21bb12981 Bijlage 2 behorende bij 21bb12979 - Rotterdams Omgevingseffectrapport ( ROER )
Tekst van het document
Rotterdams OmgevingsEffectRapport (ROER) Adviesbureau Willie Fikken, Antea Group, Ingenieursbureau gemeente Rotterdam, BRIM 2 juli 2021
Colofon: Rotterdams OmgevingseffectRapport (ROER)
Opdrachtgever: Gemeente Rotterdam Auteurs: Willie Fikken, Adviesbureau Willie Fikken Lex Runia, Antea Group Leo van der Wal, Ingenieursbureau gemeente Rotterdam Irma Bijl-Rodenburg, BRIM
2
Inhoudsopgave. Inleiding: waarom dit ROER?
8
3.2.3
Natuur
33
3.2.4
Landschap en cultureel erfgoed
37
1.1. Aanleiding en doel.
8
1.2. Afbakening.
8
1.3. Proces.
9
3.3.1
Geluid
42
1.4. Procedure.
10
3.3.2
Luchtkwaliteit
48
1.5. Leeswijzer.
11
3.3.3
Veiligheid
50
3.3.4
Gezond gedrag
54
Bijdrage ROER aan de Omgevingsvisie.
3.3. Veilige, gezonde fysieke leefomgeving
42
12 3.4. Woonomgeving
60
2.1. Inleiding.
12
3.4.1
Woningen
60
2.2. Plangebied, studiegebied en planhorizon.
14
3.4.2
Woonomgeving
67
2.3. Beoordelingskader.
14
3.4.3
Mobiliteit
80
2.4. Werkwijze.
19
3.4.4
Welzijn
83
Staat van de Leefomgeving.
21
3.5. Economische omgeving.
92
3.5.1
Ruimtegebruik
92
3.1. Inleiding.
21
3.5.2
Energie en grondstoffen
95
3.2. Goede omgevingskwaliteit.
21
3.5.3
Economische vitaliteit
101
3.5.4
Ruimtelijk-economische structuur
104
3.2.1
Bodem
22
3.2.2
Water
24
3
Hoofdkeuzes, varianten en gebieden.
107
6.1. Inleiding.
154
6.2. Effecten en doelbereik.
155
4.1. Inleiding: goede groei.
107
6.2.1
Geluid
155
4.2. Hoofdkeuzes.
107
6.2.2
Luchtkwaliteit
161
4.3. Varianten hoofdkeuze Verstedelijken & verbinden.
113
6.2.3
Veiligheid
170
4.4. Gebieden.
114
6.2.4
Gezond gedrag
178
4.4.1
Binnenstad.
114
4.4.2
Alexander tot Zuidplein.
115
4.4.3
Rotterdam-Zuid.
116
4.5. Doorkijk na 2040.
Goede omgevingskwaliteit.
117
118
5.1. Inleiding.
118
5.2. Effecten en doelbereik.
119
Woonomgeving.
187
7.1. Inleiding.
187
7.2. Effecten en doelbereik.
188
7.2.1
Wonen
188
7.2.2
Woonomgeving
192
7.2.3
Mobiliteit
200
7.2.4
Welzijn
206
Economische omgeving.
211
133
8.1. Inleiding.
211
145
8.2. Effecten en doelbereik.
212
5.2.1
Bodem
119
5.2.2
Water
125
5.2.3
Natuur.
5.2.4
Landschap en erfgoed
Veilige, gezonde fysieke leefomgeving. 154
8.2.1
Ruimtegebruik
212
8.2.2
Energie en grondstoffen
215
8.2.3
Economische vitaliteit
222
4
8.2.4
Ruimtelijk-economische structuur
Overzicht van de effecten. 9.1. Inleiding.
226
230 230
9.2. Resultaat van de interactie tussen omgevingsvisie en ROER.
230
9.3. Overzicht van de beoordelingen.
9.4.10 Woonomgeving
253
9.4.11 Mobiliteit
255
9.4.12 Welzijn
257
9.4.13 Ruimtegebruik
259
9.4.14 Energie en grondstoffen
260
9.4.15 Economische vitaliteit
263
9.4.16 Ruimtelijk-economische structuur
264
232 9.5. Deelgebieden en dit ROER.
266
9.3.1
Overzicht van de beoordelingen
232
9.3.2
Effecten van de varianten Hoog en Laag
233
9.5.1
Inleiding
266
9.3.3
Effect van de omgevingsvisie en onzekerheden
234
9.5.2
Binnenstad
267
9.3.4
Samenvattende conclusie
235
9.5.3
Alexander tot Zuidplein
273
9.5.4
Rotterdam Zuid
280
9.5.5
Doorkijk na 2040: westelijke oeververbinding en
9.4. Toelichting per aspect.
237
verstedelijking Sluisjesdijk
285
9.4.1
Bodem
237
9.4.2
Water
239
9.4.3
Natuur
240
9.6. Gebieden buiten Rotterdam.
9.4.4
Landschap en erfgoed
242
9.7. Het ROER en vijf perspectieven van de omgevingsvisie.
9.4.5
Geluid
245
9.4.6
Lucht
247
9.7.1
Inleiding
290
9.4.7
Veiligheid
248
9.7.2
Vijf perspectieven.
291
9.4.8
Gezond gedrag
249
9.7.3
Conclusie
292
9.4.9
Wonen
251
286 290
5
9.8. Onzekerheden en gevoeligheidsanalyse.
293
9.8.1
Trends, transities en onzekerheden
293
9.8.2
Gevoeligheid voor onzekerheden op hoofdkeuzes
294
9.8.3
Gevoeligheid voor onzekerheden op de aspecten van het
9.8.4
Monitoring en evaluatie.
313
11.1. Waarom monitoring en evaluatie?
313
11.2. Aanzet voor een monitoring en evaluatieplan.
313
beoordelingskader
295
Doorkijk na 2040: klimaatverandering
295
Autonome ontwikkelingen.
320
299
Hoofdkeuzes en varianten.
324
9.9. Aandachtspunten voor de uitwerking. 9.9.1
Bodem
299
9.9.2
Water
300
9.9.3
Landschap en erfgoed
301
9.9.4
Natuur
302
9.9.5
Geluid
303
9.9.6
Luchtkwaliteit
304
9.9.7
Veiligheid
304
9.9.8
Gezond gedrag
306
9.9.9
Wonen en woonomgeving
306
9.9.10 Welzijn
308
9.9.11 Energie en grondstoffen
308
Leemten in kennis.
310
Passende beoordeling omgevingsvisie Rotterdam. 334 Maatregelen voor de uitwerking.
357
Verwerking adviezen, zienswijzen en advies Commissie voor de m.e.r.
369
Kaartenbijlage.
374
Klik op een hoofdstuk om naar de betreffende pagina te gaan
6
Lijst met veel gebruikte begrippen en afkortingen. autonome ontwikkeling beoordelingskader
cunet
gebiedsuitwerking Goede groei
Hoofdkeuze MER m.e.r. Milieueffectrapport Milieueffectrapportage Natura 2000
ontwikkeling die onafhankelijk van de Omgevingsvisie plaats zal vinden en waarover inmiddels besluiten zijn genomen overzicht van thema, aspecten en indicatoren. Dit overzicht wordt gebruikt voor het in beeld brengen en beoordelen van de (hoofdkeuzes uit de) Omgevingsvisie Uitgraving in een niet draagkrachtige grondlaag. De uitgraving wordt opgevuld, veelal met zand, om de gewenste draagkracht voor bv. wegen of troittoirs te realiseren. uitwerking van de hoofdkeuzes voor een specifiek deelgebied groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang Belangrijke keuze voor de ontwikkeling van de stad in de komende decennia. MilieuEffectRapport milieueffectrapportage Rapport waarmee de milieueffecten van een plan of project in beeld worden gebracht. De procedure voor het volwaardig meenemen van milieueffecten bij de voorbereiding van plannen of projecten. Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.
Natuurnetwerk Nederland Notitie reikwijdte en detailniveau
Omgevingswet
perspectieven plangebied
plan-m.e.r.
referentiesituatie ROER scope Staat van de Leefomgeving
Netwerk van gebieden in Nederland, waar de natuur voorrang heeft. Veelgebruikte term voor een notitie waarmee de start van een m.e.r.-procedure wordt gemarkeerd. De 'reikwijdte' geeft aan wat het voornemen is, welke alternatieven en varianten in het MER worden onderzocht en welke (milieu- en omgevings)thema's in beeld worden gebracht. Het 'detailniveau' betreft de diepgang en methode van het onderzoek (kwalitatief of kwantitatief). Wet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt, waarmee de wetten voor de leefomgeving worden gebundeld en gemoderniseerd. langetermijndoelstellingen van de gemeente Rotterdam het gebied waarop de Omgevingsvisie Rotterdam betrekking heeft, i.c. het grondgebied van de gemeente Rotterdam de procedure waarbinnen een milieueffect voor plannen, in dit geval het ROER voor de Omgevingsvisie Rotterdam, wordt opgesteld huidige situatie aangevuld met autonome ontwikkelingen Rotterdams OmgevingsEffectRapport reikwijdte overzicht van de kwaliteit van de leefomgeving
7
1.0 Inleiding: waarom dit ROER? 1.1.
Aanleiding en doel.
