CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb12981 Bijlage 2 behorende bij 21bb12979 - Rotterdams Omgevingseffectrapport ( ROER )

Gemeenteraad 2 december 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 11. Het voorstel tot vaststelling van de Omgevingsvisie Rotterdam ‘De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen’25.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Voor ouderen is het belangrijk dat stad ook toegankelijk is met een rollator of scootmobiel. Dit vraagt om brede trottoirs en trottoirafritten bij oversteekplaatsen. Ook bankjes zijn belangrijk om tijdens de boodschappen of een ommetje op uit te rusten. Rotterdam kent standaardrichtlijnen en plusrichtlijnen om de stad toegankelijker te maken. De standaardrichtlijnen zijn eisen welke Rotterdam minimaal stelt aan de toegankelijkheid van de buitenruimte. De plusrichtlijnen zijn extra richtlijnen boven op de standaard richtlijnen. Bijvoorbeeld extra bankjes en intensiever onderhoud. Veel buitenruimte voldoet nog niet aan de standaard toegankelijkheidsrichtlijnen. Hierdoor is niet elke wijk even toegankelijk voor ouderen en andere mensen die minder mobiel zijn.

De groei van het gebruik van de fiets en het OV (inclusief lopen) is in absolute aantallen groot. Het aantal autoverplaatsingen van en naar de binnenstad neemt vanaf 2010 af in absolute aantallen. Dit betekent dat er meer ruimte in de infrastructuur van de binnenstad nodig is voor fietsers, voetgangers en OV en minder voor de auto (Rotterdamse Mobiliteits Aanpak, 2020). Hiervoor zijn al stappen gezet met o.a. de binnenstad als City lounge. Veel fietsverkeer concentreert zich op de grote stadsassen en de oeververbindingen (figuur 3.40). In noord-zuidrichting zijn dat de as van de Coolsingel en de Erasmusbrug (de centrale Stadsas) en de Westersingel. Dit zijn ook juist de assen waar veel kruisingen en conflictpunten zijn met andere modaliteiten, zoals trams en auto’s. Dit betekent dat er meer ruimte in de infrastructuur van de binnenstad nodig is voor fietsers, voetgangers en OV en minder voor de auto.

70

Figuur 3.40: Intensiteiten in het fietsverkeer (Rotterdamse Mobiliteits Aanpak)

Intensief gebruikte (spoor)wegen zijn forse barrières voor fietsers en voetgangers. Dit speelt vooral in de stadswijken. Het is moeilijk om drukke straten over te steken, met name voor kinderen en ouderen. In Prins Alexander, Hillegersberg, Rozenburg en op Zuid zijn grote aaneengesloten gebieden van 30km/h wegen. Als voetganger kun je hier relatief makkelijk bewegen en zijn de wegen goed oversteekbaar (figuur 3.41). In stadswijken is ruimtegebrek een belangrijk thema: auto’s, fietsen en OV strijden met parkeerplaatsen en speelplekken om een stukje openbare ruimte. Dit leidt tot drukke (stads)straten met veel autoverkeer dat soms niet in de wijk hoeft te zijn en regelmatig te hard rijdt (Rotterdamse Mobiliteits Aanpak).

Figuur 3.41: Oversteekbaarheid wegen (Atlas langer thuis Rotterdam)

Autonome ontwikkeling Naar verwachting blijft de bevolking van Rotterdam groeien. Dat leidt tot een grotere woningbehoefte en een grotere ruimte behoefte voor bedrijven, voorzieningen en infrastructuur. De groei van de stad zorgt voor meer druk op de openbare ruimte. Het wordt steeds lastiger om ruimte voor nieuw groen te vinden, ook gezien het ruimtebeslag van andere functies. De groene ruimte en ook speelplekken staan dus onder druk. Ook trends zoals

71

mobiliteitsverandering, vergrijzing, klimaatadaptatie vragen om ruimte en soms een andere inrichting van de buitenruimte.

Figuur 3.48: Aantal warme nachten huidig klimaat (1981-2010) bron klimaateffectatlas.nl

Ook het toegankelijk maken van de openbare ruimte kost (veel) tijd. Met de uitvoering van inrichtingsplannen en onderhoud gaat het nog zeker 50 jaar duren voordat de stad voldoet aan de standaard toegankelijkheidsrichtlijnen. Wel worden er door het stedelijk verkeersplan en de Rotterdamse mobiliteitsaanpak een aantal knelpunten (blackspots) zoals gevaarlijke kruisingen aangepakt. De infrastructuur voor fietsers en voetgangers zal hierdoor verbeteren. 3.4.2.3 Hitte Huidige situatie Het klimaat heeft een grote invloed op de woonomgeving. Het wordt steeds warmer en dat heeft effect op de gezondheid van mensen. In gebieden met veel bebouwing en weinig groen is het UHI-effect het grootst. Dit gaat om gebieden zoals het centrum, Spangen, Ommoord, Kop van Zuid en de industrie/haventerreinen. Dit is ook goed te zien op figuur 3.48 met het aantal warme nachten. Op zomerse dagen is het in hoog stedelijk gebied 8 graden C warmer.

Autonome ontwikkeling Door klimaatverandering neemt de maximale temperatuur en de tijdsduur van warme periodes toe. Op basis van de klimaatscenario’s van het KNMI betekent dit voor Rotterdam: • van 20 naar 35 zomerse dagen in 2050; • van gemiddeld een tropische dag >30C naar 5-12 dagen in 2050; • maximum dagtemperatuur van 36C naar 39C; • van 7 tropische nachten (>20C) naar ongeveer 3 weken in 2050. Door de toenemende verstedelijking zal het UHI effect versterkt worden als er niet voldoende verkoelende elementen worden toegevoegd. Denk hierbij aan voldoende groen en de keuze voor materialen.

72

Figuur 3.43: Aantal warme nachten met KMNI’14 scenario in 2050 [Bron: Klimaateffectatlas.nl]

3.4.2.4 Voorzieningen

Aanbod van voorzieningen Rotterdam kent een groot voorzieningenaanbod. De aanwezigheid van voorzieningen verschilt wel per gebied. Zo is er een hoog voorzieningenniveau in gebieden zoals het centrum, Delfshaven en Feyenoord. Aan de randen van de stad en in de kleine kernen is het voorzieningenniveau lager [Bron: Wijkprofiel, 2020]. Het voorzieningenniveau in het centrum is heel hoog, dat komt vooral door de vele stedelijke voorzieningen zoals musea en theaters er zijn relatief weinig ‘dagelijkse’ voorzieningen zoals basisscholen en huisartsen Rotterdam kent vele winkelgebieden. Er zijn drie grotere winkelcentra: de binnenstad, Alexandrium en Zuidplein. Dit zijn ook wel de recreatieve winkelgebieden, waar circa 85 tot 90% van het aanbod bepaald wordt door niet-dagelijks assortiment, zoals kleding, interieur en horeca. Op figuur 3.42 zijn in het blauw de boodschappencentra aangegeven. Deze liggen verspreid over de stad en ook in de kleine kernen is er aanbod voor dagelijkse boodschappen.

Huidige situatie Het gaat hierbij om de voorzieningen op stedelijke schaal en voorzieningen op wijk- en buurtniveau. Voorzieningen op stedelijke schaal zijn o.a., culturele instellingen, grotere winkelcentra, ziekenhuizen en instellingen voor hoger onderwijs. Voorzieningen op buurt- en wijk niveau zijn o.a. winkels voor dagelijkse boodschappen, scholen en huisartsen. Onderscheid wordt gemaakt in het aanbod van voorzieningen, de nabijheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het multifunctioneel/ medegebruik van voorzieningen.

