21bb11357 Bijlage 1 behorende bij 21bb11365 - Ontwerpbestemmingsplan Kop van Zuid121021
Tekst van het document
De regelgeving richt zich alleen op de geuremissie door bedrijven en dus niet op concentraties. In september 2006 is geurbeleid voor bedrijven, die gelet op de Wet milieubeheer een vergunning moeten hebben en waarvoor Rotterdam vergunningverlener is, vastgesteld. De bedrijven worden verplicht gesteld om maatregelen te nemen om geuremissie zo veel mogelijk te beperken en het aantal gehinderden te minimaliseren. 6.6.2
Huidige en toekomstige geursituatie
Ten behoeve van het bestemmingsplan is door het ingenieursbureau van Gemeente Rotterdam, Stedelijke Ontwikkeling onderzoek gedaan naar het aspect geur (zie bijlage). Binnen het plangebied komen geen geurbronnen voor anders dan de cruiseschepen die aangemeerd zijn aan de Holland Amerikakade. Door de meldkamer van de Milieudienst Rijnmond DCMR worden geurklachten bijgehouden. Wat betreft de aangemeerde cruiseschepen als veroorzaker van geur zijn door bewoners van de Wilhelminakade / Holland Amerikakade in het jaar 2018 en in 2019 enkele klachten ingediend. Deze aantallen zijn zo gering dat nieuwe gevoelige bestemmingen aan de Wilhelminakade / Holland Amerikakade mogelijk gemaakt kunnen worden binnen het criterium van een goede ruimtelijke ordening (GRO). Nieuwe geurgevoelige bestemmingen op de Kop van Zuid voldoen ook aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening, onder andere omdat de luchtkwaliteit op de Kop van Zuid in voldoende mate voldoet aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit en omdat cruiseschepen slechts enkele procenten van de tijd
63
aangemeerd liggen. De bijdrage aan de luchtkwaliteit en de geurbeleving door de cruiseschepen op de nieuwe woningen zal gering zijn. Deze bijdrage is niet te berekenen door het ontbreken van rekenmodellen die geschikt zijn voor deze specifieke ruimtelijke situatie. Door de inzet van LNG (vloeibaar aardgas) worden de rookgassen van cruiseschepen schoner. Ook door de inzet van walstroom zal de uitstoot van andere schepen op termijn afnemen. 6.6.3
Conclusie aspect geur
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geurbronnen mogelijk. Binnen het plangebied worden met dit bestemmingsplan nieuwe woningen mogelijk gemaakt op de locaties Baltimore, Chicago, Philadelphia & Havanna, gebouw Leidsche Veem en Wilhelminahof. Dit zijn volgens de regelgeving geurgevoelige bestemmingen die moeten worden getoetst aan het geurbeleid. Uit onderzoek blijkt dat er in de bestaande situatie in beperkte mate geurhinder wordt waargenomen in het plangebied die veroorzaakt worden door aangemeerde cruiseschepen. Het mogelijk maken van de voorgenomen woningen op de ontwikkellocaties past binnen het geurbeleid en wordt daarmee gekwalificeerd als een goede ruimtelijke ontwikkeling (GRO).
6.7
Stikstof
Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, te weten de 'Solleveld & Kapittelduinen', 'Oude Maas', 'Westduinpark & Wapendal', 'Nieuwkoopse Plassen' en 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein'. Gelet op de afstand (>10 km) tot Natura 2000-gebieden, de aard van de ontwikkeling (woningbouw) zijn directe effecten zoals verstoring, effecten op waterhuishouding en dergelijke op voorhand uit te sluiten. Effecten die wel op grotere afstand kunnen plaatsvinden zijn depositie effecten als gevolg van toename van stikstofemissies. Natura 2000-gebieden waar sprake is van overbelasting als gevolg van stikstofdepositie betreffen 'Solleveld & Kapittelduinen', 'Westduinpark & Wapendal', 'Nieuwkoopse Plassen'. Deze gebieden liggen op meer dan 10 km afstand. De aanleg en het gebruik van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Kop van Zuid kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator versie 2020 is een berekening uitgevoerd voor de beoogde eindsituatie met bijhorende verkeersgeneratie en de aanlegfase, om inzicht te geven in de eventuele bijdrage van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden. 6.7.1
Conclusie voor het plangebied
Uit de berekening van de aanlegfase (zie Bijlage 6 Stikstof Voortoets v.06 20210304) blijkt dat er in de jaren met de hoogste bouwproductie (2024/2025) geen bijdrage is aan de stikstofdepositie dat wil zeggen (afgerond) niet meer dan 0,00 mol/ha/jr. De gebruiksfase draagt niet bij aan de stikstofdepositie. Enerzijds omdat de nieuwe woningen aardgasloos worden gebouwd en anderzijds omdat het extra wegverkeer als gevolg van dit plan op meer dan 5 kilometer van alle Natura 2000-gebieden plaatsvindt en daardoor per definitie geen effect (0,00 mol/ha/jr) geeft. De ontwikkelingen van het bestemmingsplan Kop van Zuid hebben gezamenlijk geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Van verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten of een significant verstorend effect op soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, is geen sprake.
