21bb11357 Bijlage 1 behorende bij 21bb11365 - Ontwerpbestemmingsplan Kop van Zuid121021
Tekst van het document
Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. 4.4.8
Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied
Op 1 november 2014 is Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bijlage II Bor) gewijzigd. In dit besluit is onder meer het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied geregeld. De wijziging van 1 november 2014 heeft ertoe geleid dat het bouwen van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied (op grond van artikel 2 van Bijlage II Bor) is verruimd ten opzichte van de oude regeling. Dat betekent dat er bij een woning of ander hoofdgebouw meer aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen vergunningvrij mogen worden gebouwd dan voorheen het geval was. De verruiming is mede het gevolg van een andere benadering voor het berekenen van de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het vergunningvrije bouwen moet in samenhang gezien worden met de regels in het bestemmingsplan.
43
Dat leidt ertoe dat het bestemmingsplan in beginsel geen invloed heeft op het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken op grond van artikel 2 Bijlage II Bor. Het bestemmingsplan kan alleen maar regelen wat er méér is toegestaan dan wat de regeling uit artikel 2 toelaat. Hoeveel er op grond van de nieuwe regeling aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht, is afhankelijk van de oppervlakte van het bebouwingsgebied. Het bebouwingsgebied maakt onderdeel uit van het achtererfgebied. Hoe groter het bebouwingsgebied, hoe groter de oppervlakte aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Het komt erop neer dat maximaal 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gebouwd. Dat is het geval bij grote percelen. Bij een doorsnee perceel zal deze oppervlakte veel beperkter zijn. In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om geen aanvullende regeling voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op te nemen. Dit gezien het in het plangebied voorkomende type hoogstedelijke woonbebouwing waarbij geen / nauwelijks particuliere tuinen aanwezig zijn of overig onbebouwd gebied dat tot achtererfgebied gerekend kan worden. 4.4.9
Verkeers-, verblijfsgebieden en groen
De Laan op Zuid, Posthumalaan, Veemstraat en het Wilhelminaplein hebben de bestemming 'Verkeer Wegverkeer' gekregen. In deze bestemming zijn bijvoorbeeld ook trambanen, bruggen en viaducten toegestaan. De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is gebruikt voor de gebieden die in principe onbebouwd zijn, zoals de kades, groenzones, parkeerterreinen, wegen en fietspaden. Kleine bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes of ook de uitblaasopeningen van ondergrondse parkeergarages en de ondergrondse parkeergarages zelf zijn binnen de bestemming wel toegestaan. De gebieden die vrij van verkeer dienen te blijven en in principe gereserveerd zijn voor voetgangersgebied (voetgangersgebied in het bestemmingsplan uit 2009) hebben een functieaanduiding 'verkeer uitgesloten' (-v) gekregen. Enkele structurele groengebieden, zoals delen van het Koninginnehoofd en Tillemakade, zijn bestemd als 'Groen'. 4.4.10 Water De Spoorweghaven is bestemd als 'Water - 1'. Met een functieaanduiding 'jachthaven' (jh) is aangegeven dat hier de uitbreiding van de jachthaven (in de Entrepothaven) is toegestaan. De jachthaven heeft bijbehorende voorzieningen als aanlegsteigers en hekwerken. De Rijnhaven zelf is buiten het plan gehouden. In de Rijnhaven zijn voorzieningen zoals steigers toegestaan.
Steigers voor het aanleggen van schepen, waaronder de watertaxi, maar ook vaste of drijvende steigers ten behoeve van recreatie of de toegang tot drijvende bouwwerken. Drijvende bouwwerken, zoals het paviljoen met de halve bollen aan de Tillemakade en het kantoor van de nieuwe internationale klimaatcommissie (The Global Commission on Adaptation). De Nieuwe Maas en de Koningshaven hebben de bestemming 'Water - 2' gekregen. Dit water is ook bestemd voor verkeer te water en de aanwezige bruggen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'brug' (br). Ter plaatse van de functieaanduiding 'haven' (ha) zijn de steigers en het drijvend kantoor van de watertaxi toegestaan. 4.4.11 Zones, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen Binnen het bestemmingsplan zijn verschillende dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bestemmingen liggen over de enkelbestemmingen en regelen feitelijk dubbelgebruik of bescherming van de gronden. 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' zijn in de regels opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied. Voor bepaalde werkzaamheden in de grond is een omgevingsvergunning nodig. Een beschrijving van de archeologische waarden is gegeven in hoofdstuk 3. 'Waarde - Cultuurhistorie 2' is gegeven aan beeldbepalende objecten.