73

Figuur 3.42: Winkelgebieden in Rotterdam [Bron: Langer thuis]

Basisonderwijs: op figuur 3.45 is te zien waar in de stad een opgave ligt voor de basisscholen. Zo zijn er veel te kleine basisscholen (onder de opheffingsnorm van 182 leerlingen) in de oude stadswijken. In de blauwe vlekken zoals het centrum is een te kort aan basisscholen. In de oranje vlekken is de mix tussen scholen met een profiel (bv. levensovertuiging) en reguliere scholen niet optimaal. Voortgezet onderwijs: er zijn concentraties van middelbare scholen in bepaalde delen van de stad (figuur 3.46). Vooral op Noord zijn veel middelbare scholen. Bovendien is het aanbod daar gevarieerder dan op Zuid. Zo’n 35% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs die op Zuid wonen, volgt elders onderwijs. Een groot deel van deze leerlingen gaat naar een school op de noordoever, maar er zijn ook leerlingen die uitwijken naar de buurgemeenten. (Masterplan onderwijs). Op Zuid lijkt dus sprake van een mismatch.

In Rotterdam zijn 174 basisscholen, 74 middelbare scholen, 7 instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs (bekostigt door het Rijk) en 5 instellingen voor hoger onderwijs.

Rotterdam kent een uitgebreid aanbod aan opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs, zie figuur 3.47. Een aantal instellingen heeft een specifiek profiel zoals het Scheepvaartscollege. De opleidingslocaties liggen verspreid door de stad. Het Hoger Onderwijs is nu vooral aanwezig op Noord. Met zowel HBO instellingen als een universiteit inclusief medisch centrum is er een ruim aanbod aan hoger onderwijs in Rotterdam, zie figuur 3.48.

74

Figuur 3.45: Basisonderwijs (bron masterplan onderwijs 2017)

Figuur 3.46: Voortgezet onderwijs (masterplan onderwijs 2017)

75

Figuur 3.47: MBO (voorzieningenplan 2020)

Figuur 3.48: Hoger onderwijs (voorzieningenplan 2020)

In 2020 zijn in Rotterdam de voorzieningen om te sporten en bewegen volop en breed beschikbaar. Er zijn zo’n 80 veldsportcomplexen, ruim 300 gymzalen, 25 sporthallen en 15 zwembaden. De Rotterdamse sporter maakt grofweg voor 1/3 gebruik van het gemeentelijk aanbod van binnen- en buitensportvoorzieningen en zwembaden, voor 1/3 deel van de openbare ruimte en voor 1/4 deel van commerciële sportvoorzieningen. Rotterdammers zijn meer tevreden over de voorzieningen. De klanttevredenheid over de sportvoorzieningen steeg tussen 2015 en 2018 van 6,9 naar 7,59 (Sportnota 2021+).

76

Het huidige aanbod aan buitensportvoorzieningen (velden en banen) is voor de sportterreinen krap in evenwicht, waarbij er tussen type veldsporten, locaties en gebieden wel verschillen zijn (voorzieningenplan 2020). De buitensportvoorzieningen (verenigingen) zijn op dit moment niet overal in de stad even aantrekkelijk. Om het succes van de buitensport in Rotterdam te behouden en verder te vergroten, is het noodzakelijk dat alle betrokkenen vanuit hun eigen rol - bijdragen aan goed bespeelbare velden, aantrekkelijke clubgebouwen en verenigingen die toekomstbestendig zijn. (Actieprogramma verenigingen 2019). De bezetting van de sporthallen is in het zaalsportseizoen hoog. Veel sporthallen zijn verouderd en duurzaamheidseisen maken investeringen extra noodzakelijk. De gymzalen en sportzalen (beide kleiner dan een sporthal) hebben een lage naschoolse bezetting. De behoefte aan zwembaden wordt vooral bepaald door het ‘leszwemmen’, tot 2030 is er een licht tekort aan zwemwater op Rotterdam-Noord. De eerstelijnszorg (bijvoorbeeld huisartsen en tandartsen) is over het algemeen goed verspreid over de verschillende gebieden in de stad. Wel staat de huisartsencapaciteit in Rotterdam onder druk. Het merendeel van de huisartsenpraktijken in Rotterdam heeft een patiëntenstop. Uitbreiding van praktijkruimte is simpelweg niet haalbaar door tekort aan betaalbare praktijkruimte.

Dit geldt ook voor andere eerstelijnszorgverleners.

Verder zijn er in de Rotterdamse regio negen ziekenhuizen. Het verzorgingsgebied van deze ziekenhuizen is de voormalige Stadsregio Rotterdam inclusief de Zuid Hollandse Eilanden (+/- 1,3 miljoen mensen). Het werkgebied van het Erasmus MC strekt zich, door de specialisatie op complexe zorg en trauma’s verder uit. Welzijnsactiviteiten vinden plaats in diverse soorten vastgoed, zoals Huizen van de Wijk, huiskamers van de wijk, scholen, multifunctionele centra en verzorgingscentra. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor de Huizen van de Wijk. In Rotterdam zijn 48 Huizen van de wijk. Rotterdam kent veel culturele voorzieningen. Deze sector is zeer divers. Het gaat hierbij om podia, musea en theaters, oefenruimten, ateliers, presentatieruimten, gezelschappen, festivals, bibliotheken, kunst- en cultuureducatie en veel meer, die een lokale, stedelijke of boven stedelijke functie vervullen. De groeiende (internationale) populariteit van Rotterdam heeft geleid tot een toename in het aantal bezoekers (groei van 15% in 2018). Van alle bezoekers aan de structureel gesubsidieerde instellingen komt 47% van buiten Rotterdam. Voor veel van de structureel gesubsidieerde instellingen geldt dat zij gevestigd zijn in het centrum van de stad. Hoewel dit bijdraagt aan een aantrekkelijke binnenstad, is de verdeling tussen centrum en de rest van de stad onevenwichtig (figuur 3.47).

77

Figuur 3.49: Stedelijke culturele voorzieningen (voorzieningenplan 2020)

de afstand tot vele voorzieningen binnen de kleine kernen wel een stuk groter dan in het centrum en de oudere stadswijken. Zie tabel 3.x. Tabel 3.4: Afstand tot voorzieningen per wijk in km [CBS, 2019]

Rozenburg

M4H

Hoek van Holland

Hoogvliet

Charlois

Prins Alexander

Pernis

IJsselmonde

Feijenoord

Kralingen-Crooswijk

Hillegersberg-Schiebroek

Noord

Overschie

Delfshaven

Rotterdam Centrum

Rotterdam

Nederland

Onderwerp Huisartsenpraktijk grote supermarkt basisschool middelbare school treinstation

1,0 0,6 0,5 0,3 1,1 0,4 0,6 0,5 0,5 0,6 0,5 0,9 0,6 0,6 0,9 0,8 1,2 0,9 0,5 0,3 0,4 0,9 0,4 0,6 0,4 0,4 0,7 0,5 0,7 0,5 0,7 0,8 0,6 0,5 0,7 0,5 0,5 0,3 0,8 0,4 0,5 0,5 0,4 0,5 0,5 0,6 0,5 0,5 0,7 1,0 0,7 2,4 1,1 0,8 0,6 2,6 0,6 0,9 0,8 0,9 1,3 5,9 1,5 0,9 1,2 4,0 1,3 1,2 5,1 3,4 0,9 2,2 3,5 1,3 2,3 1,8 1,9 2,3 10,7 2,6 4,0 11,9 16,8* 2,3 15,5

* in Hoek van Holland is in 2020 wel de metrolijn ter vervanging van de trein in gebruik genomen.