64
6.8
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.8.1
Plangebied
De Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. De algemene bodemkwaliteit (0 - 2 m onder maaiveld) in het gebied wordt gekenmerkt als licht verontreinigd [Indicatieve bodemkwaliteitskwaar, vastgesteld 2014]. De al uitgevoerde bodemonderzoeken en (aanvullend) historische onderzoeken zijn geraadpleegd. Deze informatie geeft een indruk van lokale verontreinigingen. Op basis van de indicatieve Bodemkwaliteitskaart is de verwachting dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locaties waar het bestemmingsplan woningbouw mogelijk maakt thans al schoon genoeg is voor de woonfunctie. Conform het Historisch Onderzoek (HO) protocol spoedlocaties worden de locaties niet als potentieel spoedeisende locaties beschouwd. De gegevens uit de diverse archieven in combinatie met de resultaten van voorgaande onderzoeken geven een voldoende beeld om een uitspraak te kunnen doen over eventuele risico's op de locaties. Het is niet aannemelijk dat op de locaties sprake is van actuele humane, ecologische en/of verspreidingsrisico's als gevolg van de voormalige bedrijfsdactiviteiten.
6.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op-en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spooren buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets
65
over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR.
Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Risicobronnen Voor het bestemmingsplangebied Kop van Zuid zijn twee risicobronnen relevant en onderzocht door het ingenieursbureau van de Gemeente Rotterdam (Toelichting, Bijlage 8 Onderzoek Externe Veiligheid 20210203). Het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas: het groepsrisicoaandachtsgebied van 200 meter gaat voor een deel over het plangebied. De veiligheidsafstanden uit het provinciale oeverbeleid gaan ook voor een deel over het plangebied. Het vervoer van gevaarlijke over het spoor: het plangebied ligt buiten het groepsrisicoaandachtsgebied, maar binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen van 750 meter. 6.9.1
Transport gevaarlijke stoffen over rail
Over de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het plangebied ligt buiten het groepsrisicoaandachtsgebied, maar binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen van 750 meter. 6.9.2
Transport gevaarlijke stoffen over water
Voor transport van gevaarlijke stoffen over water op het traject Maasmond – Van Brienenoordbrug heeft de provincie Zuid-Holland in de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM), onderdeel Verordening Ruimte, extern veiligheidsbeleid opgesteld. De visie is op 9 juli 2014 vastgesteld en in augustus 2014 in werking is getreden. Van belang is de veiligheidszonering die genormeerd is in artikel 2.1.10 van de Verordening Ruimte. Inmiddels hanteert de provincie als ruimtelijk beoordelingskader het Omgevingsbeleid, bestaande uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland (verder te noemen: de visie), het Programma ruimte en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (met name Afdeling 3.2, 6.2 en artikel 6.40; verder te noemen: de verordening), zoals vastgesteld op 20 februari 2019 en op 1 april 2019 in werking getreden. Inhoudelijk is het beleid ten aanzien van de veiligheidszonering ongewijzigd (artikel 6.21 Omgevingsverordening). Plaatsgebonden risico Over de Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied sprake van zeevaart en binnenvaart. Dit deel van de rivier is aangeduid als een zogenaamde zwarte route, wat wil zeggen dat de 10-6-plaatsgebonden risicocontour van de vaarroute alleen over het water van de Nieuwe Maas ligt. Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de rivier vormt dus geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen op het land.
Groepsrisico Binnen het aandachtgebied van het groepsrisico (200 meter zone vanaf de kade) liggen de ontwikkelplots Baltimore, Chicago en Philadelphia & Havana. Deze ontwikkelingen zijn in het vigerende bestemmingsplan reeds mogelijk gemaakt, maar nog niet gerealiseerd. In het nieuwe bestemmingsplan
66
krijgen ze een maatbestemming. Deze ontwikkelplots zijn als worst-case bestemming aan het rekenprogramma toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat deze toevoeging van ruimtelijk programma nauwelijks invloed heeft invloed op het groepsrisico. Het groepsrisico blijft kleiner dan 0,1% (0,001 maal) van de oriëntatiewaarde. Deze rekenuitkomst komt overeen met de eindrapportage voor het Basisnet Water. Daarin wordt op basis van een risicoanalyse de conclusie getrokken dat dermate veel vervoer per binnenvaartschip vervoerd mag worden, voordat er een relevant groepsrisico aanwezig is, dat dit niet realistisch is. Bij de risicoanalyse die hieraan ten grondslag ligt, is rekening gehouden met een groei van maximaal een factor 10. Oeverbeleid: Plasbrandaandachtsgebied en veiligheidszone Langs de Nieuwe Maas is een plasbrandaandachtsgebied gelegen met een breedte van 25 meter vanaf de oever. Een plasbrand wil zeggen dat er bij een ongeval met een schip dat brandbare vloeistoffen vervoert een plas van deze stof op het water komt te drijven en in brand vliegt. Als deze brandende vloeistof tegen de oever drijft kan schade ontstaan aan de langs de rivier aanwezige bebouwing. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied moet de gemeente verantwoorden waarom op die locatie wordt gebouwd. De ontwikkelplot Baltimore ligt buiten 25 meter van de kade (i.c.