Uit de cultuurhistorische verkenning blijkt dat twee gebouwen cultuurhistorisch waardevol zijn en als beeldbepalend object te beschouwen zijn. Deze objecten hebben een dubbelbestemming gekregen. De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' gaat uit van behoud van de objecten en werpt een drempel op tegen sloop. Sloop is in principe niet mogelijk. Alleen indien maatschappelijke, technische
44
of economische overwegingen zwaarwegend genoeg zijn om een uitzondering te maken, kan er een sloopvergunning worden verleend. Verder leidt de dubbelbestemming ertoe dat in geval van nieuwbouw voldoende rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de locatie. 'vrijwaringszone - spoor' Enkele meters breder dan de ondergrondse metrolijn en het ondergronds station is ter bescherming van de metrotunnel en het station een gebiedsaanduiding opgenomen. In de regels is bepaald dat er behalve ten behoeve van het spoor en bijbehorende voorzieningen niet gebouwd mag worden binnen deze zone. Afwijken van het bouwverbod is mogelijk, waarbij eerst advies zal worden ingewonnen bij de spoorbeheerder. 'geluidzone - industrie 1 en 2' Op de verbeelding is de gebiedsaanduiding opgenomen voor de geluidzone van twee gezoneerde industrieterreinen. Zowel de zone van het industrieterrein Waal- en Eemhaven als die van Maas- en Rijnhaven. De ontwikkelingen binnen deze geluidzones zijn getoetst aan wetgeving en beleid. 'toetsingsvlakken communicatieapparatuur' Het luchtruim boven het bestemmingsplan wordt ook gebruikt voor communicatie voor onder andere het vliegverkeer van de burgerluchtvaart.
De LVNL, luchtverkeersleiding Nederland, beoordeelt of voorgenomen bouwplannen / werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van elektronische navigatie-, communicatie- en surveillancehulpmiddelen (CNS). Deze beoordelingen vinden plaats aan de hand van internationale burgerluchtvaartcriteria (ICAO). In het vooroverleg is advies gevraagd aan de LVNL. Er is geen aanleiding om toetsingsvlakken op te nemen in de regels van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ligt binnen een zone van 3 tot 10 kilometer van de communicatieapparatuur. Dit deel van het toetsingsvlak is enkel van toepassing op windturbines. Windturbines zijn niet aan de orde in Kop van Zuid. De LVNL heeft geen bezwaar tegen de in het bestemmingsplan opgenomen ontwikkelruimte.
45
Hoofdstuk 5
Water
5.1
Beleidskader
5.1.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Het buitendijks gebied van de Kop van Zuid behoort tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen. Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen.
De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2
Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3
Regionaal beleid
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.
46
5.1.4
Rotterdams Weerwoord
Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken. De belangrijkste versterkingen zijn: Vergroening van de stad als adaptatiemaatregel om hitte tegen te gaan, draagt ook bij aan de vertraging van neerslag. Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is goed voor gebieden met (te) lage grondwaterstanden.
Waterbergende voorzieningen op gebouwen combineren met verkoelende maatregelen (groen dak) draagt bij aan reductie van wateroverlast en hitte. Zonnepanelen op groene daken hebben een hogere opbrengst. Hoger aanleggen van vitale voorzieningen reduceert zowel risico’s van overstroming vanuit de rivier als door extreme neerslag. De belangrijkste belemmeringen zijn: Meer bomen en groen in de stad zorgt voor een grotere watervraag die de gevolgen van droge perioden versterken. Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is nadelig voor gebieden met (te) hoge grondwaterstanden.
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
Het plangebied ligt geheel buitendijks. In het plangebied ligt geen water dat in beheer is van Waterschap Hollandse Delta. In het plangebied liggen de Nieuwe Maas, de Rijnhaven en de Spoorweghaven. Dit water is in beheer van Rijkswaterstaat. 5.3.2
Grondwater
Voor grondwater zijn er een aantal peilbuizen in het plangebied. Deze peilbuizen meten de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). De gemiddelde ontwateringsdiepte is in het plangebied bij elke peilbuis groter dan 1,50 m. De ontwateringsdiepte is dus ruim voldoende voor de functies in het gebied.
47
5.3.3
Riolering
Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 28 (Zuiden). In het plangebied ligt grotendeels een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District Zuiden voert af naar district 23 Charlois en vervolgens naar de AWZI Dokhaven. Regenwater wat op de kades valt wordt gedeeltelijk rechtstreeks afgevoerd naar de havenbekkens en de Nieuwe Maas. Binnen het plangebied zijn er een aantal overstorten op de Rijnhaven. Een van de overstorten loost via een persleiding op de Rijnhaven. 5.3.4
Waterkwaliteit
De Nieuwe Maas en de aanliggende havens zijn een KRW waterlichaam. Gegevens over de waterkwaliteit zijn beschikbaar in de factsheets die een bijlage vormen bij de stroomgebiedsplannen 2016-2021. De Nieuwe Maas wordt gekarakteriseerd als een sterk veranderd waterlichaam. Dit betekent dat de Nieuwe Maas door menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat dit niet door herstelmaatregelen ongedaan gemaakt kan worden. Voor een sterk veranderd waterlichaam is herstel naar een goede ecologische toestand meestal niet haalbaar. Voor sterk veranderde waterlichamen zijn daarom aangepaste normen geformuleerd. 5.3.5
Waterkering en waterveiligheid
Het gebied ligt geheel buitendijks, in het gebied liggen geen waterkeringen. Waterveiligheid buitendijks Het plangebied ligt geheel buitendijks. Dit betekent dat hoog water niet wordt tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water, wordt bepaald door de terugkeertijden van hoge waterstanden in de Nieuw Waterweg en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes relatief klein. De kans op slachtoffers in het buitendijks gebied is dan ook gering. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiele schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beide afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben. Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies. Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn. Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting.
Om een indicatie te geven van de kwetsbaarheid voor wateroverlast van het bestemmingsplangebied is de waterdiepte ten opzichte van het maaiveld weergegeven bij een hoogwatersituatie in het huidige klimaat met een terugkeertijd van 1/4.000 jaar. De gebruikte waterhoogte is NAP +3,44 meter.