Conclusie: in de huidige situatie is sprake van een breed aanbod van diverse voorzieningen op zowel stedelijk als lokaal niveau. Dit gaat over winkels, onderwijs, sport, zorg en cultuur. Aandachtspunt hierbij is dat het aantal voorzieningen in de kleine kernen kleiner is en dat het aanbod op Zuid minder variatie kent dan op Noord.

In de binnenstad en in de stadswijken zijn winkels vaak op loopafstand. In de gebieden aan de randen van de stad worden de boodschappencentra steeds meer geconcentreerd op centrale punten in de wijk, waardoor de afstanden langer worden. In alle woongebieden is er binnen een kilometer afstand minimaal een groter supermarkt.

Nabijheid en bereikbaarheid van voorzieningen Rotterdam kent veel voorzieningen die op korte afstand liggen van woningen. Binnen de Rotterdamse gebieden zijn wel grote verschillen te zien. Zo is

In de Rotterdamse woongebieden is er gemiddeld een basisschool binnen een straal van één km.

78

De buitensportcomplexen liggen min of meer in een cirkel tussen de oude stadswijken en de naoorlogse uitbreidingswijken en dus bijzonder centraal in de stad. De eerstelijnszorg (zoals huisartsen) is over het algemeen goed verspreid over de verschillende gebieden van de stad. Ook uit tabel 3.23 blijkt dat de gemiddelde afstand tot een huisartsenpraktijk slechts 600 meter is. De meeste huishoudens zijn tevreden over het aanbod eerstelijnszorg in de buurt. De meeste Rotterdammers wonen binnen 3 km (hemelsbreed) van een ziekenhuis. Dit geldt echter niet voor de bewoners van Hoek van Holland, Pernis en Rozenburg. De meeste culturele instellingen liggen in de binnenstad. Dit zorgt ervoor dat deze goed bereikbaar zijn met het OV, maar niet evenwichtig zijn verdeeld over de stad. Met name Rotterdammers vanaf Zuid en de kleine kernen moeten ver reizen naar de culturele voorzieningen. Multifunctioneel gebruik van voorzieningen In het verleden werden maatschappelijke voorzieningen ontwikkeld en beheerd vanuit de (gemeentelijke) beleidsafdelingen, zoals onderwijs en sport. Dit zorgt voor veel ‘sectoraal’ ontwikkelde voorzieningen vaak voor een doel, bijvoorbeeld onderwijs. Daarnaast ontwikkelden woningcorporaties veel voorzieningen, al dan niet in combinatie met woningen. Nu is het beheer van het maatschappelijk vastgoed binnen de gemeente gecentraliseerd in een afdeling.

De opdracht om nieuwe voorzieningen te ontwikkelen komt meestal vanuit de beleidsafdelingen. Voor woningcorporaties geldt dat zij door de herziene woningwet (2015) zich moeten concentreren op hun kerntaken. Woningcorporaties kunnen door deze wet bijvoorbeeld

niet meer brede scholen, wijksportvoorzieningen en atelierruimtes ontwikkelen. Door een toenemende vraag naar voorzieningen is er al steeds meer sprake van medegebruik. Van de sportterreinen zijn de voornaamste gebruikers de Rotterdamse sportverenigingen. Maar ook scholen, commerciële voetbalscholen en overige sportinitiatieven maken op regelmatige basis gebruik van de voorzieningen. Ook binnen het onderwijs komen er steeds meer integrale kindcentra. Bibliotheken bieden ook een steeds breder aanbod aan activiteiten, zoals het geven (of laten geven) van cursussen en lezingen. Autonome ontwikkeling Door de bevolkingsgroei (autonome ontwikkeling) kan er in bepaalde delen van de stad een tekort ontstaan aan voorzieningen. Het gaat hierbij om basisscholen en eerstelijnszorg. Ook door een andere bevolkingssamenstelling verandert de vraag naar bepaalde voorzieningen. Wel wordt met huidige beleid flink geïnvesteerd in de voorzieningen op Zuid. De woningopgave als onderdeel van de autonome ontwikkeling wordt vooral door verdichting gerealiseerd, dus dicht bij de al bestaande voorzieningen. Hierdoor blijft de nabijheid van de voorzieningen gewaarborgd. Ook de investeringen op Zuid zullen een positief effect op de nabijheid van voorzieningen zoals goed onderwijs. Echter de verdichting kan ook zorgen voor stijgende vastgoedprijzen waardoor zorgvoorzieningen onder druk komen te staan.

Per saldo wordt de autonome situatie daarom hetzelfde als de huidige situatie beoordeeld. De trend van multifunctioneel gebruik van voorzieningen zal zich de komende jaren naar verwachting voortzetten. Steeds meer voorzieningen worden intensiever en door meerdere gebruikers gebruikt en/of ontwikkeld. Door digitale platforms wordt het makkelijker om de voorzieningen in de tijd

79

beter te benutten. Wel zijn er nog juridische en financiële belemmeringen die medegebruik van voorzieningen lastig maken.

3.4.3

Mobiliteit

3.4.3.1 Ambities 3.4.2.5 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Indicator

Ambitie [Bron]

Verkeersveiligheid

Halvering van het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden in 2030 en nul verkeersslachtoffers in 2050 [Rotterdam Veilig Vooruit 2019-2023]

Schone verplaatsingen

Alle verplaatsingen ‘schoon’ laten zijn [Bron: Rotterdamse Mobiliteitsaanpak en Nul Emissie Mobiliteit].

Openbare ruimte Hitte Voorzieningen

‘Schone verplaatsingen’ zijn gedefinieerd als verplaatsingen met schone motorvoertuigen, OV, fiets (elektrisch en niet-elektrisch) en lopen, waarbij onder ‘schone voertuigen’ worden verstaan: Omschrijving Voertuigcategorie Personenauto M1 Kleine bus M2 Grote bus M3 Tweewielers L Bestelauto N1 Lichte vrachtauto N2 Zware vrachtauto N3

Schoon Elektrisch Hybride Waterstof Elektrisch Hybride Waterstof Elektrisch Hybride Waterstof Elektrisch Hybride Waterstof Elektrisch Hybride Waterstof Elektrisch Hybride Waterstof Emissieklase 6 Elektrisch Hybride Waterstof Emissieklase 6

80

3.4.3.2 Verkeersveiligheid Huidige situatie Zoals uit figuur 3.50 blijkt neemt het aantal door de politie geregistreerde verkeersgewonden in Rotterdam de laatste jaren af. Dit is onder andere een gevolg van de Rotterdamse aanpak die zich vooral richtte op het aanpakken van black spots – locaties waar veel ongelukken gebeuren. Ondanks deze daling is het aantal verkeersslachtoffers, ca 1.000 in 2020, te hoog. Vooral voetgangers, fietsers, bromfietsers en snorfietsers zijn kwetsbaar en dan met name jongeren en ouderen. Dit hoge aantal slachtoffers is aanleiding geweest voor een nieuwe aanpak voor verbetering van de verkeersveiligheid. Dit heeft geresulteerd in “Rotterdam Veilig Vooruit. Proactieve en risico gestuurde aanpak voor verkeersveiligheid 2019-2023”. Uitvoering van dit beleid zorgt ervoor dat de stad bereikbaar blijft, fietsen en lopen aantrekkelijker én wordt het verkeer veiliger. Figuur 3.50: Aantal verkeersgewonden in de afgelopen jaren

Autonome ontwikkeling Op hoofdlijnen zijn er drie ontwikkelingen die effect hebben op het aantal verkeersslachtoffers in de autonome situatie: 1 Door de groei van de stad zal ook de mobiliteit voor alle verkeersmodaliteiten groeien. Als de groei van de stad wordt gerealiseerd door een verdere verdichting en zonder aanvullende maatregelen, neemt de beschikbare ruimte voor verkeer af; modaliteiten komen letterlijk dichter bij elkaar te rijden. Het wordt drukker met meer kans op ontmoetingen tussen verschillende vervoerswijzen en daardoor mogelijk meer ongevallen met ernstige afloop. 2 Meer ouderen in het verkeer. Ouderen zijn kwetsbaarder dan jongeren. Een ongeval waar een oudere bij betrokken is zal daarom eerder tot een gewonde leiden dan een ongeval met een jongere. Daarnaast kennen ouderen een verminderende rijvaardigheid en gevaarherkenning door afnemende functiestoornissen. 3 Technologische ontwikkelingen. Nu al zijn veel nieuwe auto’s (en soms fietsen!) voorzien van slimme veiligheidssystemen die communiceren met andere weggebruikers en de rijsnelheid in toom houden. Voorbeelden zijn adaptieve cruisecontrol en ISA. ISA zorgt ervoor dat het moelijker wordt of zelfs onmogelijk om op wegen harder te rijden dan wettelijk is toegestaan. Na 2030 is het wagenpark verhoudingsgewijs merendeels voorzien van dergelijke systemen.