de Holland Amerikakade) van de Nieuwe Maas en voldoet hiermee aan artikel 2.1.10 van de provinciale Verordening Ruimte. Baltimore ligt echter voor een deel binnen 40 meter van deze kade en voor een deel buiten de 40 meter. Het realiseren van Baltimore binnen 40 meter houdt in dat overeenkomstig deze verordening deze nieuwe bebouwing slechts wordt toegelaten als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang, de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en met het oog hierop advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. In de volgende paragraaf zal op deze criteria worden ingegaan. 6.9.3
Conclusie
Vaarweg Nieuwe Maas Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas is niet beperkend voor dit bestemmingsplan. Het groepsrisico is kleiner dan 0,001 (0,1%) maal de oriëntatiewaarde, de ontwikkelingen van dit plan hebben een geringe invloed op het groepsrisico. Binnen de waterlijn is bebouwing in beginsel niet toegestaan (Besluit externe veiligheid transport gevaarlijke stoffen). Omdat het plangebied binnen 800 meter van de kade ligt zal de veiligheidsregio (VRR) adviseren over zelfredzaamheid en hulpverlening. Spoor Omdat het plangebied binnen 750 meter van het goederenspoor voor gevaarlijke stoffen ligt zal de veiligheidsregio (VRR) adviseren over zelfredzaamheid en hulpverlening. Advies Het realiseren van Baltimore binnen 40 meter houdt in dat overeenkomstig de Provinciale Verordening Ruimte deze nieuwe bebouwing slechts wordt toegelaten als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang, de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en met het oog hierop advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
De gemeente Rotterdam is van mening dat om de hierna volgende redenen aan deze criteria wordt voldaan: De ontwikkeling Baltimore past binnen het ontwikkelingsplan van de Kop Van Zuid dat is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan (Eerste herziening Kop van Zuid, vastgesteld 19-3-2009 en onherroepelijk 28-8-2009); De ontwikkeling van Baltimore, als laatste bouwblok aan de Holland Amerikakade, is voor de gemeente van groot economisch en maatschappelijk belang gelet de planontwikkeling van de Kop van Zuid, de realisatie is door de recente financiële crisis vertraagd; Alle reeds bestaande gebouwen (WPC gebouw, Cruiseterminal, De Rotterdam en het KPN gebouw) langs de Holland Amerikakade zijn ook (deels) gebouwd binnen 40 meter van de kade; Aan de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond zal om advies worden gevraagd. Verantwoording groepsrisico Het groepsrisico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas blijft zeer ruim onder de
67
oriëntatiewaarde en neemt door de ontwikkelingen nauwelijks toe. Het groepsrisico moet door het bestuur worden verantwoord bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Volgens het groepsrisicobeleid van de gemeente Rotterdam geldt voor deze risicobron een lichte verantwoording van het groepsrisico. In het bestemmingplan wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de definitieve inrichting van de te ontwikkelen locaties dient ten aanzien van de blusvoorzieningen en bereikbaarheid door hulpdiensten advies te worden gevraagd bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.
6.10
Natuur
6.10.1 Inleiding Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.10.2 Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties.
Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. In het kader van de Wet natuurbescherming is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten, evenals naar beschermde gebieden in of nabij het plangebied. (Zie Bijlage 9.) Nieuwe ontwikkelingen zijn getoetst aan de aanwezige natuurwaarden.
68
De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn de Oude Maas, op ca. 7,1 km afstand tot het bestemmingsplangebied en Boezems Kinderdijk op circa 9,5 km afstand. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van ten minste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreft het Krammer-Volkerak). De wijzigingen in het bestemmingsplan hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000gebieden. 6.10.3 Samenvatting onderzoek flora en fauna Voor Kop van Zuid wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld welke dient te worden getoetst aan vigerende natuur wet- en regelgeving. Binnen het bestemmingsplangebied vinden enkele wijzigingen plaats. (Verdiepend) Onderzoek naar flora en fauna is bij enkele ontwikkelingen nodig. Bij ruimtelijke activiteiten die binnen een bestaande bestemming vallen (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw, kap van beplanting) dient voorafgaand aan de uitvoering ervan flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Indien er in het bestemmingsplan in de toekomst alsnog ontwikkelingen gepland worden, waarbij een bestemmingsplanwijzing of projectbestemmingsplan noodzakelijk is, dan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Eventuele benodigde ontheffingen dienen verkregen én aan voldaan te zijn voordat met de realisatie van de ontwikkelingen begonnen kan worden.