48
Afbeelding Overstromingsdiepte buitendijks gebied, huidig klimaat 1 / 4000 jr
Uit de kaart blijkt dat er op basis van de huidige maaiveldhoogtes bij maatgevende waterhoogtes van 1/4.000 jaar op de kades water komt te staan. Nautische veiligheid De Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied een rijksvaarweg van CEMT-klasse VIb. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (titel 2.1 Rijksvaarwegen) is aangegeven dat langs de Nieuwe Maas ter hoogte van het plangebied (klasse VIb) een vrijwaringzone aanwezig is van met een breedte van 25 meter. De vrijwaringzone wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg, zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Bovenstaande houdt in dat bij het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan ten opzichte van hetgeen nu is toegestaan op minder dan 25 meter van de oever rekening gehouden moet worden met het voorkomen van belemmeringen voor de vaarweg. Het gaat om belemmeringen zoals: belemmering van de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, in de hoogte en in de vaardiepte; hinderen van de zichtlijnen voor de scheepvaart; hinderen van contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; beperking van de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten; belemmering van de mogelijkheid tot het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.
In de huidige situatie zijn er geen gegevens waaruit blijkt dat het gebruik van de zone langs deze vaarweg hinder of belemmeringen oplevert zoals benoemd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Aangezien het gebied geheel buitendijks ligt, er geen waterkeringen en/of beschermingzones aanwezig zijn, zijn hiervoor in de regels en op de verbeelding ook geen dubbelbestemmingen opgenomen.
5.4
De wateropgave
Deze paragraaf beschrijft per wateraspect de effecten die de ontwikkellocaties hebben op de waterhuishouding.
49
5.4.1
Oppervlaktewater
In het gebied ligt geen oppervlaktewater behalve de Nieuwe Maas en de havenbekkens. De ontwikkelingen hebben hier geen invloed op. De bestaande mogelijkheid om een deel van de Rijnhaven te dempen blijft gehandhaafd. Dit is geen nieuwe ontwikkeling. De Rijnhaven is onderdeel van het waterstaatwerk ‘Rivier’ onder de Waterwet waardoor in principe een vergunning moet worden aangevraagd bij het rijk (art. 6.5). De Rijnhaven valt echter in de zone waarvoor een vrijstelling vergunning waterstaatswerken geldt (Waterbesluit art 6.16). De Rijnhaven ligt tevens niet in het stroomvoerend deel van de Nieuwe Maas (Grote Rivieren) waardoor de bestemmingsbeperkingen uit artikelen 2.4.3 en 2.4.4 van het BARRO niet van toepassing zijn. Vroegtijdige afstemming met Rijkswaterstaat is nodig. Voor de Nieuwe Maas wordt nog gezocht naar mogelijkheden om natuurvriendelijke oevers te realiseren. Het dempen van de Rijnhaven biedt mogelijk kansen. 5.4.2
Grondwater
In het buitendijks gelegen gebied is nu al veel verharding. Ook zijn al meerdere ondergrondse parkeergarages aanwezig die de grondwaterstroming beïnvloeden. Verwacht wordt dat de plannen geen belangrijke invloed hebben op de grondwaterstanden. 5.4.3
Riolering
Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het scheiden van schoon en vuil water verplicht, de gemeente Rotterdam eist daarbij het verwerken van hemelwater op het eigen terrein. Als uitgangspunt geldt hierbij het bergen van 70 mm regenwater in een uur en 80 mm regenwater in een dag. Dit leidt tot vermindering van vuilwateroverstorten, wat de waterkwaliteit ten goede komt, en zorgt ervoor dat er minder water wordt afgevoerd naar de AWZI. De hoeveelheid afvalwater zal toenemen, de nieuwe functies die mogelijk gemaakt worden in het bestemmingsplan kunnen leiden tot een toename van afvalwater van 49 m3 /uur. Als gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om een deel van de Rijnhaven te dempen dan moet tijdig overlegd worden met de beheerder van het rioolstelsel over het verlengen van de persleiding die uitkomt in de Rijnhaven. 5.4.4
Waterkwaliteit
De ontwikkelingen hebben geen invloed op de waterkwaliteit, uitzondering hierop is de te realiseren jachthaven in de Spoorweghaven. De invloed hiervan zal echter naar verwachting beperkt zijn en geen invloed hebben op de waterkwaliteit in het kaderrichtlijnwaterlichaam de Nieuwe Maas. 5.4.5
Waterkering en waterveiligheid
Waterveiligheid buitendijks Ter plaatse van de nieuwe ontwikkelingen ligt het huidige maaiveld op een aantal locaties onder het gewenste uitgiftepeil van NAP + 3,60 m. Geadviseerd wordt om nieuwe gebouwen zo aan te leggen dat ze droog blijven bij een waterpeil van NAP + 3,90 m. In elk geval moeten kwetsbare voorzieningen (zoals ziekenhuizen, nutsvoorzieningen, risicovolle bedrijven) boven dat peil worden aangelegd. Nautische veiligheid Binnen de vrijwaringszone van 25 meter vanaf de oever vinden geen ontwikkelingen plaats. De nieuw aan te leggen jachthaven zal zorgen voor vaarbewegingen in en uit de Spoorweghaven. Bij de verdere uitwerking van de plannen is het nodig om een analyse te maken wat de invloed daarvan is op het scheepverkeer op de Nieuwe Maas. Klimaatkansen De nieuwe ontwikkelingen bieden kansen voor nuttige gebruik van afvalwater en regenwater. Door groen toe te voegen bijvoorbeeld in de vorm van groene gevels en/of groene daken kunnen de gevolgen van hittestress worden beperkt.
