21bb1050 Bijlage behorende bij 21bb1049 over Milieueffectrapport windpark Maasvlakte 2
Tekst van het document
De diameter van de monopile is substantieel kleiner dan een standaard beton fundament, dat resulteert in een kleiner ‘hard object’ op de zachte zeewering;
•
Het plaatsen van een monopile gaat sneller dan een standaard beton fundament;
•
Er is minder verstoring van zandtransport (langstransport en wind);
•
Er is minder stikstofuitstoot en stikstofdepositie bij de bouw van de monopiles dan bij een standaard beton fundament.
Figuur 3.4 Monopile fundatie op de zachte zeewering (bron: RHDHV)
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
23
Opstelplaatsen Voor de aanleg van de fundamenten op de zachte zeewering en de windturbines zelf zijn kraanopstelplaatsen nodig. Dit zijn de plekken waar grote kranen veilig en stabiel kunnen opereren. Harde zeewering Om de inbreuk op de zeewering zo beperkt mogelijk te houden, wordt voor de realisatie van de kraanopstelplaatsen gebruik gemaakt van het fietspad dat parallel aan de Prinses Maximaweg loopt. Daartoe worden uitgebreide verkeersveiligheidsmaatregelen getroffen om een veilige en goede verkeersdoorstroming te garanderen. Het fietspad wordt plaatselijk omgelegd. De toegangsroute naar het bouwplateau wordt aanvullend op het talud aangebracht zodat er geen beschadigingen aan het bestaande talud komen. De opstelplaatsen worden tijdelijk aangelegd ten behoeve van de bouwfase. Zachte zeewering Anders dan bij het opbouwen van een traditioneel fundament is het bij het aanbrengen van een monopile niet van belang dat de locatie van de monopile beschermd wordt tegen zeewater. Bij de monopile moet wel een extra grote tijdelijke kraanopstelplaats gecreëerd worden omdat de benodigde kraan heel groot is. Deze kraanopstelplaats moet op gelijke hoogte komen als de transportbaan langs de duinen (zie volgende paragraaf). Middels damwanden wordt de buitencontour van de kraanopstelplaats afgezet en deze wordt opgevuld met zand.
Voor het MER is uitgegaan van een opstelplaats van 40 bij 50 m, waarvoor ongeveer 2000 m3 zand per kraanopstelplaats nodig is. Alle twaalf de benodigde tijdelijke kraanopstelplaatsen zullen kort achter elkaar opgebouwd worden en gelijktijdig aanwezig zijn zodat het aanbrengen van de monopiles snel achter elkaar kan gebeuren en geen vertraging ondervindt van het opbouwen van de opstelplaats. Figuur 3.5 Principe bouwopstelling zachte zeewering (bron: RHDHV)
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
24
Wegen en overgangen Tijdens de constructiefase kunnen er tijdelijke aanpassingen aan het openbare wegennet rondom de projectlocatie nodig zijn. Deze aanpassingen kunnen nodig zijn voor het veilig uitvoeren van het transport van de benodigde windturbine- en kraanonderdelen. Hierbij valt te denken aan tijdelijke verhardingen rondom scherpe bochten om de benodigde draaicirkel mogelijk te maken. Ook kunnen delen van de opstelplaats enkel benodigd zijn (tijdelijk verhard) tijdens de bouwwerkzaamheden. Door de tijdelijkheid en zeer kleine milieueffecten van deze werkzaamheden zijn deze tijdelijke effecten voor de meeste aspecten in dit MER buiten beschouwing gelaten. Harde zeewering Om de werkzaamheden bij de harde zeewering uit te kunnen voeren zijn alleen verkeersmaatregelen nodig op de Prinses Maximaweg en het fietspad die in overleg met het HbR zullen worden opgesteld. Tijdens de constructie zijn er per turbinelocatie twee fasen waarin verkeersmaatregelen nodig zijn per locatie: fundatiebouw (6 tot 8 weken) en turbineinstallatie (1 week), aparte maatregelen worden genomen voor de aanvoer van de windturbineonderdelen. Zachte zeewering Voor de aanleg van de windturbines op de zachte zeewering werkt Eneco met vier duinovergangen, waarvan 1 bestaande bij P6, 1 (deels) nieuw aan te leggen bij P5 en 2 nieuwe overgangen.
De nieuwe duinovergangen zijn vergelijkbaar met en in aanvulling op de bestaande duinovergang ter hoogte van parkeerplaats P6. Dit worden permanente duinovergangen maar niet opengesteld voor recreanten en derden. De permanente duinovergangen zullen in de aanlegfase bestaan uit stelconplaten (of vergelijkbaar) en in de exploitatiefase van betonplaten (of vergelijkbaar). Daarnaast neemt Eneco aanvullend antistuifmaatregelen zoals plaatsen van helmgras en wilgentakken schermen. De nieuwe duinovergangen worden in de aanlegfase gebruikt voor transport van bouwmaterieel en turbineonderdelen en in het geval van calamiteiten te gebruiken door hulpdiensten. Tijdens het transport wordt het fietspad afgezet en een omleidingsroute voor de fietsers gemaakt via de Prinses Maximaweg. Na de bouwfase worden de duinovergangen afgesloten om, indien nodig in de gebruiksfase tijdelijk voor onderhoud te worden opengesteld. In de bouwfase wordt de aansluiting van de duinovergangen op de Prinses Maximaweg uitgevoerd met rijplaten, voorstel is om aan het eind van de constructiefase betonnen platen aan te brengen ten behoeve van de operationele fase. Tijdens de werkzaamheden op het strand wordt een tijdelijke transportbaan (bestaand uit rijplaten) aangelegd parallel aan de voet van de duinen aan zeezijde.
De transportbaan zal vijf meter breed zijn, en op een aantal plaatsen wordt deze verbreed met een uitwijkstrook. Deze uitwijkstrook wordt gebruikt om te passeren maar ook om de hulpdiensten doorgang te verlenen. Tijdens de bouwperiode wordt steeds een gedeelte van het werkterrein op de zachte zeewering afgezet met bouwhekken zodat recreanten en de beheerder nog steeds toegang hebben tot het grootste deel van het strand.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
25
Elektrische infrastructuur De kabels tussen de windturbines onderling, tussen de windturbines en het inkoopstation (inclusief transformatoren) vormen samen de elektrische infrastructuur die nodig is voor de werking van het windpark. Er is onderscheid gemaakt in interne en externe werken. Interne werken bestaan uit de elektrische infrastructuur binnen het windpark (tussen de windturbines en het inkoopstation). Externe werken bestaan uit de elektrische infrastructuur die buiten het plangebied van het windpark en bestaat uit bekabeling en stations van de netbeheerder Stedin. Inkoopstation Het inkoopstation bestaat uit een deel van Windpark Maasvlakte 2 en een deel van Stedin. In het inkoopstation wordt de koppeling gemaakt tussen het windpark en het landelijk net. Het station bestaat uit 33 kV transformatoren en bijbehorende installaties en voorzieningen van Windpark Maasvlakte 2 en een 66 kV schakelinstallatie van Stedin ten behoeve van de aansluiting op het landelijk net. De locatie van het inkoopstation is gelegen halverwege de zachte zeewering, tussen de Maasvlakteweg en het spoor. De locatie is weergegeven in onderstaand figuur. Voor deze locatie geldt dat er binnen het bestemmingsplan ruimte bestaat voor de realisatie van het inkoopstation. De locatie is zorgvuldig gekozen en afgestemd met het Havenbedrijf en Stedin. De belangrijkste redenen zijn: •
Er is voldoende ruimte aanwezig om alle benodigde voorzieningen en installaties te kunnen realiseren.
•
De locatie is niet ver gelegen van het midden van het windpark, wat vanuit het oogpunt van het beperken van kabelverliezen gunstig is.
