de komende jaren afnemen.

3.4.1.3 Balans in woonsegmenten Huidige situatie Rotterdam is een stad met relatief veel woningen in het sociale segment. Er is een te kort aan middensegment woningen. Met name op Zuid en in de stadswijken is sprake van disbalans in de woonsegmenten (figuur 3.33). In 2017 valt 69 procent van de woningen in de sociale sector (huur en koop) en 31 procent in het middensegment of hoger (huur en koop). Deze verhouding in de woningvoorraad komt niet overeen met de samenstelling van de Rotterdamse bevolking. Figuur 3.33: Mate van balans in de woningvoorraad 2017 (Bron: Herijking gebiedsatlas)

Belangrijk punt van aandacht bij het streven naar verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad is de betaalbaarheid. Niet elke woningeigenaar heeft voldoende inkomen om de eigen woning op te kunnen knappen en mee te gaan met de verduurzaming. Bovendien zijn de investeringen dermate hoog dat ze niet terugverdiend worden door waardestijging en/of lagere energierekeningen (Vitaliteitsonderzoek, 2021).

64

De vraag naar woningen in het midden en hogere segment nemen toe. Rotterdammers zijn steeds hoger opgeleid en hebben daarmee meer kans op een goed betaalde baan. Daarnaast komen er steeds meer goedbetaalde banen bij in de kennis- en dienstensector. Voor het sociale segment gelden inkomenseisen waardoor Rotterdammers met een middeninkomen ook een woning nodig hebben in het middensegment.

Figuur 3.34: Mate van balans in de woningvoorraad 2030 (Bron: Herijking gebiedsatlas)

Autonome ontwikkeling De gemeente zet daarom in op een groei van het midden en hogere segment. Het aandeel midden, hoger en top segment neemt toe met 46.600 woningen (tabel 3.x). Door deze toename van zowel nieuwe woningen als transformatie komt er meer ruimte om door te stromen. In 2030 zal niet elke wijk in balans zijn (zie figuur 3.34). Wel gaan veel wijken van een sterke disbalans naar een enige disbalans. Tabel 3.3.: Totale woningvoorraad 2017-2030 (bron: Thuis in Rotterdam, addendum woonvisie 2030)

Totale woningvoorraad (inclusief onzelfstandige eenheden) in 2017 en 2030 2017

2030

Totalen

310.300

100%

+33.100

343.400

100%

Sociaal segment

212.900

69%

-13.500

199.400

58%

Midden, hoger en top segment

97.400

31%

+46.600

144.000

42%

Voor 2040 ligt nog geen beleid vast om te zorgen voor meer balans in de woningvoorraad. Wel zal kan door de toevoeging van nieuwe woningen meer balans ontstaan in de verschillende wijken. Hiervoor is het wel van belang in welke wijken deze nieuwe woningen komen. 3.4.1.4 Toekomstbestendigheid Huidige situatie Met name voor de doelgroepen jongeren en ouderen is te weinig aanbod op de juiste plek. In Rotterdam zijn nu in theorie wel voldoende geschikte woningen voor ouderen (en mensen met een beperking). Deze zijn echter niet altijd voor ouderen beschikbaar, betaalbaar of niet meer geschikt als ouderen hulp of zorg nodig hebben. Daarnaast staan ze niet altijd op de gewenste

65

locatie (bij voorzieningen) of voldoen ze niet meer aan de woonwensen van de ouderen. In Rotterdam zijn zo’n 132.000 woningen geschikt voor ouderen (peiljaar 2016). Vooral de gebieden aan de rand van de stad hebben een groot aandeel potentieel geschikte woningen voor ouderen. Figuur 3.35: Percentage geschikte woningen voor ouderen per blok, (atlas Langer thuis Rotterdam)

Autonome ontwikkeling Binnen het sociale segment woningen wordt ingezet op ouderen en jongeren (studenten). Met voor ouderen geschikte woningen worden ouderen verleid om uit een reguliere eengezinswoning te verhuizen. Door gericht voor studenten te bouwen worden zij verleid te kiezen voor de echte studentenwoningen, in plaats van het delen van een grotere reguliere woning. Op deze manier komen eengezinswoningen vrij voor gezinnen. Tot 2030 komen er in het sociale segment 8.400 nieuwbouw woningen bij, worden 5.000 woningen geüpgraded en minimaal 2.000 studentenkamers toegevoegd. (bron addendum) Het aantal huishoudens met ouderen zal toenemen door de vergrijzing. Tot 2035 komen er 28.000 huishoudens met ouderen bij. Dat is een groei van 40% t.o.v. 2016. Op figuur 3.36 is te zien dat in het centrum en de stadswijken de groei van ouderen bovengemiddeld hoog is.

66

Figuur 3.36: Verandering van het 65+ per gebied tot 2035 (atlas Langer Thuis Rotterdam)

3.4.1.5 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Kwaliteit van de woningen Balans in woonsegmenten Toekomstbestendigheid

3.4.2

Woonomgeving

3.4.2.1 Ambities

Door de vergrijzing neemt de druk op woningen geschikt voor ouderen enorm toe. De vergrijzing is het sterkst in wijken waar relatief weinig geschikte woningen staan. De gemeente probeert zowel ouderen als jongeren te verleiden te verhuizen naar een geschikte woning zodat eengezinswoningen vrij komen. Om dit te bereiken worden geschikte woningen toegevoegd en 5.000 woningen geüpgraded. De opgave is in 2040 groter dan nu. Door het woonbeleid zullen er meer geschikte woningen zijn. Per saldo zullen er in 2040 zonder aanvullende maatregelen nog altijd knelpunten zijn.