50
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieu effect rapportage
Het instrument milieueffectrapportage wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1
Plangebied
Als ontwikkeling maakt het bestemmingsplan Kop van Zuid wonen met stedelijke functies mogelijk op 4 nieuwbouwlocaties en op een locatie door middel van optopping. Verder kan in de Spoorweghaven een uitbreiding van de jachthaven worden gerealiseerd. In totaal gaat het om een uitbreiding tot ongeveer 265.000 m2 b.v.o. aan wonen inclusief stedelijke functies. Om te bepalen of het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, is het programma getoetst aan de Nederlandse en Europese wetgeving. De bovengenoemde ontwikkeling moet worden gezien als een ontwikkeling zoals omschreven in het Besluit m.e.r. kolom 1, opgenomen in het onderdeel D 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. En onderdeel D 10: De aanleg wijziging of uitbreiding van […] jachthavens. Er dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Als uitgangspunt geldt dat alleen een milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld indien het bevoegd gezag (in dit verband het college) van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. Bij de m.e.r.-beoordeling voor dit bestemmingsplan dienen de ontwikkelingen die in dit plan worden mogelijk gemaakt, te worden beschouwd.
Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 3 criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
51
Het college neemt, tegelijk met het besluit tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De strekking van dit besluit is dat er vanwege het bestemmingsplan Kop van Zuid geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden verwacht. Daarom heeft het college besloten dat er voor dit bestemmingsplan geen milieueffectrapport zal worden opgesteld. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit ligt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan als afzonderlijk besluit ter inzage, en is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Conclusie Het college van B&W is bevoegd gezag in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en daarmee bevoegd het m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. B&W heeft besloten dat er geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat er geen belangrijke nadelinge gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. Zie ook Bijlage 2 M.e.r.-beoordelingsbesluit.
6.3
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1
Plangebied
Voor de gebiedstypering wordt gebruik gemaakt van de kaart bij het boekje Bedrijven en Milieuzonering Rotterdam. Daarop is een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voor gemengde gebieden of bij industriegebieden en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden. Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als gemengd woongebied. In een gemengd gebied mag de afstand tussen woningen en bedrijven wat kleiner zijn dan tussen een woonwijk en een bedrijventerrein. De gewenste afstand tussen bedrijven en woningen is afhankelijk van de categorie van het bedrijf. In een gemengd woongebied kunnen bedrijven in milieucategorie 3 als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Een bedrijf in milieucategorie 3.1 is toegestaan op minimaal 30 meter van woningen, deze bedrijven komen thans in het woongebied niet voor. In het gemengd woongebied worden doorgaans bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst die opgenomen is in de bijlage van de regels.
Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de
52
begane grond, waarboven wordt gewoond. In de praktijk laten deze functies zich in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Overige activiteiten in of nabij het plangebied Het plangebied kent enkele stedelijke activiteiten die in te delen zijn in milieucategorie 3, te weten het metrostation Wilhelminaplein (categorie 3.2) en het Luxor theater (categorie 3.1). Ook de levering van LNG aan cruiseschip Aida valt onder milieucategorie 3.1. Voor het metrostation en het theater geldt een indicatieve afstand van 50 respectievelijk 30 meter tot woningen. De activiteit rond het metrostation is geconcentreerd rond de in- en uitgangen en is gelegen op afstanden van meer dan 50 meter tot bestaande en nieuwe woningen. Voor het theater is de activiteit geconcentreerd rond de entree en gevel aan de kade en deze zijn gelegen op meer dan 30 meter tot bestaande en nieuwe woningen. Vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening zijn deze activiteiten dus passend op deze locatie. Los daarvan moet in het kader van de vergunning zorg worden gedragen voor een goede geluidisolatie. De uitbreiding van de jachthaven Rotterdam Marina naar een deel van de Spoorweghaven is eerder aangegeven in het gebiedsplan en het vorige bestemmingsplan.
Een jachthaven kan gerekend worden tot een activiteit in de milieucategorie 3.1, zodat hier eveneens een indicatieve afstand tot woningen aangehouden kan worden van zo'n 30 meter. De afstand van de aanduiding tot woningen voldoet aan de richtafstand. De levering van LNG aan het cruiseschip is een tijdelijke activteit en is niet in het bestemmingsplan bestemd. De combinatie horeca en wonen In het gebied zijn voornamelijk ochtendhoreca en daghoreca gevestigd. Het horeca-aanbod is in balans met de overige functies in de wijk. De woonfunctie is fysiek hoger gelegen. In het kader van horecagebiedsplannen dient de komende periode gemonitord te worden hoe de voorzieningenfunctie zich ontwikkelt ten opzichte van de woonfunctie, want er is wel sprake van een serieus aantal klachten met betrekking tot geur en geluid. 6.3.2
Conclusie
In het plangebied van bestemmingsplan 'Kop van Zuid' en de omgeving daarvan zijn geen bedrijfsactiviteiten en andere activiteiten aanwezig die gezien de indicatieve afstanden voor milieuhinder van invloed zijn op de locaties waar woningen kunnen worden gerealiseerd. Zodat de ontwikkeling van woningen niet door milieuzonering in de weg wordt gestaan.