•
Er staan reeds twee inkoopstations (van ProRail) op vergelijkbare locaties langs de Maasvlakteweg. Het inkoopstation zal zo ontworpen worden dat deze een vergelijkbare uitstraling heeft als de bestaande inkoopstations, ten behoeve van de ruimtelijke inpassing (zie figuur 10.13 voor een impressie).
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
26
Figuur 3.6 Locatie inkoopstation
Bron: Pondera Consult
Kabeltracé De windturbines worden door middel van interne parkbekabeling aangesloten op het inkoopstation waar de duurzaam opgewekte stroom wordt omgezet naar een spanningsniveau waarmee op het landelijk net kan worden aangesloten (van 33kV naar 66 kV). Het interne kabeltracé is weergegeven in onderstaand figuur. Harde zeewering De windturbines op de harde zeewering worden in twee strings aangesloten. De kabels tussen de windturbines op de harde zeewering worden aangelegd in een open ontgraving in een sleuf tussen de windturbinelocaties en de Pr. Maximaweg. Vervolgens wordt ter hoogte van de meest zuidelijke windturbine op de harde zeewering (HZ10) de Pr. Maximaweg gevolgd. Ter hoogte van de afbuiging van de Pr. Maximaweg richting de zachte zeewering kruist het kabeltracé de Pr. Maximaweg. Vanaf dat punt loopt het tracé tussen de Pr. Maximaweg en de Maasvlakteweg. Ter hoogte van het inkoopstation wordt de Maasvlakteweg gekruist en wordt op het inkoopstation aangesloten. Zachte zeewering De windturbines op de zachte zeewering worden in drie strings aangesloten. Vanuit het inkoopstation wordt op 1 locatie, door middel van een gestuurde boring, een verbinding gemaakt onder de Maasvlakteweg, de Pr. Maximaweg, het fietspad en de duinen naar de zachte zeewering, vanaf daar lopen de drie strings naar de verschillende turbines.
De windturbines worden per string met gestuurde boringen onderling verbonden.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
27
Figuur 3.7 Kabeltracé (intern)
Bron: Pondera Consult
Inrichtingsalternatieven Totstandkoming alternatieven Gedurende het tenderproces is reeds uitvoerig onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor verschillende windturbine-opstellingen op de harde en zachte zeewering van de Tweede Maasvlakte. In deze paragraaf is op hoofdlijnen uiteengezet welke opstellingsprincipes reeds zijn onderzocht en welke conclusies daaruit getrokken konden worden voor het totstand komen van de alternatieven in onderhavig MER. Opstellingen binnen het bestemmingplan Eneco heeft ten tijde van de tender een uitgebreide studie gedaan naar de mogelijkheden om binnen het bestemmingsplan (zonder afwijking) een windpark te realiseren. De opstelling op de harde zeewering is tot stand gekomen door te bepalen welke windturbinetypes nog leverbaar zijn die passen binnen de afmetingen en overige regels die worden voorgeschreven door het bestemmingsplan. Dan blijft alleen de Enercon E82 over. Dit type is vervolgens geplaatst op zo kort mogelijke tussenafstanden.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
28
Figuur 3.8 Maximale plaatsingsmogelijkheden binnen bestemmingsplan
Op de zachte zeewering is de bewegings- en keuzevrijheid iets groter. Daar is eerst bepaald welk formaat windturbine er maximaal mogelijk is binnen het bestemmingsplan. Dat blijkt een windturbine met een rotordiameter van ongeveer 150 meter met een masthoogte van ongeveer 105 meter. Daarmee is vervolgens bepaald op welke locaties die qua High Impact Zone (HIZ) afstand nog gebouwd kan worden en is er op zo kort mogelijke tussenafstand een opstelling mee gemaakt. De HIZ afstand is in dit geval een vast gegeven waar aan moet worden voldaan en bestaat uit een afstand van masthoogte + 1/3 wieklengte tot het bestemmingsvlak ‘verkeer’ (zie figuur 3.8 – HIZ beperking)13. Een opstelling met E82 windturbines op de harde zeewering is financieel niet haalbaar gebleken. Tevens wordt het risico van het hebben van slechts één mogelijke windturbine leverancier als te groot gezien. Daarom heeft Eneco gezocht naar alternatieven die wel technisch en financieel haalbaar zijn. Deze exercitie wordt hieronder per gebied beschreven. Windturbines op de harde zeewering Noord Voor het gebied ten noorden van de radartoren is allereerst bepaald wat er qua turbineafmetingen mogelijk zou zijn. Bepalend hierbij was de met name HIZ-afstand. Vervolgens heeft Eneco de afweging gemaakt tussen iets minder windturbines met een masthoogte van 80 meter of meer windturbines met een masthoogte van 76 meter.
Om inzicht te krijgen in de haalbaarheid (en wenselijkheid) van deze opties, zijn beide scenario’s tijdens de tender door Bureau Waardenburg doorgerekend ten einde het aantal aanvaringsslachtoffers te bepalen. Hoewel er in het scenario met meer windturbines sprake is van meer berekende vogelslachtoffers dan in het scenario met minder windturbines, blijven de waarden onder de 13
Zie tevens paragraaf 8.3.8
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
29
1%-mortaliteitsnorm voor de relevante soorten. Eneco heeft er daarom voor gekozen een scenario met negen windturbines te hanteren, om de energieopbrengst te maximaliseren en daarmee de financiële mogelijkheden voor bovenwettelijke compensatie zo groot mogelijk te maken. Windturbines op harde zeewering Zuid Voor het gebied op de harde zeewering ten zuiden van de radartoren geldt dat de ruimte beperkte is. In dat kader heeft Eneco de afweging gemaakt tussen twee kleine of één grote windturbine. Nadat het vereiste met betrekking tot de zichtlijnen van de radartoren van de Havenmeester Rotterdam bekend werd, bleek dat het effect van de azimut van de radartoren op deze locatie groter was dan voorheen, waardoor de twee windturbines dichter naar elkaar geplaatst moesten worden. Op basis daarvan gaven windturbinefabrikanten aan dat de tussenafstanden tussen de twee kleine windturbines te klein werden bevonden. Eneco heeft daarop besloten om op deze locatie voor één grote windturbine te gaan van hetzelfde type als op de zachte zeewering. Windturbines op de zachte zeewering Op de zachte zeewering heeft Eneco de verschillen tussen grote onshore windturbines, kleine onshore windturbines en offshore windturbines onderzocht.
Het voordeel van kleine (afmetingen gelijk aan de windturbines op de harde zeewering) onshore windturbines is dat deze dichter tegen het duin aangebouwd kunnen worden, omdat deze een kleinere HIZ-afstand hebben. Dit maakt aanleg en onderhoud eenvoudiger en goedkoper, omdat deze locaties minder vaak onder water staan dan locaties verder van het duin gelegen. Offshore windturbines hebben als voordeel dat deze een nog groter opgesteld vermogen per windturbine hebben en daarmee nog meer duurzame energie produceren dan grote onshore windturbines. Offshore windturbines zijn echter veel duurder in aanschaf dan onshore windturbines en moeten vanwege hun afmetingen nog verder de branding in worden gebouwd. Ook moet een relatief grote tussenafstand worden gehanteerd bij offshore windturbines ten opzichte van onshore windturbines. Eneco heeft daarom gekozen om grote onshore windturbines te realiseren op de zachte zeewering, omdat hiermee een goede balans wordt gecreëerd tussen kosten aan de ene kant en bouw- en onderhoudsgemak en energieopbrengst aan de andere kant. Ten behoeve van de weringveiligheid is er daarnaast voor gekozen om de windturbines op de zachte zeewering op een monopile-fundatie te plaatsen, omdat hiermee zo klein mogelijke harde elementen aan de zachte zeewering worden toegevoegd.