Voor het bestemmingsplan zijn de Verordening ruimte, voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en de soortenbescherming en gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming relevant: De meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebieden (Oude Maas en Boezems Kinderdijk) liggen buiten de invloedssfeer van mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplangebied. Negatieve invloeden op de Natuurnetwerk Nederland gebieden en Belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het vaststellen van het bestemmingsplan zijn uitgesloten. De onder de Wet natuurbescherming geregelde bescherming van houtopstanden valt buiten deze toetsing. In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor gebouwbewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten Slechtvalk. Hiernaast is er potentie voor habitatrichtlijnsoorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Tweekleurige vleermuis en Laatvlieger. Het plangebied is ongeschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland wel vrijstelling geldt en waarvoor in de provincie Zuid-Holland geen vrijstelling geldt. Naast onder de Wet natuurbescherming streng beschermde soorten is het plangebied geschikt voor categorie 5- vogels, algemene broedvogels en in de provincie vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Geadviseerd wordt om bij renovatie, sloop en nieuwbouw gebouwen geschikt te maken voor medebewoning door fauna (natuurinclusief bouwen). Kansen voor natuur liggen met name bij het ontwikkelen van het uitbreiden van het openbaar groen, gevelbeplanting en het aanbrengen van nestvoorzieningen van vogels in de vorm van nestkasten of groenplateaus. Bij ruimtelijke ingrepen die plaats vinden binnen bestaande bestemmingen (zoals het slopen van gebouwen, ingrijpende renovatie, herinrichting van terreinen, kapwerkzaamheden of werkzaamheden in of aan waterlopen of de oevers daarvan) is voorafgaand aan de werkzaamheden een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht. De verwachting is dat bij het toepassen van de juiste mitigatie een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen kan worden. Met inbegrip van bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan 'aanvaardbaar' is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming en andere kaders m.b.t. natuur.
69
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het Beleidsplan Naleving Omgevingsrecht 2017 - 2021, wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
70
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Voor de ontwikkel- en nieuwbouwlocaties is een gemeentelijke grondexploitatie gestart. De nog te ontwikkelen locaties Baltimore, Chicago, Philadelphia-Havana en Veemstraat-Posthumalaan (Wilhelminahof) zijn daar onderdeel van. Het kostenverhaal is op deze manier verzekerd. De detaillering in functies die in dit bestemmingsplan is aangebracht heeft eenzelfde basis als voorheen - het masterplan Wilhelminapier (1994) - en leidt niet tot grote wijzigingen in de bestemming ter plekke. Het betreft eerder een verschuiving van functies dan een wijziging. De nadere detaillering heeft om die reden nagenoeg geen effect op het kostenverhaal in de grondexploitatie voor dit gebied.
71
Hoofdstuk 9
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. WSHD, Waterschap Hollandse Delta; 3. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam; 4. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 5. DCMR, Milieudienst Rijnmond; 6. Tennet, Zuid-Holland, beheerder hoogspanningsnet; 7. Stedin, regionale netbeheerder gas en elektriciteit; 8. WBR, Warmtebedrijf Rotterdam, beheerder warmtetransportnetwerk; 9. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 10. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 11. K.P.N. Telecom; 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 13. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 14. Evides, bedrijf voor distributie drinkwater; 15. Ministerie van Defensie, dienst gebouwen, werken en terreinen; 16. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; 17. Ministerie van Infrastructuur en Milieu; 18. Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland.
9.1
GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM
GS geeft aan dat het provinciaal ruimtelijk beoordelingskader is vastgelegd in het Omgevingsbeleid, bestaande uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland (verder te noemen: de visie), het Programma ruimte en de Omgevingsverordening Zuid-Holland (met name Afdeling 3.2, 6.2 en artikel 6.40; verder te noemen: de verordening), zoals vastgesteld op 20 februari 2019 en op 1 april 2019 in werking getreden. In de visie, het Programma ruimte en de verordening zijn beleid respectievelijk regels opgenomen voor de borging en bescherming van provinciale ruimtelijke belangen. In het kader van de beoordeling van het plan aan het hiervoor genoemde (ruimtelijk) beoordelingskader, geeft het plan aanleiding tot het maken van opmerkingen op de ondelen kantoren, detailhandel en externe veiligheid. Op basis van de aangeboden gegevens heeft GS geconstateerd dat het plan op bovengenoemde punten onvoldoende rekening houdt met de betrokken provinciale ruimtelijke belangen en verzoekt GS daarom om het plan op deze onderdelen aan te passen. 9.1.1
Kantoren
De provincie hanteert een selectief locatiebeleid voor kantoren. Uitgangspunt van het provinciaal beleid is dat nieuwe kantoren alleen worden toegelaten binnen de concentratielocaties voor kantoren en binnen de scienceparken. Het onderhavige plangebied is aangemerkt als ontwikkelingslocatie voor kantoren zoals bedoeld in artikel 6.11 “kantoren”, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II van de Omgevingsverordening. Eind juni 2019 heeft de provincie de kantorenvisie van de MRDH aanvaard. In deze aanvaarding is beschreven waar nog plancapaciteit beschikbaar is en waar geschrapt moet worden. Verder is er nauwelijks extra ruimte beschikbaar in de MRDH voor nieuwe plancapaciteit voor kleine kantoren en kantoren op de concentratielocaties. Voor de locatie Kop van Zuid/Rijnhaven is er in de aanvaarde visie 10.325 m2 b.v.o. voor uitbreiding van kantoren opgenomen. Het is op basis van het plan en de toelichting voor ons echter niet duidelijk hoeveel nieuwe (planologische) vierkante meter kantoorruimte er in dit plan mogelijk wordt gemaakt en hoe zich dat verhoudt tot het genoemd aantal bvo kantoorruimte voor deze locatie in de aanvaarde kantorenvisie. Wij verzoeken u dit nader te motiveren.