6.4
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet-wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.
Onderzocht wordt of de maximaal
53
toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. Plangebied Het bestemmingsplan Kop van Zuid biedt de planologische mogelijkheden om op 6 locaties nieuwe woningen te realiseren. (BM Baltimore, CG Chicago, LV Leidsche Veem, HV Havana, PD Philadelphia, WH Wilhelminahof) In onderstaande figuur is de ligging weergegeven van de ontwikkellocaties waar de beoogde woningen worden toegelaten. Figuur: Ligging ontwikkellocaties waar nieuwe woningen zijn gepland in het plan
Wettelijke geluidbronnen Voor dit plan zijn de wettelijke geluidbronnen wegverkeerslawaai en industrielawaai relevant. De aspecten railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai zijn voor dit bestemmingsplan niet van belang. De beoogde ontwikkelingen liggen namelijk niet binnen de geluidzone van een spoorweg en/of een luchtvaartterrein. Relevante niet-wettelijke geluidbronnen Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing (GRO) van het bestemmingsplan en conform het ontheffingsbeleid Wgh van gemeente Rotterdam wordt ingegaan op de invloed van andere relevante niet-wettelijke geluidbronnen binnen of in de directe omgeving van het plangebied op de beoogde ontwikkellocaties zoals scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven en 30 km/uur-wegen. Scheepvaart De ontwikkellocaties bevinden zich langs de Nieuwe Maas en binnen de invloedsfeer van de Koningshaven waarop de scheepvaart plaatsvindt. Derhalve wordt de scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven in dit onderzoek als een relevante niet-wettelijke geluidbron beschouwd. 30 km/uur-wegen Voor dit bestemmingsplan zijn er geen relevante niet-zoneplichtige geluidbronnen. Langs de ontwikkellocaties zijn geen 30 km/uur wegen gelegen. In het akoestisch onderzoek (Bijlage 3) is bepaald of de beoogde woningen volgens de bepalingen van de Wgh kunnen worden gerealiseerd.
Tevens wordt inzage gegeven in de te verwachte geluidbelasting als gevolg van de relevante niet-wettelijke geluidbronnen. Daarnaast is onderzocht of het plan voldoet
54
aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Aangegeven wordt welke eventuele maatregelen getroffen dienen te worden, dan wel welke beperkingen door wet- en regelgeving kunnen optreden. 6.4.1
Wegverkeer
Als in een zone langs een weg nieuwe situaties mogelijk worden gemaakt, dan moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximum snelheid. In het akoestisch onderzoek kunnen wegen waar een snelheid van maximaal 30 km/u geldt buiten beschouwing blijven. In de onderstaande tabel is de zonebreedte aangegeven.
Bij nieuwe geluidgevoelige situaties is de voorkeurswaarde aan de gevel 48 dB. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft volgens artikel 83 van de Wet geluidhinder de bevoegdheid om een hogere waarde vast te stellen, tot maximaal 53 dB voor buitenstedelijke wegen en tot maxmaal 63 dB voor binnenstedelijke wegen. De onderbouwing van dit voornemen, het ontwerpbesluit, wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Om na te gaan in hoeverre aan de normen van de Wet geluidhinder kan worden voldaan is akoestisch onderzoek uitgevoerd. In bijlage 5a van het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht van de rekenresultaten weergegeven van de zoneplichtige wegen en tramsporen bij de onderzochte locaties. Tramlijnen Op de Laan op Zuid, een deel van de Wilhelminakade en de Erasmusbrug rijden de tramlijnen 20, 23 en 25. In het akoestisch onderzoek is de ligging van deze tramlijnen weergegeven. De sporen van deze tramlijnen liggen op de Laan op Zuid in grasveld en op de Wilhelminakade en de Erasmusbrug in DAB. De tramsporen op de genoemde tramtrajecten zijn gescheiden tramsporen waarop alleen het tramverkeer mogelijk is. Optrektoeslag Bij de berekening van de geluidbelasting van wegen is een optrektoeslag meegenomen voor de met verkeerslichten geregelde kruisingen binnen een afstand van 150 meter tot de locaties.
In het akoestisch onderzoek is te zien voor welke kruisingen een optrektoeslag is meegenomen bij de berekeningen. Artikel 110g Wgh De toe te passen aftrek conform artikel 110g Wgh bedraagt 5 dB, aangezien de maximumsnelheid op deze wegen 50 km/uur is. 6.4.2
Industrielawaai
In het Rijnmondgebied is reeds in de jaren '90 rond meerdere industrieterreinen waarop de zogenaamde grote lawaaimakers zich bevinden een geluidcontour van 50 dB(A) vastgesteld. Deze vastgestelde geluidcontour mag door de op het industrieterrein gelegen bedrijven niet worden overschreden. Het gebied tussen de grens van het industrieterrein en de daaromheen vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontour is de geluidzone. Een groot deel van het plangebied bevindt zich binnen de geluidzone van het industrieterrein "Maas- en Rijnhaven". Tevens ligt een deel van het plangebied binnen de geluidzone van het industrieterrein "Waalen Eemhaven". Deze industrieterreinen zijn derhalve in dit onderzoek de relevante geluidbronnen voor het plangebied. De ligging van de relevante delen van de vastgestelde 50 dB(A)-geluidcontouren rond deze industrieterreinen is in een bijlage bij het akoestisch onderzoek opgenomen. Alle locaties liggen binnen de geluidzone van het industrieterrein Maas- en Rijnhaven. Tevens liggen ontwikkellocaites BM en CG binnen de geluidzone van het industrieterrein Waal- en Eemhaven. Deze industrieterreinen zijn derhalve relevant voor de locaties.