Beschrijving alternatieven Op basis van de informatie die in het voortraject is opgedaan en het aanbod dat ten behoeve van de tender is gedaan, zijn onderstaande alternatieven naar voren gekomen als basis voor de te onderzoeken milieueffecten in dit MER. De alternatieven gaan uit van dezelfde turbineposities, maar variëren in grote en kleine turbine-afmetingen. Op deze wijze worden de milieueffecten van de boven- en onderzijde van de range aan mogelijke turbineafmetingen op de beoogde locatie inzichtelijk gemaakt. In onderstaand figuur is de opstelling weergegeven. In tabel 3.1 en 3.2 zijn de afmetingen van de opstellingen weergegeven.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
30
Figuur 3.9 opstelling alternatief 1 en 2
Alternatief 1 ‘klein’ Alternatief 1 bestaat uit in totaal 22 windturbines, onderverdeeld in 9 windturbines op het noordelijk deel van de harde zeewering, 1 turbine op het zuidelijk deel van de harde zeewering en 12 turbines op de zachte zeewering. In onderstaande tabel worden de maximale afmetingen van de windturbines op zowel de harde als de zachte zeewering weergegeven. Voor de windturbines op de harde zeewering geldt dat deze halverwege het binnentalud van de dijk worden geplaatst en daardoor wat hoger komen te staan. De turbines op het noordelijk deel van de harde zeewering staan op circa NAP+15 meter (met uitzondering van turbine 09, deze staat op NAP + 13 meter). De turbine in het zuidelijk deel van de harde zeewering staat op circa NAP+13 meter. De windturbines op de zachte zeewering staan op het strand dat op circa NAP +6 meter staat. Tabel 3.1 Alternatief 1 – Maximale afmetingen
Wering
Harde zeewering A Harde Zeewering B Zachte Zeewering
Maximale
Maximale
Tiplaagte
masthoogte
rotordiameter
tiphoogte
(m) t.o.v.
(m)
(m)
(m)
maaiveld
9
67
115
124,5
24,5
9,5
1
67
115
124,5
22,5
9,5
12
101
150
176
26
-
Aantal
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Tiplaagte
Maximale
(m) t.o.v. kruin harde zeewering
Pondera Consult
31
Alternatief 2 Alternatief 2 bestaat eveneens uit 22 windturbines, eveneens onderverdeeld in 9 windturbines op het noordelijk deel van de harde zeewering, 1 windturbine in het zuidelijk deel van de harde zeewering en 12 turbines op de zachte zeewering. De turbine in het zuidelijk deel van de harde zeewering sluit aan bij de turbineafmetingen van de windturbines op de zachte zeewering. In onderstaande tabel worden de maximale afmetingen van de windturbines op zowel de harde als de zachte zeewering weergegeven. Ook voor de windturbines van alternatief 2 geldt dat de turbines op de harde zeewering halverwege het binnentalud van de dijk worden geplaatst en daardoor wat hoger komen te staan. De turbines op het noordelijk deel van de harde zeewering staan op circa NAP+15 meter (met uitzondering van turbine 09, deze staat op NAP + 13 meter). De turbine in het zuidelijk deel van de harde zeewering staat op circa NAP+13 meter. De windturbines op de zachte zeewering staan op het strand dat op circa NAP +6 meter staat. Tabel 3.2 Alternatief 2 – Maximale afmetingen
Wering
Aantal
Maximale
Maximale
Maximale
Tiplaagte
masthoogte
rotordiameter
tiphoogte
(m) t.o.v.
(m)
(m)
(m)
maaiveld
Tiplaagte (m) t.o.v. kruin harde zeewering
Harde zeewering A
9
76
120
136
31
16
Harde Zeewering B
1
107
162
188
29
26
Zachte Zeewering
12
107
162
188
26
-
Voorkeursalternatief Naast bovenstaande alternatieven wordt aan het einde van dit MER ook een voorkeursalternatief (VKA) onderscheiden. Dit kan een van de alternatieven of een combinatie daarvan zijn. De initiatiefnemer zal in overleg met het bevoegd gezag en de andere betrokken overheden op basis van de resultaten van het MER inzake de alternatieven, gecombineerd met andere overwegingen een voorkeursalternatief voorstellen ten behoeve van de vergunning- en ontheffingsaanvragen.
Referentiesituatie De referentiesituatie is de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkeling14. De referentiesituatie is de situatie waarbij het windpark niet wordt gerealiseerd. Het gebied zal zich dan ontwikkelen conform vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder realisatie van de windturbines. Per milieuthema wordt deze situatie vergeleken met de verschillende opstellingsalternatieven in het MER. Hieronder worden de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen binnen het plangebied beschreven.
14
Autonome ontwikkelingen zijn op zich zelf staande ontwikkelingen die onafhankelijk van het windpark plaatsvinden en waarover al een besluit is genomen (bijvoorbeeld bestemmingsplan of vergunning verleend).
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
32
Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een deel harde zeewering, bestaande uit een dijklichaam met een zwaar verdichte zandkern met een dikke kleilaag aan de landzijde voorzien van een erosiebestendige grasbekleding en een deel zachte zeewering, bestaande uit een strand en duingebied. Zowel de harde als de zachte zeewering zijn aangelegd ten behoeve van waterveiligheid. In de huidige situatie zijn er geen windturbines op de locatie aanwezig. Aan de westzijde van de zeewering is de Noordzee gelegen, aan de oostzijde van de zeewering begint het industrieel gebied van de Maasvlakte 2. Bestaande windturbines Maasvlakte Aan de noordzijde staat, min of meer aansluitend op de harde zeewering, het bestaande windpark Zuidwal en Maasmond. Aan de zuidoostzijde staat het windpark Slufterdam, bestaande uit in totaal 14 windturbines. Op het terrein van SIF staat de Haliade X, dit betreft een offshore-testturbine. Bedrijven en infrastructuur Op de zachte zeewering ligt een fietspad die ter hoogte van de harde zeewering afbuigt naar de voet van de harde zeewering. In de zachte zeewering ligt de Pr. Maximaweg die ter hoogte van de harde zeewering parallel loopt aan het fietspad. Op enige afstand van de keringen ligt vervolgens de Maasvlakteweg en een spoorlijn. De wegen worden in de huidige situatie gebruikt als calamiteitenroute.
Tevens ligt hier de leidingenstrook, waar in de huidige situatie geen leidingen in liggen. Na de spoorlijn begint een voor industrie bestemde zone die is opgedeeld in een aantal verschillende categorieën bedrijvigheid (Enkelbestemming Bedrijf 1 t/m 4). De terreinen zijn primair bestemd voor op- en overslag van containers en bijhorende verwerking. Daarnaast is het tevens mogelijk chemische industrie te realiseren. Tot slot ligt er een brandweerkazerne aan de noordpunt van de Harde Zeewering. Deze ligt op circa 500 afstand van de rand van het plangebied. De huidige infrastructuur en bedrijvigheid maken deel uit van de referentiesituatie, voor die onderwerpen waarvoor dat relevant is. Strand en natuur Ter hoogte van de zachte zeewering ligt een strand wat gebruikt wordt voor verschillende recreatieve doeleinden, zoals kite- en buggysurfen, strandgasten en wandelactiviteiten. Het deel van het strand aan de zuidzijde van het plangebied is aangewezen als intensieve recreatie. Het deel waar het windpark zich bevindt is aangewezen als ‘gewoon’ strand, zonder bijzondere functie. De recreatieve mogelijkheden maken deel uit van de referentiesituatie, voor die onderwerpen waarvoor dat relevant is. Daarnaast zijn er verschillende natuurwaarden in het gebied aanwezig. Met name de ligging van Natura 2000-gebieden Voornes Duin en de Voordelta, de slikken van Voorne en de hinderplaat.