Rotterdam werkt momenteel aan een Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie beschrijft de koers voor de ruimtelijke ontwikkeling van het hele gemeentelijk grondgebied op middellange en lange termijn. De Omgevingsvisie Rotterdam vormt een kader voor toekomstige activiteiten, die belangrijke gevolgen met zich mee kunnen brengen voor het milieu en voor de omgeving. Om deze gevolgen inzichtelijk te maken is besloten om voor de Omgevingsvisie de procedure van de milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.-procedure) op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel van deze procedure is het opstellen van een milieueffectrapport (een plan-MER). In een planMER worden de milieugevolgen van het voorgenomen beleid systematisch, transparant en objectief in beeld gebracht. Ook worden daarin maatregelen beschreven om negatieve gevolgen op het milieu of voor de leefomgeving te voorkomen of te beperken. Met de Omgevingsvisie loopt de gemeente vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Vanwege de verbrede scope van de Omgevingswet, en om de integrale benadering van de Omgevingsvisie zichtbaar te maken, is besloten de scope van het plan-MER te verbreden. Het gaat in dit rapport daarom niet alleen om milieueffecten, maar ook om sociale en economische effecten. We noemen dit rapport het Rotterdamse Omgevingseffectrapport (ROER).
Het doel is om, voorafgaand aan de besluitvorming, alle relevante
beslisinformatie breed en integraal in beeld te brengen en dit mee te laten wegen bij de te maken keuzes.
1.2.
Afbakening.
De opgaven waar Rotterdam voor staat, zoals de groei van de stad, de transitie van economie, haven, mobiliteit en energievoorziening, de klimaatadaptatie en het herstel van de biodiversiteit vergen een richtinggevende koers in het fysieke domein. In de Verkenning Omgevingsvisie Rotterdam (2018) zijn de trends en transities beschreven en is ingezet op vijf perspectieven: compact, inclusief, productief, gezond en circulair. Deze perspectieven vormen de basis voor een duurzame koers voor de gemeente. In de uitwerking daarvan is met de Strategische verkenning verstedelijking (2019) gekozen voor verdichting in met name de Binnenstad en in de Oostflank (Alexander tot Zuidplein). Tegelijkertijd heeft de herijkte Havenvisie (2019) de ambitieuze doelstellingen zoals opgenomen in de Rotterdamse bijdrage aan het klimaatakkoord één op één overgenomen. Daarnaast hebben de door de Verenigde Naties vastgestelde Sustainable Development Goals (SGDs) voor duurzame economische ontwikkeling een centrale plaats gekregen in de Havenvisie. Ook op vele andere beleidsterreinen heeft de gemeente Rotterdam beleid ontwikkeld, zoals mobiliteit, duurzaamheid, werklocaties, voorzieningen, welke in deze omgevingsvisie worden geïntegreerd tot een koers voor de ontwikkeling van Rotterdam.
8
De stad zet in op een grote binnenstedelijke verdichtings- en vernieuwingsopgave. Daarmee wint de stad aan kwaliteit, blijft de aantasting van het buitengebied beperkt en wordt optimaal gebruik gemaakt van de bestaande voorzieningen en infrastructuur van de stad. De gemeente zet in op vernieuwing van de economie en op de energietransitie, op weg naar vrijwel energieneutraal in 2050 (95% CO2 reductie t.o.v. 1990). Voor het ROER zijn dat de uitgangspunten, conform de reeds vastgestelde notitie Reikwijdte en Detailniveau (2020). Op zichzelf zijn het duurzame keuzes1, die desondanks nog tot belangrijke aandachtspunten voor de omgevingskwaliteit kunnen leiden. Zo kan de geluidshinder langs belangrijke ontsluitingswegen toenemen en kunnen windturbines hinder veroorzaken. Het ROER is geen onderzoek naar alternatieve verstedelijkingsvarianten, bijvoorbeeld in het buitengebied of naar alternatieven voor de energietransitie. Het ROER richt zich wel op de (bedoelde en onbedoelde) effecten, positieve en negatieve, kansen en risico’s, als gevolg van deze en andere hoofdkeuzes in de Omgevingsvisie. Daarnaast ligt de focus op hoeverre deze keuzes in gezamenlijkheid kunnen bijdragen aan de perspectieven voor Rotterdam.
1.3.
Proces.
Aansluitend op de hiervoor genoemde verkenningen is in een participatief proces (zie het tekstkader) een ontwerp-Omgevingsvisie opgesteld, met dit ROER als onderbouwing.
20302, de MIRT Verkenning Oeververbindingen en de Regionale Energie Strategie. Sporen die van invloed zijn op de Omgevingsvisie en op het ROER, en vice versa. Resultaten daarvan zijn deels al geland in de ontwerp-Omgevingsvisie. In schema:
Participatieproces Omgevingsvisie Rotterdam De Omgevingsvisie Rotterdam is in dialoog met de diverse partners, in zowel de stad als de haven, tot stand gekomen. Een brede groep van belanghebbenden heeft meegepraat en haar visie en belangen kunnen uiten. Samen stad maken is een belangrijk onderdeel van de werkwijze. Om de ambities van de stad te verwezenlijken is de inzet nodig van vele partijen in de stad.
Parallel aan het proces van verkenningen en visievorming liepen en lopen nog diverse, relevante ontwikkelsporen, zoals de herijking van de Havenvisie
Vanuit de Omgevingsvisie is een reeks zogenaamde verdiepingsgesprekken gevoerd, rondom thema’s als “mobiliteit”, “economie”, “groen, water en recreatie”, “maatschappelijke partners” en “verstedelijking”. In deze verdiepingsgesprekken is met stakeholders ingegaan op het mogelijke keuzes die zijn
1
2
Naast de voordelen van het behoud van buitengebied en het efficiënt gebruik van voorzieningen en infrastructuur gaat het om het beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Daarbij gaat het ondermeer om het voorkomen van (verdergaande) verdroging en verzilting, het beperken van de kans op wateroverlast, overstromingen en hittestress en het voorkomen van de verdergaande achteruitgang van de biodiversiteit.
De herijking van de Havenvisie 2030 heeft plaatsgevonden in 2019. In de herijkte visie zijn de ambitie en het toekomstperspectief voor het Rotterdamse haven- en industriecomplex beschreven met als centrale doelstelling: het in stand houden en vergroten van de maatschappelijke en economische waarde van dit complex en het reduceren van ongewenste externe effecten zoals CO2-uitstoot.
9
opgenomen in het gespreksdocument De Veranderstad. De inhoudelijke thema’s zijn door de gesprekken verrijkt en het heeft de vraagstukken en belangrijke issues blootgelegd. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen een algemene dialoogtafel, die voornamelijk de samenhang van de visie besprak, en specifieke thema- en gebiedstafels die op onderdelen voor verdere verdieping zorgden. Ook inwoners en ondernemers in de stad zijn gevraagd om mee te denken. Via een app en gespreksavonden hebben ze meegedacht op diverse onderwerpen. In de periode daarna is een serie ’omgevingstafels’ georganiseerd, mede op basis van de verdiepingsgesprekken uit de eerste ronde. Aan de omgevingstafel nam een diverse groep van 25 deelnemers plaats die een brede groep van belangen vertegenwoordigt. Gezamenlijk vanuit een integrale koers is verder gewerkt aan de Omgevingsvisie.
1.4.
Procedure.
Het ROER wordt tegelijk met de ontwerp-Omgevingsvisie ter inzage gelegd. Een ieder kan een zienswijze indienen. Tegelijkertijd wordt de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies gevraagd. Zienswijzen en adviezen worden verwerkt in een Nota van beantwoording en zienswijzen. Waar nodig leidt dit tot aanpassingen van het ROER en de Omgevingsvisie. De gemeenteraad van Rotterdam zal de Omgevingsvisie vaststellen. Daarbij zal worden gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen voor de omgeving die uit het ROER zijn gebleken en wat is overwogen ten aanzien van de ingebrachte zienswijzen en adviezen.