Deze technische innovaties kunnen een positief effect hebben op de verkeersveiligheid. Hoe groot de effecten de komende twintig jaar kunnen zijn van elk van deze ontwikkelingen op de verkeersonveiligheid is moeilijk aan te geven. Per saldo is het de verwachting dat deze ontwikkelingen op het schaalniveau van heel Rotterdam elkaar opheffen. Dat betekent dat

81

verkeersveiligheidssituatie in de autonome situatie niet verbeterd en hetzelfde wordt beoordeeld als in de huidige situatie. De aanpak van de verkeersonveiligheid door het huidige college, verwoord in “Rotterdam Veilig Vooruit”, heeft naar verwachting de komende jaren een gunstig effect op de verkeersveiligheid en de beleving daarvan. Deze aanpak, samen met de algehele Rotterdamse mobiliteitsaanpak, dient de komende decennia continue en consistent te worden doorgezet om ook op langere termijn effect te hebben.

Autonome ontwikkeling Op de langere termijn is een verdergaande verschoning van de verplaatsingen te verwachten, met name door de verdergaande elektrificatie van het autopark, de groei van het fiets- en OV-gebruik en het weren van oude, vervuilende auto’s. Voor de autonome situatie in 2040 zijn de ‘schone verplaatsingen’ voor diverse gebieden in beeld gebracht met behulp van berekeningen. Binnen Rotterdam zijn zeven gebieden onderscheiden:

3.4.3.3 Schone verplaatsingen Huidige situatie Tabel 3.5 geeft inzicht in het aandeel schone verplaatsingen van en naar de binnenstad in een reeks van jaren. Er is sprake van een geleidelijke groei. Deze wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door meer fietsgebruik (elektrisch en niet-elektrisch). Hoewel Rotterdam goed op weg is richting de ambitie voor het aandeel Schone verplaatsingen naar de binnenstad in 2022, is het onzeker of de ambitie wordt gehaald. Tabel 3.5: Aandeel schone verplaatsingen

Jaartal

2018

2019

2020

2021

2022

Streefwaarde

61,7

62,4

63,0

63,7

64,3

Realisatie

61,3

61,7

63,4

Binnenstad A/Z gebied M4H-Waal-Eemhaven, inclusief Spaanse Polder en Bedrijventerrein Noord-West Overig stedelijk gebied, binnen de Ring Haven Overig stedelijk gebied, buiten de Ring Overig Rotterdam

82

In figuur 3.51 staan de resultaten van de uitgevoerde berekeningen weergegeven.

Indicator

Figuur 3.51: Aandeel schone verplaatsingen per gebied

100% 90% 80%

3.4.3.4 Samenvatting

Binnenstad

A-Z gebied

M4H-Waal-Eemhaven, ind SP en NW

Binnen de ring, overig

Haven

Buiten de ring, stedelijk

Buiten de ring, buitengebied

Rest_MRDH

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Verkeersveiligheid Schone verplaatsingen

Rest_NL

70%

3.4.4 Welzijn

60% 50%

3.4.4.1 Ambities

40% 30% 20%

Indicator

Ambitie [Bron]

10%

Inclusiviteit

Een stad waarin mensen uit alle lagen van de bevolking en van alle leeftijden en gezindten kunnen meedoen en elkaar kunnen ontmoeten [Sociale index Wijkprofiel Rotterdam]

Sociale samenhang

Een stad waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten en wonen in een wijk waarmee men zich verbonden voelt [Wijkprofiel].

Sociale veiligheid

Een stad waarin mensen zich veilig voelen [Wijkprofiel].

0%

Basisjaar

2040 Autonoom

De percentages stijgen flink in de in de autonome situatie voor 2040. Het percentage Schone verplaatsingen voor verplaatsingen van en naar de haven verdubbelt zelfs. Een van de verklaringen hiervoor is de voortgaande verschoning van het wagenpark. Dankzij Europees en Nederlands beleid voor het elektrificeren van het wagenpark, neemt het aandeel ‘schone’ voertuigen toe van ca 3% in de huidige situatie naar een kwart tot één derde in de autonome situatie

83

3.4.4.2 Inclusiviteit Huidige situatie De inclusiviteit wordt in dit ROER beschreven aan de hand van de sociale index, de toegankelijkheid van banen binnen 45 minuten, de ervaren beschikbaarheid van voorzieningen en het aandeel ‘sterke schouders’ in de wijk. De sociale index geeft een samenvattend beeld van de sociale staat van Rotterdam en kent als onderliggende thema’s hoe het gesteld is met de zelfredzaamheid, de samenredzaamheid, de participatie en de binding van Rotterdammers. Figuur 3.52 toont de ontwikkeling van de sociale index in de afgelopen jaren.

Figuur 3.53 geeft inzicht in de ruimtelijke spreiding. Duidelijk te zien is dat de wijken in Rotterdam Noord op sociaal gebied een sterkere score hebben dan de wijken in Rotterdam Zuid. Ook binnen Zuid zijn er verschillen te zien met de sterkere wijken in de Kop van Zuid en daarnaast de oudere stadswijken en de zuidelijke tuinsteden met een zwakkere sociale structuur. Figuur 3.53: Sociale staat van Rotterdam.

Figuur 3.52: Sociale index [Bron: Wijkprofiel 2020]

In tabel 3.6 is weergegeven in hoeverre Rotterdammers tevreden zijn over de beschikbaarheid van voorzieningen.

84

Tabel 3.6: Tevredenheid over beschikbaarheid van voorzieningen [Bron: Wijkprofiel 2020]

% Rotterdammers dat vindt dat onderstaande voorzieningen voldoende beschikbaar zijn in en rond hun woonbuurt basisscholen

74%

middelbare scholen

47%

speelplekken voor kinderen tot 4 jaar

56%

sport- en speelplekken voor kinderen van 4-13 jaar

55%

binnensport

51%

sportvelden

53%

vrijetijdsvoorzieningen voor jongeren (buurthuis, wijkgebouw, LCC)

35%

medische 1e lijnzorg

88%

plekken voor gezamenlijke bewonersactiviteiten (buurthuis, plein)

48%

ouderenvoorzieningen

34%

Er zijn in verhouding veel Rotterdammers die meer dan gemiddelde zorg en aandacht nodig hebben. Vanuit het streven naar een evenwichtige samenstelling van de bevolking is het van belang dat in Rotterdam ook mensen wonen met ‘sterke schouders’: mensen die zichzelf kunnen redden en daardoor juist weinig beroep doen op de zorgtaken van de overheid; die ondernemerszin tonen en in staat zijn anderen in hun directe omgeving te inspireren en te motiveren; en die verdiencapaciteit hebben en financieel bijdragen aan de stad. Figuur 3.54 laat zien hoe binnen Rotterdam het aandeel sterke schouders varieert. Er is sprake van een oververtegenwoordiging in grote delen van Rotterdam Noord en een ondervertegenwoordiging in delen van West en Zuid. Met name het woonprogramma van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ) zet in op het creëren van meer woningaanbod voor bewoners van Zuid die ‘sociale stijging’ doormaken en in het verlengde daarvan vaak hun woonsituatie willen verbeteren. Waar deze huishoudens in het verleden vaak de stad verlieten, wil het programma deze mensen juist behouden voor Zuid.