Met de waarden en doelstellingen behorende bij deze natuurgebieden wordt rekening gehouden bij de beoordeling ten opzichte van de referentiesituatie.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
33
Futureland Futureland is het informatiecentrum van Havenbedrijf Rotterdam op de Maasvlakte en is gelegen aan de Prinses Margriethaven. Naast informatie over de aanleg en inrichting van Maasvlakte 2 vinden bezoekers hier informatie over ontwikkelingen in de Rotterdamse haven. Futureland is een reeds gerealiseerde ontwikkeling en maakt om die reden onderdeel uit van de huidige situatie en de referentiesituatie. Er zijn wel plannen om de locatie te wijzigen (zie overige ontwikkelingen).
Autonome ontwikkelingen Autonome ontwikkelingen zijn ruimtelijke ontwikkelingen waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden. Voor Windpark Maasvlakte 2 is er een aantal autonome ontwikkelingen relevant. Daarnaast is er een aantal ontwikkelingen, waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, maar die wel van raakvlak hebben met Windpark Maasvlakte 2. Deze ontwikkelingen worden niet als autonoom beschouwd, maar in deze paragraaf wel beschreven. Autonome ontwikkelingen Aanlanding kabeltracé Hollandse kust Zuid Ten behoeve van de aansluiting van het offshore windpark Hollandse Kust Zuid wordt een kabel tracé gerealiseerd dat aan de noordzijde van Maasvlakte 2 aan land komt. Vervolgens vindt het tracé zijn weg richting het aansluitpunt. In onderstaand figuur is de zone uit het bestemmingsplan weergegeven waar de offshore-kabel binnen komt. Figuur 3.10 Aanlandingszone offshore tracé
Aanlandingszone offshore kabels
Harde zeewering
Bron: Ruimtelijkeplannen.nl
Container Exchange Route (CER) Het Havenbedrijf Rotterdam realiseert de Container Exchange Route (CER). De CER verbindt de containerbedrijven op de Maasvlakte met elkaar en bundelt daarmee de containerstromen. Hierdoor hoeven treinen, barges en schepen niet naar alle verschillende terminals te gaan. De CER bestaat uit een baan waarover containervervoerders tussen bedrijven snel containers kunnen uitwisselen. In onderstaand figuur is de route weergegeven. Deze loopt vanaf verschillende aangesloten bedrijven langs de harde en zachte zeewering aan de oostzijde van en parallel aan het spoor. De route wordt in 2019 en 2020 aangelegd. De planning is dat de
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
34
route eind 2020 in gebruik kan worden genomen. Waar relevant zal de CER als autonome ontwikkeling deel uitmaken van de referentiesituatie. Figuur 3.11 Container Exchange Route
Bron: Pondera Consult
Overige ontwikkelingen Futureland (toekomstige verplaatsing) Er zijn plannen voor het verplaatsen van Futureland naar een locatie nabij de zuidzijde van de zachte zeewering. In onderstaand figuur is een indicatie gegeven van het gebied waarbinnen de nieuwe locatie van Futureland wordt gerealiseerd. Er heeft nog geen besluitvorming over de ontwikkeling plaatsgevonden. Uitgangspunt is om voldoende afstand aan te houden ten einde de ontwikkeling niet onmogelijk te maken. Figuur 3.12 Futureland nieuwe locatie (indicatie)
Bron: HbR
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
35
Porthos Porthos betreft een project om CO2-gas van de industrie in de Rotterdamse haven te transporteren en op te slaan in lege gasvelden onder de Noordzee. Hiertoe wordt op de Maasvlakte een leiding aangelegd, waar bedrijven hun afgevangen CO2 op kwijt kunnen. Dit wordt vervolgens getransporteerd naar een compressorstation waar de CO2 op druk wordt gebracht. Van daaruit kan de CO2 via een offshore-leiding naar offshore platforms worden getransporteerd ten behoeve van opslag. Figuur 3.13 Porthos Offshore Leiding
Compressorstation
Onshore Leiding
Bron: Porthos
Op dit moment is het project nog in de onderzoeksfase, er heeft nog geen besluitvorming over plaatsgevonden. Aanlanding kabeltracé IJmuiden Ver Beta Ten behoeve van de aansluiting van het offshore windpark IJmuiden Ver Beta wordt een kabeltracé gerealiseerd dat aan de noordzijde van Maasvlakte 2 aan land komt (zie figuur 3.10 – betreft dezelfde zone). De aanleg van het tracé is op dit moment nog in voorbereiding. Mogelijke ontwikkelingen langs de buitencontour Maasvlakte 2 Op dit moment zijn er nog geen bedrijven gerealiseerd binnen de bestemde zones langs de buitencontour van Maasvlakte 2. Binnen het vastgestelde Bestemmingsplan voor deze gebieden zijn er nog geen ontwikkelingen waarover formeel besluitvorming (vergunningen) heeft plaatsgevonden. Op termijn zal hier echter wel bedrijvigheid gerealiseerd worden. Waar relevant zal, op basis van de mogelijkheden voor bedrijven die het Bestemmingsplan biedt, een indicatie worden gegeven in hoeverre het windpark belemmeringen oplevert.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
36
WERKWIJZE EN BEOORDELINGSKADER Inleiding Effecten ontstaan door het uitvoeren van de werkzaamheden, door het ruimtegebruik en door het in gebruik zijn van de windturbines. Dit MER onderzoekt deze effecten tijdens de aanleg en de exploitatie (gebruik, onderhoud, reparaties). De effecten tijdens de aanleg zijn veelal klein en tijdelijk van aard. Dit MER richt zich dan ook vooral op het beoordelen van de effecten tijdens de exploitatie. Voor zover relevant, zijn ook de effecten tijdens de aanlegfase beschreven. Plan- en studiegebied In dit MER is de bestemmingsplanzone voor windturbines, zoals dat is weergegeven in paragraaf 3.1 als plangebied gehanteerd. Het studiegebied is het gebied waarbinnen de milieugevolgen zijn onderzocht. De omvang van het studiegebied verschilt per milieuaspect en is over het algemeen groter dan het plangebied. Per milieuaspect is het studiegebied aangegeven.