De opbrengst van het participatietraject is begin 2021 besproken in het college. De uitkomsten van de participatie zijn meegenomen in de Omgevingsvisie. Na het vrijgeven van de ontwerp-Omgevingsvisie Rotterdam en het ROER door B&W start een laatste periode van zienswijzen. Na verwerking van de zienswijzen volgt de vaststelling door de gemeenteraad. Dat is het formele gedeelte van het participatietraject, conform art. 7.11 van de Wet Milieubeheer.
10
1.5.
Leeswijzer.
Het ROER bestaat uit een hoofdrapport, 14 deelstudies en een samenvatting van het geheel. Ook maakt een zogenaamde passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming onderdeel uit van het ROER. Het rapport dat voor u ligt is het hoofdrapport. Hierin vindt u achtereenvolgens: • Hoofdstuk 2: een toelichting op het ROER; • Hoofdstuk 3: een beschrijving van de Staat van de Leefomgeving van Rotterdam. Onderscheid wordt gemaakt in de situatie van dit moment en de situatie die in 2040 verwacht kan worden zonder Omgevingsvisie; • Hoofdstuk 4: een beschrijving van de hoofdkeuzes, de varianten en de gebieden in de Omgevingsvisie; • Hoofdstukken 5-8: een beoordeling van de hoofdkeuzes voor de Omgevingsvisie met onderscheid in gevolgen voor de omgevingskwaliteit, de fysieke leefomgeving, de woonomgeving en de economische omgeving; • Hoofdstuk 9: een beoordeling van de Omgevingsvisie, die mede op basis van beoordeling van de hoofdkeuzes tot stand is gekomen. De beoordeling met een botsproef van ondermeer de zogenaamde perspectieven, een beschouwing over deelgebieden, over gebieden buiten
3
• •
Rotterdam en een analyse van de gevoeligheid voor onzekerheden, mondt uit in een reeks van aandachtspunten voor de uitwerking van de Omgevingsvisie; Hoofdstuk 10: een aanzet tot een monitoring- en evaluatieplan.
Het rapport heeft zes bijlagen: • Bijlage 1: een beschrijving van de autonome ontwikkelingen, waar rekening mee is gehouden; • Bijlage 2: een beschrijving van de hoofdkeuzes en varianten; • Bijlage 3: de uitgevoerde Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming; • Bijlage 4: een overzicht van maatregelen voor de uitwerking van de Omgevingsvisie; • Bijlage 5: een verantwoording van de wijze waarop in dit ROER is omgegaan met ingediende zienswijzen en adviezen over reikwijdte en detailniveau van het rapport, waaronder het advies van de Commissie m.e.r.3; • Bijlage 6: een aantal kaarten ter toelichting van hoofdkeuzes en effecten.
Omgevingsvisie Rotterdam, Advies over de reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectrapport, Commissie voor de milieueffectrapportage, 13 oktober 2020.
11
2.0 Bijdrage ROER aan de Omgevingsvisie. 2.1.
Inleiding.
Figuur 2.1: Schematische weergave interactie Omgevingsvisie en ROER
Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven bouwt de Omgevingsvisie voort op visies op het stedelijk gebied en de haven. De visie zet in op zogenaamde Goede Groei door vijf hoofdkeuzes te definiëren (zie hoofdstuk 4). Voor de hoofdkeuze Verstedelijken & verbinden zijn twee varianten onderscheiden, bestaande uit respectievelijk een laag en hoog programma van woningbouw en arbeidsplaatsen. Voor drie deelgebieden zijn gebiedsuitwerkingen opgesteld, waarin de hoofdkeuzes zijn verwerkt. De hoofdkeuzes (en varianten) zijn in het ROER afzonderlijk en in onderlinge samenhang beoordeeld, zie figuur 2.1. Zoals uit figuur 2.1 blijkt zijn de Omgevingsvisie en het ROER in een interactief proces tot stand gekomen. Het ROER is in formele zin een milieueffectrapport. Het ROER bevat daarom een beschrijving en beoordeling van de milieueffecten van de omgevingsvisie. Gezien het strategische karakter van de Omgevingsvisie ligt de nadruk van het ROER op de mate waarin de Omgevingsvisie bijdraagt aan de ambities en doelen van de gemeente. Aansluitend op het strategische karakter zijn de effecten veelal kwalitatief beschreven. Voor een aantal verkeersgerelateerde effecten (geluid, luchtkwaliteit, schone verplaatsingen,
toegankelijkheid banen, bereikbaarheid toplocaties) zijn berekeningen uitgevoerd. De Omgevingswet en de Omgevingsvisie gaan over ambities op het vlak van de fysieke leefomgeving. De ambities komen voort uit Europese richtlijnen, nationale wetgeving en beleid en eigen gemeentelijk beleid, vastgelegd in beleidsnota’s en het collegeprogramma. Dit betreft met name sectorale ambities.
12
Zoals uit figuur 2.1 blijkt zijn de Omgevingsvisie en het ROER in een interactief proces tot stand gekomen. Gezien het strategische karakter van de Omgevingsvisie ligt de nadruk van het ROER op de mate waarin de Omgevingsvisie bijdraagt aan de ambities en doelen van de gemeente. Aansluitend hierop zijn de effecten veelal kwalitatief beschreven. Voor een aantal verkeersgerelateerde effecten (geluid, luchtkwaliteit, schone verplaatsingen, toegankelijkheid banen, bereikbaarheid toplocaties) zijn berekeningen uitgevoerd. De Omgevingswet en de Omgevingsvisie gaan over ambities op het vlak van de fysieke leefomgeving. De ambities komen voor een deel voort uit Europese richtlijnen, nationale wetgeving en beleid en eigen gemeentelijk beleid, vastgelegd in beleidsnota’s en het collegeprogramma. Dit betreft met name sectorale ambities. Voor de in dit ROER beschouwde aspecten is het de vraag of de hoofdkeuzes uit de Omgevingsvisie bijdragen aan deze ambities en doelen en in welke mate. Een andere vraag is of de sectorale ambities onderling verenigbaar zijn? In de ideale wereld zou het antwoord op deze vragen zijn: ja, de hoofdkeuzes dragen bij, de ambities worden in 2040 gehaald en nee, de ambities conflicteren niet. De werkelijkheid is anders. Niet alle sectorale ambities en doelen worden door de inspanningen die voortkomen uit de Omgevingsvisie gehaald.
Aanpassingen, maatregelen, extra sturing of randvoorwaarden aan ontwikkelingen kunnen nodig zijn. Deze maatregelen zullen ze een plek moeten krijgen in vervolgbesluiten (omgevingsplan, omgevingsprogramma’s, projectbesluiten, overeenkomsten enz.). Maar ook zal het sectorale beleid op onderdelen mogelijk nog een tandje bij moeten zetten. Als uiterste consequentie kunnen de ambities ook worden gefaseerd in de tijd of zelfs naar beneden worden bijgesteld.
Naast de sectorale ambities heeft de Omgevingsvisie ook haar eigen integrale ambitie: Rotterdam te ontwikkelen in de richting van een compacte, inclusieve, gezonde, circulaire en productieve stad (de vijf perspectieven). Vijf perspectieven die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de havenstad. • Compact: Rotterdam ontwikkelt zich als een compacte, aantrekkelijke stad aan de rivier; • Inclusief: Rotterdam is een inclusieve stad, waar niemand in de meerderheid is, het is één stad op twee oevers, waar iedereen mee kan doen; • Duurzaam: Rotterdam groeit uit tot een stad en haven die leiderschap toont in de transitie naar duurzame energie, circulaire processen en een klimaatneutrale maatschappij. • Gezond: Rotterdam maakt een gezond leven voor alle inwoners in de stad mogelijk. • Productief: Rotterdam biedt ruimte aan de nieuwe economie. Deze vijf perspectieven zijn lange termijn doelen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving. In het ROER ligt de focus in eerste instantie op de sectorale ambities. Per aspect (zie het beoordelingskader, tabel 2.1) zijn de huidige en autonome Staat van de Leefomgeving (referentiesituatie, H3) in beeld gebracht. Vervolgens zijn de vijf hoofdkeuzes uit de Omgevingsvisie getoetst. De hoofdkeuzes zijn beschreven in hoofdstuk 4.