Gemiddeld genomen zijn Rotterdammers redelijk tevreden over de beschikbaarheid van medische voorzieningen en basisscholen in en rondom hun woonbuurt. Over veel andere voorzieningen is men echter aanzienlijk minder tevreden over de (nabije) beschikbaarheid.

85

Figuur 3.53: Ruimtelijke verdeling ‘sterke schouders’ 2018

Figuur 3.54: Beschikbaarheid van banen binnen 30 minuten – fiets

Figuur 3.55: Beschikbaarheid van banen binnen 45 minuten – OV

In een inclusieve stedelijke samenleving zijn er ruimtelijk gezien weinig verschillen in de mate waarin werkgelegenheid op bereikbare afstand beschikbaar is. In die situatie hebben inwoners een vergelijkbare kans op het vinden van een baan binnen een aanvaardbare reistijd. De figuren 3.54 t/m 3.56 tonen de beschikbaarheid van banen binnen 45 minuten voor fiets, OV en auto.

86

Figuur 3.56: Beschikbaarheid van banen binnen 45 minuten – auto

strekken echter niet tot 2040, dus is de beoordeling hiervan beperkt tot een dichterbij gelegen horizon. Hier worden twee programma’s met name genoemd: Ten eerste is in 2019 het programma Relax, dit is Rotterdam vastgesteld. In dat programma is het beleid met betrekking tot integratie en samenleven nader uitgewerkt. In dat programma staat het volgende centraal:

De bereikbaarheid van banen per fiets is het minst voor inwoners van Hoogvliet en de kernen Hoek van Holland, Rozenburg, Pernis en Heijplaat. Ook inwoners van wijken aan de zuid- en oostrand van de stad hebben minder banen binnen 30 minuten bereik per fiets. Voor de modaliteit openbaar vervoer is er meer differentiatie zichtbaar. Met name vanuit de wijken in het centrum van de stad is de bereikbaarheid van banen met het OV groot en verbetert dit in vergelijking met de bereikbaarheid per fiets voor wijken met ontsluiting via het metronet (zoals Hoogvliet en Pernis) of een treinstation (zoals Lombardijen). De bereikbaarheid van banen per auto is juist voor inwoners aan de rand van de stad met een goede aansluiting op de ring en snelwegen aanzienlijk groter. Autonome ontwikkeling De autonome ontwikkeling van de sociale index wordt beïnvloed door bestaande beleidsprogramma’s in het sociale domein. Deze programma’s

“Het college geeft haar visie over hoe de diversiteit in de stad beter wordt geaccepteerd en tot meer ontspannen samenleven leidt in het programma ‘Relax. Dit is Rotterdam’. In Rotterdam wonen mensen met verschillende achtergronden, leefwijzen en overtuigingen. Diverser dan Rotterdam bestaat niet. Soms zorgt dat voor vervreemding en ongemak tussen mensen en dat pakt het college aan. Iedereen moet zich vrij, veilig en prettig voelen. Dat is waar komende jaren vol op wordt ingezet.” Verondersteld kan worden dat deze programma’s bijdragen aan een verbetering op het gebied van inclusiviteit. De autonome ontwikkeling van de ervaren beschikbaarheid van voorzieningen is moeilijk te beoordelen. Bij nieuwbouw van grote projecten gelden vastgestelde referentiewaarden voor maatschappelijke voorzieningen. Referentiewaarden vertalen de gemeentelijke beleidsdoelen voor onderwijs, sport, recreatie, cultuur, zorg en welzijn naar benodigd maatschappelijk programma in vierkante meters bruto vloeroppervlak. Ook worden eisen aan bereikbaarheid, toegankelijkheid en inclusiviteit gesteld. De ervaren beschikbaarheid staat echter ook onder invloed van ontwikkelingen in het bestaande aanbod. Hoe dat zich ‘autonoom’ zal ontwikkelen is onduidelijk. De autonome ontwikkeling van het aandeel sterke schouders in de wijken staat mede onder invloed van de ontwikkelingen op de woningmarkt en de

87

aantrekkelijkheid van Rotterdam als woonstad voor dergelijke groepen. Beleidsmatig wordt in de Woonvisie (2016) en het Addendum Woonvisie (2019) gestreefd naar meer evenwicht in het woningaanbod met meer aandacht voor het middensegment en hogere segment. Deze verschuiving in het woningaanbod zal meer ruimte bieden voor sterke schouders in de stad. Met betrekking tot de autonome ontwikkeling naar 2040 van de toegankelijkheid van banen komt uit de modelberekeningen naar voren dat de meeste wijken voor alle modaliteiten méér banen binnen bereik zullen hebben. In onderstaande figuur is dat zichtbaar gemaakt. De puntenwolk vertegenwoordigt de wijken met op de x-as de huidige (2016) aantallen banen binnen bereik en op de y-as de aantallen volgens de autonome ontwikkeling in 2040. De wijken boven de grijze lijn kennen een toename van het aantal banen binnen bereik (let op: de schaal van de assen verschilt). Zo is goed te zien dat de toegankelijkheid van banen binnen bereik voor vrijwel alle wijken een verbetering zal laten zien in de autonome situatie.

3.4.4.3 Sociale samenhang Huidige situatie Een stad waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten impliceert dat er openbaar toegankelijke ruimten zijn die de gelegenheid scheppen voor ontmoeting. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om buurthuizen, pleinen en groenvoorzieningen om te picknicken, te sporten of te spelen. Hoe Rotterdammers oordelen over de beschikbaarheid van dergelijke voorzieningen leiden we af uit indicatoren van het Wijkprofiel. We zien dat ongeveer twee derde van de Rotterdammers tevreden is over de aanwezigheid van gebruiksgroen in hun buurt, waar men kan picknicken, sporten of spelen. Dit is door de tijd vanaf 2014 een vrij constant beeld. De tevredenheid over de beschikbaarheid van ruimten voor gezamenlijke bewonersactiviteiten ligt de afgelopen jaren steeds wat lager en laat bovendien een licht dalende trend zien, zie tabel 3.7. Tabel 3.7: Tevredenheid gebruiksgroen en plekken voor gezamenlijke bewoners-activiteiten

2014

2016

2018

2020

% voldoende aanwezig gebruiksgroen (picknick, sporten, spelen)

65%

67%

66%

64%

% voldoende plekken voor gezamenlijke bewonersactiviteiten (buurthuis, plein)

56%

50%

49%

48%

Ook voor deze indicatoren geldt dat er binnen Rotterdam behoorlijke verschillen bestaan in dit oordeel. Onderstaande kaarten geven daarvan een indruk.