Beoordelingskader In dit MER is op basis van regelgeving en beleid een beoordelingskader ontwikkeld waarmee de effecten van de alternatieven zijn beoordeeld. De effecten zijn per milieuaspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Tabel 4.1 geeft per milieuaspect welke criteria zijn gebruikt en de wijze waarop de effecten zijn beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). Dit is in hoofdstukken 6 tot en met 14 per thema toegelicht. Tabel 4.1 Beoordelingsaspecten en –criteria MER Windpark Maasvlakte 2 Aspecten
Geluid
Slagschaduw
Natuur
15
Beoordelingscriteria •
Aantal geluidgevoelige objecten (zoals woningen van derden15) waarbij de wettelijke geluidsnorm (Lden=47 dB) wordt overschreden
•
Aantal geluidgevoelige objecten buiten de wettelijke geluidnorm, binnen 42 Lden dB
•
Laagfrequent geluid
•
Cumulatieve geluidbelasting
•
Aantal woningen van derden met slagschaduwduurhinder van 0 tot 6 uur per jaar;
•
Aantal woningen van derden met slagschaduwduurhinder van 6 tot 16 uur per jaar;
•
Aantal woningen van derden met slagschaduwhinder van meer dan 16 uur per jaar;
•
Aantal niet gevoelige objecten binnen slagschaduwcontouren
•
Effect op beschermde gebieden
•
Effect op beschermde soorten
Effectbeoordeling
Kwantitatief Laagfrequent geluid kwalitatief
Kwantitatief
Kwalitatief en kwantitatief
Woningen van derden zijn woningen die niet behoren tot de inrichting van het windpark
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
37
Aspecten
Veiligheid
Dijkveiligheid
Landschap
Cultuurhistorie en archeologie Bodem en water
Ruimtegebruik
Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies
Beoordelingscriteria
Effectbeoordeling
•
Bebouwing
•
Wegen, waterwegen en spoorwegen
•
Industrie en inrichtingen
•
Transportleidingen en hoogspanningsleidingen
•
Bovengrondse effecten harde zeewering
•
Bovengrondse effecten zachte zeewering
•
Ondergrondse effecten harde zeewering
•
Ondergrondse effecten zachte zeewering
•
Aansluiting op landschappelijke structuur
•
Herkenbaarheid van de opstelling
•
Interferentie / samenhang
•
Invloed op de rust
•
Invloed op de openheid
•
Zichtbaarheid
•
Verlichting
•
Aantasting cultuurhistorische waarden
•
Aantasting archeologische waarden
•
Watersysteem (waterkwantiteit en waterkwaliteit)
•
Bodemkwaliteit
•
Scheepvaart
•
Luchtvaart en radar
•
Straalpaden
•
Recreatie
•
Energieopbrengst
•
CO2-emissiereductie
•
SO2-emissiereductie
•
NOx-emissiereductie
•
PM10 (fijnstof)
Kwantitatief (aantal objecten binnen de toetsafstand)
Kwantitatief en kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwalitatief
Kwantitatief
De effectbeoordeling is kwalitatief en kwantitatief: waar mogelijk en zinvol wordt het met cijfers onderbouwd. Indien het niet mogelijk of zinvol is om de effecten te kwantificeren, is de beschrijving kwalitatief. De beoordeling kan voor sommige aspecten met een harde parameterwaarde worden uitgevoerd die wettelijk is aangewezen als een norm (getal), bijvoorbeeld de norm voor geluidhinder, of herleid uit het voorgenomen beleid. Voor sommige aspecten is naast de wettelijke norm, ook naar effecten onder de norm gekeken, voorbeelden hiervan zijn geluid en slagschaduw. Naast effecten tijdens de gebruiksfase wordt ook aandacht besteed aan effecten tijdens de aanlegfase. Ook is, waar van toepassing, aangegeven of cumulatie van effecten met andere projecten en activiteiten kan optreden. Tot slot wordt er in de effecthoofdstukken per milieuaspect ingegaan op mogelijke mitigerende maatregelen. Dit zijn maatregelen die de effecten van windturbines voorkomt of verzacht.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
38
Gezondheid De effecten op mensen komen reeds aan bod door onderzoek te doen naar geluid en slagschaduweffecten beneden en boven de wettelijke norm en naar het aspect landschap. Het aspect gezondheid is daarom ook niet apart beoordeeld. Schaal voor effectbeoordeling Om de effecten van de inrichtingsalternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / - schaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal gebruikt, zoals weergegeven in tabel 4.2. De beoordeling verschilt echter per aspect en wordt in de betreffende hoofdstukken nader gemotiveerd. Tabel 4.2 Beoordelingsschaal MER Windpark Maasvlakte 2 Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
--
Negatief
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering
-
Licht negatief
Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering
0
Neutraal
Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie
+
Licht positief
Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering
++
Positief
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare positieve verandering
Leemten in kennis en evaluatie In hoofdstuk 17 is aangegeven welke leemten in kennis er zijn geconstateerd en wat hun betekenis is voor de besluitvorming. Voor leemten in kennis die van belangrijke betekenis zijn, wordt een monitoring programma opgesteld waarmee kan worden bepaald of de gemeten effecten overeenkomen met de in het MER voorspelde effecten en of andere of aanvullende maatregelen nodig zijn om de effecten te beperken. Deze monitoringsgegevens kunnen tevens worden gebruikt voor de evaluatie van de besluitvorming tijdens of na afloop van de activiteiten van Windpark Maasvlakte 2.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
39
GELUID Beleid, wetgeving en beoordelingskader Windturbines produceren zowel mechanisch als aerodynamisch geluid. Het mechanische geluid is afkomstig uit het overbrengen van de energie vanuit de wieken naar de generator en uit de generator zelf. Het aerodynamische geluid is afkomstig van de hoge snelheid waarmee de wieken door de lucht snijden. Het mechanische geluid is meestal vele malen lager dan het aerodynamische geluid. Er is veel onderzoek gedaan naar geluid en de effecten van blootstelling aan geluid. Op basis hiervan zijn relaties bepaald tussen de hinderbeleving en de blootstelling aan geluidniveaus. Dit zijn dosis-effectrelaties waarbij met de mate van blootstelling een bepaalde mate van effect gepaard gaat. Deze relaties vormen de basis voor de geluidwetgeving in Nederland. Dit hoofdstuk is gebaseerd op het akoestisch onderzoek dat is opgenomen in bijlage 1. Daarin zijn de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek opgenomen.
Regelgeving in Nederland Het Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, Barim) is het kader voor de toetsing van geluid van windturbines. In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid getoetst aan de waarden Lden = 47 dB en Lnight = 41 dB. Deze norm geldt voor geluidgevoelige objecten, waaronder woningen van derden en kwetsbare locaties zoals scholen en ziekenhuizen worden verstaan. De L den (Engels: Level day-evening-night) is een maat om de (gemiddelde) geluidbelasting door omgevingslawaai uit te drukken. Hierbij wordt de geluidbelasting die optreedt gedurende de nacht en de avond zwaarder meegewogen dan geluid overdag. In het algemeen kan gesteld worden dat wanneer aan de norm van L den = 47 dB kan worden voldaan, ook wordt voldaan aan de norm van Lnight = 41 dB. Cumulatie met andere bronnen is beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines (Activiteitenregeling milieubeheer Bijlage 4). Laagfrequent geluid In het besluit ‘wijziging milieuregels windturbines’ (2010) is voor windturbines de norm voor de geluidbelasting buiten aan de gevel gesteld op Lden = 47 dB. Bij deze normen is uitgegaan van windturbinegeluid en de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren op basis van empirisch onderzoek.
Daarbij is ook rekening gehouden met het optreden van laagfrequent geluid, dat altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid is. Nederland heeft geen specifieke vastgestelde norm voor laagfrequent geluid waaraan moet worden getoetst.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
40
Kader 5.1 Laagfrequent geluid Het bereik van het menselijk gehoor ligt tussen 20 en 20.000 Hertz (Hz). Geluid onder de 100 Hz is voor veel mensen moeilijker te horen. Laagfrequent geluid is geluid met een frequentie beneden 200 Hz. Bijna alle geluidbronnen produceren (ook) laagfrequent geluid. In de meeste gevallen wordt dit overstemd door hoger frequent geluid en dus niet als zodanig gehoord. Het is meestal mechanisch gegeneerd geluid. Laagfrequent geluid wordt op verschillende manieren opgewekt. Bekende bronnen zijn gasturbines, transformatoren, wegverkeer en windturbines. Laagfrequent geluid dempt door gevels en op grotere afstand minder uit dan normaal geluid, op meer dan 5 kilometer afstand van sterke geluidbronnen blijft alleen laagfrequent geluid over. Ook kan in woningen en gebouwen versterking van het geluid ontstaan (zogenaamde ‘resonantie’). Er is geen Nederlandse wettelijke norm voor laagfrequent geluid van windturbine, de wettelijk norm van L den=47 dB houdt hier rekening met laagfrequent geluid. In Denemarken geldt sinds januari 2012 een aparte geluidnorm van 20dB (A) voor laagfrequent geluid. In enkele projecten, zoals Windpark Lage Weide is getoetst aan de Deense norm voor laagfrequent geluid. Hieruit blijkt dat met toepassing van de Lden=47 dB norm ook afdoende bescherming tegen laagfrequent geluid wordt geboden.
Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), factsheet laagfrequent geluid, juni 2013
Het RIVM heeft op verzoek van de GGD’en16 de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht17. Hierin wordt gesproken over het laagfrequente geluid van windturbines en dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is. Er is geen aparte beoordeling nodig bovenop de bescherming die de A-gewogen normstelling op basis van dosis-effectrelatie reeds biedt. De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek18 naar laagfrequent geluid van windturbines van RVO (voorheen Agentschap NL). Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu concludeert in een brief19 over laagfrequent geluid het volgende: “Laagfrequent geluid draagt inderdaad voor een klein deel bij in de hinderervaring van windturbinegeluid. Echter, deze hinder acht ik op een verantwoorde manier voldoende beperkt door de huidige norm.” Effecten van laagfrequent geluid zijn voor Windpark Maasvlakte 2 dan ook niet verder beschouwd. Stiltegebieden De regelgeving met toelichting over de stiltegebieden (milieubeschermingsgebieden voor stilte) en de kaarten met de begrenzing van de gebieden zijn te vinden in de Provinciale omgevingsverordening.
De grenzen van deze gebieden zijn zo dusdanig vastgesteld dat het geluid in de gebieden het grootste deel van de tijd 40 decibel niet overstijgt. Dit is echter geen harde norm, omdat er ook omstandigheden kunnen zijn waarbij het geluid toch hoger ligt.
GGD staat voor Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst. De GGD’en vormen een landelijk dekkend netwerk. 17 Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden, GGD Informatieblad medische milieukunde Update 2013; RIVM rapport 200000001/2013. 18 Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines, LBP Sight in opdracht van Agentschap NL, projectnummer DENB 138006 september 2013. 19 http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-energie/documenten-enpublicaties/kamerstukken/2014/04/01/laagfrequent-geluid-van-windturbines.html 16
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
41
Bepaling effecten Om de geluideffecten van de alternatieven van Windpark Maasvlakte 2 in kaart te brengen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Hierbij wordt met behulp van een akoestisch rekenmodel (Geomilieu®) de totale geluidproductie van alle windturbines van het windpark berekend en worden de geluideffecten op de omgeving inzichtelijk gemaakt. Factoren die bij de berekening van het geluid van belang zijn bestaan uit: •
De bronsterkte van de windturbines (hoeveel geluid maakt de turbine?);
•
De plaatsing van de turbines ten opzichte van geluidgevoelige objecten;
•
De aard van de omgeving (hoeveel wordt het geluid afgeschermd en gereflecteerd);
•
Het windklimaat op de locatie op basis van KNMI-data.
In het akoestische model zijn 10 referentietoetspunten gedefinieerd. 20 Deze toetspunten betreffen de maatgevende (gevoelige) objecten in het gebied en zijn representatief voor de overige gevoelige objecten. Aangezien het plangebied op ruime afstand van gevoelige objecten is gelegen, is naast gevoelige objecten ook een aantal toetspunten ter hoogte van niet gevoelige objecten bepaald. Op deze wijze wordt ook voor de nabije omgeving inzicht verkregen in de mate van geluidsbelasting. De referentietoetspunten staan in Tabel 5.1. De positie van de woningen zijn gebaseerd op het BAG bestand (Basisregistratie Adressen en Gebouwen). In de tabel is de afstand tot de dichtstbij gelegen windturbine van alle mogelijke alternatieven beschouwd. Tabel 5.1 Toetspunten Afstand tot Nummer
Locatie
dichtstbij
Windrichting
gelegen turbine
(vanaf woning)
[circa, m] 1
Brandweer*
500
ONO
2
Maasvlaktestrand*
550
ZZW
3
Rotterdam World Gateway 1*
400
NO
4
Rotterdam World Gateway 2*
350
NO
5
Prinsessenhavenweg*
2000
O
6
Euromax Terminal*
1540
OZO
7
Prins Willem Weg 2, Hoek van Holland
6300
O
8
Krimweg 2, Oostvoorne
8000
ZO
9
Zandweg 81, Oostvoorne
7600
ZO
10
Zeekant 231, Hoek van Holland
5200
O
*: Geen gevoelig object
Gekozen windturbinetype voor berekeningen Zoals aangegeven is elk type windturbine uniek als geluidbron. De sterkte van de bron - de geluidemissie - verschilt per type turbine. Om de geluidbelasting te kunnen berekenen moet er een turbine in het rekenmodel worden ingevoerd (hierna ‘de referentieturbine’). Als referentieturbines is gekozen voor een turbinetype binnen de klasse van het alternatief, 20
Buiten de referentietoetspunten zijn nog andere toetspunten opgenomen in het rekenmodel, de invoergegevens en de rekenresultaten zijn opgenomen in de bijlagen van het akoestisch onderzoek.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
42
waarvan de geluidproductie, vergeleken met andere turbinetypes met vergelijkbare masthoogte en rotordiameter, relatief hoog is. Hierdoor wordt de bovengemiddelde geluidbelasting van de alternatieven in beeld gebracht. Dit biedt inzicht in de beschikbare geluidruimte in het gebied en maakt knelpunten inzichtelijk. Tabel 5.2 geeft een overzicht van de gehanteerde referentieturbines en de bijbehorende afmetingen. Tabel 5.2 Gehanteerde referentieturbine en afmetingen turbines Alt.
Deel zeewering
Aantal
Windturbinetype
Masthoogte
Rotordiameter
turbines Harde zeewering
10
Enercon E115
67
115
Zachte zeewering
12
SG -145
107
145
Harde zeewering noord
9
SG SWT 120
76
120
Harde Zeewering Zuid
1
V162
107
162
Zachte zeewering
12
V162
107
162
1
2
Gehinderden Hinder door geluid houdt niet op bij het voldoen aan de wettelijke norm; ook onder de norm kan hinder worden ervaren. Om de effecten op de omgeving nader in kaart te brengen, kan het aantal gehinderden binnen de geluidcontouren met een lagere waarde onder de norm (Lden = 42 dB) in kaart worden gebracht. Bij dit lagere geluidniveau ervaart een beperkt percentage van de bevolking het geluid binnenshuis nog als hinderlijk. Wanneer er gevoelige objecten binnen de geluidscontouren zijn gelegen zullen de percentages worden bepaald op basis van het rapport ‘Hinder door geluid van windturbines’ (TNO, 2008). Cumulatie van geluidbronnen Geluidoverlast kan bestaan als gevolg van geluid van verschillende bronnen, zoals industrie- en wegverkeerlawaai. Door cumulatie (stapeling) van verschillende geluidbronnen kan de totale geluidbelasting van het gebied in kaart worden gebracht. Er zijn geen normen voor cumulatieve geluidbelasting. Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines.
Beoordelingskader Op basis van het voorgaande is het volgende beoordelingskader gehanteerd voor geluid. Tabel 5.3 Beoordelingskader Beoordelingscriteria geluid Aantal geluidgevoelige objecten binnen de Lden 47 dB en Lden 42 dB contour Aantal gehinderden Cumulatie van geluid
Kwantitatief Kwantitatief Kwantitatief
De Nederlandse norm voor geluid van windturbines houdt rekening met het laagfrequent geluid (zie ook paragraaf 5.1.1); laagfrequent geluid wordt niet apart onderzocht. Er is dan ook geen apart beoordelingscriterium geformuleerd voor laagfrequent geluid.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
43
Toekenning scores De effecten van de verschillende alternatieven worden vergeleken met de referentiesituatie. In onderstaande tabel wordt de toekenning van de scores weergegeven. Tabel 5.4 Beoordelingsschaal Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
--
Verslechtering / negatieve gevolgen
-
Lichte verslechtering / licht negatieve gevolgen
0
Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie
+
Lichte verbetering / licht positieve effecten
++
Verbetering / positieve effecten
Referentiesituatie Huidige situatie In de huidige situatie staan er geen windturbines binnen het plangebied. Wel zijn er windturbines in de omgeving die eveneens geluid produceren. In de huidige situatie is er dus al sprake van geluidsbelasting afkomstig van windturbines. In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de huidige geluidsbelasting op toetspunten betreft, gebaseerd op de bestaande windturbines in het gebied. In de huidige situatie liggen er geen gevoelige objecten binnen de geluidscontouren. Tabel 5.5 Huidige geluidsbelasting afkomstig van windturbines Toetspunt
Naam
Lnight
Lden
1
Brandweer*
36
43
2
Maasvlaktestrand*
35
42
3
Rotterdam World Gateway 1*
30
37
4
Rotterdam World Gateway 2*
33
39
5
Prinsessenhavenweg*
38
44
6
Euromax Terminal*
47
53
7
Prins Willem Weg 2, Hoek van Holland
24
31
8
Krimweg 2, Oostvoorne
21
27
9
Zandweg 81, Oostvoorne
23
29
10
Zeekant 241
28
34
*: Geen gevoelig object
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een dijk en het omliggende gebied uit zee en het industriegebied Maasvlakte 2. Gevoelige objecten liggen op relatief grote afstand. Ten zuiden van de locatie is een stiltegebied (Voornes Duin) gelegen op een afstand van circa 6 kilometer.