55
6.4.3
Resultaten en toetsing
6.4.3.1 Wegverkeerslawaai In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht van de rekenresultaten weergegeven van de zoneplichtige wegen en tramsporen bij de onderzochte locaties. De geluidbelastingen vanwege de Statendam, Edam, Prinsendam, Hillelaan en Stieltjesstraat zijn onderzocht en liggen ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Omwille van de overzichtelijkheid van dit rapport zijn deze rekenresultaten niet in de bijlage van het akoestisch onderzoek opgenomen. In onderstaande tabel is de maximaal berekende geluidbelasting voor de onderzochte locaties weergegeven als gevolg van de zoneplichtige wegen en trams die een overschijding van de voorkeurswaarde veroorzaken. De gepresenteerde resultaten zijn inclusief aftrek van 5 dB conform artikel 110g van de Wgh.
56
Uit de tabel blijkt dat de voorkeurswaarde (48 dB) op alle ontwikkellocaties wordt overschreden vanwege één of meerdere zoneplichtige wegen. De maximaal toelaatbare geluidbelastingen vanwege een stedelijke weg voor woningen (63 dB) wordt daarbij niet overschreden. 6.4.3.2 Industrielawaai Waal- en Eemhaven In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de geluidbelastingen op ontwikkellocaties BM en CG ten gevolge van het industrieterrein Waal- en Eemhaven. Daaruit blijkt dat de geluidbelasting vanwege dit industrieterrein op ontwikkellocaties BM en CG aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voldoet. Maas- en Rijnhaven In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de geluidbelastingen bij de onderzochte locaties ten gevolge van het industrieterrein Maas- en Rijnhaven. In onderstaande tabel is de maximaal berekende geluidbelasting vanwege het industrieterrein Maas- en Rijnhaven per locatie weergegeven.
Uit de tabel blijkt dat de geluidbelasting vanwege industrieterrein Maas- en Rijnhaven op locatie Leidsche Veem aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voldoet. Op de overige locaties wordt de voorkeurswaarde overschreden, maar wordt de maximaal toegestane geluidbelasting vanwege industrieterrein Maas- en Rijnhaven niet overschreden. 6.4.3.3 Scheepvaart In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de berekende gecumuleerde geluidbelastingen vanwege de scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven bij de onderzochte ontwikkellocaties. In onderstaande tabel is de maximaal berekende gecumuleerde geluidbelasting voor de onderzochte locaties weergegeven als gevolg van de scheepvaart op de Nieuwe Maas en in de Koningshaven.
Uit de tabel blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting vanwege de scheepvaart op de genoemde vaarroutes op de ontwikkellocaties CG, HV, LV, PD en WH aan de voorkeurswaarde van 55 dB voldoet.
57
De gecumuleerde geluidbelasting vanwege de scheepvaart overschrijdt de voorkeurswaarde op locatie BM met 2 dB. 6.4.4
Cumulatie geluid
6.4.4.1 Cumulatie in het kader van de Wet geluidhinder Binnen het plangebied is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarden voor wegverkeerslawaai en industrielawaai op alle ontwikkellocaties. Derhalve is een cumulatie van meerdere bronsoorten aan de orde. In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de cumulatieve geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai en industrielawaai. Daarin is de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven op rekenpunten waar sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde door meer dan één geluidbronsoort. De daarbij gebruikte geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn exclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De maximale cumulatieve geluidbelasting is berekend op ontwikkellocatie WH, Wilhelminahof en bedraagt 68,5 dB. Voor deze locatie levert de geluidbelasting vanwege wegverkeer de grootste bijdrage. 6.4.4.2 Cumulatie in het kader van een GRO Omdat er op ontwikkellocatie BM vanwege de scheepvaart (niet-wettelijke geluidbron) overschrijdingen van de voorkeurswaarde zijn berekend, zijn deze waarden in het kader van een GRO met de overschrijdingen van de voorkeurswaarde vanwege het wegverkeerslawaai en het industrielawaai op locatie BM gecumuleerd.