De hoofdstukken 5-8 doen verslag van de toetsing: in welke mate dragen de hoofdkeuzes bij aan het halen van de sectorale ambities? Of doen ze misschien afbreuk aan het halen van een ambitie? Per
13
aspect worden aanbevelingen gedaan voor de Omgevingsvisie en vervolgbesluiten. Vervolgens toetst het ROER in hoeverre de hoofdkeuzes bijdragen aan de vijf perspectieven (H9). Het ROER vormt daarmee de onderbouwing van en de verantwoording voor de hoofdkeuzes in de Omgevingsvisie en de mate van het behalen van sectorale en integrale ambities. Het ROER draagt bouwstenen aan voor de integrale ambitie om Rotterdam te ontwikkelen in de richting van de compacte, inclusieve, duurzame, gezonde en productieve stad. Tezamen met het nader uit te werken Monitoring- en Evaluatieplan (H11) wordt een agenda voor de toekomst geboden met de sectorale en integrale ambities als stip op de horizon.
2.2.
Plangebied, studiegebied en planhorizon.
Het plangebied voor de Omgevingsvisie omvat het gehele grondgebied van de gemeente Rotterdam; in figuur 2.2 het niet vervaagde deel van de kaart. Het studiegebied voor het ROER is het gebied, tot waar er nog sprake is van te verwachten, significante effecten als gevolg van de Omgevingsvisie. De omvang van het studiegebied kan dus variëren per onderzocht aspect. Figuur 2.2: Plan- en studiegebied ROER
De huidige situatie in Rotterdam is beschreven en gevisualiseerd voor het peiljaar 2020. Waar geen informatie over 2020 beschikbaar is, is de informatie gebaseerd op de meest recente beschikbare bronnen en data. De referentiesituatie (in dit ROER de Staat van de Leefomgeving genoemd) en de situatie met de (ontwerp) Omgevingsvisie worden beschreven en in beeld gebracht voor het peiljaar 2040. Daar waar in de Omgevingsvisie keuzes worden gemaakt voor de langere termijn, worden in een doorkijk waar mogelijk en realistisch ook effecten na 2040 beschouwd. Zo zijn er al concrete beleidsdoelen voor de energietransitie tot 2050.
2.3.
Beoordelingskader.
Het beoordelingskader voor dit ROER, zie tabel 2.1, is geïnspireerd op het Raad van de Leefomgeving uit het plan-MER voor de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Onderscheid is gemaakt in vier clusters van aspecten van de leefomgeving, te weten: • een goede omgevingskwaliteit; • een veilige en gezonde fysieke leefomgeving; • een aantrekkelijke woonomgeving; • een vitale, economische omgeving. De clusters zijn op hun beurt opgebouwd uit een aantal aspecten, waarvoor indicatoren zijn benoemd. In de deelstudies zijn aanvullend daarop parameters gebruikt om de beoordeling specifiek en navolgbaar te maken. Ten opzichte van het beoordelingskader uit de Notitie Reikwijdte en Detailniveau is in het ROER op een aantal punten een wijziging in het beoordelingskader doorgevoerd:
14
•
•
•
•
vanuit de gedachte van de lagenbenadering4 is het cluster Goede omgevingskwaliteit met de aspecten bodem, water, natuur en landschap in de rapportage en in de overzichtstabellen naar voren gehaald; de Woonomgeving en de Economische omgeving zijn in de rapportage en de overzichtstabellen verwisseld om een logischer opbouw te krijgen (woonomgeving sluit aan op veilige, gezonde leefomgeving); op het niveau van de aspecten heeft op enkele plekken een uitsplitsing, aanvulling of samenvoeging plaatsgevonden om balans in het beoordelingskader aan te brengen: o bij Veilige, gezonde fysieke leefomgeving zijn milieukwaliteit & gezondheid en veiligheidsrisico’s uitgesplitst naar geluid, luchtkwaliteit, veiligheid en gezond gedrag; o bij Woonomgeving zijn Wonen en Woonomgeving opgesplitst en is Mobiliteit toegevoegd o bij Economische omgeving zijn Energie en Natuurlijke hulpbronnen hernoemd tot Energie en Grondstoffen op het niveau van de indicatoren zijn bij het uitvoeren van de deelstudies inhoudelijke verfijningen aangebracht.
Al met al leiden deze wijzigingen tot een evenwichtiger overzicht van effecten en een meer genuanceerde beoordeling.
4 Zie Ruimte met Toekomst - Lagenbenadering (www.ruimtexmilieu.nl)
15
Cluster
Aspect Bodem
Indicator Bodem- en grondwaterverontreiniging (Wbb) Fysische bodemkwaliteit Grondwaterkwaliteit (KRW)
Water
Grondwatersysteem Oppervlaktewater Hemelwater Beschermde natuurgebieden
Goede omgevingskwaliteit
Natuur
Ecologische hotspots Ecologische verbondenheid Biodiversiteit Stedelijk landschap Havenlandschap
Landschap en cultureel erfgoed
Buitengebied Archeologische waarden Gebouwd erfgoed Landschappelijk erfgoed
16
Geluid Luchtkwaliteit
Veilige, gezonde fysieke leefomgeving
Geluidhinder Stille gebieden Concentraties NO2, fijnstof en roet Blootstelling Externe veiligheid
Veiligheid
Waterveiligheid - binnendijks Waterveiligheid - buitendijks Voldoende beweging
Gezond gedrag
Gezonde voedselomgeving Mentale gezondheid Rookvrije generatie
Kwaliteit van de woningen Wonen
Balans in woonsegmenten Toekomstbestendigheid
Woonomgeving
Openbare ruimte Woonomgeving
Hitte Voorzieningen
Mobiliteit
Verkeersveiligheid Schone verplaatsingen
17
Inclusiviteit Welzijn
Sociale samenhang Sociale veiligheid
Economische omgeving
Ruimtegebruik
Ruimtebeslag
Energie en grondstoffen
CO2-uitstoot
Concentratie werklocaties
Materiaal-voetafdruk Werkgelegenheid
Economische vitaliteit
Economische groei Vestigingsklimaat
Ruimtelijkeconomische structuur
Bereikbaarheid economische clusters Opleidingsniveaus Vestigingslocaties
18
2.4.
Werkwijze.
Per indicator worden in dit ROER de huidige situatie, de referentiesituatie (= toekomstige situatie zonder Omgevingsvisie) en de toekomstige situatie met Omgevingsvisie beschreven en beoordeeld aan de hand van een aantal onderscheiden parameters. De beoordeling is gedaan door expert judgement. De geraadpleegde experts zijn, afhankelijk van de indicatoren, deskundigen van het Ingenieursbureau van de Gemeente Rotterdam, Stadsontwikkeling Rotterdam, Maatschappelijke Ontwikkeling Rotterdam en Stadsbeheer Rotterdam. Rijkswaterstaat en de waterschappen, die actief zijn binnen de grenzen van de gemeente (Hoogheemraad van Delfland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en Hoogheemraadschap Hollandse Delta) zijn in het kader van de watertoets om een collegiale toets gevraagd. Het expert judgement is uitgevoerd door in werksessies de concept-kaarten en -teksten van de Omgevingsvisie voor te leggen en de betreffende deskundigen een oordeel te laten geven over de te verwachten effecten van en aandachtspunten voor de voorgestelde ontwikkelingen. Daarbij is gebruik gemaakt van beschikbare informatie uit diverse gegevensbronnen (o.a. RIVM, GGD, DCMR Milieudienst Rijnmond, afdeling Onderzoek en Business Intelligence Rotterdam). Voor een aantal verkeersgerelateerde effecten (bereikbaarheid, geluid, luchtkwaliteit) zijn aanvullend daarop ook berekeningen uitgevoerd.
5
Hiervoor is gekozen om niet de indruk te wekken, dat een gedetailleerde, kwantitatieve beoordeling van effecten heeft plaatsgevonden. 6 De hoofdkeuzes van de Omgevingsvisie zijn beoordeeld op basis van concept-teksten en -kaarten die begin april 2021 beschikbaar waren uit het proces van het opstellen van de Omgevingsvisie Rotterdam. Dit is de
Het eindoordeel over de Staat van de Leefomgeving (huidige situatie en autonome ontwikkeling) en de Omgevingsvisie is per indicator uitgedrukt met de emoticons5,, zoals opgenomen in onderstaande tabel. Per emoticon is de betekenis beschreven.
De staat is overal goed, er zijn geen knelpunten (ambities worden overal gehaald) De staat is overwegend goed, lokaal zijn er wat knelpunten (ambities worden grotendeels gehaald) De staat is redelijk, verspreid zijn er knelpunten (ambities worden vaak wel, soms niet gehaald) De staat is matig, er zijn redelijk wat knelpunten (ambities worden soms gehaald) De staat is overal slecht, er zijn overal knelpunten (ambities worden nergens gehaald) Als tussenstap naar het oordeel over de Omgevingsvisie als geheel is een beoordeling van de vijf hoofdkeuzes afzonderlijk gemaakt (in de deelstudies en samengevat in de hoofdstukken 5-8)6. Daarbij is de volgende scoresystematiek toegepast. Beoordeeld is of de Omgevingsvisie leidt tot het meer of minder realiseren van de ambities: is het een plus op de autonome ontwikkeling of een min?
basis voor de beoordelingen in hoofdstuk 5 tot en met 8 van dit ROER. Deze beoordelingen hebben in de interactie tussen ROER en Omgevingsvisie op enkele plaatsen geleid tot wijzigingen in de Omgevingsvisie. In hoofdstuk 9 wordt hier nader op ingegaan.