Indicator

Ambitie [Bron]

Openbare ruimte

Rotterdam heeft in 2030 een duurzame, groene en gezonde openbare ruimte die bijdraagt aan een prettig leefklimaat voor bewoners, bezoekers en ondernemers [Visie openbare ruimte, 2020-2030].

Hitte

De opwarming van de totale stad t.o.v. het landelijk gebied tijdens hittegolven, ook wel Urban Heat Island (UHI) of hitte eiland effect genoemd, is gedaald t.o.v. 2019.

67

Iedere Rotterdam heeft in zijn directe omgeving toegang tot relatief koele plekken en beweegroutes. [Rotterdams WeerWoord].

Voorzieningen

Voorzieningen zijn verspreid over de stad en de gebieden. Voorzieningen zijn er voldoende, kwalitatief en betaalbaar [Voorzieningenplan 2020, Referentiewaarden 2020, Sportnota 2016, Onderwijsbeleid 2019-2022, Wet Primair Onderwijs (WPO), Wet Voortgezet Onderwijs (WVO), Wet op de Expertisecentra (WEC)].

de onbebouwde ruimte groen. De verschillen binnen Rotterdam zijn dus groot. Figuur 3.37: De meeste Rotterdammers wonen op plekken met het minste groen (Bron Visie Openbare Ruimte Rotterdam 2020-2030

3.4.2.2 Openbare ruimte Huidige situatie Een goed functionerende en aantrekkelijke openbare ruimte is een van de belangrijkste voorwaarden voor fijn wonen, werken en leven. De buitenruimte is de plek waar mensen elkaar ontmoeten. Een stad die goed is voor kinderen en ouderen, is goed voor iedereen. Vandaar dat de focus ligt op kinderen en ouderen. De volgende drie thema’s worden behandeld: • Groene en duurzame stad; • Openbare ruimte van en voor iedereen; • Ruimte voor fietser en voetganger. Groene en duurzame stad De hoeveelheid groen verschilt per gebied, zo is er weinig groen in de stadswijken en het centrum. De meeste Rotterdammers wonen op plekken met het minste groen (figuur 3.37). In de tuinsteden daarentegen is bijna de helft van

In de stadswijken wordt het groen ook als minder aantrekkelijk beoordeeld (figuur 3.38). De gemeente Rotterdam zet wel fors in op het vergroenen van de stad, onder andere met het collegeprogramma 20 hectare groen. Kenmerkend voor Rotterdam zijn de rivieren, de Nieuwe Maas, de Rotte en de Schie. Het water vormt een unieke openbare ruimte die steeds meer beleefd kan worden. Denk hierbij aan getijdenparken, eiland van Brienenoord,

68

de Rotte plezier rivier en de blauwe verbinding. Met programma rivieroevers wordt al sinds 2014 ingezet op de rivieren als unieke openbare ruimte. Onder een duurzame openbare ruimte hoort het gebruik van duurzame materialen. Denk hierbij aan circulaire bankjes en bestrating. Dit is nog niet de standaard in heel Rotterdam maar wordt steeds meer toegepast. Daarnaast komt er steeds meer aandacht voor het klimaatadaptief inrichten van de openbare ruimte. De waterpleinen, het toepassen van halfverharding en groenblauwe schoolpleinen zijn hier voorbeelden van. Figuur 3.38: Aantrekkelijkheid groen in de buurt (indicatieve belevingskaart wijkprofiel 2020, OBI)

Openbare ruimte van en voor iedereen De openbare ruimte moet plek bieden voor iedereen, van 0 tot 100 jaar. Dit vraagt om een openbare ruimte die ontmoetingen mogelijk maakt, die uitnodigt tot bewegen en waar mensen zich veilig en welkom voelen. Een goede openbare ruimte maakt dat kinderen fijn buitenspelen of zelf kunnen fietsen of lopen naar school en vriendjes. Uit de gezondheidsmonitor van de GGD (2018) blijkt dat de kleine kernen en de gebieden Hillegersberg, Overschie en Prins Alexander door Rotterdammers als de meeste kindvriendelijke wijken worden ervaren. Wat betreft speelvoorzieningen heeft 69 procent de Rotterdamse woningen een speeltuin binnen de normafstand (OBI, 2020). Gebieden zoals Charlois en Delfshaven worden niet als heel kindvriendelijk ervaren, toch zitten hier veel speeltuinen binnen de normafstand van de woningen. Dit kan verklaard worden door de hoge woningdichtheid in die wijken. Gebieden als Hilligersberg en Prins Alexander kennen minder barrières in de vorm van 50km wegen en spoorwegen. Hierdoor zijn deze wijken kindvriendelijker. Ook werkt Rotterdam sinds 2008 met een Buitenspeelruimte norm waardoor er meer aandacht is voor kindvriendelijke buitenruimte.

69

Figuur 3.39: beleving buurt is geschikt voor kinderen in percentages (Gezondheidsmonitor GGD, 2018)

Rustplekken in de vorm van bankjes zijn voldoende aanwezig in de parken, langs de rivier en dichtbij voorzieningen. In de woonwijken zelf is het aanbod soms schaars (atlas langer thuis, 2019). Ruimte voor fietser en voetganger Rotterdam is na de wederopbouw ingericht als autostad. Echter de behoefte aan gezonde, schone, innovatieve en actieve mobiliteit groeit. Dit vraagt ook om voldoende ruimte voor fietsers en voetgangers. Naast voldoende ruimte moet deze ook veilig, aantrekkelijk en toegankelijk zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d73ce5c0-41bd-4f9c-a5d3-9faa27bbf10a