88

Figuur 3.57: Ruimtelijke spreiding beoordeling gebruiksgroen

Figuur 3.58: Ruimtelijke spreiding beoordeling ruimten voor gezamenlijke activiteiten

Naast de gelegenheid tot ontmoeten is het in het perspectief Inclusieve Stad wenselijk dat Rotterdammers wonen in een wijk waarmee men zich verbonden voelt. Uit het wijkprofiel komt naar voren dat ruim de helft van de Rotterdammers zich verbonden voelt met de buurt waar zij wonen. Dat is een vrij stabiel aandeel dat alleen in het laatste meetjaar wat is gedaald. Een andere manier om het gevoel van verbondenheid te bepalen is de mate waarin mensen zeggen

89

geluk te hebben met de buurt waar men woont. Dat aandeel ligt gemiddeld in Rotterdam net iets onder de 50 procent, maar liet wel een kleine verbetering zien sinds 2014.

Figuur 3.59: Ruimtelijke spreiding beoordeling ruimten voor gezamenlijke activiteiten

Tabel 3.8: Tevredenheid over de buurt

2014

2016

2018

2020

% dat zich verbonden voelt met de buurt

55%

55%

56%

52%

% dat zegt geluk met de buurt te hebben

47%

49%

52%

51%

Die tevredenheid en verbondenheid met de buurt kent binnen Rotterdam een behoorlijke variatie, zoals blijkt uit figuur 3.59. Met name Rotterdam Zuid en delen van West laten een mindere verbondenheid zien.

Autonome ontwikkeling Net als voor inclusiviteit kan worden verondersteld dat de programma’s Heel de Stad en Relax, dit is Rotterdam succesvol zullen bijdragen aan een verbetering op het gebied van de sociale samenhang in de stad. Sociale samenhang is echter tegelijkertijd een zeer complex begrip dat lastig te beïnvloeden is. Scheidslijnen in de samenleving worden door de corona pandemie enerzijds scherper, maar anderzijds zijn er ook signalen van

90

maatschappelijke solidariteit en verbinding. Over de impact hiervan is nog veel onduidelijk. 3.4.4.4 Sociale veiligheid Huidige situatie De mate waarin Rotterdammers sociale veiligheid ervaren kan worden afgeleid uit de mate waarin zij aangeven in hun woonbuurt bepaalde onveilige plekken te mijden. Dit zal overigens niet altijd uitsluitend te maken hebben met de wijze waarop de openbare ruimte is ingericht: een speeltuintje waar kinderen overdag veilig kunnen spelen, kan ’s avonds wanneer er niet wordt gespeeld aanvoelen als een onveilige plek. Gemiddeld geeft 22 procent van de Rotterdammers aan vaak (7%) of soms (15%) in de eigen buurt een stukje om te lopen of om te rijden om bepaalde onveilige plekken te vermijden. Ook hier is de variatie binnen Rotterdam aanzienlijk: in sommige buurten ligt dit percentage tussen de 30 en 40 procent, in andere buurten is dit minder dan 10 procent. Er zijn verspreid knelpunten; met name op Rotterdam Zuid en in delen van West. Bron: Wijkprofiel 2020. Autonome ontwikkeling De autonome ontwikkeling van de sociale veiligheid wordt naast het programma Relax, dit is Rotterdam beïnvloed door het beleidsprogramma

Veilig@Rotterdam. Veiligheidsprogramma 2018 – 2023. De ambitie in dit veiligheidsprogramma zijn als volgt geformuleerd: “Rotterdam wil een veilige stad zijn, waar iedereen zich welkom en thuis voelt. Samen met onze bewoners, partners en ondernemers werken wij de komende vier jaar aan het minimaal handhaven van het huidige veiligheidsniveau en versterking waar het nodig is. Zo creëren we ruimte, waardoor de potentie en sociale weerbaarheid van de stad, haar inwoners en bedrijven kunnen worden benut.” Net als voor inclusiviteit en sociale samenhang kan worden verondersteld dat het veiligheidsprogramma en het programma Relax, dit is Rotterdam zullen bijdragen aan een verbetering op het gebied van de sociale veiligheid in de stad. 3.4.4.5 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Inclusiviteit Sociale samenhang Sociale veiligheid

91

Autonome ontwikkeling

3.5. 3.5.1 3.5.1.1

Economische omgeving. Ruimtegebruik Ambities

Indicator

Ambitie [Bron]

Ruimtebeslag

Behouden en zo goed mogelijk benutten van ruimte voor bedrijvigheid [Nota bedrijfsruimten 2019, Nota kantoren 2019, Nota detailhandel 2017]

Concentratie werklocaties

Concentratie van de juiste bedrijven op de juiste plekken [Nota Bedrijfsruimten 2019. Nota kantoren 2019. Nota Detailhandel 2017]

Tabel 3.9: Ontwikkeling voorraad bedrijfsonroerend goed (m² vvo)

2017

2018

2019

2020

2021

Bedrijfsruimte

6.022.000

6.201.000

6.292.000

6.465.000

6.711.000

Kantoorruimte

3.301.000

3.307.000

3.307.000

3.071.000

3.065.000

Winkelruimte

1.628.000

1.619.000

1.632.000

1.586.000

1.632.000

Totaal

10.951.000

11.127.000

11.231.000

11.122.000

11.408.000

Bron: BAG, bewerking Roots Beleidsadvies

Parellel aan de ontwikkeling van het bedrijfsonroerend goed nam de werkgelegenheid in Rotterdam fors toe. Over de gehele linie was sprake van groei: in productiesectoren, dienstverlening, maar ook in detailhandel en horeca.

3.5.1.2 Ruimtebeslag Het ruimtebeslag is beoordeeld aan de hand van twee parameters: de voorraad bedrijfsonroerend goed en het ruimtegebruik per werknemer. Huidige situatie De Rotterdamse voorraad bedrijfsonroerend goed is afgelopen jaren toegenomen tot ca. 11,4 miljoen m² verhuurbaar vloeroppervlak (vvo). Met name de voorraad bedrijfsruimte nam toe, al vond deze groei vrijwel geheel in haven- en industriegebieden plaats. Het oppervlak winkelruimte bleef afgelopen jaren min of meer gelijk, terwijl het oppervlak kantoren fors afnam (zie tabel 3.9).

92

Tabel 3.10: Ontwikkeling werkgelegenheid naar type activiteit (aantal banen)

Tabel 3.11: Ontwikkeling bedrijfsonroerend goed per werknemer (m² vvo per werknemer)

2017

2018

2019

2020

Productie, bouw en logistiek

98.300

99.700

104.800

107.100

61,2

62,2

60,0

60,4

Publieke, zakelijke en overige diensten

Bedrijfsruimte per werknemer

218.100

225.100

231.400

235.300

15,1

14,7

14,3

13,1

Detailhandel en horeca

Kantoorruimte per werknemer

46.500

48.400

49.600

49.200

35,0

33,4

32,9

32,2

Totaal

362.900

373.300

385.800

391.600

Winkelruimte per werknemer BOG per werknemer

30,2

29,8

29,1

28,4

2017

2018

2019

2020

Bron: BRZ, bewerking Roots Beleidsadvies Bron: BAG/BRZ, bewerking Roots Beleidsadvies

Per saldo is sprake van een steeds intensiever gebruik van bedrijfsruimten, kantoren en winkels. In onderstaande tabel is indicatief het aantal banen in respectievelijk productiesectoren, dienstverlening en retail afgezet tegen de bijpassende voorraad bedrijfsonroerend goed.

Autonome ontwikkeling De verwachting is dat de werkgelegenheid in de periode tot 2040 groeit en bedrijfsonroerend goed steeds intensiever zal worden benut. In elk scenario is sprake van groei van werkgelegenheid en een afnemend ruimtegebruik per werknemer. Vraag is wel of in de voorraadontwikkeling altijd (tijdig) op de vraagontwikkeling kan worden ingespeeld. Voor stedelijke verzorgende activiteiten dreigt schaarste aan (betaalbare) bedrijfsruimte, terwijl in de binnenstad schaarste dreigt voor kantoorhoudende activiteiten. Beschikbaarheid van (courant) vastgoed kan werkgelegenheidsontwikkeling remmen.