19
++
Sterk positief effect. De hoofdkeuze draagt in sterke mate bij aan het realiseren van de ambitie.
+
Beperkt positief effect. De hoofdkeuze draagt in zekere zin bij aan het realiseren van de ambitie.
0
Geen wezenlijk effect. De hoofdkeuze draagt niet bij en doet ook geen afbreuk aan de ambitie.
-
Beperkt negatief effect. De hoofdkeuze doet in zekere zin afbreuk aan het realiseren van de ambitie.
--
Sterk negatief effect. De hoofdkeuze doet in sterke mate afbreuk aan het realiseren van de ambitie.
Na de beoordeling van de afzonderlijke hoofdkeuzes is per aspect een beoordeling gemaakt van de effecten van de hoofdkeuzes gezamenlijk (H9). Dit leidt tot een oordeel dat weer is weergegeven met behulp van een emoticon. Deze score geeft antwoord op de vraag of de sectorale ambities, voortkomend uit wetgeving en (sectoraal) beleid worden gehaald. Vervolgens is getoetst of met de Omgevingsvisie de integrale ambitie, de hiervoor genoemde vijf perspectieven, wordt gehaald. Ook is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om de mogelijke impact van een aantal onzekere factoren in beeld te brengen. Tot slot is een aanzet voor een monitoring- en evaluatieplan opgesteld.
20
3.0 Staat van de Leefomgeving. 3.1.
Inleiding.
De Staat van de Leefomgeving geeft inzicht in de kwaliteit van de Rotterdamse leefomgeving. Onderscheid wordt gemaakt in de huidige situatie en de situatie die in 2040 verwacht wordt zonder rekening te houden met de veranderingen die mogelijk voortkomen uit de omgevingsvisie. Wel wordt voor de situatie in 2040 rekening gehouden met een aantal autonome ontwikkelingen. Dit zijn enerzijds ontwikkelingen waar de gemeente geen wezenlijke invloed op heeft (bv. zeespiegelstijging of het schoner worden van het autopark) en anderzijds ontwikkelingen waarvoor al onomkeerbare besluiten zijn genomen. Ten slotte zijn bij de autonome ontwikkelingen ook trendmatige ontwikkelingen meegenomen. Dit zijn ontwikkelingen waar ook zonder Omgevingsvisie rekening mee moet worden gehouden. Een overzicht van de autonome ontwikkelingen waarmee rekening is gehouden is opgenomen in bijlage 1.
De Staat van de Leefomgeving, de situatie in 2040 incl. autonome ontwikkelingen, vormt de referentiesituatie voor de beoordeling van de hoofdkeuzes (en varianten voor hoofdkeuze Verstedelijken & verbinden, zie H4) voor de omgevingsvisie. In de volgende paragrafen worden de vier clusters van het beoordelingskader (zie 2.3) achtereenvolgens behandeld. Per aspect worden per indicator de relevante ambities benoemd. Daarna volgt een beschrijving van de huidige situatie en de referentiesituatie: in hoeverre worden de ambities nu of onder invloed van de autonome ontwikkelingen in 2040 al gehaald? Elke aspect-paragraaf eindigt met een samenvatting waarin de huidige situatie en de referentiesituatie worden beoordeeld met de emoticons, zoals genoemd in 2.4. Deze beoordelingen zijn gebaseerd op de voorafgaande teksten.
3.2.
Goede omgevingskwaliteit.
De ondergrond, het aanwezige grond- en oppervlaktewatersysteem, de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, de aanwezige bodem- en grondwatersaneringssituaties en het gebruik van de stad en de haven, zijn van invloed op de omgevingskwaliteit.
21
3.2.1
Bodem
3.2.1.1
Ambities
Indicator
Ambitie [Bron]
Bodem- en grondwaterverontreiniging
Risico’s van verontreinigingen voor de volksgezondheid en het milieu voorkomen. [Wet bodembescherming]. Regelen toepassing en hergebruik van grond in Rotterdam met het oog op circulariteit en kwaliteitsverbetering [Nota Actief Bodem en Baggerbeheer Rotterdam, 2013].
Fysische bodemkwaliteit
In 2030 minder schade en minder noodzakelijk onderhoud als gevolg van bodemdaling [Rotterdams WeerWoord, 2020].
3.2.1.2 Bodem- en grondwaterverontreiniging Huidige situatie Gedurende de historische ontwikkeling van de stad Rotterdam heeft een groot aantal bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden die samen hebben geleid tot het ontstaan van diverse bodemverontreinigingen. Ook heeft in het verleden ophoging van gebieden met verontreinigde grond plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot diffuse bodemverontreiniging. Sinds de introductie van de Wet bodembescherming (Wbb) in 1987 hebben veel saneringen plaats gevonden. Toch zijn er nog veel situaties waar bodem- en grondwaterverontreiniging aandacht vragen. In 22% van de onderscheiden deelgebieden in het stedelijk gebied is de bodemkwaliteitsklasse slechter dan de beoogde functie. Voor het gehele grondgebied is dit
percentage 15%. In 85% van de ruimtelijke eenheden is de bodemkwaliteitsklasse beter of gelijk aan de beoogde functie. Het risico voor de volksgezondheid van aanwezige bodem- en grondwaterverontreiniging is klein omdat risicobeheersing plaats vindt. Autonome ontwikkeling De komende jaren loopt de sanering van een aantal omvangrijke gevallen van bodemverontreiniging – de voormalige gasfabrieksterreinen - nog steeds door. In het havengebied wordt de gebiedsgerichte aanpak van bodem- grondwaterverontreinigingen doorgezet. Daarnaast verbetert de bodem wanneer in de stad ingrepen plaatsvinden. Bij herontwikkeling of nieuwbouw worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem in relatie tot de nieuwe functie. Zo nodig vindt een functiegerichte verbetering van de bodemkwaliteit plaats in vooral de bovengrond (contactzone) of leeflaag. Hierdoor zal het gebied waar in Rotterdam de bodemkwaliteitsklasse overeenkomt met de functie in 2030 enigszins zijn toegenomen. Ook de grondwaterverontreinigingssituatie verbetert enigszins. Deze verbetering zet richting 2040 en verder geleidelijk aan door. Het risico voor de volksgezondheid van aanwezige bodem- en grondwaterverontreiniging blijft klein omdat risicobeheersing plaatsvindt.
3.2.1.3 Fysische bodemkwaliteit Huidige situatie De natuurlijke ondergrond van Rotterdam bestaat uit verschillende lagen, namelijk van boven naar onderen de samendrukbare holocene deklaag en daaronder het minder samendrukbare pleistocene pakket. De bovenste laag betreft de antropogene laag is, die is aangebracht door de mens.
22
De bodem in Rotterdam daalt met gemiddeld ongeveer 1 cm per jaar. De belangrijkste oorzaken daarvan zijn: • belastingverhoging door ophoging; • belastingverhoging door bebouwing; • verlaging van het grondwaterpeil, bijvoorbeeld door ontwatering van de delen van Rotterdam die zich in polders bevinden; • olie- en gaswinning.
noodzakelijk onderhoud als gevolg van bodemdaling te komen raakt verder uit beeld. Figuur 3.1: Huidige indicatieve zettingssnelheid
Afhankelijk van de kenmerken van, en belasting op de ondergrond is er meer of minder bodemdaling, zie figuur 3.1. In grote delen van Rotterdam is de bodemdaling op dit moment zodanig dat extra en sneller onderhoud, beheer en vervanging van panden, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur en groen nodig is dan in gebieden in Nederland met een stevige (zand) bodem. De draagkracht van de bodem is relatief laag. De fysische kwaliteit van de bodem, in combinatie met de fundering en hoogteligging van bebouwing, leidt in verschillende gebieden van Rotterdam tot problemen door bodemdaling. Voor het steeds weer ophogen van de bodem zijn grondstoffen van elders nodig. De slappe, samendrukbare bodemlagen in combinatie met de periodieke onderhoudsophogingen van zand, is in Rotterdam een belangrijke oorzaak voor verdergaande bodemdaling en versnelling van de bodemdaling. Er is op dit moment weinig aandacht voor bodemdalingsremmende maatregelen. Bij eventuele hoogbouw wordt vooraf gekeken of dit mogelijk is gelet op zettingen. Autonome ontwikkeling In de toekomst zal de verdergaande bodemdaling voor een toename van de problemen zorgen. De ambitie om in 2030 tot minder schade en minder
23
3.2.2
3.2.1.4 Samenvatting
Indicator Bodem- en grondwaterverontreiniging Fysische bodemkwaliteit
Huidige situatie
Autonome ontwikkeling
Water
3.2.2.1 Ambities
Indicator
Ambitie [Bron]
Grondwaterkwaliteit
Een goede chemische en ecologische toestand van het grondwater in 2027 [Kaderrichtlijn Water, 2000].