Autonome ontwikkelingen Er zijn geen autonome ontwikkelingen die van invloed zijn op het aspect geluid.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
44
Effectenbeoordeling In onderstaande tabel zijn voor de referentietoetspunten de jaargemiddelde geluidniveaus Lnight en Lden gegeven. In bijlage 1 is het akoestisch onderzoek opgenomen. Tabel 5.6 Jaargemiddeld geluidniveau Windpark Maasvlakte 2 [dB(A)] Alternatief 1
Alternatief 2
Toetspunt Lnight
Lden
Lnight
Lden
1
Brandweer*
41
47
44
51
2
Maasvlaktestrand*
42
49
40
46
3
Rotterdam World Gateway 1*
48
54
45
52
4
Rotterdam World Gateway 2*
48
54
45
52
5
Prinsessenhavenweg*
35
42
34
40
6
Euromax Terminal*
31
37
34
40
7
Prins Willem Weg 2, Hoek van Holland
20
27
21
27
8
Krimweg 2, Oostvoorne
18
25
18
24
9
Zandweg 81, Oostvoorne
19
25
17
23
10
Zeekant 241
22
28
23
29
*: Geen gevoelig object
De resultaten laten zien dat de beide alternatieven ter hoogte van alle gevoelige objecten ruim aan de norm voor windturbinegeluid uit de Activiteitenregeling voldoen. Voor toetspunt 1 tot en met 4 geldt dat dit geen gevoelige objecten betreffen en het windpark op deze toetspunten derhalve niet aan de norm hoeft te voldoen. De geluidsbelasting ligt ter hoogte van deze toetspunten wat hoger dan Lden 47 dB. Alternatief 1 laat op deze een iets hogere geluidsbelasting zien dan alternatief 2. Dit komt doordat het windturbinetype van alternatief 1op de zachte zeewering iets luider is dan die van alternatief 2, terwijl bij beide geldt dat dit de worst-case turbines zijn binnen de maximale klasse per alternatief. In onderstaande figuren zijn de geluidscontouren (Lden 47dB) per alternatief weergegeven. In de bijlage zijn tevens de contouren onder de norm (Lden 42 dB) opgenomen.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
45
Figuur 5.1 Geluidcontour Lden 47 dB alternatief 1
Bron: Pondera Consult Figuur 5.2 Geluidcontour Lden 47 dB alternatief 2
Bron: Pondera Consult
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
46
Aantal woningen binnen geluidscontouren Voor de effectbeoordeling is ook gekeken naar de geluidbelasting onder de norm; dit is gedaan ten behoeve van de vergelijking van de alternatieven. De geluidbelasting van hoger dan 42 dB is gekozen, omdat daaronder de bijdrage van het windpark aan het aantal gehinderden niet meer significant is. Tabel 5.7 laat voor de alternatieven het aantal woningen van derden zien binnen de verschillende geluidcontouren. Voor beide alternatieven geldt dat er geen gevoelige objecten zijn met een geluidsbelasting hoger dan 42 dB lden. Tabel 5.7 Aantal woningen binnen contouren Criterium
Alternatief 1
Alternatief 2
Aantal gevoelige objecten met geluidbelasting Lden > 47 dB
0
0
Beoordeling
0
0
Aantal gevoelige objecten met geluidbelasting 42 < Lden ≤ 47 dB
0
0
Beoordeling
0
0
Totaal aantal gevoelige objecten met geluidbelasting > 42 Lden
0
0
Aangezien er geen gevoelige objecten binnen de geluidcontouren liggen wordt geconcludeerd dat er eveneens geen sprake is van gehinderden ter hoogte van gevoelige objecten (o.b.v. TNO-rapport 2018).
Cumulatie met andere windturbines Bij de toepassing van artikel 3.14a, tweede lid van het Activiteitenbesluit, wordt geen rekening gehouden met een windturbine of een combinatie van windturbines die behoort tot een andere inrichting waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel een vergunning in werking en onherroepelijk was. Dit overgangsrecht (Activiteitenbesluit artikel 3.14a, vijfde lid) geldt voor windturbines met een vergunning van voor 1 januari 2011. Voor de toetsing aan het Activiteitenbesluit worden daarom enkel de turbines beschouwd, welke zijn vergund ná 2011 of onderdeel zijn van de autonome ontwikkeling van het gebied. Tabel 5.8 Cumulatie met andere windturbines Huidig
Alternatief 1
Alternatief 2
Toetspunt Lnight
Lden
Lnight
Lden
Lnight
Lden
1
Brandweer*
36
43
42
48
45
51
2
Maasvlaktestrand*
35
42
43
49
41
48
3
Rotterdam World Gateway 1*
30
37
48
54
46
52
4
Rotterdam World Gateway 2*
33
39
48
54
46
52
5
Prinsessenhavenweg*
38
44
40
46
39
46
6
Euromax Terminal*
47
53
47
53
47
53
7
Prins Willem Weg 2, Hoek van Holland
24
31
26
32
26
32
8
Krimweg 2, Oostvoorne
21
27
23
29
23
29
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
47
9
Zandweg 81, Oostvoorne
23
29
24
31
24
30
10
Zeekant 241
28
34
29
35
29
35
*: Geen gevoelig object
Voor beide alternatieven geldt dat de windturbines een beperkte bijdrage hebben aan de cumulatieve geluidsbelasting op verschillende toetspunten. De verschillen tussen de alternatieven zijn zeer beperkt. De geluidswaarden ter hoogte van gevoelige objecten zijn zeer laag en zullen wegvallen in het geluid afkomstig van andere geluidsbronnen. Ter hoogte van gevoelige objecten blijft de geluidsbelasting, ook in cumulatie ruim onder de geluidsnorm.
Cumulatie met andere geluidbronnen Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke normen van kracht, zij wordt gebruikt ter indicatie van het heersende en gewijzigde leefklimaat. Het reeds bestaande geluidsniveau op de Maasvlakte 2 wordt bepaald door de industriële activiteiten in het gebied, zoals ook blijkt uit de beoordeling zoals is gedaan voor het vaststellen van het bestemmingsplan Maasvlakte 2. Ook voor de cumulatieve effecten met andere geluidbronnen wordt gesteld dat de geluidbelasting van de te plaatsen windturbines dusdanig laag is, dat de bijdrage van deze turbines aan de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de meest nabijgelegen geluidgevoelige objecten te verwaarlozen is. Ook op niet gevoelige objecten op de Maasvlakte 2 zal de bijdrage van windturbines, gezien het karakter van het industriële complex verwaarloosbaar klein zijn. Om die reden is dit niet nader kwalitatief beschouwd.