72
Commentaar: In de MRDH Strategie werklocaties uit 2019 is aangegeven dat op de Kop van Zuid het plan voor Baltimore in de ijskast/afgevoerd is vanwege woonkwaliteit. Wel kan de nieuwe locatie aan de rand van Kop van Zuid inspelen op de vraag naar hoogwaardige kleine kantoren naast grootschalige kantoren op de rest van de Wilhelminapier en aan Laan op Zuid. In de toelichting paragraaf 2.2.3 is de verwijzing naar de Agenda MRDH uit 2016 geschrapt en wordt nu verwezen naar de Strategie Werklocaties 2019-2030 (2019). Het bestemmingsplan biedt op de locatie Baltimore beperkt ruimte voor kleinschalige kantoren. Realisatie van deze locatie is voorzien in de periode na 2025. In de bestemming voor de locatie is een regel opgenomen voor afwijken, waarmee een grotere hoeveelheid kantooroppervlak gerealiseerd kan worden (tot 43.000 m2), maar alleen als dit in overeenstemming is met een op regionaal en provinciaal niveau aanvaarde kantorenvisie. De locatie Veemstraat biedt ruimte voor de uitbreiding van de rechtbank. In de planregels is opgenomen dat kantoren niet meer dan 7.000 m2 mogen innemen. Ook voor deze locatie is opgenomen dat hiervan mag worden afgeweken (tot 16.000 m2), als dit in overeenstemming is met een op regionaal en provinciaal niveau aanvaarde kantorenvisie. In hoofdstuk 4 is de toelichting per locatie verduidelijkt en bovenstaande toegelicht. 9.1.2
Detailhandel
Uitgangspunt van het provinciaal detailhandelsbeleid is dat nieuwe detailhandel primair gevestigd wordt binnen of aansluitend aan de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk. Buiten de centra kan alleen ruimte worden geboden aan specifieke branches van detailhandel (‘perifere detailhandel’) of, onder voorwaarden, een aantal vormen van kleinschalige detailhandel, ondergeschikte detailhandel en afhaalpunten voor niet-dagelijkse goederen. Uw gemeentelijk detailhandelsbeleid gaat uit van het concentreren in de winkelgebieden en verspreid aanbod tegengaan. Het tegengaan van verspreid aanbod is een goed uitgangspunt en komt in de basis overeen met ons beleid. Wij constateren echter dat met het voorliggende plan hier geen invulling aan gegeven wordt. Op bladzijde 20 van de toelichting geeft u de winkelconcentratiegebieden weer. Voorliggend bestemmingsplan voegt juist verspreid aanbod toe op een aantal plekken. In 'Centrum - 1' wordt de bestaande situatie vastgelegd. In de andere Centrum-bestemmingen wordt er juist detailhandel toegevoegd. Dat is in bestaande gebouwen, alleen op de begane grond, en de vestigingen worden beperkt tot 300 m2 bvo. Het totaal aantal vierkante meters dat op basis van de regels wordt mogelijk gemaakt vinden wij onvoldoende onderbouwd.
Het provinciaal beleid geeft slechts een beperkt aantal uitzonderingen voor detailhandel buiten de centra bijvoorbeeld voor kleinschalige detailhandel, zoals gemakswinkels. Onduidelijk is hoeveel nieuwe vierkante meters detailhandel het plan nu mogelijk maakt en hoe zich dat verhoudt tot het provinciaal detailhandelsbeleid. Op basis van het plan zoals het nu is voorgelegd lijken de detailhandelsmogelijkheden in dat opzicht te ruim. GS verzoekt dit nader te motiveren. Commentaar: In lijn met het provinciale beleid gaat het gemeentelijk beleid uit van het concentreren van detailhandel. Op de verbeelding is bij de locaties 'Centrum - 2' tot en met 'Centrum - 5' geen aanduiding 'detailhandel' gegeven. In de toelichting op het ontwerp is in paragraaf 4.4 nader duidelijk gemaakt dat bij twee van de vier ontwikkellocaties (Chicago en Veemstraat) kleinschalige detailhandel in de vorm van gemakswinkels zijn toegestaan. Bovendien is het oppervlak detailhandel per ontwikkellocatie begrensd op 300 m2 b.v.o.. In de regels van de bestemmingen is dit nu in het ontwerp explicitiet opgenomen.