Grondwatersysteem
Verkrijgen en behouden van een gezond en robuust grondwatersysteem [Rotterdams WeerWoord, 2020 en Gemeentelijk Rioleringsplan, 2021]
Hemelwater
Benutten van hemelwater en zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast door slim inzamelen, vasthouden, transporteren, verwerken en hergebruiken van hemelwater [Rotterdams WeerWoord, 2020 en Gemeentelijk Rioleringsplan, 2021]
Oppervlaktewater
Een goede chemische en ecologische toestand van het oppervlaktewaterwater in 2027 [Kaderrichtlijn Water, 2000]. Voorkomen van overstroming vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag [Omgevingsverordening Zuid-Holland, 2019]
24
3.2.2.2 Grondwaterkwaliteit
Figuur 3.2: Toestandsbeoordeling KRW grondwaterlichamen 2020
Huidige situatie In de gemeente Rotterdam liggen (delen van) een aantal KRW-grondwaterlichamen: • Zout Rijn-West, een zout grondwaterlichaam; • Deklaag Rijn-West, een grondwaterlichaam met zoet grondwater en een afdekkend pakket; • Duin Rijn-West, een duingrondwaterlichaam met zoet grondwater. Een in 2020 uitgevoerde toestand- en trendbeoordeling op waterbalans, verzilting en chemische toestand laat zien dat de toestand in de eerste twee van deze drie waterlichamen goed is, zie figuur 3.2. In Duin Rijn-West, dat voor een klein deel in Rotterdam valt, zijn fosfaten boven de normatieve concentratie aangetroffen. Deze waarden zijn echter in de omgeving van de Zuid-Hollandse bollenstreek aangetroffen. Ook uit onderzoek7 van de gemeente Rotterdam i.s.m. DCMR Milieudienst Rijnmond blijkt dat de kwaliteit van het grondwater in het eerste watervoerende pakket over het algemeen goed is. Er zijn tal van plaatsen waar geen enkele drempelwaarde wordt overschreden. Uitzondering zijn barium en ammonium, waarbij sprake is van een verhoogde natuurlijke achtergrondwaarde.
7
De kwaliteit van het diepe grondwater in Rotterdam, Ingenieursbureau Gemeente Rotterdam, 2015.
Ook de kwaliteit van het freatisch (ondiepe) grondwater kan als goed worden beschouwd, zo blijkt uit ander onderzoek van de gemeente Rotterdam8. Voor een aantal stoffen (met name bestrijdingsmiddelen) zijn te weinig data beschikbaar om betrouwbare uitspraken te doen. Voor arseen, barium en zink is sprake van een verhoogde achtergrondwaarde.
8
De kwaliteit van het freatisch grondwater in Rotterdam, Ingenieursbureau Gemeente Rotterdam, 2016.
25
Autonome ontwikkeling In droge zomers zakken de freatische grondwaterpeilen en oppervlaktewaterpeilen uit en zijn rivierafvoeren laag. Hierdoor nemen zoutindringing en de kweldruk toe waardoor verzilting van zowel het diepe grondwater als het ondiepe grondwater kan toenemen (interne verzilting). Tot 2030 lijken deze effecten beperkt. Meer verzilting door een stijgende zeespiegel (externe verzilting) speelt tot 2050 naar verwachting een ondergeschikte rol. De kwaliteit van het grondwater staat onder druk. Onzeker is wat de grondwaterkwaliteit in 2040 zal zijn. Ten aanzien van bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen en nieuwe stoffen treedt mogelijk verslechtering op. Door klimaatverandering treedt mogelijk extra verzilting op.
steeds meer tegenstrijdige belangen bij verschillende (grond)waterstanden in (oppervlakte)waterpeilgebieden. Op dit moment zijn in diverse gebieden van Rotterdam stedelijke functies gevoelig of kwetsbaar voor lokaal voorkomende grondwaterstanden en treden nadelige gevolgen op in droge en/of natte omstandigheden, zie de figuren 3.3 en 3.4. Voor figuur 3.3 geldt: hoe donkerder de kleur wordt hoe dieper de grondwaterstand zakt bij gebrek aan neerslag en daarmee hoe groter de kans op aantasting van houten paalfunderingen. Voor figuur 3.4 geldt: hoe donkerder de kleur wordt hoe hoger de grondwaterstand stijgt als gevolg van (langdurige) neerslag en daarmee hoe groter de kans op wateroverlast. Voor beide figuren geldt: hoe donkerder de kleur, hoe minder robuust het systeem.
3.2.2.3 Grondwatersysteem Huidige situatie Het grondwatersysteem wordt beïnvloed door neerslag, het peil van het aanwezige oppervlaktewater, de bodemgesteldheid en de aanwezige infrastructuur. De grondwaterstand fluctueert in tijd (afhankelijk van seizoensinvloed en de weersomstandigheden) en in plaats (ruimtelijke spreiding door de bodemopbouw en het watersysteem). Fluctuatie van het grondwater ontstaat op korte termijn door de weersomstandigheden en seizoensinvloed en op lange termijn door stedelijke activiteiten zoals bemaling of andere actieve beïnvloeding van de grondwaterstand en lekkage van bodem of infrastructuur. Rotterdam zet in op het zoveel mogelijk vasthouden en aanvullen van het (grond)water en hanteert als algemeen uitgangspunt dat het grondwater op een natuurlijke manier op peil blijft. Versnippering van het grondwatersysteem is onwenselijk, omdat dit het grondwatersysteem complexer maakt. Het grondwatersysteem in Rotterdam is met de groei van de stad in combinatie met bodemdaling door de jaren heen complexer geworden. Er zijn
26
Figuur 3.3: Gevoeligheid van grondwater in relatie tot stedelijke functies in een droge periode
Figuur 3.4: Gevoeligheid grondwater in relatie tot stedelijke functies in natte periode
27
Autonome ontwikkeling De zeespiegelrijzing en extreme weersomstandigheden door klimaatverandering hebben invloed op de grondwaterstanden. Door klimaatverandering veranderen de patronen van neerslag. Dit kan leiden tot een minder stabiele toevoer van hemelwater naar het grondwater. Door klimaatverandering is er vaker intensieve neerslag en ook meer en langere periodes van droogte. Daarnaast zorgt bodemdaling ervoor dat grondwater eerder tot wateroverlast leidt. Rotterdam zet in op het scheiden van waterstromen. In 2040 zal daardoor minder hemelwater afkomstig van verhard oppervlak worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). In 2019 bedroeg het percentage verhard oppervlak waarvan het hemelwater niet meer op het riool is aangesloten: 16 %. In de referentiesituatie (autonome ontwikkeling 2040) zal dit percentage zijn toegenomen doordat in gebieden waar gelet op de onderhoudsbehoefte van de riolering, rioolvervanging plaatsvindt. Daarbij worden waterstromen zoveel mogelijk gescheiden. Trend op basis van onderzoek is: 2030: 38 % , in 2050: 64% en in 2070: 70 %. Als gevolg van ontwikkelingen in de stad zal de verhouding onverhard/verhard oppervlak en de hoeveelheid groen wijzigen. Een totaalbalans van de verwachte toename en afname in de in verhard/onverhard gebied en de hoeveelheid groen ontbreekt.