In het akoestisch onderzoek is een uitgebreid overzicht weergegeven van de cumulatieve geluidbelastingen op ontwikkellocatie BM vanwege wegverkeer, industrie en scheepvaart. Daarin is de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven op rekenpunten waar sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde door meer dan één geluidbron. De daarbij gebruikte (cumulatieve) geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn exclusief de aftrek conform artikel 110g van de Wgh. De maximale cumulatieve geluidbelasting is berekend op rekenpunten op rekenhoogtes 10 meter en 13 meter en bedraagt 65,5 dB. Op deze rekenpunten levert de scheepvaart geen bijdrage aan de cumulatieve geluidbelasting. 6.4.5
Ontheffingsbeleid Rotterdam
Wegverkeer De gecumuleerde geluidbelasting inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh is vanwege de zoneplichtige wegen bij de locaties per bouwlaag berekend en weergegeven in de laatste kolom van bijlage 5 uit het akoestisch onderzoek. Uit de genoemde bijlage blijkt dat BM: de onderste bouwlagen aan de zuidgevel geluidbelast zijn. De overige bouwlagen en gevels zijn geluidluw; CG: alleen de westgevel en de bovenste 3 bouwlagen zijn geluidluw; LV: alleen de westgevel en de 1e (op)bouwlaag van de zuidgevel is geluidluw; HV: de noord- en oostgevels zijn geluidbelast. De zuid- en westgevels zijn geluidluw; PD: de noordgevel en een klein deel van de westgevel is geluidbelast. De zuid- en het merendeel van de westgevel is geluidluw; WH: de gevels aan de zuid- en westelijke zijden zijn geluidbelast. Evenals een groot deel van de noordelijke en oostelijk gelegen geveldelen op de hogere bouwlagen. Een groot deel van de gevel gericht op het binnenplein van het Wilhelminahof is geluidluw. Alle gebouwen beschikken over minimaal één geluidluwe zijde en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid. Realisatie van woningen die eenzijding gericht zijn op 1 gevelzijde vraagt op alle locaties de nodige aandacht.
Bij de uitwerking van de woningen in een bouwplan is de ontwikkelaar verplicht om ervoor zorg te dagen dat in het uiteindelijke ontwerp iedere woning over een geluidluwe gevel beschikt. Industrie Voor de geluidbelasting vanwege het industrieterrein Maas- en Rijnhaven wordt de grenswaarde voor een geluidluwe gevel (50 dB(A)) overschreden. Deze overschrijdingen doen zich voor op de gevels die gericht
58
zijn op het industrieterrein. De gevels die afgekeerd zijn van het industrieterrein hebben alle een geluidbelasting die lager is dan 50 dB(A). Alle ontwikkellocaties hebben derhalve een geluidluwe zijde vanwege industrielawaai. Scheepvaart In het onderzoek is het beoordelingskader voor scheepvaartlawaai gelijkgesteld aan die van railverkeerslawaai. Daarom wordt bij de beoordeling van de geluidluwheid uitgegaan van de grenswaarde van 55 dB voor railverkeerslawaai. Uit de rekenresultaten blijkt dat alle ontwikkellocaties over minimaal één geluidluwe gevel beschikken en daarmee aan het ontheffingsbeleid voldoen. 6.4.6
Conclusie
Als het voor het bestemmingsplan nodig is om hogere waarden vast te stellen moet op basis van de Wet geluidhinder eerst worden gekeken of de geluidbelasting teruggebracht kan worden door bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen of maatregelen t.p.v. de geluidbelaste locatie. In het kader van een GRO moet worden gekeken naar de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen. En op basis van Rotterdams beleid moeten nieuwe woningen in principe ten minste 1 geluidluwe gevel hebben. Het in een bestemmingsplan mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, en daarmee samenhangend het vaststellen van hogere waarden (het toestaan van een hogere maximale geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige situaties), moet worden gemotiveerd.
Bij deze motivering moeten de volgende aspecten worden betrokken: de hoogte van de geluidbelasting vanaf zoneplichtige geluidbronnen (waarbij een toets aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsvindt); de hoogte van de geluidbelasting vanaf niet zoneplichtige geluidbronnen (30 km/uur wegen en tramlijnen); de gecumuleerde geluidbelasting; maatregelen aan de geluidbron, overdrachtsmaatregelen en maatregelen ter plaatse van de geluidbelaste locatie; de regel uit het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder dat nieuwe woningen in principe over een geluidluwe gevel moeten beschikken (een gevel waarop de maximale geluidbelasting van wegverkeer niet hoger is dan 53 dB en van railverkeer niet hoger is dan 55 dB). 6.4.6.1 Hogere waarden Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai en industrielawaai tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. Deze waarden dienen bij het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan Kop van Zuid als hogere waarden te worden aangevraagd.
59
Ontheffingsbeleid Rotterdam - Wegverkeer Alle gebouwen, met uitzondering van het Wilhelminahof, beschikken over minimaal één geluidluwe zijde en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid. Realisatie van woningen die eenzijdig gericht op een gevelzijde zijn, vraagt op alle locaties de nodige aandacht.
60
- Industrie Alle ontwikkellocaties hebben een zijde met een geluidbelasting lager dan 50 dB(A) en beschikken derhalve over een geluidluwe zijde. Op alle ontwikkellocaties vraagt realisatie van woningen aan de zijde gericht op het industrieterrein Maas- en Rijnhaven de nodige aandacht. - Scheepvaart Alle ontwikkellocaties beschikken over minimaal één geluidluwe gevel en voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam.