73
9.1.3
Externe veiligheid
In de toelichting van het bestemmingsplan verwoordt Rotterdam het provinciaal beleid ten aanzien van de Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas. Hierbij verwijst Rotterdam echter nog naar de Visie Ruimte en Mobiliteit. Zoals voorgaand vermeld is inmiddels het provinciaal Omgevingsbeleid in werking. GS adviseert de tekst in de toelichting op dit punt te actualiseren. Inhoudelijk is het beleid ten aanzien van de veiligheidszonering ongewijzigd (artikel 6.21 Omgevingsverordening). Voor de Kop van Zuid geldt aan de Holland Amerikakade dat binnen een gebied tot 25 meter vanaf de kade geen nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing mag worden toegelaten. Het kaartbeeld is te summier om thans te kunnen beoordelen of de ontwikkeling Baltimore al dan niet binnen 25m ligt. In de toelichting wordt tevens gesproken over een overkraging en onderdoorgang. Dat zou kunnen betekenen dat vanaf 8,5m vrije doorgang hoger gelegen verdiepingen (tot 175 meter hoog) alsnog binnen de 25m kunnen komen te liggen. GS verzoekt in het plan te borgen dat de footprint en het deel dat overhangt ook echt buiten 25m ligt. Voor de zone tot 40m merkt Rotterdam terecht op dat nog advies uitgebracht moet worden door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Voor onze beoordeling van het plan is dit advies van de VRR relevant.
Commentaar: Aanvullend wordt in paragraaf 6.8.2 aangegeven dat in 2019 het provinciale Omgevingsbeleid in werking is getreden. Bij de toelichting over de locatie Baltimore (paragraaf 4.3.1) is aangegeven dat de footprint van de locatie op 25 meter afstand van de Holland Amerikakade ligt. De toegestane overkraging daarentegen is 9 meter en ligt wel binnen de 25 meter afstand van de kade. Op advies van de Veiligheidsregio zijn in het ontwerp, ter bescherming van de veiligheid, extra bouwregels opgenomen. De regels stellen dat de gevel bestand moet zijn tegen een hoeveelheid warmtestraling. Wij gaan ervan uit dat met het overnemen van het advies er geen knelpunt ten aanzien van het ruimtelijk beoordelingskader van de provincie.
9.2
WSHD, Watershap Hollandse Delta
Het waterschap geeft aan dat de werkzaamheden buiten de zonering van de waterkering liggen. Het waterschap geeft als advies dat er geen vergunning nodig is van het waterschap. Commentaar: Voor kennisgeving aangenomen.
9.3
VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
De afdeling Risicobeheersing van de VRR brengt in het kader van fysieke veiligheid advies uit over de mogelijkheden voor effectieve hulpverlening, de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van de aanwezigen en de continuïteit van de samenleving. Zij doet dit door middel van een analyse van de omgeving, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario's en hun effecten worden beschouwd. Uiteindelijk kan dit zich vertalen in omgevings-, bouwkundige, installatietechnische en/of organisatorische maatregelen. Voor dit plan geldt het volgende advies: 9.3.1
Bereikbaarheid en bluswater
De VRR adviseert rondom de ontwikkelingen te zorgen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt hiervoor mogelijkheden om daar invulling aan te geven.
74
Commentaar: Dit wordt gezien als een algemeen advies. Hiervan wordt kennisgenomen. 9.3.2
Bouwkundige maatregelen
9.3.2.1 Ventilatie uitschakelbaar Construeer de te realiseren gebouwen zodanig (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012) dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden. Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Commentaar: Artikel 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012 luidt als volgt: 'Een in een veiligheidzone te bouwen bouwwerk met een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld'. Het is wettelijk verplicht om bij nieuwbouw binnen de veiligheidszone zo te bouwen dat de mechanische ventilatie handmatig kan worden uitgeschakeld. 9.3.2.2 Vluchtmogelijkheden Construeer de te realiseren gebouwen, liggende aan de Wilhelminakade en de Otto Reuchlinweg, zodanig dat aanwezige personen goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. Voor het ontvluchten is het wenselijk minimaal één (nood)uitgang van de Nieuwe Maas af te richten (ten zuiden richting de Rijnhaven). Commentaar: Naar aanleiding van de opmerking van de VRR is in de bouwregels van 'Centrum - 2' het volgende opgenomen: In het belang van de fysieke veiligheid dienen gebouwen ten minste één (nood)uitgang te hebben die van de Nieuwe Maas afgekeerd is.
9.3.2.3 Warmtestralingsflux Construeer de locatie Baltimore zodanig dat het gebouw beschermd is tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) als gevolg van een plasbrand. Artikelen 2.5 tot 2.10 van de Regeling Bouwbesluit zijn hierop van toepassing. Hierbij kan voor de gevels gericht naar de risicobron gedacht worden aan blinde gevels of het beperken van het glasoppervlak. De gevels en/of het glasoppervlak die gericht zijn naar de risicobron behoren bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux van 15 kW/m2 gedurende minimaal 60 minuten. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand op de gevel. Commentaar: Naar aanleiding van de opmerking van de VRR is in de bouwregels van 'Centrum - 2' het volgende opgenomen: In het belang van de fysieke veiligheid dienen de gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de Nieuwe Maas, binnen 25 meter afstand van de oever van de Nieuwe Maas, bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux van 15 kW/m2. 9.3.2.4 Handreiking brandveiligheid van hoge gebouwen Construeer de te realiseren gebouwen met een verblijfsgebied-vloer hoger dan 70 meter boven meetniveau conform de ‘Handreiking brandveiligheid van hoge gebouwen’.