93

3.5.1.3 Concentratie werklocaties Huidige situatie In de afgelopen jaren is er sprake van een steeds sterkere concentratie van bedrijfsonroerend goed in Rotterdam. Dit is mede het gevolg van beleid, maar ook het gevolg van de wens van bedrijven en organisaties om gevestigd te zijn in gebieden die hiervoor specifiek zijn ingericht. Bovendien blijkt ook op lokaal niveau sprake te zijn van agglomeratie-effecten: in prioritaire concentratiegebieden groeit werkgelegenheid sterker dan daarbuiten. Tabel 3.12: Concentratie bedrijfsonroerend goed naar type gebied (2021)

Autonome ontwikkeling De verwachting is dat het bedrijfsonroerend goed autonoom steeds sterker in concentratiegebieden zal zijn geconcentreerd. Bedrijven en organisaties zullen zich bij voorkeur in een concentratiegebied vestigen vanwege de specifiek aanwezige vestigingskwaliteiten. Bovendien zullen in deze gebieden eigenaren eerder geneigd zijn om de investeringen te plegen die nodig zijn om het bedrijfsonroerend te verduurzamen. Buiten concentratiegebieden ligt transformatie naar wonen eerder voor de hand waardoor relatief gezien een steeds groter deel van de voorraad bedrijfsonroerend goed in concentratiegebieden zal zijn geconcentreerd.

Bedrijfsruimte

Kantoren

Winkels

Totaal

Prioritair concentratiegebied

76%

65%

62%

71%

Ander concentratiegebied

7%

7%

12%

8%

Ruimtebeslag

Niet concentratiegebied

16%

28%

26%

21%

Totaal

100%

100%

100%

100%

Concentratie werklocaties

3.5.1.4 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

Bron: BAG, bewerking Roots Beleidsadvies

94

Autonome ontwikkeling

3.5.2

Energie en grondstoffen

3.5.2.1 Ambities

Indicator

Ambitie [Bron]

CO2-uitstoot

In 2030 is de Rotterdamse CO2-uitstoot 49% lager t.o.v. 1990. In 2050 is Rotterdam klimaatneutraal [Raadsakkoord energietransitie en Duurzaamheidskompas].

Materiaalvoetafdruk

In 2030 is het primaire grondstoffengebruik met 50% verminderd. In 2050 is de Rotterdamse samenleving volledig circulair [Programma Rotterdam Circulair 2019-2023 ‘Van Zooi naar Mooi’]. Rotterdamse huishoudens produceren in 2050 geen restafval meer [Grondstoffennota 20192022].

3.5.2.2 CO2-uitstoot Het gaat hierbij om de directe CO2-uitstoot als gevolg van het verbranden van fossiel brandstoffen op het grondgebied van de gemeente Rotterdam (ook wel aangeduid als “scope 1”). De CO2-uitstoot die verderop in de keten plaatsvindt (ook wel aangeduid als “scope 3”) wordt hierbij niet beschouwd.

11

Alle inschattingen van de toekomstige CO2-uitstoot zijn gebaseerd op deze bron. In deze bron worden de scope 1-emissies meegeteld, conform de definitie van scope 1 van het internationaal gehanteerde Greenhouse gas (GHG) protocol: de ‘directe’ uitstoot van CO2 dat wil zeggen alle uitstoot die door verbranding van fossiele brandstoffen bij de industrie, door voertuigen of in

Huidige situatie Rotterdam is met 29 megaton (Mton) CO2 in 2019 verantwoordelijk voor 19% van de landelijke CO2- uitstoot. Het grootste deel daarvan komt van de industrie (met name van de raffinaderijen en de chemie) en de energiesector (kolencentrales, warmtekrachtcentrales) uit de haven (90%). Een klein deel van de CO2-uitstoot (0,5 Mton) wordt afgevangen en geleverd aan de glastuinbouw. Daarnaast wisselen industriële bedrijven op beperkte schaal stoom en warmte uit en levert de industrie warmte aan de stad. In het stedelijke gebied komt de meeste uitstoot van het wegverkeer en de woningen. De huidige directe CO2-uitstoot is als volgt: Tabel 3.13: Directe CO2-uitstoot per sector in de huidige situatie [kton]

Uitstoot per sector

2018

2019

1 Gebouwde omgeving

880

873

2 Verkeer en vervoer

2.004

1.990

3 Industrie

13.725

14.922

4 Energiesector

13.167

11.115

56

56

29.831

28.956

5 Landbouw

Totale CO2-uitstoot Rotterdam

Bron CO2 monitor Rotterdam trend 2010-2019 van juli 2020 DCMR11.

gebouwen, binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam. In Rotterdam heeft de landbouw een geringe uitstoot (in 2019 56 kton). In deze bron zijn, conform het landelijk Klimaatakkoord, de binnenvaart wel, maar de internationale scheepvaart (in 2019 590 kton) en de luchtvaart (onbekend) niet beschouwd.

95

Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling zijn in 2030 de maatregelen met de status “zeker” (bron Effectupdate 2020 Rotterdamse klimaataanpak DCMR) uitgevoerd, de directe CO2-uitstoot binnen de gemeentegrenzen bedraagt dan 23 Mton. De Rotterdamse doelstelling ten aanzien van de CO2-reductie hanteert als peiljaar 1990. In dat peiljaar was de directe CO2-uitstoot ook 23 Mton. In de autonome ontwikkeling is aldus de reductie van de directe CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 nihil. Tabel 3.14: Directe CO2-uitstoot per sector in de autonome ontwikkeling in 2030 [kton]

Uitstoot per sector

2019

Reductie

AO 2030

1 Gebouwde omgeving

873

51

822

2 Verkeer en vervoer

1.400

232

1.168

3 Industrie

14.922

85

14.837

4 Energiesector

11.115

4767

6.348

Totaal

28.311

5.122

23.189

Verantwoording In de autonome ontwikkeling zijn in 2040 de maatregelen met de status “zeker, verwacht en beoogd” (bron Effectupdate 2020 Rotterdamse klimaataanpak DCMR) uitgevoerd. De directe CO2-uitstoot binnen de gemeentegrenzen bedraagt dan 19 Mton. Dat is een reductie met 17% ten opzichte van de directe CO2-uitstoot in 1990. Zeker: De maatregel is al gestart of gaat zeker starten. Er is al een besluit over de maatregel genomen, de financiering is geregeld en/of de maatregel is wettelijk verplicht. Verwacht: Er is algehele overeenstemming over de maatregel, maar het definitieve besluit over de uitvoering van de maatregel is nog niet genomen. Beoogd: Er zijn plannen voor de maatregel, de uitvoering is op hoofdlijnen bekend, een schatting van het verwachte effect is gemaakt, maar partijen zijn het nog niet volledig eens over de exacte invulling ervan. Ook de financiering moet nog geregeld worden. Tabel 3.15: Directe CO2-uitstoot per sector in de autonome ontwikkeling in 2040 [kton]

Uitstoot per sector

2019

Reductie

AO 2040

1 Gebouwde omgeving

873

182

691

2 Verkeer en vervoer

1.400

428

972

3 Industrie

14.922

3.589

11.333

4 Energiesector

11.115

4.767

6.348

Totaal

28.311

8.966

19.344

96

Gebouwde omgeving: De directe CO2-uitstoot door de gebouwde omgeving neemt af met name door de gebiedsaanpakken voor het ‘aardgasvrij’ maken van woningen, renovatie van woningen door woningcorporaties. Het resultaat is 182 kton CO2reductie. Verkeer en vervoer: De directe CO2-uitstoot door het verkeer en vervoer neemt af door EU-beleid (o.a. bronbeleid wegverkeer en inzet van biobrandstoffen), Nationaal beleid (Klimaatakkoord, o.a. stimuleren verkoop van elektrische voertuigen) en Lokale aanpak (o.a. laadinfrastructuur, schone watertaxi en zero emissie zone goederenvervoer). Het resultaat is 428 kton CO2-reductie. Industrie: De directe CO2-uitstoot door de industrie neemt af doordat is gestart met het invoeren van elektrolysers waarmee waterstof wordt geproduceerd, de afvang, de opslag en het industriëeel toepassen van CO2, elektroboilers en warmtepompen, chemisch verwerken van afval tot nieuwe grondstoffen en uitwisseling van stoom tussen bedrijven. Het resultaat is 3.589 kton CO2-reductie.