Ook privaat gebied kan door afkoppeling en ontharding in de autonome ontwikkeling bijdragen aan de aanvulling van grondwater met hemelwater.
omgeving verslechtert de situatie voor gewenst stedelijk gebruik in relatie tot grondwater. De invloed van de verhouding verhard/onverhard en van toename/afname groen is niet goed aan te geven, te meer daar een totaalbalans als gevolg van de autonome ontwikkeling ontbreekt. 3.2.2.4 Hemelwater Huidige situatie De gemeente Rotterdam verwerkt in het stedelijk gebied het hemelwater dat afkomstig is van gemeentelijk openbaar terrein en ook hemelwater afkomstig van private terreinen. Het rioolsysteem van Rotterdam is ontworpen voor het verwerken van het hemelwater van een bui die eens in de 2 jaar voorkomt. Bij alle neerslaggebeurtenissen met een hogere intensiteit kan niet al het hemelwater door het riool worden verwerkt. Regenwater dat niet verwerkt kan worden, verzamelt zich dan en blijft staan op de laagste punten van het maaiveld. (Te) lage ligging van panden en buitenruimte kan dan wateroverlast veroorzaken of versterken. De gevoeligheid voor wateroverlast verschilt per gebied en per object. In figuur 3.5 is aangegeven welke objecten (vastgoed, infrastructuur en buitenruimte) potentieel kans hebben op overlast of schade als gevolg van extreme neerslag in Rotterdam.
Door het scheiden van waterstromen wordt van steeds minder verhard oppervlak het hemelwater afgevoerd naar de RWZI, meer hemelwater komt terecht in het watersysteem in Rotterdam. Door klimaatverandering in samenhang met zetting, veroudering van infrastructuur en van de gebouwde
28
Figuur 3.5: Kwetsbare Bluelabel panden, infrastructuur en bergingsopgave
Conclusie is dat een aantal gebieden en objecten in de huidige situatie met zeer ernstige hinder te maken kan krijgen. Er is meer ruimte nodig om neerslag te verwerken. Het gaat met name om de buurten: Tussendijken, Landzicht (Overschie), Oude Westen, Heijplaat, Zuidplein, Bloemhof, Spangen, Pernis, Vreewijk en Kralingse veer. Autonome ontwikkeling In de autonome situatie is door klimaatverandering de kans op piekbuien groter dan in de huidige situatie. Door het scheiden van waterstromen wordt van steeds minder verhard oppervlak het hemelwater afgevoerd naar de RWZI. Dat betekent dat meer hemelwater in het watersysteem van Rotterdam terecht komt. Door beide ontwikkelingen neemt de omvang van de opgave voor het verwerken van hemelwater toe. Trend op basis van onderzoek voor extra bergingsopgave is: in 2019 ca. 15.500 m3, in 2030 ca. 46.000 m3, in 2050 ca 79.500 m3 en in 2070 ca 89.000 m3. Wel neemt de verwerkingscapaciteit voor hemelwater de komende jaren enigszins toe. Per saldo blijven er gebieden en infrastructuur met (potentiële) kans op zeer ernstige hinder. 3.2.2.5 Oppervlaktewater Huidige situatie Oppervlaktewater heeft een rol in het functioneren van de groenblauwe structuur, de afwatering van overtollig hemel- en grondwater en de ecologische diversiteit van de stad. Op een aantal plekken zijn zwemlocaties.
Beheer en inrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn gericht op een goede waterkwaliteit die nodig is voor deze functies (minimaal schoon d.w.z. geen drijfvuil en geen gevaar voor de gezondheid, geen stank en geen dode
29
vissen). De kwaliteit van inlaatwater en de doorstroming/doorspoelbaarheid van het watersysteem is van invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater. In de gemeente Rotterdam liggen (delen van) een aantal KRW-waterlichamen. Het gaat onder andere om de Rotte, de Schie, het Noorderkanaal en de grote plassen. Ook Nieuwe Maas, Nieuwe Waterweg, Oude Maas en de Hollandse kust zijn KRW-waterlichamen. Voor deze wateren vindt periodiek toetsing plaats aan de doelen Europese Kaderrichtlijn Water (KRW): een goede chemische en ecologische waterkwaliteit. Figuur 3.6: KRW-waterlichamen
De toestand van de KRW-waterlichamen wordt doorlopend onderzocht en periodiek vastgelegd in factsheets ten behoeve van rapportage aan de EU. De meest recente factsheets zijn van december 2020. (Bron: Factsheet KRWStroomgebiedbeheerplan SGB 2022-2027 V5 2020-12-22 Tussentijdse versie). Op Polder Berkel (NK15_05) na is de chemische waterkwaliteit van alle voor Rotterdam relevante KRW-waterlichamen in 2020 beoordeeld als “Slecht”. Met uitzondering van Polder Berkel en de beide Territoriale Wateren (NL95_Rijn_TEW en NL95_MAAS_TEW) is de ecologische waterkwaliteit in 2020 beoordeeld als “Matig”. Op het onderdeel Specifieke verontreinigende stoffen scoren alle waterlichamen “Slecht”.
30
Tabel 3.1: Overzicht beoordeling KRW-waterlichamen in Rotterdam
Gebied
Naam
Toestand 2020 chemisch Totaal
Toestand 2020 ecologisch Totaal
Biologie
Fysische chemie
Toxische stoffen
Kust
Hollandse Kust
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Rivier
Oude Maas
Slecht
Matig
Matig
Goed
Slecht
Nieuwe Maas
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Nieuwe-Waterweg
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Rotteboezem
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Vaart Bleiswijk
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Ringvaart
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Zevenhuizerplas
Slecht
Matig
Goed
Goed
Slecht
Bergse plassen
Slecht
Matig
Matig
Matig
Slecht
Kralingse Plas
Slecht
Matig
Matig
Goed
Slecht
Boezem Schie
Slecht
Slecht
Slecht
Goed
Slecht
Boezem Westland
Slecht
Slecht
Slecht
Ontoereikend
Slecht
Polder Berkel
Zeer goed
Ontoereikend
Ontoereikend
Goed
Slecht
Noordoost
Noordwest
31
De overige wateren in Rotterdam laten een wisselend beeld zien. Door specifieke maatregelen (o.a. door de aanleg van nieuwe verbindingen en natuurvriendelijke oevers) is de waterkwaliteit plaatselijk verbeterd, maar op veel plekken schiet de waterkwaliteit nog regelmatig tekort. Dit als gevolg van riooloverstorten tijdens periodes met hevige neerslag, inlaat van brak water en blauwalgvorming in warme, droge periodes. In een aantal gebieden is sprake van wateroverlast-knelpunten. Hiervoor gelden bergingsopgaven Nationaal Bestuursakkoord Water (hierna bergingsopgave NBW) op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland, zie ook figuur 3.5. Autonome ontwikkeling In de autonome ontwikkeling wordt gewerkt aan het voldoen aan de bergingsopgave NBW. Bij herinrichting van gebieden en in nieuwbouwgebieden worden de wateroverlast-knelpunten als gevolg van het oppervlaktewatersysteem mede in ogenschouw genomen. In combinatie met maatregelen van de waterbeheerders leidt dit naar verwachting tot afname van de bergingsopgave NBW. Als gevolg van klimaatverandering zullen er meer droge zomers voorkomen. Frequentie en intensiteit van droogte zullen toenemen. Droogte kan leiden tot overlast of schade door het uitzakken van het oppervlaktewaterpeil of de verslechtering van de waterkwaliteit. In droge zomers met neerslagtekorten zal vaker aanvoer van zoetwater nodig zijn.
Het Deltaplan Zoetwater van de Rijksoverheid (i.s.m. de regionale waterbeheerders) voorziet in diverse maatregelen om deze negatieve effecten tegen te gaan.
Ook zijn maatregelen voorzien om de waterkwaliteit te verbeteren. Voor de KRW-lichamen geldt dat in 2027 aan de betreffende normen voldaan moet worden. Door het scheiden van afvalwater en hemelwater zal relatief schoon water worden toegevoegd aan grond- en oppervlaktewater. Ook zal de negatieve invloed van overstorten hierdoor verder afnemen. Op meer plekken zullen natuurvriendelijke oevers gerealiseerd worden. Deze dragen bij aan verbetering van de waterkwaliteit. 3.2.2.6 Samenvatting
Indicator
Huidige situatie
Grondwaterkwaliteit Grondwatersysteem Hemelwater Oppervlaktewater
32
Autonome ontwikkeling
3.2.3
Natuur
3.2.3.1 Ambities
Indicator
Ambitie [Bron]
Beschermde natuurgebieden
Bijdragen aan bereiken van instandhoudingsdoelstellingen Natura2000-gebieden, realisatie en bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) [Wet natuurbescherming].
Ecologische kerngebieden
Behouden of creëren van stabiele ecosystemen [Natuurkaart Rotterdam].
Ecologische verbondenheid
Realisatie van een doorgaande en ecologische groen-blauwe structuur, zowel binnen de stad als richting het buitengebied [Natuurkaart Rotterdam].
Biodiversiteit
Biodiversiteit herstellen, behouden en – waar mogelijk – versterken [Uitvoeringsagenda Biodiversiteit].