Stiltegebieden Op een afstand van circa 5,5 à 6 kilometer is een stiltegebied (Voornes Duin) gelegen. Dit is gebied is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening. In figuur 5.3 is het stiltegebied weergegeven. Overige stiltegebieden liggen op (nog) grotere afstand van het plangebied van Windpark Maasvlakte 2. De grenzen van dit stiltegebied zijn dusdanig vastgesteld dat het geluid in de gebieden het grootste deel van de tijd 40 decibel niet overstijgt. Dit is echter geen harde norm, omdat er ook omstandigheden (anders dan geluid van het windpark) kunnen zijn waarbij het geluid toch hoger ligt. Gezien de afstand tot het stiltegebied en de verwaarloosbare bijdrage van het windpark aan de cumulatieve geluidsbelasting in de omgeving, zal de geluidsbelasting van het windpark niet leiden tot een overschrijding van de 40 dB op de grens van het gebied. Dit is dan ook niet onderscheidend voor de beide alternatieven.
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
48
Figuur 5.3 Stiltegebieden
Bron: Pondera Consult
Mitigerende maatregelen Voor beide alternatieven geldt dat er geen mitigerende maatregelen nodig zijn om aan de geluidsnorm ter hoogte van gevoelige objecten te kunnen voldoen.
Effecten aanlegfase en netaansluiting Aanlegfase Tijdens de aanlegfase zullen werkzaamheden voor de bouw van het windturbinepark geluid kunnen produceren, maar dit is van tijdelijke aard. Te denken valt aan het heien van de turbinefundatie en het vrachtverkeer voor het aanleveren van grond en onderdelen voor de windturbines. Het geluid tijdens de aanlegfase zal aansluiten bij de maximale waarden op basis van het bouwbesluit. De geluidbelasting van de aanlegfase is echter beperkt en tijdelijk en zal om die reden niet onderscheidend zijn voor de verschillende alternatieven. Onderwatergeluid tijdens heiwerkzaamheden wordt beschouwd voor het voorkeursalternatief in hoofdstuk 16.
Netaansluiting Ook voor de aanleg van de netaansluiting (kabeltracés en inkoopstation) zal tijdelijk geluid optreden. Vanwege de tijdelijkheid is de impact op omgeving echter beperkt. Het kabeltracé ligt ondergronds en maakt geen geluid in de exploitatiefase. Daarmee is het kabeltracé niet van invloed op de geluidsbelasting in de omgeving.
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
49
Voor het inkoopstation geldt dat de geluidsbelasting inzichtelijk wordt gemaakt als onderdeel van het voorkeursalternatief in hoofdstuk 16.
Cumulatie Cumulatieve effecten voor het aspect geluid zijn beschouwd in paragraaf 5.3.2 en 5.3.3.
Mitigerende maatregelen De alternatieven kunnen zonder mitigerende maatregelen voldoen aan de L den en Lnight norm voor windturbinegeluid uit de Activiteitenregeling. Aangezien er voor de berekeningen is uitgegaan van een worst-case turbinetype, zullen andere typen binnen de maximale afmetingen eveneens inpasbaar zijn op de beoogde locatie. In de tenderfase is reeds toegezegd dat de windturbines aan beide uiteinden van de opstelling worden uitgerust met uilenveren om de geluidsbelasting aan die zijden te beperken. Dit wordt voor het voorkeursalternatief in hoofdstuk 16 nader bepaald.
Samenvatting effectscores In onderstaande tabel zijn de samenvattende effectscores opgenomen. Voor beide alternatieven geldt dat deze aan de geluidsnorm kunnen voldoen, zonder toepassing van mitigerende maatregelen. Om die reden scoren beide alternatieven neutraal op het aspect geluid. Tabel 5.9 Samenvatting beoordeling geluid Beoordelingscriterium
Alternatief 1
Alternatief 2
Aantal woningen binnen de geluidscontour > 47 dB (norm)
0
0
Aantal woningen binnen de geluidscontour > 42 dB (norm)
0
0
Aantal gehinderden (gevoelige objecten)
0
0
Cumulatieve geluidbelasting
-
-
Stiltegebieden
0
0
Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 | 719071 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
50
SLAGSCHADUW Beleid, wetgeving en beoordelingskader Regelgeving in Nederland De draaiende rotorbladen van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze ‘slagschaduw’ kan onder bepaalde omstandigheden als hinderlijk worden ervaren. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie en de intensiteit van de flikkering en de blootstellingsduur. Daarbij zijn de afstand tot de turbines, de stand en aanwezigheid van de zon en het al dan niet draaien van de windturbines bepalende aspecten. De frequentie (flikkerfrequentie) van de slagschaduw is van invloed op de hinderlijkheid van de slagschaduw. In het Activiteitenbesluit is gesteld dat flikkerfrequenties (aantal schaduwbladen per minuut) tussen 2,5 en 14 Hz als zeer hinderlijk worden ervaren. De windturbines in de onderzochte klassen hebben een lager toerental, waardoor dergelijke flikkering niet optreedt. Desalniettemin wordt het mogelijke optreden van slagschaduw wel nader onderzocht. Activiteitenbesluit en Rarim In het Activiteitenbesluit wordt als norm gesteld dat een maximale slagschaduwduur van 20 minuten per dag gedurende gemiddeld 17 dagen per jaar acceptabel is.
Uit de Regeling Algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Rarim) volgt dat windturbines een automatische stilstand voorziening dienen te bezitten indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten (veelal woningen), voor zover de afstand tussen de woningen of andere gevoelige bestemmingen minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden. Voor bedrijven en kantoren geldt dat dit geen gevoelige objecten betreffen en derhalve niet wettelijk beschermd zijn voor slagschaduw van windturbines. Effecten op kantoren en bedrijven worden in dit hoofdstuk voor de volledigheid wel beschreven. Figuur 6.1 Schematische weergave slagschaduw en werking norm
Bron: Pondera Consult
719071 | Milieueffectrapport Windpark Maasvlakte 2 15-01-2021 | Definitief
Pondera Consult
51
Bepaling effecten Op basis van de maximale afmetingen van de turbineklassen, de gang van de zon en een minimale zonhoogte van vijf graden, zijn de dagen en tijden berekend waarop slagschaduw kan optreden. De gang van de zon is voor alle dagen van het jaar bepaald met een astronomisch rekenmodel waarbij rekening is gehouden met de betreffende locatie (noorderbreedte en oosterlengte) op de aarde. De potentiele hinderduur is een theoretisch maximum. Hieruit is de verwachte hinderduur berekend door het toepassen van correcties. Als gevolg van deze correcties is de verwachte hinderduur aanmerkelijk korter dan de potentiele hinderduur. Bij de beoordeling van slagschaduw is geen rekening gehouden met obstakels in de omgeving die zich kunnen bevinden tussen de windturbines en de toetsobjecten. In de praktijk kunnen er zich daarnaast nog locatie specifieke beplanting en gebouwen bevinden die de slagschaduw beperken. Een dergelijk detailniveau is hier niet meegenomen. De hoeveelheid slagschaduw is daarmee ‘worst case’ bepaald. Aangezien er geen gevoelige objecten binnen 12 x de rotordiameter van het windpark liggen, zijn er enkele toetspunten ter hoogte van gevoelige objecten op grote afstand opgenomen. Van de alternatieven is de slagschaduwduur ter hoogte van een aantal bedrijven (niet gevoelig) in het omliggende gebied berekend met het programma WindPro.
In bijlage 1 is de slagschaduwrapportage opgenomen. De afmetingen die zijn gehanteerd staan in Tabel 6.1: Tabel 6.1 Gehanteerde rotordiameter en masthoogte Alternatief
Deel zeewering
Aantal
Masthoogte
Rotordiameter
turbines Harde zeewering
10
67
115
Zachte zeewering
12
107
150
Harde zeewering noord
9
76
120
Harde Zeewering Zuid
1
107
162
Zachte zeewering
12
107
162
1
2
Dit betreffen de maximale afmetingen behorende bij de turbineklassen. Voor de berekeningen geldt dat rekening is gehouden met de hoogte (dijk) waarop de turbines worden geplaatst.