Commentaar: Voor gebouwen hoger dan 70 meter biedt het Bouwbesluit geen universele bouwtechnische voorschriften. Door de hoogte vallen dergelijke gebouwen buiten het directe toepassingsgebied van het Bouwbesluit 2012, waardoor een aan het Bouwbesluit gelijkwaardig veiligheidsniveau moet worden aangetoond. Dat houdt in dat er ten opzichte van het Bouwbesluit aanvullende bouwkundige,
75
installatietechnische of organisatorische voorzieningen (BIO) nodig zijn. Bij het ontwerpen van brandveiligheid in hoge gebouwen heeft het bevoegd gezag c.q. de brandweer, de mogelijkheid om zelf nadere eisen te stellen aan de te nemen brandveiligheidsmaatregelen. De handreiking is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen marktpartijen, bevoegd gezag en Brandweer Nederland en biedt handvatten om een optimale brandveiligheid van hoge gebouwen te realiseren. De handleiding is te zien als een algemeen advies met handvatten voor het realiseren van een optimale brandveiligheid van hoge gebouwen. Van dit advies wordt kennisgenomen. 9.3.3
Draag zorg voor een goede voorlichting
Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne "Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand". Doorgaans is schuilen in een (nabijgelegen) gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website "www.rijnmondveilig.nl" vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Commentaar: Deze adviezen vallen niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en daarom kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld.
9.4
DCMR, Milieudienst Rijnmond
DCMR geeft aan geen formele reactie te geven in het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Commentaar: Wij danken voor deze opmerking. Hiervan wordt kennisgenomen.
9.5
TenneT, beheerder hoogspanningsnet
TenneT dankt voor toezending van het concept. Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. TenneT heeft dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wenst veel succes bij de verdere uitwerking hiervan. Commentaar: Wij danken voor deze reactie. Hiervan wordt kennisgenomen.
9.6
LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland
De LVNL beoordeelt of voorgenomen bouwplannen / werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van elektronische navigatie-, communicatie- en surveillancehulpmiddelen (CNS). In het vooroverleg is advies gevraagd aan de LVNL. Er is geen aanleiding om toetsingsvlakken of extra bouwregels op te nemen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ligt binnen een zone van 3 tot 10 kilometer van de communicatieapparatuur. Dit deel van het toetsingsvlak is enkel van toepassing op windturbines. Windturbines zijn niet aan de orde in Kop van Zuid. Daarom heeft de LVNL geen officiële reactie kenbaar gemaakt. Commentaar: Wij danken de LVNL voor de extra toelichting en nemen deze voor kennisgeving aan.
76
9.7
NGU, N.V. Nederlandse Gasunie
Het plan is door de NGU getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor NGU aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komt NGU tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding van NGU valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Commentaar: Wij danken NGU voor de reactie en nemen deze voor kennisgeving aan.
9.8
Participatie en informatie
In de startfase wijst de gebiedsdirecteur enkele commissieleden aan die een actieve rol vervullen bij het nieuw op te starten bestemmingsplan. De commissie maakt wensen/advies voor het nieuwe bestemmingsplan kenbaar bij de startbijeenkomst. Tijdens de startbijeenkomst is in overleg met betrokkenen besloten welke ontwikkelingen wel of niet worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Deze zijn in de startnotitie aangegeven. Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de gebiedscommissie om advies gevraagd. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, zal een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een informatieavond georganiseerd worden waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.
77
78
Regels
79
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
plan
Het bestemmingsplan Kop van Zuid met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP1107KopvanZuid- van de gemeente Rotterdam. 1.2
bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanbouw (uitbouw)
Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4
aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6
Achtererfgebied
Erf aan de achterkant van het oorspronkelijke hoofdgebouw en aan de zijkant(en) ervan, op meer dan 1 meter van de erfgrens aan de zijde van het openbaar toegankelijke gebied, alsmede op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7
Archeologisch deskundige
Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.8
Archeologisch monument
Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet. 1.9
Bebouwing
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.10
Bebouwingspercentage
Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen. 1.11
Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond
Het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond” dat als Bijlage 3 is gevoegd bij de regels van dit plan of een herziening of wijziging van dit beleidskader. 1.12
Bedrijven
De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels.
80
1.13
Belwinkel
Een inrichting waarvan de bedrijfsvoering onder welke benaming dan ook is gericht op het ter plaatse tegen betaling bieden van gelegenheid tot elektronische berichtenuitwisseling in de vorm van telefonie of door middel van toegang tot het internet. Een op de openbare weg geplaatste telefooncel wordt hier niet onder begrepen. 1.14
Beperkt kwetsbare objecten
a. woningen, kantoorgebouwen, hotels, restaurants, winkels en bedrijfsgebouwen, voor zover deze objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; b. sporthallen, zwembaden, speeltuinen; c. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; d. andere objecten die met de onder a en b genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten niet tot de categorie Kwetsbare objecten behoren; e. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval. 1.15
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidt ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.16
bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.17
bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18
Bouwaanduidingen
Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.19
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20
Bouwgrens
De grens van een Bouwvlak. 1.21
Bouwlaag
Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdtstuk 2 anders is bepaald.