6.5
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties
61
van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.5.1
Plangebied
Ten behoeve van het bestemmingsplan is door het ingenieursbureau van Gemeente Rotterdam, Stedelijke Ontwikkeling onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit, zie Bijlage 5 Onderzoek Luchtkwaliteit 20210216). Luchtkwaliteit In en rondom dit plangebied wordt in de huidige situatie aan de grenswaarden voldaan. Ook in de toekomst (tot 2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. Cumulatie De ontwikkelingen leiden tot extra wegverkeer dat zich van/naar het schiereiland afwikkelt over een verkeersknooppunt dat bestaat uit meerdere wegen op het 'vasteland'. Binnen 1.000 meter is het plangebied Katendrecht gelegen waarbinnen ook ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden. Daarom is nagegaan of de cumulatieregeling van toepassing is, met andere woorden of de ontwikkelingen van Katendrecht moeten worden meegenomen bij de bepaling of het plan Kop van Zuid een niet in betekenende mate bijdrage (NIBM) geeft. De ontsluitingswegen waarin het verkeer van beide plangebieden elkaar overlappen zijn de Posthumalaan en de Hillelaan. Uit een verkeersanalyse is gebleken dat circa 35% van het verkeer van/naar het schiereiland Katendrecht over de Posthumalaan/Hillelaan (tussen de Brede Hilledijk en Posthumalaan) gaat en dat circa 32% van het verkeer van/naar het schiereiland Kop van Zuid over deze route gaat.
Omdat deze beide percentages lager zijn dan 50% betekent dit dat deze twee plangebieden niet over een gezamenlijke ontsluitingsweg in de zin van deze regeling beschikken en dat cumulatie daarmee niet vereist is. Stedenbouwkundig programma Het gaat in totaal om 282.000 m2 b.v.o. aan nieuwbouw programma, overwegend ingevuld met appartementen (tot ongeveer 2.500) en een beperkte hoeveelheid kantoren (ongeveer 10.000 m2 b.v.o.), horeca en commercieel programma genereert minder verkeer dan het aantal van 3.000 woningen dat bij een tweezijdige ontsluiting mag mogen worden gebouwd onder de NIBM regelgeving (Besluit NIBM, Regeling NIBM). Cruiseschepen Aan de Holland Amerikakade liggen regelmatig cruiseschepen aangemeerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aandacht besteed aan de effecten van de cruiseschepen op de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan als zodanig gaat niet over de uitstoot van cruiseschepen en toetsen aan grenswaarden is daarom niet aan de orde. Wel is het nodig om aan te geven dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening als woningen worden mogelijk gemaakt op korte afstand van aangemeerde cruiseschepen. Als onderbouwing gelden de volgende elementen: De luchtkwaliteit op de Wilhelmina op de Kop van Zuid (Holland Amerikakade) voldoet in ruime mate aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Het percentage uren per jaar dat er een cruiseschip aangemeerd ligt is klein (aannames: 1 cruiseschip ligt 16 uur aangemeerd (17.00-9.00 uur), 50 cruiseschepen per jaar), d.w.z. minder dan 10%. Baltimore wordt een hoog gebouw (175 meter hoog). Dat betekent dat het aanzuigpunt van de mechanische ventilatie ook hoog ligt, en hoger dan de schoorstenen op de cruiseschepen; De overheersende windrichting ligt tussen zuid en west, alleen bij noord-oostelijke wind kunnen rookgassen van de cruiseschepen richting Baltimore waaien. 'Hoge bomen vangen veel wind.' Dit geldt ook voor hoge gebouwen zoals de nieuwe Baltimore, de
62
windsnelheid neemt toe met de hoogte wat tot extra atmosferische verdunning leidt. Kwalitatief bezien zullen cruiseschepen slechts een geringe bijdrage leveren aan de luchtkwaliteit in de woningen in de Baltimore. Ditzelfde geldt ook voor de verderaf gelegen ontwikkelingen zoals de Chicago. Er is geen geschikt rekenmodel beschikbaar om de bijdrage te berekenen. Wel kan aangegeven worden dat Rotterdam inzet op het gebruik van LNG, waardoor de rookgassen van cruiseschepen schoner worden. En door de inzet van walstroom zal de uitstoot op termijn afnemen. 6.5.2
Conclusie
In de analyse is aangetoond dat het plan Kop van Zuid zelfstandig mag worden getoetst aan de NIBM regelgeving, dat wil zeggen dat cumulatie met het plan Katendrecht niet van toepassing is. Het plan Kop van Zuid geeft een niet in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de Wet Luchtkwaliteit en tevens aan het Rotterdamse beleid.
6.6
Geur
6.6.1
Wet- en regelgeving, beleid
Het rijksbeleid ten aanzien van geur is sinds 1995 primair gericht op het voorkómen van (nieuwe) hinder in de woonomgeving en bij geurgevoelige bestemmingen. De mate van hinder kan met behulp van belevingsonderzoeken of klachtenregistraties worden bepaald. Welke mate van hinder nog acceptabel is, wordt bepaald door het bevoegde bestuursorgaan. Onder een geurgevoelige bestemming worden verstaan: woonwijk, lintbebouwing, ziekenhuizen, sanatoria, bejaarden- en verpleeghuizen, recreatie gebieden (verblijfsrecreatie), woonwagenterreinen, woonboten, asielzoekerscentra, scholen en kinderopvang. Ook het provinciale beleid in Zuid-Holland is erop gericht dat nieuwe hinder moet worden voorkomen. Dit kan met behulp van een contour waarbij een relatie wordt gelegd met de mate van hinder. Geurhinder is niet alleen afhankelijk van de concentratie van een stof in de lucht, maar ook van het type geur. Op basis van de contour kan gekomen worden tot een verantwoorde inpassing van geurrelevante inrichtingen in relatie tot geurgevoelige bestemmingen. Vergunningenbeleid Om het bevoegd gezag te ondersteunen bij het maken van uniforme afweging is er voor verschillende sectoren en bedrijfstakken een generiek toetsingskader geformuleerd. Voorschriften en toetsingskader zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.