3.5.2.3 Materiaal-voetafdruk Huidige situatie In de deelstudie Energie en grondstoffen is aan het aspect Grondstoffen invulling gegeven door te kijken naar de drie sectoren met de meeste milieuimpact, te weten: • Bouw (infrastructuur, openbare ruimte, gebouwde omgeving, gebiedsontwikkeling) • Groene stromen (o.a. GFT, groen in de openbare ruimte, biobased productie) • Consumentengoederen (voeding, textiel, elektronica, verpakkingen) Van deze sectoren, ook wel transitie-agenda’s genoemd zijn op deelgebieden kwantitatieve gegevens beschikbaar, maar zeker niet volledig. Onderstaande tabellen geven een beeld van de huidige situatie voor de genoemde deelgebieden.

Energiesector: De directe CO2-uitstoot door de energiesector neemt met name af door de sluiting van kolencentrales. Het resultaat is 4.767 kton CO2-reductie.

97

Tabel 3.16: Huidige situatie transitie-agenda bouw

Deel-opgave

Instroom materialen

Behoud van materialen

Uitstroom materialen

(IN)

(GEBRUIK)

(UIT)

Infra en openbare ruimte

Hergebruik materialen in o.a. Groene Poort, Keilehaven, Reyeroord, Betonakkoord

Materialenpaspoort Reyeroord, opmengen en stabiliseren van (klei)grond, bagger in geotubes

Materialenpaspoort Schouwburgplein, bouwdepots, digitale marktplaats

Gebouwde omgeving

Honkbal op Zuid, Machinist, Lloydpier, Tiny houses Keyenburg, UpCycle Mall

Materialenpaspoort Centrale Bibliotheek

Honkbal op Zuid, Slooplijst, bouwhubs, Centrale Bibliotheek

Gebiedsontwikkeling

Circulariteit in gebiedsverkenningen M4H Feyenoord City, van A tot Z

Tabel 3.17: Huidige situatie transitie-agenda groene stromen

Deel-opgave

Instroom materialen

Behoud van materialen

Uitstroom materialen

(IN)

(GEBRUIK)

(UIT)

Diverse initiatieven tegen voedselverspilling

Inzameling GFE in hoogbouw en GFT in laagbouw, wormenhotels

Levensduurverlengend onderhoud in groen contracten

Van bladafval naar bokashi, van restwol naar kleding, van eendenkroos naar tegel, van boom naar tafel

Gfe+t Groen in openbare ruimte

In ontwikkeling t.b.v. groen contracten

Biobased productie

Tegels van eendenkroos in Reyeroord

98

Tabel 3.18: Huidige situatie transitie-agenda consumentengoederen

Deel-opgave

Instroom materialen

Behoud van materialen

Uitstroom materialen

(IN)

(GEBRUIK)

(UIT)

Voeding

Ondersteuning duurzame voedselconcepten via Citylab 010 en andere subsidies, Citydeal Duurzame en Gezonde Voedselomgeving, begeleiding ziekenhuizen gezond en duurzaam voedselaanbod

Koploperproject horeca, communicatiecampagnes tegen voedselverspilling, ondersteuning voedseldistributiecentrum Shareaty, Klimaatdeal Korte Lijnbaan

Ondersteuning innovatieve voedselconcepten via Citylab 010 en andere subsidies, koppelen van innovatieve voedselondernemers aan partners als Blue City, VoorGoed Agency en Circo Tracks.

Textiel

Wasbare luiers, Upcycle Mall, Netwerk toekomstbestendige textielketen in de Wasserij, circulaire textiel initiatieven CityLab010, inkoop bedrijfskleding van de gemeente Rotterdam, inkoop schaduwdoeken van Rotterdams textiel, Sing along at home pakketten (vlaggen, sokken)

Klimaatdeal UDS retail-aanbod binnenstad (Swapshop), educatieprogramma K(o)lere Rotterdam Noord (naaisetjes), lokale (her)productie in sociale werkplaatsen, (vermaken songfestivaltasjes, voetbalsjaals tot jurken etc.)

Circulaire aanbesteding inzameling & sortering, kleding afval Rotterdamse Marathon circulair verwerken (wielrenshirt als icoonproject), onderzoek naar grote textielberg

Elektronica

Upcycle Mall

Haalbaarheidsonderzoek sorteercentrum e-waste

Haalbaarheidsonderzoek sorteercentrum e-waste

Verpakkingen

Ja-Ja sticker (reduce), Momo plastic vrij festival

Project meeneembeker eigen bedrijfscatering

Marien zwerfafval, beter scheiden van plastic (rendement van 85%)

99

In het kader van het gemeentelijke programma Van Zooi Naar Mooi is eind 2020 een voortgangsrapportage opgesteld met daarin de voortgang van de door het programma gestelde doelen, gekoppeld aan de twee geformuleerde hoofdroutes; • Vergroten van het circulaire bewustzijn van Rotterdammers, Rotterdamse bedrijven en de Rotterdams collega’s te meten in a) afvalscheidingspercentage en b) circulair gedrag • Vergroten van de werkgelegenheid en de economische ontwikkelingen in de circulaire economie te meten in c) het aantal nieuwe circulaire initiatieven (MKB, start-up, scale-up) Het circulaire gedrag van de Rotterdamse bevolking stijgt volgens de gedragsmonitor van Blauw van 20% in 2018 naar 30% in 2023. De betreffende Rotterdammers vinden de ontwikkeling naar de nieuwe economie, waarin we anders omgaan met materialen, belangrijk. Het percentage Rotterdammers dat ook echt in grote mate circulair gedrag vertoont (circulair actieve), bedroeg in 2020 22%. In 2019 en 2020 vestigden vijf nieuwe internationale circulaire bedrijven zich in Rotterdam. Bij elkaar leveren die bedrijven 255 nieuwe circulaire banen op. Als we kijken naar de ontwikkeling in het havengebied en de stad, ondersteunde de gemeente 40 initiatieven: 16 in de haven, 13 in de stad en 11 initiatieven via CityLab010. Ook hier ontstaat werkgelegenheid.

In 2019 waren er in totaal 16.762 circulaire banen van de 401.000 Rotterdamse banen (4,18%).

Autonome ontwikkeling Conclusie die op basis hiervan getrokken kan worden is dat er diverse positieve initiatieven zijn. Vooralsnog is er echter geen sprake van een circulaire Rotterdamse samenleving. Door toename van bewustwording en door toename van wet- en regelgeving (o.a. op basis van de European Green Deal) zullen de komende tijd belangrijke stappen in die richting worden gezet. Extra Rotterdams beleid om circulair ondernemen en produceren te bevorderen, aan te trekken te makkelijker te maken zal echter nog nodig zijn. 3.5.2.4 Samenvatting

Indicator

Huidige situatie

CO2-uitstoot Materiaalvoetafdruk

100

Autonome ontwikkeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=d73ce5c0-41bd-4f9c-a5d3-9faa27bbf10a