Het Rotterdamse gedeelte van het Natura 2000-gebied Solleveld en Kapittelduinen bestaat uit duinen, vochtige duinvalleien, duinplassen, duin/landgoedbossen, graslanden, struwelen en ruigten. Verspreid over Kapittelduinen liggen verschillende bunkers die winterverblijfplaatsen bieden voor verschillende vleermuissoorten. De Voordelta omvat het ondiepe gedeelte van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta. Het betreft een gebied met een gevarieerd en dynamisch milieu van zoute kustwateren, intergetijdengebied en stranden. Figuur 3.8: Natuurnetwerk Nederland bij Rotterdam. Bron: Provincie Zuid-Holland
3.2.3.2 Beschermde natuurgebieden Huidige situatie Binnen de gemeentegrenzen van Rotterdam liggen delen van de Natura 2000-gebieden Solleveld en Kapittelduinen, Voordelta en Oude Maas. In het zuidoosten, bij de Maasvlakte, grenst daarnaast het Natura 2000-gebied Voornes Duin aan de gemeentegrens van Rotterdam (zie figuur 3.7).
De staat van de beschermde natuurgebieden is over het algemeen matig. Factoren als vermesting/verzuring door stikstof en verstoring/betreding
33
door recreanten spelen hierbij een rol. Het beheer is afgestemd op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen, maar vooralsnog zijn deze niet bereikt. Wat betreft het areaal liggen er nog opgaven voor het NNN, zoals de ecologische verbinding in Oranjebuitenpolder. Ook liggen er nog opgaven om het NNN beter te beschermen. Autonome ontwikkeling De groei van de stad legt druk op de openbare ruimte en daarmee ook direct of indirect op de natuur en biodiversiteit. Verdichting in de autonome ontwikkeling kan enerzijds leiden tot een afname van groenoppervlak en anderzijds tot een drukkere stad met meer verstoring en verarming van de bestaande natuur. Een afname van groenoppervlak op maaiveld ten behoeve van ontwikkelingen kan leiden tot verlies van soorten die afhankelijk zijn van de betreffende biotoop, en daarmee leiden tot een afname in biodiversiteit. Daarnaast kan een drukkere stad voor meer verstoring leiden in de vorm van lichtuitstraling en geluid, een hogere betreding van het bestaande groen (o.a. de parken) en vervuiling (door uitstootgassen en zwerfvuil). Ten aanzien van de huidige situatie leidt verdichting van de stad in algemene zin tot een verslechtering. Wanneer er daarnaast door verdichting in de stad en groei van bedrijvigheid in stad en haven meer stikstof op Natura 2000 gebieden terecht komt, bestaat de kans dat daar kwaliteitsverlies optreedt.
De meeste verdichting in Rotterdam vindt in de autonome ontwikkeling plaats in of nabij de binnenstad. Veelal op ruime afstand van de meest nabij gelegen Natura 2000 gebieden. Toenames van stikstof depositie als gevolg van die verdichting zullen daar naar verwachting zeer beperkt zijn.
De groei van bedrijvigheid in het nog in ontwikkeling zijnde Maasvlakte 2 heeft effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden, waaronder Solleveld en Kapittelduinen. Dat heeft in het verleden al geleid tot natuurcompensatie, onder meer met een uitbreiding van het duingebied (Spanjaards duin). Een andere ontwikkeling die kan knellen met de verbetering van de Natura 2000-gebieden is de realisatie een vierseizoenenbadplaats, met name door de toename van betreding van de natuur. Deze ontwikkeling is deels nu al mogelijk op basis van het vigerend bestemmingsplan. In Hoek van Holland wordt de komende jaren ook vrijwel zeker een deel van de Oranjebuitenpolder opnieuw ingericht en toegevoegd als Natuurnetwerk (ontwerp bestemmingsplan Oranjebonnen, 2020), Op initiatief van de provincie wordt hier een ecologische verbinding gerealiseerd tussen Staelduinse bos (gemeente Westland) en de Oranjeplassen, via de Rel en overige natuurgebieden buiten de gemeente en via het Oranjekanaal. Dit zal ten gunste komen aan de robuustheid van de natuurgebieden. Tenslotte zijn op initiatief van de provincie Zuid-Holland in een zone langs de A15, vanaf Maasvlakte 2 tot Rotterdam Beneluxplein windmolens gepland, waarvan een groot deel al is gerealiseerd. Enkele windmolens zijn nog in de planfase.
Omdat deze hele zone voor windmolens in de nabijheid ligt van de Voordelta, Oude Maas en Voornes Duin kunnen ze effect hebben op trekroutes voor vogels (optische verstoring of aanvaringen met wieken). Om die reden zijn deze locaties in het kader van VMR al beoordeeld in een Plan MER (Plan MER partiele herziening VMR windenergie Zuid-Holland, oktober 2017). De ecologische beoordeling in het Plan MER is door de Commissie voor de m.e.r. gelijk gesteld aan een passende beoordeling. Zo nodig worden
34
op projectniveau bij uitvoeringsbesluiten aanvullende beoordelingen gemaakt. 3.2.3.3 Ecologische kerngebieden Huidige situatie De ecologische kerngebieden zijn de zogenaamde ‘ecologische hotspots’ waar belangrijke concentraties van bijzondere planten- en dierensoorten aanwezig zijn die kenmerkend zijn voor Rotterdam. De grote stedelijke (en stadsrand) parken, het Kralingse Bos en de stijlranden van de polders vormen o.a. de kerngebieden, zie figuur 3.9.
Hoewel de haven primair een economische functie heeft, is de natuur ook een belangrijke kwaliteit voor de omgeving in de haven. Waar de natuur die economische functie niet in de weg zit, wordt de natuur met rust gelaten. Op bijvoorbeeld de Maasvlakte zijn voor de rugstreeppad speciale paddenpoelen aangelegd. De huidige staat van de Rotterdamse ecologische hotspots is naar verwachting matig. Kanttekening hierbij is dat alleen het Kralingse bos en het Zuiderpark jaarlijks worden gemonitord. Uitbreiding van de monitoringslocaties is noodzakelijk om meer en vergelijkbare trends in alle kerngebieden te kunnen bepalen, en daaruit algemeen geldende conclusies te kunnen trekken over de staat van de kerngebieden. Autonome ontwikkeling Het effect van woningbouw en verdichting in de Binnenstad op ecologische kerngebieden of hotspots is enerzijds het eventuele directe ruimtebeslag op kerngebieden en anderzijds effecten die optreden als gevolg van ontwikkelingen in de nabijheid van kerngebieden, zoals verstoring in de vorm van licht, geluid en toename van betreding. Daar staat tegenover dat Rotterdam de komende jaren investeert in twintig hectare extra groen in de stad. Dit kan een positieve bijdrage bieden aan het areaal/kwaliteit van waardevolle ecologische plekken. Dit hangt echter vanaf of het toe te voegen groen ook een ecologische waarde heeft.
Het merendeel van het groen wordt gerealiseerd op daken. Groene daken kunnen interessant zijn voor bijvoorbeeld insecten en vogels. Het voegt echter niks toe voor het leven op maaiveld voor bijvoorbeeld zoogdieren. Daarnaast dient rekening te worden gehouden dat de ecologische waarde van het groen afhankelijk is van o.a. type beplanting, het beheer.
35
3.2.3.4 Ecologische verbondenheid Huidige situatie Figuur 3.10 geeft een overzicht van de huidige verbindingen over land, waarbij de nadruk ligt op verbindingen die de verschillende wijken (centrum, buitenwijk en buitengebied) met elkaar verbinden. In en om de stad vallen de verbindingen vaak samen met waterlopen en recreatieve routes, in de haven met de hoofdweginfrastructuur. Figuur 3.10: Groene structuren in Rotterdam. Bron: Natuurkaart Rotterdam
van verbindingen tussen wijken en groengebieden. Het gaat ook om effecten die optreden als gevolg van ontwikkelingen in of in de nabijheid van verbindingen zoals verstoring in de vorm van licht en geluid. In de autonome ontwikkeling ligt de focus op meer groen en realisatie van drie ecologische verbindingen. De komende jaren investeert Rotterdam in twintig hectare extra groen in de stad. Er komt meer groen in de openbare ruimte, op bedrijventerreinen, op daken en dichtbij huis. Bij de inrichtings- en onderhoudsplannen voor de komende jaren, kijkt de gemeente of extra groen toe te voegen is. Daar waar mogelijk worden lokale groene plekken en initiatieven gekoppeld, zodat een doorgaande en beter aangesloten ecologische groen-blauwe structuur ontstaat, zowel binnen de stad als richting het buitengebied. 3.2.3.5 Biodiversiteit