81
1.22
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.23
Bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel. 1.24
Bouwverordening
Bouwverordening Rotterdam 2010, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.25
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.26
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.27
Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)
Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend. 1.28
Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.29
Bijgebouw
Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel. 1.30
Bijzondere objecten
a. b. c. d.
bejaardentehuizen en verpleeginrichtingen (zoals ziekenhuizen en sanatoria); scholen en winkelcentra; hotels, kantoor- en bedrijfsgebouwen, bestemd voor meer dan 50 personen; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals computer- en telefooncentrales, gebouwen met vluchtleidingsapparatuur; e. objecten die door secundaire effecten een verhoogd risico met zich brengen, zoals bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en/of giftige stoffen; f. een recreatieterrein: 1. een terrein voor langdurig verblijf van personen gedurende een gedeelte van een jaar, zoals camping; 2. een terrein voor kortstondig verblijf van grote groepen personen gedurende een gedeelte van de dag, zoals een speeltuin, een volkstuin, een sportveld of een openluchtzwembad; g. andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten. 1.31
Cultuur
Voorzieningen gericht op kunst, ontspanning, vrijetijdsbesteding en vermaak, zoals bioscopen/filmhuizen, musea, muziekcentra en theaters.
82
1.32
Dakterras
Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. 1.33
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.34
Dienstverlening
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.35
Bedrijfswoning
Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. 1.36
Dove gevel
a. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede, b. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits deze niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. In dit verband wordt onder een geluidgevoelige ruimte verstaan een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2. 1.37
Erf
Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.). 1.38
Erfgoedwet
De Erfgoedwet (2016), zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.39
Gevaarlijke stoffen
Stoffen of preparaten die krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.40
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.41
Geluidgevoelige objecten
Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor
83
een functie die niet als geluidgevoelig kan worden beschouwd. 1.42
GGD
Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond. 1.43
Hoofdgebouw
Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.44
Hoog-risico biologisch laboratorium
Een biologisch laboratorium met een biologische veiligheidsklasse 3 of hoger zoals bedoeld in het “Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond”. 1.45
Horeca
Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.46
Hotel
Het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. 1.47
Kap
Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.48
Kantoren
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.49
Kleinschalige speeltoestellen
Speeltoestellen niet hoger dan 4 meter. 1.50
Kwetsbare objecten
a. woningen, met uitzondering van: 1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare; 2. dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, zoals: 1. kantoorgebouwen en hotels met een b.v.o. van meer dan 1500 m² per object; 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk b.v.o. meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal b.v.o. van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen.
84
1.51
Maaiveld
De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.52
Maatschappelijke voorzieningen
Voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. 1.53
Milieudeskundige
De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.54
NAP
Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.55
Nieuw hoog risico biologisch laboratorium
Nieuwvestiging van een hoog-risico biologisch laboratorium of uitbreiding van een bestaand (hoog-risico biologisch) laboratorium met een hoog-risico biologisch laboratorium. 1.56
Oorspronkelijke zij- resp. achtergevel
De zij- resp. achtergevel van een gebouw op het tijdstip van eerste oplevering van het gebouw. 1.57
Openbaar nutsvoorzieningen
Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen). 1.58
Openbaar toegankelijk gebied
Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b. van de Wegenverkeerswet 1994, openbaar water, alsmede ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van de zogenaamde brandpaden voor de achterontsluiting van tuinen voor langzaam verkeer. 1.59 a. b. c. d. e.
Overige objecten
een sporthal of een zwembad; een weidewinkel; een hotel, een kantoor- of bedrijfsgebouw, niet vallend onder de categorie bijzondere objecten; een schuur, opslagplaats, dierenverblijf, zomerhuisje, kas, weg en dergelijke; andere, met de bovengenoemde vergelijkbare objecten.
1.60
Peil (straat-)
a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. 1.61
Praktijkruimte
Een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
85
1.62
Publieke dienstverlening
Bestuursorganen van de overheid en de daaraan gekoppelde ambtelijke diensten ten behoeve van de beleidsvoorbereiding en -uitvoering, alsmede politie, brandweer, reinigingsdiensten, gezondheidsdiensten. 1.63
Rijbaan
Elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, met uitzondering van (brom)fietspaden. 1.64
Rijstrook
Gedeelte van de rijbaan van een weg (welke door middel van doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd is) van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken. 1.65
Seksinrichting
De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. 1.66
Souterrain
Een gedeeltelijk onder het maaiveld gelegen gebruiksruimte van een gebouw. 1.67
Straatmeubilair
Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.68
Tuin
Terrein ten behoeve van de aanleg van groenvoorzieningen, met de daarbij behorende verharding (paden, terrassen) en vijvers en dat in overwegende mate niet voor bebouwing in aanmerking komt. 1.69
Uitstekende delen aan gebouwen
Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d. 1.70
VRR
Veiligheidstregio Rotterdam-Rijnmond 1.71
Water
Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. 1.72